CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp vosdijk 13 toelichting

Gemeenteraad 16 november 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij te Vragender’14.284 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender vastgesteld

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Inhoudsopgave

Toelichting

5

Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer

6 6 6 7 7

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Nieuwe situatie

8 8 9

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Internationaal niveau 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid

10 10 11 13 16

Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten 4.1 Watertoets 4.2 Bodem 4.3 Flora en Fauna 4.4 Cultuurhistorie en archeologie 4.5 Geluid 4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Geur 4.9 Externe veiligheid

19 19 22 23 25 26 29 31 32 33

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingsplan 5.3 Plansystematiek

35 35 35 35

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid

41 41 41

(vastgesteld)

3

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

4

(vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding Hoofdstuk 2 Planbeschrijving Hoofdstuk 3 Beleid Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten Hoofdstuk 5 Juridische toelichting Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Toelichting (vastgesteld)

5

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Aanleiding en doel

Tijdens de hevige regenval in augustus 2010 is er wateroverlast ontstaan in de kern van Lichtenvoorde en in het landelijk gebied tussen Lichtenvoorde en Ruurlo. Naar aanleiding van deze gebeurtenis is nader onderzoek gedaan naar het functioneren van het oppervlaktewatersysteem en mogelijke maatregelen. Als gevolg van dat onderzoek zijn een drietal retentiegebieden aangewezen die vervolgens ook onderdeel die ook als zodanig zijn bestemd in het bestemmingsplan 'Buitengebied, herziening waterberging Lichtenvoorde Oost' dat op 27 juni 2017 is vastgesteld. Eén van deze locaties is de locatie aan de Eikendijk. Op dit perceel was een camping mogelijk die nooit gerealiseerd is. Om op deze locatie waterberging te realiseren, is het perceel aangekocht. In het kader van deze aankoop heeft de gemeente een overeenkomst gesloten met de MACL, de Motor- en Autoclub Lichtenvoorde. Daarbij werd overeengekomen dat de MACL een bijdrage zou leveren in de aankoop van het perceel aan de Eikendijk. Als compensatie voor die bijdrage verkreeg de MACL een bouwrecht voor een woning met bijgebouwen in het gebied 'Besselinkschans' onder bepaalde voorwaarden. Omdat er bij de camping ook een bedrijfswoning bestemd was, gaat het om een verplaatsing van een woningbouwmogelijkheid en niet een toevoeging.

Sinds de MACL het bouwrecht verkregen heeft, zijn er enkele informele verzoeken voor een locatie voor de nieuwe woning ingediend. Deze plannen zijn echter nooit doorgegaan. Inmiddels is er een locatie voor de nieuwe woning met de gemeente besproken en onder bepaalde voorwaarden akkoord bevonden. Het gaat om een locatie aan de Vosdijk tussen de huisnummers 13 en 15. Voorliggend plan heeft tot doel het bestemmingsplan voor deze locatie dusdanig te herzien dat de woning gerealiseerd kan worden en daarmee ook gevolg te geven aan het bouwrecht dat de MACL verkregen heeft.

1.2

Ligging en begrenzing plangebied

Het plangebied betreft een locatie aan de Vosdijk, gelegen tussen de huisnummers 13 en 15. Het wordt begrensd door de grenzen van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie S nummer 1018.

Globale ligging en begrenzing plangebied

6

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

1.3

Geldend bestemmingsplan

Het plangebied ligt in het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 met bijbehorende reparatieplannen. Het is bestemd tot 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' met de aanduiding 'overige zone - evenemententerrein' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. Dit houdt in dat het plangebied mag worden gebruikt ten behoeve van een grondgebonden agrarisch bedrijf en het behoud van landschappelijke en natuurwaarden. Op grond van de aanduiding mag het gebied gedurende 45 dagen per jaar in gebruik zijn ten behoeve van een evenement of het daarbij benodigde kamperen. Vanuit de archeologische dubbelbestemming ligt op het gebied een onderzoeksverplichting bij het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 2500 m².

