bp woningbouw werenfriedstraat toelichting
Tekst van het document
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Ad.a: Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten tot gevolg heeft, dan kan een vergunning alleen worden verleend als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de passende beoordeling vormt de ADC-toets. De ADC-toets houdt een onderzoek in naar Alternatieven, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, het Korenburgerveen, is gelegen op een afstand van ruim 8,4 km van het plangebied aan de Werenfriedstraat te Zieuwent. De woonactiviteiten op dit perceel hebben geen negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor dit Natura 2000-gebied ook mede gezien de grote afstand. Een passende beoordeling is dan ook niet noodzakelijk. Ad.b en c.: Woonactiviteiten worden alleen genoemd in relatie tot een stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij meer dan 2000 woningen worden gebouwd (onderdeel D. 11.2 van de bijlage van het besluit milieueffectrapportage).
Aangezien het hier om ongeveer 21 woningen gaat, is een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht dan ook niet nodig.
Vormvrije m.e.r.-beoordeling Voor elk besluit dat betrekking heeft op activiteiten(en) die voorkomen op de D-lijst (kolom 2) die onder de drempelwaarden vallen moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Kleinschalige woonactiviteiten worden niet genoemd in kolom 2 van de D-lijst in het Besluit m.e.r. zodat een vormvrije m.e.r.-beoordeling niet noodzakelijk is.
Conclusie Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet nodig nu de gewenste activiteiten op perceelsniveau niet onder de genoemde drempelwaarden vallen en/of worden genoemd.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent Daarnaast is een passende beoordeling op het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied niet noodzakelijk.
4.2
Archeologie en cultuurhistorie
De Erfgoedwet bevat de implementatie in de Nederlandse wetgeving van het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, (ook wel het verdrag van Malta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het Verdrag in 1992 door verschillende EU-lidstaten is ondertekend). De Erfgoedwet verplicht gemeenten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. IWAK en AMK Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, omdat ze grotendeels verborgen liggen in de bodem, waardoor ze niet eenvoudig te karteren zijn. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IWAK) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentenkaart (AMK) opgesteld. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient door te werken in het bestemmingsplan.
Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld. Situatie plangebied Een deel van het plangebied is gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' aangewezen gronden. Het gaat hierbij om het deel van de gronden waar de 3 boswoningen worden gerealiseerd alsmede de reeds aanwezige bebouwing aan de zijde van de Werenfriedstraat. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 2.500 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen op basis van nader onderzoek, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld. Het plangebied waar de overige 18 woningen zullen worden gerealiseerd zijn, ingevolge het geldende bestemmingsplan, niet voorzien van een dubbelbestemming archeologie. Toets Er gaan voor realisatie van de 3 boswoningen met bijbehorende bouwwerken grondingrepen plaatsvinden ten behoeve van de fundering voor deze woningen met bijbehorende bouwwerken. Daarnaast wordt er een toegangsweg naar deze woningen aangelegd die onverhard blijft. Hiervoor zal hoogstens een klein deel van de bovengrond worden afgeschraapt. Voor voornoemde werkzaamheden zal de oppervlakte van 2.500 m2 niet worden overschreden zodat een aanvullend archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Geldend bestemmingsplan: gele gebied is verwachtingswaarde 2 overig plangebied heeft geen archeologische bestemming
Nieuw archeologiebeleid Op 14 april 2020 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw archeologisch beleid vastgesteld met titel 'Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre, een actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtings- en beleidskaart'. Dit nieuwe archeologisch beleid is vertaald in het bestemmingsplan "Parapluplan Archeologie' welke op 22 februari 2022 door de gemeenteraad van Oost Gelre is vastgesteld. Ingevolge het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' is een groot deel van het plangebied gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3'. Het gaat hierbij om dat deel van het plangebied waarin de 3 boswoningen worden gerealiseerd alsmede een groot deel van de geplande woningbouw. Een drietal woningen komen te liggen in de dubbelbestemming 'Waarde Archeologisch verwachtingsgebied 1'. Daarnaast geldt nog de dubbelbestemming 'Waarde Archeologisch waardevol gebied 2' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2'. Op deze gronden worden geen bodemingrepen gedaan en zijn hierdoor verder niet toegelicht. Het plangebied omvat tevens een uitloop vanaf de drie boswoningen naar de aangrenzende watergang. Hierop geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingsgebied 4'.
