CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp van ostadestraat 17 toelichting en regels

Gemeenteraad 14 december 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Woonwijken Lichtenvoorde, herziening Van Ostadestraat 17’32.675 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

28

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, herziening Van Ostadestraat 17

Bijlagen

Toelichting (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, herziening Van Ostadestraat 17

Bijlage 1 Inrichtingsplan

30

Toelichting (vastgesteld)

P

P

8 P P

P

16 P

P

P

P

P

P

14 P

P

P

P

P

6

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

5.0

P

0P

P

P

P

P P

P

P

P

P

4

P

4.9

1

P

P

erfgrens

P P

P

P

2.7

P

P

0 2.5 0

P

P

planten vakbeplanting

2

I 5401

P

6.0 0

P

P

aanbrengen trottoirband 180/200x250 mm aanbrengen parkeervak van betonstraatstenen keiformaat kleur zwart

P

P

P

P

bestaande rijbaan

12.85+

P

P

1.80

P

aanbrengen molgoot

P

3.5

P

12.71+

19.59+

P

0

19.40+

P

P P

P

5 .0 0

19.50+ P

P

0.70 0.20

5.50

str

0.50

4.90

13.65

aat

P

Doo rs n ede

P

01

1.50

P P

Ost ade

0.10

1.65

P

P

0.10 van

Doorsnede 1

19.80+

SCHAAL 1 : 50 P

19.65+ 19.75+

P

P

P

1.50

P

P

P

P

P

P

6.0 0

P

P

P

P

P

P

1.50

4.8

P P

P

P

0

15

2.0 0

P

13

P

P

P

P

I 2059

P

LEGENDA

P P

P

P P

P

19.70+

P 11

aanbrengen voetpad van betontegels 300x300x60 mm

P

P

P

aanbrengen wandelpad van halfverharding P

9

1.50

aanbrengen rijbaan van betonstraatstenen keiformaat

P

P

P

1.80

P

19.60+

P P

P

P

P

aanbrengen parkeervakken van betonstraatstenen keiformaat of grasbetonstenen

P P

19.70+

aanbrengen parkeervakken van bestaande verharding

P

P

5

P

heesters P

P

P

3.5 0

P P

2.5 0

afrastering kastanje hout

2.7 0

3

5.0

0

P

contour schoolgebouw

P

P

4.0 0

P

I 2382

2.7 0

P

2.5 18.90+

kadastrale grenzen werkgrens toekomstig ontwerp

P

0

P

1

P

2.7

P

1.50

P

19.75+

P

P

P

P

grasbetonstenen

P

19.40+

P

gras

I 1750

P

P

P

P

6.0 0

1.50

5.0 0

P

P

lichtmast

0

P

P

0

P

P

6.0

19.90+

bouwpeil / aanleg hoogte

P

P P

19.60+

19.40+

P

19.40+ P

P

P

P

P

P

P

P

P

P

18.90+ P

P

P

P

te planten boom

P

P

18.90+

P

P

P

P

19.15+

19.65+

te rooien boom

P

P

P

P

19.70+ P

P

19.65+

I 3558

19.40+

19.40+

P

P

P

bestaande boom

P

P

P

19.10+

19.50+ P

19.70+

P

P

P

P

P

P

P

P

P

P P

19.20+ P

P

P P

P P

Opdrachtgever: Prowonen & Gemeente Oost Gelre

P P

P

P

Project:

P

Lichtenvoorde

P

P

P

P

Onderdeel:

P

P

P P

estek:

lad

Schaal:

ormaat:

Projectnummer:

01

1:200

A1

PRW 13-00

asering:

Status:

ekenaar:

Intern:

Vrijgegeven:

Voorontwerp Voorontwerp Voorontwerp

Concept Concept Concept

JH JH JH

RR RR RR

16 10 2020 25 11 2020 08 07 2021

P

P

P

P

P

P

P

Inrichtingsontwerp

P P

P

Hamelandlocatie

23 Afgedrukt op: donderdag 8 juli 2021 11:33:51 Locatie: z:\archief\2 project\prowonen\prw 13-00 hamalandlocatie lichtenvoorde\03 tekening\05 so\prw 13-00 hamalandlocatie.dwg

bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, herziening Van Ostadestraat 17

Bijlage 2 Watertoets

32

Toelichting (vastgesteld)

datum 24-6-2021 dossiercode 20210624-7-26921 Doetinchem, {datum}

Betreft: wateradvies Van Ostadestraat 17, Lichtenvoorde

Geachte heer/mevrouw Lotte Brouwer,

U heeft een watertoets uitgevoerd op de website www.dewatertoets.nl. Op basis van de gegevens die u heeft opgegeven, is bepaald dat het plan van grote invloed kan zijn op de waterhuishouding. U volgt de normale procedure. Dit houdt in dat u contact opneemt met het waterschap om in overleg te treden over een goede invulling van de waterbelangen in het plan.

In een startoverleg kan gezamenlijk bepaald worden welke wateraspecten een rol spelen en tot welk detailniveau deze uitgewerkt dienen te worden. Dit kan ook betekenen dat er een waterhuishoudkundig plan, een geohydrologisch onderzoek of een uitgebreide analyse van het huidige watersysteem noodzakelijk is. Gezamenlijk wordt er invulling gegeven aan de wateraspecten. Als er overeenstemming is over de inhoud van de waterparagraaf kan u de tekst opnemen in de toelichting van het ruimtelijk plan. Hieronder hebben wij onze uitgangspunten toegevoegd.

Met vriendelijke groet, Waterschap Rijn en IJssel Postbus 148, 7000AC Doetinchem T: 0314 369 369 F: 0314 343 258 E: info@wrij.nl W: www.wrij.nl

Water in ruimtelijke plannen; uitgangspunten van waterschap Rijn en IJssel 5-3-2021

Over dit document In 2015 is de beleidsnotitie Water Raakt! bestuurlijk vastgesteld. De waterschappen Vechtstromen (WVS), Drents Overijsselse Delta (WDOD) en Rijn en IJssel (WRIJ) hebben in Water Raakt! beschreven wat hun visie is ten aanzien van stedelijk waterbeheer. In deze uitgangspuntennotitie wordt dit uitgewerkt tot concrete uitgangspunten voor de weging van het waterbelang bij ruimtelijke plannen (watertoets). Ook de uitgangspunten voor waterbeheer in het landelijk gebied zijn hierin opgenomen.

Doelgroep en toepassing De uitgangspunten in dit document vormen het vertrekpunt voor het overleg tussen waterschap en initiatiefnemer en/of gemeente over de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en hun effect op het watersysteem.

Leeswijzer Per thema wordt beschreven welke uitgangspunten het waterschap hanteert in de weging van het waterbelang bij ruimtelijke plannen (Watertoets). 1. Doel 2. Uitgangspunten 3. Vragen voor de bepaling van de weging van het waterbelang 4. Welke ontwikkelingen voorzien we de komende jaren ?

Ontwikkelingen / vervolg Bij het opstellen van deze notitie is waar mogelijk rekening gehouden met de aankomende invoering van de Omgevingswet. 1Samenwerken aan ruimte voor water In dit hoofdstuk gaan we in op de bedoeling van de weging van het waterbelang en hoe we dat vormgeven.

1. Doel Ruimte maken voor water in plaats van ruimte onttrekken aan water, dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Essentieel is dat het aspect water vanaf de start van de ontwikkeling van een ruimtelijk plan goed aan de orde komt. Elke ruimtelijke ontwikkeling biedt de kans om de wateraspecten integraal mee te nemen, zodat de doelstellingen van het plan optimaal gerealiseerd kunnen worden, zonder dat dit nadelen heeft voor de omgeving, zoals verdroging of wateroverlast. De Watertoets is één van de instrumenten om dit te bereiken. De watertoets is het middel om de afweging van waterbelangen in ruimtelijke plannen en besluiten te waarborgen. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming met elkaar in gesprek brengt.[1]In het gezamenlijk gesprek kan ook onderzocht worden of er kansen zijn om andere maatschappelijke doelen mee te koppelen.

