CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

rekenkamerrapport aogw preventie en vroegsignalering

Raadscommissie 22 april 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Rekenkameronderzoek naar preventie en vroegsignalering van jeugdhulp in de gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk16.276 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Nota van bevindingen

Rekenkameronderzoek naar preventie en vroegsignalering van jeugdhulp in de gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk

Een goede basis, betrokken mensen, Achterhoeks pragmatisme en nog verder te vervullen potentie

Rominique van Rhemen - Frouke Sondeijker

Nota van bevindingen

Rekenkameronderzoek naar preventie en vroegsignalering van jeugdhulp in de gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk Een goede basis, betrokken mensen, Achterhoeks pragmatisme en nog verder te vervullen potentie

Rominique van Rhemen Frouke Sondeijker

Utrecht, december 2024

Woord vooraf Beste lezer, Voor u ligt het rapport van het rekenkameronderzoek naar preventie en vroegsignalering dat is uitgevoerd in de gemeenten Aalten, Oost-Gelre en Winterswijk. Voor u begint met lezen willen we een aantal zaken toelichten. Onderzoek is een momentopname terwijl de wereld doordraait. Ook in de drie gemeenten waar dit onderzoek plaatsvond, zijn ontwikkelingen op het terrein van preventie en vroegsignalering in volle gang. Door de veel langere looptijd van het onderzoek dan beoogd, hebben een aantal van de resultaten en conclusies inmiddels al een plek gekregen in de ontwikkelingen die gaande zijn. Het is goed om u dat te realiseren tijdens het lezen van dit rapport. Zoals gezegd is dit onderzoek gedaan in drie gemeenten. Er zijn mensen van uitvoerend professionals tot wethouders geïnterviewd. Die deden allemaal mee vanuit hun eigen kennis en ervaring. In dit rapport zijn quotes verwerkt uit de interviews. Het is goed u te realiseren dat deze quotes geenszins te generaliseren zijn en dus ook niet voor meer mensen of voor alle drie de gemeenten hoeven te gelden. De quotes hebben vooral een illustratieve functie in dit rapport. Dan zijn er een paar woorden die we graag vooraf willen definiëren, zodat u de juiste duiding kunt geven aan zinnen die deze woorden bevatten.

Inkoop jeugdhulp en preventie verwijst naar het proces waarbij de overheid (meestal gemeenten) de benodigde zorg en diensten voor jongeren regelt en aanschaft. Dit gebeurt door het aangaan van contracten met zorgaanbieders die gespecialiseerd zijn in jeugdhulp en preventie. De focus ligt op het bieden van de juiste ondersteuning aan jongeren om problemen vroegtijdig te signaleren en aan te pakken, zodat zwaardere zorg of crisisinterventies in de toekomst voorkomen worden. Het draait bij de inkoop van jeugdhulp en preventie om het selecteren, contracteren en monitoren van organisaties die de juiste zorg en preventieve diensten bieden, met als doel het welzijn van jongeren te bevorderen en problematiek te voorkomen. Samenwerkingsafspraken zijn afspraken tussen twee of meer partijen die in onderlinge samenwerking hun doelen willen bereiken. Deze afspraken kunnen betrekking hebben op de rolverdeling, verantwoordelijkheden, taken, en verwachtingen van de betrokkenen, evenals de manier waarop ze met elkaar communiceren, beslissingen nemen en eventuele conflicten oplossen. Samenwerkingsafspraken worden vaak vastgelegd in een formele overeenkomst of een contract en zijn bedoeld om de samenwerking soepel te laten verlopen, waarbij de belangen van alle partijen worden gerespecteerd en er duidelijke kaders zijn voor het uitvoeren van de taken.

In de context van jeugdhulp, kunnen samenwerkingsafspraken ervoor zorgen dat verschillende organisaties of instanties effectief samenwerken om de juiste ondersteuning en zorg aan een individu of doelgroep te bieden.

Rest ons nog u veel leesplezier te wensen! Frouke Sondeijker & Rominique van Rhemen

3

Inhoud Woord vooraf

3

Managementsamenvatting5 1 Inleiding  1.1. Aanleiding 1.2. Doel- en vraagstelling 1.3. Definities 1.4. Leeswijzer

7 7 7 8 8

2 Onderzoeksopzet 2.1. Methodologie 2.2. Opzet en procedure

9 9 9

3 Resultaten 3.1. Beleid op gebied van preventie en vroegsignalering jeugdhulp 3.2. De uitvoering van preventie en vroegsignalering 3.3. Inzicht in samenwerking 3.4. Huidige stand van zaken zelfevaluaties, kwaliteits- en effectiviteitsmetingen (a.d.h.v. kwaliteitskompas)

11 11 12 16

4 Conclusies  4.1. Beperkingen onderzoek 4.2. Praktijk van preventie en vroegsignalering 4.3. Evaluatie, monitoring en sturing op kwaliteit 4.4. Er gaat heel veel goed, en... 

24 24 25 26 27

5

29

Aanbevelingen en aandachtpunten

Bijlagen33 Bijlage 1: Overzicht ontvangen documenten 34 Bijlage 2: Kwaliteitskompas uitgelegd 35 Bijlage 3: Overzicht geïnterviewde partijen 37

20

4

Managementsamenvatting Inleiding en vraagstelling In opdracht van de gemeentelijke rekenkamer van Aalten, Oost- Gelre en Winterwijk is een onderzoek uitgevoerd naar preventie en vroegsignalering van jeugdhulp. Het doel van het onderzoek was om inzicht te bieden in de wijze waarop deze drie gemeenten preventie en vroegsignalering uitvoeren om jeugdhulp te voorkomen en hoe ze de effecten van hun werkwijze inzichtelijk maken. Het onderzoek richtte zich op drie hoofdvragen: 1. Hoe brengen de drie gemeenten vroegsignalering en preventie in praktijk? 2. Hoe maken aanbieders en gemeenten de meerwaarde van hun aanbod inzichtelijk en werken ze aan leren en verbeteren? 3. Welke aanbevelingen kunnen gedaan worden om de effectiviteit van vroegsignalering en preventie te vergroten? Onderzoeksaanpak Het onderzoek maakt gebruik van een mixed-method aanpak, waarbij deskresearch, data-analyse, groepsgesprekken en interviews zijn gecombineerd. Dit zorgt voor een gedetailleerd en contextueel inzicht in hoe preventie en vroegsignalering in drie gemeenten is ingericht en ervaren wordt. De aanpak versterkt tevens de betrouwbaarheid van de bevindingen.

Het onderzoek verliep in vier fasen: Startfase: Verkenning van samenwerkingsverbanden en verzamelen van beleidsinformatie via gesprekken met vertegenwoordigers en beleidsmakers. Deskresearch: Analyse van gemeentelijke en landelijke documenten en voorbereiding van interviewvragen. Interviews: Uitvoeren van groeps- en individuele gesprekken met praktijkpartners, wethouders en beleidsmakers over visie, samenwerking en ervaringen. Analyse en Rapportage: Integreren van alle informatie, opstellen van een conceptnota, verwerken van feedback, en afronden van het rapport. Resultaten De resultaten laten zien dat de gemeenten rond vroegsignalering en preventie onder andere samenwerken via het Ondersteuningsteam Oost Achterhoek (OT) en het Preventie Platform Jeugd (PPJ). Het OT, bestaande uit generalisten van de drie gemeenten, biedt kortdurende zorg en ondersteuning aan kinderen en jeugdigen van 0-23 jaar en hun gezinnen. Vanuit het PPJ worden collectieve preventieve aanpakken in-gezet. Er is veel aandacht bij alle betrokken partijen voor vroegsignalering en preventie. Er wordt gewerkt vanuit een gezamenlijke visie. De samenwerking tussen de gemeenten en de betrokken partijen is, ondanks dat er beperkt samenwerkingsafspraken op papier staan, sterk en stabiel, hetgeen naar verwachting bijdraagt aan de effectiviteit van de preventieve maatregelen.

