CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp woningbouw kapelweg toelichting bijlage 11 quickscan natuurtoets

Gemeenteraad 5 juli 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Buitengebied herziening woningbouw Kapelweg Vragender’, beeldkwaliteitsplan ‘Kapelweg Vragender’10.629 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quickscan natuurtoets Perceel Pastoor Scheepersstraat-Kapelweg in Vragender

In opdracht van Gemeente Oost Gelre

Colofon Quickscan natuurtoets perceel Pastoor Scheepersstraat-Kapelweg in Vragender

Opdrachtgever Contactpersoon

Gemeente Oost Gelre

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2268

30 maart 2021 Plangebied

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5

2.4

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5

Beschermde status plangebied .................................................................................... 7 3.1

Gebiedsbescherming ............................................................................................ 7

3.2

Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 7

3.3

Natura 2000 .......................................................................................................... 8

3.4

Houtopstanden ................................................................................................... 11

Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 12 4.1

Methode ............................................................................................................. 12

4.2

Resultaten .......................................................................................................... 13

5

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 20

6

Conclusie ................................................................................................................... 23

Bijlage 1

Impressie plangebied ...................................................................................... 25

Bijlage 2

Wettelijk kader Wet natuurbescherming .......................................................... 26

Bijlage 3

Beschermde plant- en diersoorten................................................................... 34

Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande activiteit, bestaande uit het realiseren van nieuwbouwwoningen op een perceel op de hoek van de Pastoor Scheepersstraat - Kapelweg in Vragender, het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming niet noodzakelijk is. Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met broedvogels. Indien werkzaamheden en activiteiten plaatsvinden buiten het broedseizoen is de kans op conflicten met broedende vogels het kleinst. Bezette nesten mogen, ongeacht de tijd van het jaar, niet worden verstoord. Uitgezonderd het uitvoeren van een AERIUS-berekening is nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde natuurgebieden niet aan de orde. Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is ook niet aan de orde. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om op een perceel op de hoek van de Pastoor Scheepersstraat - Kapelweg in Vragender nieuwbouwwoningen te realiseren. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de Gemeente Oost Gelre.

Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna en voerde veldonderzoek uit op de locatie.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Op een perceel op de hoek van de Pastoor Scheepersstraat - Kapelweg in Vragender is men voornemens nieuwbouwwoningen te realiseren. Voor deze activiteit verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. Gemeente Oost Gelre is initiatiefnemer voor deze plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om een quickscan natuurtoets uit te voeren. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Om in te schatten wat het effect van de plannen is op beschermde natuurgebieden en beschermde soorten wordt een quickscan natuurtoets uitgevoerd.

1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande activiteiten schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Pastoor Scheepersstraat - Kapelweg (WVG Perceel LTV S 507) Vragender Oost Gelre Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de noordrand van de woonkern Vragender (zie figuur 1). Het plangebied bestaat uit een agrarisch perceel. Dit perceel wordt begrenst door verharding, wegbermen en agrarische percelen. De directe omgeving van het plangebied bestaat onder andere uit de woonkern Vragender, agrarische percelen, bomenrijen, kleine bosschages, verharding, (woon)boerderijen en de ruïne van de Sint-Jacobskapel (zie figuur 2). Het plangebied betreft een maïsakker (zie figuur 2 en bijlage 1).

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande activiteiten op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door agrarische percelen, bosschages, bomenrijen, woonhuizen met tuinen, een woonboerderij met schuren, een eikenbosje en de ruïne van de Sint-Jacobskapel (zie figuur 2).

2.4 Geplande werkzaamheden De gemeente Oost Gelre is voornemens om het perceel op de hoek van de Pastoor Scheepersstraat – Kapelweg woningbouw te realiseren. In overleg met woningzoekenden en verdere belanghebbenden zal een verkavelingsplan opgesteld worden. De verwachting is dat voor deze locatie in 2021 kavels uitgegeven kunnen worden.

Pagina 5

Figuur 1. Globale ligging het plangebied (rood). Bron: Provincie Gelderland (2021).

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood) en het onderzoeksgebied (gele stippellijn). Bron: Provincie Gelderland (2021).