1.4

Leeswijzer

In Hoofdstuk 1 is de aanleiding en doel van dit bestemmingsplan uiteengezet. In Hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. De historie en cultuurhistorie komt aan bod. Ook wordt inzicht gegeven in de opbouw van het plangebied met de daarbij behorende functies. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.

Toelichting (vastgesteld)

7

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Hoofdstuk 2 2.1

Planbeschrijving

Huidige situatie

In deze paragraaf wordt de huidige situatie beschreven met betrekking tot de ruimtelijke en de functionele structuur.

Plangebied in ruimere omgeving Het plangebied is gelegen in het buitengebied, direct ten noorden van de Vosdijk. Het huidige gebruik van het perceel is agrarisch weideland. Tussen het weiland en de naastgelegen percelen is geen begroeiin aanwezig. Alleen ten zuiden van het weiland is, aan weerszijden van de Vosdijk, een eikenlaan aanwezig.

8

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Luchtfoto van het plangebied

2.2

Nieuwe situatie

Landschappelijke inpassing De realisatie van de woning gaat gepaard met een landschappelijke inpassing en een erfinpassing. Als gevolg van deze landschappelijke inpassing zal een tweetal landschapselementen worden aangeplant. Langs de Visserijbeek komt een transparante singel van circa 2 meter breed met doorzichten naar het achterland en een verbinding naar de beek door middel van afwisselend lage en hogere struiken met enkele boomvormers. Aan de oostzijde van het agrarisch bouwland, aan de perceelsgrens met Vosdijk nummer 15, komt een robuuste houtsingel met een breedte van ongeveer 5 meter. Deze houtsingel bestaat uit een gemengde aanplanting van els, es, zoete kers, zomerlinde, gladde iep, ruwe berk, éénstijlige meidoorn, veldesdoorn, sleedoorn, hazelaar en lijsterbes. Als plantmateriaal wordt bosplantsoen met een minimale maat van 80-120 cm gebruikt. De houtsingel bestaat uit rijen plantsoen die in een plantverband van 1,5 bij 1,5 meter worden geplant. Erfinpassing De erfinpassing is op het moment van het opstellen van het bestemmingsplan nog niet geheel uitgekristallisseerd. Wel is duidelijk dat de erfinrichting in ieder geval zal bestaan uit een boomgaard van minimaal 12 bomen en een omlijsting van het erf bestaande uit solitaire bomen, hagen en struiken.

Toelichting (vastgesteld)

9

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Hoofdstuk 3

Beleid

3.1

Internationaal niveau

3.1.1

Vogelrichtlijn

De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. 3.1.2

Habitatrichtlijn

De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn. 3.1.3

Het verdrag van Valletta (Malta)

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.

10

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

3.1.4

Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: De vervuiler betaalt De gebruiker betaalt Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water Resultaatsverplichting in 2015 Stroomgebiedsbenadering) Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.

Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere plantenen dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.

Uitgangspunten voor het bestemmingsplan De voorgenomen planontwikkeling voldoet aan het internationaal beleid.

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt onder andere de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en zal, na inwerkingtreding van de Omgevingswet de status van Omgevingsvisie krijgen. De visie geeft richting voor keuzes, inspireert, stelt kaders en zorgt voor een integrale aanpak van strategische opgaven in de fysieke leefomgeving. Vier prioriteiten staan centraal: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De NOVI maakt hierbij gebruik van drie afwegingsprincipes: 1) Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies, 2) Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en 3) Afwentelen wordt voorkomen. De belangrijkste keuzes die gemaakt worden in de NOVI zijn; een klimaatbestendige inrichting van Nederland.

Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen (vb op termijn verhogen van grondwaterstand in veenweidegebieden); de transitie van de energievoorziening, bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit (vb zonneladder); de transitie naar een circulaire economie met behoudt van concurrentiekracht en een aantrekkelijk vestigingsklimaat (vb transitie havengebieden); de ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland; hiermee sturen we op de verstedelijking in Toelichting (vastgesteld)

11

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender samenhang bereikbaarheid, benutten we het potentieel van heel Nederland (vb benoemen ontwikkellocaties woningbouw). We versnellen de woningbouw met oog voor omgevingskwaliteit (vb verstedelijkingsstrategie); concentratie van de stedelijke ontwikkeling/logistieke functies en behouden hiermee de openheid van het landschap (vb voorkeursvolgorde logistieke functies); op termijn herindeling van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken aan de omslag naar de kringlooplandbouw. Samen met de NOVI is een Uitvoeringsagenda gepresenteerd. Hierin staat hoe het Rijk, samen met alle betrokken overheden en andere partijen, uitvoering zal geven aan de NOVI. In samenwerking werkt het Rijk in samenwerking met andere de NOVI in onderdelen en gebiedsgericht uit, respectievelijk in programma’s en omgevingsagenda's / gebiedsagenda's. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.

Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. 3.2.3

Besluit ruimtelijke ordening

Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte werd de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied.

Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt.

12

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Nieuwe stedelijke ontwikkeling Onderhavige ontwikkeling betreft realisatie van 1 nieuwe woning (op de locatie aan de Vredenseweg). In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Het betreft hier een woningbouwlocatie. Bij een kleinschalige woningbouwontwikkeling is de ladder niet van toepassing. Waar de grens precies ligt, blijkt niet expliciet uit het Besluit ruimtelijk ordening. Op basis van jurisprudentie blijkt dat bij woningbouw in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van 1 nieuwe woning. Vanwege de omvang van het project kan worden geconludeerd dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is een verdere toets aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Conclusie Daarmee vormt de ladder van duurzame verstedelijking geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. Uitgangspunten voor het bestemmingsplan De voorgenomen planontwikkeling voldoet aan het Nationaal beleid.

3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisieen Omgevingsverordening

De provincie heeft haar visie op de omgeving vertaald in de 'Omgevingsvisie Gelderland'. Deze is vastgesteld op 19 december 2018. Op die datum is tevens de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. In de omgevingsvisie stelt de provincie tot doel een schoon, gezond, veilig en welvarend Gelderland. Daarnaast streeft de provincie onder andere naar het versterken en behouden van de vitaliteit van kleinere kernen en dorpen. Om dit te bereiken dienen stedelijke functies waar mogelijk te worden gebundeld en geconcentreerd. Daarnaast ondersteunt de provincie bij de aanpak van leegstand in dorpen en kernen.

Toelichting (vastgesteld)

13

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Uitsnede kaart Omgevingsverordening

Voor de locatie geeft de Omgevingsverordening regels m.b.t. glastuinbouw en Plussenbeleid die voor het voorliggend initiatief niet relevant zijn. Het initiatief ziet niet op glastuinbouw of een agrarisch bedrijf. 14

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender Het plangebied ligt in het Nationaal Landschap Winterswijk. In artikel 2.56 van de verordening zijn bepalingen opgenomen voor ontwikkelingen in het Nationaal Landschap. Deze luiden als volgt: --Artikel 2.56 (ontwikkeling in Nationaal landschap) 1. Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt ten opzichte van het op 17 oktober 2014 geldende bestemmingsplan alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap, bedoeld in bijlage 6 Kernkwaliteiten Nationale Landschappen, niet aantasten. 2. In afwijking van het eerste lid zijn activiteiten die deze kernkwaliteiten aantasten alleen mogelijk als: a. er geen reële alternatieven zijn; b. er sprake is van redenen van groot openbaar belang; c. compenserende maatregelen plaatsvinden ter waarborging van de kernkwaliteiten van de Nationale Landschappen zoals vastgelegd in bijlage 5. --Toets aan de verordening De ontwikkeling vindt plaats naar aanleiding van een door de MACL verkregen bouwrecht. Dit bouwrecht is verkregen doordat de MACL een investering heeft gedaan bij de aanschaf van een perceel aan de Eikendijk. Dat perceel is aangekocht teneinde er een retentiegebied te realiseren.