Het aantonen van effecten van preventie is lastig door de vele beïnvloedbare factoren. Evaluaties van het OT en PPJ wijzen op een positieve impact. Toch zijn er een aantal zaken die lastig blijven. Er zijn groepen ouders en jeugdigen die onvoldoende bereikt worden met preventief aanbod. De hulp of ondersteuning die geboden wordt, wie regie voert en wanneer er doorverwezen 5

wordt naar de jeugdconsulenten is medewerker-afhankelijk. Rond individuele casuïstiek wordt hierover in allerlei overlegstructuren met elkaar gesproken, maar op overstijgend niveau zien we dat beperkt. Hierdoor kunnen dit soort zaken lang blijven bestaan, hetgeen belemmerend kan werken als het gaat om vroegsignalering en preventie ter voorkoming van jeugdhulp.

z

z

Conclusies z

De onderzoeksresultaten wijzen erop dat er veel aandacht is voor preventie en vroegsignalering. Er is een hele mooie basis gelegd met het werken via het OT en PPJ om jeugdhulp te voorkomen. De volledige potentie van OT en PPJ wordt echter nog niet benut. Met name op het gebied van uniformiteit van werkprocessen, de versterking van het OT en de effectievere uitvoering van het PPJ zijn verdere verbeteringen mogelijk. Tevens blijft het van belang dat de betrokken gemeenten blijven investeren in het verbeteren van de samenwerking en het benutten van de potentie van de bestaande platformen, maar ook dat ze de inzichten uit dit onderzoek gebruiken om verder te werken aan het bereiken en inzichtelijk maken van de gewenste effecten in de preventie en vroegsignalering van jeugdhulp.

Data- en kennisgedreven werken: gemeenten moeten gezamenlijk bepalen hoe data en kennis gedeeld en gebruikt worden voor het verbeteren van vroegsignalering en preventie van jeugdhulp, met betrokkenheid van ouders en jeugdigen. Herzie overlegstructuren: breng de bestaande overlegstructuren in kaart, verbeter efficiëntie en zorg ook hier voor meer betrokkenheid van ouders en jeugdigen. Versterk OT en PPJ: geef het Ondersteuningsteam (OT) meer regie en versterk de centrale rol van het Preventie Platform Jeugd (PPJ).

Naast bovengenoemde aanbevelingen geven we twee aandachtspunten mee. Hoewel gemeenten hier al op inzetten, willen we benadrukken dat deze onverminderd van belang blijven. Het gaat om: z Betrokkenheid van ouders en jeugdigen. z Informatie aan gemeenteraden. Al met al is er in de gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk een goede basis voor preventie en vroegsignalering, wordt er gewerkt met betrokken mensen, zien we een gezonde dosis Achterhoeks pragmatisme en nog verder te vervullen potentie!

Aanbevelingen Op basis van de resultaten en conclusies uit dit onderzoek doen we een aantal aanbevelingen: z Versterk het gebruik van data: investeer in gegevensverzameling om het monitoren en verbeteren van jeugdhulp te ondersteunen. Maak (idealiter bij subsidieverstrekking) afspraken over het delen van relevante data voor gezamenlijk leren en ontwikkelen. z Kennis en creativiteit voor effectmeting: vergroot de kennis over het inzichtelijk maken van effecten van preventie en vroegsignalering, met hulp van bijvoorbeeld landelijke kenniscentra.

6

1

Inleiding

1.1.

Aanleiding

3.

Op 13 september 2023 ontving het Verwey-Jonker Instituut van de Rekenkamer Aalten, Oost Gelre en Winterswijk het verzoek een offerte in te dienen voor een onderzoek naar preventie en vroegsignalering van jeugdhulp. De oorspronkelijk doelstelling van het onderzoek was, zoals in de startnotitie omschreven, om de raden van de drie gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk inzicht te bieden in de wijze waarop de gemeenten uitvoering geven aan preventie en vroegsignalering, (mede) ter voorkoming van de inzet van jeugdhulp. Het onderzoek zou moeten aangeven wat preventie en vroegsignalering ter voorkoming van jeugdhulp heeft opgeleverd en nog kan opleveren. Hierbij was het streven dat het onderzoek leer- en verbeterpunten om tot een effectievere uitvoering van het jeugdhulpbeleid te komen voort zou brengen.

1.2.

Doel- en vraagstelling

Naar aanleiding van het verzoek en op basis van de startnotitie is, in gesprek met de Rekenkamer, de doelstelling van het onderzoek verder geconcretiseerd. Deze is drie-ledig: 1.

2.

Het in kaart brengen van de wijze waarop de drie gemeenten uitvoering geven aan vroegsignalering en preventie ter voorkoming van jeugdhulp. Hierbij gaat het vooral om wat er in de praktijk wordt aangeboden en minder om wat er in beleid is vastgelegd. Het met de praktijkpartners samen in kaart brengen wat er reeds gedaan wordt aan het inzichtelijk maken van de eigen meerwaarde (outcome

monitoring) en hoe er nu gewerkt wordt aan leren en verbeteren. Tevens verkennen we behoeften en mogelijkheden ter verbetering hiervan voor de toekomst. Het doen van aanbevelingen over het inzichtelijk maken van resultaten van signalering en preventie, zodat er op termijn iets gezegd kan worden over de effectiviteit en hoe hier in beleid en inkoop op kan worden gestuurd door gemeenten.

Passend bij deze doelstelling zijn ook een aantal onderzoeksvragen geformuleerd. De hoofd- en deelvragen luiden als volgt: 1.

Wat wordt er in de praktijk gedaan aan vroegsignalering en preventie? En vanuit welke visie(s) gebeurt dat? Wat is er geëxpliciteerd in beleid? a. Welke partijen zijn hierbij betrokken? b. Van welke interventies wordt gebruik gemaakt en in hoeverre zijn deze onderbouwd? c. Welke doelgroepen worden bereikt en welke wellicht onvoldoende of niet?

2.

Hoe is in de praktijk de toeleiding tot vroegsignalering en preventie georganiseerd en gecoördineerd? Met andere woorden hoe kom je terecht bij de partijen die betrokken zijn bij vroegsignalering en preventie? a. In hoeverre lukt het maatschappelijke partners om preventief te handelen? En wat zijn hierbij bevorderende en belemmerende factoren? b. Wat zijn de maatschappelijke resultaten waaraan partners een bijdrage willen/moeten leveren? c. Wat doen partners om hun aanbod te verbeteren, beter te laten aansluiten op de behoefte en hoe brengen ze in kaart in welke mate dat lukt?

7

d.

3.

Welke wensen en behoeften leven er bij partners omtrent het inzichtelijk maken van hun resultaten en het doorlopend verbeteren van hun aanbod en welke randvoorwaarden zijn daar voor hen voor nodig (of wat staat er in de weg om dit te gaan doen)?

Wat zijn op basis van informatie ter beantwoording van bovengenoemde vragen, aanbevelingen aan de drie gemeenten over hoe hiermee verder te gaan? En op welke wijze kunnen beleid en inkoop1 hieraan bijdragen?

1.3.

Definities

De definitie van preventie die we voor dit onderzoek hanteren is de definitie uit de preventie-piramide (toegelicht in Opvoedsteun: wat werkt? Nji, 20182). In deze piramide worden drie soorten preventie onderscheiden: 1.

2.

3.

1

Bij vroegsignalering gaat het om vermoedens van een verhoogd risico op het ontstaan van problemen. Om wat voor soort problemen het gaat is op dat moment nog niet helder en afgebakend3.

1.4.

Leeswijzer

In onderstaande hoofdstukken gaan we achtereenvolgens in op de onderzoeksopzet (Hoofdstuk 2), de resultaten van het onderzoek (Hoofdstuk 3) waarbij we ingaan op het beleid, de uitvoering van preventie en vroegsignalering, de samenwerking tussen betrokkenen, de wijze van monitoren en evalueren en wat er bekend is over de meerwaarde of effectiviteit van de aanpak in Aalten, Oost Gelre en Winterswijk. We sluiten af met conclusies, waarbij we ook de onderzoeksvragen beantwoorden en een aantal aanbevelingen doen (Hoofdstuk 4).

Universele preventie; dit betreffen maatregelen en een omgeving die een positieve ontwikkeling voor kinderen bevordert. Zaken als algemene voorlichting en activiteiten om bewustwording te vergroten vallen hieronder. Selectieve preventie; dit is gericht op groepen die een verhoogd risico lopen op het ontwikkelen van problematiek. Onder selectieve preventie vallen zaken als vroegsignalering en advies, maar bijvoorbeeld ook opvoedingsondersteuning. Geïndiceerde preventie; is bedoeld voor kinderen en gezinnen waarbij al een probleem is vastgesteld en veelal ter voorkoming van erger. Hieronder valt eerstelijnshulp, maar ook jeugdhulp die niet vrij-toegankelijk is.