Parpaluplan Archeologie: gele gebied is 'verwachtingsgebied 3'
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Parapluplan Archeologie: gele gebied is 'verwachtingsgebied 1'
Parapluplan Archeologie: gele gebied is 'verwachtingsgebied 4'
Toets Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de genoemde werken of werkzaamheden aan of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waarbij de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 250 m2. Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de genoemde werken of werkzaamheden aan of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waarbij de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 1.000 m2. Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4 Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de genoemde werken of werkzaamheden aan of in de bodem uit te voeren of te laten uitvoeren, waarbij de vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld én een oppervlakte van 5.000 m2.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Zoals hierboven is aangegeven zullen een drietal woningen komen te liggen in het archeologisch verwachtingsgebied 1. Hierbij gaan grondwerkzaamheden plaatsvinden die dieper zullen zijn dan 30 cm maar de oppervlakte van 250 m2 niet zullen overschrijden. De overige woningen inclusief de drie boswoningen met de aan te leggen voorzieningen komen te liggen in het verwachtingsgebied 3. Ook hier zal grondwerk plaatsvinden maar de oppervlakte van 1.000 m2 zal ook hier niet worden overschreden. Binnen het verwachtingsgebied 4 zullen geen of nagenoeg geen bodemwerkzaamheden plaatsvinden.
Wettelijke meldingsplicht In de Erfgoedwet is in artikel 5.10 en 5.11 de wettelijke meldingsplicht beschreven. Dit is om het documenteren van toevalsvondsten te garanderen: 'Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij onze minister'. Deze aangifte dient te gebeuren bij de RCE te Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oost Gelre hiervan per direct in kennis te stellen.
Cultuurhistorie Zieuwent is gelegen ten noordwesten van Lichtenvoorde. De huidige dorpskern ontstond geleidelijk aan na de bouw van een kerk in 1795; voor die tijd bestond Zieuwent alleen uit verspreid gelegen agrarische bebouwing. De oude kadastrale sectie “het Zieuwent” grensde behalve aan Lichtenvoorde aan Har(re)veld (zuid) en Lievelde (noord) en aan de voormalige gemeente Ruurlo (west). De grens tussen Zieuwent en Lievelde werd grotendeels gevormd door een beek, (1832: De Ruurlosche Beek-Molenbeek). Overigens waren de Zieuwentse grenzen niet duidelijk vastgelegd: in de zestiende, zeventiende en achttiende eeuw waren er geregeld geschillen met Borculo, Ruurlo, Harreveld en Lievelde. Bij de gemeentelijke herindeling werden de Ruurlose en Beltrumse delen van Zieuwent bij de gemeente Oost Gelre gevoegd. Het Ruurlose deel omvatte het gehele gebied ten noordwesten van de huidige dorpskern (Waalderweg, Batsdijk, Wilgendijk, Koolsweg) met zowel oude kampontginningen als het aangrenzende broekgebied; het Beltrumse deel een gebied ten noorden van de dorpskern aan weerszijden van de Zieuwentseweg met ondermeer de boerderijen “Nijland”, “Hospels” en het nieuwe “Katershorst”. Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht.
De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). De beoogde woningbouwlocatie aan Werenfriedstraat heeft geen historisch-geografische of stedenbouwkundige waarden. Architectuurhistorische waarden zijn niet aanwezig nu het terrein, op enkele veldschuren na, nog onbebouwd is. De gemeentelijke erfgoednota is niet van toepassing bij Werenfriedstraat de ontwikkelingen op dit perceel. Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.
