rb verordening sociaal domein 2026
Tekst van het document
Verordening Sociaal Domein gemeente Oost Gelre De raad van de gemeente Oost Gelre, gezien het voorstel van het college van de gemeente Oost Gelre van 11 november 2025, overwegende dat: -
de Verordening sociaal domein Oost Gelre één integrale verordening is; de verordening aansluit bij het werken vanuit de bedoeling; de verordening een integrale aanpak en werkwijze stimuleert; de verordening aansluit op het project ‘Samen aan het Stuur’ en een instrument is voor een goede uitvoering daarvan; de verordening aansluit bij de regionale visie op zorg en gezondheid ‘Samen werken aan langer gezond en gelukkig in de Achterhoek’; de verordening het gemeentelijk beleid binnen het sociaal domein toegankelijker maakt voor inwoners; de verordening bijdraagt aan een betere dienstverlening aan inwoners.
BESLUIT: De Verordening sociaal domein gemeente Oost Gelre vast te stellen en per 1 januari 2026 in werking te laten treden.
1. Inleiding verordening sociaal domein Oost Gelre Deze verordening geeft gemeentelijke regels over de volgende onderwerpen: • werken; • meedoen in de samenleving (participatie); • uitkeringen; • schuldhulpverlening; • gezond en veilig opgroeien; • vervoer naar school; • hulp aan inwoners met een beperking; • wonen in een veilige en gezonde omgeving; • melden van verward gedrag; • inburgering.
1.1 Waarom deze regels? In de gemeente Oost Gelre vinden we het belangrijk dat inwoners: • actief mee kunnen doen aan het maatschappelijk leven of aan het werk kunnen gaan; • een inkomen hebben waarmee ze rond kunnen komen; • hun financiën op orde hebben; • een eigen huishouding kunnen voeren en voor zichzelf kunnen zorgen; • een geschikte en schone woonruimte hebben, waarin zij zelfstandig kunnen wonen; • gezond en veilig kunnen opgroeien en veilig naar de school kunnen gaan die goed bij hen past; • onderdeel uitmaken van een inclusieve gemeente. Daarmee bedoelen wij: een samenleving waarin álle mensen meetellen en kunnen meedoen; Wij vinden het ook belangrijk dat: • mantelzorgers van inwoners voldoende ondersteund worden.
De wetgever heeft wetten gemaakt om dit te bereiken. Het gaat om de: • Participatiewet (PW); • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW) • Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ) • Wet gemeentelijke schuldhulpverlening (Wgs); • Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015); • Jeugdwet; • Wet kinderopvang (Wko); • Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs (voor leerlingenvervoer); • Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz); • Wet inburgering 2021 (Wib) De regels in deze verordening vullen de wettelijke regels aan. Het zijn regels op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. In de verordening is geregeld dat burgemeester en wethouders die uitvoeringsregels kunnen maken. Op verschillende plekken in de verordening zijn wetsartikelen opgenomen. Die artikelen zijn wel iets anders geformuleerd. Dat maakt ze beter leesbaar. Zo kunt u de hoofdlijnen van het gemeentelijke sociaal domein zien en de samenhang tussen de regels ontdekken.
1.2 Uitgangspunten De regels in deze verordening zijn geschreven vanuit een aantal uitgangspunten. De regels: 1. zijn bedoeld om de bovengenoemde doelen te realiseren en samen met inwoners hulpvragen op te lossen; 2. zijn goed leesbaar; 3. kunnen goed uitgevoerd worden en zijn duidelijk voor de inwoners; 4. zijn op elkaar afgestemd; 5. sluiten aan bij de wetten die hierboven zijn genoemd; 6. helpen om belangrijke internationale regels na te komen; en 7. houden de administratieve lasten van gemeente en inwoners zo laag mogelijk;
1.3 Kernwaarden Bij het toepassen van de regels uit deze verordening houdt de gemeente rekening met de doelen van de genoemde wetten. De gemeente zorgt ervoor dat het resultaat van een besluit past bij de doelen van die wetten. De gemeente gaat daarbij uit van de volgende kernwaarden: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
Iedere inwoner kan naar vermogen deelnemen aan de samenleving. Iedere inwoner heeft onderdak en een gezonde financiële huishouding. Onze kinderen groeien veilig en gezond op. Voorkomen is beter dan genezen. De inwoner benut eigen mogelijkheden, talenten en zijn sociale netwerk maximaal. De inwoner is zelf verantwoordelijk, de gemeente helpt als dat nodig is. De gemeente biedt extra ondersteuning aan kwetsbare inwoners. De gemeente vergroot de kracht van de inwoner. De gemeente gaat zorgvuldig, eerlijk en open om met de inwoner.
Wat bedoelen we met kernwaarden? Dat zijn belangrijke uitgangspunten en overtuigingen die richting geven aan de uitvoering van de verordening. De kernwaarden in deze paragraaf gelden voor alle hoofdstukken. Daarnaast staan in elk hoofdstuk nog bijzondere kernwaarden. Dat zijn kernwaarden die speciaal voor dat hoofdstuk gelden. Ten slotte: de begrippen die in deze verordening worden gebruikt, worden toegelicht in hoofdstuk 14.
1.4 Leeswijzer Wat leest u in deze verordening? Na de Inleiding leest u eerst hoe en waar een inwoner hulp kan vragen aan de gemeente en hoe die hulpvraag wordt opgepakt. Daarna leggen we in een aantal hoofdstukken uit wat de belangrijkste regels over de gemeentelijke taken zijn. Die regels gaan bijvoorbeeld over hulp van de gemeente om de stap naar werk te zetten en de hulp bij de inburgering (H. 3), hulp bij de opvoeding van kinderen (H. 4), en hulp bij schulden (H. 7). In die hoofdstukken leest u wanneer u hulp kunt krijgen, wat die hulp inhoudt en welke rechten en plichten u heeft. Daarna zijn er enkele hoofdstukken over de vorm die de hulp heeft, over wat inwoners en gemeente van elkaar kunnen verwachten en hoe de hulp georganiseerd is (H. 8-12). De verordening eindigt met een uitleg van belangrijke begrippen die in deze verordening worden gebruikt en met slotbepalingen (H. 13 en 14). Een inhoudsopgave (per artikel) ziet u hierboven staan. Elk hoofdstuk begint met een korte inleiding. Daarin staat waarover het hoofdstuk gaat en welke bijzondere kernwaarde(n) voor dat hoofdstuk geldt. Daarna volgen de regels. Die regels zijn gebaseerd op de wetten die bij 1.1 zijn genoemd. Bij elk artikel kunt u zien op welke wet of welke wetten het precies gebaseerd is. Dit kan per artikel en zelfs per hoofdstuk of paragraaf verschillend zijn.
In deze verordening komt een aantal keer het woord ‘Gemeentewet’ voor. We bedoelen daarmee de wet die bepaalt dat de gemeenteraad zelf iets kan regelen. We noemen dat de algemene of aanvullende regelingsbevoegdheid van de gemeenteraad (artt. 108, eerste lid, 121, en 147, eerste lid, Gemeentewet). Bij een aantal artikelen leest u ook de afkorting ‘Awb’ (Algemene wet bestuursrecht). Daarmee bedoelen we dat in de Awb specifieke bepalingen over dat onderwerp staan. Bijvoorbeeld bij artikel 3.4.9 en 3.4.10 (over subsidies), 8.2 (over geld) en 11.1 t/m 11.3 (over klachten). Ten slotte: als in deze verordening ‘hij’ staat, kan daarvoor ook ‘zij’ worden gelezen.
2. De hulpvraag Soms lukt het inwoners niet om zelf hun problemen op te lossen. Inwoners kunnen dan hulp vragen aan de gemeente. In dit hoofdstuk staat hoe een inwoner die hulpvraag kan stellen. Ook staat in dit hoofdstuk hoe de hulpvraag wordt behandeld en hoe de gemeente tot een besluit komt. Uitgangspunt is dat alle hulpvragen in één keer kunnen worden gesteld. Maar soms geldt voor bepaalde hulpvragen een bijzondere route. In dit hoofdstuk staat ook, hoe inwoners en hulpverleners signalen kunnen doorgeven aan de gemeente, als ze zich zorgen maken over andere inwoners. Geeft de gemeente hulp, dan zorgt de gemeente ervoor dat de hulp aansluit bij andere vormen van hulp die de inwoner al krijgt. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De hulpvraag van de inwoner staat centraal. De gemeente helpt bij het verduidelijken van de vraag. De gemeente helpt de inwoner om zijn hulpvraag op de juiste plek te stellen.