Het waterschap wil samen met gemeenten werken aan een gezamenlijke visie op water. Ook bewoners en andere belanghebbenden kunnen meewerken aan de uitwerking hiervan. We adviseren in de omgevingsvisie en omgevingsplannen in de waterparagraaf een stapsgewijze benadering van het huidige en toekomstige watersysteem op te nemen. Deze bestaat uit de volgende stappen: 1. Omschrijf het huidig watersysteem 2. Omschrijf de visie op het watersysteem in het plangebied. Houdt hierbij rekening klimaatontwikkeling en benut uitkomsten uit stresstesten voor wateroverlast, droogte, hitte en overstroming. 3. Omschrijf de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op het watersysteem 4. Omschrijf welke maatregelen worden genomen om met de gevolgen om te gaan. Hierbij geldt als uitgangspunt, dat de ontwikkeling waterneutraal en klimaatrobuust is.

● Weging van het waterbelang (watertoets)

Een goed gesprek tussen initiatiefnemer, gemeente en waterschap over de kansen en aandachtspunten van water in een plangebied in de startfase van de planvorming maakt een integrale aanpak mogelijk. Met behulp van de watertoets kan eenvoudig worden bepaald welke wateraspecten van belang zijn. Naarmate er een groter waterbelang is, zal een uitgebreidere procedure van de watertoets moeten worden doorlopen. We maken onderscheid in de volgende drie resultaten van de watertoets: 1. Plan raakt geen wateraspecten: geen wateradvies van Waterschap nodig 2. Korte procedure: plan past binnen uitgangspunten van het waterschap, per omgaande positief wateradvies. 3. Normale procedure: afstemming met initiatiefnemer om tot maatwerk te komen. Opties in beeld brengen en keuzes motiveren.

● Welke ontwikkelingen voorzien we de komende jaren?

De implementatie van de Omgevingswet zal veel veranderen. De gemeenten moeten de wateraspecten in hun omgevingsvisies opnemen, en het overleg met de waterschappen speelt hierin een belangrijke rol. Goede afstemming vanaf het begin van het planproces is belangrijk voor het stellen van lokale prioriteiten, lokale sturing en duidelijkheid voor initiatiefnemers. De waterschappen kunnen een eigen visie opstellen en de aan water gebonden waarden vastleggen.

1. Beheer en onderhoud (en inrichting) Het waterschap is verantwoordelijk voor beheer en onderhoud van oppervlaktewater.

● Doel

Het beheer en onderhoud van het watersysteem is erop gericht om de waterhuishouding op orde te houden of te verbeteren. Het gaat bij watergangen zowel om waterkwantiteit en -kwaliteit, als om beeldkwaliteit en waterbeleving. Het reguliere onderhoud bestaat voornamelijk uit het maaien van de water- en oevervegetatie.

● Uitgangspunten

Het beheer en onderhoud van het watersysteem dient met het reguliere onderhoudsmaterieel van het waterschap (of zijn aannemers) mogelijk te zijn. In situaties waar de ruimte beperkt is, bijvoorbeeld bij stedelijke herontwikkeling, is vroegtijdige afstemming met het waterschap nodig om te komen tot maatwerk. In de Legger zijn kern- en beschermingszones vastgelegd, waarin de breedte van onderhoudsstroken is opgenomen. De onderhoudsstroken dienen vrij gehouden te worden van obstakels. De beheervorm en -frequentie wordt afgestemd op de functie die aan de watergang is toegekend. Hierbij wordt ook rekening gehouden met recreatief medegebruik en natuurwaarden. Dit wordt in een streefbeeld voor het onderhoud vastgelegd. Met name in stedelijk gebied wordt daarbij ook afgestemd met de gemeentelijke onderhoudsdiensten. Ook kunnen afspraken gemaakt worden over onderhoud door andere partijen.

● Vragen voor de weging van het waterbelang ● Overweegt u water aan te leggen of te dempen, of aan te passen? ● Ligt in of nabij het plangebied een watergang?

1. Bij wijzigingen aan het watersysteem en werkzaamheden in de kern- en beschermingszone is de Keur van het waterschap van toepassing en gelden algemene regels of een vergunningplicht.

1. Waterveiligheid en waterkeringen Het waterschap beschermt zijn inwoners tegen overstromingen

● Doel

Met de aanleg en instandhouding van waterkeringen beschermen we inwoners tegen overstromingen door rivieren. Primaire en regionale waterkeringen hebben een functie voor de waterveiligheid, overige keringen en kades voor het beperken van wateroverlast.

Met de benadering van meerlaagse veiligheid waarborgen we niet alleen het veiligheidsniveau van de dijken, maar bevorderen we ook het verstandig gebruik van de ruimte die beschermd wordt door waterkeringen. We willen de gevolgen van overstromingen beperken door een passende ruimtelijke inrichting en calamiteitenbestrijding.

● Uitgangspunten

Het winterbed van rivieren en waterkeringen met bijbehorende beschermingszones hebben als primaire functie het bieden van veiligheid tegen overstromingen. Ontwikkelingen in deze gebieden zijn enkel toegestaan, als ze het functioneren ervan niet belemmeren. Zo mag de sterkte van een waterkering niet aangetast worden en het onderhoud aan de waterkering niet belemmerd worden. Bij werkzaamheden in de keurzone van de waterkering dient in overleg met het waterschap een watervergunning aangevraagd te worden.

We staan open voor robuuste oplossingen waarin de veiligheid is geïntegreerd in het ontwerp, bijvoorbeeld multifunctionele waterkeringen. Zo kunnen we verschillende ruimtelijke opgaven combineren.

Het werken aan meerlaagse veiligheid is maatwerk. We adviseren gemeenten en ontwikkelaars om ruimtelijke ontwikkelingen zodanig vorm te geven dat de gevolgen van een overstroming en wateroverlast beperkt blijven. Dit betekent o.a. dat bij voorkeur niet gebouwd wordt in laaggelegen gebieden; dat kwetsbare functies en vitale infrastructuur aangelegd worden boven het niveau waarop het water kan komen in geval van een overstroming.

● Vragen voor de weging van het waterbelang ● Ligt in of nabij het plangebied een waterkering (primaire waterkering, regionale waterkering, overige kering of kade) ? ● Ligt het plangebied in winterbed van een rivier of een overstromingsgevoelig gebied?

● Welke ontwikkelingen voorzien we de komende jaren ?

Primaire keringen worden in de periode 2017 2023 voor de eerste keer beoordeeld op basis van de nieuwe normen. We verwachten dat veel keringen niet voldoen aan de nieuwe normen en versterkt moeten worden. Dit betekent dat het profiel kan wijzigen en beschermingszones aangepast (lees verbreed) kunnen worden.

1. Klimaatadaptatie Het waterschap anticipeert samen met de gemeente op klimaatverandering

● Doel

Het watersysteem zo inrichten, dat het beter bestand is tegen de effecten van de verwachte klimaatverandering, zoals zwaardere buien en langere droge perioden. Bevorderen om bewuste keuzes te maken om risico s te beperken of accepteren. De klimaatverandering heeft betrekking op onze taken voor waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit.

Om inzicht te krijgen in de kwetsbaarheid voor weersextremen brengen alle gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk samen met de betrokkenen in hun gebied de kwetsbaarheid voor weersextremen in beeld met een stresstest, voor zover dat nog niet is gebeurd. De

stresstesten worden vervolgens iedere zes jaar herhaald. In de gemeentelijke stresstesten worden de volgende effecten van klimaatverandering in beeld gebracht: wateroverlast (door zowel hoosbuien als langdurige regen), hittestress, droogte en overstromingen. Het waterschap adviseert en ondersteunt gemeenten bij de stresstesten.

● Uitgangspunten

Een ruimtelijk plan is in principe waterneutraal, dus veroorzaakt geen wijziging van waterpeilen of aan-/afvoer van water. Een toename in het verharde oppervlak resulteert in een versnelde afvoer van hemelwater. Door versnelde afvoer van hemelwater wordt het watersysteem zwaarder belast en het waterbezwaar op benedenstroomse gebieden afgewenteld. Ook is er geen aanvulling van het grondwater. Om versnelde afvoer tegen te gaan hanteren we bij ruimtelijke plannen de trits vasthouden-bergen-afvoeren. Dit betekent dat hemelwater zoveel mogelijk wordt vastgehouden op de plek waar het valt. Hiervandaan kan het infiltreren in de bodem of vertraagd worden afgevoerd naar het watersysteem.

