bp vossenburcht toelichting bijlage 11 natuurwaardenonderzoek
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Voormalig Vion-terrein (locatie Vossenburcht) in Lievelde
In opdracht van Gemeente Oost Gelre
Colofon Quickscan natuurtoets voormalig Vion-terrein (locatie Vossenburcht) in Lievelde
Opdrachtgever Contactpersoon
Gemeente Oost Gelre
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Auteur Controle Publicatiedatum: Foto voorblad
2109
27 maart 2020 Plangebied
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 6
Beschermde status plangebied .................................................................................... 8 3.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................ 8
3.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 8
3.3
Natura 2000 ........................................................................................................ 10
3.4
Houtopstanden ................................................................................................... 14
Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 15 4.1
Methode ............................................................................................................. 15
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 16
5
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 28
6
Conclusie ................................................................................................................... 33
Bijlage 1
Impressie plangebied ..................................................................................... 35
Bijlage 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 36
Bijlage 3
Beschermde plant- en diersoorten.................................................................. 44
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de voorgenomen plannen, om het voormalige Vion-terrein (Park Vossenburcht) in Lievelde mogelijk te ontwikkelen tot een nieuwe woonwijk, aanvullend onderzoek naar kleine marterachtigen, steenmarter, vleermuizen (vaste rust- en verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroute), kamsalamander, poelkikker, levendbarende hagedis, grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart noodzakelijk is. Uit het onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Van de beschermde dagvlindersoort grote vos is aanwezigheid reeds aangetoond in het plangebied. Voor deze soort is het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk. Daarnaast moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te voorkomen te worden dat broedvogels zich lokaal vestigen. Een AERIUS-berekening is noodzakelijk voor de Natura 2000-gebieden ‘Korenburgerveen’ en ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ om te bepalen of er sprake is van stikstofdepositie in de stikstofgevoelige habitattypen van deze Natura 2000-gebieden. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde GNN natuurgebieden is niet aan de orde.
Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde. Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de plannen om het voormalige Vion-terrein (Park Vossenburcht) in Lievelde tot een woonwijk te ontwikkelen. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Gemeente Oost Gelre. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.
Pagina 3
1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is in veel gevallen een gericht natuuronderzoek vereist. In eerste instantie is een quickscan natuurtoets noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken over het effect van de plannen op beschermde natuurgebieden en soorten. Indien negatieve effecten verwacht worden is nader onderzoek noodzakelijk. De gemeente Oost Gelre is een traject opgestart met de inwoners van de kleine kernen om de toekomstige woningbouwkansen per woonkern in beeld te brengen. Een aantal van deze locaties zijn in bezit van de gemeente, zoals het voormalig Vion-terrein in Lievelde (nu bekend als Park Vossenburcht). Voordat de gemeente Oost Gelre met de daadwerkelijke realisatie start dienen er diverse onderzoeken, waaronder onderzoek naar beschermde flora en fauna, plaats te vinden als voorbereiding op het aan te passen bestemmingsplan. Mevrouw van de gemeente Oost Gelre is betrokken bij deze plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om hiervoor een quickscan natuurtoets uit te voeren.
1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.
Pagina 4
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Vion-terrein (Park Vossenburcht) Lievelde Oost Gelre Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bevindt zich in de noordrand van de woonkern Lievelde. Het gebied wordt globaal begrensd door de Bergstraat, Stationsstraat, het Koningsplein, de spoorlijn Winterswijk-Zutphen, een begraafplaats, dorpshuis ‘Bernard Vos Clubhuus’ en opgaande groenstructuren (zie figuur 1 en 2). Het plangebied, waar ooit slachthuis Vos/slachterij Vion stond, is de afgelopen jaren omgevormd tot een recreatief natuurpark met vijver en wandel- en fietspaden. Daarnaast zijn in het midden van het terrein boomstronken geplaatst waar kinderen kunnen spelen, zijn delen van het terrein ingezaaid met akkerrandmengsel, is een deel in gebruik als crossbaantje en zijn er enkele solitaire bomen geplant. Grote delen van het terrein zijn braakliggend met lokaal bremstruwelen. In de oost- west- en zuidrand van het plangebied bevindt zich opgaande beplanting welke zich kenmerkt door een deels open karakter met ruigten en (verwilderde/aangeplante) tuinplanten. In het noordelijke deel van het plangebied, parallel aan het spoor, bevindt een (tijdelijke) parkeerplaats. Bebouwing is aanwezig in de vorm van een oud portiersgebouw van de voormalige slachterij en een klein schuurtje achter het portiersgebouw (zie figuur 2 en bijlage 1).
De directe omgeving bestaat uit de woonkern Lievelde met woonhuizen, een kerk en naastgelegen begraafplaats, het treinstation Lichtenvoorde-Groenlo, een spoorlijn, enkele (woon)boerderijen met erfbeplanting, agrarische percelen en het Sportpark Del Akker (zie figuur 2).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door bebouwing (woonkern), weilanden, de Christus Koningkerk met aangrenzende begraafplaats en het treinstation Lichtenvoorde-Groenlo met bijbehorende parkeerplaats en bushalte (zie figuur 2).
