bp woningbouw looweg toelichting bijlage 7 natuurwaardenonderzoek
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Looweg 27a in Harreveld In opdracht van Gemeente Oost Gelre
Colofon Quickscan natuurtoets Looweg 27a in Harreveld
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Oost Gelre Mevr. M. Kos
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2131 S.J.J. Wamelink Ing. R. Boerboom 26 juni 2020 Plangebied (foto: S.J.J. Wamelink)
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Colofon ............................................................................................................................... 1 Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5
Beschermde status plangebied .................................................................................... 6 3.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................ 7
3.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 7
3.3
Natura 2000 .......................................................................................................... 9
3.4
Houtopstanden ................................................................................................... 11
Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 12 4.1
Methode ............................................................................................................. 12
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 13
5
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 21
6
Conclusie ................................................................................................................... 26
Bijlage 1
Impressie plangebied ..................................................................................... 28
Bijlage 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 29
Bijlage 3
Beschermde plant- en diersoorten.................................................................. 37
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de voorgenomen plannen, om op het perceel aan de Looweg 27a in Harreveld een schuur te slopen en op de vrijgekomen grond woningbouw te realiseren, aanvullend onderzoek naar huismus en steenmarter noodzakelijk is. Uit het aanvullend onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Dit aanvullend onderzoek is ten tijde van het opstellen en afronden van de quickscan natuurtoets opgestart en afgerond. De resultaten en conclusies van dit onderzoek worden in een apart rapport verwerkt. Daarnaast moet rekening worden gehouden met broedvogels. Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Vogels die buiten het broedseizoen broeden zijn ook beschermd. Werkzaamheden mogen ook in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde natuurgebieden is niet aan de orde. Er is geen sprake van beschermde houtopstanden in het plangebied. Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.
Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om onder een schuur aan de Looweg 27a in Harreveld te slopen en op de vrijgekomen grond woningbouw te realiseren. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de gemeente Oost Gelre. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.
Pagina 3
1
Inleiding en doel
1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is in veel gevallen een gericht natuuronderzoek vereist. In eerste instantie is een quickscan natuurtoets noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken over het effect van de plannen op beschermde natuurgebieden en soorten. Indien negatieve effecten verwacht worden is nader onderzoek noodzakelijk. De gemeente Oost Gelre heeft een perceel aan de Looweg 27a in Harreveld aangekocht, om hier woningbouw te realiseren. Het betreft een planlocatie met daarop een schuur en graslandpercelen. De schuur wordt gesloopt. Voordat de gemeente Oost Gelre met de daadwerkelijke realisatie start dienen er diverse onderzoeken, waaronder onderzoek naar beschermde flora en fauna, plaats te vinden als voorbereiding op het aan te passen bestemmingsplan. Mevrouw Kos van de gemeente Oost Gelre is betrokken bij deze plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om hiervoor een quickscan natuurtoets uit te voeren.
1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.
Pagina 4
2
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden
2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Looweg 27a Harreveld Oost Gelre Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de noordoostrand van de woonkern Harreveld (zie figuur 1). Het plangebied wordt globaal begrensd door de Looweg aan de zuidoost- en zuidwestzijde, de parkeerplaats van sportpark ’t Hach en speeltuin ’t Spolhofke aan de noordwestzijde en aangrenzende woonerven aan de overige zijden. Het plangebied betreft een agrarische opstal, twee graslandpercelen en een paardenweide. In één van de percelen zijn puinrestanten van een reeds gesloopte schuur aanwezig. De aanwezige schuur is voorzien van een eensteensmuur en heeft een dak van asbest golfplaten. Twee afgesloten ruimtes zijn in gebruik als (tijdelijke) opslagruimtes en hobbyruimte. De achterzijde van de schuur is in gebruik als paardenstal. Langs de noordwestzijde van het gebouw is een lage uitbouw welke in gebruik als carport (zie figuur 2 en bijlage 1). De directe omgeving bestaat hoofdzakelijk uit woningen met bijbehorende tuinen, infrastructuur, agrarische percelen, openbaar groen, een begraafplaats, een speeltuin, een sportpark en een dorpshuis met parkeergelegenheid (zie figuur 2).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door de woonboerderij aan de Looweg 27, woonhuizen met bijbehorende tuinen en verhard oppervlak (zie figuur 2).
