bp veegplan woningsplitsing toelichting
Tekst van het document
Op dit perceel is als nevenactiviteit binnen de woonbestemming een verhuurbedrijf voor doe-het-zelf machines toegestaan. Dat wordt nader beschouwd om een goed beeld te geven van de geluidssituatie ter plaatsen. Onderzocht is welke geluidbelasting ontstaat op de omgeving van de uit te breiden woning Halsedijk 17 te Mariënvelde t.g.v. het verhuurbedrijf. In het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 28) wordt onderzocht of aan de eisen uit de VNG-brochure kan worden voldaan, zodat zowel een goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd als voldoende akoestische ruimte resteert voor het bedrijf. Uit het onderzoek blijkt dat gezien de activiteiten van het bedrijf de hinder zeer beperkt is en dus zal in de praktijk een goed woon- en leefklimaat heersen. Het bedrijf wordt niet beperkt aan haar bedrijfsvoering want kan voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit. 5.5.4
Beoordeling Omgevingsdienst Achterhoek (ODA)
De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft het in 5.5.3.2 besproken geluidsonderzoek beoordeeld. Het beoordelingsdocument van de ODA is opgenomen in Bijlage 29 van deze toelichting. Het akoestisch onderzoek is akkoord bevonden. Het aspect geluid van het naastgelegen verhuurbedrijf geen belemmering voor de woningsplitsing op deze locatie. Het woon- en leefklimaat is voor het aspect geluid wordt beoordeeld als aanvaardbaar. 5.5.5
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
5.6
Geur
5.6.1
Algemeen
5.6.1.1 Wet geurhinder en veehouderij Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022 milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. 5.6.1.2 Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden. Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is.
Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij: bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht. 5.6.1.3 Activiteitenbesluit Agrarische bedrijven hebben geen vergunning nodig als al hun activiteiten onder de reikwijdte van het Activiteitenbesluit vallen. Dit zijn type B-bedrijven, zoals veehouderijen, kinderboerderijen (en andere bedrijven die kleinschalig dieren houden), glastuinbouwbedrijven, bedrijven met teelt in gebouwen, bedrijven met open teelt, agrarische loonwerkers en losse opslagen (bijvoorbeeld mest). Voor geurhinder is in het Activiteitenbesluit een soortgelijk beoordelingskader opgenomen als in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). Zo gelden binnen en buiten de bebouwde kom dezelfde normen als in de Wgv. Ook de geurbelasting wordt bepaald volgens het bepaalde in de Wgv. Hetzelfde geldt voor het meten van de afstanden. 5.6.2
Situatie plangebied
In dit geval is er sprake van het toevoegen van geurgevoelige objecten, namelijk de zelfstandige nieuwe woningen die ontstaan na de splitsingen. In dit geval vinden de splitsingen in beginsel plaats binnen de bestaande woning. Voor een aantal locaties (Mariënvelde, Scheiddijk 30, Mariënvelde, Halsedijk 17 en Vragender, Schoolstraat 8a) geldt dat de bestaande (bedrijfs)woning wordt uitgebouwd. Echter geldt dat daar geen sprake van het toevoegen van een geurgevoelig object dichter op omliggende veehouderijen dan dat op basis van het geldende planologische regime reeds is toegestaan. Omliggende veehouderijen worden door de bestemmingsplanherziening dan ook niet in hun bedrijfsvoering en/of ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. De bestaande (bedrijfs)woningen zijn immers reeds milieugevoelig en daarmee maatgevend. Het beschermingsniveau van de woningen wijzigt niet doordat deze worden gesplitst. Er zijn verder geen negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat ter plaatse. 5.6.3
Conclusie
Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland. Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000-gebieden Nederland heeft de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in de Wet natuurbescherming verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. De locatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebied is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Daarom is door de gemeente Oost-Gelre een stikstofonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 30 bij deze toelichting. Hierna worden de belangrijkste resultaten weergegeven. Resultaten Uit het onderzoek blijkt dat de berekende emissie niet leidt tot een bijdrage aan stikstofdepositie van groter dan 0,00 mol/ha/jaar, zelfs wanneer het uitgangspunt is dat alle nieuwe woningen aangesloten worden op het gasnetwerk en andere worst-case uitgangspunten. Ook op de eigen rekenpunten op Duitse Natura 2000-gebieden wordt geen toename berekend. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en is het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.