Pagina 5
2.4 Geplande werkzaamheden De gemeente Oost Gelre is voornemens om woningen te bouwen in haar gemeente om de leefbaarheid in de kleine kernen te verhogen. Na een jarenlange periode, waarin het aantal woningtransacties beperkt was en prijzen kelderden, zit de woningmarkt weer in de lift. Inmiddels zijn de effecten hiervan ook zichtbaar in de gemeente Oost Gelre. Er is op dit moment nauwelijks woningaanbod. Om die reden is er een intensief traject opgestart met de inwoners van de kleine kernen om de toekomstige woningbouwkansen per kern in beeld te brengen. Een aantal van deze locaties zijn in bezit van de gemeente, zo ook het voormalig Vion-terrein in Lievelde (nu bekend als Park Vossenburcht). Voordat de gemeente Oost Gelre met daadwerkelijke realisatie start dienen er diverse onderzoeken plaats te vinden als voorbereiding op het aan te passen bestemmingsplan.
Pagina 6
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2020).
Sportpark Del Akker Treinstation
LIEVELDE
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd) en het onderzoeksgebied (geel), bron: Provincie Gelderland (2020).
Pagina 7
3 Beschermde status plangebied 3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het GNN/NNN. De kernkwaliteiten van het GNN/NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.
Pagina 8
3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). Enkele gebieden, waaronder diverse bospercelen, houtsingels en natuurterreinen ten noorden en westen van het plangebied, zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Diverse agrarische percelen en bosschages rondom deze gebieden zijn verder aangewezen als GO. Het dichtstbijzijnde GNN natuurgebied zijn enkele voetbalvelden op het Sportpark Del Akker. Dit gebied ligt op circa 35 meter afstand van het plangebied en wordt van het plangebied gescheiden door de spoorlijn Winterswijk-Zutphen en een houtsingel.
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN, bron: Provincie Gelderland 2020.
Pagina 9
3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de fysieke afstand tussen het plangebied en de Natura 2000-gebieden ‘Korenburgerveen’ en ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Een AERIUS1-berekening zal uitwijzen of er significante negatieve effecten zijn op het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ en het ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’. Voor het Duitse Natura 2000-gebied ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ geldt dat, indien de toename van de stikstofdepositie hoger is dan de daar gehanteerde grenswaarde, dan dient het Nederlandse bevoegd gezag in overleg met het bevoegd gezag in Duitsland te bepalen of en onder welke voorwaarden toestemming kan worden verleend. De aanvraag zal dan in ieder geval een aanvullende passende beoordeling moeten omvatten.
3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Nederlandse Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ ligt op circa 3,7 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4). Op iets grotere afstand van het plangebied (circa 7,1 kilometer) bevindt zich het Duitse Natura 2000-gebied ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ (zie figuur 6). Andere Natura 2000-gebieden, waaronder de natuurgebieden ‘Bekendelle’ en ‘Wooldse Veen’ liggen op grote afstand (vanaf circa 9,8 kilometer) van het plangebied. Door de fysieke afstand tussen het plangebied en de betreffende Natura 2000-gebieden en het ontbreken van een ecologische binding met deze Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering en door
1 Het rekeninstrument berekent de stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura
2000-gebieden. AERIUS rekent voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en voor alle sectoren die stikstof uitstoten, waaronder landbouw, industrie en verkeer & vervoer.
Pagina 10
indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring. De geplande ruimtelijke ontwikkeling heeft mogelijk wel een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Een AERIUS-berekening zal moeten uitwijzen of er significante negatieve effecten zijn. Stikstofdepositie Stikstof is één van de grootste obstakels bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. In veel Natura 2000-gebieden, waaronder ‘Korenburgerveen’ en ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’, is de overbelasting door stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats. Een aantal van de habitattypen en doelsoorten in de Natura 2000gebieden ‘Korenburgerveen’ en ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ zijn gevoelig voor depositie van stikstof (bron: synbiosys.alterra.nl/natura2000). Korenburgerveen Voor het Korenburgerveen zijn onderstaande specifieke instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd: Instandhoudingsdoelstellingen habitattypen:
H3130 Zwakgebufferde vennen: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit; H6230 Heischrale graslanden: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit; H6410 Blauwgraslanden: uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit; H7110A Actieve hoogvenen (hoogveenlandschap): uitbreiding oppervlakte en verbetering kwaliteit; H7120 Herstellende hoogvenen: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit; H7140A Overgangs- en trilvenen: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit; H7210 Galigaanmoerassen: behoud oppervlakte en behoud kwaliteit; H91D0 Hoogveenbossen: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit; H91E0C Vochtige alluviale bossen: behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.
Instandhoudingsdoelstelling Habitatrichtlijnsoort
H1166 Kamsalamander: uitbreiding omvang en verbetering kwaliteit leefgebied voor uitbreiding populatie.
Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld Voor het Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld zijn de volgende habitattypen aangemeld:
H4010 Vochtige heiden: Behoud en ontwikkeling vochtige heide met karakteristieke vegetatie en fauna; H4030 Droge heiden: Behoud en ontwikkeling droge heide met karakteristieke vegetatie en fauna;
Pagina 11
H7120 Herstellende hoogvenen: Behoud en borging hoogveenrelicten met typische flora en fauna; H7140 Overgangs- en trilveen: Behoud en ontwikkeling van habitats behorende tot de overgangs- en trilvenen met hoogveenvegetatie en zeggen op veen en typische fauna; H7150 Pioniervegetaties met snavelbiezen: Behoud en ontwikkeling pioniervegetaties met typische vegetatiestructuur, vegetatie en fauna; H91D0 Hoogveenbossen: Behoud en ontwikkeling van hoogveenbos en typische flora en fauna in verschillende successiefasen en standplaats; H9190 Oude eikenbossen: -
Dit Natura 2000‐gebied is verder aangewezen voor de volgende instandhoudingsdoelen:
H1166 Kamsalamander: behoud en stimulering van het leefgebied van deze soort.
Realisatiefase De tijdelijke toename van verkeer (tijdens de kap-, sloop- en bouwfase) kan resulteren in extra emissie van stikstof op nabijgelegen gevoelige habitats. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie zijn zonder AERIUSberekening niet op voorhand uit te sluiten. Gebruiksfase Er is sprake van een toename van stikstofdepositie door de ingebruikname van de woonwijk, bijvoorbeeld als gevolg van extra verkeersbewegingen voor de bewoners. De exacte hoeveelheid uitstoot is afhankelijk van het aantal woningen dat er gebouwd gaan worden en de bijhorende extra verkeersbewegingen. Negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie zijn zonder AERIUS-berekening niet op voorhand uit te sluiten.
Pagina 12
Korenburgerveen
Willinks Weust
Bekendelle
Wooldse Veen
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van nabijgelegen Natura 2000-gebieden (groen), bron: Provincie Gelderland (2020). 3
1
2 1
4
Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebieden (blauw gearceerd), bron: European Environment Agency (2020). 1. Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld. 2. Berkel. 3. Schwattet Gatt.4. Burlo-Vardingholter Venn und Entenschlatt.
Pagina 13
3.4 Houtopstanden 3.4.1 Conclusie Een kapmelding bij de provincie Gelderland voor beschermde houtopstanden is niet aan de orde.
3.4.2 Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Als men voornemens is houtopstanden te kappen die onder de Wet natuurbescherming vallen dan moet een kapmelding bij de provincie Gelderland worden ingediend. Er zijn enkele uitzonderingen waarbij een kapmelding niet is vereist.
3.4.3 Plangebied Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Lievelde. Van beschermde houtopstanden (bos van minimaal 10 are en/of bomenrijen van minimaal 21 bomen buiten de bebouwde kom) is geen sprake. Een kapmelding bij de provincie Gelderland is dan ook niet aan de orde.
Pagina 14
4 Beschermde soorten plangebied 4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.
4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker
Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
1
17-03-2020
13:00 uur
Onbewolkt, droog, 12°C, windkracht 2 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 15
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten:
Nationaal beschermde soorten: aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, eekhoorn, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rosse woelmuis, steenmarter, veldmuis en vos2. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, gewone / bruine grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en tweekleurige vleermuis.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde amfibieënsoorten en één beschermde reptielensoort. Het betreft de volgende soorten:
Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander en levendbarende hagedis². Internationaal beschermde soorten: kamsalamander en poelkikker.
2 Deze soorten zijn, met uitzondering van bunzing, eekhoorn, grote vos, grote weerschijnvlinder, kleine
ijsvogelvlinder, levendbarende hagedis en steenmarter, in de provincie Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina 16
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van enkele beschermde dagvlindersoorten en één nachtvlindersoort. Het betreft de volgende soorten:
Nationaal beschermde soorten: grote vos, grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder². Internationaal beschermde soorten: teunisbloempijlstaart.
Pagina 17
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat grotendeels uit braakliggend terrein met langs de oost-, west- en zuidgrens van het plangebied opgaande groenstructuren. De natuurlijke vegetatie in het centrale deel van het plangebied wordt bepaald door soorten van droge tot vochtige (matig) voedselrijke omstandigheden als boerenwormkruid, duizendblad, jakobskruiskruid, margriet, teunisbloem sp., vaste lupine, watermunt, zachte ooievaarsbek en het zeldzame kandelaartje. Verspreid worden hier enkele bremstruwelen aangetroffen. De opgaande bosschages worden gekenmerkt door diverse wilgensoorten als bos- en schietwilg, afgewisseld door gewone es, ruwe berk en zomereik. De struiklaag is hier matig ontwikkeld met, naast eenstijlige meidoorn en gewone vlier, verschillende (verwilderde en/of aangeplante) tuinplanten als Japanse sierkwee, laurierkers en rode ribes. De lokaal aanwezige kruidlaag is soortenarm en wordt hier bepaald door grote brandnetel, hondsdraf, kleefkruid, klimop, maarts viooltje en winterpostelein. In en langs de vijver ontbreekt enige oevervegetatie vrijwel. Op de muren van het portiersgebouw gebouwen zijn geen bijzondere of beschermde muurplanten aangetroffen. Kandelaartje In het plangebied is het, in deze regio zeldzame, kandelaartje aangetroffen (zie foto 1 en 2).
Kandelaartje is een eenjarige pionier op open, droge voedselarme plaatsen op kalkrijke zandgrond of kalkrijk stenig substraat. In het binnenland wordt ze vaak aangetroffen op de stenige substraten van spoorwegterreinen, zoals in het plangebied. De geplande ruimtelijke ontwikkeling zal waarschijnlijk tot het verdwijnen van de groeiplaats leiden. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied en de directe omgeving. Ze worden in het plangebied ook verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek.