De uitspraken die we doen zijn gericht op wat in de inkoop maar ook in aanvullende afspraken met aanbieders zou kunnen worden vastgelegd.

2 https://www.nji.nl/system/files/2021-05/Opvoedsteun-Wat-werkt.pdf.

3 Instrumenten voor vroegsignalering, screening en diagnostiek van gedragsproblemen | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl).

8

2

Onderzoeksopzet

2.1.

Methodologie

2.2.

Opzet en procedure

Het onderzoek bestond in totaal uit vier fases: de startfase en de overige drie onderzoeksfases.

Voor het uitvoeren van dit onderzoek is gebruik gemaakt van een mixed-method aanpak. Met deze aanpak hebben we zowel door het doen van deskresearch en het analyseren van beschikbare data, als door het houden van groepsgesprekken en interviews informatie verzameld. Door het combineren van deze informatie kunnen we een dieper inzicht krijgen over hoe preventie en vroegsignalering in de drie gemeenten ingericht is en in de praktijk ervaren wordt. Dit zorgt ervoor dat er meer gedetailleerde en contextuele antwoorden op de hoofd- en deelvragen gegeven kunnen worden. Daarnaast helpt het gebruikmaken van een mixed method aanpak bij het verifiëren en versterken van de bevindingen.

In de startfase heeft er een startgesprek plaatsgevonden met vertegenwoordigers van de Rekenkamer en de managers van de drie desbetreffende gemeenten. Het was in het startgesprek, naast de kennismaking, vooral van belang om te peilen hoe nauw de samenwerkingsverbanden tussen de gemeenten zijn en hoe groot de verschillen zijn in de manieren waarop ze individueel opereren. Verder is aan de vertegenwoordiger van de gemeenten gevraagd ons in contact te brengen met de beleidsmedewerkers van de gemeenten die preventie en/ of jeugdbeleid in hun portefeuille hebben. Ook zijn we nog in de startfase met deze beleidsmakers in gesprek gegaan. Via hen hebben we relevante beleidsstukken en cijfers van de gemeenten ontvangen. De tweede fase bestond uit deskresearch, het analyseren van de ontvangen documenten en het voorbereiden van interviews. In de startfase hebben we gevraagd naar recente visiedocumenten, doelgroep beschrijvingen, organisatiedoelen, samenwerkingsafspraken, monitoringsdata en onderzoeksrapportages naar de aanpak en resultaten daarvan. De ontvangen documenten hebben wij vervolgens in deze fase geanalyseerd (zie bijlage 5.1. Overzicht ontvangen documenten voor een volledig overzicht). Naast het bestuderen en analyseren van deze lokale informatie hebben we ook een search gedaan naar landelijke literatuur.

Op basis van al de opgehaalde informatie hebben we een concept topiclijst opgezet voor de groepsgesprekken. Deze is ontwikkeld langs de lijnen van het kwaliteitskompas (zie bijlage 5.2. Kwaliteitskompas uitgelegd). Deze concept-topiclijst hebben we voorgelegd aan de opdrachtgever en vervolgens hebben we hun feedback verwerkt tot een definitieve topiclijst die in de volgende fase gebruikt is. 9

In de derde fase, waarin de individuele en groepsinterviews plaats hebben gevonden, zijn we aan de hand van de topiclijst in gesprek gegaan met de relevante praktijkpartners, wethouders en beleidsmakers (zie bijlage 5.3. Overzicht geïnterviewde partijen). De gesprekken hebben we getracht zoveel mogelijk in groepsverband plaats te laten vinden. Het voordeel van een groepsgesprek is namelijk dat dit ook direct een leermoment kan zijn voor alle betrokkenen. Ook is er ruimte om elkaar aan te vullen en op elkaar te reageren, waardoor er kwalitatief betere informatie op tafel kan komen. Randvoorwaarde hiervoor is een veilige sfeer. Omdat we weten dat praktijkpartners moeten samenwerken, maar soms ook elkaars concurrenten zijn, is die veilige sfeer dus mogelijk niet altijd aanwezig. Daarom hebben we voor de groepsgesprekken met partners, eerst gepeild wat de kwaliteit en aard van de relaties tussen de partners was. Deze relaties bleken, gezien de nauwe samenwerkingsverbanden tussen de gemeenten en partners van de drie gemeenten, vrij sterk en stabiel te zijn. Het was niet altijd mogelijk om de verschillende agenda’s van partners zodanig te coördineren dat iedereen op hetzelfde moment voor een groepsgesprek aan kon sluiten. Daarom is ervoor gekozen om ook een aantal individuele gesprekken met praktijkpartners te voeren, of via een korte vragenlijst hun perspectief alsnog op te halen.

Hetzelfde geldt voor de gesprekken met de wethouders. De wethouders en beleidsambtenaren hebben we vooral bevraagd op de visie en missie rond preventie en vroegsignalering ter voorkomen van jeugdhulp; waaronder de maatschappelijke resultaten die ze willen bereiken en de wijze waarop ze dat nu doen, wat zij denken dat daarin goed gaat, beter kan of waarmee misschien wel gestopt moet worden. Ook hebben wij hen gevraagd welke informatie zij nu hebben en misschien ook wel missen om de voortgang van hun inspanningen te volgen en besluiten te kunnen nemen.

met het aanbod van de preventieve interventies of het preventieve aanbod (incl. vroegsignalering) bezighouden, hebben wij daarnaast ook gevraagd wat zij aanbieden voor verschillende doelgroepen, hoe ze hun eigen aanbod monitoren, en wat zijzelf, de partnerorganisaties en de gemeenten doen met die gegevens. Idealiter hadden we ook jeugdigen en ouders gesproken over hun ervaringen met het preventieve aanbod in Aalten, Oost Gelre en Winterswijk, maar dat is niet gelukt binnen de looptijd van dit onderzoek. De vierde, en laatste fase, bestond uit het bij elkaar brengen van de informatie uit de verschillende fasen, dat overstijgend analyseren en het schrijven van de rapportage. In deze fase zijn de interviews en groepsgesprekken uit fase 3 geanalyseerd en gelegd naast alle eerder verkregen informatie. Op basis van de informatie uit deze gesprekken, de bestudeerde documenten, beleidsstukken en samenwerkingsafspraken en de verkregen cijfers, hebben we de vragen zoals geformuleerd onder 1.2 beantwoord. Ook hebben we in deze fase voorliggende korte toegankelijke rapportage (conceptnota van bevindingen) opgesteld, met daarin de gekozen onderzoeksopzet, de resultaten en conclusies en een aantal aanbeveling die aansluiten bij de 3-ledige doelstelling. Deze conceptnota van bevindingen is vervolgens aan de Rekenkamer voorgelegd t.b.v. ambtelijke hoor en wederhoor.

De feedback hebben we tenslotte, na overleg met de Rekenkamercommissie, verwerkt tot een definitieve nota van bevindingen.

De praktijkpartners hebben we gevraagd naar het beleid en de samenwerkingsafspraken die op papier staan en welke belemmerende en bevorderende factoren zij ervaren bij het werken aan preventie. De praktijkpartners die zich 10

3 3.1.

Resultaten Beleid op gebied van preventie en vroegsignalering jeugdhulp

In het visiedocument Sociaal domein: Samenwerken om elkaar te versterken, staat de regionale visie op het sociaal domein volgens de acht Achterhoekse gemeenten, waaronder ook gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk, beschreven. Het visiedocument is in overleg met respectievelijk wethouders, ambtenaren, een selectie van zorgaanbieders en vertegenwoordigers van inwoners vanuit de sociale raad/Wmo-raad) opgesteld, gedurende vier verschillende werksessies, waar zij input hebben kunnen leveren voor de verdere concretisering van de visie. Het uiteindelijke resultaat is een visie op de samenwerking tussen de gemeenten onderling en op de samenwerking tussen de gemeenten en de partijen die een rol spelen in het sociaal domein: “Onze kernboodschap is dat iedereen meedoet en zijn steentje bijdraagt, naar eigen kunnen. Iedereen is de moeite waard en hoort erbij. We stellen de leefwereld van de mens centraal. Ons doel is dat mensen een betekenisvol en veerkrachtig leven leiden. We reiken hiervoor handvatten aan, gericht op zelfredzaamheid, samenredzaamheid en participatie. Daarbij gaan wij uit van wat men kan en wat men kan leren. We willen een gezonde, sterke en sociale samenleving creëren.

respectievelijke gemeenten individueel veel tijd en energie ingezet. Uiteindelijk is, om deze nieuwe gedecentraliseerde taken efficiënter en effectiever aan te kunnen pakken, besloten om tot een integrale en duurzame aanpak in het jeugdbeleid, de jeugdzorg en onderwijsondersteuning aan jeugdigen en hun gezinnen te komen.

