CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp vossenburcht toelichting bijlage 12 aanvullend onderzoek natuurwaarden

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Herziening Vossenburcht Lievelde' en beeldkwaliteitsplan ‘Woonpark Vossenburcht Lievelde’5.507 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aanvullend natuuronderzoek Voormalig Vion-terrein (locatie Vossenburcht) in Lievelde

In opdracht van gemeente Oost Gelre

Colofon Aanvullend natuuronderzoek voormalig Vion-terrein (locatie Vossenburcht) in Lievelde

Opdrachtgever Contactpersoon

Gemeente Oost Gelre

Opdrachtnemer

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel

Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad

2192

03 november 2020 Plangebied

Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl

Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1

2

3

4

5

Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1

Inleiding ................................................................................................................ 4

1.2

Doel ...................................................................................................................... 4

Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1

Gegevens plangebied ........................................................................................... 5

2.2

Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5

2.3

Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5

2.4

Geplande werkzaamheden ................................................................................... 6

Methodiek aanvullend onderzoek................................................................................. 9 3.1

Vleermuizen.......................................................................................................... 9

3.2

Kleine marterachtigen ......................................................................................... 10

3.3

Steenmarter ........................................................................................................ 11

3.4

Levendbarende hagedis ..................................................................................... 12

3.5

Grote weerschijnvlinder ...................................................................................... 13

3.6

Teunisbloempijlstaart .......................................................................................... 13

Resultaten aanvullend onderzoek .............................................................................. 14 4.1

Vleermuizen........................................................................................................ 14

4.2

Kleine marterachtigen ......................................................................................... 15

4.3

Steenmarter ........................................................................................................ 15

4.4

Levendbarende hagedis ..................................................................................... 15

4.5

Grote vos ............................................................................................................ 16

4.6

Grote weerschijnvlinder ...................................................................................... 16

4.7

Teunisbloempijlstaart .......................................................................................... 16

4.8

Overige beschermde soorten .............................................................................. 16

Wet natuurbescherming ............................................................................................. 18 5.1

Gewone dwergvleermuis .................................................................................... 18

5.2

Grote vos ............................................................................................................ 19

5.3

Vogels................................................................................................................. 20

5.4

Grondgebonden zoogdieren en amfibieën .......................................................... 21

6

Conclusie ................................................................................................................... 22

Bijlage 1

Resultaten veldonderzoek .............................................................................. 24

Samenvatting Uit het gericht onderzoek blijkt dat de voorgenomen plannen, om in het uiterste westelijke en het zuidoostelijke deel van het voormalig Vion-terrein in Lievelde (nu bekend als de Vossenburcht) woningbouw te realiseren, een negatief effect heeft op het (essentieel) leefgebied van de grote vos. Tijdens een eerder uitgevoerde quickscan natuurtoets is vastgesteld dat er geen beschermde soorten van overige soortgroepen verwacht worden (SA-rapport 2103). Het aanvragen van een ontheffing en het opstellen van een mitigatie- en compensatieplan voor de grote vos is noodzakelijk. Er dient verder bij de geplande werkzaamheden rekening gehouden te worden met vogelsoorten als bosrietzanger, gekraagde roodstaart, grasmus, nachtegaal en ringmus. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient voorkomen te worden dat broedvogels zich lokaal vestigen. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd. Voor overige soort(groep)en is het aanvragen van een ontheffing niet noodzakelijk, aangezien er geen overtredingen van de Wet natuurbescherming optreden. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om in een deel van het voormalig Vion-terrein in Lievelde woningbouw te realiseren. Hiervoor dienen o.a.

opgaande groenstructuren verwijderd te worden. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van de gemeente Oost Gelre.

Pagina 3

1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling verlangt de huidige wetgeving een gedegen onderzoek naar flora en fauna in verband met de zorgplicht die de Wet natuurbescherming een plannenmaker oplegt. De gemeente Oost Gelre is voornemens om woningen te bouwen in haar gemeente om de leefbaarheid in de kleine kernen te verhogen. Na een jarenlange periode, waarin het aantal woningtransacties beperkt was en prijzen kelderen, zit de woningmarkt weer in de lift. Inmiddels zijn de effecten hiervan ook zichtbaar in de gemeente Oost Gelre. Er is op dit moment nauwelijks woningaanbod binnen de gemeente. Om die reden is er een intensief traject opgestart met de inwoners van de kleine kernen om de toekomstige woningbouwkansen per kern in beeld te brengen. Een aantal van deze locaties zijn in bezit van de gemeente, zo ook het voormalig Vion-terrein in Lievelde (nu bekend als de Vossenburcht). Voordat de gemeente Oost Gelre met daadwerkelijke realisatie start dienen er diverse onderzoeken plaats te vinden als voorbereiding op het aan te passen bestemmingsplan.