Pagina 6

3 Beschermde status plangebied 3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden. Daarnaast beschermt de Wet natuurbescherming bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen. In paragraaf 3.4 wordt het plangebied behandeld in relatie tot deze beschermde houtopstanden

3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het NNN/GNN. Er vinden geen ruimtelijke ontwikkelingen plaats. De kernkwaliteiten van het NNN/GNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.

3.2.2 Gelderse Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland wordt in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het GNN in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling

Pagina 7

van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.

3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). De beeklopen van de Visserijbeek, Vragenderbeek en Weijenborgerbeek met begeleidende bosschages en bomenrijen, diverse bospercelen in de Besselinkschans, een enkele bos- en heideterrein in het Vragenderveld en het Vragenderveen met zijn hoogveengebied en aangrenzende hoogveen- en eikenberkenbossen zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Enkele agrarische percelen en bosschages rondom deze GNN natuurgebieden zijn aangewezen als GO (zie figuur 3).

Voshuttedijk

Besselinkschans

Vragenderveld Visserijbeek

Vragenderbeek

Vragenderveen

Weijenborgerbeek

Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN, bron: Provincie Gelderland 2021.

3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Met uitzondering van een AERIUS-berekening zijn ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging,

Pagina 8

geluidsverstoring of lichtverstoring op voorhand uit te sluiten. Een AERIUS-berekening wordt noodzakelijk geacht.

3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.

3.3.3 Plangebied In het plangebied wordt woningbouw gerealiseerd. Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ ligt op korte afstand van het plangebied, circa 1,7 kilometer (zie figuur 4). Overige Natura 2000gebieden, waaronder ‘Bekendelle’, ‘Willinks Weust’ en een enkel Duitse Natura-gebied als ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ liggen op ruimere afstand, vanaf 7,4 km. Door de aard van de werkzaamheden en door de afstand tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en overige Natura 2000-gebieden, worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven van desbetreffende Natura 2000-gebieden verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten door de ruime afstand tot Natura 2000-gebieden, met uitzondering van stikstofdepositie. Stikstofdepositie Stikstof is één van de grootste obstakels bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. In veel Natura 2000-gebieden, waaronder ook het nabijgelegen ‘Korenburgerveen’, is de overbelasting door stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudings-doelstellingen.

Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats. Een aantal van de habitattypen in het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ zijn gevoelig voor depositie van stikstof (bron: Natura2000.nl). Realisatie- en gebruiksfase Er is tijdens de bouwfase door het in te zetten materieel tijdelijk sprake van extra stikstofdepositie. Daarnaast is er sprake van een permanente toename van stikstofdepositie door de nieuw te realiseren woningen, bijvoorbeeld als gevolg van toenemend verkeer. Door de ingreep en de fysieke afstand van het plangebied tot de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ (vanaf 2 kilometer), waaronder ‘H7120: Herstellende hoogvenen’, ‘H91E0C: Vochtige alluviale bossen (beekbegeleidende bossen)’, ‘H7210: Galigaanmoerassen’, ‘H6410:

Pagina 9

Blauwgraslanden’ en ‘H3130: Zwakgebufferde vennen’ zijn negatieve effecten door stikstofdepositie niet uit te sluiten. Een AERIUS-berekening wordt daarom noodzakelijk geacht. Witte Venn, Krosewicker Grenzwald

Schwattet Gatt

Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld

Berkel Korenburgerveen

Willinks Weust

Bekendelle

Wooldse Veen Burlo-Vardingholter Venn und Entenschlatt

Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden (blauw en rood gearceerd), bron: Provincie Gelderland 2021.

Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van nabijgelegen stikstofgevoelige habitattypen in het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ (zwarte gearceerd en cyaan), bron: Provincie Gelderland 2021.

Pagina 10

3.4

Houtopstanden

3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.

3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.

3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt buiten de bebouwde kom (zie figuur 1). In het plangebied staan echter geen bomen. Er is dus geen sprake van een beschermde houtopstand welke aangetast wordt en een kapmelding bij de provincie Gelderland is niet aan de orde.

Pagina 11

4 Beschermde soorten plangebied 4.1

Methode

Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.

Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor een zoekgebied met een straal van circa 1 km rond het plangebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten, uit de afgelopen 10 jaar.

Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig kunnen zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker Bezoekronde 1

Datum

Tijd

Weersomstandigheden

18-03-2021

12.00 uur

Bewolkt, motregen, 5 °C, wind 2-3 Bft

Tabel 1. Veldonderzoek.

Pagina 12

4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.

Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor het zoekgebied geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen hier of in de omgeving wel een territorium bezetten, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de NDFF vermelde boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten: • •

Nationaal beschermde soorten: bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, steenmarter en veldmuis1. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en tweekleurige vleermuis.

Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde amfibieënsoorten: • •

Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): kamsalamander en poelkikker.

Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor het zoekgebied melding van het voorkomen van de volgende beschermde ongewervelde diersoorten: • •

Nationaal beschermde soorten: gevlekte witsnuitlibel, grote weerschijnvlinder, iepenpage en sleedoornpage. Internationaal beschermde soorten (Habitatrichtlijn): teunisbloempijlstaart.

1 Deze soorten zijn in de provincie Gelderland, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, gevlekte

witsnuitlibel, grote weerschijnvlinder, iepenpage, sleedoornpage en steenmarter, vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Pagina 13

Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat uit een agrarisch perceel (maïsakker) begrensd door verharding, wegbermen en agrarische percelen. De natuurlijke vegetatie in het plangebied bestaat uit algemene plantensoorten van voedselrijke en ruderale omstandigheden, zoals fluitenkruid, gewone hoornbloem, kropaar, madeliefje, paardenbloem species, paarse dovenetel, vogelmuur, witte dovenetel en zachte ooievaarsbek. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten voor de omgeving van het plangebied. Deze worden in het plangebied ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn in het onderzoeksgebied de volgende vogelsoorten aangetroffen: groenling, houtduif, kauw, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, spreeuw en Turkse tortel. In de directe omgeving zijn, bij de woonboerderij aan de Pastoor Scheepersstraat 41 en verspreid in de woonkern Vragender, huismussen waargenomen. In de aan het plangebied grenzende bomen, struiken en bosschages kunnen algemene soorten als houtduif, merel, roodborst en vink broeden.

Het agrarisch perceel biedt geschikte nestlocaties voor een enkele akkervogel als kievit en patrijs. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief, waarvan de nesten jaarrond (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het perceel aan de Pastoor Scheepersstraat 41 en in de woonkern Vragender enkele huismussen vastgesteld. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief Jaarrond beschermde boombewonende soorten zijn niet waargenomen in het onderzoeksgebied. In en direct grenzend aan het plangebied zijn, uitgezonderd één bezet eksternest, geen (recent) gebruikte roofvogelnesten, (oude) roeken- en kraaiennesten of andere gebruikssporen van deze soorten (veren, uitwerpselen, plukplaatsen, prooiresten, braakballen, etc.) aangetroffen. Door het ontbreken van geschikte nestbomen in het plangebied, wordt het plangebied ongeschikt geacht als vaste rust- en verblijfplaats voor jaarrond beschermde boombewonende soorten. Gebruik van het plangebied, en directe omgeving, beperkt zich vermoedelijk tot een enkel foeragerend of rustend exemplaar.

Pagina 14

Gierzwaluw, huismus, kerkuil en steenuil Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoorten bekend. Tijdens het veldbezoek zijn in de omgeving van het plangebied enkele huismussen waargenomen. In de omgeving van het plangebied bevinden zich diverse woonhuizen, enkele (woon)boerderijen, stallen, schuren, paardenstallen en fruitbomen die potentieel geschikt zijn als nestlocatie voor deze soorten. Het plangebied is door het ontbreken van geschikte nestgelegenheid ongeschikt als broedlocatie voor deze soorten. Incidenteel kan een enkel foeragerend exemplaar in het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is eveneens geen sprake. Grote gele kwikstaart Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde vogelsoort bekend. Tijdens het veldbezoek is de soort niet waargenomen. Beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. In het onderzoeksgebied ontbreekt het aan geschikte broedlocaties voor de grote gele kwikstaart. Incidenteel kan een overvliegend exemplaar worden waargenomen, maar van een essentieel leefgebied is geen sprake.