Conclusie archeologie en cultuurhistorie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
4.3
Bodem
Wettelijk kader Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.
Situatie plangebied In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan vijf jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig.
Uitgevoerd bodemonderzoek Door het onderzoeksbureau Montferland Milieu is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn verwoord in een bodemonderzoeksrapport met projectnummer MM21070 d.d. 29 april 2021. Het bodemonderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd.
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
situatietekening plangebied met boorpunten
Dit verkennend bodemonderzoek is nader beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). De beoordeling is verwoord in een advies met kenmerk 2021EA0604 , d.d. 11 juni 2021 welke tevens als bijlage is bijgevoegd. De ODA adviseert het volgende: "Het bodemonderzoek voldoet aan de aan de gestelde kwaliteitseisen. De bodemkwaliteit is geschikt voor een gebruik als Wonen. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig. Aan de bestemmingsplanprocedure en de omgevingsvergunning(en) bouw hoeven geen bodemspecifieke voorschriften te worden verbonden”. Wel dienen de aanbevelingen, zoals opgesomd onder de aandachtspunten, te worden nageleefd. In algemene zin worden de volgende aanbevelingen gedaan: - Wanneer tijdens graafwerkzaamheden waarnemingen worden gedaan die op een verontreiniging wijzen, dan moet het werk direct gestopt worden en moet met de ODA worden overlegd. - Voor de toepassing van vrijkomende grond en bouwstoffen gelden de voorschriften uit het Besluit bodemkwaliteit.”
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. De bodemkwaliteit is geschikt voor een gebruik als Wonen. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig.
4.4
Water
Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.
Thema
Toetsvraag
Relevant
Hoofdthema's Veiligheid
1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale Nee waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?
Riolering afvalwaterketen
en 1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?
Nee Ja
2. Ligt in het plangebied een persleiding van Waterschap Rijn en Nee IJssel? 3. Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie Nee van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)
1. Is sprake van toename van verhard oppervlak?
Ja
2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard Ja oppervlak? 3. Bevinden zich in of nabij het plangebied natte en laaggelegen Nee gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de Ja ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of Nee IJssel?
Oppervlaktewaterkwaliteit
3. Is in het plangebied sprake van kwel?
Nee
4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?
Nee
1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater Ja geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?
Nee
3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een strategisch Nee actiegebied?
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Grondwaterkwaliteit
1. Ligt in het plangebied een beschermingszone van een Nee drinkwateronttrekking?
Volksgezondheid
1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het Nee gemengde of verbeterde gescheiden stelsel? 2. Bevinden zich of komen er functies in of nabij het plangebied die Nee milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?
Verdroging
1. Bevindt het plangebied zich in beïnvloedingsgebied voor natte land natuur?
een
hydrologisch Nee
Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte ecologische Nee verbindingzone? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte landnatuur?
Inrichting en beheer
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom Nee of beheer zijn van het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
Aandachtsthema's Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in Nee beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Cultuurhistorie
1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied Nee aanwezig?