Staring Advies heeft daarom eerder een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd (SSA, rapportnummer 2109) en is tot de conclusie gekomen dat aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen, steenmarter, vleermuizen (foerageergebied en vliegroute), levendbarende hagedis, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart noodzakelijk is. Van de beschermde dagvlindersoort grote vos is tijdens het veldbezoek voor de quickscan natuurtoets al de aanwezigheid reeds aangetoond in het plangebied. Mevrouw is namens de gemeente Oost Gelre betrokken bij de plannen en heeft Staring Advies opdracht gegeven voor dit aanvullende onderzoek.

1.2 Doel Ruimtelijke plannen kunnen conflicterend zijn met de Wet natuurbescherming, wanneer er sprake is van negatieve effecten op beschermde soorten. Het doel van het natuuronderzoek is om te inventariseren of er door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van vaste verblijfplaatsen, (essentieel) foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen, vaste rust- en verblijfplaatsen en essentieel leefgebied van steenmarter en de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel en essentieel leefgebied van levendbarende hagedis, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart. Voor overige beschermde soorten is tijdens de quickscan natuurtoets aangetoond dat negatieve effecten op deze soorten op voorhand uit te sluiten zijn (m.u.v. overige broedvogels). Van de beschermde dagvlindersoort grote vos is tijdens het veldbezoek voor de quickscan natuurtoets al de aanwezigheid reeds aangetoond in het plangebied.

Pagina 4

2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Vion-terrein (Park Vossenburcht) Lievelde Oost Gelre Gelderland

2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de noordrand van de woonkern Lievelde. Het gebied wordt globaal begrensd door de Bergstraat, Stationsstraat, het Koningsplein, de spoorlijn Winterswijk-Zutphen, een begraafplaats, dorpshuis ‘Bernard Vos Clubhuus’ en opgaande groenstructuren (zie figuur 1 en 2). Het plangebied, waar ooit slachthuis Vos/slachterij Vion stond, is de afgelopen jaren omgevormd tot een recreatief natuurpark met twee vijvers en wandel- en fietspaden. Daarnaast zijn in het midden van het terrein boomstronken geplaatst waar kinderen kunnen spelen, zijn delen van het terrein ingezaaid met een akkerrandmengsel, is een deel in gebruik als crossbaantje en zijn er enkele solitaire bomen geplant. Grote delen van het terrein zijn braakliggend met lokaal bremstruwelen. In de oost- west- en zuidrand van het plangebied bevindt zich opgaande beplanting welke zich kenmerkt door een deels open karakter met ruigten en (verwilderde/aangeplante) tuinplanten. In het noordelijke deel van het plangebied, parallel aan het spoor, bevindt een (tijdelijke) parkeerplaats (zie figuur 2 en bijlage 1). Bebouwing is aanwezig in de vorm van een oud portiersgebouw van de voormalige slachterij en een klein schuurtje achter het portiersgebouw. Voor het portiersgebouw zelf wordt een separaat traject doorlopen. Dit gebouwtje valt dan ook niet binnen het plangebied.

De directe omgeving bestaat uit de woonkern Lievelde met woonhuizen, een kerk en naastgelegen begraafplaats, het treinstation Lichtenvoorde-Groenlo, een spoorlijn, enkele (woon)boerderijen met erfbeplanting, agrarische percelen en het Sportpark Del Akker (zie figuur 2).

2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door bebouwing (woonkern), weilanden, de Christus Koningkerk met aangrenzende begraafplaats en het treinstation Lichtenvoorde-Groenlo met bijbehorende parkeerplaats en bushalte (zie figuur 2).

Pagina 5

2.4 Geplande werkzaamheden De gemeente Oost Gelre is voornemens om woningen te bouwen in haar gemeente om de leefbaarheid in de kleine kernen te verhogen. Na een jarenlange periode, waarin het aantal woningtransacties beperkt was en prijzen kelderden, zit de woningmarkt weer in de lift. Inmiddels zijn de effecten hiervan ook zichtbaar in de gemeente Oost Gelre. Er is op dit moment nauwelijks woningaanbod binnen de gemeente. Om die reden is er een intensief traject opgestart met de inwoners van de kleine kernen om de toekomstige woningbouwkansen per kern in beeld te brengen. Een aantal van deze locaties zijn in bezit van de gemeente, zo ook het voormalig Vion-terrein in Lievelde (nu bekend als Park Vossenburcht). Voordat de gemeente Oost Gelre met daadwerkelijke realisatie start dienen er diverse onderzoeken plaats te vinden als voorbereiding op het aan te passen bestemmingsplan. Eerste ideeën woonpark Vossenburcht (maart 2020) De geplande woningbouw zal zich in het uiterste westelijke en het zuidoostelijke deel van het park centreren (zie figuur 3). Daarnaast blijft het portiersgebouw behouden door er een kas omheen te plaatsen en de parkeergelegenheden aan de noordzijde worden aangepast/uitgebreid. De overige delen van het park, waaronder de beide vijvers, blijven grotendeels intact.

