rb verordening sociaal domein
Tekst van het document
5.3 Mantelzorg Inwoners die ziek zijn of een beperking hebben, worden vaak geholpen door familieleden, vrienden of kennissen. Deze hulp wordt mantelzorg genoemd, als de hulp langdurig en onbetaald wordt gegeven en verder gaat dan wat gebruikelijk is tussen mensen. Degene die deze hulp geeft is de mantelzorger. Het is de taak van de gemeente, om mantelzorgers te ondersteunen bij de hulp die ze geven. Mantelzorgondersteuning van de gemeente is gericht op het vinden, versterken, verlichten en verbinden van mantelzorgers.
5.3.1. Ondersteuning mantelzorger 1. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners met mantelzorgers hulp-op-maat kunnen krijgen als zij niet meer in staat zijn om de mantelzorg vol te houden of om te voorkomen dat zij overbelast raken. Voorwaarde is, dat de mantelzorg niet overgenomen kan worden door anderen, zoals vrijwilligers. 2. De hulp-op-maat kan inhouden dat de mantelzorg voor een korte periode wordt overgenomen door een professionele hulpverlener.
5.3.2. Mantelzorgwaardering 1. De gemeente waardeert de inzet van mantelzorgers voor inwoners met een beperking. Daarom biedt de gemeente jaarlijks een mantelzorgwaardering aan. 2. De mantelzorgwaardering bestaat uit een individuele attentie en algemene mantelzorgondersteuning.
6. Vervoer naar school (leerlingenvervoer) Ieder kind heeft recht op passend onderwijs dat aansluit bij de levensovertuiging of godsdienst van de ouders. Soms is de afstand van huis naar school groot voor het kind of kan het kind vanwege zijn beperking niet zelfstandig naar school reizen. Ouders kunnen dan in bepaalde gevallen een beroep doen op leerlingenvervoer. In dit hoofdstuk is geregeld hoe de gemeente ouders ondersteunt bij het vervoer van hun kind naar school. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: Ieder kind heeft recht op passend onderwijs. De gemeente bekostigt alleen de noodzakelijke vervoersvoorzieningen. Kinderen kunnen op een veilige manier op school komen. [Llv]
6.1 Uitgangspunten 1. Ouders zijn er zelf verantwoordelijk voor dat kinderen naar school gaan. Ouders kunnen bij de gemeente een aanvraag doen voor hulp bij het vervoer van hun kind, van de woning naar school. 2. De hulp van de gemeente heet een vervoersvoorziening. Het kan gaan om een vergoeding voor reiskosten of om aangepast vervoer dat wordt geregeld door de gemeente, zoals een taxibusje. Het is mogelijk dat ouders van kinderen op het basisonderwijs een deel van de kosten zelf moeten betalen. Dat is de eigen bijdrage en wordt geregeld in artikel 6.4.1 van deze verordening. 3. Als ouders een vervoersvoorziening krijgen en het kind wordt meerderjarig, dan wordt de vervoersvoorziening niet langer aan de ouders verstrekt. Het kind kan dan zelf in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, als hij zelf aan de voorwaarden uit artikel 6.3 voldoet.
6.2 Onderzoek 1. De gemeente onderzoekt of ouders in aanmerking kunnen komen voor een vervoersvoorziening. Als dat zo is gaat de gemeente na welke voorziening er nodig is. De gemeente onderzoekt dan met welk
RAADSBESLUIT 65709-2021
19
vervoermiddel het kind kan reizen en welke route naar school de kortste veilige route voor het kind is. Ook gaat de gemeente na of er begeleiding nodig is bij het reizen. 2. Voor het bepalen van de route naar school maakt de gemeente gebruik van de actuele routeplanner van de ANWB. De gemeente berekent wat de kortste afstand is van de woning van het kind naar school. 3. Gaat het kind naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs, dan onderzoekt de gemeente in bepaalde gevallen ook hoe hoog het inkomen van de ouders is. Dat is nodig om te bepalen of ouders een eigen bijdrage moeten betalen.
6.3 Voorwaarden 1. De gemeente verstrekt een vervoersvoorziening aan ouders voor hun kind dat in de gemeente Oost Gelre verblijft, en: a. minimaal 4 jaar oud is, of minimaal 3 jaar oud is als het om een doof of slechthorend kind gaat dat speciaal onderwijs volgt; en b. naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaat, of speciaal onderwijs of voortgezet onderwijs volgt; en c. vanwege een langdurige beperking niet zelfstandig met het openbaar vervoer of met de fiets kan reizen, maar begeleiding of aangepast vervoer nodig heeft. 2. De gemeente verstrekt ook een vervoersvoorziening aan ouders, voor hun kind dat in de gemeente Oost Gelre verblijft, en: a. minimaal 4 jaar oud is; en b. naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaat, of speciaal onderwijs volgt (niet voortgezet onderwijs); en c. de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke school, meer dan 6 kilometer van de woning van het kind afligt. 3. Gaat het kind niet naar de dichtstbijzijnde school van dezelfde onderwijssoort, dan komen ouders alleen voor een vervoersvoorziening naar de verder weg gelegen school in aanmerking, als zij in een brief aangeven dat ze ernstige bezwaren hebben tegen het openbaar onderwijs of de richting van de dichter bij gelegen bijzondere school. 4.
De gemeente kan ook een vervoersvoorziening aan ouders verstrekken voor hun kind dat in de gemeente Oost Gelre verblijft, en: a. voortgezet speciaal onderwijs volgt; en b. zelfstandig van het openbaar vervoer of de fiets gebruik kan maken; en c. de dichtstbijzijnde toegankelijke school meer dan 2 kilometer van de woning van het kind afligt. Deze bepaling is vooral bedoeld om het kind te stimuleren zelfstandig te gaan reizen en kan als afbouwregeling gebruikt worden. 5. Met toegankelijke school wordt in dit hoofdstuk bedoeld: a. een school die het soort onderwijs geeft dat het kind nodig heeft, vanwege zijn lichamelijke of geestelijke situatie, en b. van de gewenste levensbeschouwelijke of godsdienstige richting is, of het openbaar onderwijs, en c. waar plaats is voor het kind. 6. Ouders krijgen geen vergoeding voor het vervoer van hun kind, als het kind meereist met een andere ouder die van de gemeente een vergoeding krijgt voor het vervoer van zijn eigen kind. 7. De gemeente verstrekt aan ouders een vergoeding voor de reiskosten van een begeleider, als hun kind begeleiding nodig heeft bij het vervoer naar school en de ouders voor dit kind een vervoersvoorziening krijgen. Het kind heeft in ieder geval begeleiding nodig als het op de peildatum jonger is dan 9 jaar. De peildatum is 1 augustus van het schooljaar waarop de vervoersvoorziening betrekking heeft.
De ouders moeten wel overtuigend hebben aangetoond, dat het kind niet zonder begeleiding met het openbaar vervoer of de fiets kan reizen.
6.3.1 Bijzondere regeling voor weekend- en vakantievervoer 1. De gemeente verstrekt ouders van een kind dat speciaal onderwijs volgt en daarom in een internaat of pleeggezin verblijft, een vervoersvoorziening voor: a. het weekendvervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, behalve als de weekenden vallen in een schoolvakantie. b. het vakantievervoer van hun kind van het internaat of pleeggezin naar de woning van de ouders en terug, eenmaal per schoolvakantie van 2 dagen of meer. De schoolvakantie moet in de schoolgids van de school worden genoemd.