2.4 Geplande werkzaamheden De gemeente Oost Gelre heeft een perceel aan de Looweg 27a in Harreveld aangekocht, om hier woningbouw van maximaal 10 woningen te realiseren. Onder andere de aanwezige schuur wordt gesloopt.
Pagina 5
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2020).
Sportpark ’t Hach Speeltuin ’t Spolhofke
Erve ‘t Hag Looweg 27
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood) en het onderzoeksgebied (gele stippellijn), bron: Provincie Gelderland (2020).
Pagina 6
3
Beschermde status plangebied
3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. Daarnaast beschermt de Wet natuurbescherming bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen. In paragraaf 3.4 wordt het plangebied behandeld in relatie tot deze beschermde houtopstanden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN/GNN. De kernkwaliteiten van het NNN/GNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het
Pagina 7
type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.
3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). Op enige afstand van het plangebied (vanaf ruim 500 meter) bevindt zich de Veengoot en enkele bospercelen welke zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Verschillende agrarische percelen, en houtige lijnvormige elementen tussen en langs deze gebieden zijn aangewezen als ecologische verbindingszone in de vorm van GO’s.
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN, bron: Provincie Gelderland 2020.
Pagina 8
3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als stikstofdepositie, verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten.
3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ ligt op ruim 8,1 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4). Overige Nederlandse (o.a. ‘Bekendelle’, ‘Willinks Weust’ en ‘Wooldse Veen’) en enkele Duitse Natura 2000-gebieden waaronder ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ liggen op grotere afstand, vanaf circa 12,5 km. Door de aard en de beperkte omvang van de werkzaamheden en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000gebieden, worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten door de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden en de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Stikstofdepositie Stikstof is één van de grootste obstakels bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. In veel Natura 2000-gebieden is stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen.
Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats.
Pagina 9
Een aantal van de habitattypen en doelsoorten in het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ zijn gevoelig voor depositie van stikstof (bron: synbiosys.alterra.nl/natura2000). Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitat (H7120 Herstellende hoogvenen) bevindt zich op ruim 8,5 kilometer afstand van het plangebied. Doordat de woningen gasloos worden aangesloten, wordt er geen meetbare depositie in de gebruiksfase op het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ verwacht. De enige uitstoot tijdens de sloop-, bouw- en gebruiksfase is afkomstig van verkeersbewegingen. Het gaat echter om een kleinschalig nieuwbouwproject van maximaal 10 woningen op ruime afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied en de hier vastgestelde stikstofgevoelige habitats, waardoor er geen significante toename van verkeersbewegingen is ten opzichte van de huidige situatie. Door de ruime afstand tussen het plangebied en stikstofgevoelige habitats en de aard en beperkte omvang van de geplande activiteiten in zowel de sloopbouw- en gebruiksfase zijn negatieve effecten door stikstofdepositie op voorhand uit te sluiten. Het uitvoeren van een AERIUS-berekening is niet noodzakelijk.
Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld
Berkel
Korenburgerveen Willinks Weust
Bekendelle
Wooldse Veen Burlo-Vardingholter Venn und Entenschlatt
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000-gebieden (groen), bron: Provincie Gelderland (2020).
Pagina 10
3.4 Houtopstanden 3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.
3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.
3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Harreveld en bevat geen bomen (zie figuur 1). Van beschermde houtopstanden (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 21 bomen) is geen sprake. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook niet aan de orde.
Pagina 11
4
Beschermde soorten plangebied
4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.