Er gelden vanuit stikstofdepositie geen belemmeringen voor de bestemmingsplanprocedure. Een passende beoordeling is niet aan de orde. 5.7.2.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten zijn lokaal waardoor deze geen negatief effecten op gebieden buiten het plangebied hebben. De voorgenomen activiteit heeft daarom geen negatief effect op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN. Nadere toetsing is niet noodzakelijk. 5.7.3
Soortenbescherming
5.7.3.1 Algemeen Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. De ontwikkeling ziet voor een groot deel toe op functiewijziging van bestaande bebouwing en het
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022 toevoegen van groen. Dit heeft in principe geen negatief effect op beschermde soorten. Voor een aantal locaties geldt dat hier wel sprake is van sloop/verbouw of andere activiteiten waardoor mogelijk beschermde soorten worden geschaad. In voorliggend geval heeft Natuurbank Overijssel daarom voor die locaties een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. Concreet gaat het om: Scheiddijk 30, Mariënvelde Halsedijk 17, Mariënvelde Ruurloseweg 15, Zieuwent Hofmansweg 6, Zieuwent In de komende subparagraaf wordt uitgelegd waarom voor deze locaties een quickscan is uitgevoerd en wat de belangrijkste conclusies van deze onderzoeken zijn. Voor de volledige rapportages wordt verwezen naar de bijlagen bij deze toelichting. 5.7.3.2 Situatie plangebied Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming Scheiddijk 30 (Bijlage 31) Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. De locatie is op 31 mei 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties.
De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. De locatie wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels, bezetten amfibieën er een (winter)rustplaats en bezetten beschermde grondgebonden zoogdieren er een vaste rust- of voortplantingsplaats. Vleermuizen bezetten geen vaste rust of verblijfplaats op de locatie maar gebruiken het wel als foerageergebied. Van de op de locatie nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Indien de beplanting verwijderd wordt tijdens de voortplantingsperiode, wordt geadviseerd vooraf een broedvogelscan uit te voeren om de aanwezigheid van een bezet vogelnest uit te kunnen sluiten. Voor de beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie op de locatie bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantinglocaties’.
Er geldt geen vrijstelling voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dienen ze weggejaagd te worden of weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien niet voorkomen kan worden dat een beschermd dier gedood wordt, dient een ontheffing aangevraagd te worden of dient gewerkt te worden volgens een goedgekeurde en toepasbare gedragscode. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van de locatie als foerageergebied voor vleermuizen af. Dit leidt echter niet tot wettelijke consequenties. Resultaten van toetsing aan wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden samengevat: Werkzaamheden afstemmen op de voortplantingsperiode van vogels; Geen grondgebonden zoogdieren en amfibieën doden (verjagen, wegvangen of ontheffing aanvragen). Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming Halsedijk 17 (Bijlage 32) De uitbreiding wordt aan de achterzijde van de woning gerealiseerd. Om dit mogelijk te maken wordt de muur doorbroken. Het dakvlak blijft onaangetast; de nieuwe uitbouw krijgt een plat dak. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022 voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen beschermde dieren gedood en wordt geen vaste rust- en voortplantingsplaats verstoord, beschadigd en vernield. Tevens vormt de locatie geen geschikt foerageergebied voor beschermde dieren. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten en ook niet tot een geschikt leefgebied voor beschermde dieren. De locatie bestaat volledig uit bebouwing welke voor beschermde dieren niet toegankelijk is en niet geschikt is om een vaste rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Beschermde vleermuis-, vogel-, amfibie- en grondgebonden zoogdierensoorten bezetten geen rust- of voortplantingsplaats op de locatie. Tevens vormt de locatie geen foerageergebied. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten zijn er geen wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming Ruurloseweg 15 (Bijlage 33) Er zijn plannen om een deel in een bestaande boerderij intern te verbouwen tot extra woning op een erf gelegen aan de Ruurloseweg 15 te Zieuwent.
De werkzaamheden bestaan uit het vervangen van het dak en aanbrengen van nieuw metselwerk. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. De locatie is op 9 mei 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten en ook niet tot een geschikt leefgebied voor beschermde dieren. De locatie bestaat volledig uit bebouwing welke voor beschermde diersoorten niet toegankelijk en daardoor niet geschikt is om een vaste (winter)rust- en voortplantingsplaats in te bezetten. Vleermuizen, vogels, amfibieën en grondgebonden zoogdieren bezetten geen rust- en voortplantingsplaats op de locatie. Tevens vormt de locatie geen foerageergebied. Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten zijn er geen wettelijke consequenties m.b.t soort- en gebiedsbescherming. Wettelijke consequenties m.b.t.