Deze waterberging voorziet in een openbaar belang, namelijk voorkomen van wateroverlast als gevolg van een periode van hevige regenval. Voor deze woning zijn meerdere alternatieve locaties overwogen, maar de locatie aan de Vosdijk is het uiteindelijk geworden. Kernkwaliteiten Nationaal Landschap Winterswijk Als kernkwaliteiten van het Nationaal Landschap Winterswijk worden de volgende kenmerken benoemd; 1. Kleinschalig, organisch gegroeid halfopen landschap met afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken, boerderijen; oostelijke helft kleinschaliger dan westelijke helft; 2. Rijk aan microreliëf (steilranden, essen en eenmansessen), een duidelijke terrasrand (westzijde); 3. Meanderende beken in smalle dalen als doorgaande structuren, met natuurlijke begroeiing (elzen en essen) in halfopen landschap; 4. Fraaie, open essen (opvallend groot op de plateaurand van Aalten tot Groenlo) en bijzondere broekgebieden; 5. De verspreid gelegen oude boerderijen hebben veelal een bijbehorende eenmanses. De ontwikkeling omvat een woning op een deel van een agrarisch bouwland. Het landschap ter plaatse is een halfopen landschap. Het agrarisch bouwland wordt aan de noordelijke zijde begrensd door de Visserijbeek. De enige groene landschapselementen verder zijn de bomenrij langs de Vosdijk en wat solitaire bomen aan de westgrens van het bouwland.

Langs de beek is geen beplanting aanwezig. De beek is overigens door de provincie aangewezen als zijn de GO; een groene ontwikkelingszone. De realisatie van de woning gaat gepaard met een landschappelijke inpassing en een erfinpassing. Als gevolg van deze landschappelijke inpassing zal een tweetal landschapselementen worden aangeplant. Langs de Visserijbeek komt een transparante singel van circa 2 meter breed met doorzichten naar het achterland en een verbinding naar de beek door middel van afwisselend lage en hogere struiken met enkele boomvormers. Aan de oostzijde van het agrarisch bouwland, aan de perceelsgrens met Vosdijk nummer 15, komt een robuuste houtsingel met een breedte van ongeveer 5 meter. Deze houtsingel bestaat uit een gemengde aanplanting van els, es, zoete kers, zomerlinde, gladde iep, ruwe berk, éénstijlige meidoorn, veldesdoorn, sleedoorn, hazelaar en lijsterbes. Als plantmateriaal wordt bosplantsoen met een minimale maat van 80-120 cm gebruikt. De houtsingel bestaat uit rijen plantsoen die in een plantverband van 1,5 bij 1,5 meter worden geplant. Conclusie De Omgevingsvisie Gelderland vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling nu de ladder van duurzame verstedelijking ook geen belemmering vormt voor deze planontwikkeling.

Uitgangspunten voor het bestemmingsplan Bij het opstellen van de regels van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de regels uit het

Toelichting (vastgesteld)

15

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender provinciaal beleid.

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020

Cultuur en erfgoed dragen bij aan de economie en de maatschappij. Zij dragen bij aan het toerisme en aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en bewoners. Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten. Het doel van de nota is: Het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit: Op een goede wijze kan worden doorgegeven aan de volgende generatie; Een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen; Een verbinding vormt tussen diverse beleidsterreinen, organisaties en de drie gemeenten; De identiteit onderstreept en versterkt. 3.4.2

Welstandsbeleid Oost Gelre 2017

Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren". Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven. Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. 3.4.3

Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre

Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk. Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidbeleid ontwikkeld om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidaspect in bestemmingsplannen, vergunningen e.d. De Rijksoverheid treedt steeds verder terug om geluidzaken meer decentraal te laten regelen. De gemeente Oost Gelre grijpt deze kans om maatwerk te leveren: stilte beschermen waar mogelijk en geluidruimte te bieden waar nodig. Het gemeentelijk geluidbeleid is gebiedsgericht beleid.