Ooievaar Tijdens het veldbezoek zijn geen ooievaars aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is niet geschikt als nestlocatie voor deze soort. Sporadisch kan een overvliegend exemplaar in de het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn de volgende (sporen van) grondgebonden zoogdieren aangetroffen in het plangebied: haas en muis onbekend. Mogelijk gebruikt verder een enkele soorten als egel, konijn, mol en enkele algemene (spits)muizen het plangebied als foerageergebied of leefgebied. De NDFF bevestigt de aanwezigheid van deze soorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. De NDFF maakt ook melding van de strikt beschermde bunzing, eekhoorn en steenmarter voor de omgeving van het plangebied. Bunzing

Per 1 maart 2019 zijn in de provincie Gelderland de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming. Dit betekend dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kan zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren

Pagina 15

worden gedood. In de NDFF zijn enkele waarnemingen van de bunzing bekend voor de omgeving van het plangebied. Door hun verborgen levenswijze blijven de bunzing en overige kleine marterachtigen als hermelijn en wezel echter vaak onopgemerkt. Door de afwezigheid van bosschages, (braam)struwelen, stapels stenen en hout, ruigtehoekjes en rommelige schuren is een verblijfplaats van de bunzing en een overige kleine marterachtige uit te sluiten in het plangebied. Deze elementen zijn lokaal wel buiten het plangebied aanwezig. Een omliggende bosschages en ruigtehoekjes zijn geschikt als leefgebied en vaste verblijfplaats voor de bunzing en eventueel overige kleine marterachtigen als hermelijn en wezel. Door het ontbreken van geschikt leefgebied en vaste verblijfplaatsen beperkt het gebruik van het plangebied zich hooguit tot een enkele rondzwervende kleine marterachtige. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoorns waargenomen. Een enkele boom direct grenzend aan het plangebied is potentieel geschikt als verblijfplaats voor de eekhoorn. Tijdens het veldbezoek zijn deze bomen geïnspecteerd op aanwezigheid van boomnesten. Deze zijn hier niet aangetroffen. Door het ontbreken van bomen met eekhoornnesten en de geïsoleerde ligging van het plangebied ten opzichte van grotere bosgebieden beperkt het gebruik van het plangebied zich hooguit tot een enkel rondzwervend exemplaar.

De aanwezigheid van een vaste verblijfplaats in het plangebied is uit te sluiten. Steenmarter Er zijn enkele waarnemingen van de strikt beschermde steenmarter uit de omgeving van het plangebied bekend (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek zijn geen (verse) sporen van steenmarters gevonden of steenmarters waargenomen. De steenmarter is echter hoofdzakelijk ’s nachts actief. Door het ontbreken van gebouwen in de vorm van schuurtjes en stallen en takkenrillen is de aanwezigheid van een dag- en kraamverblijfplaats uit te sluiten. Het plangebied is slechts marginaal geschikt en alleen incidenteel in gebruik als foerageergebied en/of migratieroute door de steenmarter. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen vaste verblijfplaatsen van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als oude beukenbomen met holten (boommarter) en burchtlocaties (das) aangetroffen. Het bronnenonderzoek bevestigt daarnaast de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren als de boommarter en das voor de omgeving van het plangebied.

Pagina 16

Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en tweekleurige vleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het plangebied bevinden zich geen gebouwen die kunnen fungeren als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuissoorten als gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en tweekleurige vleermuis. Een verblijfplaats van een gebouwbewonende soort is hier uit te sluiten. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied bevinden zich geen bomen met geschikte holten die kunnen fungeren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten als de gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis. In de bomen direct grenzend aan het plangebied bevinden zich geen (geschikte) holten die eventueel kunnen fungeren als verblijfplaats voor boombewonende vleermuissoorten. Een verblijfplaats van een boombewonende soort, zoals de gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis, is hier uit te sluiten. Vliegroutes en foerageergebied(en) Het plangebied is door het open, agrarisch karakter niet geschikt als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen. Net buiten het plangebied is een enkele bomenrij lokaal geschikt als foerageergebied. Incidenteel gebruik door een passerende of foeragerende vleermuis is mogelijk.

