bp woningbouw looweg toelichting bijlage 8 aanvullend natuurwaardenonderzoek
Tekst van het document
Aanvullend huismus en steenmarter Looweg 27a in Harreveld In opdracht van Gemeente Oost Gelre
Colofon Aanvullend huismus en steenmarter Looweg 27a in Harreveld
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Oost Gelre Mevr. M. Kos
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2139 S.J.J. Wamelink Ing. R. Boerboom 10 juli 2020 Plangebied (foto: S.J.J. Wamelink)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
6
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5
Het ecologisch onderzoek ............................................................................................ 7 3.1
Onderzoeksmethode ............................................................................................ 7
3.2
Resultaten ............................................................................................................ 8
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 10 4.1
Toetsing aan Wet natuurbescherming ................................................................. 10
4.2
Overige broedvogels........................................................................................... 11
Conclusie ................................................................................................................... 13
Bijlage 1
Resultaten veldonderzoek huismus ................................................................. 15
Bijlage 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming .......................................................... 16
Samenvatting Uit het gericht onderzoek naar de huismus en steenmarter blijkt dat het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk is voor deze soorten. In het plangebied bevinden zich geen nestlocaties van de huismus en ook geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter. De huismus is wel foeragerend en rustend in het plangebied aangetroffen. De geplande ruimtelijke ontwikkelingen hebben echter geen negatief effect op het leefgebied van deze soort. Er dient bij de geplande werkzaamheden wel rekening gehouden te worden met overige (gebouwbewonende) broedvogelsoorten, zoals de boerenzwaluw, holenduif en witte kwikstaart die in de te slopen schuur broeden. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te voorkomen te worden dat broedvogels zich lokaal vestigen. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om een schuur aan de Looweg 27a in Harreveld te slopen en op de vrijgekomen grond nieuwbouw te realiseren. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de gemeente Oost Gelre.
Het bureau deed veldonderzoek op de locatie.
Pagina 3
1 Inleiding en doel 1.1
Inleiding
Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Er zijn plannen om een schuur te slopen en nieuwbouw van maximaal 10 woningen te realiseren aan de Looweg 27a in Harreveld. Staring Advies heeft daarom eerder een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Uit de door Staring Advies uitgevoerde quickscan natuurtoets (SA, rapportnummer 2131) is gebleken dat voor onderstaande beschermde soorten gericht onderzoek noodzakelijk is: • •
Huismus: nestlocaties en functioneel leefgebied Steenmarter: vaste verblijfplaatsen
Mevrouw M. Kos van de gemeente Oost Gelre is betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven voor dit aanvullende onderzoek.
1.2
Doel
Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande sloop en nieuwbouw sprake is van aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van de huismus en steenmarter. Voor overige beschermde soort(groep)en is tijdens de quickscan natuurtoets aangetoond dat negatieve effecten op deze soorten op voorhand uit te sluiten zijn, of zijn te voorkomen door buiten het broedseizoen te werken.
Pagina 4
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Looweg 27a Harreveld Oost Gelre Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de noordoostrand van de woonkern Harreveld (zie figuur 1). Het plangebied wordt globaal begrensd door de Looweg aan de zuidoost- en zuidwestzijde, de parkeerplaats van sportpark ’t Hach en speeltuin ’t Spolhofke aan de noordwestzijde en aangrenzende woonerven aan de overige zijden. Het plangebied betreft een agrarische opstal, twee graslandpercelen en een paardenweide. In één van de percelen zijn puinrestanten van een reeds gesloopte schuur aanwezig. De aanwezige schuur is voorzien van een eensteensmuur en heeft een dak van asbest golfplaten. Twee afgesloten ruimtes zijn in gebruik als (tijdelijke) opslagruimtes en hobbyruimte. De achterzijde van de schuur is in gebruik als paardenstal. Langs de noordwestzijde van het gebouw is een lage uitbouw welke in gebruik is als carport (zie figuur 2 en bijlage 1). De directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit woningen met bijbehorende tuinen, infrastructuur, agrarische percelen, openbaar groen, een begraafplaats, een speeltuin, een sportpark en een dorpshuis met parkeergelegenheid (zie figuur 2).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door de woonboerderij aan de Looweg 27, woonhuizen met bijbehorende tuinen en verhard oppervlak (zie figuur 2).
2.4 Geplande werkzaamheden De gemeente Oost Gelre heeft een perceel aan de Looweg 27a in Harreveld aangekocht, om hier woningbouw van maximaal 10 woningen te realiseren. Onder andere de aanwezige schuur wordt gesloopt.
Pagina 5
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2020).
Sportpark ’t Hach Speeltuin ’t Spolhofke
Erve ‘t Hag Looweg 27
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood) en het onderzoeksgebied (gele stippellijn), bron: Provincie Gelderland (2020).