4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker
Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
S.J.J. Wamelink
1
27-05-2020
09:00 uur
Onbewolkt, droog, 17°C, windkracht 2-3 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 12
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: •
•
Nationaal beschermde soorten: aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, grote bosmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis, waterspitsmuis en woelrat/molmuis1. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde amfibieënsoorten en één beschermde vissoort. Het betreft de volgende soorten: • •
Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander¹. Internationaal beschermde soorten: grote modderkruiper.
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde ongewervelde diersoorten.
1 Deze soorten zijn, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, grote bosmuis, steenmarter en
waterspitsmuis, in de provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina 13
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat deels uit bebouwing en verhard oppervlak en deels uit grasland. Eén perceel wordt begraasd door paarden en de overige graslandpercelen worden als hooiland beheerd. De aanwezige vegetatie wordt bepaald door algemene plantensoorten van voedselrijke omstandigheden, zoals Engels raaigras, grote brandnetel, grote vossenstaart, kropaar, madeliefje en smalle weegbree. De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten (zie paragraaf 4.2.1). Beschermde plantensoorten worden hier niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Op de muren van het te slopen pand zijn geen beschermde of bijzondere muurplanten aangetroffen. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving: boerenzwaluw, groenling, holenduif, kauw, kneu, koolmees, merel, Turkse tortel, witte kwikstaart en de jaarrond beschermde huismus. De aan het plangebied grenzende opgaande groenstructuren zijn geschikt als nestlocatie voor enkele vogelsoorten, als groenling, heggenmus en merel.
Een paartje holenduiven was tijdens het veldbezoek een nest aan het bouwen in de te slopen schuur, bovenop een steenuilenkast. De te slopen bebouwing is verder geschikt als nestlocatie voor soorten als witte kwikstaart, zwarte roodstaart en de jaarrond beschermde huismus, kerkuil en steenuil. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn, uitgezonderd de huismus, geen jaarrond beschermde vogelsoorten in het plangebied en in de directe omgeving waargenomen. Boomvalk, buizerd, ransuil, roek, sperwer en wespendief Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet waargenomen in het onderzoeksgebied. Ook zijn geen (recent) gebruikte horsten, ekster- en kraaiennesten of andere gebruikssporen (veren, uitwerpselen, plukplekken, prooiresten, braakballen, etc.) in de direct aan het plangebied grenzende groenelementen aangetroffen.
Door de ligging van het plangebied in de rand van de bebouwde kom van Harreveld, het ontbreken van bosschages met voldoende rust en dekking en het ontbreken van geschikte nestbomen, wordt deze locatie ongeschikt geacht als vaste rust- en verblijfplaats voor deze boombewonende soorten met
Pagina 14
jaarrond beschermde nesten. Incidenteel kan een jagend of overvliegend exemplaar van bijvoorbeeld een buizerd, ransuil, roek of sperwer in het plangebied worden waargenomen. Gierzwaluw Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoort bekend. Tijdens het veldbezoek is deze soort niet in het plangebied waargenomen. Het te slopen gebouw is ongeschikt als nestlocatie voor de gierzwaluw door de afwezigheid van geschikte nestruimten, zoals ruimten onder dakpannen, nissen achter regenpijpen en andere ruimten in de gevels of het dak. De in de omgeving waargenomen gierzwaluwen broeden vermoedelijk in de kerktoren van de SintAgathakerk in de bebouwde kom van Harreveld. Deze kerktoren lijkt potentieel geschikt als nestlocatie voor de gierzwaluw. Grote gele kwikstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde vogelsoort bekend. Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen. Beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. In het onderzoeksgebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart.