Hier zal de ruimtelijke ontwikkeling zich beperken tot onder andere aanpassing van de padenstructuur. Voor het portiersgebouw wordt een separaat traject doorlopen en valt niet binnen het plangebied.

Pagina 6

Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2020).

Sportpark Del Akker Treinstation

LIEVELDE

Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd) en het onderzoeksgebied (geel), bron: Provincie Gelderland (2020). Blauw: portiersgebouw.

Pagina 7

Figuur 3. Voorlopige inrichtingsschets (maart 2020), bron: gemeente Oost Gelre.

Pagina 8

3 Methodiek aanvullend onderzoek Op basis van de landelijk erkende protocollen voor gericht natuuronderzoek is de onderzoeksintensiteit bepaald. Voor het vleermuisonderzoek is het Vleermuisprotocol, opgesteld door de Zoogdiervereniging VZZ, in samenwerking met het Netwerk Groene Bureaus en de Gegevensautoriteit Natuur, richtinggevend. Voor het onderzoek naar levendbarende hagedis zijn de Soortinventarisatieprotocollen van het Netwerk Groene Bureaus richtinggevend. Het onderzoek naar de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel is overeenkomstig de voorstellen uit het document ‘Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel, december 2019) uitgevoerd. Onderzoek naar de steenmarter is gecombineerd met het veldonderzoek naar kleine marterachtigen en het veldonderzoek naar andere soortgroepen. Voor de grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart zijn (nog) geen inventarisatieprotocollen beschikbaar.

3.1 Vleermuizen Het plangebied is door de aanwezigheid van groenstructuren, ruigteranden en water geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. Het is daarom niet uit te sluiten dat het verwijderen/aantasten van de aanwezige groenstructuren een negatief effect kan hebben op (essentieel) foerageergebied en mogelijk een vliegroute. Verder kan met name toename van (kunst)licht tijdens de bouw- en gebruiksfase van het plangebied zorgen voor een significant negatief effect.

3.1.1 Methodiek Het vleermuisprotocol adviseert bij het vermoeden op (essentieel) foerageergebied en vliegroute de volgende onderzoeksinspanning: •

Bij het vermoeden op (essentieel) foerageergebied en vliegroute van de te verwachten vleermuissoorten (gewone dwergvleermuis, gewone / bruine grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en tweekleurige vleermuis) dient gericht vleermuisonderzoek uitgevoerd te worden middels 2 avondbezoeken in de periode 15 april – 1 oktober, waarvan één veldbezoek in de kraamperiode (15 mei – 15 juli).

De bezoeken zijn allen te voet uitgevoerd. Hierbij moet worden opgemerkt dat het onderzoeksgebied iets groter is dan het weergegeven plangebied. Dit wordt gedaan omdat, ook al vinden de werkzaamheden binnen de grenzen van het plangebied plaats, deze werkzaamheden ook verstoring kunnen opleveren voor vleermuizen die zich mogelijk net buiten het plangebied bevinden. Het plangebied is door zijn openheid en aanwezigheid van verharding en wandelpaden zeer overzichtelijk.

Pagina 9

Door de onderzoeksintensiteit is een volledig beeld ontstaan over de aanwezigheid van en het gebiedsgebruik door vleermuizen (zie tabel 1). Ronde

Functie

Foerageergebied en 1 vliegroute Foerageergebied en 2 vliegroute Tabel 1. Veldonderzoek vleermuizen.

Datum Begintijd Eindtijd Weersomstandigheden 08-062020 17-092020

21:45 uur

00:00 uur

19:45 uur

22:35 uur

Bewolkt, droog, 17-13°C, wind 1-2 Bft Onbewolkt, droog, 17-12°C, wind 2-3 Bft

3.2 Kleine marterachtigen Kleine marterachtigen zijn door hun verborgen leefwijze en lage dichtheden lastig op te sporen. Om de drie soorten kleine marters vast te stellen worden doorgaans verschillende methoden gebruikt. Bij meerdere soorten is een combinatie van methoden noodzakelijk. Op basis van habitatgeschiktheid worden de volgende kleine marterachtigen in het gebied verwacht: • • •

Bunzing Hermelijn Wezel

De minimale inzet van het aantal inventarisatiematerialen verschilt per methode en is afhankelijk van de grootte van het terrein (bron: ‘Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel, december 2019)). Om de aanwezigheid van de drie soorten kleine marters vast te stellen is gebruik gemaakt van een combinatie van de volgende methoden: • •

Cameraval met lokmiddel (specifiek voor bunzing), type ‘Struikrover 3.5’. Marterbox (type ‘Mostela’), met cameraval type Bushnell Trophy Cam Aggressor, voor hermelijn, wezel en mogelijk bunzing.