In ruimtelijke plannen met een toename van verharding zijn infiltratie- of waterbergende voorzieningen nodig om het plan waterneutraal te maken. Uitgangspunten voor het ontwerp van infiltratie- en waterbergingsvoorzieningen zijn: ● In landelijk gebied is een regenbui T=10+10% maatgevend. De hoeveelheid neerslag die valt in deze bui moet in het plangebied

worden geborgen, waarna dit kan infiltreren of vertraagd wordt afgevoerd. ● In bebouwd is een regenbui T=100+10% maatgevend voor de dimensionering van de waterhuishoudkundige voorzieningen. Hierbij

mag het waterpeil vanuit het oppervlaktewater tot aan straatpeil stijgen, waarbij geen waterschade aan bouwwerken, hoofdinfrastructuur en spoorwegen mag ontstaan. Een uitgebreidere toelichting op de uitgangspunten en de berekening van de bergingsopgave is te lezen in de bijlage Uitgangspunten voor waterneutraal bouwen.

Bij ontwikkelingen met een toename van verharding groter dan 1500 m2kan het waterschap vragen om waterhuishoudkundig plan, dat aantoont dat de wijze van berging effectief is, en dat er geen effecten zijn op het omliggende gebied. Daarnaast vraagt in stedelijk gebied ook de interactie met riolering om bijzondere aandacht. Verder adviseren we om bewust te zijn van de gevolgen van (kortdurende) extreme buien met een intensiteit van 60 150 mm/uur. Bij deze buien kan niet al het water verwerkt worden door de riolering en zal water op straat kunnen ontstaan. Het ontwerp van een wijk bepaalt waar het water naar toe kan stromen en waar schade ontstaat. Door middel van een stresstest kan een beeld gevormd worden van de robuustheid en klimaatbestendigheid van het systeem.

We streven naar afkoppeling van bestaand verhard oppervlak van het rioolstelsel. Zo ontlasten we het rioolstelsel en de rioolwaterzuiveringen en verminderen we de kans op vervuilende overstorten van het gemengd riool. Bij afkoppeling van bestaand verhard oppervlak moet minimaal 20 mm hemelwater in een infiltratievoorziening geborgen worden. Als de overlaat van het hemelwaterrioolstelsel op dezelfde watergang loost als voorheen de gemengde overstort, dan is geen extra berging noodzakelijk. Als de overlaat loost op een andere watergang, dan zal bui T=100+10% vertraagd afgevoerd moeten worden.

Bij voorkeur worden natte en laaggelegen gebieden, beekdalen, regionale waterbergingsgebieden en overstromingsvlaktes niet bebouwd. In waterbergingsgebieden zijn ontwikkelingen enkel toegestaan, als ze het functioneren van het waterbergingsgebied niet belemmeren.

● Vragen voor de weging van het waterbelang ● Heeft het plan uitbreiding van het verhard oppervlak met meer dan 1500 m2tot gevolg ? ● Bevindt het plan zich in een laaggelegen gebied of beekdal ? ● Is er in of rondom het gebied wel eens sprake (geweest) van wateroverlast? ● Is het plangebied gevoelig voor hittestress? ● Ontstaat schade aan bouwwerken als enkele uren 30 cm water op straat staat?

● Welke ontwikkelingen voorzien we?

Wanneer met de stresstesten de kwetsbare plekken voor weersextremen in kaart zijn gebracht, zal gewerkt gaan worden aan een aanpak om te komen tot een meer waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting. Hiervoor zal een samenwerking tussen de verschillende overheden en betrokkenen in het gebied nodig zijn.

1. Waterkwaliteit (Schoon water) Waterschappen zijn verantwoordelijk voor de kwaliteit van het oppervlaktewater

● Doel

De kwaliteit van het oppervlaktewater op orde brengen en houden. Hiervoor zijn afspraken vastgelegd in de Kaderrichtlijn Water (KRW). De waterschappen hebben voor alle wateren in hun beheersgebied aangegeven wat de ecologische doelstellingen zijn. Voor de chemische kwaliteit zijn normen vastgelegd door de EU. Nieuwe ontwikkelingen mogen geen verslechtering van de waterkwaliteit tot gevolg hebben en de doelstellingen vanuit de KRW niet belemmeren.

De oppervlaktewaterkwaliteit kan een risico vormen voor de volksgezondheid. Bij ontwikkelingen in stedelijk gebied dient rekening gehouden te worden met mogelijke kwetsbaarheid van de waterkwaliteit voor droge perioden. Met name ondiepe, kleine, stagnante en geïsoleerde wateren, zoals retentievijvers, en moerasachtige watersystemen, kunnen gevoelig zijn voor blauwalg en botulisme.

● Uitgangspunten

Schoon hemelwater wordt, waar mogelijk, binnen het plangebied in de bodem geïnfiltreerd. Wanneer vanuit het plangebied hemelwater op het oppervlaktewater wordt geloosd, mag de waterkwaliteit van het ontvangende water niet verslechteren. Wanneer functies mogelijk gemaakt worden die een negatieve invloed op de waterkwaliteit kunnen hebben, worden deze benoemd. Ook wordt beschreven welke maatregelen worden genomen om de kwaliteit van het water te waarborgen en mogelijk in de toekomst te verbeteren. Voorbeelden van maatregelen die getroffen kunnen worden, zijn: een bodempassage in een berm of wadi of filtering d.m.v. een helofytenfilter, chemisch filter of mechanisch filter.

In stedelijk gebied streven we naar een inrichting van het watersysteem waarbij ook in droge perioden de waterkwaliteit op orde blijft. Bij voorkeur wordt hemelwater geborgen in droogvallende voorzieningen, zoals wadi s. Wanneer toch gekozen wordt voor aanleg van oppervlaktewater, zoals retentievijvers, dient in het ontwerp rekening gehouden te worden met voldoende volume, waterdiepte en verversing van het water, zodat de kans op blauwalg en botulisme zo klein mogelijk is. Bij een recreatieve bestemming moet de waterkwaliteit te waarborgen zijn.

● Vragen voor de weging van het waterbelang ● Is in of nabij het plangebied oppervlaktewater aanwezig of gepland ? ● Bevindt het plan zich in een gebied met speciale functie (zoals KRW, EVZ, N2000, natte landnatuur, zwemwater) ?

1. Afvalwaterketen Waterschappen en gemeenten zijn samen verantwoordelijk voor het goed functioneren van de afvalwaterketen.

● Doel

Wij streven naar een doelmatige werking van de gehele afvalwaterketen. Hemelwater wordt niet afgevoerd naar de afvalwaterzuivering, zodat de efficiëntie van de waterzuivering wordt vergroot en het aantal riooloverstorten op het oppervlaktewater wordt teruggedrongen.

Een toename van afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de rioolgemalen

(overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie (rwzi) dienen de toename te kunnen verwerken, zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten.

● Uitgangspunten

Bij nieuwe ontwikkelingen wordt hemelwater in het plangebied geïnfiltreerd of geborgen en vertraagd afgevoerd naar het oppervlaktewater. Bestaande verharding wordt waar mogelijk afgekoppeld van de riolering. De gemeente communiceert over afgekoppelde gebieden en hieraan verbonden beperkingen voor particulieren. Bij een toename van het afvalwater controleert het waterschap of deze mogelijk is binnen de bestaande capaciteit van de rwzi. Persleidingen blijven bereikbaar voor beheer en onderhoud en in calamiteitenfase. Bebouwing en/of beplanting binnen de belangenstrook van de persleiding is daarom niet toegestaan. In de milieuzonering van de rwzi s en rioolgemalen worden geen hindergevoelige functies mogelijk gemaakt. Andere geldende voorwaarden zijn beschreven in de Beleidsregels zuiveringstechnische werken.