Incidenteel kan een rustend of overvliegend exemplaar worden waargenomen, maar van een essentieel leefgebied is geen sprake. Huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn diverse waarnemingen van deze jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoort bekend. Tijdens het veldbezoek zijn op en rond diverse woonhuizen aan de Looweg en Erve ‘t Hag zowel groepjes huismussen als zingende mannetjes aangetroffen. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied constant (foeragerende) huismussen waargenomen. De te slopen schuur is geschikt als nestlocatie voor huismussen. De schuur is tijdens het veldbezoek zowel van binnen als van buiten geïnspecteerd, waaruit is gebleken dat het beschikt over een pannendak met openingen en een dakgoot welke geschikt is voor huismussen. Aan de binnenzijde van de schuur zijn de aanwezige balken tevens geschikt als nestlocaties voor huismussen. Tijdens het veldbezoek zijn geen (bezette) nestlocaties van de huismus vastgesteld. De aanwezigheid van bezette nesten van de huismus is echter op basis van een eenmalig locatiebezoek niet volledig uit te sluiten. De direct aan het plangebied grenzend beukenhagen en tuinbeplantingen kunnen fungeren als slaap- en schuilplaats voor de huismus. Overige functies als een zandbad, foerageergebied of schuilgelegenheden in de vorm van beukenhagen, dichte struiken en klimopbeplanting zijn deels in het plangebied aanwezig.
Steenuil Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de jaarrond beschermde steenuil bekend. Ter hoogte van de te slopen schuur is één waarneming uit februari 2020 van een roepende steenuil bekend (bron: NDFF). De steenuil is een
Pagina 15
kenmerkende vogelsoort van erven van burgerwoningen en boerderijen in het agrarische cultuurlandschap. Het ideale leefgebied van de steenuil wordt bepaald door een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie, erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met vee en voldoende nestplaatsen in de vorm van boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen. Verder is het belangrijk dat er een gevarieerd prooiaanbod is in het territorium, dan wel de directe omgeving, zoals muizen, regenwormen en insecten. Het plangebied en de omgeving hiervan zijn geschikt als leefgebied voor de steenuil, door de aanwezigheid van alle bovengenoemde elementen. In de schuur is een steenuilenkast aanwezig. De kast is tijdens het veldbezoek gecontroleerd op aanwezigheid van sporen en eventueel (jonge) steenuilen. Deze zijn tijdens het veldbezoek niet in de kast, of elders in de schuur, aangetroffen. De nestkast is in ieder geval dit jaar niet in gebruik als nestlocatie voor de steenuil. Een directe aanwonende heeft dit ook tijdens het veldbezoek bevestigd. Betreffende buurtbewoner heeft als lid van de lokale steenuilenwerkgroep de aanwezige steenuilenkast een paar jaar geleden, na de sloop van de vorige nestlocatie, verplaatst naar de onderzochte schuur (zie figuur 5).
Hij geeft aan dat de steenuilenkast, na verplaatsing, niet meer in gebruik is geweest bij de steenuil. Incidenteel zijn hier wel waarnemingen van de steenuil verricht.
Figuur 5. Locatie voormalige nestlocatie steenuil (gele ster) en locatie steenuilenkast in te slopen schuur (rood).
Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is het plangebied niet van belang als nestlocatie of functioneel leefgebied.
Pagina 16
Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen (sporen van) beschermde zoogdieren aangetroffen in het plangebied. Het plangebied is geschikt als leefgebied/foerageergebied voor enkele grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, egel, grote bosmuis, haas, konijn, mol, steenmarter en diverse soorten (spits)muizen. De NDFF vermeldt, naast deze soorten, ook het voorkomen van de strikt beschermde eekhoorn en waterspitsmuis voor de omgeving van het plangebied. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, grote bosmuis, steenmarter en waterspitsmuis, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Kleine marterachtigen als bunzing en wezel Na de provincie Noord-Brabant en Noord-Holland zijn ook in de provincie Gelderland per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekend dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kan zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood. De NDFF vermeldt het voorkomen van de bunzing voor de omgeving van het plangebied. De aanwezigheid van de wezel wordt niet in de NDFF vermeldt, maar valt niet uit te sluiten voor het plangebied. De hermelijn is meer gebonden aan vochtige habitats en wordt niet in het plangebied verwacht.