Het gemeentelijk beleid is verdeeld in 10 akoestisch relevante gebiedstypen, zoals natuur, agrarisch gebied, woonwijken, centra en industrieterrein. Voor elk gebied is vastgesteld welke akoestische streef-, grens- en plafondwaarden gelden. Bij nieuwe activiteiten dient een geluidbelasting tussen streef en grenswaarden te ontstaan, waarbij streefwaarden de norm zijn. Alleen akoestisch uitzonderlijke situaties geven mogelijkheden geluidbelastingen tussen grens- en plafondwaarden aan te houden. Kortom, hoe verder de

16

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender geluidbelasting boven de streefwaarden komt des te belangrijker wordt een goede motivatie van deze afwijking. Doel is immers om een gekozen akoestisch leefklimaat te realiseren, indien nodig ten koste van nieuwe (te luidruchtige) activiteiten. Waar meer geluidruimte is gegeven, zijn dus ook meer activiteiten mogelijk. 3.4.4

Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024

Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst. De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen.

Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma. 3.4.5

Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre

De gemeente Oost Gelre heeft een Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen. 3.4.6

Woonvisie Oost Gelre

Vooraf De raad heeft in de vergadering van 17 september 2019 de woonbehoefte voor de periode 2018-2025 bijgesteld naar 560 woningen met daarbij een bandbreedte tussen de 460 en 660 woningen. In dezelfde vergadering van 17 september heeft de raad ook ingestemd met de regionale kwalitatieve toetsingscriteria voor nieuwe woningbouwinitiatieven en de aanpassing van een aantal passages van de regionale woonagenda zodat er meer ruimte ontstond voor woningbouw. Regionale Woonvisie De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld om in te spelen op de veranderde behoefte. In het najaar van 2019 is de Regionale Woonagenda op onderdelen aangepast. Daarmee wordt vooruit gelopen op de nieuwe Regionale Woonagenda. Het beleidskader is in lijn met de Koers Ruimte voor goed wonen van de provincie en met het provinciale coalitieakkoord. Een aantal passages zijn niet meer van toepassing, zoals: de afspraken over de woningbouw tot 2025 over de netto toevoegingen incl. 10% extra verlaging (pag. 3 en 4 en uit samenvatting pag. 7, 11, 12) en het schema over de bouwopgave (pag.

12) en; hoofdstuk 5, pagina 11 onder kopje 'De gewenste situatie': de passage over de regionale huishoudensgroei in de Regionale Woonagenda Achterhoek 2015-2025 is achterhaald door de nieuwe Primos-prognose, waarbij per gemeente of kern wel verschillen in de bevolkingsontwikkeling kunnen bestaan. Om de kwalitatieve mismatch op te lossen is een regionale set aan kwaliteitscriteria vastgesteld op basis waarvan nieuwe woningbouwplannen worden beoordeeld. Deze zijn vastgesteld in de raad van 17 september 2019. Diverse onderzoeken laten zien dat er kwalitatieve tekorten en overschotten zijn tussen vraag en aanbod van woningen in de regio Achterhoek. Daarnaast blijkt uit de nieuwste Primosprognose dat het aantal huishoudens in de regio Achterhoek tot 2030 blijft groeien. Er zijn daardoor op regioniveau extra woningen nodig bovenop de bestaande woningbouwafspraken die vastliggen in de Regionale

Toelichting (vastgesteld)

17

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender Woonagenda Achterhoek 2015-2025. Woonvisie Oost Gelre De gemeente Oost Gelre heeft een eigen woonvisie vastgesteld voor de periode 2016 – 2025. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2016. De woonvisie Oost Gelre is een kernachtige en toegankelijke visie. De visie is vormgegeven op basis van een drietal thema's: kwantiteit & kwaliteit, beschikbaarheid & betaalbaarheid en wonen met zorg en welzijn. Bij ieder thema is aangegeven wat wordt gezien als ontwikkelingen, wat er bereikt moet worden en wat hiervoor moet worden gedaan. Voorafgaand hierop is ingegaan op de kwaliteiten van Oost Gelre, specifiek de verschillende kernen, en de maatschappelijke ontwikkelingen die het woonbeleid beïnvloeden. In een uitvoeringsprogramma is aangegeven welke activiteiten uit de woonvisie voortvloeien en wanneer en door wie deze worden uitgevoerd. De ruimtelijke uitvoeringmaatregelen zoals het stoplichtmodel, vijfsporenstrategie, sturingstabel en de richtlijnen voor nieuwe principe verzoeken zijn als bijlage bij het uitvoeringsprogramma gevoegd. Uit nieuwe bevolkingsprognoses blijkt dat de komende jaren extra woningen moeten worden toegevoegd.