De apparatuur is ingezet in de meest kansrijke landschapselementen als houtsingels, waterpassages, bosschages, overgangen tussen ruigte en korte vegetaties etc. Dit onderzoek is verricht in de periode waarop de dieren het meest actief zijn, te weten van mei tot en met augustus (zie tabel 2). De trefkans van alle drie de kleine marterachtigen is het hoogst in de nazomer en het najaar, na de zomerse aanwas door voortplanting. In het najaar zijn er veel jonge dieren aanwezig. Tevens zijn volwassen dieren, vooral de mannetjes, dan territoriaal actief met het afbakenen van hun territorium. In de onderzoeksperiode zijn de eenheden bestaande uit enkele cameravallen en marterboxen zes weken in het gebied geplaatst. Tijdens deze periode zijn de eenheden zo min mogelijk beroerd om verstoring te voorkomen. Na ongeveer 3 weken zijn de eenheden éénmalig gecontroleerd op sporen en eventuele schade en zijn gelijk de geheugenkaartjes van de camera’s vervangen. Na zes weken zijn de eenheden opgehaald, de fotobeelden van de

Pagina 10

cameravallen en de camera’s in de marterboxen zijn achter de computer geanalyseerd en de aangetroffen zoogdieren/marters zijn op naam gebracht. In totaal zijn in het plangebied 3 wildcamera’s en 1 marterbox met wildcamera geplaatst (zie figuur 4).

Figuur 4. Monsterpunten kleine marteronderzoek. Rood: wildcamera en oranje: marterbox.

Ronde

Functie

Datum

Begintijd

Eindtijd

Weersomstandigheden

07:30 uur

09:50 uur

Onbewolkt, droog, 17°C, wind 12 Bft

Verblijfplaats + functioneel leefgebied Plaatsen eenheden 1

22-052020

Controle op sporen, eventuele schade en vervangen geheugenkaartjes camera’s 2

12-062020

08:00 uur

10:25 uur

Bewolkt, droog, 14°C, wind 3-4 Bft

09:30 uur

Onbewolkt, droog, 20°C, wind 23 Bft

Ophalen eenheden 10-0708:00 uur 2020 Tabel 2. Veldonderzoek kleine marterachtigen. 3

3.3 Steenmarter Onderzoek naar de steenmarter is gecombineerd met het veldonderzoek naar kleine marterachtigen en het veldonderzoek naar andere soortgroepen. Er is gericht gezocht naar

Pagina 11

verse bewoningssporen, zoals latrines, prooiresten, krab- en knaagsporen, wissels etc. Daarnaast zijn cameravallen ingezet (zie tabel 2).

3.4 Levendbarende hagedis Voor het inventariseren van leefgebied van de levendbarende hagedis is een combinatie van het zoeken naar individuen via het lopen van een vaste route en controle van vooraf uitgelegde reptielenplaatjes de meeste geschikte methode. Volgens de richtlijnen van het Soortinventarisatieprotocollen Wet Natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus dient dit onderzoek zoveel mogelijk plaats te vinden in de periode 15 april-1 juni en 1 augustus-1 september (optimale periode). Hierbij zit minstens 1 maand tussen het eerste en het laatste veldbezoek. De reptielenplaatjes zijn minstens één maand voorafgaand aan het eerste veldbezoek in het gebied uitgelegd (gewenning). In totaal zijn twee raaien van elk 5 reptielenplaatjes in het plangebied uitgelegd (zie figuur 5). Het onderzoek is uitgevoerd tijdens geschikte weersomstandigheden als (merendeels) zonnige dagen met temperaturen tussen 12 en 20 graden Celsius (zie tabel 3). Vanwege de late gunning van het veldbezoek (eind april) was er slechts beperkte tijd beschikbaar tussen het uitleggen van de reptielenplaatjes en het eerste veldbezoek. Daarom zijn 2 van de 3 veldbezoeken in de optimale periode(n) uitgevoerd en is één veldbezoek buiten de optimale periode (juni-juli) uitgevoerd.

Dit onderzoek valt echter nog wel binnen de richtlijnen van de Soortinventarisatieprotocollen Wet Natuurbescherming (versie juli 2017) van het Netwerk Groene Bureaus.

Figuur 4. Levendbarende hagedis. Blauw: raai met reptielenplaatjes en gele stippellijn: looproute.