Foto 1. Kandelaartje.
Foto 2. Groeilocatie kandelaartje in plangebied (rechts tegen muurtje).
Pagina 18
Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets. Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving: ekster, goudvink, grote bonte specht, houtduif, huismus, kauw, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, tjiftjaf, vink, winterkoning en zwarte kraai. De opgaande groenstructuren zijn geschikt als nestlocatie voor enkele van de tijdens het veldbezoek aangetroffen vogelsoorten, waaronder houtduif, merel en vink. De bremstruwelen en een enkele ruigere rand is geschikt als nestlocatie voor grasmus en heggenmus. De vijver is, door het vrijwel ontbreken van enige oever- en watervegetatie, slechts marginaal geschikt als nestlocatie voor een enkele algemene watervogelsoort als meerkoet en wilde eend. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn, uitgezonderd de huismus, geen jaarrond beschermde vogelsoorten in het plangebied en in de directe omgeving waargenomen.
Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek, sperwer en wespendief Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet waargenomen in het onderzoeksgebied. Ook zijn geen (recent) gebruikte (roeken)nesten of andere gebruikssporen (veren, uitwerpselen, braakballen, etc.) aangetroffen. Door de ligging van het plangebied nabij bebouwing en in de rand van de woonkern Lievelde, de beperkte aanwezigheid van opgaande, robuuste groenstructuren en het grotendeels open karakter (braakland) wordt deze locatie ongeschikt geacht als vaste rust- en verblijfplaats voor boomvalk, buizerd, havik, ransuil, sperwer en wespendief. Incidenteel kan een rustend, jagend of overvliegend exemplaar van boomvalk, buizerd, ransuil, roek en sperwer in het plangebied worden waargenomen. De nabijgelegen bosschages en een enkele nabijgelegen solitaire boom of bomengroep ten noorden van het plangebied zijn potentieel geschikt als nestlocatie voor een roofvogelsoort als boomvalk, buizerd en sperwer. Gierzwaluw Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoort bekend (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek is op deze soort niet in het plangebied of in de directe omgeving hiervan waargenomen. Tijdens de winterperiode verblijven gierzwaluwen echter niet in Nederland en bevinden zich nog in hun overwinteringsgebied in Afrika.
Het te renoveren portiersgebouw is merendeels voorzien van een plat dak en herbergt geen geschikte verblijfruimtes / nestlocaties voor de gierzwaluw. Incidenteel gebruik van het plangebied door een enkele jagende of overvliegende gierzwaluw is wel mogelijk. Het plangebied is niet van essentieel belang voor de functionaliteit van het leefgebied van de gierzwaluw.
Pagina 19
Grote gele kwikstaart In het plangebied ontbreekt het aan geschikte broedgelegenheden voor de grote gele kwikstaart. Half-natuurlijke beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. Deze broedlocaties en geschikt habitat ontbreken in het plangebied. Het plangebied is geen (essentieel) leefgebied voor deze soort. Sporadisch kan een overvliegende of rustende grote gele kwikstaart in het plangebied aangetroffen worden. Huismus Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van de huismus bekend (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek is deze soort niet in het plangebied maar wel bij nabijgelegen woonhuizen waargenomen. Het te renoveren portiersgebouw is merendeels voorzien van een plat dak en herbergt geen geschikte verblijfruimtes / nestlocaties voor de huismus. De in het plangebied aanwezige opgaande groenstructuren zijn geschikt als rusten schuilplaats voor de huismus en enkele delen zijn ook geschikt als foerageergebied en om zandbaden te nemen. Incidenteel gebruik door een enkele rustende, schuilende, foeragerende en zandbadende huismus is hier mogelijk. Het plangebied is echter niet van essentieel belang voor de functionaliteit van het leefgebied van de huismus.
De directe omgeving, waaronder de woningen in het plangebied, voorziet ruim in geschikt alternatief foerageergebied, locaties waar gerust en geschuild kan worden als coniferen- en laurierkershagen en waar gebaad kan worden, zoals zandige plekken in tuinen en groenstroken. Kerkuil en steenuil Door de afwezigheid van speciale nestkasten en sporen die de aanwezigheid van een nestplek aannemelijk maken, zoals braakballen, veren of krijtstrepen, worden hier geen nestlocaties van de kerk- en steenuil verwacht. In de omgeving van het plangebied bevinden zich enkele (woon)boerderijen met vrij toegankelijke agrarische opstallen welke mogelijk als nestlocatie gebruikt kunnen worden. Rondom deze potentiele nestlocaties is ruim voldoende geschikt leefgebied voorhanden en het plangebied maakt slechts een marginaal onderdeel uit van dit leefgebied. Incidenteel kan dan ook een enkel jagend exemplaar van zowel de kerk- als de steenuil in het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is echter geen sprake. Ooievaar Tijdens het veldbezoek zijn geen ooievaars aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is niet geschikt als nestlocatie voor deze soort. Sporadisch kan een overvliegend exemplaar in het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake.