RAADSBESLUIT 65709-2021
20
2. De regels uit dit hoofdstuk gelden ook voor het weekend- en vakantievervoer, behalve artikel 6.4 lid 4, onderdeel a.
6.4 Vorm en hoogte van de vervoersvoorziening 1. De gemeente bepaalt de vervoersvoorziening aan de hand van de afstand tussen de woning en de dichtstbijzijnde toegankelijke school. 2. Gaat het om een speciale school voor basisonderwijs, dan wordt de vervoersvoorziening vastgesteld over de afstand tussen de woning van het kind en a. de dichtstbijzijnde toegankelijke speciale school voor basisonderwijs in het samenwerkingsverband van de school waar het kind vandaan komt, of b. een andere speciale school voor basisonderwijs in dat samenwerkingsverband, als het vervoer naar die school voor de gemeente minder zou kosten dan het vervoer naar de dichtstbijzijnde speciale school voor basisonderwijs. 3. Als aan de voorwaarden is voldaan, stemt de gemeente de vervoersvoorziening af op de goedkoopste manier van reizen. Als het kind naar school kan fietsen (eventueel met begeleiding), dan krijgen de ouders een vergoeding voor het gebruik van de fiets. Kan het kind niet fietsen naar school, ook niet met begeleiding, dan kunnen de ouders een vergoeding krijgen voor het openbaar vervoer. Als ouders in aanmerking komen voor aangepast vervoer, dan kunnen ouders daarvan gebruikmaken voor het vervoer van hun kind. Ouders kunnen het kind ook zelf vervoeren, als de gemeente toestemming geeft. Volgt het kind basisonderwijs, dan betalen de ouders de reiskosten soms zelf (zie artikel 6.4.1). 4.
Ouders komen in aanmerking voor aangepast vervoer als: a. het kind met het openbaar vervoer meer dan anderhalf uur onderweg is en de reistijd met aangepast vervoer teruggebracht kan worden tot 50% van de reistijd met het openbaar vervoer. b. openbaar vervoer naar school ontbreekt en het kind niet met de fiets naar school kan (ook niet met begeleiding). c. het kind niet begeleid kan worden door de ouders of anderen, of begeleiding heeft grote nadelen voor het gezin en een andere oplossing is niet mogelijk. d. het kind langdurige beperkingen heeft waardoor hij niet met het openbaar vervoer kan reizen (ook niet met begeleiding). 5. Als een begeleider meerdere kinderen begeleidt, dan vergoedt de gemeente de reiskosten van 1 begeleider. 6. Bestaat de vervoersvoorziening uit een vergoeding voor de reiskosten, dan is de hoogte van die vergoeding afhankelijk van de reisafstand naar de dichtstbijzijnde voor het kind toegankelijke school. De reisafstand wordt bepaald via de kortste veilige route op basis van de routeplanner van de ANWB. 7. Als de ouders recht hebben op andere (gedeeltelijke) vergoedingen voor de reiskosten van het kind, trekt de gemeente deze vergoedingen af van de vergoeding die de gemeente geeft. Bij aangepast vervoer brengt de gemeente dan een bedrag (de eigen bijdrage) bij de ouders in rekening. 8.
De vergoeding van de gemeente voor het gebruik van een eigen vervoermiddel wordt berekend op basis van een kilometervergoeding voor dat vervoermiddel, afgeleid van de laatst bekende Reisregeling binnenland. Als aanspraak zou bestaan op vergoeding op basis van de kosten van het openbaar vervoer dan bekostigt de gemeente een bedrag op basis van de kosten van het openbaar vervoer. 9. Als ouders meerdere kinderen tegelijk met de auto vervoeren, dan verstrekt de gemeente eenmaal de kilometervergoeding voor de auto, afgeleid van de laatst bekende Reisregeling binnenland.
6.4.1 Bijzondere regeling vervoer naar basisonderwijs 1. Is het jaarinkomen van de ouders in het peiljaar hoger dan € 27.000 per jaar, dan trekt de gemeente per kind de kosten voor de eerste 6 kilometer per rit met het openbaar vervoer af van de vergoeding aan de ouders. Het gaat om de kosten voor het gebruik van een OV-chipkaart of een andere OVbetaalmogelijkheid door het kind en een eventuele begeleider. Ook als er geen openbaar vervoer beschikbaar is of als er geen gebruik wordt gemaakt van het openbaar vervoer, trekt de gemeente dit bedrag af van de vergoeding. Bij aangepast vervoer moeten de ouders dit bedrag aan de gemeente betalen (eigen bijdrage). Deze regeling geldt voor kinderen die naar de basisschool of een speciale school voor basisonderwijs gaan. 2. Is de reisafstand naar de dichtstbijzijnde toegankelijke basisschool meer dan 20 kilometer, dan betalen ouders de reiskosten voor een deel zelf of helemaal zelf (eigen bijdrage). Als de gemeente zorgt voor aangepast vervoer, dan betalen de ouders de eigen bijdrage aan de gemeente. Als het kind op een andere manier wordt vervoerd, dan wordt de eigen bijdrage afgetrokken van de vergoeding die de
RAADSBESLUIT 65709-2021
21
ouders van de gemeente krijgen. De hoogte van de eigen bijdrage wordt per gezin per schooljaar berekend en hangt af van het inkomen van de ouders in het peiljaar:
Inkomen in euro’s (schooljaar 20202021) € 0- € 35.500 € 35.500- € 42.000 € 42.000- € 48.500 € 48.500- € 55.000 € 55.000- € 62.500 € 62.500- € 69.000 € 69.000 en verder
Eigen bijdrage in euro’s (schooljaar 2020-2021) Nihil € 150 € 630 € 1.180 € 1.725 € 2.270 Voor elke extra € 5.500: € 560 erbij
3. e geme ente stopt de vervo ersvo orzie ning als ouder
s de eigen bijdrage niet (langer) betalen aan de gemeente. 4. De gemeente past de bedragen van de inkomensgrenzen in het eerste en tweede lid, en van de eigen bijdragen in het tweede lid, jaarlijks aan (indexering). De gemeente volgt daarbij de wijzigingen die de VNG aan de gemeente doorgeeft. 5. Voor ouders van kinderen die vanwege langdurige beperkingen niet zelfstandig met het openbaar vervoer kunnen reizen gelden de regelingen in dit artikel niet. Zij betalen geen eigen bijdrage.
6.5 Ingangsdatum en duur van de vervoersvoorziening Een vervoersvoorziening gaat in op de datum die de ouders aangeven. Deze datum mag niet liggen vóór de datum waarop de gemeente de aanvraag heeft ontvangen. Voor aangepast vervoer geldt dat de vervoersvoorziening zo snel mogelijk na het besluit van de gemeente ingaat.
7. Inkomen en schulden Voor inwoners die te weinig inkomen hebben om de dagelijkse kosten te kunnen betalen heeft de gemeente een financieel vangnet: een maandelijkse bijstandsuitkering. Om deze inwoners en andere inwoners met een laag inkomen extra te ondersteunen heeft de gemeente een aantal aanvullende uitkeringen en toeslagen beschikbaar. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste aanvullingen geregeld. Ook worden er enkele basisregels gegeven voor de hulp die de gemeente kan bieden bij een schuldenprobleem. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, geldt voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarde: Schulden worden snel gesignaleerd, hulp wordt snel ingezet.
7.1 Armoedebeleid [PW, Wgs, Gemeentewet] De gemeente heeft als taak om armoede en schulden tegen te gaan. In deze paragraaf staat waar de gemeente rekening mee houdt bij het uitvoeren van die taak.
7.1.1. Wat wil de gemeente? 1. De gemeente vindt het belangrijk dat inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer hun noodzakelijke bestaanskosten kunnen betalen. De inwoner heeft een financiële buffer, als zijn vermogen hoger is dan de toepasselijke vermogensgrens uit de Participatiewet. Is het vermogen hoger dan die grens, dan kan de inwoner geen financiële ondersteuning van de gemeente krijgen. Voor bijzondere bijstand kan de gemeente andere vermogensgrenzen vaststellen. 2. De gemeente biedt inwoners die moeite hebben om rond te komen of schulden hebben hulp aan. Het doel van die hulp is dat inwoners blijvend een gezonde financiële huishouding krijgen. 3. De gemeente werkt bij het voorkomen en bestrijden van armoede en schulden zoveel mogelijk samen met andere organisaties. De gemeente stimuleert initiatieven van inwoners en vrijwilligersorganisaties om armoede te bestrijden en schulden tegen te gaan.
RAADSBESLUIT 65709-2021
22
D
4. De gemeente zet zich ervoor in, dat inwoners met een inkomen net boven de bijstandsnorm voldoende ondersteund worden. 5. De gemeente zorgt ervoor, dat voorzieningen op een eenvoudige manier opnieuw aangevraagd kunnen worden, als ze voor een bepaalde periode zijn verstrekt.