De aanwezigheid van een essentieel foerageergebied en eventueel een vliegroute is hier uit te sluiten door de afwezigheid van robuuste en lijnvormige groenstructuren. Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Deze zijn echter grotendeels ook in winterrust op het moment van het veldbezoek (half maart). De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker. Open water ontbreekt, waardoor het plangebied ongeschikt is als voortplantingshabitat voor amfibieën. Een enkele nabijgelegen greppel is potentieel geschikt als voortplantingsbiotoop voor een enkele algemene amfibieënsoort als bruine kikker en gewone pad. Deze greppels zijn niet geschikt als voortplantingsbiotoop voor strikt beschermde amfibieënsoorten, waaronder de in de NDFF vermelde kamsalamander en poelkikker. Incidenteel kan hooguit een zwervend exemplaar van bijvoorbeeld een bruine kikker of gewone pad in het plangebied worden aangetroffen. Strikt beschermde soorten worden hier niet verwacht. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde reptielen aangetroffen. Deze zijn echter op het moment van het veldbezoek (half maart) grotendeels niet waar te nemen. De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van het voorkomen van

Pagina 17

beschermde reptielen (zie paragraaf 4.2.1). Deze worden ook niet verwacht in het plangebied en de directe omgeving, door het ontbreken van geschikte leefgebieden. Vissen Permanent open water ontbreekt in het plangebied, waardoor het voorkomen van (beschermde) vissen uitgesloten is. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen. Deze zijn echter op het moment van het veldbezoek (half maart) grotendeels niet waar te nemen. De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van het voorkomen van de nationaal beschermde ongewervelde diersoorten gevlekte witsnuitlibel, grote weerschijnvlinder, iepenpage, sleedoornpage en de internationaal beschermde teunisbloempijlstaart (Habitatrichtlijn). Gevlekte witsnuitlibel De gevlekte witsnuitlibel is op de hoge zandgronden een kenmerkende libellensoort van vegetatierijke vennen en duikt regelmatig op nieuwe plekken op. In het Vragenderveen, en het aansluitende Korenburgerveen, zijn populaties van deze libellensoort bekend. Door de afwezigheid van vegetatierijke vennen is het plangebied geen leefgebied voor deze soort. Incidenteel kan hier een rondzwervend exemplaar aangetroffen worden. Grote weerschijnvlinder, iepenpage en sleedoornpage In de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de grote weerschijnvlinder, iepenpage en sleedoornpage bekend (bron: NDFF).

Voortplanting van deze dagvlindersoorten wordt in het plangebied en direct hieraan grenzend niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in de vorm van oudere, vochtige loofbossen met (bos)wilgen en iepen, sleedoornstruwelen en vrijstaande pruimen. Incidenteel kan een rondzwervend exemplaar in het plangebied aangetroffen worden. Teunisbloempijlstaart Uit de omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen van deze strikt beschermde nachtvlindersoort bekend (bron: NDFF). De teunisbloempijlstaart is Europees beschermd via de Habitatrichtlijn. Het leefgebied van de teunisbloempijlstaart bestaat voornamelijk uit vochtige open plekken in bossen en bosranden, vooral in rivierdalen. De soort wordt echter ook gevonden op zandige, braakliggende en ruderale terrein in en rond het stedelijk gebied. Waardplant van deze nachtvlinder is de teunisbloem, maar de rupsen worden ook op andere planten uit de familie Onagraceae aangetroffen. De vlinders vliegen in mei-juni, de rups leeft van juni tot september op de waardplant en van september tot mei verblijft de soort als pop in de strooisellaag (bron: Vlinderstichting). In het plangebied zijn geen rozetten en uitgebloeide bloemstengels van teunisbloem of andere waardplanten aangetroffen. Het plangebied is hierdoor ongeschikt als leefgebied van de teunisbloempijlstaart en voortplanting van deze soort wordt hier niet verwacht.

Pagina 18

Pagina 19

5 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd (zie bijlage 3). In hoofdstuk 4 is vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie en is bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. In dit hoofdstuk worden deze effecten getoetst aan de verbondsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan.