Pagina 12

Ronde

Functie

Datum

Begintijd

28-040 2020 29-051 Leefgebied 08:50 uur 2020 12-062 Leefgebied 08:20 uur 220 14-093 Leefgebied 08:30 uur 2020 Tabel 3. Veldonderzoek levendbarende hagedis.

Eindtijd

Weersomstandigheden

Uitleggen reptielenplaatjes

11:00 uur 10:30 uur 10:30 uur

Onbewolkt, droog, 14-19°C, wind 1-2 Bft Onbewolkt, droog, 15-21°C, wind 2-3 Bft Onbewolkt, droog, 13-22°C, wind 0-1 Bft

3.5 Grote weerschijnvlinder De opgaande groenstructuren in het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor de grote weerschijnvlinder. Naar verwachting zal een (essentieel) deel van het potentieel leefgebied van de grote weerschijnvlinder door de ruimtelijke ontwikkeling verloren kunnen gaan. Om de aan- of afwezigheid van de grote weerschijnvlinder aan te tonen is de onderzoeksinspanning bepaald aan het gedrag van deze soort. Het aantal vlinders op de bekende vliegplaatsen van de grote weerschijnvlinder is vaak laag. Om de trefkans te vergroten en hiermee de aanwezigheid aan te tonen zijn twee veldbezoeken in de periode half juni - begin augustus, met de nadruk op de periode half juni – half juli, uitgevoerd (zie tabel 4). Ronde

Functie

Datum

Begintijd

12-061 Leefgebied 10:30 uur 220 15-072 Leefgebied 15:20 uur 2020 Tabel 4. Veldonderzoek grote weerschijnvlinder.

Eindtijd 12:30 uur 17:15 uur

Weersomstandigheden Onbewolkt, droog, 21-23°C, wind 2-3 Bft Half bewolkt, droog, 17°C, wind 2-3 Bft

3.6 Teunisbloempijlstaart Delen van het plangebied zijn geschikt als leefgebied voor de teunisbloempijlstaart. Het betreft de locaties waar diverse rozetten en uitgebloeide bloemstengels van teunisbloemen (Oenothera sp.) zijn aangetroffen. Mogelijk kan een (essentieel) deel van het potentieel leefgebied van de teunisbloempijlstaart, door de ruimtelijke ontwikkeling, verloren kunnen gaan. De aanwezigheid van deze strikt beschermde nachtvlindersoort is het beste vast te stellen door in de periode juni – september, met de nadruk op de periode half juli – 1 augustus, naar volgroeide rupsen te zoeken. Hiervoor zijn twee veldbezoeken uitgevoerd (zie tabel 5). Ronde

Functie

Datum

26-061 Leefgebied 2020 15-072 Leefgebied 2020 Tabel 5. Veldonderzoek teunisbloempijlstaart.

Begintijd

Eindtijd

07:45 uur

09:50 uur

13:30 uur

15:20 uur

Weersomstandigheden Onbewolkt, droog, 17-25°C, wind 2-3 Bft Half bewolkt, droog, 17°C, wind 2-3 Bft

Pagina 13

4 Resultaten aanvullend onderzoek In dit hoofdstuk worden de resultaten van het veldonderzoek besproken. Van de beschermde dagvlindersoort grote vos is de aanwezigheid reeds aangetoond in het plangebied (SSA, rapportnummer 2109).

4.1 Vleermuizen Tijdens het veldonderzoek zijn de volgende vleermuissoorten aangetroffen in, of direct grenzend aan, het plangebied: • • •

Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis

Van deze soorten is alleen van de gewone dwergvleermuis foerageergebied in het plangebied aangetroffen. Van de rosse vleermuis is alleen een enkele waarneming van een passerend/overvliegend exemplaar vastgesteld. Net buiten het plangebied, nabij Natuursteenbedrijf Rozema aan de Bergstraat 9, is éénmalig een passerende laatvlieger waargenomen.

4.1.1 Gewone dwergvleermuis Tijdens het gericht vleermuisonderzoek zijn in het plangebied enkele foeragerende gewone dwergvleermuizen waargenomen. Foerageergebied Tijdens vrijwel alle bezoeken is er in het plangebied een enkel foeragerend individu vastgesteld. Een groot deel hiervan is hier slechts een korte tijd foeragerend waargenomen waarna de dieren weer verder vlogen. In de zuidoosthoek van het plangebied werd er vaak langere tijd gefoerageerd. Vermoedelijk betreft het hier exemplaren waarvan de verblijfplaats in één van de woonhuizen aan de Bergstraat bevindt. Vliegroute Het centrale deel van het plangebied is open van karakter met voornamelijk grazige vegetaties, een tweetal vijvers/poelen en opslag van brem. Opgaande groenstructuren bevinden zich in het plangebied voornamelijk in de zuid- en oostrand van het plangebied. Deze elementen zijn wel in gebruik als foerageergebied, maar concentraties van passerende gewone dwergvleermuizen zijn hier niet vastgesteld. Een vliegroute is dus niet in plangebied aanwezig.