7.2.
Bijzondere bijstand [PW]
Bijzondere bijstand is een belangrijke voorziening van de gemeente om inwoners financieel te helpen, als zij bepaalde onverwachte kosten niet kunnen betalen. In deze paragraaf staan de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente over bijzondere bijstand.
7.2.1. Vangnet 1. De gemeente biedt bijzondere bijstand actief aan als een financieel vangnet. Bijzondere bijstand is bedoeld voor inwoners met een laag inkomen en zonder financiële buffer, die extra noodzakelijke uitgaven niet kunnen betalen. Dat zijn onverwachte uitgaven die niet uit het maandelijkse inkomen kunnen worden betaald, door bijzondere omstandigheden. 2. Als de gemeente een aanvraag voor bijzondere bijstand beoordeelt, dan betrekt de gemeente de kernwaarden en de doelen van het gemeentelijke armoedebeleid daarbij. 3. De gemeente heeft beleidsregels over bijzondere bijstand. Daarin is geregeld wanneer de inwoner in aanmerking kan komen voor bijzondere bijstand en hoe hoog de bijstand dan is.
7.3
Studietoeslag [PW]
Studenten met een beperking hebben soms extra hulp nodig om een opleiding te volgen. Met een studietoeslag krijgen deze studenten een financiële steun in de rug. Het inkomen wordt dan maandelijks aangevuld. In deze paragraaf geeft de gemeente aan voor welke studenten de studietoeslag is bedoeld. Ook staat hier welk bedrag toegekend kan worden en hoe dat wordt uitbetaald. In wetsvoorstel 35.394 staat een wijziging van de regeling voor de studietoeslag. Zodra dit wetsvoorstel in werking treedt, vervallen de regels uit deze paragraaf. De regeling over de studietoeslag staat dan in artikel 36b van de Participatiewet.
7.3.1 Doelgroep 1. De studietoeslag is bedoeld voor de inwoner die: a. mbo-, hbo-, of universitair onderwijs volgt; en b. een tegemoetkoming in de schoolkosten (op grond van hoofdstuk 4 Wet Tegemoetkoming Onderwijsbijdrage en Schoolkosten) of studiefinanciering van DUO krijgt of kan krijgen; en c. wel kan werken, maar d. door een beperking langdurig niets kan bijverdienen naast zijn studie. 2. De student moet 18 jaar of ouder zijn, en mag geen financiële buffer hebben.
7.3.2 Vaststellen beperking De gemeente onderzoekt of de beperking van de student zo groot is dat hij naast zijn studie langdurig niets kan bijverdienen. De gemeente doet dat aan de hand van gegevens die zij van de student of van andere instanties heeft gekregen. Als die gegevens niet duidelijk genoeg zijn, vraagt de gemeente aan een deskundige om een advies te geven.
7.3.3 Hoogte en duur van toeslag 1. De studietoeslag is € 754 per jaar. 2. Dit bedrag geldt voor 2020 en wordt jaarlijks aangepast. Het bedrag volgt de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het bedrag wordt naar boven afgerond op hele euro’s. 3. Als de student niet meer aan de voorwaarden voldoet, beëindigt de gemeente de studietoeslag.
RAADSBESLUIT 65709-2021
23
7.4
Inkomenstoeslag
[PW] Met de inkomenstoeslag kan het inkomen worden aangevuld. Het is een toeslag die jaarlijks kan worden aangevraagd. In deze paragraaf staat voor welke inwoners de inkomenstoeslag is bedoeld en welke aanvullende voorwaarden er gelden.
7.4.1 Doelgroep De inkomenstoeslag is bedoeld voor een inwoner van 21 jaar of ouder, maar jonger dan de AOW-leeftijd die: a. in een ononderbroken periode van 36 maanden een inkomen heeft gehad dat lager is dan 115% van de bijstandsnorm; b. geen financiële buffer heeft; en c. geen uitzicht heeft op inkomensverbetering.
7.4.2. Hoogte van de toeslag 1. De inkomenstoeslag is per jaar: a. € 532 voor een alleenstaande; b. € 653 voor een alleenstaande ouder; c. € 823 voor gehuwden of samenwonenden. De inkomenstoeslag wordt per jaar in 1 bedrag uitbetaald. 2. Voor gehuwden en samenwonenden geldt het volgende: als 1 van de partners geen recht heeft op inkomenstoeslag, krijgt de ander het bedrag voor een alleenstaande of alleenstaande ouder. Het gaat om situaties, waarbij de partner uitgesloten is van de inkomenstoeslag op grond van artikel 11 en 13, eerste lid, van de Participatiewet. 3. De bedragen uit dit artikel gelden voor 2020 en worden jaarlijks aangepast. Ze volgen de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.
7.5 Kindregeling [PW, Gemeentewet] De gemeente wil kinderen helpen die opgroeien in armoede, zodat ze zich kunnen ontwikkelen en mee kunnen doen aan sociale, culturele en sportieve activiteiten. De gemeente heeft maatregelen genomen om deze kinderen te ondersteunen. Deze maatregelen zijn vastgelegd in beleidsregels. Daarin is geregeld wanneer een inwoner in aanmerking kan komen voor ondersteuning en hoe hoog de ondersteuning dan is.
7.6
Collectieve zorgverzekering [PW]
Voor inwoners met een inkomen tot 110% van de bijstandsnorm, heeft de gemeente een collectieve zorgverzekering afgesloten. De gemeente heeft beleidsregels gemaakt. Daarin staat wanneer en hoe deze inwoners kunnen meedoen aan de collectieve zorgverzekering. Inwoners kunnen zich aanmelden via www.gezondverzekerd.nl.
7.7 Schuldhulpverlening [Wgs] De gemeente heeft de taak om inwoners met schuldproblemen te helpen. Inwoners kunnen daarom de gemeente om hulp vragen. De gemeente helpt bij het vinden van een oplossing voor hun schulden. Hieronder staan de belangrijkste uitgangspunten van de gemeente voor het geven van hulp.
7.7.1
Samenwerking en toegang
1. De gemeente werkt samen met andere organisaties om te voorkomen dat inwoners hoge schulden krijgen en legt dit vast in een beleidsplan.
RAADSBESLUIT 65709-2021
24
2. De gemeente zorgt ervoor dat inwoners op een eenvoudige manier om hulp kunnen vragen. 3. De gemeente informeert inwoners over de hulp die zij kan aanbieden en zorgt dat die hulp echt beschikbaar is. 4. De gemeente sluit geen enkele inwoner bij voorbaat uit van hulp. Een uitzondering op deze regel is de inwoner die niet rechtmatig in Nederland verblijft. 5. De gemeente benadert inwoners actief, zodra andere organisaties schulden van deze inwoners melden bij de gemeente.
7.7.2
Schuldhulpverlening
De gemeente zorgt ervoor dat een inwoner die hulp kan krijgen bij het oplossen van schulden, die hulp zo snel mogelijk krijgt.
7.7.3
Besluit
De gemeente informeert de inwoner die hulp kan krijgen over de manier waarop de hulp wordt gegeven.
8. De vorm van de hulp Als de gemeente hulp geeft aan de inwoner, moet de gemeente ook bepalen in welke vorm die hulp dan wordt gegeven. De hulp van de gemeente is in principe hulp ‘in natura’: de gemeente zorgt ervoor dat er hulp wordt ingezet. Dat kan een dienst of een product zijn. Soms geeft de gemeente de hulp in de vorm van geld of als een persoonsgebonden budget (pgb). Gaat het om Wmo-hulp of jeugdhulp, dan kan de inwoner ook kiezen voor een pgb, als aan de voorwaarden is voldaan. Dit hoofdstuk regelt in welke vorm de hulp wordt ingezet en welke regels daarbij horen. Ook is geregeld wanneer de gemeente een financiële bijdrage aan de inwoner kan vragen op grond van de Wmo. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, geldt voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarde: De gemeente biedt passende hulp die zo snel mogelijk wordt ingezet.