Werkzaamheden moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen in het plangebied. Omdat niet alle vogelsoorten op hetzelfde moment broeden en omdat dit mede afhankelijk is van de weersomstandigheden is er geen vaste broedperiode vastgesteld. Er zijn voorbeelden van vroege broeders zoals de blauwe reiger en de bosuil. Deze broeden vaak al in februari. Daarnaast broeden soorten als houtduif en meerkoet vaak nog tot in augustus. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels, verstoord worden.

Pagina 20

Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief Het plangebied is ongeschikt als nestlocatie voor soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, zoals de uit de omgeving bekende boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer, steenuil en wespendief, vanwege het ontbreken van geschikte nestlocaties. Het onderzoeksgebied behoort ook niet tot het essentieel leefgebied van deze of overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing is niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn enkele hazen en sporen van muizen in het plangebied aangetroffen. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor enkele soorten als egel, haas, konijn, mol en enkele algemene (spits)muizen, en wordt mogelijk incidenteel doorkruist door een enkel exemplaar van de bunzing, eekhoorn en steenmarter. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van bunzing, eekhoorn en steenmarter, in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Bunzing, eekhoorn en steenmarter Het voorkomen van deze beschermde soorten is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen en/of essentiële leefgebieden aanwezig zijn.

Hiervan is geen sprake in het plangebied. De geplande activiteiten leiden niet tot aantasting of verstoring van vaste verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van bunzing, eekhoorn en steenmarter. Nader onderzoek naar het voorkomen van deze soorten, of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor overige beschermde, grondgebonden zoogdiersoorten. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging VZZ. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Nee 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee → Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk.

Pagina 21

3. Maken de struiken, gewassen, boom (bomen) deel uit van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Nee → Nader onderzoek naar foerageergebieden en routes van vleermuizen is niet noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk aangezien er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen geen verblijfplaatsen, (essentiële) foerageergebieden of vliegroutes worden aangetast. Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van de algemene bruine kikker en gewone pad, niet te verwachten in het plangebied. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.

Pagina 22

6 Conclusie Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets in het onderzoeksgebied kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Door de aard en door de afstand tussen het plangebied en het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven door directe verstoringsfactoren verwacht. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Significante negatieve effecten door stikstofdepositie op gevoelige habitats van het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ zijn op voorhand niet uit te sluiten. Een AERIUS-berekening is daarom noodzakelijk. Houtopstanden Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk voor beschermde plant- en diersoorten. Er moet wel rekening worden gehouden met broedvogels.

Activiteiten moeten bij voorkeur buiten het broedseizoen worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden, waarbij voorkomen wordt dat broedvogels zich vestigen op de planlocaties. Werkzaamheden mogen in het broedseizoen plaatsvinden, zo lang er maar geen broedvogels verstoord worden.

Pagina 23

Bijlagen 1 2 3

Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten

Pagina 24

Bijlage 1 Impressie plangebied

Pagina 25

Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn: • • • • •

Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.

Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.

Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.

Pagina 26

Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).

Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes • •

•

Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.

Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.

Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.

Pagina 27

Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.

Pagina 28

2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • • • • •

in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;

c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.

Pagina 29

3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig: • • •

•

•

in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;

Pagina 30

c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.

ter voorkoming van schade of overlast, met inbegrip van schade aan sportvelden, schietterreinen, industrieterreinen, kazernes, of begraafplaatsen; c. ter beperking van de omvang van de populatie van dieren, in verband met door deze dieren ter plaatse en in het omringende gebied veelvuldig veroorzaakte schade of in verband met de maximale draagkracht van het gebied waarin de dieren zich bevinden; d. ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren; e. in het kader van bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; f. in het kader van bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; g. in het kader van bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied, of h. in het algemeen belang.

Pagina 31

3. De verboden, bedoeld in het eerste lid, onderdelen a, en b, zijn niet van toepassing op de bosmuis, de huisspitsmuis en de veldmuis voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden. Artikel 3.11 1. Bij ministeriële regeling kan worden bepaald dat de bij die regeling aan te wijzen verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel b of c niet van toepassing zijn ten aanzien van bij die regeling aan te wijzen soorten, op bij die regeling aan te wijzen categorieën van handelingen die na een voorafgaande melding aan gedeputeerde staten worden uitgevoerd om een reden, genoemd in artikel 3.8, vijfde lid, onderdeel b, of in artikel 3.10, tweede lid. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening regels stellen waaraan een melding als bedoeld in het eerste lid moet voldoen.

