Procedure benoeming wethouders bijlage 1 artikelen
Tekst van het document
Bijlage 1 Artikel 7A Benoemingsprocedure wethouder(s) (Rvo) 1. De voorzitter stelt een commissie benoembaarheid wethouder(s) in. De commissie informeert de raad of aan de benoeming van een kandidaat tot wethouder risico’s zijn verbonden. 2. De commissie wordt ingesteld zo snel mogelijk na het formeel aan de voorzitter van de commissie bekend maken van de kandidaat wethouder(s) van de beoogde coalitie. De commissie rapporteert in de eerstvolgende raadsvergadering aan de gemeenteraad. 3. De commissie bestaat uit de burgemeester als voorzitter, uit maximaal twee raadsleden van de (beoogde) oppositie en maximaal twee raadsleden van de (beoogde) coalitie. De raadsgriffier biedt ambtelijke ondersteuning aan de commissie. Een kandidaat- wethouder tevens zijnde raadslid is geen lid van de commissie. 4. a. De commissie vergadert niet als niet tenminste de helft plus één van het aantal leden aanwezig is. b. De commissie verricht haar werkzaamheden in een niet-openbare vergadering waarvan geen verslag wordt gemaakt. 5. In opdracht van de partij die een kandidaat-wethouder voordraagt wordt vóór iedere ambtstermijn ten behoeve van de kandidaat-wethouder door een extern bureau een risico analyse integriteit uitgevoerd. 6. De kandidaat- wethouder legt de documenten en informatie over die nodig zijn voor de hierna genoemde toetsing.
Tot deze documenten behoren in ieder geval: - een Verklaring Omtrent Gedrag (VOG); - de conclusie van de door een extern bureau uitgevoerde risico analyse integriteit als bedoeld in lid 5 van dit artikel. De kandidaat-wethouder maakt bovendien alle overige door hem/haar in dat verband relevant geachte informatie aan de commissie kenbaar. 7. De commissie toetst de van de kandidaat ontvangen documenten en informatie aan de hand van in elk geval de volgende voorschriften: - de artikelen 35, 36a, 10 en 41 Gemeentewet (benoembaarheidsvereisten); - de artikelen 41b en 12 Gemeentewet (nevenfuncties); - artikel 36b Gemeentewet (onverenigbare functies); - de artikelen 41c, 15 en 46 (onverenigbare of verboden handelingen); - de gedragscode integriteit politieke ambtsdragers gemeente Oost Gelre. 8. Op basis van de beoordeelde informatie adviseert de commissie de gemeenteraad. Indien de commissie niet unaniem is in zijn oordeel wordt hiervan melding gemaakt. In gezamenlijkheid beoordeelt de commissie of aanvullende maatregelen en/of aanvullend onderzoek gewenst is. 9. De commissie benoembaarheid wethouder(s) wordt opgeheven nadat de commissie advies aan de raad heeft uitgebracht en/of de wethouders zijn benoemd.
Artikel 33 Stemming over personen (Rvo) 1. Wanneer een stemming over personen voor het doen van een voordracht of het opstellen van een voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter drie leden tot stembureau. 2. Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de Gemeentewet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn. 3. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje. 4. Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden. 5. Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. 6. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van de voorzitter. 7. Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.
Artikel 28 Gemeentewet 1.Een lid van de raad neemt niet deel aan de stemming over: a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort. 2.Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. 3.Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. 4.Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing benoemde leden. Artikel 35 Gemeentewet 1.De raad benoemt de wethouders. Artikel 36a Gemeentewet 1.Voor het wethouderschap gelden de vereisten voor het lidmaatschap van de raad, bedoeld in artikel 10, met dien verstande dat in artikel 10, tweede lid, onder b, voor «de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad» gelezen wordt: de dag waarop zij tot wethouder worden benoemd. 2.De raad kan voor de duur van een jaar ontheffing verlenen van het vereiste van ingezetenschap. De ontheffing kan in bijzondere gevallen, telkens met een periode van maximaal een jaar, worden verlengd.