8.1
Een product of een dienst [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet]
1. Een inwoner die hulp van de gemeente ontvangt, krijgt die hulp in natura (een dienst of een product), tenzij in de wet of in deze verordening iets anders is geregeld. Gaat het om een product, dan wordt dit in bruikleen, huur of eigendom verstrekt. 2. De gemeente zet zich ervoor in dat de aanbieder van een dienst of een product: a. de wettelijke regels over garantie naleeft, en b. de inwoner informeert over alles wat belangrijk is om te weten over de dienst of het product. In hoofdstuk 12 is daarover meer geregeld.
8.2
Financiële hulp [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Llv, Awb]
1. Een inwoner die hulp van de gemeente ontvangt, krijgt die hulp alleen in de vorm van geld, als dat in de wet of in deze verordening zo is geregeld. Hulp in de vorm van geld hoeft niet terugbetaald te worden, tenzij in de wet of in de gemeentelijke regels iets anders is bepaald. 2. De gemeente betaalt de inwoner binnen 6 weken nadat een betalingsbesluit is genomen. Dat is de wettelijk vastgestelde termijn. De gemeente kan een andere termijn vaststellen, als er niet binnen 6 weken betaald kan worden. 3. De betaling wordt gedaan op het bankrekeningnummer dat de inwoner heeft doorgegeven. De gemeente kan het bedrag op een andere manier, in een andere vorm of aan een andere persoon betalen. De gemeente kan dat doen als het doel van de betaling alleen op die manier kan worden bereikt. Het kan bijvoorbeeld gaan om een betaling aan een aanbieder of een schuldeiser van de inwoner. 4. De gemeente kan het geld verrekenen met een vordering op de inwoner als dit volgens de wettelijke regels mogelijk is. Het moet gaan om een vordering op grond van een van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.
RAADSBESLUIT 65709-2021
25
5. De gemeente kan een betalingsbesluit nemen, zonder de inwoner daar met een brief over te informeren. De gemeente stelt de inwoner dan wel op een andere geschikte manier op de hoogte van het betalingsbesluit.
8.3
Persoonsgebonden budget (pgb) [Jeugdwet, Wmo]
8.3.1
Voorwaarden – algemeen
1. Een inwoner kan kiezen voor een pgb, als de inwoner in aanmerking komt voor hulp-op-maat op grond van de Wmo of Jeugdwet. De gemeente moet er wel van overtuigd zijn, dat de inwoner voldoet aan de volgende voorwaarden: a. De inwoner kan het pgb beheren. Dit houdt in dat hij de taken die bij het pgb horen op een verantwoorde manier kan uitvoeren, eventueel met hulp van iemand uit het sociale netwerk, of met iemand die hem vertegenwoordigt. Ook kan hij voldoende voor zijn eigen belangen opkomen. b. De inwoner maakt de gemeente duidelijk waarom hij een pgb wil ontvangen. Gaat het om jeugdhulp, dan moet de inwoner motiveren waarom hulp-op-maat door een aanbieder van de gemeente, niet passend is. c. De hulp die de inwoner met het pgb wil betalen, is van goede kwaliteit. De hulp moet veilig en doeltreffend zijn en op de inwoner gericht. Dit moet duidelijk worden in het pgb-plan van de inwoner. 2. De gemeente kan een pgb in elk geval weigeren in de volgende situaties: a. De inwoner kan het pgb niet zelf beheren en wil het pgb laten beheren door de hulpverlener. b. De gemeente heeft eerder hulp-op-maat of een pgb toegekend, en dit besluit is herzien of ingetrokken. c. De inwoner vraagt een pgb voor kosten die zijn gemaakt, voordat de aanvraag is gedaan. d. De kosten van een pgb zijn voor de gemeente hoger dan de kostprijs voor hulp-op-maat in natura.
Het pgb kan dan geweigerd worden voor zover de kosten hoger zijn. 3. Het pgb is bedoeld voor hulp, maar kan niet aan alle kosten die daarmee te maken hebben worden besteed. Het pgb kan niet besteed worden aan: a. kosten voor bemiddeling, tussenpersonen of belangenbehartigers; b. het voeren van een pgb-administratie; c. ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb-administratie; en d. kosten voor een feestdagenuitkering aan de hulpverlener(s).
8.3.2
Professionele en niet-professionele hulp
1. Bij het vaststellen van de hoogte van het pgb wordt verschil gemaakt tussen professionele en nietprofessionele hulp. 2. Van professionele hulp is sprake als de hulp verleend wordt door: a. iemand die in dienst is van een instelling die bedrijfsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Deze persoon moet bovendien de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven; of b. iemand die als zelfstandige zonder personeel beroepsmatig de hulp verleent en ingeschreven staat in het Handelsregister (artikel 5 Handelsregisterwet 2007). Deze persoon moet bovendien de diploma’s hebben die nodig zijn om de hulp te kunnen geven. 3. Van niet-professionele hulp is sprake als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan. Deze persoon: a. is iemand, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoet aan de voorwaarden van lid 2; b. heeft gemotiveerd aangegeven dat de hulp niet tot overbelasting leidt en dat hij kwalitatief goede hulp kan bieden; en c. kan op verzoek van de gemeente, een ‘verklaring omtrent gedrag natuurlijk personen’ (VOG), specifiek screeningsprofiel 45, ‘Gezondheidszorg en welzijn van mens en dier’ overleggen. De verklaring mag niet ouder zijn dan 3 maanden voor de datum van de aanvraag. 4. Hulp door een familielid in de eerste of tweede graad wordt altijd als niet-professionele hulp gezien.
8.3.3
Hoogte en tarief pgb
1. De inwoner maakt een plan voor de besteding van het pgb. Dit is het pgb-plan. Hierin staat welke hulp de inwoner met het pgb wil betalen en door wie de hulp wordt gegeven. De inwoner geeft in het pgbplan ook aan, hoe hoog de kosten zijn (kostprijs), tenzij dit niet nodig is. De gemeente moet het plan
RAADSBESLUIT 65709-2021
26
2.
3.
4. 5.
6.
goedkeuren en stelt daarna het pgb vast. De gemeente keurt het plan goed, als de inwoner voldaan heeft aan de voorwaarden uit artikel 8.3.1 en 8.3.2. De gemeente baseert de hoogte van het pgb op de offerte van de aanbieder uit het goedgekeurde pgb-plan of op de tarieven die de gemeente heeft vastgesteld. De gemeente kan meerdere offertes vragen. Dan wordt het pgb gebaseerd op de offerte met de laagste kostprijs. Met deze kostprijs moet de inwoner veilige, doeltreffende en kwalitatief goede hulp kunnen inkopen. De kostprijs mag niet hoger zijn dan wat gebruikelijk is voor die dienst of dat product. De hoogte van het pgb is gelijk aan de hoogte van de offerte. Er geldt wel een maximumbedrag. Dat is het laagste bedrag dat de gemeente zelf zou betalen voor de hulp die nodig is (kostprijs hulp in natura). Wanneer de offerte hoger is dan dit maximumbedrag, vergoedt de gemeente de meerprijs niet. Gaat het om een product, dan houdt de gemeente bij de hoogte van het pgb rekening met de levensduur van het product en met de kosten voor onderhoud en verzekeringen. De hoogte van het pgb voor niet-professionele hulp is gelijk aan het wettelijk minimumloon per uur, inclusief vakantiebijslag, vakantie-uren en sociale lasten voor een persoon van 22 jaar of ouder bij een 36-urige werkweek.
De hoogte van het pgb voor professionele hulp is gebaseerd op het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura (berekend met behulp van het tariefmodel sociaal domein Achterhoek). Het tariefverschil tussen ondersteuning in natura en pgb is het overheadpercentage. Bij ondersteuning in natura is een overheadpercentage van 25% opgenomen en in het pgb tarief is een overheadpercentage van 15% opgenomen.
8.3.4
Verantwoording pgb
De gemeente kan de inwoner vragen om duidelijk te maken hoe het pgb is besteed en welke resultaten de hulp voor de inwoner heeft gehad. De inwoner is verplicht die informatie te geven. De gemeente kan daarvoor een formulier vaststellen.