4.1.2 Laatvlieger Op 8 juni is één passerende laatvlieger nabij Natuursteenbedrijf Rozema aan de Bergstraat 9 waargenomen. Er zijn geen laatvliegers binnen het plangebied, en direct hieraan

Pagina 14

grenzend, aangetroffen. Er zijn geen verblijfplaatsen, vliegroutes of essentiële foerageergebieden van de laatvlieger vastgesteld in het plangebied.

4.1.3 Rosse vleermuis Tijdens het avondbezoek op 8 juni zijn boven het plangebied twee overvliegende rosse vleermuizen waargenomen. Geen van de dieren had een binding met het plangebied. In het plangebied zijn geen bomen met voor vleermuizen geschikte holtes aanwezig. Geschikte verblijfsruimten voor boombewonende vleermuizen als gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis zijn dan ook niet te verwachten. Ook is geen sprake van een vliegroute of een essentieel foerageergebied.

4.2 Kleine marterachtigen Tijdens het onderzoek naar kleine marterachtigen zijn in het plangebied geen waarnemingen van kleine marterachtigen gedaan. Zowel bij de eerste als de tweede/laatste controleronde zijn bij de ingezette wildcamera’s (type ‘struikrover’ en Mostela) op geen van de gemaakte opnamen beelden van kleine marterachtigen aangetroffen. De volgende soorten zijn wel op beeld aangetroffen: bosmuis, egel, (loslopende) hond, huiskat en konijn. Op basis van het veldonderzoek is de conclusie dat er geen vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen in het plangebied aanwezig zijn. Het plangebied is eveneens geen functioneel leefgebied voor kleine marterachtigen. Incidenteel gebruik door een rondzwervende kleine marterachtige is echter niet uit te sluiten.

4.3 Steenmarter Tijdens het veldonderzoek zijn geen sporen en/of verblijfplaatsen van de steenmarter in het plangebied vastgesteld. Tevens zijn er tijdens het onderzoek naar kleine marterachtigen op geen van de gemaakte opnamen steenmarters aangetroffen. Op basis van het veldonderzoek is de conclusie dat er geen (recente) vaste rust- en verblijfplaatsen van de steenmarter in het plangebied aanwezig zijn. Incidenteel gebruik door een rondzwervende steenmarter is echter niet uit te sluiten.

4.4 Levendbarende hagedis Tijdens het veldonderzoek zijn geen levendbarende hagedissen in het plangebied vastgesteld. Op basis van het veldonderzoek is de conclusie dat het plangebied niet in gebruik is als (essentieel) leefgebied van de levendbarende hagedis.

Pagina 15

4.5 Grote vos Tijdens het veldonderzoek voor de quickscan natuurtoets op 17 maart is een exemplaar van de grote vos in het plangebied vastgesteld (zie foto 1). Op 15 juli is hier, tijdens het veldbezoek voor de grote weerschijnvlinder, wederom een grote vos waargenomen (zie foto 2).

Foto 1. Grote vos (17 maart 2020).

Foto 2. Grote vos (15 juli 2020).

4.6 Grote weerschijnvlinder Tijdens het veldonderzoek is de grote weerschijnvlinder niet in het plangebied vastgesteld. Op basis van het veldonderzoek is de conclusie dat het plangebied niet in gebruik is als (essentieel) leefgebied van de grote weerschijnvlinder.

4.7 Teunisbloempijlstaart Tijdens het veldonderzoek zijn er geen rupsen of imago’s van de teunisbloempijlstaart in het plangebied vastgesteld. Op basis van het veldonderzoek is de conclusie dat het plangebied niet in gebruik is als (essentieel) leefgebied van de teunisbloempijlstaart.

4.8 Overige beschermde soorten 4.8.1 Vogels Uitgezonderd de jaarrond beschermde vogelsoorten keren het merendeel van de vogels vaak terug naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Net als jaarrond beschermde vogelsoorten zijn alle ‘overige’ vogelsoorten beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Tijdens diverse veldbezoeken zijn

Pagina 16

verspreid in het plangebied nesten en zingende exemplaren van diverse ‘overige’ vogelsoorten aangetroffen. Met name waarnemingen van bosrietzanger, gekraagde roodstaart, grasmus, nachtegaal en ringmus zijn het vermelden waard.