Stap 1: Melding bij de gemeente [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Wvggz, Llv]
2.1.1 Melden hulpvraag 1. Inwoners die hulp nodig hebben kunnen zich melden bij de gemeente. 2. Als het nodig is helpen de medewerkers van de gemeente inwoners bij het vinden van de juiste medewerker, voor een gesprek over de hulpvraag. 3. De gemeente informeert inwoners over de mogelijkheden om een melding te doen. Iemand anders kan ook een melding namens de inwoner doen.
4. Voor sommige vormen van hulp kan de inwoner direct een aanvraag doen (zie art. 2.3.1). De gemeente maakt duidelijk voor welke vormen van hulp dat geldt en hoe de aanvraag kan worden gedaan. 5. Inwoners die voor het eerst beschermd wonen of maatschappelijke opvang nodig hebben, kunnen zich melden bij de gemeente Oost Gelre. 6. Inwoners die een verlenging voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang nodig hebben, kunnen zich melden bij de gemeente Doetinchem. 7. Iedereen die zich zorgen maakt over het gedrag van een ander, kan dat melden. Voor deze meldingen bestaat het Advies- en meldpunt verward gedrag. Het Advies- en meldpunt neemt de melding in ontvangst voor de gemeente en onderzoekt of de inwoner moet worden geholpen.
2.1.2 Doel en procedure melding 1. Het doel van de melding is om de hulpvraag te bespreken en te onderzoeken of er hulp nodig is. De gemeente bevestigt de melding aan de inwoner en nodigt de inwoner uit voor een gesprek met een medewerker van de gemeente. De gemeente geeft aan waarover het gesprek gaat. Na overleg met de inwoner bepaalt de gemeente waar en wanneer het gesprek is en welke gegevens de inwoner moet meenemen. Het gesprek kan bij de inwoner thuis zijn, als dit belangrijk is voor het behandelen van de hulpvraag. 2. De inwoner kan zelf een plan opstellen waarin de inwoner uitlegt hoe zijn persoonlijke situatie is en wat hij wil bereiken met zijn vraag (dat noemen wij een persoonlijk plan of een familiegroepsplan). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheid. 3. Het kan zijn dat het niet nodig is om in gesprek te gaan. De gemeente overlegt hierover met de inwoner die de hulpvraag heeft gesteld.
2.1.3 Gegevens De gemeente verzamelt alle gegevens over de situatie van de inwoner die nodig zijn voor het gesprek. Als het gaat om gegevens die de gemeente niet zelf kan inzien of verkrijgen, dan vraagt de gemeente aan de inwoner om die gegevens op te sturen of mee te nemen naar het gesprek.
Stap 2: Gesprek na de melding [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs,]
2.2.1 Doel en procedure van het gesprek 1. Het doel van het gesprek is om een goed beeld te krijgen van de hulpvraag, van het effect dat de inwoner wil bereiken en van zijn persoonlijke situatie. Het gesprek vindt zo snel mogelijk na de melding plaats. 2. De inwoner kan iemand meenemen naar het gesprek om hem te ondersteunen, en kan gebruik maken van een onafhankelijk deskundige (cliëntondersteuner). De gemeente informeert de inwoner over die mogelijkheid. 3. De inwoner laat een geldig identiteitsbewijs zien, tenzij de medewerker de identiteit al eerder heeft vastgesteld. Als de inwoner een persoonlijk plan of een familiegroepsplan heeft gemaakt, betrekt de medewerker dit bij het gesprek.
2.2.2 Gesprek en onderzoek 1. De medewerker bespreekt met de inwoner de hulpvraag en het effect dat de inwoner met de hulpvraag wil bereiken. De medewerker onderzoekt: a. de behoefte van de inwoner: wat is er nodig? b. de persoonlijke situatie van de inwoner: hoe ziet die eruit en wat betekent dit voor het gewenste effect? c. de (on)mogelijkheden van de inwoner: (hoe) kan de inwoner zelf bijdragen aan de oplossing van het probleem?
2. 3. 4. 5.
d. de omgeving van de inwoner: welke hulp kan het sociale netwerk of kunnen andere organisaties bieden? e. de rol van de gemeente: welke hulp kan de gemeente bieden? f. de rol van de inwoner: welke rechten en plichten heeft de inwoner? Informatie die de medewerker na het gesprek ontvangt, betrekt de medewerker bij zijn onderzoek. Het gesprek kan telefonisch plaatsvinden als dat voldoende is voor het beoordelen van de hulpvraag. Als het nodig is betrekt de medewerker ook anderen bij het gesprek. Als de inwoner mantelzorg krijgt, gaat de gemeente na of er maatregelen genomen moeten worden om die mantelzorger te ondersteunen. Gaat het om Wmo- of jeugdhulp, dan informeert de medewerker de inwoner over de mogelijkheden om te kiezen voor een persoonsgebonden budget (pgb). Gaat het om Wmo-hulp, dan informeert de medewerker de inwoner over een bijdrage in de kosten.
2.2.3 Eigen kracht [Jeugdwet,Wmo] 1. Inwoners komen pas in aanmerking voor een individuele voorziening als zij zelf geen oplossing kunnen vinden voor de hulpvraag binnen hun eigen mogelijkheden en probleemoplossend vermogen (eigen kracht). Hieronder wordt in ieder geval verstaan: • gebruikelijke hulp van echtgenoot, inwonende kinderen, andere huisgenoten en ouders en/of andere verzorgers of opvoeders van jeugdigen • niet gebruikelijke hulp voor zover echtgenoot, inwonende kinderen, andere huisgenoten en ouders en/of andere verzorgers of opvoeders van jeugdigen beschikbaar en in staat zijn de noodzakelijke hulp te bieden, dit geen (dreigende) overbelasting oplevert en door het bieden van de niet gebruikelijke hulp geen financiële problemen (in het gezin) ontstaan • de ondersteuning vanuit het sociale netwerk • het aanspreken van een aanvullende zorgverzekering die is afgesloten 2. Gebruikelijke hulp heeft een verplichtend karakter en hierbij wordt geen onderscheid gemaakt op basis van sekse, religie, cultuur, gezinssamenstelling, drukke werkzaamheden, volledige baan of persoonlijke opvattingen. 3. Ouders en/of andere verzorgers of opvoeders zijn verplicht de tot hun gezin behorende minderjarige jeugdigen te verzorgen, op te voeden, te begeleiden en toezicht op hen te houden. Dit geldt ook als de jeugdige een ziekte, aandoening, beperking of andere problematiek heeft.
Bij uitval van 1 van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp over. Dit geldt ook bij gescheiden ouders. Er wordt dan ook rekening gehouden met de gebruikelijke hulp van de ouder waar de jeugdige niet woont. 4. Als inwoners met een hulpvraag een beroep kunnen doen op het sociale netwerk voor het bieden van ondersteuning bij de benodigde hulp wordt van hen verwacht dat ze hier gebruik van maken. De ondersteuning die het sociale netwerk biedt, valt onder de eigen kracht. Het college verstrekt hiervoor geen hulp-op-maat. 5. Als inwoners een aanvullende zorgverzekering hebben die de benodigde hulp (deels) vergoedt, wordt verwacht dat zij deze aanspreken. Het college verstrekt dan geen hulp-op-maat of alleen een aanvullende voorziening voor het gedeelte dat niet wordt vergoed. 6. Hulp-op-maat wordt niet ingezet in situaties, waarbij een oplossing gevonden kan worden in het benutten van mogelijkheden in het kader van het Arbeidsrecht of andere regelingen, zoals bijzonder of buitengewoon verlof.