Slechtvalk Nestkasten in hoge gebouwen, oude nesten van roofvogels en kraaien in open agrarisch gebied en hoogspanningsmasten worden door de slechtvalk als nestlocatie gebruikt. Deze
Pagina 20
locaties ontbreken in het plangebied. Er bevinden zich geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de slechtvalk in het plangebied. Incidenteel gebruik van het plangebied door een foeragerende of overvliegende slechtvalk is mogelijk. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is het plangebied eveneens niet van belang als nestlocatie of essentieel leefgebied. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen van konijn (uitwerpselen), mol (molshopen) en muizen (holletjes) aangetroffen in het plangebied. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor diverse soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, eekhoorn, egel, haas, konijn, mol, steenmarter en diverse (spits)muizensoorten. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van deze strikt beschermde soorten bekend (bron: NDFF). Kleine marterachtigen als bunzing Na de provincie Noord-Brabant en Noord-Holland zijn ook in de provincie Gelderland per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming.
Dit betekend dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kan zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood. De NDFF vermeldt het voorkomen van de bunzing voor de omgeving van het plangebied. Overige kleine marterachtigen als hermelijn en wezel worden in de NDFF voor de ruime omgeving vermeld. De bunzing leeft bij voorkeur in kleinschalige en afwisselende cultuurlandschappen en natuurgebieden. Belangrijke elementen in het leefgebied zijn een combinatie van kleine wateren en landschapselementen, zoals rietzomen, ruigten, houtwallen en greppels. Soms komt de bunzing ook voor in steden en dorpen met een natuurlijk karakter, zoals parken, braakliggend terrein, tuinen, etc. De bunzing maakt zijn nestplaats onder andere in houtstapels, takkenhopen en soms in een hol in de grond. Ook worden oude schuurtjes, stallen en andere bouwwerken bewoond. De rustplaats wordt gemaakt in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das, maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. Kleine marterachtigen als de bunzing zijn actieve jagers en hebben meerdere jachtgebieden nodig in de directe omgeving van hun verblijfplaatsen. Dichte begroeiing, rommelhoekjes, holtes en kieren vormen het jachtgebied, evenals natuurgrasland,
Pagina 21
extensief beweide percelen, braakliggende terreinen en akkerranden. Deze terreinen moeten via verbindingszones bereikbaar zijn vanaf de nest- en verblijfplaats en in voldoende mate binnen het territorium beschikbaar zijn. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de bunzing en eventueel hermelijn en/of wezel. Verspreid in het plangebied bevinden zich takkenhopen, diverse mols- en muizenholen, greppelranden en boomwortels, welke potentieel geschikt zijn als nest- en verblijfplaats (zie foto’s 3 t/m 6). De in het onderzoeksgebied aanwezige (lijnvormige) structuren, waaronder diverse bosschages, ruigtevegetaties, oeverzone van de vijver en beukenhagen kunnen (eveneens) als foerageergebied gebruikt worden door kleine marterachtigen.
Foto 3. Zandbult met diverse muizenholen: potentieel geschikte nest- en verblijfplaats en foerageergebied voor kleine marterachtigen en steenmarter.
Foto 4. Bosrand met takkenhopen: potentieel geschikte nest- en verblijfplaats en foerageergebied voor kleine marterachtigen en steenmarter.
Foto 5. Bosschages op grondwal langs de zuidzijde van het plangebied: potentieel geschikte nest- en verblijfplaats en foerageergebied voor kleine marterachtigen en steenmarter.
Foto 6. Oeverzone van vijver: potentieel geschikt foerageergebied voor bunzing en eventueel andere (kleine) marterachtigen.
Eekhoorn Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoorns waargenomen en in de aanwezige geïnspecteerde bomen zijn geen boomnesten vastgesteld. Door het ontbreken van bomen met eekhoornnesten beperkt het gebruik van het plangebied zich hooguit tot een enkel
Pagina 22
rondzwervend of foeragerend exemplaar. De aanwezigheid van een vaste verblijfplaats in het plangebied is uit te sluiten. Steenmarter De NDFF vermeldt het voorkomen van de steenmarter in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is geschikt als leefgebied voor de steenmarter. In het plangebied zijn diverse opgaande groenstructuren, ruigtevegetaties, bosjes e.d. aanwezig waar de steenmarter kan foerageren, rusten en schuilen. Het portiersgebouw en het schuurtje net ten zuiden van het portiersgebouw zijn beide vrij toegankelijk en kunnen dienen als vaste rust- en verblijfplaats. Tijdens het veldbezoek zijn beide gebouwen geïnspecteerd op aanwezigheid van steenmarters en sporen hiervan. Deze zijn hier niet aangetroffen. Echter het portiersgebouw is deels met een hek afgesloten en een nauwkeurige inspectie op eventueel aanwezige steenmartersporen was niet overal mogelijk. Gelet hierop kan worden gesteld dat beide gebouwen eventueel als vaste rust- en verblijfplaats in gebruik kunnen zijn door de steenmarter. Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren.
Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en tweekleurige vleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In de te renoveren portiersgebouw zijn diverse openingen te vinden die toegang bieden tot geschikte verblijfsruimten voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en eventueel laatvlieger. De openingen bieden toegang tot mogelijke geschikte verblijfsruimten onder dakplaten, achter gevelplaten en in andere donkere, beschutte ruimten aan de binnenzijde van het gebouw. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied zijn geen bomen aanwezig met voor vleermuizen geschikte holtes aanwezig. Geschikte verblijfsruimten voor boombewonende vleermuizen als gewone grootoorvleermuis en rosse vleermuis dan ook niet te verwachten. Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen Het plangebied is door de aanwezigheid van groenstructuren, ruigteranden en water geschikt als foerageergebied voor diverse vleermuissoorten. Het is daarom niet uit te sluiten dat het verwijderen/aantasten van de aanwezige groenstructuren en vijver een negatief effect kan hebben op (essentieel) foerageergebied en mogelijk een vliegroute.
Verder kan met name toename van (kunst)licht tijdens de bouw- en gebruiksfase van het plangebied zorgen voor een significant negatief effect.
Pagina 23
Amfibieën Tijdens het veldbezoek zijn verschillende (parende) exemplaren en eisnoeren van de gewone pad in de vijver aangetroffen (zie foto 7 en 8). Overige beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen, maar deze zijn deels nog in winterrust op het moment van het veldbezoek. De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, kamsalamander, kleine watersalamander en poelkikker voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Open water in de vorm van de vijver is in het plangebied aanwezig en voortplanting van overige weinig kritische en algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker en kleine watersalamander wordt in het plangebied verwacht. Het plangebied is verder geschikt als landbiotoop voor een enkele weinig kritische en algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. Een zomer- en/of winterverblijfplaats van deze amfibieënsoorten kan men in het plangebied verwachten. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Daarnaast is het voorkomen van de strikt beschermde kamsalamander en poelkikker niet uit te sluiten. Kamsalamander en poelkikker Beide strikt beschermde soorten zijn bekend van een aantal locaties in de wijde omgeving van het plangebied (bron: NDFF).
Het voortplantingswater wordt gevormd door vrij grote, geïsoleerde, stilstaande, half beschaduwde, iets voedselrijke wateren met een goed ontwikkelde water- en oevervegetatie als in visvrije grotere poelen, vijvers, gebufferde vennen en leemputten. De in het plangebied aanwezige vijver herbergt geen (goed ontwikkelde) water- en oevervegetatie en tijdens het veldbezoek zijn hier enkele groepen van (kleine) vissen aangetroffen. Echter recentelijk zijn in de vijver enkele roepende poelkikkers vastgesteld. Dit indiceert dat de vijver, al zij het marginaal, geschikt is als voortplantingswater voor poelkikker en eventueel kamsalamander.
Foto 7. Parende gewone padden en eisnoeren van de gewone pad in de vijver.
Foto 8. Vijver: potentieel geschikte voortplantingsbiotoop voor de poelkikker en mogelijk kamsalamander.
Pagina 24
Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Deze zijn echter ook in winterrust op het moment van het veldbezoek. De NDFF meldt de strikt beschermde levendbarende hagedis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Levendbarende hagedis De NDFF meldt voor de omgeving van het plangebied het voorkomen van de strikt beschermde levendbarende hagedis. De soort heeft zijn leefgebied bij structuurrijke zonbeschenen dopheide vegetaties, structuurrijke zonbeschenen bosranden en bij schrale wegbermen met struikhei. Er zijn geen waarnemingen bekend van de levendbarende hagedis in het plangebied of in direct aangrenzende delen. De dichtstbijzijnde waarnemingen van levendbarende hagedis zijn op circa 500 meter ten zuiden van het plangebied. De bremstruwelen en de hieraan grenzende zonbeschenen vegetaties en zanderige plekken (zie foto 9 en 10) vormen een potentieel geschikt leefgebied voor de levendbarende hagedis.
Foto 7. Bremstruweel grenzend aan crossbaantje in noordrand plangebied: potentieel geschikt leefgebied voor de levendbarende hagedis.
Foto 8. Bremstruweel in het westelijke deel van het plangebied: potentieel geschikt leefgebied voor de levendbarende hagedis.
Vissen De vijver is geschikt als leefgebied voor diverse soorten algemene vissoorten, zoals baars, blankvoorn, driedoornige stekelbaars en tiendoornige stekelbaars. Beschermde vissoorten, als de in de wijde omgeving aangetroffen beekprik en grote modderkruiper, worden hier niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek is de beschermde grote vos (dagvlinder) in het plangebied aangetroffen. Verder zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen, maar deze zijn echter op het moment van onderzoek (maart) ook grotendeels (nog) niet actief. De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde grote vos, grote weerschijnvlinder,
Pagina 25
kleine ijsvogelvlinder en teunisbloempijlstaart voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Grote vos en grote weerschijnvlinder In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze vlindersoorten bekend (bron: NDFF). De grote vos is tijdens het veldbezoek waargenomen en de grote weerschijnvlinder kan in het plangebied verwacht worden door de aanwezigheid van geschikt leefgebied. Beide vlindersoorten gebruiken onder andere (bos)wilgen als waardplant. Verspreid over het plangebied zijn zowel solitaire zonbeschenen boswilgen als groepjes van (bos)wilgen in de halfschaduw aangetroffen (zie foto 9 en 10). Naast waardplant voor de rupsen worden met name de vrijstaande (bos)wilgen ook door de mannetjes van de grote weerschijnvlinder als territorium gebruikt. Deze territoria liggen vaak rond markante, hoge bomen in de bosrand en soms wordt jaren achtereen dezelfde boom gebruikt. De buitenste takken dienen vaak als uitzichtpunt en indringers worden verjaagd. Vrouwtjes vliegen ´s middags naar zulke bomen om mannetjes te ontmoeten en lokken hen mee naar de boomkruin om te paren. Het plangebied is hierdoor potentieel geschikt als leefgebied van de grote weerschijnvlinder en voortplanting van deze soort kan hier verwacht worden. De grote vos is vooral te vinden op warme, zonnige, open maar beschutte plaatsen.