8.3.5
Opschorten pgb
1. De gemeente kan aan de Sociale Verzekeringsbank (SVB) vragen om de betaling uit het pgb helemaal of gedeeltelijk uit te stellen totdat een besluit is genomen om het pgb weer voort te zetten of in te trekken. Dit kan de gemeente doen als zij een sterk vermoeden heeft dat: a. de inwoner onjuiste of onvolledige informatie heeft verstrekt, terwijl het verstrekken van de juiste of volledige informatie zou hebben geleid tot een andere beslissing van de gemeente; b. de inwoner niet voldoet aan de voorwaarden die hoorden bij het ontvangen van het pgb; of als c. de inwoner het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt.
8.4
Bijdrage in de kosten [Wmo]
1. De inwoner betaalt een bijdrage in de kosten voor Wmo-hulp-op-maat, zolang de inwoner gebruik maakt van die hulp of voor de periode waarvoor een pgb is verstrekt. Gaat het om een product, dan betaalt de inwoner een bijdrage totdat de kostprijs is betaald. De inwoner betaalt de bijdrage per maand aan het CAK. De hoogte van deze periodieke bijdrage is gelijk aan het bedrag dat maximaal betaald moet worden op grond van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. 2. De inwoner die gebruik maakt van het collectief taxivervoer met korting betaalt aan de gemeente een eigen bijdrage van € 50 per jaar. 3. De kostprijs van een product of dienst wordt als volgt bepaald: a. Voor hulp-op-maat in natura of voor een algemene voorziening uit deze verordening: door een aanbesteding, na het raadplegen van aanbieders, na overleg met de aanbieder of door de aanbieder zelf; b. Voor een hulpmiddel of woningaanpassing, is voor de kostprijs ook van belang of de inwoner dit product krijgt in bruikleen, huur of eigendom. De kostprijs is inclusief de kosten van verzekeringen, beheer en onderhoud; c. Voor hulp-op-maat in de vorm van een pgb is de kostprijs gelijk aan de hoogte van het pgb. 4. Gaat het om de kosten van een woningaanpassing voor een minderjarige inwoner, dan betalen de onderhoudsplichtige ouders de bijdrage. Die verplichting geldt ook voor: a.
de ouder tegen wie een vaderschapsactie is ingesteld en de rechter dit verzoek heeft toegewezen (artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek); en voor b. degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over een minderjarige inwoner, maar die niet zelf een ouder is. 5. De gemeente vraagt geen bijdrage voor:
RAADSBESLUIT 65709-2021
27
a. hulp-op-maat aan inwoners die gehuwd zijn of een gezamenlijke huishouding voeren en waarvan 1 van de partners de AOW-leeftijd nog niet heeft; b. een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik en het onderhoud daarvan; c. ondersteuning bij verhuizing en herinrichting van de nieuwe woning.
9. Afspraken tussen inwoners en gemeente Dit hoofdstuk gaat over de manier waarop de gemeente en de inwoner met elkaar omgaan. Het gaat over de manier waarop de gemeente zich moet gedragen en wat er van de inwoner wordt verwacht. Als de inwoner rechten heeft, dan staan daar vaak plichten tegenover. Houdt de inwoner daar onvoldoende rekening mee, dan kan de gemeente de uitkering of voorziening beëindigen, terugvorderen of verlagen. Hieronder staan de hoofdregels die daarvoor gelden. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De gemeente ziet de inwoner als volwaardige partner. De gemeente en inwoner geven elkaar de informatie die nodig is.
9.1
Hoe gaan we met elkaar om? [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet, Awb]
9.1.1
De rol van de gemeente
1. De gemeente zoekt samen met de inwoner naar een oplossing voor zijn probleem. Gemeente en inwoner gaan daarbij op een respectvolle manier met elkaar om. De gemeente zorgt voor het volgende: a. Voor de inwoner is het duidelijk wie er namens de gemeente contact met hem onderhoudt. De gemeente houdt het aantal contactpersonen zo beperkt mogelijk. b. De inwoner heeft, om zijn probleem te bespreken, altijd recht op een gesprek met een medewerker. Dat gesprek kan op het gemeentehuis, thuis bij de inwoner of op een andere plaats zijn. c. De gemeente helpt de inwoner om zijn probleem bij een andere organisatie te bespreken, als het bieden van hulp bij dit probleem een taak is voor die organisatie. d. De kwaliteit van de website(s) van de gemeente is geborgd. e. De gemeente zorgt voor aanvraagformulieren die goed leesbaar en begrijpelijk zijn. De gemeente vraagt niet meer gegevens dan nodig is voor het beoordelen van de hulpvraag. Het is voor de inwoner duidelijk waar aanvraagformulieren verkrijgbaar zijn. f. De gemeente informeert de inwoner over procedures die worden gevolgd. De gemeente zorgt ervoor dat deze procedures zo eenvoudig mogelijk zijn. g. De gemeente respecteert de privacy van de inwoner. De gemeente maakt binnen de wettelijke mogelijkheden gebruik van gegevens die al binnen de gemeente aanwezig zijn.
De gemeente vraagt alleen gegevens die nodig zijn voor het beoordelen van de hulpvraag. h. De gemeente wijst de inwoner op onafhankelijke cliëntondersteuning. 2. De gemeente reageert op een professionele manier op ontoelaatbaar gedrag van de inwoner. De gemeente zorgt voor het volgende: a. De inwoner wordt op tijd geïnformeerd over: • zijn rechten en plichten; • wat er van hem wordt verwacht; • welk gedrag niet deugt; • wat de reactie van de gemeente is op gedrag dat niet deugt; en • waarom de gemeente tegen het gedrag optreedt. De gemeente zorgt ervoor dat de inwoner voldoende geïnformeerd blijft over deze punten. b. De gemeente geeft de inwoner de kans om zijn mening te geven vóórdat de gemeente beslist om op het gedrag van de inwoner te reageren door een maatregel te nemen. c. De reactie van de gemeente op ontoelaatbaar gedrag past bij: • de ernst van het gedrag; • de mate waarin dat de inwoner verweten kan worden; en bij • de persoonlijke situatie van de inwoner. d. De gemeente stuurt de inwoner een brief met daarin duidelijk vermeld wat de gemeente gaat doen als reactie op het gedrag, wat dit precies betekent voor de inwoner en wat de inwoner
RAADSBESLUIT 65709-2021
28
daartegen kan doen. De gemeente maakt de inwoner ook duidelijk op welke manier hij het gedrag kan aanpassen, zodat de relatie hersteld wordt en de gemeente eventueel de dienstverlening zal voortzetten (als die is stopgezet). e. Gaat het om de kosten
9.1.2
De rol van de inwoner
1. De inwoner is in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor het oplossen van zijn probleem. De gemeente vult de mogelijkheden van de inwoner en zijn sociale netwerk aan als dat nodig is. De inwoner zorgt voor het volgende: a. De inwoner gaat eerst na welke mogelijkheden hij zelf heeft om zijn probleem op te lossen. b. Als de gemeente hulp verleent werkt de inwoner mee aan de oplossing van zijn probleem. De inwoner doet wat nodig is om de hulp van de gemeente tot een minimum te beperken. c. De inwoner zorgt ervoor dat de hulp van de gemeente niet langer duurt dan nodig is. 2. De inwoner werkt mee zodat snel duidelijk is op welke manier zijn probleem zo snel mogelijk kan worden opgelost. Dat betekent het volgende: a. De inwoner informeert de gemeente zo snel en zo volledig mogelijk over alles wat van belang is voor het beoordelen van de hulpvraag, de persoonlijke situatie en de rechten en plichten van de inwoner. Dit geldt ook als de hulp al is toegekend. b. De inwoner houdt zich aan termijnen die de gemeente heeft gesteld. De gemeente geeft duidelijk aan hoeveel tijd de inwoner krijgt om alle informatie aan te leveren. c. De inwoner brengt de gemeente zo snel mogelijk op de hoogte van veranderingen in zijn situatie, als die van belang kunnen zijn voor de gemeente.