3.Dezelfde persoon kan niet in meer dan één gemeente wethouder zijn. Artikel 36b Gemeentewet 1.Een wethouder is niet tevens: a. minister; b. staatssecretaris; c. lid van de Raad van State; d. lid van de Algemene Rekenkamer; e. Nationale ombudsman; f. substituut-ombudsman als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet Nationale ombudsman; g. commissaris van de Koning; h. gedeputeerde; i. secretaris van de provincie; j. griffier van de provincie; k. lid van de rekenkamer van de provincie waarin de gemeente waar hij wethouder is, is gelegen; l. lid van de raad van een gemeente; m. burgemeester;
n. lid van de rekenkamer; o. ombudsman of lid van de ombudscommissie als bedoeld in artikel 81p, eerste lid; p. lid van een deelraad; q. lid van het dagelijks bestuur van een deelgemeente; r. ambtenaar, door of vanwege het gemeentebestuur aangesteld of daaraan ondergeschikt; s. ambtenaar, door of vanwege het Rijk of de provincie aangesteld, tot wiens taak behoort het verrichten van werkzaamheden in het kader van het toezicht op de gemeente; t. functionaris die krachtens de wet of een algemene maatregel van bestuur het gemeentebestuur van advies dient. 2.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder l, kan een wethouder tevens lid zijn van de raad van de gemeente waar hij wethouder is gedurende het tijdvak dat: a. aanvangt op de dag van de stemming voor de verkiezing van de leden van de raad en eindigt op het tijdstip waarop de wethouders ingevolge artikel 42, eerste lid, aftreden, of b. aanvangt op het tijdstip van zijn benoeming tot wethouder en eindigt op het tijdstip waarop de goedkeuring van de geloofsbrief van zijn opvolger als lid van de raad onherroepelijk is geworden of waarop het centraal stembureau heeft beslist dat geen opvolger kan worden benoemd. Hij wordt geacht ontslag te nemen als lid van de raad met ingang van het tijdstip waarop hij zijn benoeming tot wethouder aanvaardt. Artikel X 6 van de Kieswet is van overeenkomstige toepassing.
3.In afwijking van het eerste lid, aanhef en onder r, kan een wethouder tevens zijn: a. ambtenaar van de burgerlijke stand; b. vrijwilliger of ander persoon die uit hoofde van een wettelijke verplichting niet bij wijze van beroep hulpdiensten verricht; c. ambtenaar werkzaam voor een school voor openbaar onderwijs. Artikel 10 Gemeentewet 1.Voor het lidmaatschap van de raad is vereist dat men ingezetene van de gemeente is, de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en niet is uitgesloten van het kiesrecht. 2.Zij die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Unie zijn, dienen tevens te voldoen aan de vereisten dat: a. zij rechtmatig in Nederland verblijven op grond van artikel 8, onder a, b, d, e of l, van de Vreemdelingenwet 2000 of op grond van een overeenkomst tussen een internationale organisatie en de Staat der Nederlanden inzake de zetel van deze organisatie in Nederland, en b. zij onmiddellijk voorafgaand aan de dag waarop de gemeenteraad beslist over de toelating als lid tot de gemeenteraad gedurende een onafgebroken periode van ten minste vijf jaren ingezetene van Nederland waren en beschikten over een verblijfsrecht als bedoeld onder a, dan wel rechtmatig in Nederland verbleven op grond van artikel 8, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000.
3.Geen lid van de raad kunnen zijn zij die geen Nederlander zijn, en als door andere staten uitgezonden leden van diplomatieke of consulaire vertegenwoordigingen, in Nederland werkzaam zijn, alsmede hun niet-Nederlandse echtgenoten, geregistreerde partners of levensgezellen en kinderen, voor zover dezen met hen een gemeenschappelijke huishouding voeren. Artikel 41b 1. Een wethouder vervult geen nevenfuncties waarvan de uitoefening ongewenst is met het oog op een goede vervulling van zijn wethouderschap.
2. Een wethouder meldt zijn voornemen tot aanvaarding van een nevenfunctie aan de raad. 3. Een wethouder maakt zijn nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het gemeentehuis. 4. Een wethouder die zijn ambt niet in deeltijd vervult, maakt tevens de inkomsten uit nevenfuncties openbaar. Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging op het gemeentehuis uiterlijk op 1 april na het kalenderjaar waarin de inkomsten zijn genoten. 5. Onder inkomsten wordt verstaan: loon in de zin van artikel 9 van de Wet op de loonbelasting 1964, verminderd met de eindheffingsbestanddelen bedoeld in artikel 31 van die wet.