Ook moeten er geschikte plaatsen zijn om te overwinteren, zoals holle bomen of stapels hout. Het plangebied voldoet aan de eisen van het functioneel leefgebied van de grote vos. De aanwezigheid van de, het tijdens het veldbezoek aangetroffen, grote vos duidt op de mogelijke aanwezigheid van een populatie in het plangebied.
Foto 9. Boswilg in oostrand plangebied: waardplant van de grote weerschijnvlinder en mogelijk grote vos..
Foto 10. Markante, hoge boswilg in de bosrand: potentieel geschikt territorium voor de grote weerschijnvlinder.
Kleine ijsvogelvlinder In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze vlindersoort bekend (bron: NDFF). De kleine ijsvogelvlinder wordt in het plangebied niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied in de vorm van oudere, vochtige loofbossen met kamperfoelie. In het bosgebied Besselinkschans, ten oosten van het plangebied, is lokaal wel geschikt leefgebied aanwezig en aanwezigheid van een populatie
Pagina 26
van de kleine ijsvogelvlinder is hier mogelijk. Incidenteel kan een rondzwervend exemplaar in het plangebied aangetroffen worden. Teunisbloempijlstaart Uit de omgeving van het onderzoeksgebied zijn waarnemingen van deze strikt beschermde nachtvlindersoort bekend (bron: NDFF). De teunisbloempijlstaart is Europees beschermd via de Habitatrichtlijn. Het leefgebied van de teunisbloempijlstaart bestaat voornamelijk uit vochtige open plekken in bossen en bosranden, vooral in rivierdalen. De soort wordt echter ook gevonden op zandige, braakliggende en ruderale terrein in en rond het stedelijk gebied. Waardplant van deze nachtvlinder is de teunisbloem, maar de rupsen worden ook op andere planten uit de familie Onagraceae aangetroffen. De vlinders vliegen in mei-juni, de rups leeft van juni tot september op de waardplant en van september tot mei verblijft de soort als pop in de strooisellaag (bron: Vlinderstichting). Verspreid over het plangebied zijn diverse rozetten en uitgebloeide bloemstengels van teunisbloem aangetroffen (zie foto 11 en 12). Het plangebied is hierdoor potentieel geschikt als leefgebied van de teunisbloempijlstaart en voortplanting van deze soort kan hier verwacht worden.
Foto 11. Rozetten van teunisbloem: waardplant van de teunisbloempijlstaart.
Foto 12. Rozetten en uitgebloeide bloemstengels van teunisbloem: waardplant van de teunisbloempijlstaart.
Pagina 27
5 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend geworden uit het plangebied. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan.
Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt, afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd.
Pagina 28
Boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief Het onderzoeksgebied is ongeschikt als nestlocatie voor soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, zoals de uit de omgeving bekende boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil en wespendief, vanwege het ontbreken van geschikte nestlocaties. Het onderzoeksgebied behoort ook niet tot het essentieel leefgebied van deze of overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten. Incidenteel gebruik van het plangebied door één van de soorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn is mogelijk. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied voor diverse soorten beschermde grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, egel, haas, konijn, mol, steenmarter en diverse (spits)muizensoorten, en wordt mogelijk incidenteel doorkruist door eekhoorn. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van bunzing, eekhoorn en steenmarter, in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Kleine marterachtigen als bunzing De kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel zijn strikt beschermd in de provincie Gelderland.
Het voorkomen is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het plangebied voldoet aan de eisen voor het leefgebied van de bunzing en eventueel hermelijn en wezel. Er zijn alleen enkele waarnemingen van de bunzing bekend uit de omgeving van het plangebied. Van de hermelijn en wezel zijn waarnemingen bekend op ruime afstand van het plangebied. Het is niet uitgesloten dat het plangebied behoort tot het leefgebied van de bunzing en mogelijk ook hermelijn en/of wezel. Het opnieuw inrichten van het plangebied kan in dat geval leiden tot aantasting van (de functionaliteit van) een vaste rust- en verblijfplaats van de bunzing en eventueel hermelijn en/of wezel. Om de aan- of afwezigheid van deze soorten vast te stellen moet een inventarisatie uitgevoerd worden middels de richtlijnen zoals opgesteld in het document ‘Soortenbescherming in Overijssel; bunzing, egel, hermelijn en wezel (provincie Overijssel). Om de aanwezigheid vast te stellen wordt aangeraden om altijd verschillende methoden te gebruiken. De minimale inzet per inventarisatiemethode is afhankelijk van de aanwezige elementen die in het plangebied aanwezig zijn en de locatie(s) waar men werkzaamheden (zoals kappen, graven, bouwen, etc.) gaat uitvoeren.