soortbescherming Hofmansweg 6 (Bijlage 34) Er zijn plannen om het achterste deel van een bestaande woning intern te verbouwen tot extra woning (totaal 2 wooneenheden), gelegen op een erf aan de Hofmansweg 6 te Zieuwent. De werkzaamheden bestaan o.a. uit het aanbrengen van isolatiemateriaal. Er vinden alleen werkzaamheden plaats aan de binnenzijde van de woning en niet aan de buitenzijde. De nieuwe woning wordt d.m.v. een nieuw aan te leggen verharde inrit in verbinding gebracht met de Hofmansweg. Tevens wordt er in het noordelijke deel van de locatie een nieuwe schuur gebouwd. De locatie wordt nadien landschappelijk ingepast, middels aanplant van een struweelhaag en een vogelbosje. Als gevolg van deze voorgenomen activiteiten kan overtreding van de Wet natuurbescherming op voorhand niet uitgesloten worden. Daarom is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. De locatie is op 7 juni 2022 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten, dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingslocaties. De inrichting en het gevoerde beheer maken de locatie niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren.
Beschermde vogel-, amfibie- en grondgebondezoogdiersoorten benutten de locatie uitsluitend als foerageergebied. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats op de locatie en benutten het ook niet als foerageergebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van de locatie als foerageergebied voor de foeragerende diersoorten niet af.
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022
Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten zijn er geen wettelijke consequenties m.b.t soorten- en gebiedsbescherming. 5.7.4
Conclusie
Het aspect 'ecologie' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
5.8
Archeologie & cultuurhistorie
5.8.1
Archeologie
5.8.1.1 Algemeen Op grond van de Erfgoedwet dient er in ruimtelijke plannen rekening gehouden te worden met archeologische waarden. In de Erfgoedwet is bepaald dat gemeenten een archeologische zorgplicht hebben en dat initiatiefnemers van projecten waarbij de bodem wordt verstoord, verplicht zijn rekening te houden met de archeologische relicten die in het plangebied aanwezig (kunnen) zijn. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten. 5.8.1.2 Situatie plangebied De gemeente Oost-Gelre heeft de archeologische verwachting doorvertaald in de dubbelbestemmingen in het bestemmingsplan "Parapluplan Archeologie". Dit bestemmingsplan blijft van kracht ter bescherming van de archeologische waarden. De grenswaarden voor archeologisch onderzoek worden op de locaties waar een uitbouw is beoogd overigens niet overschreden. Geconcludeerd wordt dat een archeologisch onderzoek niet nodig is. 5.8.2
Cultuurhistorie
5.8.2.1 Algemeen Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden verstaan die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. In de Bro is sinds 1 januari 2012 (artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a) opgenomen dat een bestemmingsplan “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” dient te bevatten. 5.8.2.2 Situatie plangebied Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten de negatief kunnen worden beïnvloed als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. In de directe nabijheid van de locaties is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt met betrekking tot voorliggend plan. 5.8.3
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat er geen archeologisch onderzoek benodigd is en er geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022
5.9
Verkeer en parkeren
5.9.1
Algemeen
Bij het opstellen van bestemmingsplannen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van parkeerkencijfers van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. 5.9.2
Situatie plangebied
Alle deelnemende percelen zijn van voldoende omvang om te voorzien in de parkeerbehoefte van de betreffende woningen. De woningen worden ontsloten middels de bestaande in- en uitritten, met uitzondering van het perceel aan de Hofmansweg 6 te Zieuwent. Voor dit perceel wordt een nieuwe inen uitrit voor de nieuwe woning gerealiseerd. Het omliggende wegennetwerk is van voldoende omvang om de verkeersgeneratie van één extra woning af te wikkelen. Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit veegbestemmingsplan.
5.10
Besluit milieueffectrapportage
5.10.1 Kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). In het Besluit m.e.r. neemt het bestemmingsplan een bijzondere positie in, want het kan namelijk tegelijkertijd opgenomen zijn in zowel kolom 3 als in kolom 4 van het Besluit m.e.r.. Of het bestemmingsplan in deze gevallen voldoet aan de definitie van het plan uit kolom 3 of aan de definitie van het besluit uit kolom 4 is afhankelijk van de wijze waarop de activiteit in het bestemmingsplan wordt bestemd.
Als voor de activiteit eerst één of meerdere uitwerkings- of bestemmingsplannen moeten worden vastgesteld dan is sprake van 'kaderstellend voor' en voldoet het bestemmingsplan aan de definitie van het plan. Is de activiteit geheel of gedeeltelijk als eindbestemming opgenomen voldoet het aan de definitie van het besluit. Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd.