Per 1 januari 2015 hebben de gemeenten volgens de nieuwe jeugdwet (een deel van) de taken en verantwoordelijkheid voor de jeugdzorg van de Rijksoverheid en provincies overgenomen. Ter voorbereiding op deze transitie hebben de acht

De regionale visie is gericht op het leefbaar houden van de Achterhoek voor de komende generatie door het vergroten van zelfredzaamheid, participatie en sociale samenhang onder bewoners. De missie is hierbij om het zelf organiserend vermogen van inwoners te vergroten, ervoor te zorgen dat inwoners zoveel mogelijk een zelfstandig leven kunnen leiden en problemen en 11

tegenslagen zelf op kunnen lossen. De maatschappelijke verantwoordelijkheid wordt zo gedeeld met de inwoners en organisaties binnen de gemeenten. Op basis van deze missie is een aantal maatschappelijke doelen en kernwaarden opgesteld. Het eerste maatschappelijke doel wat omschreven staat, is dat jeugdigen gezond kunnen opgroeien in een veilige en vertrouwde omgeving en zich maximaal kunnen ontwikkelen, zodat zij op kunnen groeien tot zelfredzame mensen. In het kader van dit doel is er besloten de omslag te maken naar meer inzet van universele en selectieve preventie, zodat minder geïndiceerde preventie (lees jeugdhulp) noodzakelijk is. Het streven is door meer in te zetten op voorlichting en bewustwording over thema’s als gezonde leefstijl en opvoeding, en goede maatschappelijke patronen te bevorderen in algemene zin, problemen te kunnen voorkomen of zo vroeg mogelijk te kunnen opmerken en aanpakken. Dit zou het beroep op voorzieningen op de lange termijn moeten beperken en ervoor moeten zorgen dat deze voorzieningen, ondanks de bezuinigingen vanuit het Rijk, beschikbaar en toegankelijk blijven voor diegenen die het echt nodig hebben.

3.2.

De uitvoering van preventie en vroegsignalering

3.2.1.

Hoe krijgt beleid in praktijk handen en voeten?

Voortvloeiend uit de eerder beschreven visie zijn preventie en vroegsignalering deels door de drie gemeenten (Aalten, Oost Gelre en Winterswijk) samen vormgegeven middels het Ondersteuningsteam Oost Achterhoek (OT). Het Preventie Platform Jeugd (PPJ) is vormgegeven door vier gemeenten (Aalten, Berkelland, Oost Gelre en Winterswijk). Daarnaast zijn de drie gemeenten elk verantwoordelijk voor het op eigen wijze organiseren en eventueel uitvoeren van het jongerenwerk en straathoekwerk. In deze paragraaf zullen we verder toelichten hoe preventie door de drie gemeenten, samen en individueel, ingericht is. Berkelland is in deze opdracht buiten beschouwing gelaten, omdat de gemeenschappelijke Rekenkamer, die opdrachtgever is van dit onderzoek, alleen voor de gemeenten Aalten, Oost Gelre en Winterswijk werkzaam is.

3.2.2. Samenwerking tussen gemeenten: het Ondersteuningsteam Oost Achterhoek (OT) Het Ondersteuningsteam is in 2013 tot stand gekomen met het doel een infrastructuur te creëren voor de jeugdhulpverlening, die ondanks de afnemende middelen en toenemende verantwoordelijkheden kwalitatief goed was. De jaren daarvoor was binnen de drie gemeenten; Aalten, Oost Gelre en Winterswijk, een brede maar onoverzichtelijke lijst aan jeugdhulpverleningsprojecten ontwikkeld, die elkaar overlapten of langs elkaar werkten. Ook was er geen gecentraliseerd regie- en aansturingspunt. Deze versnippering van de jeugdhulpverlening zat het efficiënt inzetten van de beschikbare middelen en het effectief aanpakken van hulpvragen van jeugdigen en gezinnen in de weg. Er is daarom besloten de verschillende overlappende projecten deels te saneren en deels te bundelen in een structurele voorziening van ambulant werkende jeugdhulpverleners, het Ondersteuningsteam (OT). Het OT opereert op het snijvlak van preventie en geïndiceerde zorg. Het OT bestaat uit generalisten (eerstelijnsprofessionals) van de drie gemeenten (Aalten, Oost Gelre en Winterswijk), die vanuit verschillende plekken –zoals bijvoorbeeld bij een huisartsenpraktijk als POH-jeugd, of verbonden aan een school - vragen signaleren en wanneer nodig kortdurende zorg en ondersteuning bieden aan kinderen en jeugdigen van 0-23 jaar en hun gezinnen.

Volgens de managementinformatie van het OT wordt, over het jaar 2023, ongeveer een kwart van deze hulp vragende cliënten verwezen via het onderwijs. Van de overige 73 procent van de aanmeldingen, verloopt het overgrote deel via de huisarts, via gemeentelijke toegang of zonder verwijzing – elk ongeveer 15 procent (zie tabel 1. Verwijzers naar het ondersteuningsteam (2023) op de volgende pagina).

12

Tabel 1. Verwijzers naar het ondersteuningsteam (2023) Verwijzer

Percentage

Primair onderwijs

21%

Huisarts

15%

Gemeentelijke toegang

14%

Geen verwijzer

15%

Integrale vroeghulp

9%

Zorgprofessional

9%

Voortgezet onderwijs

6%

Voorschoolse opvang/ Yunio

4%

AZC

2%

Medisch specialist

2%

Overig

1%

Veilig Thuis

1%

Jeugdarts

<1%

Er kunnen drie niveaus van ondersteuning onderscheiden worden, waarop het OT steeds een andere rol heeft: 1. Nulde lijn In het sociaal (jeugd)domein vallen onder de nulde lijn de informele sociale netwerken van burgers, zoals familie, vrienden, buurt en de formele netwerken van algemene (jeugd)voorzieningen en basisvoorzieningen (algemeen toegankelijke voorzieningen zoals scholen, kinderopvang, buurt- en wijkvoorzieningen). Het doel van het OT is om bewoners alledaagse problemen zoveel mogelijk op eigen kracht op te laten lossen. De rol van het OT richting de nulde lijn is vooral faciliteren van ontmoeting, het houden van consultatie en geven van advies en het op tijd signaleren en oppakken van ernstigere problemen.

2. Eerste lijn Onder de eerste lijn vallen alle vormen van vrij toegankelijke lichte hulpverlening zoals de jeugdgezondheidszorg, de opvoed- en opgroeiondersteuning en de leerplichtambtenaar. Binnen de eerste lijn is de rol van het OT naast consultatie en advies, het houden van een brede intake, het verzorgen van korte ambulante hulpverlening en het doorverwijzen naar de nulde of tweede lijn, afhankelijk van wat er aan de hand is met een jeugdige of in diens gezin. Daarnaast is het de taak van het OT om de (casus)regie te voeren samen met jeugdigen en gezinnen. 3. Tweede lijn De tweede lijn bevat de niet vrij toegankelijke specialistische zorg die vooral regionaal of bovenregionaal georganiseerd is vanwege de benodigde expertise. Binnen deze tweede lijn heeft het OT voornamelijk nog een coördinerende functie. De uitvoering wordt gedaan door jeugdconsulenten van de individuele gemeenten. Idealiter behoudt het OT regie in een casus, zodat de samenhang en samenwerking met en tussen partijen goed gewaarborgd wordt. Ook adviseert het OT en stemt het af met de jeugdconsulenten over welke vorm van ondersteuning, door wie het beste ingezet kan worden. Soms zijn het de jeugdconsulenten die indiceren en waar nodig voeren zij ook procesregie. De praktijk is dat het medewerker-afhankelijk is wie indiceert en wie wanneer procesregie heeft.