● Vragen voor de weging van het waterbelang ● Worden in het plan meer dan 10 wooneenheden gerealiseerd? ● Ligt in of nabij het plangebied een rwzi/ rioolgemaal/ persleiding/ gemengde overstort? ● Wordt regenwater afgevoerd naar de afvalwaterzuivering? ● Worden bedrijfsmatige activiteiten uitgevoerd? ● Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak?

● Welke ontwikkelingen voorzien we?

Er ontstaan juridisch mogelijkheden voor decentrale zuivering. Vooruitlopend op nieuwe regels is decentrale zuivering in de vorm van pilots bespreekbaar. Voor lozing op de bodem moet initiatiefnemer afspraken maken met gemeente. Voor lozing op oppervlaktewater met het waterschap.

1. Grondwaterbeheer Nieuwe ontwikkelingen ondervinden geen grondwateroverlast en veroorzaken dit ook niet.

● Doel

We streven naar doelmatig waterbeheer dat optimaal de functies en het huidige gebruik ondersteunt. Nieuwe functies sluiten aan bij het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime. Hiermee willen we structurele overlast door te hoog grondwater voorkómen en verdroging door te laag grondwater tegengaan.

● Uitgangspunten

Bij grondwaterbeheer in stedelijk gebied zijn particulieren, gemeente, provincie en waterschap betrokken, met elk hun eigen verantwoordelijkheden.

Het peilbeheer en onderhoud van het watersysteem is gericht op het handhaven van het gewenst grond- en oppervlaktewaterregime (GGOR). Voor het grootste deel van het beheergebied is deze gewenste situatie gelijk aan de actuele situatie. In een aantal gebieden is er een doelstelling bijvoorbeeld om de verdroging van natuur te verminderen.

Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen zijn ten minste grondwaterneutraal. Dit betekent dat ze niet mogen leiden tot wijziging van de grondwaterstand. We adviseren niet te bouwen in gebieden met een hoge grondwaterstand of kwel, of de bouwwijze hierop aan te passen. In zettingsgevoelige gebieden wordt rekening gehouden met de bodemgesteldheid en de relatief hoge grondwaterstanden. Ook als slecht doorlatende lagen in het plangebied voorkomen, worden maatregelen genomen om grondwateroverlast te voorkomen. Aangepaste bouwwijzen zijn o.a. extra ophogen of kruipruimteloos en waterdicht bouwen.

Om de bestaande grondwaterstanden op peil te houden worden in nieuwe ruimtelijke plannen voldoende maatregelen genomen om neerslag in de bodem te infiltreren of in andere voorzieningen vast te houden of te bergen. Als ten behoeve van de nieuwe ontwikkeling bestaande watergangen moeten worden gedempt worden maatregelen genomen om wateroverlast als gevolg van de demping tegen te gaan.

Nieuwe functies mogen geen negatieve invloed hebben op de kwaliteit van het grondwater. We adviseren in nieuwe bebouwing en verharding geen uitlogende en milieubelastende materialen te gebruiken.

● Vragen voor de weging van het waterbelang

Zie ook vragen in 5.3 ● Bevindt het plan zich in een kwelgebied ? ● Is afstand tussen GHG en bovenkant vloer kleiner dan 100 cm? ● Ligt het plan in beschermingszone of intrekgebied van een (drink)wateronttrekking? ● Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond?

1. Recreatie en beleving Water beïnvloedt de beleving van de openbare ruimte.

● Doel

Zichtbaar en beleefbaar water draagt bij aan de kwaliteit van de leefomgeving. We streven naar een aantrekkelijk, herkenbaar en leefbaar watersysteem. Recreanten gebruiken het oppervlaktewater en de waterkeringen om te wandelen, te varen, te zwemmen, te vissen en te schaatsen. We stimuleren dit gebruik waar mogelijk en stemmen het waar nodig af op de belangen van anderen. We beschermen cultuurhistorische objecten die een link hebben met water(beheersing) door behoud en ontwikkeling.

● Uitgangspunten

Het waterschap stelt zich positief op bij initiatieven van anderen voor inrichting en gebruik en denkt mee over kansen en mogelijkheden. We stellen waar mogelijk onze eigendommen open voor recreatief medegebruik, zoals wandelen, vissen en kanoën. We verlenen medewerking aan evenementen op en langs het water, zolang dit veilig is en niet ten koste gaat van het functioneren van het watersysteem. Ook wegen we de belangen van aanliggende functies zoals natuur, landbouw, wonen zorgvuldig af. We stimuleren om vooral in de aangewezen provinciale zwemwateren te zwemmen. Zwemmen in ander oppervlaktewater is, op eigen risico, wel toegestaan, maar er is geen toezicht op zwemwaterkwaliteit en veiligheid. Op de website www.zwemwater.nlis informatie te vinden over de waterkwaliteit en veiligheid van zwemwater.

● Vragen voor de bepaling van de Watertoetsprocedure

Zie ook vragen in 5.3 ● Wordt recreatief medegebruik van wateren en oevers mogelijk gemaakt? ● Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?

1. Financiering Het waterschap financiert waar een bijdrage wordt geleverd aan realisatie van waterdoelen

● Doel

Waterbeheer in de stad is een gezamenlijk maatschappelijk belang; en samenwerking is een voorwaarde. Wij nodigen onze partners en inwoners daarom uit tot samenwerken. Waar waterdoelen met extra maatschappelijk rendement gerealiseerd kunnen worden, maken wij een bestuurlijke afweging over een eventuele financiële bijdrage.

● Uitgangspunten

Voor ruimtelijke plannen is in Nederland het kostenveroorzakingsbeginsel van toepassing. Dit betekent dat de kosten voor waterhuishoudkundige maatregelen als gevolg van een ruimtelijk plan, voor rekening komen van de initiatiefnemer van dat plan. Wij vragen initiatiefnemers om bij ruimtelijke plannen en initiatieven aandacht te hebben voor de mogelijkheden tot (bijdragen aan) de realisatie van waterdoelstellingen zoals die in de vorige hoofdstukken zijn beschreven. In het bijzonder vraagt het anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering aandacht in ruimtelijke plannen. Biedt het initiatief kansen voor het oplossen van bestaande knelpunten in de waterhuishouding? Voor het realiseren van waterdoelen met extra maatschappelijk rendement is mogelijk medefinanciering vanuit het waterschap beschikbaar. We overwegen herziening van ons investeringsprogramma en exploitatieprogramma, als dit interessant of noodzakelijk is om aan te sluiten op externe initiatieven. Hierbij is het van belang voor een gezamenlijke aanpak te kiezen (gezamenlijk =gemeente, waterschap en belanghebbenden). Deze gezamenlijke aanpak kan bestaan uit: 1. Op elkaar afstemmen van agenda s en programma s, benutten van elkaars momentum, formuleren van gezamenlijk doelen; 2. Opstellen van integrale onderzoeken, analyses en plannen; 3. gezamenlijke financiering; 4. gezamenlijke realisatie van (her)inrichting; 5.

gezamenlijke afspraken over beheer en onderhoud.

Bijlage

Richtlijnen stedelijke waterberging van drie waterschappen: Rijn en IJssel, Vechtstromen en Drents Overijsselse Delta

De waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen en Drents Overijsselse Delta hebben een aantal gezamenlijke richtlijnen opgesteld hoe we met stedelijke waterberging om willen gaan en in het bijzonder voor nieuwe stedelijke gebieden, waar onverhard gebied (deels) verhard gebied wordt.

Voor het bepalen van de hoeveelheid stedelijke waterberging voor nieuw stedelijk gebied, wordt uitgegaan van onderstaande ontwerpuitgangspunten: ● De T=100 neerslaggebeurtenis is maatgevend voor de toetsing van een (nieuw) stedelijk gebied. We hebben hierbij afgesproken dat het

waterpeil vanuit het oppervlaktewater bij deze gebeurtenis tot aan straatpeil mag stijgen; ● We hanteren de laatst beschikbare klimaatstatistiek. En bij nieuwe gegevens passen we de nieuwe statistiek toe (dit geldt voor elke

KNMI-update en/of afgeleide publicaties van de Stowa); ● De maatgevende afvoer die we hanteren voor stedelijk gebied is 0,8 l/s/ha. Dit is de afvoer die gemiddeld 1 à 2 dagen per jaar optreedt.