9.2 Het verlagen van een uitkering 9.2.1 Wanneer wordt de uitkering verlaagd? [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De gemeente verlaagt een uitkering als dat volgens de regels van de wet en deze verordening past bij de houding of het gedrag van de inwoner. 2. Als de gemeente besluit om de uitkering te verlagen, houdt de gemeente rekening met: a. de ernst van het gedrag; b. de mate waarin de inwoner het gedrag verweten kan worden; en c. de persoonlijke situatie van de inwoner. 3. Voordat een uitkering wordt verlaagd, geeft de gemeente de inwoner de kans om zijn mening te geven. De inwoner kan dat doen met een brief.
9.2.2
Geen verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente verlaagt de uitkering niet als: a. het gedrag de inwoner niet te verwijten is; b. er meer dan 1 jaar ligt tussen het gedrag van de inwoner en het moment waarop de gemeente dat gedrag heeft vastgesteld; c. de gemeente daarvoor dringende redenen ziet.
9.2.3
Het besluit om de uitkering te verlagen
De gemeente stuurt de inwoner een brief, als de uitkering wordt verlaagd. In die brief staat in ieder geval: a. waarom de uitkering wordt verlaagd; b. hoe groot de verlaging is; c. wanneer de verlaging ingaat; d. hoe lang de verlaging duurt; en e. waarom de gemeente afwijkt van de hoofdregels, als dat het geval is.
9.2.4 Ingangsdatum en periode verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
RAADSBESLUIT 65709-2021
29
De verlaging gaat in op de eerste dag van de kalendermaand die op het besluit volgt. De verlaging duurt 1 of meer maanden. Als de uitkering tijdens die periode wordt beëindigd, dan kan de verlaging niet volledig worden uitgevoerd. De gemeente legt dan het overgebleven deel van de verlaging alsnog op, als de inwoner binnen 12 maanden na de beëindiging opnieuw een uitkering gaat ontvangen.
9.2.5
Berekening verlaging [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1. De uitkering wordt verlaagd met een percentage van de uitkeringsnorm. De uitkeringsnorm is de uitkering die de inwoner in zijn situatie maximaal kan krijgen. Krijgt de inwoner bijstand, dan gaat het om de bijstandsnorm. Krijgt de inwoner een IOAW- of IOAZ-uitkering, dan is het de grondslag uit de IOAW of IOAZ. Hieronder staat met welk percentage de uitkeringsnorm verlaagd wordt. 2. De verlaging wordt berekend over de uitkeringsnorm die geldt in de maand(en), waarin de verlaging wordt toegepast.
9.2.6
Niet nakomen wettelijke (geüniformeerde) arbeidsverplichtingen [PW, Awb]
1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering met een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner een verplichting uit artikel 18, vierde lid, aanhef en onderdeel a, b, c, d, e, f, g of h van de Participatiewet, niet nakomt. Het gaat om bijzondere verplichtingen in verband met werk. De verlaging kan over 2 maanden worden uitgesmeerd. Dit doet de gemeente alleen als dit past bij bijzondere omstandigheden van de inwoner. De bijstandsuitkering wordt dan 2 maanden achter elkaar met 50% van de uitkeringsnorm verlaagd. 2. Vervallen 3. Vervallen
9.2.7
Niet nakomen andere verplichtingen in verband met werk en tegenprestatie [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm, als de inwoner: a. jonger is dan 27 jaar en niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van • een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a Participatiewet, of. • een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd; b. niet of niet voldoende meewerkt aan het afleggen van een taaltoets uit artikel 18b van de Participatiewet; c. niet of niet voldoende een opgedragen tegenprestatie uitvoert; of d. alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken; e. de in artikel 56a, tweede lid, van de Participatiewet neergelegde verplichting om gedurende een periode van zes maanden, gerekend vanaf de dag waarop het recht op bijstand ontstaat, mee te werken aan het door de gemeente in naam van de inwoner verrichten van betalingen uit de toegekende bijstand van huur, gas, water en stroom en de verplichte zorgverzekering niet nakomt. 2. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner niet voldoende probeert werk te vinden. 3. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 50% van de uitkeringsnorm als de inwoner: a.
niet of niet voldoende gebruikmaakt van een aangeboden voorziening. Dit gedrag heeft er niet toe geleid dat de voorziening niet doorging of te vroeg moest worden beëindigd; b. niet of niet voldoende meewerkt aan een onderzoek naar de mogelijkheden om te werken; c. niet of niet voldoende meewerkt aan het opstellen, uitvoeren of evalueren van een werkplan waarin de stappen richting werk worden vastgelegd; d. door zijn houding of gedrag moeilijker aan het werk komt; e. niet of niet voldoende een door de gemeente opgedragen tegenprestatie uitvoert; of
RAADSBESLUIT 65709-2021
30
f.
alleenstaande ouder is en niet wil meewerken aan activiteiten om dichter bij werk te komen. De gemeente heeft daarom de ontheffing van de arbeidsplicht uit artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet, ingetrokken. 4. De gemeente verlaagt de IOAW- of IOAZ-uitkering een maand met 100% van de uitkeringsnorm, als de inwoner: a. niet voldoende probeert werk te vinden; b. aangeboden werk niet accepteert; c. door eigen schuld ontslagen wordt of ontslag neemt; of d. niet of niet voldoende gebruikmaakt van een door de gemeente aangeboden voorziening, en dit gedrag er toe geleid heeft dat de voorziening niet doorging of te vroeg is beëindigd. 5. De gemeente kan besluiten de uitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner zich niet aan de verplichtingen van dit artikel houdt.
9.2.8
Te weinig besef van verantwoordelijkheid [PW, Awb]
1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering van een inwoner die zich te weinig beseft dat hij zelf verantwoordelijk is voor zijn eigen levensonderhoud. Door dat gedrag heeft de inwoner meer of langer uitkering nodig dan als de inwoner zich verantwoordelijk had gedragen. De gemeente is daardoor benadeeld. De verlaging hangt af van het bedrag dat de gemeente meer heeft uitbetaald dan nodig was (benadelingsbedrag). 2. De verlaging duurt een maand en is: a. 10% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag tot € 1.000; b. 20% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 1.000 tot € 2.000; c. 40% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 2.000 tot € 4.000; d. 100% van de uitkeringsnorm, bij een benadelingsbedrag vanaf € 4.000; e. 20% van de uitkeringsnorm, als het benadelingsbedrag niet kan worden vastgesteld.
9.2.9
Ontoelaatbaar gedrag (zeer ernstige misdragingen) [PW, IOAW, IOAZ, Awb]
De gemeente verlaagt de uitkering van een inwoner die zich ontoelaatbaar gedraagt tegenover personen en instanties die de Participatiewet, de IOAW en IOAZ uitvoeren. De uitkering wordt een maand verlaagd met 50% van de uitkeringsnorm.
9.2.10 Niet nakomen van andere verplichtingen [PW, Awb] 1. De gemeente verlaagt de bijstandsuitkering een maand, als de inwoner een opgelegde verplichting uit artikel 55 of 57 van de Participatiewet niet of niet voldoende nakomt. Het moet gaat om een verplichting die hieronder wordt genoemd. De verlaging is: a. 20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om verplichtingen die gericht zijn op het krijgen van werk; b. 20% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting in verband met bijstand die in een bepaalde vorm (bijvoorbeeld in natura) of voor een specifiek doel wordt verstrekt; c. 50% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op vermindering van de bijstand; d. 100% van de uitkeringsnorm, als het gaat om een verplichting die is gericht op beëindiging van de bijstand. 2. De gemeente kan besluiten de bijstandsuitkering niet te verlagen, als het de eerste keer is dat de inwoner de verplichting uit het eerste lid, onder a, niet nakomt.
9.2.11 Samenloop van gedragingen [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. Gedrag waardoor de inwoner meerdere verplichtingen als bedoeld in deze paragraaf niet nakomt, leidt tot 1 verlaging. De uitkering wordt dan verlaagd met het hoogste percentage dat voor het niet nakomen van 1 van de verplichtingen geldt.