Tabel: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's
Door Civicon is een watertoets uitgevoerd die is opgenomen in het rapport 'Watertoets bouwplan Werenfriedstraat Zieuwent' met nummer R01-2021-052-C03 van 7 december 2021 welke als bijlage is bijgevoegd. Met deze watertoets wordt aangegeven wat de ruimtelijke gevolgen van het bouwontwikkeling zijn met betrekking tot het onderdeel water. In het rapport is het volgende geconcludeerd: De bodemhoogte van de Afwatering van de Pastorietuin is onbekend. De bodemhoogte van de poel wordt door de opdrachtgever geschat op circa 1 m minus maaiveld. Geadviseerd wordt om de omgeving inclusief de Afwatering van de Pastorietuin in te (laten) meten; •
Vooralsnog wordt geadviseerd om uit te gaan van een grondwaterfluctuatie die ligt tussen de 16,60 en 18,10 m +NAP;
•
Voorgesteld wordt, om een maatgevende k-waarde, doorlaatsnelheid, in de onverzadigde zone aan te houden van maximaal 3,0 m/dag;
•
Uit het k-waarde onderzoek van de verzadigde zone zou de aanwezigheid van een ondoordringbare laag kunnen blijken. Maar omdat deze ondoordringbare laag niet wordt herkend op de boorprofielen behoort een foutieve meting ook tot de mogelijkheden. Hiervoor dient aandacht te zijn bij de verdere uitwerking. Hierbij kan gedacht worden aan het aanbrengen van goed waterdoorlatende zandsleuven;
•
Bij de uitwerking van waterhuishoudkundigplan kan de waterproblematiek van de dorpskern van Zieuwent worden meegenomen;
•
In het plangebied zijn wadi’s en/of zaksloten voorzien voor de behandeling van hemelwater. Om het risico op verdrinking te beperken wordt geadviseerd de wadi’s en/of zaksloten te voorzien van taluds van 1 op 3 of flauwer;
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
•
Voor de afvoer van het afvalwater wordt een vuilwaterriool aangelegd die bij voorkeur onder vrijverval aansluit het gemengd riool van de Werenfriedstraat;
•
Volgens het document “Duurzaam en veilig water” van Waterschap Rijn en IJssel geldt bij inbreidingsplannen > 2.500 m2 het volgende; - Bui 10+10% vertraagd afvoeren, waarvan minimaal 10 mm in infiltratie (bodempassage); - Bui 100+10% mag geen wateroverlast opleveren (berging tot aan maaiveld);
•
Er wordt voorgesteld om bij de nadere uitwerking van het bouwplan de verschillende functies, bijvoorbeeld woningen en wadi’s, te relateren aan de voorkomende grondwaterstanden. Er kan bijvoorbeeld afgewogen worden of het acceptabel is dat een kruipruimte een periode per jaar nat is of dat een wadi in de wintermaanden drassig is;
•
Afhankelijk van de bovenstaande afweging kan pas een uitspraak worden gedaan of het realiseren van wadí’s en/of zaksloten zonder gedeeltelijke ophoging van het terrein al dan niet in combinatie met het toepassen van drainage mogelijk is; De systeemkeuze wordt nader uitgewerkt in het waterhuishoudkundigplan voor de realisatiefase;
•
Er is voldoende ruimte binnen het plangebied om de bergingseisen in te passen. De definitieve keuze omtrent het toe te passen hemelwatersysteem en de verdere uitwerking dient te gebeuren in overleg met de gemeente Oost Gelre en waterschap Rijn en IJssel.
Voor realisatie van de woningen wordt, op basis van voronoemde watertoets, een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Hierin worden bovengenoemde aspecten in meegenomen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Geluid
Wettelijk kader In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gemeente Oost Gelre heeft in eigen geluidsbeleid ontwikkeld om zo richting te kunnen geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke. Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden. Industrielawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel industrielawaai van de Wgh is niet van toepassing. Op een afstand van minimaal 30 meter van de nieuwe woningen is een enkele bedrijfsbestemming gelegen en op meer dan 170 meter het voetbalveld. Mede gezien deze afstand en daarbij de aard en omvang van de activiteiten kan een goed woon- en leefklimaat ter hoogte van de nieuwe woningen worden gegarandeerd. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op (individuele) milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied.
Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden van de weg een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen:
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Aantal rijstroken
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken
200 m
250 m
3 of 4 rijstroken
350 m
400 m
5 of meer rijstroken
350 m
600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: - wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); - wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2). De wegen rondom het plangebied (Dorpsstraat en Werenfriedstraat) betreffen 30 km/uur wegen waarvoor geen geluidzone geldt. Om te onderzoek of desondanks sprake is van een goede ruimtelijke ordening heeft Buijvoets Bouw- en Geluidsadvisering een akoestisch onderzoek uitgevoerd. De volledige onderzoeksrapportage met nummer 21.032b1, d.d. 23 maart 2021, is opgenomen in de bijlage. Hieronder worden de onderzoeksresultaten weergegeven. De 48 dB geluidcontour incl. 5 dB aftrek ligt voor de N312 en Werenfriedstraat buiten het plangebied waarmee voor het aspect wegverkeerslawaai sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de woningen zijn geen speciale geluidwerende maatregelen nodig. Het uitgevoerde geluidsonderzoek is nader beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). De beoordeling is verwoord in een advies met kenmerk 2021EA0604, d.d. 21 juni 2021 welke tevens als bijlage is bijgevoegd.
Advies ODA - Het akoestisch onderzoek is goed uitgevoerd. - De Wet geluidhinder is niet van toepassing, een hogere waarde is niet aan de orde. - De 48 dB geluidcontour incl. 5 dB aftrek ligt voor de N312 en Werenfriedstraat buiten het plangebied waarmee voor het aspect wegverkeerslawaai sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de woningen zijn geen speciale geluidwerende maatregelen nodig.
Railverkeerslawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wgh is niet van toepassing.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5".
Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.
Situatie plangebied Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van circa 21 nieuwe woningen. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens van 1.500 woningen en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd. Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het projectgebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2011. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen zijn stikstofoxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Getoetst dient te worden aan de norm voor NO2 per 1 januari 2015. Vanaf die datum moet blijvend aan de norm van NO2 worden voldaan. Per 21 juni 2011 moet aan de grenswaarden voor fijn stof worden voldaan. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de achtergrondniveaus voor NO2, PM10 en PM2,5 in zowel 2011, 2015 als 2020 onder de grenswaarden liggen.
Conclusie Het plan moet worden beschouwd als een nibm-project. Uit de achtergrondniveaus blijkt dat deze onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.
4.7
Natuurwaarden
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een Quickscan natuurwaarden (6 mei 2021, rapportnummer 3292, versie 1.0) door Natuurbank Overijssel uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd. Het doel hiervan is om in te schatten of er in het plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep.
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.
Gebiedsbescherming NATURA 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het plangebied ligt op minimaal 8,37 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied, is het Korenburgerveen. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied is met de rode marker aangegeven. Gronden die tot Natura 2000 behoren zijn groen gearceerd aangegeven (bron: aerius.nl).
Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Korenburgerveen' en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudings- doelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als stikstofdepositie, verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten".
Stikstof De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde voor stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Gevolg hiervan is dat alle ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de omgeving ook maar enigszins verhogen in principe niet zijn toegestaan. Ondanks de relatief grote afstand van circa 8 km tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, kan
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent een verhoging van de stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op dit gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve wordt geadviseerd om een stikstoftoets uit te laten voeren. Met het rekenmodel AERIUS kan de stikstofuitstoot van een planontwikkeling worden berekend. Op 15 oktober 2020 is een nieuwe versie van het rekenmodel AERIUS beschikbaar gesteld. Heeft de planontwikkeling geen toename van stikstof op nabij gelegen natuurgebieden tot gevolg dan kan aan de planontwikkeling worden meegewerkt. Met het rekenprogramma AERIUS van 15 oktober 2021 is een berekening gemaakt van het plangebied in de fase van bouwrijp maken van het plangebied, het uitgraven van de funderingen voor de woningen, het bouwen van de woningen inclusief het daarbij behorend bouwverkeer en in de gebruiksfase van de woningen. Het rekenprogramma geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Nu de toename van stikstof in de nieuwe situatie niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar kan aan het verzoek worden meegewerkt. De berekeningen zijn verwerkt in een stikstofnotitie van 24 maart 201 die als bijlage is bijgevoegd. De berekeningen zijn in voornoemde notitie verwerkt.