2.2.4 Verslag 1. Na het gesprek rondt de medewerker het onderzoek af. De medewerker maakt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek. 2. Gaat het om een hulpvraag voor Wmo- of jeugdhulp, dan stuurt de medewerker het verslag naar de inwoner. Opmerkingen of latere aanvullingen van de inwoner worden als bijlage aan het verslag toegevoegd. Bij het verslag wordt ook een aanvraagformulier gedaan. De inwoner kan het aanvraagformulier invullen en terugsturen.
Stap 3: Aanvraag 2.3.1 Aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 1. De inwoner kan een aanvraag doen, nadat het onderzoek naar de hulpvraag is afgerond. De aanvraag kan schriftelijk en in bepaalde gevallen ook digitaal worden gedaan. Het doel van de aanvraag is te bepalen of de gemeente hulp gaat verlenen en zo ja, welke vorm die hulp dan heeft. 2. De inwoner hoeft niet altijd eerst een melding te doen. Hij kan in ieder geval voor de volgende vormen van hulp direct een aanvraag doen: a. een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, voor inwoners van 27 jaar of ouder; b. een IOAW- en IOAZ-uitkering; c. leerlingenvervoer; d. persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen. 3. Als het gaat om een bijstandsuitkering voor levensonderhoud kan de inwoner die jonger is dan 27 jaar pas een aanvraag indienen als er na de melding vier weken voorbij zijn gegaan waarin de inwoner op zoek is gegaan naar werk of opleidingsmogelijkheden. Behalve als de melding is gedaan door: a. gehuwden en één van de echtgenoten 27 jaar of ouder is; b. inwoners die uiterlijk een jaar voorafgaand aan de aanvraag ingeschreven hebben gestaan bij het praktijkonderwijs (pro)- of voortgezet speciaal onderwijs (vso). Deze uitzondering duurt een jaar; c. inwoners met een medische uren beperking; d.
inwoners die loonkostensubsidie ontvangen of die mogelijk tot de doelgroep van loonkostensubsidie behoren. Zij kunnen de melding en aanvraag op hetzelfde moment doen. 4. Het gesprek met een medewerker vindt dan plaats nadat de aanvraag is ingediend, tenzij een gesprek niet nodig is omdat de situatie duidelijk genoeg is. 5. De inwoner gebruikt een aanvraagformulier van de gemeente om een aanvraag te doen. 6. De werkgever kan ook een aanvraag doen voor persoonlijke ondersteuning bij werk en voorzieningen die het werk ondersteunen. De gemeente heeft hiervoor een aanvraagformulier. 7. Een aanvraag wordt gedaan bij de gemeente, behalve als het gaat om een digitale aanvraag voor een bijstandsuitkering voor levensonderhoud, IOAW of voor een IOAZ-uitkering. Aanvragen voor een bijstandsuitkering levensonderhoud en IOAW worden gedaan via de website van het UWV (www.werk.nl). In bijzondere situaties kan een uitkering voor levensonderhoud ook schriftelijk worden aangevraagd. Als het gaat om een aanvraag voor een IOAZ-uitkering, dan kan de inwoner voor meer informatie en het indienen van een aanvraag contact opnemen met ROZ via de website www.rozgroep.nl.
2.3.2 Voorwaarden voor hulp-op-maat [Jeugdwet, Wmo, PW, Wgs] 1. Vraagt de inwoner hulp die speciaal is afgestemd op de inwoner (hulp-op-maat), dan gelden in ieder geval de volgende voorwaarden: De hulp is noodzakelijk om (1 van) de doelen van de in 1.1 genoemde wetten te bereiken; a. De inwoner heeft geen mogelijkheden om het gewenste effect op eigen kracht te bereiken. Hij kan dit effect ook niet op andere manieren bereiken, zoals met de inzet van gebruikelijke hulp van huisgenoten, met mantelzorg, met hulp vanuit het sociale netwerk, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met behulp van andere voorzieningen of organisaties; en b. De hulp is geschikt om het gewenste effect te bereiken en past bij de persoonlijke situatie van de inwoner. 2. Voor sommige vormen van hulp zijn er in de wet of in deze verordening extra voorwaarden gesteld. 3. De hulp-op-maat is niet duurder dan nodig en duurt niet langer dan nodig is. De gemeente kiest daarom voor de goedkoopste voorziening die geschikt is om het gewenste effect te bereiken. 4. De gemeente kan hulp-op-maat in ieder geval weigeren als: a. de hulpvraag het gevolg is van verwijtbaar gedrag van de inwoner, en hij deze hulpvraag had kunnen voorkomen; of als
b. de inwoner de gevraagde hulp zelf al heeft ingeroepen of ingekocht, voordat de gemeente een besluit heeft genomen, tenzij de gemeente daarvoor toestemming heeft verleend; of als c. de gemeente de noodzaak van de hulp niet kan vaststellen.
2.3.3 Advisering [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] De gemeente zorgt ervoor dat de medewerker die een melding of aanvraag behandelt de deskundigheid heeft die nodig is om deze melding of aanvraag goed te kunnen behandelen. Als de medewerker die deskundigheid niet heeft, zorgt de gemeente ervoor dat iemand die wel deskundig is een advies uitbrengt. Dit advies (deskundig oordeel) betrekt de gemeente bij de beoordeling van de melding of de aanvraag.
2.3.4 Beoordelen aanvraag [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 1. Bij het beoordelen van de aanvraag betrekt de gemeente alle gegevens die van belang zijn. Het gaat onder meer om gegevens over: a. de behoeften van de inwoner; b. de (on)mogelijkheden van de inwoner; c. de persoonlijke situatie van de inwoner; d. de mogelijkheden van het sociale netwerk, andere organisaties en de gemeente. 2. Om te bepalen of de gemeente hulp verleent, volgt de gemeente in principe de volgende stappen • Stap 1: De gemeente stelt eerst vast wat de hulpvraag van de inwoner is en welk effect de inwoner daarmee wil bereiken. • Stap 2: De gemeente stelt hierna vast welke problemen, beperkingen of (on)mogelijkheden, er precies zijn die van belang zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. • Stap 3: De gemeente brengt in kaart welke hulp nodig is. • Stap 4: De gemeente onderzoekt wat de inwoner zelf kan doen om het probleem op te lossen (eigen kracht), bijvoorbeeld met gebruikelijke hulp, met algemeen gebruikelijke voorzieningen, met hulp van anderen uit het sociale netwerk of van andere organisaties, of met andere voorzieningen. • Stap 5: De gemeente bepaalt welke (aanvullende) hulp de gemeente kan geven om het probleem op te lossen en het gewenste effect te bereiken.
2.3.5 Beslistermijn [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 1. De gemeente beslist zo snel mogelijk, maar in ieder geval binnen 8 weken nadat de aanvraag is ontvangen. Gaat het om een aanvraag in het kader van de Wmo, dan beslist de gemeente binnen 2 weken nadat de aanvraag voor Wmo-hulp is ontvangen. Een Wmo-aanvraag kan worden ingediend nadat het onderzoek is afgerond, maar in ieder geval na 6 weken nadat de inwoner de melding heeft gedaan. 2. De beslistermijn kan schriftelijk worden opgeschoven als de inwoner onvoldoende gegevens heeft verstrekt. De gemeente vraagt de inwoner dan opnieuw om de ontbrekende gegevens te verstrekken. 3. Als de gemeente een besluit niet binnen de vastgestelde termijn kan nemen, dan noemt de gemeente een nieuwe termijn waarbinnen het besluit wordt genomen.
Stap 4. Beslissing 2.4.1 Inhoud besluit [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Awb] 1. De gemeente legt in een brief uit wat het besluit is, en stuurt deze brief naar de inwoner. Als de inwoner een vertegenwoordiger heeft, dan wordt de brief naar die persoon gestuurd. In het besluit
2.
3.
4.