13

Figuur 1: overzicht van de rol van het OT per zorgniveau in het sociaal (jeugd)domein

3.2.3. Samenwerking tussen gemeenten: Het preventie platform jeugd (PPJ) 2. Niet vrij toegankelijk

1. Ambulant en lichte voorzieningen

OT 0. Algemene voorzieningen Sociaal Netwerk Eigen kracht

Veilig Thuis

G.I.

Rechtstreeks naar J.C.

J.C.

Procesregisseur Zorg

2e OT Vrijwillig

Casusregisseur Zorgen/signalen

Overige jeugdvragen Wijkverpleging

School

HA

ST

Het preventie platform jeugd, opgericht in 2016, ontwikkelt collectieve preventieve aanpakken voor gesignaleerde problemen onder de jeugd en voert deze uit. Dit doen zij voor alle drie de gemeenten en gemeente Berkelland op basis van signalen die zij binnen krijgen. Signalen vanuit de verschillende organisaties en samenwerkingspartners lijken vooral gedurende het preventieoverleg jeugd, wat vanuit de gemeente Aalten elke tweede maandag van de maand georganiseerd wordt, bij het PPJ terecht te komen. Naast de projectleider van het PPJ, die elke maand aanwezig is, sluiten een aantal regionale samenwerkingspartners van de drie gemeenten aan (e.g. OT, leerplichtambtenaar, GGD NOG en politie). Daarnaast zijn ook de schooldirecteuren van de PO en VO scholen in Aalten, de welzijnsorganisaties, jongerenwerkers, jeugdconsulenten en kwaliteitsmedewerkers van de gemeente Aalten in het overleg vertegenwoordigd. Ook de preventiemedewerker jeugd, die een functie vervult die uitsluitend in de Gemeente Aalten bestaat, is aanwezig bij het overleg. (zie 3.2.4. voor een verdere toelichting van de functie). Met deze signalen bekijkt het PPJ vervolgens wat er in het voorliggende veld, of naast individuele hulp vanuit het OT dan wel jeugdconsulenten, gedaan kan worden aan de preventie van en/of het beperken van de betreffende problematiek.

Indien er geen passend collectief aanbod voor handen is, ontwikkelen ze iets nieuws. Met deze werkwijze streeft het PPJ ernaar 1) jongeren in de Oost-Achterhoek gezond, veilig en stabiel te kunnen laten opgroeien; 2) ouders voldoende handvatten te bieden om te kunnen opvoeden; 3) te voorkomen dat kleine vragen, grote problemen worden; 4) te voorkomen dat duurdere zorg nodig is; en 5) om versnippering in de aanpak te verminderen.

Ouders

14

Het PPJ wordt vorm gegeven door een kernteam, een ontwikkelgroep, en werkgroepen die elk voor de aanpak van specifieke thema’s opgericht zijn4. Het kernteam bestaat uit vertegenwoordigers van de vier gemeenten, een professional van de GGD NOG en een professional van de jeugdgezondheidszorg (Yunio). Leden van dit kernteam fungeren als kartrekkers van de werkgroepen, zijn verantwoordelijk voor lokale inbedding, borging en werving, en de afstemming van pr & communicatie. De ontwikkelgroep bestaat uit beleidsambtenaren van de vier gemeenten en een projectleider. Deze ontwikkelgroep maakt algemeen beleid, geeft akkoord aan de werkgroepen en heeft het mandaat. De werkgroepen worden opgericht bij een gezamenlijk signaal (behoefte) vanuit de vier gemeenten. Deze werkgroepen bestaan uit vertegenwoordigers van de diverse organisaties (samenwerkingspartners). Leden van deze werkgroepen zijn verantwoordelijk voor het ontwikkelen en vormgeven van interventies, het organiseren van bijeenkomsten en het bieden van informatie en tips. Er zijn werkgroepen voor thema’s zoals alcoholpreventie en kind & armoede. 3.2.4.

Verschillen in aanpak tussen gemeenten Over het algemeen is het jeugdbeleid, de jeugdzorg en onderwijsondersteuning aan jeugdigen en hun gezinnen in de drie gemeenten op een soortgelijke wijze ingericht en wordt dit aangestuurd door wethouders met een hele brede portefeuille, die makkelijk kunnen schakelen tussen de domeinen preventie, jeugd en onderwijs bijvoorbeeld. Deels omdat de gemeenten ervoor gekozen hebben om samen tot een integrale en duurzame aanpak te komen, werkt het jongeren- en straatwerk in de drie gemeenten ondanks eigen werkwijzen, inhoudelijk op een vergelijkbare manier. Alle drie zetten ze als het gaat om preventie vooral in op het op straat en in de wijk aanwezig zijn, om zo met

4 Ten tijde van dit onderzoek zijn er ook gesprekken gaande over de voortzetting van het PPJ, naar aanleiding van een evaluatieonderzoek. Bij het uitkomen van dit rapport kunnen zich reeds veranderingen hebben voorgedaan in de hier beschreven structuur.

zoveel mogelijk jongeren te spreken en laagdrempelig contact te onderhouden. Zo hopen ze signalen zo vroeg mogelijk op te kunnen vangen, zodat jeugdigen snel passende hulp krijgen en deze signalen zich niet verder ontwikkelen tot complexere problemen. Toch zijn er tussen gemeenten op macro niveau een aantal verschillen op te merken. Zo wordt het jongerenwerk in zowel Aalten als in Oost Gelre uitgevoerd door welzijnsorganisaties, Figulus in Aalten en Mazzel in Oost Gelre. In Oost Gelre is er ook een jongerenwerker in dienst van de gemeente die nauw samenwerkt met Mazzel. In Winterswijk valt het jongerenwerk echter onder het sociaal team. Daarnaast is er ook wat variatie in de rol die het jongerenwerk vervult. Zo varieert het van straatwerk tot in scholen aan het werk zijn en het starten van initiatieven (zoals de huiskamer die op het Marianum in Lichtenvoorde in opdracht van de gemeente Oost Gelre is opgezet door de jongerenwerkers van Mazzel in samenwerking met de jongerenwerker van de gemeente. Zowel in de Gemeente Aalten als in de gemeente Oost Gelre is er naar aanleiding van een geconstateerde extra behoefte aan jeugdpreventie een nieuwe functie opgezet. In Aalten is naar aanleiding van een aantal drugsincidenten die in het najaar van 2020 onder jongeren in de gemeente gesignaleerd werd, de functie jeugdpreventiemedewerker opgezet.

De jeugdpreventiemedewerker heeft als hoofdtaak risicojongeren en hun ouders (indien het nodig is) te bewegen om hulp te krijgen. Het gaat dan vooral om jongeren die door de politie vaak op straat worden gezien en waar zorgen om zijn. De jeugdpreventiemedewerker belt bij hen thuis aan en probeert samen met hen te duiden wat het probleem is en vervolgens hoe hier een oplossing voor te vinden. In gemeente Oost Gelre is met een soortgelijk doel voor ogen de functie ambulant jongerenwerker opgezet. Waar de jeugdpreventiemedewerker van de gemeente Aalten, die aangestuurd door de gemeente huisbezoeken doet en zo bij ouders op bezoek het eerste contact maakt, komt de ambulant jongerenwerker van de gemeente Oost Gelre jongeren op straat tegen. Het eerste contact wordt zo op informele wijze met de risicojongeren zelf gemaakt en onderhouden voordat hij vraagt hoe het met ze gaat en wat ze nodig hebben. 15

Ten slotte, verschilt ook hoelang het OT betrokken blijft bij casussen en hoe lang deze de regie blijft voeren per gemeente. In theorie is dat overal gelijk, maar de uitvoeringspraktijk lijkt anders. Sommige gemeenten ontwikkelen en/of verzorgen in plaats van het PPJ in te schakelen, zelf collectief aanbod of zetten toch tweedelijnszorg in als er collectief aanbod beschikbaar is. In Aalten wordt bijvoorbeeld IrisZorg ingezet voor de collectieve preventie van verslavingsproblematiek, en in Winterswijk Humanitas BOR voor kinderen van gescheiden ouders. In lijn met het eerder benoemde doel van het PPJ, zouden juist voor deze soort veelvoorkomende problematiek onder jongeren, aanbod door het PPJ moeten worden ontwikkeld en aangeboden, zodat de zorgprofessionals uit de drie gemeenten hiernaar kunnen verwijzen. In paragraaf 3.3.3 Ervaringen en feedback met betrekking tot het PJJ wordt onder anderen verder uitgelicht welke factoren het effectief kunnen inzetten van het PPJ momenteel belemmeren.