Printscreen van rekenprogramma AERIUS voor plangebied
Aanvulling stikstof Op 1 februari 2022 is er een nieuwe versie van het rekenprogramma AERIUS beschikbaar gesteld. In aanvulling van bovengenoemde notitie met berekeningen is een aanvullende notitie opgesteld. In deze notitie zijn nieuwe berekeningen uitgevoerd met de nieuwe AERIUS-berekening. Deze aanvullende notitie met berekeningen van 12 februari 2022 is ook als bijlage bijgevoegd. In de notitie wordt geconcludeerd dat er sinds 1 juli 2021 sprake is van een partiële vrijstelling op de Natura 2000-vergunningsplicht (stikstofdepositie) voor de bouw- en infrasector. De partiële vrijstelling houdt in dat de tijdelijke activiteiten en gevolgen van de door de bouw veroorzaakte stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden buiten beschouwing worden gelaten bij de natuurvergunning. Zodoende hoeft in de onderhavige situatie alleen het eventuele negatieve effect ten gevolgen van de verkeersgeneratie in de gebruiksfase van het project in kaart te worden gebracht. Uit de berekeningen met Aerius-calculator blijkt dat er ten gevolge van de stikstofuitstoot binnen dit planproject, geen stikstofdepositie wordt berekend ter hoogte van de beschermde gebieden. Daarmee staat op voorhand vast dat de activiteiten, de verkeersgeneratie van de woningen in de gebruiksfase, geen nadelig effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende beschermd Natura-2000 gebieden.
De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten ter realisatie van het plan vormt daarmee, geen belemmering voor het uitvoeren van het gewenste plan.
Conclusie Stikstof
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Uit de berekeningen met Aerius-calculator blijkt dat er ten gevolge van de stikstofuitstoot binnen dit planproject, geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar zijn. Daarmee staat op voorhand vast dat de activiteiten, nodig voor de realisatie van het gewenste plan, geen nadelig effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de omliggende beschermd Natura-2000 gebieden. De stikstofdepositie ten gevolge van de activiteiten ter realisatie van het plan vormt daarmee geen belemmering voor het uitvoeren van het gewenste plan.
NATUURNETWERK NEDERLAND De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het plangebied ligt op minimaal 890 meter afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland behoren (in dit geval Gelders Natuurnetwerk). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied weergegeven.
Ligging van Natuurnetwerk Nederland in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied is met de rode marker aangegeven. Gronden die tot Natuurnetwerk Nederland behoren zijn met licht- en donkergroen aangegeven (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Soortenbescherming De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘opzettelijk beschadigen en vernielen van de rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Beschermde soorten mogen niet opzettelijk gedood worden. Voor beschermde soorten waarvoor die vrijstelling niet geldt, is een ontheffing vereist om ze te mogen doden en om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied ligt buiten de begrenzing van het Gelders Natuurnetwerk, Groene ontwikkelingszone en Natura 2000-gebied. Omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent consequenties. Gelet op de aard, omvang en duur van de voorgenomen activiteiten en de afstand tussen Natura 2000-gebied en het plangebied, kan een negatief effect op Natura 2000-gebied uitgesloten worden. De inrichting en het gevoerde beheer maken het onderzoeksgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied van verschillende beschermde dieren. Beschermde diersoorten benutten het onderzoeksgebied als foerageergebied en vermoedelijk bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een vaste rust- en voortplantingsplaats, bezetten vleermuizen een verblijfplaats in de houten schuur en nestelen er vogels in het onderzoeksgebied. De mogelijke verblijfplaats van vleermuizen in de houten schuur, wordt niet negatief beïnvloed door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Ook wordt de functie van het plangebied als foerageergebied niet aangetast door uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet verstoord, beschadigd of vernield worden.
Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Geadviseerd wordt de voorgenomen activiteiten af te stemmen op de voortplantingsperiode van vogels. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het onderzoeksgebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling.