Op basis van het onderzoek “Woningbouwbehoefte Oost Gelre” is er een behoefte van 560 woningen (2018-2025) met daarbij een bandbreedte tussen de 460 woningen en 660 woningen. Aan de hand van het besluit van de gemeenteraad van 17 september 2019 wordt dit als nieuwe uitgangspunt genomen voor lokaal beleid en de woningbehoefte voor Oost Gelre. Planningslijst Woningbouw Elk jaar wordt de planningslijst voor de woningbouwprogrammering in Oost Gelre doorgenomen en doorgestuurd naar de provincie Gelderland. In de planningslijst zijn alle (voorziene) bouwplannen in Oost Gelre opgenomen. De totale plancapaciteit per 1 april 2020 is 437 woningen tot 2025. Dit zijn alle plekken in onze gemeente waar nog gebouwd kan gaan worden en waar er nog wensen zijn voor nieuwbouw. Voor het voorliggend initiatief geldt dat dit voortvloeit uit het bouwrecht van de MACL. Daarvoor is 1 woning opgenomen in de planningslijst die op groen staan.

Uitgangspunten voor het bestemmingsplan Bij de planontwikkeling is gebruik gemaakt van de beleidsnota's zoals genoemd in 3.4.1 (Erfgoednota), 3.4.2 (Welstandsbeleid) en 3.4.5 (Inspiratiedocument Ruimte) en is rekening gehouden met de vastgestelde woonvisie zoals genoemd in 3.4.6. Voornoemde gemeentelijke beleidsnotities voor geluid en verkeer, zoals genoemd in 3.4.3 (Geluidsbeleid) en 3.4.4 (Integraal Verkeersprogramma), zijn uitgewerkt in de in hoofdstuk 4 genoemde Uitvoeringsaspecten.

18

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Hoofdstuk 4 4.1

Uitvoeringsaspecten

Watertoets

Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen).

Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water. Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel

Toelichting (vastgesteld)

19

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.

Thema

Toetsvraag

Releva Intensiteit# nt

Veiligheid

1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?

Nee

2

Nee

2

Riolering en 1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan Nee Afvalwaterkete 1m3/uur? Nee n 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? Nee 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?

2 1 1

Wateroverlast 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met (oppervlakte-w meer dan 2500m2? ater) 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?

Nee Nee Ja Ja

2 1 1 1

Oppervlaktewaterkwaliteit

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater geloosd?

Nee

1

Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 3. Is in het plangebied sprake van kwel? 4. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 5. Beoogt het plan aanleg van drainage?

Nee Nee Nee Nee

1 1 1 1

Grondwaterkwaliteit

1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?

Nee

1

Inrichting en beheer

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

Ja

1

Nee

2

Volksgezondh 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het eid gemengde stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Nee

1

Nee

1

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?

Nee Nee Nee Nee

2 2 1 1

Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Nee

2

20

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Cultuurhistorie 1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

Nee

1

Tabel: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's

# de intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op bovenstaande vragen. De

met 'ja' beantwoorde vragen zijn voorgelegd aan het Waterschap en met hen besproken. Ook heeft het Waterschap ter plaatse veldonderzoek uitgevoerd.

Wateroverlast (oppervlaktewater) Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Als dit hemelwater niet vertraagd wordt afgevoerd wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar naar benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Uitgangspunt is dat (nieuwe) ontwikkelingen minimaal hydrologisch neutraal zijn of een verbetering ten opzichte van de huidige situatie. De woning, bijgebouwen en de overkapping / carport vormen ongeveer 350 m². Daarnaast wordt er een oprit aangelegd van 3m breed en 18m lang. Dit is een oppervlakte van 54 m². Al met al neemt door de ontwikkelingen in het plangebied de verharde oppervlakte toe met ongeveer iets meer dan 450 m². Dit betekent dat met een minimale berging van 40 cm, is de inhoud van de waterberging minimaal (54x0,4=) 21,6 m3. Er is daarbij van uitgegaan dat een regenbui T=10+10% (40mm) wordt opgevangen in het plangebied en vertraagd wordt afgevoerd. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel of rechtstreeks naar de watergangen, maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Het hemelwater van de woning wordt ter plaatse geborgen in een put.