3.3.

Inzicht in samenwerking

3.3.1.

Breedgedragen visie en doelen?

Hoewel er in de ontvangen beleidstukken enkele visies op preventie en vroegsignalering omschreven staan (visie van het samenwerkingsverband van de acht Achterhoekse gemeenten, visie van ondersteuningsteam), blijkt uit de interviews en groepsgesprekken met medewerkers en partners van de drie gemeenten, dat men in de praktijk vaak geen kennis heeft van deze officiële gezamenlijke visie(s) zoals die op papier staan. Bovendien lijken er alleen stukken met daarin interne samenwerkingsafspraken voor het OT en samenwerkingsafspraken tussen de Gemeente Aalten en (uitvoerings)partner Yunio te zijn. Samenwerkingsafspraken met scholen, huisartsen en medici hebben wij niet ontvangen in het kader van dit onderzoek. Mogelijk is door het ontbreken van sommige samenwerkingsafspraken soms onduidelijk wie de regie heeft

over casussen.5 Er is behoefte aan duidelijke afspraken en iets van een routekaart, wat aan de samenwerkingspartners aangeeft welke procedure ze in welke situatie moeten volgen. Ondanks deze incidentele onduidelijkheid, lijkt het (op papier) ontbreken van samenwerkingsafspraken echter verder geen negatief effect te hebben op hoe de samenwerkingen tussen de drie gemeenten onderling of met samenwerkingspartners ervaren worden. Over het algemeen worden deze samenwerkingen als fijn en laagdrempelig omschreven. Er wordt aangegeven dat er korte lijntjes zijn tussen de partijen, waardoor men elkaar goed weet te vinden en ieder elkaars expertise goed weet te benutten. Wel komt uit de gesprekken met externe partners naar voren dat het voor hen, in gevallen waar er meerdere hulpverleners op dezelfde casus zitten, moeilijk is om te onderscheiden wie er regie heeft over casussen. Naast behoefte aan meer duidelijkheid over wie de regie over casussen heeft, kwam uit de vragenlijst naar voren dat er behoefte bestaat aan een routekaart, die duidelijke richtlijnen geeft over wanneer er naar wie verwezen moeten worden. In de praktijk zorgt het gebrek aan vaste samenwerkingsafspraken met partners en/of verwijzers dus nog wel eens voor onduidelijkheid. 3.3.2.

Ervaringen en feedback met betrekking tot het OT Door middel van de (groeps)interviews en vragenlijsten per mail hebben we de ervaringen van zowel de jeugdconsulenten van de gemeenten, als de samenwerkingspartners en belangrijkste verwijzers van het OT opgehaald. In deze paragraaf zetten we de verschillende ervaringen met betrekking tot de samenwerking met het OT uiteen. 5 Tijdens de feedbackronde is aangegeven dat in de LEA agenda, het onderwijsachterstandenbeleid en in het convenant opgesteld met SKB en vier gemeenten wel afspraken over samenwerking zijn gemaakt tussen verschillende partijen of rond bepaalde problematiek. In welke mate die afspraken ook betrekking hebben op vroegsignalering en preventie van jeugdhulp hebben we niet kunnen onderzoeken, aangezien die stukken niet met de onderzoekers gedeeld zijn.

16

Ervaringen van de samenwerkingspartners met het ondersteuningsteam Over het algemeen zijn de samenwerkingspartners van het OT zeer tevreden over het OT, zo bleek uit de groepsinterviews en vragenlijsten. Uitspraken uit de interviews en vragenlijsten zijn bijvoorbeeld: “De kracht van het OT is dat ze verankerd zijn in o.a. het onderwijs. Dat was niet makkelijk te organiseren en is stapsgewijs gegaan, maar vanuit pedagogisch oogpunt is dit heel belangrijk.” “Sterke punt van Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is dat er veel verbinding is (in vergelijking met andere gemeenten). Er zijn korte lijntjes. De lijnen met het OT zijn kort.” “We verwijzen vaak naar het OT en ik ben heel tevreden over het OT. Het OT biedt laagdrempelige zorg voor ouders en kinderen.” Zoals ook vrijwel alle overige gesproken samenwerkingspartners, ervaren de jongerenwerkers van de gemeenten de leden van het OT als fijne sparringpartners. Ze hebben korte lijntjes met elkaar en weten elkaar daardoor goed te vinden, om af te stemmen en casussen te bespreken: “De samenwerking met het OT is heel fijn, wij [jongerenwerkers] hangen regelmatig aan de telefoon om te vragen over casussen, of als men bekend is bij hen.

Tegelijkertijd stuurt het OT ook regelmatig de vraag door of jongerenwerkers bij kunnen springen.” De jeugdverpleegkundigen vinden het fijn dat ze het OT kunnen betrekken wanneer er problemen of zorgen om een kind of gezin spelen en het gezin mogelijk ondersteund moet worden, maar dit niet meer tot de expertise en taak van de jeugdverpleegkundige behoort. Voor hen is het OT dan ook vooral een partner om naar over te dragen wanneer het kind bij hen uit zorg gaat en de ondersteuning nog wel wenselijk of noodzakelijk is. Ook door de kinderartsen

en de pedagogen vanuit de JGZ wordt aangegeven dat de overdracht van somatische naar sociale zorg goed verloopt en het OT goed in te zetten is bij complexere casussen waar opschaling nodig is. Echter wordt wel aangegeven dat de wachttijden bij het OT drempelverhogend kunnen zijn voor ouders wanneer zij eenmaal gemotiveerd genoeg zijn om het OT ‘binnen te laten’. Daarnaast is het sentiment dat het OT soms te snel terugtrekt uit situaties waar de ouder aangeeft geen zorgvraag (meer) te hebben, maar waar hulp wel wenselijk en/of noodzakelijk is. De jeugdconsulenten zien een deel van die jeugdigen en gezinnen later alsnog in de tweede lijn. Ook vanuit samenwerkingspartner Veilig Thuis wordt dit als een problematisch punt benoemd, maar in hun geval dan vooral wanneer het gaat om veiligheidscasussen: “Ik ben niet tevreden over de mogelijkheden van het OT bij de casuïstiek waarbij mensen niet willen of geen hulpvraag hebben. Dan geeft het OT vaak aan dat ze niets kunnen. Als er geen sprake is van vrijwilligheid maar het begint te schuren tegen drang en dwang dan stopt het voor het OT. Ik ben niet tevreden over de momenten waarop het OT haar betrokkenheid binnen de monitoringstaak van VTNOG stopt zonder VTNOG daarover te informeren, want wie heeft dan regie of zicht op veiligheid?” Er wordt gehoopt dat het OT hierin een actievere rol zal gaan pakken.

Meerdere partners geven aan het fijn te vinden als het ondersteuningsteam in bepaalde gevallen laagdrempelig contact met gezinnen zou blijven onderhouden, om zo vinger aan de pols te houden. Ook wordt aangegeven dat er nog een duidelijke routekaart mist, hierdoor is het voor de partners niet altijd duidelijk welke verwijsstromen ze in welke situaties dienen te volgen. Ten slotte, wordt door de jeugdartsen van de GGD aangegeven dat het OT bij medische vragen vaak direct naar de huisarts of kinderarts verwijst, terwijl zij vaak laagdrempeliger en goedkoper denken te zijn. Hier zou volgens hen verandering in mogen komen. Ondanks de genoemde verbeterpunten, zijn de samenwerkingspartners 17

van het OT over het algemeen heel positief, zowel over hun werkwijze en de samenwerking als over de (geschatte) effectiviteit van hun inspanningen. Over de inspanningen van het OT binnen de scholen over het OT binnen de scholen wordt bijvoorbeeld gezegd: “Het OT is structureel vertegenwoordigd in middelbare en basisscholen, daardoor zijn ze onderdeel van de gesprekken over jeugdigen – ze zijn gesprekspartners. Daardoor kan er snel geschakeld worden en hebben ze meer invloed op het verloop. Ze helpen de scholen bij triage, waardoor voor scholen beter te onderscheiden is wat ‘behandeld’ moet worden en wat met een paar gesprekken opgelost kan worden. Ik hoor er alleen hele positieve geluiden over.” Ervaringen van de jeugdconsulenten van de drie gemeenten met het ondersteuningsteam De jeugdconsulenten blijken echter met een wat kritischere blik naar het OT kijken. Hun ervaring is dat de werkzaamheid/effectiviteit van het OT nogal wisselend is. Er is niet genoeg uniformiteit in de werkwijze, waardoor het per casus, vraag en OT-lid afhankelijk is welke procedure gevolgd wordt en hoe effectief het proces verloopt. Zo wordt aangegeven dat er over de jaren heen steeds grotere verschillen zijn ontstaan in de kwaliteit van de verslaglegging en de informatie die vanuit het OT overgedragen wordt aan de jeugdconsulenten.