Conclusie Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient in het kader van de zorgplicht het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.
Situatie plangebied In de omgeving van te ontwikkelen plangebied aan Werenfriedstraat (rood kader in onderstaande figuur) bestaat hoofdzakelijk uit woningen en is hierdoor aan te merken als woongebied.
Ten oosten van het plangebied is een schildersbedrijf met winkel en een kapsalon gelegen. Ten noordwesten van het plangebied wordt een zonneveld ontwikkeld. Ten zuiden van het plangebied zijn op ruim 150 meter afstand de voetbalvelden van RKZVC gelegen.
48
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Hieronder wordt per omliggende functie een ruimtelijke beoordeling gegeven om een goed woon- en leefklimaat te kunnen garanderen ter plaatse van de nieuwe woningen. Ook is beoordeeld of gezien de bestaande omliggende functies, de aard en omvang van de activiteiten, deze niet (extra) worden belemmerd door de gewenste woningbouw. Zonnepark versus woningbouw Een zonnepark als zodanig is niet opgenomen in de bedrijvenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. Ondanks het feit dat een zonnepark weinig milieuhinder met zich meebrengt, is het desondanks verstandig om een bepaalde afstand tot woningen in acht te nemen. Voor de richtafstand voor een zonnepark kan in beginsel worden aangesloten bij de richtafstand van 30 meter voor een transformatorstation/elektriciteitsdistributiebedrijf. Aan die richtafstand wordt ten opzichte van bestaande woningen ruimschoots voldaan. Ten opzichte van één nieuwe woning lijkt echter niet aan de richtafstand te worden voldaan. De afstand tot de panelen is daarbij minder van belang dan de afstand tot de transformatoren. Het is aan te bevelen om ten opzichte van de transformatoren een afstand van 30 meter in acht te nemen.
In aanvulling op het bovenstaande heeft de ODA nog het volgende opgemerkt over elektromagnetische straling (in de volksmond wel aangeduid met ‘elektrosmog’). Daarvoor bestaan in het geval van zonneparken geen in acht te nemen wettelijke afstanden, normen of onderzoekszones (zoals die voor bijvoorbeeld hoogspanningslijnen wel bestaan). Wel is vanuit de literatuur bekend dat er gezondheidseffecten kunnen optreden door elektromagnetische velden bij langdurig verblijf nabij omvormers/transformatoren. Hoewel hiervoor geen wettelijke normen bestaan, worden die effecten bij een afstand van 50 meter in ieder geval als verwaarloosbaar beschouwd. Zodoende worden deze omvormers/ transformatoren van het zonneveld op een minimale afstand van 50 meter van de woningen gerealiseerd. Woningbouw versus schildersbedrijf Ten oosten van het plangebied is een schildersbedrijf met winkel gevestigd aan Dorpsstraat 81. Voor een dergelijk bedrijf en de bijbehorende milieucategorie 2, geldt voor nieuwe ontwikkelingen een richtafstand van 30 meter. De richtafstand geldt in principe tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning. In de eerste versie van het ontwikkelkader waren een aantal woningen op het oostelijke woonveld gedeeltelijk geprojecteerd binnen deze richtafstand van 30 meter. Daarop heeft de ODA een advies uitgebracht.
Naar aanleiding van het advies van de ODA zijn de woningen op dit woonveld in de planuitwerking op voldoende afstand (30 meter) geprojecteerd. Daarmee kan, door deze richtafstand te respecteren, op voorhand een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Ook wordt het bedrijf zodoende niet belemmerd door het woningbouwinitiatief. Voorts zijn er in de bestaande situatie direct rondom het schildersbedrijf reeds woningen (bijvoorbeeld Dorpsstraat 79, 83 en 83a aanwezig. Deze zijn namelijk direct belendend aan het schildersbedrijf aan Dorpsstraat 81 gelegen (zie onderstaande uitsnede).