5.
staat of de gemeente wel of geen hulp geeft. Als de gemeente hulp geeft, staat in het besluit ook of de hulp in natura, in de vorm van een pgb, in geld of op een andere manier wordt gegeven. Geeft de gemeente de hulp ‘in natura’ (dat is een dienst of product), dan staat in het besluit in ieder geval: a. wat de hulp inhoudt en wat het doel van de hulp is; b. wanneer de hulp ingaat en hoe lang de hulp duurt; c. hoe en door wie de hulp wordt gegeven; en d. welke voorwaarden en verplichtingen er voor de hulp gelden. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van een pgb, dan staat in het besluit in ieder geval: a. voor welke hulp het pgb bedoeld is; b. wat het doel is van die hulp; c. hoe hoog het pgb is en hoe dat berekend is; d. wanneer het pgb ingaat en wanneer het pgb eindigt; e. hoe de inwoner duidelijk maakt hoe hij het pgb heeft besteed; en f. welke voorwaarden en verplichtingen er voor het pgb gelden. Geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld, dan staat in het besluit in ieder geval: a. hoeveel het is; b. voor welk doel het geld wordt gegeven; c. wanneer het geld wordt betaald; d. hoe vaak het geld wordt betaald; en e. welke voorwaarden en verplichtingen er gelden voor het uitgeven van geld. De gemeente informeert de inwoner in het besluit ook over een eventuele bijdrage in de kosten.
2.5 Uitzonderingen 2.5.1 Jeugdhulp via arts en andere hulpverleners [Jeugdwet, Awb] 1. De gemeente zorgt ervoor dat de jongere jeugdhulp krijgt, als de huisarts, jeugdarts of medisch specialist de jongere doorverwijst naar een jeugdhulpaanbieder, of als de rechter of gecertificeerde instelling jeugdhulp nodig vindt. 2. De gemeente maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen, de gecertificeerde instellingen en de zorgverzekeraars over doorverwijzingen.
2.5.2 Spoedeisende gevallen [Jeugdwet, Wmo, PW, Llv, Wgs] In spoedeisende gevallen kan de gemeente afwijken van de normale procedure om ervoor te zorgen dat de inwoner de hulp krijgt die nodig is. Het kan gaan om de volgende (tijdelijke) hulp in afwachting van een onderzoek door de gemeente: a. het bieden van hulp en zorg aan ouders en hun kinderen; b. het vragen van een machtiging aan de kinderrechter voor gesloten jeugdhulp; c. het bieden van een voorziening voor maatschappelijke ondersteuning; d. schuldhulpverlening; e. vervoer naar school, of f. het verstrekken van een voorschot op een uitkering die nog niet is toegekend.
2.5.3 Inburgeringsplichtigen [Wib] Met de komst van de Wet inburgering 2021 is de gemeente verantwoordelijk voor het aanbieden van passende inburgeringstrajecten aan nieuwe inburgeringsplichtigen. Asielmigranten worden vanuit een
asielzoekerscentrum gekoppeld aan de gemeente Oost Gelre. Waar mogelijk begint de brede intake al op het asielzoekerscentrum. Gezinsmigranten krijgen van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) een bericht over de brede intake. Inburgeringsplichtigen krijgen een andere brede intake dan de intake zoals in het stappenplan dat bij 2.1 tot en met 2.4 beschreven staat.
2.5.3.1 Brede intake 1.
2.
3.
4.
5.
De gemeente neemt bij de inburgeringsplichtige een brede intake af. Dankzij deze brede intake krijgt de gemeente een beeld van de startpositie en de ontwikkelingsmogelijkheden van de inwoner. De gemeente geeft in overleg met de inwoner en op basis van de uitkomsten van de brede intake invulling aan het inburgeringstraject. De brede intake wordt zo vroeg mogelijk afgenomen. Als het kan wordt de brede intake gepland zodra de inwoner bekend is bij de gemeente. Voor asielmigranten is dit het moment van koppeling aan de gemeente. Voor gezinsmigranten en overige migranten is dit het moment van inschrijving in de gemeente. De brede intake bestaat in ieder geval uit: a. een onderzoek naar het onderwijsniveau en de werkervaring van de inwoner; b. een onderzoek naar de persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de fysieke en mentale gezondheid; c. voor zover van toepassing: een verkenning van de mogelijkheden om het kind van de inwoner deel te laten nemen aan de voorschoolse educatie, bedoeld in artikel 1.1 van de Wet kinderopvang, of de vroegschoolse educatie, bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs; en d. een leerbaarheidstoets. De gemeente brengt met de brede intake in ieder geval in kaart: a. het taalniveau van de inwoner; b. de mogelijkheden tot (arbeids)participatie; c. de mate van zelfredzaamheid; en d.
de wensen van de inwoner over inburgering en arbeidsparticipatie. De gemeente legt de uitkomsten van de brede intake schriftelijk vast in de PIP, zoals beschreven in artikel 2.5.3.2
2.5.3.2 Persoonlijk plan Inburgering en Participatie 1.
De gemeente stelt na afronding van de brede intake en op basis van de hieruit ontvangen informatie het Persoonlijk plan Inburgering en Participatie (PIP) op. Dit gebeurt zoveel mogelijk in samenspraak met de inburgeringsplichtige. In ieder geval worden in een gesprek de volgende onderwerpen besproken: a. de uitkomsten van de brede intake; b. de persoonlijke einddoelen van de inwoner in het inburgeringstraject; c. welke leerroute als passend wordt gezien en waarom; d. de rechten en plichten van de inwoner tijdens het inburgeringstraject; e. de verwachtingen van de inwoner over het traject; f. de rol van de gemeente bij dit traject; en g. voor gezinsmigranten en overige migranten: het aanbod aan passend en kwalitatief goed inburgeringsonderwijs waarmee de migrant de leerroute kan volgen en voltooien. 2. In het PIP staat wat de inwoner moet doen om aan de inburgeringsplicht te voldoen. Het PIP geeft een compleet beeld van de rechten en plichten van de inwoner gedurende het inburgeringstraject. De gemeente stemt het plan af op de persoonlijke situatie, ontwikkelbehoeften en capaciteiten van de inwoner. 3. De gemeente stelt het PIP vast uiterlijk binnen tien weken na inschrijving van de inwoner in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente waar hij of zij is gehuisvest of wordt gehuisvest na verblijf in het azc. 4.
Wanneer de inwoner voor wie de leerroute al is vastgesteld verhuist naar de gemeente Oost Gelre stelt de gemeente het PIP opnieuw vast binnen tien weken na de inschrijving van de inwoner in de
Basisregistratie Personen (BRP). De leerroute die daarbij wordt vastgesteld, is gelijk aan de leerroute zoals die door de gemeente van vertrek is vastgesteld.
3. Werk en meedoen in de samenleving Dit hoofdstuk gaat over werk en participatie (meedoen in de samenleving). Het is belangrijk dat inwoners in hun eigen levensonderhoud kunnen voorzien. De gemeente verwacht daarom van inwoners met een uitkering die kunnen werken, dat zij werk zoeken. De gemeente wil die inwoners daarbij te ondersteunen. Welke hulp de gemeente kan geven, staat in dit hoofdstuk. De hulp noemen we ook wel: een voorziening. De gemeente kan iets terugvragen van inwoners met een uitkering. Dat wordt een tegenprestatie genoemd. In dit hoofdstuk wordt daar meer over uitgelegd. De gemeente vindt het ook belangrijk dat inwoners meedoen in de samenleving. Dat kan via werk, maar ook op andere manieren. Meedoen is niet alleen een verantwoordelijkheid van de inwoner zelf of van de gemeente, maar ook van de samenleving (omkijken naar elkaar). In dit hoofdstuk staan de belangrijkste regels voor de hulp die de gemeente kan geven om mee te doen in de samenleving. De regels in dit hoofdstuk zijn gebaseerd op de Participatiewet of op de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De gemeente ondersteunt de inwoner zo goed mogelijk in zijn ontwikkeling naar participatie en/of werk. Betaald werk gaat voor onbetaald werk en voor inkomensondersteuning van de gemeente.