Kleine marterachtigen als bunzing en wezel leven bij voorkeur in kleinschalige en afwisselende cultuurlandschappen en natuurgebieden. Belangrijke elementen in het leefgebied zijn een combinatie van kleine wateren en landschapselementen, zoals rietzomen, ruigten, houtwallen en greppels. Soms komen kleine marterachtigen ook voor in (randzones van) steden en dorpen met een natuurlijk karakter, zoals parken, braakliggend terrein, tuinen, etc. Kleine marterachtigen maken hun nestplaats onder andere in houtstapels, takkenhopen en soms in een hol in de grond. Ook worden oude schuurtjes, stallen en andere bouwwerken bewoond. De rustplaats wordt gemaakt in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das, maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. De wezel bewoont ook vaak oude holen van muizen, ratten en konijnen, die bekleed worden met veren of haren van prooidieren, als rustplaats. Kleine marterachtigen zijn actieve jagers en hebben meerdere jachtgebieden nodig in de directe omgeving van hun verblijfplaatsen. Dichte begroeiing, rommelhoekjes, holtes en kieren vormen het jachtgebied, evenals natuurgrasland, extensief beweide percelen, braakliggende terreinen en akkerranden. Deze terreinen moeten via verbindingszones bereikbaar zijn vanaf de nest- en verblijfplaats en in voldoende mate binnen het territorium beschikbaar zijn.
Pagina 17
Het plangebied is slechts marginaal geschikt als leefgebied voor kleine marterachtigen als de bunzing en eventueel wezel. In en langs de graslandpercelen zijn puinrestanten van een reeds gesloopte schuur aanwezig en mogelijk enkele muizenholen, welke potentieel geschikt zijn als nest- en verblijfplaats. Daarnaast grenst het plangebied aan beukenhagen, opgaande groenstructuren en tuinbeplantingen met lokaal potentieel geschikte nest- en verblijfplaatsen in de vorm van een muizenholletje. Goed ontwikkelde structuren, waaronder structuurrijke bosschages, ruigtevegetaties, oeverzones van sloten/beken en dergelijke ontbreken echter grotendeels in het plangebied. Het plangebied is dan ook slechts marginaal geschikt en in gebruik als foerageergebied en/of verbindingszone door de bunzing en eventueel wezel. In de omgeving zijn ruim voldoende structuren aanwezig welke wel geschikt zijn als essentieel foerageergebied, verbindingszone én nest- en verblijfplaats. Een vaste rust- en verblijfplaats van de bunzing of eventueel andere kleine marterachtige als wezel is in het plangebied dan ook uit te sluiten. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoorns waargenomen en er zijn geen bomen aanwezig. Door het ontbreken van bomen (met eekhoornnesten) beperkt het gebruik van het plangebied zich hooguit tot een enkel rondzwervend of foeragerend exemplaar.
De aanwezigheid van een vaste verblijfplaats in het plangebied is uit te sluiten. Grote bosmuis Er zijn waarnemingen van de strikt beschermde grote bosmuis bekend uit de omgeving van het plangebied (bron: NDFF). De grote bosmuis komt voor in allerlei soorten biotopen, mits er enige dekking is zoals lage begroeiing of verspreid liggende stenen. Zo komt hij in Nederland voornamelijk voor in bosranden met weinig ondergroei, parken, braakliggend land en tuinen. Hij heeft een voorkeur voor oude open eiken- en beukenbossen, met een uitgebreide struiklaag en weinig ondergroei. De grote bosmuis bouwt een nest van bladeren en mos als verblijfplaats en bevindt zich meestal onder wortelstronken van grote bomen ondergronds, onder boomstronken of in nestkasten. Ze graven zelden zelf een hol maar gebruiken holen van onder andere mol, konijn, woelmuizen of das. Incidentele waarnemingen zijn verder ook, en dan voornamelijk in de winter, in kleine agrarische opstallen en tuinhuisjes vastgesteld. Het plangebied is marginaal geschikt als leefgebied voor de grote bosmuis. Door het ontbreken van bosschages, struwelen, greppelranden e.d. ontbreken potentiele verblijflocaties in de vorm van takkenhopen, mols- en muizenholen en boomwortels. Het gebruik van het plangebied beperkt zich hooguit tot een rondzwervend exemplaar. Essentieel leefgebied wordt hier niet verwacht.