Toelichting (vastgesteld)
49
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
De bestemmingsvlakken “Wonen” van deze betreffende woningen liggen direct aansluitend aan de bedrijfsbestemming “Bedrijf” van Dorpsstraat 81. Ook de bouwvlakken, waarbinnen de woningen zijn gesitueerd, van deze genoemde adressen zijn ruimschoots gelegen binnen de richtafstanden uit de VNG-Brochure “Bedrijven en milieuzonering” (aan beide zijden circa op 10 meter). Resumé De nieuwe woningen op het woonveldje aan de Werenfriedstraat worden op 30 meter afstand van de bestaande bedrijfsbestemming gepositioneerd. Daarmee staat op voorhand vast dat een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Het bovenstaande, alsmede de ligging van het bedrijf ten opzichte van de huidige woningen in de directe omgeving staat ook vast dat het bedrijf, ten opzichte van huidige omliggende gevoelige bestemmingen, door de nieuwe ontwikkelingen geen (extra) belemmering zal ondervinden. Woningen versus voetbalvelden Ten zuiden van de ontwikkelingen aan de Werenfriedstraat zijn de velden van voetbalvereniging RKZVC gelegen. Voor sportvelden met verlichting geldt een richtafstand van 50 meter. Onderhavig plan Werenfriedstraat fase 1, is gelegen op meer dan 150 meter van deze sportbestemming. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de richtafstand van 50 meter.
Conclusie Bij realisatie van het woningbouwplan Werenfriedstraat fase 1, kan een goed woon- en leefklimaat worden gegarandeerd. Ook worden de omliggende functies niet (extra) belemmerd door de ontwikkelingen. Het aspect 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.
4.9
Externe veiligheid
Wettelijk kader Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen.
50
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.
Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.
Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.
Situatie plangebied Aan de hand van de landelijke risicokaart is een beoordeling uitgevoerd. Uit de inventarisatie blijkt dat de locatie: zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico); niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen; niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt niet binnen een plaatsgebonden risico van een risicobron. Hiermee wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico. Op het plangebied en in de directe omgeving daarvan vinden geen activiteiten plaatsvinden en/of opslag van gevaarlijke stoffen plaats, waarbij de grenswaarden voor groepsrisico en plaatsgebonden risico worden overschreden.
Toelichting (vastgesteld)
51
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Uitsnede risicokaart met blauw omcirkeld het plangebied (bron: Risicokaart.nl)
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Geur
Wettelijk kader Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning.Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.
Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij: bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht. Situatie plangebied Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf, een melkrundveebedrijf aan de Ruurloseweg 2 in Zieuwent, bevindt zich op een afstand van circa 250 meter ten noorden van het plangebied. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de minimaal aan te houden afstand van 100 meter (voor woningen in de bebouwde kom).
52
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening dorpsuitbreiding Zieuwent
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.11
Verkeer en parkeren
Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Werenfriedstraat. Parkeren Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma. In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd. Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeer-plaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen. De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren.
Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.
Situatie plangebied Ter plaatse geldt het Facetbestemmingsplan parkeren met identificatienummer NL.IMRO.1586.BPPAR1800-VG01 van de gemeente Oost Gelre. Binnen het Facetbestemmingsplan is een regeling opgenomen, waarin wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota of een rechtsopvolger daarvan. Expliciet is aangegeven dat ook een rechtsopvolger het kader kan vormen. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader. Uitgangspunt is parkeren op eigen terrein. Voor de meeste woningen in het plangebied is dit mogelijk. Rijwoningen, met name tussenwoningen, hebben geen gelegenheid om op eigen terrein te parkeren. Hiervoor is parkeren in het openbaar gebied toegestaan. Binnen het plangebied worden voldoende parkeerplaatsen daarvoor gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de normen zoals opgenomen in de hierboven aangegeven Nota parkeernormen. Boswoningen