3.1 Voor wie? [PW, IOAW, IOAZ, Wmo, Wib] 1. Inwoners die kunnen werken, zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om werk te vinden. Als dat niet lukt, kan de gemeente de volgende inwoners helpen om een stap richting werk te zetten, hierna te noemen de doelgroep: a. Inwoners met een gemeentelijke uitkering die niet op eigen kracht of met de hulp van het sociale netwerk, uitzendbureaus en andere organisaties de weg naar werk kunnen vinden; b. Inwoners jonger dan de AOW-gerechtigde leeftijd die geen hulp kunnen krijgen van andere instanties, zoals UWV, SVB of werkgevers. Per geval beoordeelt de gemeente of er hulp wordt gegeven; c. Jongeren tot 27 jaar die geen werk hebben of onderwijs volgen, en geen havo - diploma, vwodiploma of mbo-diploma vanaf niveau 2 hebben. De gemeente helpt hen een passende opleiding of passend werk te vinden, of leidt hen naar passende hulpverlening of zorg. 2. Inwoners moeten kunnen meedoen in de samenleving. Meedoen is in de eerste plaats een verantwoordelijkheid van inwoners zelf. De gemeente helpt in ieder geval de volgende inwoners om mee te doen in de samenleving, als dat op eigen kracht of op andere manieren niet lukt: a. Inwoners een beperking; b. Inwoners met een langdurig psychisch of psychosociaal probleem. 3. De gemeente zorgt voor begeleiding en ondersteuning voor inburgeringsplichtigen.
3.2 Samenwerking voor werk [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente werkt samen met werkgevers, UWV, regio - gemeenten, en andere organisaties. De gemeente doet dat om inwoners te helpen werk te vinden, dat bij hen past. 2. De gemeente ondersteunt werkgevers die inwoners uit de doelgroep werk willen aanbieden. De gemeente doet dat bijvoorbeeld via het Werkgeversservicepunt Achterhoek.
3.3 Budget [PW, IOAW, IOAZ] De gemeente kan per soort voorziening een budgetplafond vaststellen. Een budgetplafond is het maximale bedrag dat de gemeente per kalenderjaar kan uitgeven aan die bepaalde voorziening. Als dit budgetplafond bereikt is, verstrekt de gemeente zo’n voorziening niet meer. Voor wettelijke loonkostensubsidie en voor beschut werk kan de gemeente geen budgetplafond vaststellen.
3.4 Voorzieningen – werk [Wsw, PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente bekijkt per inwoner welke hulp nodig is. De gemeente zet passende voorzieningen in. Voor mensen die ver van de arbeidsmarkt afstaan zijn er mogelijkheden om zich te ontwikkelen. Van ontwikkelingsgerichte arbeidsmatige dagbesteding tot regulier werk. Daarbij hoort ook de mogelijkheid om een stapje terug te doen als het even wat minder gaat. 2. De voorzieningen van de gemeente zijn bedoeld voor inwoners uit de bovengenoemde doelgroep (zie artikel 3.1 lid 1). In bepaalde situaties kan de gemeente een voorziening ook voor andere inwoners inzetten, bijvoorbeeld als de Participatiewet dat aangeeft. 3. Sommige voorzieningen worden aan werkgevers verstrekt, zoals loonkostensubsidie. Dit kan op initiatief van de gemeente of op aanvraag van de werkgever. De gemeente houdt zich aan het preferente proces loonkostensubsidie dat voort komt uit landelijke samenwerkingsafspraken. Deze zijn te vinden op de website (www.fijnder.nl) 4. Het kan ook zijn dat bepaalde voorzieningen niet voor iedereen uit de doelgroep kunnen worden ingezet. Als dat zo is, wordt dat hieronder per voorziening aangegeven. 5. Het doel van een voorziening is het vinden of behouden van werk dat geschikt is voor de inwoner. De gemeente kan tenminste de volgende voorzieningen inzetten: a. proefplaatsing; b. werkervaringsplaats; c. participatieplaats; d.
sociale activering; e. beschut werk; f. vervallen; g. hulp bij een leer-werktraject; h. plaatsingssubsidie; i. wettelijke loonkostensubsidie; j. vervallen; k. scholing; l. hulp bij het leren van de Nederlandse taal; m. kinderopvang; n. werk aanvaardingspremie. 6. De gemeente beoordeelt per persoon of het zinvol is om een voorziening in te zetten. De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner welke voorziening wordt ingezet en voor hoe lang. Daarbij kijkt de gemeente naar verschillende dingen: de omstandigheden van de inwoner, zijn er mogelijkheden en eventuele beperkingen, de zorg voor kinderen, mantelzorg, wettelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van budget. Gaat het om hulp-op-maat, dan zijn ook de voorwaarden uit artikel 2.3.2 van toepassing. 7. In een plan van aanpak legt de gemeente vast welke hulp de inwoner krijgt. In dit plan staat welke afspraken er tussen de gemeente en de inwoner zijn gemaakt. 8. De gemeente zendt ieder jaar het jaarverslag aan de gemeenteraad met daarin de doeltreffendheid en de effecten van de inzet van de voorzieningen.
3.4.1 Proefplaatsing [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een uitkeringsgerechtigde inwoner bij wijze van proef tijdelijk laten werken bij een werkgever. Deze inwoner houdt zijn uitkering tijdens die periode. 2. Bij het aanbieden van een proefplaatsing betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. 3. Het doel van de proefplaatsing is dat de werkgever kan kijken of de inwoner geschikt is voor het werk. 4. Als de inwoner geschikt is voor het werk volgt er een dienstverband. Dit is een voorwaarde bij een proefplaatsing. 5. Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. 6. De proefplaatsing is alleen mogelijk als de werkgever de inwoner goed begeleidt tijdens de proefplaatsing. Hierover worden afspraken gemaakt voor de start van de proefplaatsing. Wordt de proefplaatsing niet omgezet in een dienstverband dan moet de werkgever uitleggen wat hij heeft gedaan om de inwoner te begeleiden. 7. De duur van de proefplaatsing hangt af van de duur van het dienstverband. Normaal duurt de proefplaatsing twee maanden. Met een goede reden is er de mogelijkheid tot het verlengen van de proefplaatsing met maximaal vier maanden. Bij een proefplaatsing van twee maanden volgt een dienstverband van minstens van zes maanden.
Bij een proefplaatsing tussen de twee tot zes maanden volgt een dienstverband van minimaal twaalf maanden. 8. De gemeente weigert de toestemming bedoeld in het eerste lid, als direct na de proefplaatsing sprake is van een dienstverband met plaatsingssubsidie.
3.4.2 Werkervaringsplaats [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner een werkervaringsplaats bij een organisatie aanbieden. De inwoner houdt dan zijn uitkering. 2. Bij het aanbieden van een werkervaringsplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. 3. Een werkervaringsplaats heeft verschillende doelen: a. De inwoner doet werkervaring op; b. De inwoner leert hoe het is om in een dienstverband te functioneren; c. De inwoner doet werkritme op. 4. De werkervaringsplaats is alleen mogelijk als de organisatie de inwoner goed begeleidt. De organisatie geeft de inwoner kansen om te oefenen en te leren in het werk. 5. De werkervaringsplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de gemeente, de organisatie en de inwoner. In die overeenkomst worden het doel van de werkervaringsplaats en de begeleiding van de inwoner verder uitgewerkt. 6. De activiteiten die de inwoner bij de organisatie doet, mogen werknemers in die organisatie niet verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. 7. De werkervaringsplaats duurt maximaal 6 maanden en kan 1 keer worden verlengd met maximaal 6 maanden.
3.4.3 Participatieplaats [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner met een gemeentelijke uitkering die een kleine kans heeft op loonvormend werk en voorlopig niet aan het werk kan, een participatieplaats aanbieden. De participatieplaats wordt vastgelegd in een overeenkomst tussen de betrokken partijen. 2. Bij het aanbieden van een participatieplaats betrekt de gemeente de mogelijkheden, interesses en vaardigheden van de inwoner. 3. Het doel van een participatieplaats is om de kans op betaald werk te vergroten. De inwoner kan langdurig op een bepaalde werkplek werken. Zo doet de inwoner werkervaring op. De inwoner houdt
zijn uitkering. Het gaat om werkzaamheden die passend zijn en speciaal op de inwoner zijn afgestemd. 4. Een participatieplaats duurt maximaal 2 jaar. Dit kan met 2 keer 1 jaar worden verlengd als daardoor de arbeidskansen groter worden. 5. Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties. 6. De inwoner kan telkens na 6 maanden een premie ontvangen. De gemeenteraad stelt deze premie vast op nihil.