Gedragscodes De verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.2, zesde lid, 3.5, 3.6 tweede lid, of 3.10, en de krachtens artikel 3.11, eerste lid, geldende verplichting tot melding, zijn niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door Onze Minister goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van: a. een bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; b. een bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of de bosbouw; c. een bestendig gebruik, of d. ruimtelijke ontwikkeling of inrichting. 2. Een gedragscode als bedoeld in het eerste lid wordt goedgekeurd, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. in de gedragscode worden handelingen beschreven die nodig zijn voor: • • •

ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op vogels, één van de in artikel 3.3, vierde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, genoemde redenen; ingeval het handelingen betreft die invloed kunnen hebben op dieren als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel a, of van planten als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdeel c, één van de in artikel 3.8, vijfde lid, of in artikel 3.10, tweede lid, onder a, e, f of g, genoemde redenen;

Pagina 32

b. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, geen benutting of economisch gewin plaatsvindt; c. in de gedragscode een wijze van uitvoering van handelingen is beschreven, waarmee naar het oordeel van Onze Minister afdoende is gewaarborgd dat ten aanzien van de soorten, bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste of vijfde lid, 3.10, eerste lid, zorgvuldig wordt gehandeld.

Zorgvuldig handelen Van zorgvuldig handelen als bedoeld in het tweede lid, onderdeel c, is in elk geval sprake, indien is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. er worden slechts handelingen verricht waarvan geen wezenlijke invloed uitgaat op de soorten, bedoeld in het tweede lid, en b. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op dieren wordt voorafgaand en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken dat: • •

•

dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden gedood; nesten van vogels worden vernield, beschadigd of weggenomen, rustplaatsen van vogels worden vernield of beschadigd, dan wel voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de in artikel 3.5, eerste lid, of artikel 3.10, eerste lid, bedoelde dieren worden beschadigd of vernield, en eieren van dieren als bedoeld in artikel 3.1, 3.5, eerste lid, of 3.10, eerste lid, worden vernield, of

c. ingeval handelingen worden verricht die invloed hebben op planten van soorten als bedoeld in artikel 3.5, vijfde lid, of 3.10, eerste lid, wordt voorafgaand aan en tijdens de handelingen in redelijkheid alles verricht of gelaten om te voorkomen dat deze planten worden geplukt, afgesneden, ontworteld of vernield. 4. Alvorens een gedragscode als bedoeld in het eerste lid, of een wijziging daarvan, goed te keuren of in te trekken, overlegt Onze Minister met gedeputeerde staten over zijn voornemen daartoe.

Pagina 33

Bijlage 3 Beschermde plant- en diersoorten Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn).

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Niet-vogels) Naam

Wetenschappelijke naam

Soortgroep

Verdrag/ Richtlijn

baardvleermuis

Myotis mystacinus ssp. mystacinus

Zoogdierenvleermuizen

Bern II, HR IV

Weekdieren

HR IV

Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenlandzoogdieren Amfibieën

Bern II, HR IV HR IV

bataafse stroommossel Unio crassus bechsteins vleermuis

Myotis bechsteini

bever

Castor fiber ssp. albicus

boomkikker

Hyla arborea ssp. arborea

bosvleermuis

Nyctalus leisleri ssp. leisleri Myotis brandti ssp. brandti

brandts vleermuis

brede Dytiscus latissimus geelrandwaterroofkever donker Maculinea nausithous pimpernelblauwtje drijvende Luronium natans waterweegbree franjestaart Myotis nattereri

Zoogdierenvleermuizen Zoogdierenvleermuizen Insecten-kevers Insectendagvlinders Zaadplanten Zoogdierenvleermuizen Insecten-libellen

gaffellibel

Ophiogomphus cecilia

geel schorpioenmos

Hamatocaulis vernicosus

geelbuikvuurpad

Bombina variegata ssp. variegata Graphoderus bilineatus

Insecten-kevers

Leucorrhinia pectoralis

Insecten-libellen

Pipistrellus pipistrellus

Zoogdierenvleermuizen

gestreepte waterroofkever gevlekte witsnuitlibel gewone dwergvleermuis

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11625149/1