Pagina 6
3 Het ecologisch onderzoek In dit hoofdstuk worden de onderzoeksmethode en resultaten van het veldonderzoek besproken.
3.1
Onderzoeksmethode
In deze paragraaf wordt de onderzoeksmethode van het gericht onderzoek naar huismus en steenmarter beschreven.
3.1.1
Huismus
Voor het onderzoek naar de huismus zijn de Handleiding Broedvogel Monitoring Project (BMP) van SOVON Vogelonderzoek Nederland, het Kennisdocument Huismus (versie 1.0 juli 2017 van BIJ12) en de Soortinventarisatieprotocollen Wet Natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus richtinggevend. De huismus is een gebouwbewonende soort waarvan de nestlocaties jaarrond beschermd zijn. Deze soort kan het beste tijdens de ochtend geïnventariseerd worden. Dan is de zangactiviteit van mannetjes het hoogst. Er is geïnventariseerd op territoriaal gedrag, transport van voedsel, transport van nestmateriaal etc. Zo zijn de nestlocaties vastgesteld. Volgens de Soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus zijn hiervoor minstens 2 ochtendbezoeken uitgevoerd in de periode 1 april – 20 juni (zie tabel 1). Middels dit onderzoek is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door huismussen. Onderzoeker Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden Onbewolkt, droog, 19 °C, wind 0 Bft Onbewolkt, droog, 15 °C, wind 1 Bft
S. Wamelink
1
08-06-2020
08.15 uur
S. Wamelink
2
19-06-2020
09.00 uur
Tabel 1. Veldonderzoek huismus.
3.1.2
Steenmarter
Het voorkomen van de beschermde steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Mogelijk bevindt zich in de te slopen schuur en eventueel in de puinrestanten van de reeds gesloopte schuur een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter. Nader onderzoek naar het voorkomen van de steenmarter is noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van een vaste rust- en verblijfplaats. Hiervoor is uitgebreid sporenonderzoek tijdens de voortplantingsperiode (april – juli) uitgevoerd. Dit onderzoek is tijdens de twee ochtendbezoeken voor de huismus uitgevoerd. Daarnaast is één cameraval geplaatst in de schuur (hooizolder) waarmee eventuele waarnemingen van steenmarter gedaan konden worden. De beelden van de camera zijn geanalyseerd en de eventueel vastgelegde dieren zijn op naam gebracht.
Pagina 7
Onderzoeker Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden Onbewolkt, droog, 19 °C, wind 0 Bft Onbewolkt, droog, 15 °C, wind 1 Bft
S. Wamelink
1*
08-06-2020
08.15 uur
S. Wamelink
2**
19-06-2020
09.00 uur
Tabel 2. Veldonderzoek steenmarter. * = sporenonderzoek + plaatsen wildcamera, ** = sporenonderzoek + ophalen wildcamera.
3.2
Resultaten
Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
3.2.1
Huismus
In de directe omgeving van het plangebied zijn bij verschillende erven en woonhuizen roepende huismussen waargenomen. Het betreft woningen en (woon)boerderijen langs de Looweg, Ursulastraat en Erve Het Hag. De mussen broeden hier vermoedelijk onder de dakpannen van de woningen. Tijdens beide veldbezoeken zijn ook diverse (groepen) huismussen in het plangebied aangetroffen. Betreffende exemplaren foerageerden in de grazige delen, namen een zandpad of verbleven kortstondig op het dak van de schuur. Er zijn geen aanwijzingen als invliegende exemplaren, roepende mannetjes in de dakgoot of op het dak, aanvoer van nestmateriaal en/of voedsel welke indiceren dat er in de schuur gebroed wordt. Nadere inspectie van de, voor de huismus vrij toegankelijke binnenruimte, heeft hier geen bezette nestlocaties of oude (verlaten) nesten opgeleverd. In de dakgoot aan de zuidwestzijde van de schuur is wel nestmateriaal en/of restanten van een nest aangetroffen. Vermoedelijk betreft het hier een oud vogelnest. Echter ook hier zijn tijdens het aanvullend onderzoek geen aanwijzingen aangetroffen dat hier eventueel (nog) door de huismus of een andere vogelsoort gebroed wordt.
3.2.2
Steenmarter
Sporenonderzoek Tijdens beide veldbezoeken zijn geen steenmarters en/of sporen, zoals wissels, pootafdrukken, krabsporen, uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of verblijfplaats. Sporen zijn echter niet altijd te vinden direct rondom de verblijfplaats. Cameraval Op de beelden van de cameraval zijn geen steenmarters of andere grondgebonden zoogdiersoorten waargenomen.