In sommige gevallen worden goed ingevulde en uitgebreide formulieren doorgestuurd, terwijl in andere gevallen er simpelweg niet genoeg informatie wordt overgedragen om een goed beeld van de casus te krijgen. Hoewel aan wordt gegeven dat de samenwerking tussen OT en jeugdconsulenten goed is en men elkaar daarom goed weet te vinden om meer informatie op te halen en individuele casussen te bespreken, kost dit wel extra tijd en inspanning. “Vaak bespreken we per casus wat er nodig is en proberen we meer informatie te verkrijgen. De samenwerking is goed, en als er wat is, vinden we elkaar wel en komen we er samen uit. Maar het kost wel tijd.”

Dit terwijl door de jeugdconsulenten aan wordt gegeven dat de werklast zeer hoog is. Daar komt nog bij kijken dat de jeugdconsulenten en het OT gebruik maken van verschillende systemen en werkwijzen. De jeugdconsulenten kunnen in het systeem van het OT de dossiers inzien, maar kunnen er niet in verder werken. Waar de jeugdconsulenten verplicht zijn overgestapt op het nieuwe format voor formulieren, wordt bij het OT nog de oude format gebruikt. Hierdoor moeten de jeugdconsulenten op het moment dat een casus wordt overgedragen vaak dubbelwerk doen, om er alsnog voor te zorgen dat de door het OT opgehaalde informatie in het juiste format verwerkt wordt. Het tekort aan uniformiteit tussen de werkwijzen van het OT en de jeugdconsulenten heeft dus een negatieve invloed op de procesduur en efficiëntie waarmee casussen afgehandeld kunnen worden. Hoewel aangegeven wordt dat de problemen die hieruit voortkomen door de goede samenwerking en korte lijntjes relatief goed op te lossen zijn, zorgen ze ook weer voor extra werk(druk)/werklast voor de jeugdconsulenten. Jeugdconsulenten geven aan dat ze in sommige gevallen te snel hulpvragen doorverwezen krijgen vanuit het OT en de huisartsen en deze dan moeilijk terug kunnen leggen, omdat er op het moment van doorverwijzing bij ouders al de verwachting is geschetst dat ze hulp van de jeugdconsulent nodig hebben en ook zullen ontvangen.

“Er is een verwachting gecreëerd bij dat gezin, voor een specifieke zorgaanbieder, dus op moment dat wij zeggen: ‘wij hebben daar een andere mening over’ zeggen zij: ‘ja, maar beste jeugdconsulent, de specialist namelijk de huisarts heeft gezegd dat.., dus wie ben jij dan?’ Vooral bij doorverwijzingen vanuit de huisartsen wordt volgens de jeugdconsulenten soms zonder voldoende achtergrondinformatie doorverwezen, waardoor jeugdconsulenten moeite hebben de juiste actie te ondernemen. De 18

mening van de huisarts wordt hierin door het OT gezien als expertmening en grond voor een doorverwijzing. Er is echter beperkt overleg tussen jeugdconsulenten en huisartsen over de aan te houden criteria voor zo’n doorverwijzing. Op individueel/casusniveau vinden zulke overleggen weleens plaats, maar is het voor de jeugdconsulent lastig om zonder de gezinnen en de context van de casus goed te kennen, overtuigend te kunnen beargumenteren waarom de doorverwijzing van de huisarts niet opgevolgd zou moeten worden. “Het is wel lastig, want het is niet dat wij die gezinnen dan kennen. En de huisarts heeft de verwijzing op dat moment al geschreven, dus we gaan dan ook niet meer met de gezinnen direct aan tafel. Het is dan vooral sparren op afstand over de cliënten en dan is het best een ingewikkeld gesprek met de huisarts als we de inhoud minder goed kennen en de verwachting al is gecreëerd. Dan krijg je dat je sneller moet volgen.” Het OT heeft als doel ouders en jeugdigen bij te staan in hun behoeften, hierdoor zijn gedurende het traject met het OT de wensen van de ouders vaak leidend. Ook bij overdracht naar de jeugdconsulenten, kan daarom wrijving ontstaan wanneer de verwachtingen van ouders, zoals besproken met het OT, niet in lijn zijn met wat de jeugdconsulenten nodig achten of kunnen bieden.

Dit gebrek aan coördinatie tussen het OT en de jeugdconsulenten bemoeilijkt de samenwerking. Er is momenteel geen overlegstructuur die ingericht is op een manier waarop deze partijen collectief kunnen bespreken en afstemmen wat ze van elkaar verwachten en behoeven.

te zijn met het PPJ. Wat we in deze paragraaf omschrijven als ervaringen van samenwerkingspartners geldt dan ook alleen maar voor het deel van de gesproken samenwerkingspartners die aangaf bekend te zijn met het PPJ. Ervaringen van de samenwerkingspartners met het Preventie Platform Jeugd Het beschikbare aanbod van het PPJ wordt gewaardeerd door de samenwerkingspartners van de gemeenten die bekend zijn met het PPJ, maar de impact blijft volgens hen beperkt omdat de moeilijk te bereiken doelgroep van de interventies vaak niet wordt bereikt. De programma’s worden voornamelijk bezocht door ouders die al zelf reflecteren en kennis willen opdoen, terwijl juist de ouders die meer problemen ondervinden en daardoor bij jeugdconsulenten terechtkomen, nog onvoldoende worden bereikt. “Mijn ervaringen met het PPJ is wat minder positief. Het aanbod is wel breed, maar omdat de doelgroep moeilijk te bereiken is, is de impact ervan niet zo groot als je zou hopen. Ik ben wel eens naar een van de informatieavonden geweest. Niet als professional, maar gewoon als ouder, omdat ik benieuwd was naar het aanbod. En ik zag daar vooral ouders die zich erg met opvoeding bezighielden en uit zichzelf al reflecteren wat hun aandeel is. Ouders die de voorlichting dus opzoeken, niet omdat ze al tegen problemen aanlopen, maar omdat ze de kennis op willen doen.

Ouders die zelf al interesse hebben en waar het al relatief goed gaat. Eigenlijk zou je juist de ouders willen bereiken die uiteindelijk bij de jeugdconsulenten terecht komen, maar volgens mij worden die nu dus niet goed genoeg bereikt.”

3.3.3. Ervaringen en feedback met betrekking tot het PPJ Door middel van de (groeps)interviews en vragenlijsten per mail hebben we op soortgelijke wijze de ervaringen met het PPJ opgehaald. In deze paragraaf zetten we weer de verschillende ervaringen van zowel de jeugdconsulenten van de gemeenten, als de samenwerkingspartners van de gemeenten weer. Een deel van de samenwerkingspartners van de gemeenten bleek niet bekend 19

Ervaringen van de zorgprofessionals van de drie gemeenten met het Preventie Platform Jeugd De zorgprofessionals, zowel de jongerenwerkers als de jeugdconsulenten, geven over het algemeen aan goed bekend te zijn met het aanbod van PPJ. De ervaringen met het PPJ variëren echter per professional. Sommige professionals hebben weinig direct contact met PPJ, terwijl anderen regelmatig naar PPJ-programma’s verwijzen (e.g. programma’s Dappere Dino’s en Stoere Schildpadden voor kinderen van gescheiden ouders en de aangeboden weerbaarheidstrainingen voor jongeren). Volgens de professionals die regelmatig doorverwijzen, zijn de doorverwezen cliënten vaak tevreden met de programma’s, maar zouden ze deze zonder toeleiding van een professional deze niet zelf hebben gevonden. Er is daarom in de huidige opstelling behoefte aan meer vertrouwde volwassenen om de moeilijk bereikbare gezinnen te benaderen. Hoewel dit om een grotere investering vraagt, is het sentiment dat dit de effectiviteit van de collectieve preventie voor de moeilijk bereikbare groepen sterk zal verhogen, dat meer effectieve collectieve interventies zoals groepsactiviteiten en oudercursussen de noodzaak voor tweedelijnszorg kunnen verminderen, en dat zo kosten bespaard kunnen worden terwijl gemeenschapsvorming bevorderd wordt.