3.4.4 Sociale activering [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner die er nog niet aan toe is om te werken, activiteiten aanbieden die de inwoner dichter bij werk brengen. Dit heet sociale activering. 2. Het doel van sociale activering is om inwoners te helpen weer grip op hun leven te krijgen, sociale contacten op te bouwen en moeilijkheden op weg naar werk te overwinnen.
3.4.5 Beschut werk [PW] 1. De gemeente biedt een inwoner een beschutte werkplek aan als UWV heeft geadviseerd dat dit nodig is. Dat is nodig, als de inwoner alleen kan werken zodra het werk en de werkplek zijn aangepast aan de mogelijkheden van die inwoner. Inwoners met een uitkering van UWV en inwoners zonder werk kunnen ook in aanmerking komen voor een beschutte werkplek. Voor deze inwoners geldt dit artikel ook. 2. Het doel van beschut werk is om inwoners die alleen aangepast werk kunnen doen, een passende werkplek te bieden. 3. De gemeente biedt het maximale aantal beschutte werkplekken aan, dat het Rijk de gemeente opdraagt. 4. Het kan zijn, dat een inwoner niet meteen een beschutte werkplek kan krijgen. Dat kan als de gemeente alle beschutte werkplekken voor het kalenderjaar al ingevuld heeft. De inwoner komt dan op een wachtlijst. De gemeente heeft hiervoor ‘Beleidsregels wachtlijst Nieuw Beschut Werk Fijnder’ opgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl. 5. De gemeente biedt de volgende voorzieningen aan, zodat een inwoner beschut kan werken: a. wettelijke loonkostensubsidie; b. aanpassing van de werkplek of de werkomgeving; c. werk opsplitsen in kleinere taken; d. aanpassing van werktempo, de arbeidsduur of de werkbegeleiding. 6.
De gemeente kan voor inwoners die op de wachtlijst Beschut Werk staan ter overbrugging de volgende voorzieningen inzetten: a. sociale activering; b. participatieplaats; of c. een vergelijkbare voorziening. 7. De gemeente kan inwoners die in aanmerking komen voor beschut werk, helpen om de stap naar beschut werk makkelijker te maken. De gemeente gebruikt daar de volgende voorzieningen voor: a. sociale activering; b. scholing; c. participatieplaats; d. werkervaringsplaats; of e. een vergelijkbare voorziening.
3.4.6 Hulp bij een leer- werktraject [PW] 1. De gemeente kan een jongere hulp aanbieden bij het volgen van een leer-werktraject, als dit nodig is om de stap naar werk te zetten. Het moet gaan om jongeren: a. van 16 of 17 jaar van wie de leerplicht of de kwalificatieplicht, bedoeld in de leerplichtwet 1969, nog niet is geëindigd; of b. van 18 tot 27 jaar die nog geen startkwalificatie hebben behaald. Met startkwalificatie wordt bedoeld: een havo-, vwo- of mbo-diploma vanaf niveau 2. 2. De gemeente biedt hulp bij een leer-werktraject alleen aan, als de ondersteuning van school of werkgever onvoldoende is om het leer-werktraject te kunnen volgen.
3.4.7 Plaatsingssubsidie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente kan een werkgever die een inwoner in dienst neemt, voor een korte periode plaatsingssubsidie geven. Dit doet de gemeente alleen, als de werkgever voor deze inwoner geen wettelijke loonkostensubsidie kan krijgen (zie artikel 3.4.8), en ook niet in aanmerking komt voor andere vergoedingen voor het in dienst nemen van de inwoner. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners die moeilijk aan het werk komen in dienst te nemen. Extra kosten die werkgevers maken voor het begeleiden van deze inwoners worden hiermee vergoed. 3. De plaatsingssubsidie is maximaal 50% van het wettelijk minimumloon, tot maximaal € 500 per maand. De plaatsingssubsidie duurt maximaal zes maanden, maar kan één keer worden verlengd met maximaal zes maanden. 4. Het werk mag geen andere werknemers bij hetzelfde bedrijf verdringen. Ook mag er geen oneerlijke concurrentie ontstaan met andere organisaties.
3.4.8 Wettelijke loonkostensubsidie [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente kent de werkgever een wettelijke loonkostensubsidie toe als de inwoner bij de werkgever in dienst komt, maar niet het wettelijk minimumloon kan verdienen. De werkgever en inwoner moeten wel aan de voorwaarden van artikel 10d van de Participatiewet voldoen. 2. Het doel van deze subsidie is om werkgevers te stimuleren inwoners met een arbeidsbeperking in dienst te nemen en productieverlies te vergoeden. 3. De gemeente stelt vast of het gaat om een inwoner die niet in staat is om het wettelijk minimumloon te verdienen. Om te bepalen hoe productief de inwoner op de werkplek zal zijn (welke loonwaarde hij heeft), past de gemeente een erkende methode toe. Dit kan ook vastgesteld worden na het begin van het dienstverband of proefplaatsing door inzet van de Praktijkroute. Informatie hierover kan worden opgevraagd bij het Werkgeversservicepunt Achterhoek. 4. De loonkostensubsidie aan de werkgever hangt af van de loonwaarde. De hoogte van de loonkostensubsidie is maximaal 70% van het wettelijk minimumloon. Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij. 5. Totdat de loonwaarde is gemeten, kan de gemeente de werkgever maximaal zes maanden een vaste maandelijkse loonkostensubsidie toekennen van maximaal 50% van het wettelijk minimumloon.
Daar komen nog de wettelijke vakantietoeslag en een vergoeding voor werkgeverslasten bij. 6. De gemeente stelt binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag de loonwaarde vast, tenzij in overleg met de werkgever plaatsingssubsidie van toepassing is.
3.4.9 Vervallen
3.4.10 Scholing [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan een inwoner scholing aanbieden, als die scholing nodig is om de stap naar werk te maken en andere organisaties geen passende scholing kunnen aanbieden. 2. De gemeente bepaalt in overleg met de inwoner de vorm en de duur van de scholing. De scholing wordt afgestemd op de mogelijkheden van de inwoner en zijn positie op de arbeidsmarkt.
3.4.11 Ondersteuning bij beheersing Nederlandse taal [PW, IOAW, IOAZ] Het beheersen van de Nederlandse taal is nodig voor het vinden en behouden van een werkplek. De gemeente kan aan een inwoner die de Nederlandste taal onvoldoende beheerst een voorziening aanbieden om de taal beter te leren. Soms is het volgen van scholing verplicht. De gemeente heeft ‘Beleidsregels taaleis Participatiewet Fijnder’ vastgesteld. De geldende beleidsregels zijn te vinden op www.overheid.nl. Daarnaast kan in overleg met de inwoner ondersteuning worden geboden bij laaggeletterdheid. Deze ondersteuning kan plaatsvinden bij een onderwijsinstelling of binnen de gemeente via het Taalhuis.
3.4.12 Kinderopvang [PW, IOAW, IOAZ, Wet kinderopvang] 1. De gemeente zorgt ervoor dat er passende kinderopvang beschikbaar is, als: a. de inwoner meedoet aan een activiteit die nodig is om dichter bij de arbeidsmarkt te komen of om aan het werk te gaan, en b. opvang niet mogelijk is binnen het sociale netwerk van de inwoner. 2. De inwoner die van de Belastingdienst kinderopvangtoeslag ontvangt, kan van de gemeente een bijdrage krijgen voor de kosten van kinderopvang die de inwoner zelf moet betalen. De inwoner moet voldoen aan de volgende voorwaarden: a. De inwoner heeft een gemeentelijke uitkering of een Anw-uitkering; en b. De kinderopvang is nodig om mee te kunnen doen aan een activiteit van de gemeente die de inwoner dichter bij werk brengt (een voorziening); Of: c. De inwoner volgt voltijds mbo-, hbo- of universitair onderwijs, voortgezet onderwijs of vavoonderwijs, en d. De kinderopvang vindt plaats in een geregistreerd kindercentrum of bij een gastouderbureau.