3.2.3 Overige soorten In de schuur bevindt zich ten minste twee nesten van de boerenzwaluw, een bewoond nest van de holenduif en zeer waarschijnlijk een nestlocatie van de witte kwikstaart. Tijdens de beide veldbezoeken is meerdere malen waargenomen dat enkele, via een kapotte raam en een openstaande staldeur, in- en uitvliegende boerenzwaluwen gebruik maken van de
Pagina 8
achterzijde van het gebouw (paardenstal). Tijdens het sporenonderzoek naar de steenmarter op 8 juni zijn ook twee bezette nestkommen in de paardenstal aangetroffen. Bovenop de (verlaten) steenuilenkast heeft een paartje holenduif hun nest. Tijdens het eerste veldbezoek op 8 juni vloog een alarmerende witte kwikstaart uit de kapschuur. Tijdens dit bezoek en het tweede veldbezoek zaten verder vrijwel constant een paartje witte kwikstaart met 3 jongen op het dak van de te slopen schuur.
Foto 1. Paartje holenduif bij schuur (08-06-2020).
Pagina 9
4 Wet natuurbescherming 4.1
Toetsing aan Wet natuurbescherming
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Van de huismus zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en de nestlocaties jaarrond beschermd. Ook het leefgebied dat van belang is voor de functionaliteit van de vaste rust- en verblijfplaats is beschermd. Dat wil zeggen dat bijvoorbeeld essentiële foerageergebieden, schuilgelegenheden, uitkijkposten etc. ook beschermd zijn. Van de steenmarter zijn alleen de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd. De effecten op de huismus en steenmarter en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden en de relevante verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2).
4.1.1
Huismus
In de omgeving van het plangebied zijn verschillende territoria van de huismus aanwezig. Op basis van het gedrag van de mussen, de aanwezigheid van ruim voldoende geschikt leefgebied in de directe omgeving van het plangebied in de vorm van tuinbeplantingen, beukenhagen, fruitbomen, gazons, agrarische percelen en openbaar groen kan geconcludeerd worden dat het plangebied geen essentieel onderdeel van het leefgebied van deze huismussen vormt. Er is geen sprake van aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats of een functioneel leefgebied. Verder zal de inrichting van het plangebied in grote mate voorzien in alternatief leefgebied in de vorm van erfbeplanting, grazige vegetaties (bloemweide), gazon en groenstructuren (zie figuur 3). Tevens kunnen de nieuwbouwwoningen ook een nieuwe nestlocatie voor de huismus vormen. De sloop van de schuur en de geplande woningbouw heeft geen negatief effect op de instandhouding van de huismus en schaadt geen individuen door het ontbreken van nestlocaties in het plangebied.
Pagina 10
Voor de huismus hoeven geen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden. Er hoeft geen ontheffing aangevraagd te worden voor deze soort.
Figuur 3. Looweg groenerf optimalisatie 15 januari-01-01, bron: gemeente Oost Gelre.
4.1.2
Steenmarter
In het plangebied bevinden zich geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter. Het aanvragen van een ontheffing en het treffen van mitigerende en/of compenserende maatregelen is niet noodzakelijk voor deze soort.
4.2 Overige broedvogels 4.2.1 Beschermde status Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt, afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd.
Pagina 11
4.2.2 Gebruik van het plangebied In de te slopen schuur bevinden zich nestlocaties van de boerenzwaluw, holenduif, witte kwikstaart en mogelijk nestlocaties van andere vogels. Opgaande groenstructuren langs het plangebied worden mogelijk door diverse zangvogels gebruikt als nestlocatie. Door buiten het broedseizoen de aanwezige schuur te slopen is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de boerenzwaluw, holenduif, witte kwikstaart en andere vogelsoorten. Het wordt aanbevolen om voor deze soorten na afronding van de werkzaamheden weer nestgelegenheid te creëren in het plangebied, bijvoorbeeld door het ophangen van nestkasten.
Pagina 12
6 Conclusie Aan de hand van de resultaten van gericht onderzoek naar de huismus en steenmarter kan de volgende conclusie worden getrokken: In het plangebied bevinden zich geen nestlocaties van de huismus en het plangebied maakt geen deel uit van het essentiële leefgebied van deze soort. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor deze soort. In het plangebied bevinden zich geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor deze soort. Er moet er bij het uitvoeren van de werkzaamheden rekening worden gehouden met de aanwezigheid van (overige) broedvogels.
Pagina 13
Bijlagen 1 2
Resultaten veldonderzoek Wettelijk kader
Pagina 14
Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek huismus
= foeragerende huismus(sen) = rustende huismus(sen) = zandbadende huismus(sen) = territoriale huismus(sen)
Pagina 15
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 16
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 17
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 18
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 19
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •
•
•
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Pagina 20
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.
ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.
Pagina 21
3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.
Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •
ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;
Pagina 22
b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.
Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •
•
dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of
c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.
Pagina 23
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl
Pagina 24