Pagina 18
Steenmarter Uit de omgeving van Harreveld zijn vanuit de NDFF enkele waarnemingen van de steenmarter bekend (bron: NDFF). Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen. Tijdens het veldbezoek zijn geen steenmarters en/of sporen, zoals wissels, pootafdrukken, krabsporen, uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of verblijfplaats. Sporen zijn echter niet altijd te vinden direct rondom de verblijfplaats. Delen van de te slopen schuur, waaronder de hooizolder en de achterzijde van het gebouw (paardenstal), zijn vrij toegankelijk voor de steenmarter. Daarnaast zijn de puinrestanten van de reeds gesloopte schuur potentieel geschikt als verblijfplaats (dagrustplaats en eventueel kraamverblijfplaats) voor de steenmarter. Een verblijfplaats van deze soort is dan ook niet uit te sluiten in het plangebied. Waterspitsmuis Er zijn waarnemingen van de strikt beschermde waterspitsmuis bekend uit de omgeving van het plangebied (bron: NDFF). De waterspitsmuis komt voor in en langs schoon, niet te voedselrijk, vrij snel stromend tot stilstaand water met een behoorlijk ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers.
Hij komt voor bij beken, rivieren, sloten, plassen en daar waar grondwater opwelt. De waterspitsmuis komt alleen daar voor waar bodembedekkende vegetatie aanwezig is en waar binnen een straal van 500 meter water is te vinden. Bovendien moet er in de oevers voldoende schuilmogelijkheid zijn waar de waterspitsmuis zich kan terugtrekken om zijn prooien op te eten. Door het ontbreken van stilstaand of stromend water met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie is de aanwezigheid van de waterspitsmuis in het plangebied uit te sluiten. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen De te slopen schuur is door het ontbreken van een stabiel microklimaat en geschikte verblijfruimten, zoals bijvoorbeeld een open spouw, ruimte onder dakpannen, een donkere zolderruimte of andere nauwe ruimte ongeschikt voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en gewone/grijze grootoorvleermuis.
De te slopen schuur is niet voorzien van een dakbeschot en zijn tochtig door diverse openingen aan de gevels en in het dak. Daarnaast zijn de twee afgesloten ruimtes niet vrij
Pagina 19
toegankelijk via kieren, gaten e.d. Er zijn in en rond de te slopen gebouwen verder geen sporen van vleermuizen, zoals uitwerpselen of prooiresten, waargenomen. De te slopen schuur is ongeschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Geschikte verblijfsruimten voor boombewonende vleermuizen zijn dan ook niet te verwachten. Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen Het plangebied is door de beperkte omvang en het ontbreken van robuuste en/of aaneengesloten opgaande groenstructuren niet van belang als foerageergebied of vliegroute voor vleermuizen. Ook direct rondom het plangebied zijn geen belangrijke foerageergebieden of vliegroutes te verwachten, die mogelijk beïnvloed kunnen worden door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Open water ontbreekt in het plangebied en voortplanting van amfibieën wordt niet in het plangebied verwacht. Het plangebied is (plaatselijk) marginaal geschikt als landbiotoop voor een enkele weinig kritische en algemene soorten als bruine kikker en gewone pad.
Incidenteel kan een exemplaar van deze soorten in het plangebied aangetroffen worden. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Vanuit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde reptielensoorten bekend voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Deze worden ook niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Vissen Permanent open water ontbreekt in het onderzoeksgebied, waardoor het voorkomen van (beschermde) vissen waaronder de in de NDFF vermelde grote modderkruiper (zie paragraaf 4.2.1) uitgesloten is. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. De NDFF vermeldt geen beschermde ongewervelde diersoorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Beschermde ongewervelde diersoorten worden ook niet in het plangebied verwacht, door het ontbreken van geschikt leefgebied.