3.4.13 Werk aanvaardingspremie [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan de inwoner een premie verstrekken, om de inwoner te stimuleren om aan het werk te gaan. De inwoner moet 21 jaar of ouder zijn. 2. Burgemeester en wethouders regelen de voorwaarden en de hoogte van de premie. De gemeente heeft hiervoor ´Beleidsregels werkaanvaardingspremie gemeente Oost Gelre’ opgesteld.
3.4.14 Andere voorzieningen en vergoedingen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. 2. De gemeente kan inkomsten uit deeltijdwerk gedeeltelijk vrijlaten voor de uitkering. De regels staan in artikel 31 van de Participatiewet, artikel 8 van de IOAW en in artikel 8 van de IOAZ.
3. Voor inwoners met een gemeentelijke uitkering die als zelfstandig ondernemer gaan starten, is er een bijzondere regeling: het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz2004). De gemeente kan de inwoner financieel ondersteunen, onder bepaalde voorwaarden. 4. De gemeente kan de kosten vergoeden die de inwoner moet maken bij deelname aan een voorziening of bij betaald of onbetaald werk. Dit doet de gemeente alleen als de inwoner die kosten niet op een ander manier vergoed kan krijgen.
3.4.15 Innovatie [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan – binnen de kaders van de uitgangspunten van dit hoofdstuk – als experiment andere voorzieningen inzetten als dat nodig is om de kans op werk te vergroten. 2. Het doel van het experiment is om in het belang van de inwoners, nieuwe voorzieningen en werkwijzen te onderzoeken. 3. Een experiment duurt niet langer dan drie jaar. 4. Wanneer de uitkomst van het experiment reden geeft om de verordening aan te passen, kan de periode van het experiment verlengd worden tot het moment dat de nieuwe verordening geldig is.
3.4a Persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen 3.4a.1 Aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en andere voorzieningen [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente kan op eigen initiatief of op aanvraag persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen verstrekken aan een inwoner met een arbeidsbeperking. 2. Bij de toekenning van persoonlijke ondersteuning bij werk en overige voorzieningen is er sprake van individueel maatwerk. Verder gelden, naast artikel 2.3.2., de volgende voorwaarden: a. de inwoner behoort tot de doelgroep en is minimaal achttien jaar oud, tenzij hij praktijkonderwijs (pro)- of voortgezet speciaal onderwijs (vso) heeft gevolgd; b. de inwoner kan zonder deze vorm van ondersteuning niet werken; c. de voorziening komt niet in aanmerking voor vergoeding vanuit de UWV-werkvoorzieningen (www.uwv.nl/particulieren/voorzieningen); d. het gaat niet om een algemeen beschermingsmiddel waarvoor de werkgever verantwoordelijk is; e. het gaat niet om een mee te nemen voorziening die tot de standaarduitrusting van de werkgever behoort of algemeen gebruikelijk is in een organisatie; f. de kosten van de voorziening moeten proportioneel zijn, dat wil zeggen dat de investering in de voorziening moet opwegen tegen de opbrengsten uit het werk dan wel de opbrengsten van uitstroom naar werk. 3.
De aanvraag voor persoonlijke ondersteuning bij werk moet binnen 26 weken na de start van de arbeidsovereenkomst zijn ontvangen. Behalve als bij de start van de arbeidsovereenkomst de noodzaak voor ondersteuning nog niet bekend kon zijn. 4. De gemeente kan een deskundig advies inwinnen als dit nodig is om een aanvraag te beoordelen. 5. De gemeente spreekt met de werkgever en werknemer af op welke manier de ondersteuning wordt geboden en tot wanneer. De gemeente legt dit vast in een beschikking.
3.4a.2 Persoonlijke ondersteuning bij werk [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] De gemeente kan een inwoner persoonlijke ondersteuning bij werk aanbieden in de vorm van: a. jobcoaching door een jobcoach van Fijnder of een coach waarmee Fijnder een contract heeft. b. een subsidie aan de werkgever voor het inzetten van een jobcoach;
c. subsidie aan de werkgever voor interne werkbegeleiding.
3.4a.3 Hulp op de werkplek van een jobcoach [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een inwoner een jobcoach vanuit Fijnder aanbieden als de inwoner extra begeleiding nodig heeft om zijn werk goed te kunnen doen. 2. Het doel van de jobcoach is om de werknemer te helpen zijn werk goed te doen. De jobcoach kan de inwoner begeleiden bij zijn ontwikkeling op de werkplek. 3. De gemeente spreekt met de werkgever af hoe de jobcoach wordt ingezet. Deze afspraken komen in een overeenkomst met de werkgever te staan. 4. De jobcoaching wordt ingezet voor een aaneengesloten periode van maximaal zes maanden, na deze periode kan jobcoaching eenmalig verlengd worden met zes maanden. 5. Een externe jobcoach moet werken bij een erkende Jobcoachorganisatie, op basis van het erkennings- en intrekkingskader uitvoering persoonlijke ondersteuning UWV. Deze is te vinden op www.uwv.nl. 6. Als de gemeente zelf één of meer jobcoaches in dienst of gecontracteerd heeft, biedt de gemeente deze bij voorrang aan. 7. Voor jobcoaching door een erkende jobcoach worden de begeleidingsniveaus ‘licht’, ‘midden’ en ‘intensief’ gebruikt. Voor welk niveau van jobcoaching in een situatie wordt gekozen hangt af van de ondersteuningsbehoefte van een werknemer in deze situatie. Voor iedere werknemer die jobcoaching gaat krijgen, wordt vastgesteld voor welk maximumbedrag die werknemer jobcoaching kan krijgen. 8.
De maximumbedragen zijn gebaseerd op de normbedragen voorzieningen van het UWV zoals die zijn gepubliceerd in het geldende Besluit normbedragen voorzieningen UWV. Bij wijziging van de normbedragen door het UWV worden de vergoedingen aangepast met ingang van het nieuwe kalenderjaar.
3.4a.4 Subsidie voor het organiseren van jobcoaching [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor het organiseren van jobcoaching. De werkgever kan daar een aanvraag voor doen. 2. Subsidie voor het organiseren van jobcoaching kan op basis van artikel 3.5.3 worden verleend. Daarnaast als: a. er een coachingsplan is vastgesteld waarin beschreven staat welke activiteiten een jobcoach uitvoert, de voortgang van de jobcoaching en hoe de beoordeling plaatsvindt; b. de omvang en de kwaliteit van de georganiseerde jobcoaching aansluit bij de werknemer; c. de werknemer voor wie de subsidie wordt gevraagd daarvan op de hoogte is en schriftelijk laat weten het eens te zijn met het organiseren van jobcoaching door de werkgever.
3.4a.5 Subsidie voor interne werkbegeleiding [PW, IOAW, IOAZ, Wsw]
1. De gemeente kan een subsidie geven aan de werkgever voor meer begeleiding aan medewerkers op de werkvloer dan normaal gebruikelijk. De subsidie is bedoeld voor de aangetoonde meerkosten die gemaakt zijn voor het organiseren van de interne werkbegeleiding van een medewerker. 2. De gemeente kan voor werkgevers een training verzorgen in het bieden van interne werkbegeleiding aan medewerkers.
3.4a.6 Ondersteuning bij een visuele of motorische beperking [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] De gemeente kan een voorziening in de vorm van een intermediaire activiteit toekennen. Dit is hulp of ondersteuning voor taken die een inwoner bij het werken niet goed zelf kan doen. Dat dit niet lukt komt door problemen met zien of met bewegen.