RAADSBESLUIT 65709-2021
31
2. Als sprake is van meerdere gedragingen die ertoe leiden dat meerdere verplichtingen uit deze paragraaf niet worden nagekomen, wordt voor iedere gedraging een afzonderlijke verlaging opgelegd. Deze verlagingen worden gelijktijdig opgelegd. De gemeente stelt de verlaging naar beneden bij, als de gedragingen nauw met elkaar samenhangen en de totale verlaging niet meer in verhouding staat tot de ernst van de gedragingen. 3. Vervallen.
9.2.12 Herhaling (recidive) [PW, IOAW, IOAZ, Awb] 1. De duur van de verlaging wordt verdubbeld als de inwoner zich binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit opnieuw zo gedraagt dat de uitkering wordt verlaagd. De duur wordt ook verdubbeld als de gemeente eerder alleen een waarschuwing heeft gegeven. Het moet dan gaan om een gedraging die kan leiden tot eenzelfde of grotere verlaging dan bij de eerdere gedraging. 2. Een herhaalde verlaging op grond van artikel 9.2.6 kan maximaal 3 maanden duren. 3. Het bedrag van de verlaging wordt verdubbeld, als de uitkering van de inwoner is verlaagd vanwege ontoelaatbaar gedrag en de inwoner binnen 12 maanden na het verlagingsbesluit zich opnieuw ontoelaatbaar gedraagt.
9.3 Terugvorderen uitkering [PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente vordert gemeentelijke uitkeringen terug in de gevallen die in de wet zijn beschreven. De gemeente doet dat volgens de regels van de wet en de gemeentelijke regels. De gemeente vordert niet terug als terugvordering onaanvaardbare gevolgen heeft voor de inwoner. 2. Bij de incasso zorgt de gemeente ervoor dat inwoners een inkomen blijven houden dat past bij hun persoonlijke situatie. Dit inkomen is in ieder geval gelijk aan de beslagvrije voet.
9.4
Beëindigen en terugvorderen voorziening
9.4.1
Beëindiging voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet]
1. De gemeente kan een voorziening geheel of gedeeltelijk beëindigen als dat in de wet of in deze verordening is aangegeven. De voorziening kan in ieder geval worden beëindigd, vanaf het moment dat: a. de voorziening niet langer passend of nodig is; b. de inwoner zich niet houdt aan voorwaarden en verplichtingen die aan de voorziening zijn verbonden; c. de gemeente niet langer kan beoordelen of de inwoner in aanmerking komt voor de voorziening, omdat de inwoner onvoldoende of onjuiste informatie geeft, of onvoldoende meewerkt aan een onderzoek naar het recht op de voorziening; d. de voorziening is verstrekt op grond van onjuiste of onvolledige gegevens van de inwoner; e. de voorziening voor een ander doel wordt gebruikt dan bedoeld; of f. de gemeentelijke beleidsregels of nadere regels worden gewijzigd en de inwoner daarom niet meer in aanmerking komt voor een voorziening. De gemeente houdt wel rekening met een redelijke overgangsperiode. 2. De voorziening kan met terugwerkende kracht worden beëindigd (ingetrokken). De gemeente trekt dan het toekenningsbesluit in. 3. De gemeente kan een besluit om een pgb toe te kennen intrekken, als de inwoner het pgb niet binnen 6 maanden na toekenning heeft gebruikt om de voorziening te betalen waarvoor het pgb is bestemd, tenzij: a. de gemeente een langere termijn heeft bepaald; of b.
de inwoner niet te verwijten is dat hij het pgb niet binnen die termijn heeft gebruikt.
9.4.2
Terugvordering en verrekening voorziening [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Wgs, Llv, Gemeentewet]
RAADSBESLUIT 65709-2021
32
1. De gemeente kan de voorziening, of de waarde daarvan, van de inwoner terugvorderen. Dat kan de gemeente doen vanaf het moment waarop is voldaan aan 1 van de intrekkingsgronden die genoemd worden in artikel 9.4.1. 2. De gemeente kan een vordering op de inwoner op grond van dit artikel, verrekenen met een vordering die de inwoner op de gemeente krijgt op grond van 1 van de wetten waarop deze verordening is gebaseerd.
9.5 Hoe controleert de gemeente of de afspraken worden nagekomen? 9.5.1
Controle [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ]
1. De gemeente controleert regelmatig of de inwoner die een uitkering of voorziening van de gemeente ontvangt recht heeft op een uitkering of voorziening. De gemeente kan daarvoor gebruik maken van: a. huisbezoeken: medewerkers van de gemeente gaan langs bij de inwoner en kijken in en om de woning. De gemeente kan een huisbezoek aankondigen, maar dat hoeft niet. Het huisbezoek vindt alleen plaats met toestemming van, en samen met de inwoner; b. waarnemingen: medewerkers van de gemeente verzamelen gegevens over de inwoner zonder dat de inwoner hierover vooraf is geïnformeerd. Dat verzamelen gebeurt bijvoorbeeld door buurtonderzoek; c. bestandsvergelijkingen: de gemeente vergelijkt de gegevens van de inwoner met de gegevens die bekend zijn over deze inwoner bij andere organisaties, zoals bij UWV, de Belastingdienst en andere gemeenten; d. signalen en tips van organisaties of particulieren; e. andere onderzoeksmethoden. 2. Het controleren van voorzieningen is ook bedoeld om de kwaliteit van de voorziening te beoordelen en om te kijken of de voorziening op de juiste manier wordt gebruikt. 3. De gemeente leeft de regels na die horen bij het onderzoek naar rechtmatig gebruik van voorzieningen en uitkeringen. 4. Bij beëindiging van de uitkering of voorziening op verzoek van de inwoner informeert de gemeente wat de reden is van de beëindiging.
De gemeente gaat ook na of de uitkering of voorziening tot de einddatum terecht is verstrekt.
9.5.2 Voorkomen van fraude [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] De gemeente stelt alles in het werk om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert de gemeente inwoners op een duidelijke en volledige manier over de rechten en plichten. Ook informeert de gemeente inwoners over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van uitkeringen en voorzieningen.
9.5.3 Privacy bij controle op fraude [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ] 1. De gemeente werkt met een protocol voor het afleggen van een huisbezoek bij een inwoner die een uitkering ontvangt. Dit protocol moet ervoor zorgen dat er geen ongeoorloofde inbreuk is op het privé leven van inwoners plaatsvindt. De inwoner kan dit protocol inzien bij de gemeente. 2. Bij het uitvoeren van onderzoek zorgt de gemeente ervoor dat inbreuk op persoonlijkheidsrechten, zoals op de bescherming van het privé - leven, niet verder gaat dan wat noodzakelijk, passend en wettelijk toegestaan is. De gemeente kiest de onderzoeks vorm die voor de inwoner het minst belastend is.
9.5.4
Toezichthouders [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Awb]
RAADSBESLUIT 65709-2021
33
De gemeente kan een of meer ambtenaren aanwijzen die de taak hebben erop toe te zien dat de wetten en de bijbehorende regels worden nageleefd. Voor Wmo-hulp geldt dat de gemeente verplicht is toezichthouders aan te wijzen.
10.
Inwonerparticipatie
Het beleid dat de gemeente maakt en uitvoert is bedoeld voor de inwoners. Met de ervaringen van de inwoners kan de gemeente haar beleid als het nodig is aanpassen en verbeteren. In dit hoofdstuk is vastgelegd hoe inwoners hun invloed kunnen uitoefenen. Ook is geregeld dat er adviesraden zijn en is de taak van deze raden beschreven. Ten slotte is hier ook geregeld op welke manier inwoners met leveranciers, zoals zorgaanbieders, kunnen overleggen over diensten en producten die bedoeld zijn voor inwoners met een beperking. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, geldt voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarde: De gemeente ziet de inwoner als volwaardige partner.