4.8.2 Grondgebonden zoogdieren Tijdens diverse veldbezoeken zijn de volgende algemene, grondgebonden zoogdiersoorten in het plangebied aangetroffen: bosmuis, egel, haas en konijn. Deze soorten zijn in de provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter voor deze soorten blijft de zorgplicht van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild voorkomende dieren en planten, dus ook niet-beschermde en vrijgestelde soorten, en hun leefomgeving.

4.8.3 Amfibieën Tijdens diverse bezoeken zijn de volgende algemene en vrijgestelde amfibieënsoorten in het plangebied aangetroffen: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Voortplanting van een deel van deze soorten is in de beide vijvers/poelen vastgesteld. Ook voor deze vrijgestelde soorten blijft de zorgplicht van kracht.

Pagina 17

5 Wet natuurbescherming De effecten op aangetroffen beschermde soorten en de wettelijke consequenties zijn ingeschat aan de hand van de geplande werkzaamheden (zie bijlage 2). In het plangebied zijn de strikt beschermde gewone dwergvleermuis, grote vos en diverse broedvogelsoorten vastgesteld.

5.1 Gewone dwergvleermuis 5.1.1 Beschermde status Alle vleermuissoorten zijn strikt beschermd via de Wet natuurbescherming. Ze staan ook vermeld in de Europese Habitatrichtlijn. Dat wil zeggen dat de vaste rust- en verblijfplaatsen jaarrond beschermd zijn. Daarnaast zijn essentiële foerageergebieden en vliegroutes ook strikt beschermd. Wanneer een vaste rust- en verblijfplaats, vliegroute of essentieel foerageergebied verdwijnt dient hiervoor ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden en dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.

5.1.2 Gebruik van het plangebied Het plangebied is in gebruik als foerageergebied door een enkele gewone dwergvleermuis. In het actieve seizoen moeten de, in het buitengebied aanwezige, verblijfplaatsen voldoende foerageergebied in de omgeving hebben, dat vanuit deze verblijfplaatsen bereikbaar is. Onder verschillende omstandigheden (bijvoorbeeld weersomstandigheden, voedselaanbod) gebruiken de vleermuizen bij eenzelfde verblijfplaats verschillende foerageergebieden. Ook kunnen de gewone dwergvleermuizen afhankelijk van de omstandigheden (bijvoorbeeld op momenten met veel wind) langs andere structuren van de verblijfplaats naar eenzelfde foerageergebied vliegen. Hierdoor kunnen bepaalde structuren of foerageergebieden tijdelijk niet in gebruik zijn of door een wisselend aantal dieren worden gebruikt. De grootte van het jachtgebied van een individu is sterk afhankelijk van het voedselaanbod en bedraagt 0,3 hectare in zeer natte gebieden tot 300 hectare in droge gebieden (bron Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, BIJ12). De gekozen jachtlocatie hangt af van het insectenaanbod en van de weersomstandigheden. Bij bijvoorbeeld harde wind kunnen alternatieve, meer beschutte plekken worden gebruikt om te foerageren.

Door de aanwezigheid van voldoende alternatieve foerageergebieden in de omgeving van het plangebied, waaronder in de bebouwde kom van Lievelde, langs de spoorlijn Winterswijk-Zutphen en elders in het buitengebied van Lievelde, kan men aannemen dat het plangebied één van de locaties is waar (vaak kort) gefoerageerd wordt. Er is dan ook

Pagina 18

geen sprake van essentieel foerageergebied voor de gewone dwergvleermuis binnen de grenzen van het plangebied. Door het verwijderen van aanwezige beplantingen en het bouwen van woningen verdwijnt (een deel van) het foerageergebied van de gewone dwergvleermuis. Het betreft hier echter geen essentieel foerageergebied aangezien hier slechts in kleine aantal gejaagd wordt, en vaak slechts een korte periode, en er ruim voldoende alternatief foerageergebied in de omgeving aanwezig is. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom niet noodzakelijk voor deze soort. Er hoeven geen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden. Wel wordt sterk aangeraden om bij de inrichting van het terrein rekening te houden met foeragerende vleermuizen (zorgplicht).

5.2 Grote vos 5.2.1 Beschermde status De grote vos is strikt beschermd via de Wet natuurbescherming, onder de categorie ‘andere soorten’. Dit betekend dat de soort zonder vrijstelling middels een goedgekeurde gedragscode of ontheffing, niet mag worden gedood of verwond en dat vaste rustplaatsen niet mogen worden vernield of beschadigd. Door het toepassen van zorgplicht maatregelen en activiteit specifieke maatregelen is het wellicht mogelijk om negatieve effecten teniet te doen. Wanneer dit het geval is, is er geen sprake van een overtreding en behoeft geen ontheffing aangevraagd te worden. Wanneer dit niet of in onvoldoende mate het geval is, moet er een ontheffing worden aangevraagd omdat er dan wel sprake is van een overtreding van artikel 3.10 lid 1: Lid 1a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen. Lid 1b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen.