Pagina 20
5
Wet natuurbescherming
De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Uit de NDFF zijn ook geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend uit het plangebied en de directe omgeving. Deze worden ook niet in het plangebied verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk.
Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Werkzaamheden moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Vogels die buiten het broedseizoen broeden zijn ook beschermd. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels, zoals de holenduif die in het plangebied
Pagina 21
broedt, verstoord worden. Er moet dan wel zijn uitgesloten dat er geen sprake is van een nestlocatie van de jaarrond beschermde huismus in het plangebied. Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn In het plangebied bevindt zich zeer waarschijnlijk nestlocaties van de huismus en een speciale nestkast voor de steenuil. Er bevinden zich in het plangebied geen nestlocaties van overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de uit de omgeving bekende boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en wespendief. De functionaliteit van het leefgebied van deze overige soorten wordt eveneens niet aangetast door de geplande activiteiten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor overige jaarrond beschermde soorten. Huismus De te slopen schuur wordt zeer waarschijnlijk als nestlocatie door de huismus gebruikt. Bij het slopen van dit gebouw gaan mogelijk nestlocaties verloren. Artikel 3.1 lid 2 van de Wet natuurbescherming biedt bescherming aan alle in gebruik zijnde nesten van de huismus. De nesten en het functioneel leefgebied van deze nestlocaties zijn jaarrond beschermd. Het verloren gaan van deze nestlocaties is een overtreding van de Wet natuurbescherming.
Hiervoor is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk en dienen alternatieven aangeboden te worden. Een quickscan natuurtoets kan in beeld brengen of er huismussen aanwezig of mogelijk aanwezig zijn. Aan de hand van dit vooronderzoek kan de potentiële aanwezigheid van de huismus en functies van het plangebied worden ingeschat. Er kan echter geen antwoord gegeven worden op de vraag hoeveel nesten er aanwezig zijn en waar deze nesten zich bevinden in een gebouw. Ook kan er dan geen informatie worden gegeven over de gunstige staat van instandhouding van de populatie. Als de quickscan tot uitkomst heeft dat er huismussen aanwezig zijn of mogelijk aanwezig zijn, moet aanvullend onderzoek aangeven waar en voor welke functies de huismus het gebied of het object gebruikt (bron: Kennisdocument Huismus, BIJ12). Aanvullend onderzoek tijdens het broedseizoen is noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van bezette nesten en om de exacte aantallen broedparen te bepalen. Hiervoor moeten 2 veldbezoeken uitgevoerd worden in de periode van 1 april tot en met 20 juni tussen 1 à 2 uur na zonsopkomst en 1 à 2 uur voor zonsondergang (bron: Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming, Netwerk Groene Bureaus). Steenuil In de te slopen schuur is een speciale steenuilenkast aanwezig.
Op basis van de bevindingen van het veldbezoek, waarbij geen verse sporen of steenuilen in en/of bij de kast zijn vastgesteld, en de aanvullende informatie verkregen van de lokale steenuilenwerkgroep kan men concluderen dat deze ook niet (meer) in gebruik is. Incidenteel gebruik van het plangebied vindt wel plaats. Vermoedelijk betreft het hier een exemplaar welke in de omgeving zijn nestlocatie heeft of een rondzwervend individu
Pagina 22
zonder een vaste nestlocatie en/of partner. Bij het slopen van dit gebouw zal dus geen vaste rust- en verblijfplaats van de steenuil verloren gaan en is er geen sprake van een overtreding van de Wet natuurbescherming. Het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk en dienen geen alternatieven aangeboden te worden. Wel wordt sterk aangeraden de aanwezige steenuilenkast te verplaatsen naar een, voor de steenuil vrij toegankelijke, schuur/stal of deze op te hangen in een solitaire (fruit)boom op een erf of in een weiland in de omgeving van het plangebied. De exacte locatie kan bijvoorbeeld bepaald worden in overleg met een deskundig ecoloog of een vrijwilliger van de lokale steenuilenwerkgroep. Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht in het plangebied. Voor overige jaarrond beschermde vogelsoorten is het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied leefgebied/foerageergebied voor enkele grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, egel, grote bosmuis, haas, konijn, mol, steenmarter en diverse soorten (spits)muizen. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de bunzing, grote bosmuis en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Kleine marterachtigen als bunzing De kleine marterachtige bunzing is strikt beschermd in de provincie Gelderland. Het voorkomen is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het plangebied voldoet slechts marginaal aan de eisen voor het leefgebied van de bunzing en eventueel wezel. Het is uitgesloten dat het plangebied behoort tot een essentieel onderdeel van het leefgebied van de bunzing of wezel door het ontbreken van voldoende rust en dekking in de vorm van opgaande, lijnvormige groenstructuren en geschikte (permanente) verblijfplaatsen. De geplande woningbouw en sloop van de schuur leidt niet tot aantasting van (de functionaliteit van) een vaste rust- en verblijfplaats van de bunzing of eventueel wezel. Nader onderzoek naar het voorkomen van kleine marterachtigen of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Eekhoorn Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de eekhoorn. Door het ontbreken van opgaande groenstructuren ontbreken potentiele verblijflocaties in de vorm van bomen met boomnesten. Het gebruik van het plangebied beperkt zich hooguit tot een rondzwervend exemplaar. Essentieel leefgebied wordt hier niet verwacht. Nader onderzoek naar het voorkomen van de eekhoorn of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk.
Grote bosmuis Het plangebied is slechts marginaal geschikt als leefgebied voor de grote bosmuis. Door het ontbreken van bosschages, struwelen, greppelranden e.d. ontbreken grotendeels
Pagina 23
potentiele verblijflocaties in de vorm van takkenhopen en boomwortels. Lokaal kan wel een geschikte verblijfplaats in de vorm van een enkele muizenhol verwacht worden. In de omgeving is echter ruim voldoende, en meer geschikt, leefgebied in de vorm van bijvoorbeeld boerenerven met opgaande beplantingen, bospercelen en houtsingels aanwezig. Nader onderzoek naar het voorkomen van de grote bosmuis of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Steenmarter Het voorkomen van deze beschermde soort is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het te slopen gebouw is deels toegankelijk voor de steenmarter en geschikt als vaste rust- en verblijfplaats. Om vast te stellen of er sprake is van een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter is uitgebreid sporenonderzoek tijdens de voortplantingsperiode (april – juli) noodzakelijk, waarbij eventueel wildcamera’s worden ingezet. Dit onderzoek kan gecombineerd worden met het veldonderzoek naar de huismus. Waterspitsmuis Het plangebied is ongeschikt als leefgebied voor de waterspitsmuis. Door het ontbreken van stilstaand of stromend water met een goed ontwikkelde oever- en watervegetatie is de aanwezigheid van de waterspitsmuis uit te sluiten. Nader onderzoek naar het voorkomen van de waterspitsmuis of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk.
Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Ja → 2. Zijn de te slopen gebouwen potentieel geschikt als kraam-, zomer-, paar- en (massa)winterverblijfplaats van gebouwbewonende vleermuizen? Nee → Nader onderzoek naar kraam-, zomer-, paar-, en (massa)winterverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. 3. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk.
Pagina 24
4. Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee → Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk aangezien er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen geen verblijfplaatsen, (essentieel) foerageergebied of vliegroutes worden aangetast. Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van enkele algemene soorten niet te verwachten in het plangebied. Voor de mogelijk aanwezige algemeen voorkomende amfibieën geldt in de provincie Gelderland automatisch een vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.
Pagina 25
6
Conclusie
Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande inrichting. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de volgende soorten: • •
Huismus Steenmarter
Er moet verder rekening worden gehouden met overige broedvogels. Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden.
Pagina 26
Bijlagen 1 2 3
Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten
Pagina 27
Bijlage 1 Impressie plangebied
Pagina 28
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 29
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •
•
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 30
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 31
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.