De toegestane afvoer voor een T=100 situatie bedraagt 2 x de maatgevende afvoer (1,6 l/s/sha); ● We houden rekening met 3 mm berging op straat/dak/etc.

● We houden rekening met klimaatverandering. Hierbij is er voor gekozen om te rekenen met 10 % toeslag in de neerslaghoeveelheid

t.o.v. de huidige geldende neerslagstatistiek[2](Stowa rapport 2015 -10a). Deze scenario s laten een toename in de hoeveelheden zien die gemiddeld tussen 0% en 17% ligt.

Het aantal mm (of m3) benodigde waterberging wordt als volgt berekend: ● De gebruikte bui voor het bepalen van de compensatie heeft een herhalingstijd van 1 keer per 100 jaar, met 10% toeslag voor

klimaatverandering. De landelijke afvoer vanaf onverhard gebied waar bij de berekening voor het bepalen van de compensatie wordt uitgegaan, is 2*0,8 l/s/ha; ● De maatgevende buiduur is afhankelijk van de landelijke afvoer (berekend via de regenduurlijn). Met de regenduurlijn is bepaald hoe lang het duurt tot de hoeveelheid water in de bergingsvoorziening weer afneemt (op dat moment is de maximale capaciteit van de waterberging nodig). Bij een gebeurtenis van T100+10% en een landelijke afvoer van 2*0,8 l/s/ha is de maatgevende buiduur 48 uur; ● De totale neerslaghoeveelheid bij de maatgevende buiduur van de bui is 111 mm (zie Tabel 1); ● De toegestane afvoer vanaf het toegenomen verhard gebied naar het oppervlaktewater bij de maatgevende bui van T=100+10% is 1,6 l/s/ha. Dit is 28 mm bij de maatgevende buiduur van 48 uur; ● Dit komt neer op 80 mm waterberging voor het gebied dat toegenomen is in verhard oppervlak; ● Het aantal mm × oppervlak toename verharding =aantal m3De benodigde compensatie d.m.v. waterberging neemt dus evenredig toe met een toename in het oppervlak extra verharding.

In Tabel 1 zijn de bovenstaande uitgangspunten op een rij gezet. Tabel 1: Overzicht van hoeveelheden en benodigde berging Neerslagstatistiek

Nieuwe statistiek (Stowa rapport 2015 10a)

Klimaatscenario

Huidig klimaat +10%

Afvoer (l/s/ha) T=1

0,8

Afvoer (l/s/ha) T=100

1,6

Maatgevende buiduur (uur)

48

Totale neerslaghoeveelheid (mm)

111

Afvoer via oppervlaktewater (mm)

28

Berging dak/straat/etc (mm)

3

Benodigde berging (mm)

80

Hiernaast vinden wij dat er een hydraulische studie van het oppervlaktewatersysteem uitgevoerd dient te worden om hiermee aan te tonen dat de wijze van berging effectief is en geen (negatieve) neveneffecten heeft op het omliggende gebied. Ook vraagt de interactie met riolering om bijzondere aandacht. Bij het ontwerp van de riolering is het van belang om rekening te houden met peilstijging in de berging (oppervlaktewater). Verder is het van belang om ook in het ontwerp rekening te houden met (kortdurende) extreme gebeurtenissen (in de range van 60 150 mm/uur). Het ontwerp van een wijk bepaalt of en waar het water naar toe kan stromen en waar schade ontstaat, omdat dergelijke intensiteiten niet (volledig) verwerkt kunnen worden door de riolering. Wij schrijven deze toets niet voor, maar bevelen aan om hier aandacht aan te besteden. Dit geeft een beeld van de robuustheid en klimaatbestendigheid van het systeem. Een combinatie van voldoende ruimte voor water en een toetsing hoe het water zich verdeelt in een gebied, geeft een beeld van de robuustheid van het ontwerp.

________________________________________________________________

Verklaring

Dit document is een automatisch gegenereerd bestand op basis van de door u ingevulde gegevens. U bent akkoord gegaan met de door u ingevulde gegevens en u heeft verklaard alles naar waarheid te hebben ingevuld.

Copyright Digitale Watertoets - http://www.dewatertoets.nl//Dit document is gegenereerd via de website http://www.dewatertoets.nl//. Het document mag alleen worden gebruikt ten behoeve van het plan, dat in dit document is omschreven. De informatie in dit document is houdbaar tot maximaal 1 jaar, gerekend vanaf de genoemde datum in dit document.

[1]bron: Handreiking Watertoetsproces 3, 2009, door Helpdesk Water [2]De meest recente neerslagstatistiek is gebaseerd op de KNMI klimaatscenario s van 2014 en is nader uitgewerkt in het Stowa rapport 2015 10a. www.dewatertoets.nl

bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde, herziening Van Ostadestraat 17

Bijlage 3 Bodemonderzoek

44

Toelichting (vastgesteld)

De Klinker Milieu Adviesbureau

VERKENNEND BODEMONDERZOEK volgens NEN 5740 Van Ostadestraat 17 Lichtenvoorde

Datum:

15 november 2021

Adviesbureau:

De Klinker B.V. Verlengde Ooyerhoekseweg 9 7207 BJ Zutphen 0575-517298

Rapportnummer:

K21009741

Opdrachtgever:

Anacon infra

Auteur: R. Linnenbank

Paraaf

Gecontroleerd door W. Wilbrink

Paraaf

INHOUDSOPGAVE 1 INLEIDING .........................................................................................................................................2 2 VOORONDERZOEK ............................................................................................................................3 2.1 Wat is de afbakening onderzoekslocatie...................................................................................3 2.2 Potentiële bronnen van bodemverontreiniging........................................................................3 2.3 Verwachte bodemkwaliteit .......................................................................................................4 2.4 Bodemopbouw en geohydrologie .............................................................................................4 2.5 Beïnvloeding vanuit de omgeving .............................................................................................5 2.6 Bodemonderzoek noodzakelijk? ...............................................................................................5 2.7 Hypothese en strategie .............................................................................................................5 3 ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN ............................................................6 3.1

Onderzoeksopzet.......................................................................................................................6 3.2 Veldonderzoek...........................................................................................................................6 3.3 Chemisch onderzoek .................................................................................................................7 4 ONDERZOEKSRESULTATEN ...............................................................................................................8 4.1 Globale bodemopbouw .............................................................................................................8 4.2 Zintuiglijke waarnemingen ........................................................................................................8 4.3 Veldmetingen ............................................................................................................................8 4.4 Waarnemingen in het kader van aanwezigheid van asbest ......................................................8 4.5 Toetsingskader ..........................................................................................................................8 4.5.1 Wet bodembescherming ..................................................................................................

9 4.5.2 Besluit bodemkwaliteit..................................................................................................... 9 4.6 Analyseresultaten grond en grondwater ............................................................................... 10 4.7 Grond ...................................................................................................................................... 10 4.8 Grondwater ............................................................................................................................ 11 4.9 Toetsing hypothese ................................................................................................................ 11 5 CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN ................................................................................................. 12 5.1 Conclusies ............................................................................................................................... 12 5.2 Algemeen................................................................................................................................ 13

Bijlage 1: Bijlage 2: Bijlage 3: Bijlage 4: Bijlage 5: Bijlage 6:

Ligging onderzoekslocatie Boorstaten en zintuiglijke waarnemingen Analyseresultaten Toetsingstabellen Situering monsterpunten Checklist vooronderzoek

Rapportnummer: K21009741

1

1 INLEIDING In opdracht van Anacon Infra is door De Klinker Milieu Adviesbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 op de locatie Van Ostadestraat 17 te Lichtenvoorde. Het perceel is kadastraal bekend als:  Gemeente Lichtenvoorde;  Sectie I;  Perceelnummers 2059, 2382, 3558, 5651 (ged), 4538 (ged.) en 5163(ged). De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 4.800 m2. In bijlage 1 is de regionale ligging opgenomen en bijlage 5 een overzicht van de onderzoekslocatie. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bouwactiviteiten op de locatie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. Het door De Klinker Milieu Adviesbureau gehanteerde kwaliteitssysteem en de toepassing daarvan voldoet aan NEN-EN-ISO 9001 (2008). Tussen De Klinker Milieu Adviesbureau en de opdrachtgever is geen sprake van een relatie die de onafhankelijkheid en integriteit zou kunnen beïnvloeden en/of haar werkzaamheden zou kunnen belemmeren. In voorliggende rapportage wordt een overzicht gegeven van de resultaten van het uitgevoerde verkennend bodemonderzoek.