De woning zal daarnaast gebouwd moeten worden op een soort terp, omdat het huidige weiland ongeveer 75 cm lager ligt dan de weg en de naastliggende woningen. Hierdoor zal ook de oprit ook verhoogd aangelegd worden en ontstaat er aan weerszijden van de oprit een soort van natuurlijke wadi van ongeveer 18 meter lang en ongeveer 2 meter breed. Dat is, rekening houdend met een vereiste berging van 40 centimeter een totale berging van (18x2x0,4x2=) 28,8 m3. Dit is meer dan de hiervoor berekende vereiste waterberging. Daarnaast is uit veldonderzoek van het Waterschap gebleken dat ter plaatse van de te bouwen woning een van oudsher natuurlijke slenk is gelegen. Deze slenk kent een natuurlijke gelaagdheid van leemarm zand tot grindachtig afzettingen. Dit betekent dat de drainerende werking van deze natuurlijke slenk groot is. Het betekent ook dat er zonder maatregelen problemen kunnen ontstaan van wateroverlast, in de huidige situatie tijdens nattere perioden of wanneer de peilen in de omgeving zouden worden verhoogd.

Toelichting (vastgesteld)

21

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Terreinhoogte en ligging natuurlijke slenk Uit het vooroverleg met de eigenaren, die hier willen bouwen, is aangegeven dat de plek waar gebouwd wordt, het perceel wordt opgehoogd. Indien het maaiveld opgehoogd wordt tot minimaal het peil van de weg, worden geen problemen verwacht als gevolg van een hoge grondwaterstand. Wanneer een kelder wordt gebouwd zal er extra aandacht moeten worden besteedt dat dit ook bij hogere grondwaterstanden een waterdichte kelder is. De verantwoordelijkheid en de daar aan verbonden risico's zijn voor de eigenaar. Verder wordt geadviseerd om het bijgebouw die nu ten westen van de woning staat geprojecteerd te verplaatsen naar de oostzijde van de woning. De reden ligt in het feit dat hiermee het bouwwerk buiten de zone komt te liggen van de natuurlijke slenk. Inrichting en beheer Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap mogelijk te zijn. Daarnaast dienen wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de keurzone met een watervergunning te worden uitgevoerd. Ten noorden van het plangebied ligt de Visserijbeek. Langs deze beek ligt een keurzone van 5 m. Activiteiten of werkzaamheden in deze zone zijn vergunningplichtig. De in het kavelpaspoort opgenomen transparante singel lijkt binnen de zone te vallen.

Er vindt een nadere invulling plaats van het landschapsplan (beplantingsplan) die naadloos aansluiten op het een inrichten van een klimaat robuuste Visserijbeek. Deze invulling zal in nauw overleg met het waterschap plaats vinden.

Uitgangspunten voor het bestemmingsplan In het plangebied is voldoende ruimte voor het realiseren van de benodigde waterberging. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.2

Bodem

Wettelijk kader Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de 22

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. Situatie plangebied In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan vijf jaar oud zijn.

Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In het kader van de ontwikkeling die het bestemmingsplan mogelijk maakt, is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Rouwmaat. Het onderzoeksrapport daarvan, met kenmerk MT-200117 en gedateerd op 30 maart 2020, is als bijlage 1 bij de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan gevoegd. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: De bovengrond bestaat overwegend uit donkerbruin, matig fijn zand. Daaronder bestaat de ondergrond overwegend uit beige grijs, zeer fijn zand. In de grond(meng)monsters is geen van de onderzochte stoffen aangetroffen in een concentratie boven de achtergrondwaarde van de desbetreffende stof. In het grondwatermonsters zijn licht verhoogde gehalten aan barium, cadmium, koper en zink aangetroffen. De hypothese “De gehele onderzoekslocatie kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels aangenomen. In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik.