Het aantal in te zetten inventarisatiemiddelen is daarom niet afhankelijk van de omvang van het onderzoeksgebied, maar moet worden bepaald aan de hand van de aanwezige (potentiele) verblijfplaatsen en de eventueel aanwezige verbindingszones en foerageergebieden en de impact die het voorgenomen plan of project hierop heeft. De inventarisatiemiddelen moeten gedurende de looptijd van het onderzoek (maart tot en met
Pagina 29
augustus) ingezet worden in de aanwezige structuren die mogelijk gebruikt worden door kleine marterachtigen, zoals bij takkenrillen. Eekhoorn Het voorkomen van de beschermde eekhoorn is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Nader onderzoek naar het voorkomen van de eekhoorn of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk. Steenmarter Het is niet uit te sluiten dat het plangebied behoort tot het leefgebied van de steenmarter, waarbij mogelijk ook een vaste rust- en verblijfplaats aanwezig is. Om vast te stellen of er sprake is van een vaste rust- en verblijfplaats van de steenmarter is uitgebreid sporenonderzoek tijdens de voortplantingsperiode (april – juli) noodzakelijk. Hierbij kan eventueel een cameraval ingezet worden. Onderzoek naar de steenmarter kan gecombineerd worden met het veldonderzoek naar kleine marterachtigen andere soortgroepen. Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1.
Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Ja Nader onderzoek naar kraam-, zomer-, paar- en (massa)winterverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. 3a. Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een essentieel foerageergebied en/of vliegroute? Ja Nader onderzoek naar vliegroutes is noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk aangezien het niet uit te sluiten is dat door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, (essentieel) foerageergebied en eventueel vliegroute worden aangetast.
Pagina 30
Het vleermuisprotocol adviseert om bij het vermoeden op kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, (essentieel) foerageergebied en vliegroute van de te verwachten soorten gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 5 veldbezoeken. Het gaat hierbij om 3 avond- of ochtendbezoeken in de periode 15 mei – 15 augustus, waarvan minimaal 2 bezoeken in de periode 15 mei – 15 juli, en 2 avondbezoeken in de periode 15 augustus – 1 oktober. Amfibieën Het voorkomen van de strikt beschermde kamsalamander en poelkikker is niet op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk op te bepalen of deze soorten voorkomen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen. Kamsalamander Het voorkomen van de kamsalamander is het beste vast te stellen door in het voorjaar (april – juni) naar eitjes te zoeken in de voortplantingswateren. Daarnaast dient in de periode april – augustus naar juveniele en adulte exemplaren gezocht te worden met het schepnet (bron Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus). Poelkikker Om vast te stellen of de soort aanwezig is moet conform het Soortinventarisatieprotocol van het Netwerk Groene Bureaus, 2 maal in de periode 1 mei – 1 augustus naar kooractiviteit geluisterd worden, bij voorkeur in combinatie met het vangen en determineren van volwassen exemplaren in dezelfde periode.
Overige amfibieënsoorten Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn overige beschermde amfibieën, met uitzondering van enkele algemene soorten als bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander, niet te verwachten in het plangebied. Voor deze soorten geldt in de provincie Gelderland automatisch de vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soorten. Reptielen Het voorkomen van de beschermde levendbarende hagedis is niet op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk op te bepalen of deze soort voorkomt in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen. Levendbarende hagedis Het plangebied met zijn zonbeschenen randen, zandige plekken en opslag van brem is geschikt als leefgebied voor de levendbarende hagedis. Om te bepalen of de levendbarende hagedis voorkomt in het plangebied zijn 3 veldbezoeken in de periode half april tot eind mei noodzakelijk.
Pagina 31
Vissen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde vissen niet te verwachten in het plangebied. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroep. Ongewervelde dieren Het voorkomen van de strikt beschermde grote weerschijnvlinder en teunisbloempijlstaart is niet op voorhand uit te sluiten. Aanvullend onderzoek is noodzakelijk op te bepalen of deze soorten voorkomen in het plangebied of binnen de invloedsfeer van de geplande ruimtelijke ingrepen. Van de grote vos is al aangetoond dat deze in het plangebied voorkomt. Grote vos Het voorkomen van de beschermde grote vos is ontheffingsplichtig wanneer voortplanting in het plangebied verwacht kan worden. Hiervan is zeer waarschijnlijk prake van in het plangebied. Het verwijderen van de aanwezige opgaande groenstructuren, inclusief waardplanten, is daardoor ontheffingsplichtig. Op basis van het tijdens het veldbezoek aangetroffen exemplaar, kan men er vanuit gaan dat het plangebied als functioneel leefgebied van de soort fungeert waardoor een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Grote weerschijnvlinder Om de aan- of afwezigheid van de grote weerschijnvlinder aan te tonen is de onderzoeksinspanning bepaald aan het gedrag van deze soort. Het aantal vlinders op de bekende vliegplaatsen van de grote weerschijnvlinder is vaak laag.
Om de trefkans te vergroten en hiermee de aanwezigheid van aan te tonen dienen twee veldbezoeken in de periode half juni - begin augustus uitgevoerd te worden. Teunisbloempijlstaart De aanwezigheid van deze strikt beschermde nachtvlindersoort is het beste vast te stellen door in de periode juni-september naar volgroeide rupsen te zoeken. Hiervoor dienen twee veldbezoeken in uitgevoerd te worden.