In hoofdstuk 2 worden de tijdens het vooronderzoek verzamelde informatie, de globale bodemopbouw, de geohydrologische gegevens en de hypotheses weergegeven. Hoofdstuk 3 presenteert de onderzoeksopzet en de uitgevoerde werkzaamheden. Vervolgens worden de onderzoeksresultaten weergegeven in hoofdstuk 4. Tot slot worden de conclusies en aanbevelingen gepresenteerd in hoofdstuk 5.

Rapportnummer: K21009741

2

2

VOORONDERZOEK

Onderstaand wordt de informatie gepresenteerd die tijdens uitvoering van het vooronderzoek is verzameld. Het vooronderzoek is uitgevoerd conform NEN 5725 (2017). Hierbij is getracht uit diverse bronnen de voorgeschreven onderzoeksvragen te beantwoorden. In bijlage 6 is de tabel uit de NEN 5740 met de diverse aanleidingen voor bodemonderzoek weergegeven, alsmede een checklist van de verplichte vooronderzoeksaspecten. De gekozen aanleiding van het vooronderzoek is ‘Opstellen hypothese over de bodemkwaliteit ten behoeve van uit te voeren bodemonderzoek’ (optie A uit de NEN 5725). In onderstaande alinea’s worden de te beantwoorden onderzoeksvragen weergegeven en beantwoord. Hierbij is (indien van toepassing) tevens de bron van de informatie weergegeven. 2.1 Wat is de afbakening onderzoekslocatie De onderzoekslocatie betreft het perceel, kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie I, perceelnummers 2059, 2382, 3558, 5651 (ged), 4538 (ged.) en 5163(ged). Deze gegevens zijn afkomstig van het Kadaster. Voor het vooronderzoek zijn gegevens van zowel de onderzoekslocatie als de direct aangrenzende percelen bekeken. 2.2 Potentiële bronnen van bodemverontreiniging De onderzoekslocatie betreft een terreindeel in de historische kern van Lichtenvoorde. Op het perceel is een leegstaande school aanwezig met speelplaats.

De omgeving van de locatie wordt gekarakteriseerd door met name woningen. Aan de westzijde van de onderzoekslocatie is de Oude Baakse Beek gesitueerd. Voorafgaand aan de veldwerkzaamheden op 29 oktober 2021 heeft een locatie-inspectie plaatsgevonden. Het terrein is bebouwd met een leegstaand schoolgebouw en buitenspeelvoorzieningen. Het terrein is verhard met tegels en betonverharding. Een gedeelte bestaat uit bomen/grasland. Onderstaande foto’s geven een beeld van de onderzoekslocatie.

Foto 1 - binnenkant schoolgebouw

Foto 2 - tegelverharding

Foto 3 - buitenterrein

Er zijn geen bodemonderzoeken bekend die zijn uitgevoerd op de huidige onderzoekslocatie. Op de locatie/het perceel is, voor zover ons bekend, geen ondergrondse tank aanwezig geweest1.

1

Informatie afkomstig van ODA en Omgevingsrapportage Gelderland.

Rapportnummer: K21009741

3

Historische kaarten, afkomstig van www.topotijdreis.nl, en oude luchtfoto’s tonen aan dat de onderzoekslocatie tot 1986 onbebouwd is geweest. Vanaf die periode is de bebouwing waar te nemen, ook op de omliggende locaties. Er zijn geen bijzonderheden waar te nemen die van invloed kunnen zijn geweest op de bodemkwaliteit. Uit de kaarten blijkt dat de loop van de Baakse Beek in het verleden meer oostelijk lag en grenst aan de onderzoekslocatie.

1975

1988

2015

2.3 Verwachte bodemkwaliteit De locatie is volgens de (digitale) bodemkwaliteitskaart regio Achterhoek gelegen in deelgebied ‘Wonen voor 1970’ met de volgende bodemkwaliteitsklassen: - Ontgravingskwaliteit: Landbouw/natuur - Bodemfunctieklasse: Wonen - Toepassingseis: Landbouw/natuur (bron: (digitale) Bodemkwaliteitskaart regio Achterhoek). Tijdens de locatie-inspectie is gebleken dat zich op de locatie een schuurtje met asbestverdachte dakbedekking bevindt (zie onderstaande foto). Er bevindt zich echter een goot aan de schuur en de bodem onder de strook langs het dak is verhard. Hierdoor is er geen sprake van een verdachte deellocatie.

Schuur met asbestverdachte golfplaten

2.4 Bodemopbouw en geohydrologie Als uitgangspunt voor de bodemsamenstelling en de geohydrologische situatie is boring B41B0006 van het Dinoloket gekozen. Deze boring is in de nabijheid van de locatie uitgevoerd. De bodemopbouw laat zich globaal als volgt beschrijven:

Rapportnummer: K21009741

4

Regionale bodemopbouw (bron: Dinoloket)

De regionale grondwaterstroming is westelijk gericht (bron: Atlas Gelderland). 2.5 Beïnvloeding vanuit de omgeving De eerder genoemde Oude Baakse Beek, gelegen aan de westzijde van de onderzoekslocatie, is in het verleden onderzocht op de aanwezigheid van (water)bodemverontreiniging. De resultaten van de evaluatie van de sanering geven aan dat de vastgestelde verontreiniging voldoende is gesaneerd in het kader van de Wet bodembescherming. Gezien de resultaten van de uitgevoerde onderzoeken en de afstand tot de huidige onderzoekslocatie, wordt niet verwacht dat er zaken vanuit de omgeving de bodemkwaliteit ter plaatse van de huidige onderzoekslocatie beinvloeden. 2.6 Bodemonderzoek noodzakelijk? De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem is niet bekend. Er zijn vooraf echter geen aanwijzingen aangetroffen dat de bodem op de locatie verdacht is op het voorkomen van bodemverontreiniging. 2.7 Hypothese en strategie De hypotheses en onderzoeksstrategieën zijn weergegeven in tabel 2.1. Tabel 2.1: Geselecteerde deellocaties en hypothese Deellocatie

Oppervlakte Hypothese (m²) Gehele terrein 4.800 Onverdacht * ONV-NL = onverdachte, niet lijnvormige locatie

Verdachte stoffen en bodemlaag -

Strategie* ONV-NL

Indien in de geanalyseerde monsters geen van de onderzochte stoffen aanwezig zijn in een concentratie boven de streefwaarde uit de “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en of de achtergrondwaarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop) wordt de hypothese onverdacht aangenomen.