3.4a.7 Ondersteuning door de inzet van een meeneembare voorziening [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een meeneembare voorziening toekennen, als dit nodig is voor de inwoner om te kunnen werken. 2. Er is geen lijst van voorzieningen. In principe kan elk product als een mee te nemen voorziening worden beschouwd, als de noodzaak en meerwaarde op het werk aan te tonen is. 3. De meeneembare voorziening wordt in principe in bruikleen gegeven. In bijzondere gevallen kan de gemeente besluiten dat de inwoner de voorziening krijgt. De inwoner wordt dan dus eigenaar van de voorziening.
3.4a.8 Ondersteuning door de inzet van een vervoersvoorziening [PW, IOAW, IOAZ, Wsw] 1. De gemeente kan een vervoersvoorziening toekennen aan de inwoner die door zijn beperking niet zelfstandig naar zijn werkplek, proefplaatsing of opleidingslocatie kan reizen. Deze vervoersvoorziening kan als product of dienst worden gegeven of in de vorm van een vergoeding in geld. 2. Als er een vervoersvoorziening van de werkgever mogelijk is, maakt de medewerker daar gebruik van. 3. De gemeente kan een vervoersvoorziening aanbieden als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan: a. de inwoner kan door zijn beperking niet zelfstandig reizen of gebruik maken van het openbaar vervoer; en b. kan niet carpoolen; en c. het vervoer is beperkt tot woon-werkverkeer. 4. De hoogte van de vergoeding in geld hangt af van het aantal dagen dat moet worden gewerkt. Bij reizen met eigen vervoer vergoedt de gemeente de reiskosten tot een bedrag van de maximale onbelaste kilometervergoeding (vastgesteld door de Belastingdienst). Bij reizen met het openbaar vervoer baseert de gemeente de vergoeding op de goedkoopste en meest passende manier van reizen.
3.5 Tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ]
3.5.1 Doel van de tegenprestatie 1. De gemeente legt een inwoner met een gemeentelijke uitkering een tegenprestatie op, als de gemeente dit een passende manier voor de inwoner vindt om iets terug te doen voor de samenleving. 2. De gemeente kan als tegenprestatie vragen om onbetaald werk te gaan doen dat de gemeente nuttig vindt voor de samenleving. 3. Het doel van de tegenprestatie is dat de inwoner zich inzet voor de samenleving.
3.5.2 Voorwaarden tegenprestatie 1. Bij het opleggen van een tegenprestatie houdt de gemeente rekening met alle persoonlijke omstandigheden van de inwoner, zoals de gezinssituatie, de duur van de werkloosheid, eventuele beperkingen en vrijwilligerswerk. 2. De inwoner hoeft geen tegenprestatie te leveren als dit niet te combineren is met mantelzorg of vrijwilligerswerk.
3.5.3 Duur en omvang tegenprestatie 1. De tegenprestatie die de gemeente van de inwoner verwacht duurt maximaal 6 maanden per jaar en maximaal 8 uur per week. Dit is om de volgende redenen: a. De tegenprestatie mag het vinden van betaald werk niet in de weg zitten. b. De tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing van werknemers en tot oneerlijke concurrentie. 2. Het moet gaan om activiteiten die maatschappelijk nuttig zijn, maar waarvoor geen beloning kan worden gevraagd door de inwoner of de organisatie waar de tegenprestatie wordt uitgevoerd.
3.6 Meedoen in de samenleving [Wmo, PW] 1. De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners kunnen meedoen aan activiteiten in de samenleving. Door te werken doen inwoners mee aan de samenleving. Maar inwoners kunnen ook op andere manieren meedoen. Daarom zijn er in de gemeente: a. maatschappelijke organisaties waar inwoners terecht kunnen; b. plekken waar inwoners elkaar kunnen ontmoeten, zoals verenigingen en inloopvoorzieningen;, c. activiteiten die voor alle inwoners worden georganiseerd; en d. mogelijkheden om vrijwilligerswerk te doen. 2. Inwoners zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk om mee te doen. Een inwoner kan daar hulp bij nodig hebben, vanwege een beperking of een langdurig psychisch of psychosociaal probleem. Die inwoner kan aan de gemeente hulp vragen, als diegene zelf geen oplossing kan vinden voor zijn problemen. De hulp kan verschillende vormen hebben. Gaat het om hulp-op-maat, dan zijn er wel enkele voorwaarden. Die zijn te vinden in artikel 2.3.2. De hulp moet daarnaast langdurig nodig zijn. Hieronder staan vormen van hulp die de gemeente kan inzetten.
3.6.1 Begeleiding groep (dagbesteding) / ondersteuning De inwoner die de dag niet goed kan invullen, kan in aanmerking komen voor ‘begeleiding groep’. De inwoner kan dan meedoen aan sociale, arbeidsmatige, recreatieve of andere groepsactiviteiten. Groepsbegeleiding is bedoeld voor de inwoner die niet kan werken en geen andere voorzieningen kan benutten. Het gaat om activiteiten onder begeleiding, voor een of meer dagdelen per week. Als de inwoner daarbij vervoer nodig heeft, kan de gemeente ook helpen.
3.6.2 Begeleiding individueel / ondersteuning De inwoner die de normale dagelijkse activiteiten niet zelf kan doen, kan in aanmerking komen voor ‘begeleiding individueel’. De begeleider helpt dan bij de dagelijkse gang van zaken en bij terugkerende activiteiten, zoals het maken van een dagindeling en het doen van de administratie. Ook kan de begeleider de inwoner helpen om op een goede manier met zijn omgeving om te gaan. De begeleider neemt deze activiteiten niet volledig over, maar ondersteunt de inwoner hierbij.
3.6.3 Vervoer in eigen omgeving 1. De inwoner kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als hij door een beperking in de mobiliteit onvoldoende contact met anderen kan hebben of noodzakelijke activiteiten niet kan doen. De inwoner wordt dan geholpen bij het vervoer dichtbij huis. Die hulp kan bestaan uit het aanbieden van de mogelijkheid om te reizen met collectief vervoer of het gebruikmaken van een vervoermiddel zoals een scootmobiel. 2. Het moet gaan om: a. het zich verplaatsen rondom de woning; b. het zich verplaatsen over een afstand van maximaal 20 kilometer van de woning. 3. De gemeente wil graag dat collectief taxivervoer beschikbaar en betaalbaar blijft voor inwoners die dat nodig hebben. Daarom kijkt de gemeente of een vervoersprobleem opgelost kan worden met collectief taxivervoer. De inwoner kan dan reizen met collectief taxivervoer voor een lager tarief, via ZOOV.
3.6.4 Rolstoel De gemeente zorgt ervoor dat inwoners die zich vanwege een beperking niet kunnen verplaatsen in en om de woning, hulp-op-maat krijgen. Hulp-op-maat houdt in dat de inwoner een rolstoel krijgt die geschikt is voor dagelijks zittend gebruikt.
3.6.5 Aanpassing of vervanging voorziening Als een vervoermiddel of rolstoel aangepast of vervangen moet worden doet de gemeente dit alleen, als: a. de normale afschrijvingstermijn is verstreken; of b. die voorziening onbruikbaar is geworden buiten de schuld van de inwoner om; of c. die voorziening geen oplossing meer is voor de hulpvraag van de inwoner; of d. de inwoner de kosten van vervanging geheel of gedeeltelijk zelf betaalt.
3.7 Inburgeren [Wib]
3.7.1 Kernpunten van het inburgeringstraject De gemeente heeft een centrale rol in de begeleiding en ondersteuning van de inburgeringsplichtige. Hierbij gelden de volgende kernpunten: a. de gemeente zorgt ervoor dat de inburgeringsplichtige tijdig kan starten met het inburgeringstraject (tijdige start). b. de inburgeringsplichtige rondt het inburgeringstraject binnen de termijn van drie jaar af. De gemeente let erop dat het traject niet langer duurt dan nodig is (snelheid). c. de gemeente zorgt voor iedere inburgeringsplichtige dat hij een passend traject kan volgen (maatwerk). d. de inburgeringsplichtige combineert zoveel mogelijk activiteiten gericht op het leren van de Nederlandse taal en op meedoen aan de maatschappij (dualiteit). e. De gemeente stelt eisen aan de kwaliteit van het aanbod en zorgt ervoor dat die kwaliteit en de continuïteit gewaarborgd is (kwaliteit).