Door de professionals die hebben aangegeven nauwelijks naar het PPJ te verwijzen, wordt aangegeven dat hoewel het aanbod van het PPJ inhoudelijk kwalitatief goed is, de interventies voor specifieke groepen vaak geannuleerd worden vanwege onvoldoende belangstelling. Dit is vooral voor de jeugdconsulenten wel eens de reden geweest waarom ze ouders/jongeren toch doorverwezen hebben naar de 2de lijn zorg voor een hulpvraag die door middel van collectieve preventie verholpen kan worden. “Ik heb bijvoorbeeld recentelijk verwezen naar een weerbaarheidstraining en dan krijg ik terug te horen ‘de groep zit niet vol dus het gaat niet door’, dan denk je wel dan probeer ik iets...”

“Als je dan zelf denkt van ‘oh dat [aanbod] past’, soms staat het maar twee keer per jaar aangeboden en dan denk je van je gaat niet een keer een half jaar laten wachten, dus dan ga je toch maar naar de 2de lijns voorziening, dus dat is wel lastig” Tot slot wordt door zowel de samenwerkingspartners als door de zorgprofessionals erkend dat het verhogen van de ouderbetrokkenheid nog een grote uitdaging is voor het PPJ. Sommige samenwerkingspartners vinden dat er daarom steeds meer nagedacht moet worden over het aanbieden van PPJ-programma’s via scholen, waar ouders vaak meer betrokken zijn, vooral bij de overgang naar de brugklas.

3.4.

Huidige stand van zaken zelfevaluaties, kwaliteits- en effectiviteitsmetingen (a.d.h.v. kwaliteitskompas)

Het Kwaliteitskompas (zie bijlage 2 voor een uitgebreide omschrijving), ontwikkeld door het Nederlands Jeugdinstituut, biedt beleidsmakers, zorgaanbieders en onderwijsinstellingen handvatten bij het beter concretiseren en realiseren van jeugdbeleid. De stappen van het kompas helpen beleid beter af te stemmen op de behoeften van kinderen en jongeren en bevorderen een samenhangende aanpak voor duurzame resultaten. In deze paragraaf zullen we de stappen van het kwaliteitskompas doorlopen en door middel van de opgehaalde informatie te evalueren welke stappen al (optimaal) uitgevoerd worden en bij welke stappen verbetering nog mogelijk is. Stap 0. Impact maken doe je samen: Coördinatie met meerdere partijen en een gezamenlijke urgentie onder alle betrokkenen is noodzakelijk om succesvol samen te werken. Dit zien we duidelijk terug in de Achterhoekse gemeenten. Hoewel er over die samenwerking beperkt afspraken op papier staan, weet men elkaar goed te vinden.

20

Stap 1. Staat van onze jeugd en ambities: Jeugdbeleid gebaseerd op de actuele behoeften van jongeren, vastgesteld door kwalitatieve en kwantitatieve data, om zo goed onderbouwde doelen te kunnen formuleren en effectiviteit van het beleid te kunnen meten. Er zijn in de drie onderzochte gemeenten duidelijke ambities geformuleerd, maar de onderlegger daarvoor, in cijfers, daar hebben wij geen goed zicht op gekregen in dit onderzoek.

Stap 4. De kwaliteit van activiteiten (input): Regelmatige evaluatie en verbetering van activiteiten, om zo de kans op effectieve resultaten te verhogen. We zien dat hieraan wel gewerkt wordt. Personeel wordt geschoold, procedures van verwijzing worden aangescherpt of verbeterd en punten uit evaluaties omtrent werkprocessen die beter kunnen worden opgepakt, worden met elkaar in gang gezet.

Stap 2. Maatschappelijk resultaat: Het formuleren van concrete beoogde resultaten voor beleid, om zo te bepalen welke veranderingen gewenst zijn en te kunnen volgen of de doelen bereikt worden. Ook maatschappelijke resultaten zijn geformuleerd met elkaar. Echter het monitoren daarvan gebeurt ons inziens nog beperkt. Er is natuurlijk een GGD-monitor, het onderwijs verzamelt cijfers, er zijn allerlei rapportages van evaluaties, maar die gegevens verzameling zijn voor zover wij te weten zijn gekomen niet ingebed in een gezamenlijke meet-, spreek- en verbetercyclus.

Stap 5. Uitkomsten van activiteiten (outcome): (Tussentijdse) evaluatie van activiteiten, die hun effectiviteit toont en helpt te bepalen welke elementen nuttig zijn. Dit is een punt dat aandacht behoeft. Er is zeker motivatie om die uitkomsten van activiteiten te monitoren. Dit vraagt echter bij meer preventieve activiteiten een creatievere aanpak dan het uitzetten van tevredenheidsvragenlijsten. De kennis daaromtrent lijkt te ontbreken in de drie gemeenten.

Stap 3. Veranderverhaal en activiteiten: Een veranderverhaal, dat de strategie en werkwijze om het beoogde maatschappelijk resultaat te bereiken beschrijft, en beleid en activiteiten koppelt aan de gewenste effecten. Er zijn tal van activiteiten ontwikkeld waar men ontzettend trots op is. Zo is er samen met jeugdigen een woonkamer gecreëerd in het Marianum, er is een inclusieve BSO gekomen in Winterwijk en een mooi en veelgebruikt aanbod voor kinderen van gescheiden ouders. Echter we horen in geen van de gesprekken terug dat er gewerkt wordt met een veranderverhaal, waarbij bij elke activiteit verwacht wordt dat ze onderbouwen op welke wijze ze bijdragen aan welke van de maatschappelijke resultaten. Dit is wel een belangrijke stap om te zetten, als je iets wil kunnen zeggen over de meerwaarde of impact van vroegsignalering en preventie.

Stap 6. Samen leren en verbeteren: Een continu proces van evaluatie en verbetering van activiteiten en beleid, waarbij door te leren wat werkt en wat niet, de impact van het beleid gemaximaliseerd kan worden. Kortom, een voortdurende verbetering van beleid en activiteiten. Dit zien we wel degelijk op casusniveau. Tevens zijn er wel allerlei overlegstructuren, die ontstaan zijn vanuit de intentie om met elkaar te leren en verbeteren op organisatie en gemeentelijk en bovengemeentelijk niveau. Maar, daarover zeggen verschillende respondenten dat het niet werkt zoals beoogd. In deze paragraaf omschrijven we wat er al wordt gedaan aan evaluatie en monitoring, de mogelijkheden tot verbetering die daar tot nu toe uit zijn gekomen, en de uit dit onderzoek voortkomende belemmerende en bevorderende factoren van (het monitoren van) preventie en vroegsignaleren.

21

Wat wordt er al gedaan aan monitoring, onderzoek, evaluatie (kwantitatief en kwalitatief) Het OT houdt het aantal aanmeldingen en hun betrokkenheid bij verschillende casussen bij, en geeft deze gegevens in een jaarlijkse management rapportage weer. In eerste instantie stuurde het hoofd van het OT deze management rapportages naar de managers en wethouders van de die gemeenten toe, maar na minimale reactie op de rapportages te hebben ontvangen, wordt dit inmiddels veel minder frequent gedaan. De gegevens worden gelukkig nog steeds verzameld. In de managementrapportage is onder andere het aantal casussen/ verwijzingen naar het OT te vinden, de demografische verhoudingen van de cliënten in percentages, het aantal open casussen per kwartaal (ook onderverdeeld per gemeente), de doorlooptijd van de casussen en het aantal afgesloten casussen. Ook is er door het OT en peiling gedaan begin juni 2024. Op dat moment was het OT betrokken bij 246 gezinnen en was er bij 71 gezinnen is een 2de lijns zorgaanbieder betrokken. Dit zou overeenkomen met 28,8%. Echter werd in de groepsgesprekken door de jeugdconsulenten aangegeven dat het OT niet consequent is over wanneer casussen die overgedragen zijn aan de jeugdconsulenten administratief afgesloten worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15406516/1