Rapportnummer: K21009741

5

3

ONDERZOEKSOPZET EN UITGEVOERDE WERKZAAMHEDEN

3.1 Onderzoeksopzet De onderzoekslocatie heeft een oppervlakte van circa 4.800 m2. Het aantal boringen per laag, het aantal peilbuizen en het aantal te analyseren grond- en grondwatermonsters is omschreven in NEN 5740 en is afhankelijk van de verdachtheid en de oppervlakte van de locatie. In tabel 3.1 worden de uit te voeren veld- en laboratorium werkzaamheden weergegeven. Tabel 3.1: Uit te voeren veld- en laboratoriumwerkzaamheden Locatie

Veldwerk

Analyses

Gehele terrein

11 boringen tot 0,5 m-mv 3 boringen tot 2,0 m-mv 2 peilbuizen

2x standaardpakket grond (laag 0,0-0,5 m-mv) incl. arseen en PFAS 1x standaardpakket grond (laag 0,5-2,0 m-mv) incl. arseen en PFAS 2x standaardpakket grondwater

De opgeboorde grond wordt in trajecten van maximaal 50 cm bemonsterd, of anders afhankelijk van de veldwaarnemingen en bodemlagen. In verband met de mogelijk toekomstige grondverzet is tevens een analyse op PFAS uitgevoerd. Door het aantreffen van roestvorming in de bodem zijn de grondmonsters aanvullend geanalyseerd op arseen. 3.2 Veldonderzoek In tabel 3.2 worden de verrichte veldwerkzaamheden weergegeven. Tabel 3.2: Verrichte veldwerkzaamheden Locatie

Aantal boringen (excl. peilbuizen)

Aantal peilbuizen

Gehele terrein

11 boringen tot 0,5 m-mv (6 t/m 16) 3 boringen tot 2,0 m-mv (03, 04 en 05)

2 peilbuizen: PB01, filterstelling 2,5-3,5 m-mv PB02, filterstelling 2,5-3,5 m-mv

De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 29 oktober 2021 (boorwerkzaamheden) en op 8 november 2021 (monsterneming grondwater) door de heer R. Nekkers. Zowel De Klinker Milieu Adviesbureau als de heer R. Nekkers zijn erkend voor het uitvoeren van deze werkzaamheden (certificaat K25343/16). De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd conform de normen van het Nederlands Normalisatie Instituut. Tevens is gewerkt conform de Beoordelingsrichtlijnen "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek" (BRL-SIKB 2000) en de daarbij behorende protocollen 2001 en 2002. Tijdens het uitvoeren van het veldwerk is de grond zintuiglijk beoordeeld op de aanwezigheid van verontreinigingen en is het opgeboorde materiaal gekarakteriseerd en vastgelegd in boorbeschrijvingen. Bij het zintuiglijk beoordelen wordt door middel van geur en aanblik van de opgeboorde grond een eerste indruk verkregen. Verder wordt door middel van de "olie-op-water"proef een indicatie verkregen omtrent de aanwezigheid van olie-achtige verontreinigingen. De zintuiglijke waarnemingen en boorprofielen zijn vermeld in bijlage 2.

Rapportnummer: K21009741

6

3.3 Chemisch onderzoek De geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling staan weergegeven in tabel 3.3. Tabel 3.3: Geanalyseerde (meng)monsters en hun samenstelling Deellocatie

Monster

Samenstelling

Traject (m-mv)

Analyse

Gehele locatie

BG01

G

04-1, 06-1, 07-1, 08-1, 09-1

1,10-1,60*

Standaardpakket grond incl. arseen en PFAS

BG02

G

02-2, 03-2, 10-1, 11-2, 12-2, 13-1, 14-2, 0,00-0,65 15-2, 16-2

Standaardpakket grond incl. arseen en PFAS

OG01

G

01-3, 01-4, 02-4, 02-5, 03-3, 03-5, 04-4, 0,50-2,40 05-4, 05-5

Standaardpakket grond incl. arseen en PFAS

01-1-1

W

PB01

2,50-3,50

Standaardpakket grondwater

02-1-1

W

PB02

2,50-3,50

Standaardpakket grondwater

* Inpandige boringen door de betonlaag en kruipruimte G=grond W=grondwater

Het samenstellen van de mengmonsters en de grond- en grondwateranalyses is uitgevoerd door Eurofins Analytico Milieu te Barneveld (Raad voor de Accreditatie (RvA)- erkend laboratorium (NEN-ENISO/IEC 17025). Tevens is Eurofins Analytico Milieu ISO 14001 (2004) gecertificeerd en AS 3000 erkend. In de onderstaande tabel worden de samenstelling van de standaard analysepakketten weergegeven. Tabel 3.4: Samenstelling standaard analysepakketten. Grond

Grondwater

metalen: Ba, Cd, Co, Cu, Hg, Pb, Mo, Ni, Zn

*

*

Polycyclische Aromatische Koolwaterstoffen (PAK (10 van VROM))

*

PCB (7)

*

minerale olie

*

*

vluchtige aromaten, incl. naftaleen en styreen

*

vluchtige gehalogeneerde koolwaterstoffen (incl. vinylchloride, chloorpropanen en bromoform)

*

geleidbaarheid, pH en troebelheid

*

organische stof en lutum

Rapportnummer: K21009741

*

7

4

ONDERZOEKSRESULTATEN

4.1 Globale bodemopbouw Een globale beschrijving van de bodemopbouw is opgenomen in onderstaande tabel. Het is de beschrijving van de bodemopbouw ter plaatse van boring 02 van onderhavig onderzoek. Tabel 4.1: Lokale bodemopbouw Diepte [m-mv] 0,03 – 0,15 0,15 – 0,70 0,70 – 1,10 1,10 – 1,50 1,50 – 3,50

Bodemsamenstelling Zand, zeer grof, zwak siltig, licht bruingeel Zand, matig grof, sterk siltig, donkerzwart Zand, matig fijn, sterk siltig, donker zwartbruin Zand, matig grof, matig silitg, licht groengrijs Zand, matig grof, matig silitg, neutraalgrijs

Opmerkingen Matig grindig Sporen roest -

4.2 Zintuiglijke waarnemingen Tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke, niet natuurlijke, afwijkingen in de bodem waargenomen. Inpandig zijn de boringen uitgevoerd door de kruipruimte. 4.3 Veldmetingen Bij bemonstering van het grondwater uit de peilbuizen is de grondwaterstand, de zuurgraad (pH), geleidbaarheid en de troebelheid gemeten. De meetresultaten zijn opgenomen in tabel 4.2. Tabel 4.2: Grondwaterstand, zuurgraad, geleidbaarheid en de troebelheid grondwater Peilbuis

Plaatsingsdatum

Bemonsteringsdatum

Filterstelling (m-mv)

Grondwaterstand (m-mv)

Zuurgraad pH

Geleidbaarheid EGV (µS/cm)

Troebelheid (ntu)

PB01

29-10-2021

08-11-2021

2,5-3,5

1,00

6,7

102

27

PB02

29-10-2021

08-11-2021

2,5-3,5

1,10

6,8

142

38

De troebelheid van het grondwater is hoger dan 10 NTU. Een hoge troebelheid kan invloed hebben op de analyseresultaten. Geen van de overige gemeten waarden wijkt duidelijk af van de waarde, welke gezien de natuurlijke omstandigheden verwacht kan worden. 4.4 Waarnemingen in het kader van aanwezigheid van asbest Ten tijde van het veldonderzoek heeft een visuele beoordeling van asbest in de bodem plaatsgevonden. In de bodem is geen ‘asbestverdacht’ materiaal aangetroffen. Opgemerkt dient te worden dat er geen verkennend asbestonderzoek conform NEN-5707 “Monsterneming en analyse van asbest in bodem” of NEN-5897 “Monsterneming en analyse van asbest in bouw- en sloopafval en puingranulaat” heeft plaatsgevonden. 4.5 Toetsingskader De analyseresultaten van de onderzochte monsters worden vergeleken met de waarden van de toetsingstabel uit de circulaire “Circulaire bodemsanering 2013” (Staatscourant 16675, 27 juni 2013) en achtergrondwaarden en maximale waarden uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage 4, Staatscourant 247, 20 december 2007 en de wijzigingen hierop). De toetsing van de analyseresultaten vindt plaats conform de, door het Rijk beschikbaar gestelde Bodem Toets- en Validatieservice (BoToVa).