5.2.2 Gebruik van het plangebied De grote vos brengt zijn leven, als rups én als volwassen vlinder, voor een groot deel door in boomtoppen, komt in lage dichtheden voor en is schuw. De grote vos bezoekt nauwelijks bloemen, behoudens bloeiende wilgen in de lente, maar voeden ze zich op bloedende bomen, rottend fruit en honingdauw. De rupsen van de grote vos gebruiken onder andere (bos)wilgen, ratelpopulier, berk en iep als waardplant. Verspreid over het plangebied zijn zowel solitaire zonbeschenen boswilgen als groepjes van (bos)wilgen en een enkel ratelpopulier in de halfschaduw aangetroffen. Naast de waardplant voor de rupsen, nectarplant voor de imago’s worden met name de vrijstaande (bos)wilgen ook door de mannetjes van de grote vos als territorium gebruikt. Ook moeten er geschikte plaatsen zijn

Pagina 19

om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. Al deze onderdelen bevinden zich verspreid in het plangebied. Het plangebied is hierdoor geschikt als leefgebied van de grote vos en voortplanting van deze soort kan hier verwacht worden. Op basis van geschiktheid van het plangebied en de beide waarnemingen van grote vos verspreid in de vliegperiode van de soort kan men aannemen dat het plangebied in gebruik is als essentieel leefgebied door de grote vos. Door het verwijderen van aanwezige beplantingen en het bouwen van woningen verdwijnt (een deel van) het leefgebied van de grote vos. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is daarom noodzakelijk voor deze soort. Er dienen mitigerende en/of compenserende maatregelen getroffen te worden.

5.3 Vogels 5.3.1 Beschermde status Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt, afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd.

5.3.2 Gebruik van het plangebied De in het plangebied aanwezige groenstructuren en grazige delen zijn in gebruik als nestlocatie door diverse vogelsoorten, waaronder bosrietzanger, gekraagde roodstaart, grasmus, nachtegaal en ringmus. Door buiten het broedseizoen de aanwezige groenstructuren te verwijderen is geen sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming met betrekking tot de aanwezige en te verwachten vogelsoorten. Het wordt wel sterk aanbevolen om bij de inrichting van het bedrijventerrein rekening worden gehouden met het aanbieden van alternatieve foerageergebieden en rust- en nestlocaties voor onder andere genoemde soorten. Men kan hierbij denken aan het plaatsen van speciale nestkasten voor de gekraagde roodstaart en ringmus. In de nieuw te bouwen woningen kunnen verder geschikte nestplaatsen in de vorm van inbouwstenen en vogelvide voor onder andere huismus geplaatst worden.

Pagina 20

5.4 Grondgebonden zoogdieren en amfibieën 5.4.1 Beschermde status De in het plangebied aangetroffen vrijgestelde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten zijn in de provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter voor deze soorten blijft de zorgplicht van kracht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild voorkomende dieren en planten, dus ook nietbeschermde (vrijgestelde) soorten, en hun leefomgeving.

5.4.2 Gebruik van het plangebied In het plangebied bevinden zich voortplantings- en rustlocaties, foerageergebieden en migratieroutes van diverse, vrijgestelde grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten. Voor alle soorten, beschermde en niet beschermde, blijft de zorgplicht van kracht. Om te voldoen aan de zorgplicht, dienen mitigerende maatregelen te worden genomen. Deze dienen in een ecologisch werkprotocol uitgewerkt te worden.

Pagina 21

6 Conclusie Aan de hand van de verkregen resultaten en datgene wat gesteld wordt in de Wet natuurbescherming kunnen de volgende conclusies getrokken worden: Door de geplande ruimtelijk ontwikkeling verdwijnt (essentieel) leefgebied van de grote vos. Er moeten voor deze soort mitigerende en/of compenserende getroffen worden. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is noodzakelijk voor de grote vos. Zorgplicht Bij de uitvoer van werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met het leefgebied van (overige) vogels, grondgebonden zoogdieren en amfibieën. De werkwijze dient in een ecologisch werkprotocol vastgelegd te worden.

Pagina 22

Bijlagen 1

Resultaten veldonderzoek

Pagina 23

Bijlage 1 Resultaten veldonderzoek Gewone dwergvleermuis

= 08-06-2020 = 17-09-2020

Pagina 24

Laatvlieger

= 08-06-2020

Pagina 25

Rosse vleermuis

= 08-06-2020

Pagina 26

Grote vos

= 17-03-2020 = 15-07-2020

Pagina 27

Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel T 0314 641 910 info@staringadvies.nl

Pagina 28

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10869459/1