10.1 Inspraak van inwoners [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet] 1. De gemeente kiest ervoor om inwoners inspraak te geven in de onderwerpen die in deze verordening worden geregeld. De regels van de Inspraakverordening gemeente Groenlo 2005 zijn daarop van toepassing, maar worden aangevuld met de regels in dit hoofdstuk. Inwoners kunnen inspraak hebben bij: a. plannen voor beleid en regels; b. de manier waarop de gemeente beleid en regels uitvoert; c. de manier waarop medewerkers van de gemeente omgaan met inwoners (bejegening); d. de manier waarop aanbieders van hulp hun taken uitvoeren. 2. Inspraak houdt ook in het doen van voorstellen voor ander beleid, andere regels of een andere uitvoering. 3. De gemeente kan inwoners op verschillende manieren inspraak geven: a. via de cliëntenraad Participatiewet; b. via de Sociale-raad; c. door inwoners te raadplegen, bijvoorbeeld met enquêtes en bijeenkomsten; d. door samen met inwoners een plan te ontwerpen; of e. op andere geschikte manieren. 4. De gemeente kiest die vorm van inspraak die past bij het onderwerp en bij de groep waar het om gaat.
10.2
Hulp van de gemeente bij inspraak [Jeugdwet, Wmo, PW, IOAW, IOAZ, Gemeentewet]
De gemeente zorgt voor goede inspraak en doet dat op de volgende manier: a. De inwoners krijgen voldoende tijd om invloed te kunnen hebben op plannen van de gemeente over beleid, regels of de uitvoering daarvan. b. De inwoners worden deskundig ondersteund, zodat de inspraak volwaardig is. c. De inwoners kunnen een inbreng hebben in het overleg met de gemeente over kernwaarden, beleid, regels en de uitvoering daarvan. d. De inwoners krijgen op tijd voldoende informatie om goede inbreng te kunnen geven.
10.3
Cliëntenraad Participatiewet [PW, IOAW, IOAZ,]
De gemeente zet zich ervoor in dat er een cliëntenraad Participatiewet is die betrokken wordt bij de uitvoering van de Participatiewet, de IOAW en de IOAZ. De cliëntenraad vormt een afspiegeling van de inwoners die Fijnder ondersteunt. Het doel van de cliëntenraad is het geven van advies over het beleid van de gemeente bij de uitvoering van de genoemde wetten.
10.3.1 Samenstelling en werkwijze RAADSBESLUIT 65709-2021
34
1. De cliëntenraad bestaat uit minimaal 5 en maximaal 11 personen. 2. De cliëntenraad komt minimaal 4 keer per jaar bij elkaar. 3. De leden worden benoemd door het dagelijks bestuur voor 4 jaar. Leden kunnen maximaal 2 keer worden herbenoemd. Er is een onafhankelijk voorzitter. 4. Inwoners kunnen een vergadering van de cliëntenraad bijwonen, behalve als er een zwaarwegend belang is om dit niet te doen. Inwoners kunnen bij de cliëntenraad onderwerpen voor de agenda aanmelden. De cliëntenraad informeert inwoners waar en wanneer de vergaderingen zijn en hoe onderwerpen aangemeld kunnen worden. 5. De gemeente zorgt voor goede ondersteuning van de cliëntenraad, bijvoorbeeld door a. de inzet van een medewerker van Fijnder als secretaris. De secretaris zorgt voor de administratieve en organisatorische ondersteuning van de cliëntenraad; b. geschikte vergaderruimte; c. voldoende informatie over plannen voor nieuw beleid; d. voldoende tijd om advies over nieuw beleid te kunnen geven. De gemeente zorgt ervoor dat een plan voor nieuw beleid bij de cliëntenraad ligt, uiterlijk 6 weken voordat het dagelijks bestuur van Fijnder een besluit wil nemen of een advies daarover wil geven aan de gemeenteraad of het algemeen Bestuur van Fijnder; e. medewerkers van de gemeenten of Fijnder een toelichting te laten geven over plannen voor nieuw beleid.
10.3.2 Taken en bevoegdheden 1. De cliëntenraad geeft, gevraagd of ongevraagd, advies over plannen voor nieuw beleid van burgemeester en wethouders of van de gemeenteraad. De cliëntenraad kan ook advies geven over het geldende beleid. 2. Het advies over plannen voor nieuw beleid wordt uitgebracht, uiterlijk 10 dagen voordat het dagelijks bestuur van de Fijnder het beleid wil vaststellen of een advies daarover wil doorsturen naar de gemeenteraad. 3. De cliëntenraad houdt zich niet bezig met individuele klachten en bezwaarschriften of met andere zaken over een bepaalde inwoner.
10.3.3 Budget, verslag, vergoeding en voorzieningen 1. Het dagelijks bestuur van SDOA stelt elk jaar een budget vast voor de kosten van de cliëntenraad, op basis van een onderbouwde begroting van de cliëntenraad. De cliëntenraad moet de begroting uiterlijk in januari van het jaar dat voorafgaat aan het begrotingsjaar aanleveren. 2. De cliëntenraad brengt jaarlijks voor 1 april aan het dagelijks bestuur verslag uit van de activiteiten en bevindingen over het afgelopen jaar, en van de besteding van het budget over dat jaar. 3. De leden van de cliëntenraad ontvangen een onkostenvergoeding per bijgewoonde openbare vergadering van de cliëntenraad, een werkgroep of een commissie uit de cliëntenraad. 4. De leden van de cliëntenraad ontvangen voor reizen die worden gemaakt om deel te kunnen nemen deze vergaderingen, een vergoeding voor de reiskosten.
10.4
Sociale-raad [Jeugdwet, Wmo, Llv]
1. De gemeente heeft een Sociale-raad. Deze adviesraad vormt een afspiegeling van de verschillende groepen inwoners voor wie de Wmo en de Jeugdwet ondersteuning regelt. 2. Het doel van de Sociale-raad is om inwoners inspraak te geven in het beleid, de regels en de uitvoering daarvan. 3. De gemeente zorgt voor een goede ondersteuning van de Sociale-raad. Dit bestaat onder meer uit het beschikbaar stellen van een budget en het aanstellen van een medewerker (ambtelijk secretaris) die de Sociale-raad helpt om zijn werk goed te doen. 4. De vergaderingen van de Sociale-raad zijn in principe openbaar. 5. De Sociale-raad heeft een onafhankelijke voorzitter.
10.5 Taken van de Sociale-raad 1. De Sociale-raad brengt gevraagd en ongevraagd advies uit over het gevoerde beleid van de gemeente.
RAADSBESLUIT 65709-2021
35
2. De gemeente vraagt over beleidsvoornemens advies aan de Sociale-raad. Dit gebeurt op een moment dat dit advies van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. 3. De Sociale-raad werkt samen met de Oost Gelrese leden van de cliëntenraad Participatiewet als hij dit belangrijk vindt voor het uitvoeren van zijn taken. 4. De Sociale-raad kan zelf regels vaststellen over de manier waarop de raad zijn werk doet.
10.6
Inspraak bij aanbieders [Jeugdwet, Wmo]
1. Aanbieders zijn verplicht om inwoners die gebruik maken van hun diensten of producten, inspraak te geven en daarover regels te maken. Dat kan bijvoorbeeld door middel van een cliëntenraad of andere vormen van inspraak. 2. De gemeente controleert of de aanbieder zich houdt aan de regels voor inspraak.
11. Kritiek op uitvoering De gemeente probeert het beleid en de regels zo goed mogelijk uit te voeren. Toch is het mogelijk dat inwoners het niet eens zijn met de aanpak van de gemeente. Wanneer een inwoner niet tevreden is, vindt de gemeente dit een belangrijk signaal. De gemeente wil dan graag de kritiek met de inwoner bespreken en nagaan of er een oplossing is. Als dit niet mogelijk is, bestaat de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. In dit hoofdstuk staan enkele regels over de mogelijkheid om een klacht in te dienen of bezwaar te maken. Bij problemen met jeugdhulp, kan de inwoner een vertrouwenspersoon spreken. Dit hoofdstuk sluit aan bij de visie op klachtbehandeling van de Nationale ombudsman. Naast de kernwaarden uit hoofdstuk 1, gelden voor dit hoofdstuk de volgende kernwaarden: De gemeente ziet de inwoner als volwaardige partner. De gemeente handelt professioneel en neemt de inwoner serieus. De gemeente helpt de inwoner om op een eenvoudige manier zijn mening te geven.