Uitgangspunten voor het bestemmingsplan Het bodemonderzoek voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. De bodemkwaliteit is geschikt voor een gebruik als wonen. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig. Aan de procedure hoeven geen bodemspecifieke voorwaarden te worden verbonden. Het aspect bodem vormt dan ook geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.3

Flora en Fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met

Toelichting (vastgesteld)

23

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking. Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn.

Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.

Afbeelding Ligging Natura 2000-gebieden binnen de gemeente en in de omgeving, bron http://natura2000.eea.europa.eu/ De ontwikkeling die het voorliggende bestemmingsplan mogelijk maakt, houdt in dat aan de Vosdijk een

24

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender agrarische bestemming wordt vervangen door een woonbestemming. Om een rekenkundig inzicht te krijgen in de daarmee gepaard gaande gevolgen voor de stikstofdepositie, is de nieuwe situatie zoals het bestemmingsplan die beoogd te regelen in Aerius doorgerekend. Dit is een worst-case scenario waarbij zowel de bouw als het gebruik alsmede het verkeer gelijktijdig zijn doorberekend. In bijlage 2 van de toelichting van het voorliggende bestemmingsplan wordt inzicht geboden in een uitgevoerde Aerius-berekening. Uit deze berekening blijkt dat, als gevolg van de ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, er geen effect is op de stikstofdepositie op een Natura2000-gebied van hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is dan ook geen sprake van een significant nadelig effect. Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4) dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Situatie plangebied Het gaat hier om een locatie die momenteel bestaat uit intensief beheerd grasland.

Gelet daarop is geen flora- en faunaonderzoek noodzakelijk, aangezien er door het gebruik geen natuurwaarden aanwezig zullen zijn. Het is daarbij ook aannemelijk dat de uitvoering van de landschappelijke inpassing zal leiden tot een toename van leefgebied voor flora en fauna. Uitgangspunten voor het bestemmingsplan Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4

Cultuurhistorie en archeologie

Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden.

De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.

Toelichting (vastgesteld)

25

bestemmingsplan Buitengebied, herziening Vosdijk 13 nabij, Vragender

Situatie plangebied Voor het plangebied, geeft het vigerend bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011 met de bijbehorende reparatieplannen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' op grond waarvan een onderzoeksplicht geldt voor het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 2500 m². Aangezien het oppervlak dat met het voorliggend bestemmingsplan niet gehaald wordt. De functiewijziging ziet weliswaar op een perceel van ongeveer 3420m2, maar er zijn geen bodemingrepen dieper dan 30 cm voorzien op het gehele terrein. Doordat er een woning is toegestaan met een inhoud van 850 m3 met bijgebouwen van max 200m2 zal er, ondanks eventuele verharding op het terrein geen sprake zijn van bodemingrepen van meer dan 2500 m2. Het aspect archeologie levert dus geen belemmeringen op voor deze locatie. Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.

Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). Het aspect cultuurhistorie is behandeld in paragraaf 2.1. Het plangebied bestaat uit intensief beheerd agrarisch cultuurland. Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.

Uitgangspunten voor het bestemmingsplan Aangezien er geen archeologisch onderzoek is uitgevoerd en er derhalve geen duidelijkheid is over de aanwezige archeologische waarden, zal de archeologische dubbelbestemmingen uit het geldende bestemmingsplan blijven gehandhaafd. Binnen het plangebied geldt maar 1 dubbelbestemming, te weten ''Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. Deze zal in het voorliggende bestemmingsplan opnieuw worden opgenomen.

4.5

Geluid

Voor de beoordeling van het onderwerp geluid gelden bij ruimtelijke besluit de volgende uitgangspunten: 1. voldoen aan de normen uit de Wet geluidhinder (geluidzones rondom wegen, spoorwegen en industrieterreinen); 2. het niet belemmeren van bedrijven in de omgeving; 3. het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 4. voldoen aan de eisen uit gemeentelijk geluidbeleid. Dit is van toepassing voor Oost Gelre. 4.5.1

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10736395/1