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022
5.10.2 Artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming Gezien de aard en omvang van de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling wordt geconcludeerd dat geen sprake zal zijn van een aantasting van de instandhoudingsdoelen van Natura-2000 gebieden. Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet natuurbescherming is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet noodzakelijk. Daarom is geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. 5.10.3 Drempelwaarden Besluit m.e.r. De voorgenomen ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt door het partieel herzien van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling m.e.r.-(beoordelings)plichtig is, indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen'.
De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Gezien de drempelwaarden wordt geconcludeerd dat voor dit bestemmingsplan geen sprake is van een m.e.r. beoordelingsplicht. Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag of er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. De in het voorliggende bestemmingsplan besloten ontwikkeling gaat in beginsel uit van splitsingen van bestaande bebouwing.
Het gaat om een (zeer) kleinschalige ontwikkeling. Er is geen sprake van nieuwbouw, hoogstens worden drie woningen uitgebouwd. Verder is, voor zover in dit kader relevant, sprake van een nieuwe functie die niet leidt tot een aantasting van het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen. Gelet op het vorenstaande en de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r.. Tevens blijkt uit dit hoofdstuk en hoofdstuk 6 dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, die het doorlopen van een m.e.r.-procedure noodzakelijk maken. 5.10.4 Conclusie Dit bestemmingsplan is niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig. Tevens zijn geen nadelige milieugevolgen te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022
Hoofdstuk 6
Wateraspecten
6.1
Algemeen
6.1.1
Wettelijk kader
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen.
Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen).
Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water.
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022
6.1.2
Waterparagraaf
6.1.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). 6.1.2.2 Situatie plangebied Dit bestemmingsplan ziet in beginsel toe op functiewijziging van bestaande bebouwing. Drie woningen worden uitgebouwd. De hoeveelheid verhard oppervlak neemt per saldo nergens onevenredig toe en er is geen sprake van het dempen- of aanleggen van oppervlaktewater. Daarnaast worden geen activiteiten of functies toegevoegd die een negatief effect kunnen hebben op de grondwaterkwaliteit.
De verwerking van afvalwater blijft zoals de bestaande situatie. Er is daarom geen sprake van waterschapsbelang. 6.1.3
Conclusie
Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 2022
Hoofdstuk 7
7.1
Uitvoerbaarheid
Beleid en sectorale onderzoeken
Voorliggend bestemmingsplan betreft een herziening van de deelnemende percelen voor wat betreft de regeling omtrent woningsplitsing. De initiatieven zijn afzonderlijk beoordeeld en onderzocht. Per initiatief is het resultaat hiervan opgenomen in deze toelichting en in de Bijlagen bij de toelichting. Hierin is beoordeeld op basis van het vigerende beleid en de verschillende sectorale aspecten of de betreffende ontwikkeling uitvoerbaar is.
7.2
Economische uitvoerbaarheid
Bij nieuwe ontwikkelingen moet onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro) tegelijk met het bestemmingsplan een exploitatieplan worden vastgesteld, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door middel van gemeentelijke gronduitgifte of een anterieure overeenkomst. De gemeente heeft hierbij de onderzoeksverplichting om de financieel economische uitvoerbaarheid van het plan te toetsen. Met initiatiefnemers wordt een anterieure overeenkomst aangegaan. Deze onderdelen van het veegplan noodzaken niet tot onderzoek inzake de economische uitvoerbaarheid of het opstellen van een exploitatieplan.
7.3
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Gezien de beperkte reikwijdte van deze aanpassingen en de actuele status van het moederplan ziet de gemeente geen aanleiding om het voorontwerp in de inspraak te brengen. Wel is het wettelijk vooroverleg gevoerd overeenkomstig 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. In het kader van de vaststellingsprocedure heeft het ontwerp bestemmingsplan "Veegplan woningsplitsing Oost Gelre 202" gedurende zes weken voor eenieder van 27 januari 2023 tot en met 9 maart 2023 ter inzage gelegen. Tijdens voornoemde termijn kon eenieder schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen. Er zijn geen zienswijzen ingediend. Ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan zijn een tweetal wijzigingen aangebracht in het vast te stellen bestemmingsplan. Zie hiervoor ook de Nota met wijzigingen in Bijlage 35 van deze toelichting. Het gaat hierbij om een gewijzigd inpassingsplan voor Kunnerij 4 en het herstellen van een foutieve verwijzing in de regels.
36
Toelichting (vastgesteld)
bezoek Varsseveldseweg 2 7131 BJ Lichtenvoorde post Postbus 17 7130 AA Lichtenvoorde telefoon (0544) 39 35 35 fax (0544) 37 29 69 e-mail gemeente@oostgelre.nl internet www.oostgelre.nl