Rapportnummer: K21009741

8

4.5.1 Wet bodembescherming De in deze tabel genoemde toetsingswaarden hebben de volgende betekenis: achtergrond-/streefwaarde2 tussenwaarde3

= =

interventiewaarde

=

referentiewaarde referentiewaarde voor nader onderzoek grond: 1/2(AW+I-waarde) grondwater: 1/2(S+I-waarde) toetsingswaarde voor sanering of saneringsonderzoek

De achtergrond-, tussen- en interventiewaarden voor een aantal stoffen in de bodemmonsters zijn afhankelijk van het gehalte aan organische stof en lutum. Deze gehalten zijn in het laboratorium bepaald en verwerkt in de toetsingstabel (zie bijlage 3 voor de analyseresultaten en bijlage 4 voor de toetsing). Voor de beoordeling van de verontreinigingssituatie wordt behalve met de toetsingstabel, ook rekening gehouden met de zintuiglijke waarnemingen en eventueel met het gebruik van de bodem. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: kleiner dan de achtergrond-/streefwaarde tussen achtergrondwaarde en tussenwaarde tussen tussenwaarde en interventiewaarde groter dan de interventiewaarde

= = = =

niet verontreinigd licht verontreinigd matig verontreinigd sterk verontreinigd

De locatie wordt als verontreinigd beschouwd, indien in een (meng)monster stoffen aanwezig zijn in een concentratie hoger dan de achtergrondwaarde. Overschrijding van de tussenwaarde houdt in dat er een vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bestaat en dat een nader onderzoek moet worden uitgevoerd. Als voor tenminste één stof de gemiddelde concentratie van minimaal 25 m3 grond of 100 m3 grondwater hoger is dan de interventiewaarde is het vermoeden van ernstige bodemverontreiniging bevestigd. Het bovenstaande toetsingskader is alleen van toepassing voor “bestaande” gevallen van bodemverontreiniging (ontstaan voor 1987). Recente gevallen van bodemverontreinigingen vallen onder de “zorgplicht”. De aantasting van de bodem dient dan gesaneerd te worden of de aantasting en de directe gevolgen daarvan dienen beperkt en zoveel mogelijk ongedaan gemaakt te worden. Dit staat los van de ernst en urgentie van de verontreiniging. 4.5.2 Besluit bodemkwaliteit Voor het toetsen van de kwaliteit van grond en baggerspecie aan de verschillende normen van het Besluit en voor het indelen van de (water)bodem in kwaliteitsklassen kent het Besluit als uitgangspunt dat de rekenkundige gemiddelden moeten voldoen aan de gestelde maximale waarden. Deze maximale waarden zijn landelijk (generiek) vastgesteld. Daarnaast mogen gemeenten gebiedsspecifieke maximale waarden hanteren.

Deze dienen te worden vastgelegd in een bodembeheernota.

2

Voor grond wordt de achtergrondwaarde en voor grondwater wordt de streefwaarde als referentiewaarde gehanteerd.

3 De term tussenwaarde is niet meer in de wet verankerd maar wordt landelijk nog wel op deze wijze gebruikt.

Rapportnummer: K21009741

9

Bij de toetsing geldt een rekenregel voor het standaardiseren van de gemeten concentraties met de daadwerkelijk gemeten concentraties lutum en organische stof. Daarnaast zijn er twee bijzondere toetsingsregels: voor de achtergrondwaarde en voor de indeling in de bodemkwaliteitsklasse wonen. Bij de beoordeling worden de volgende termen toegepast: Kleiner dan de achtergrondwaarde(a) Kleiner dan maximale waarde wonen(b) Kleiner dan maximale waarde industrie (a)

(b)

= = =

Bodemkwaliteitsklasse Achtergrondwaarde Wonen Industrie

De kwaliteit van de grond en baggerspecie overschrijdt niet de achtergrondwaarde als bij meting van X stoffen in de grond of baggerspecie het rekenkundige gemiddelde van maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de achtergrondwaarde. De verhoging mag per stof maximaal 2x de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de verhoogde gehalten kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen van de betreffende stof. X

2

7

16

27

37

Y

1

2

3

4

5

De kwaliteit van de bodem overschrijdt niet de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wanneer bij meting van X stoffen maximaal Y stoffen verhoogd zijn ten opzichte van de maximale waarde voor kwaliteitsklasse wonen. De verhoging mag per stof ten hoogste de maximale waarde voor de kwaliteitsklasse wonen vermeerderd met de achtergrondwaarde voor die stof bedragen, waarbij voor alle stoffen geldt dat de gehalten van de gemeten stoffen kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de maximale waarde voor kwaliteitsklasse industrie van de betreffende stof. X

7

16

27

37

Y

2

3

4

5

4.6 Analyseresultaten grond en grondwater In tabel 4.3 zijn de analyseresultaten van de grond weergegeven en wordt per analysemonster het eindoordeel met betrekking tot de Wet bodembescherming en een indicatieve toetsing ten aanzien van het Besluit Bodemkwaliteit weergegeven. De analysecertificaten zijn opgenomen in bijlage 4, de toetsingsresultaten in bijlage 5. Tabel 4.3: Analyseresultaten Monster

traject

Toetsing Wbb

(m-mv)

Beoordeling

Kritieke parameter

BG01 BG02

1,1-1,6 0,0-0,5

OG01

0,5-2,0

+ ++ + +

Koper Arseen PAK Arseen

Toetsing Bbk Beoordeling

Grond Altijd toepasbaar Industrie Industrie Grondwater 01-1-1 02-1-1

2,5-3,5 2,5-3,5

+ +

Barium, Barium, naftaleen

+ ++ +++

< Achtergrond-/streefwaarde > Achtergrond-/streefwaarde > Tussenwaarde > Interventiewaarde

n.v.t. n.v.t.

4.7 Grond In grondmengmonster BG01 is een licht verhoogd gehalte aan koper boven de achtergrondwaarde aangetroffen. In het grondmengmonster BG02 is een matig verhoogd gehalte aan arseen boven de achtergrondwaarde aangetroffen. Tevens is in dat grondmengmonster een licht verhoogd gehalte aan PAK (10 van VROM) aangetroffen boven de achtergrondwaarde.

Rapportnummer: K21009741

10

De bepalingsgrens voor PFAS (0,1 μg/kg.ds) wordt overschreden door o.a. de SOM PFOA (lineair) en SOM PFOS (lineair+vertakt) in de bovengrondmengmonsters. GenX is niet onderzocht. De landelijke toepassingswaarde voor toepassing van grond en baggerspecie op landbodem voor de toepassingssituatie landbouw/natuur voor PFOA (1,9 μg/kg.ds) en Overige PFAS (1,4 μg/kg.ds) wordt niet overschreden. In het ondergrondmengmonster OG01 is een licht verhoogd gehalte aan arseen aangetroffen boven de achtergrondwaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen. PFAS is niet aangetroffen boven de bepalingsgrens (0,1 µg/kg.ds) in het ondergrondmengmonster OG01. 4.8 Grondwater In het grondwater, ter plaatse van zowel peilbuis PB01 als PB02 is een licht verhoogd gehalte aan barium boven de streefwaarde aangetroffen. In peilbuis PB02 is tevens een licht verhoogd gehalte aan naftaleen aangetroffen boven de streefwaarde. 4.9 Toetsing hypothese In de onderstaande tabel staan de hypotheses weergegeven. Tevens wordt aangegeven of deze aangenomen of verworpen kan worden. Tabel 4.4: Toetsing hypotheses Deellocatie Gehele terrein

Oppervlakte (m²) 4.800

Hypothese Onverdacht

Verdachte stoffen en bodemlaag -

Toetsing Verworpen

Door de aangetroffen lichte en matige verontreinigingen in de grond en het grondwater dient de hypothese ‘onverdachte locatie’ verworpen te worden. Het matig verhoogde gehalte aan arseen boven de achtergrondwaarde kan normaliter aanleiding zijn voor nader onderzoek. Echter, verhoogde gehalten zware metalen worden vaker aangetroffen in de regio Achterhoek en zijn dan veelal van natuurlijke oorsprong. Omdat op de locatie geen bronnen bekend zijn die een eventuele verontreiniging met arseen kunnen hebben veroorzaakt, wordt ervan uitgegaan dat het een van nature verhoogd gehalte betreft en geen nader onderzoek noodzakelijk is.

Rapportnummer: K21009741

11

5

CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

In opdracht van Anacon Infra is door De Klinker Milieu Adviesbureau een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd conform de NEN 5740 op de locatie Van Ostadestraat 17 te Lichtenvoorde. De aanleiding tot het bodemonderzoek wordt gevormd door de voorgenomen bouwactiviteiten op de locatie. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik. 5.1 Conclusies Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:  De bodem op de locatie bevat zintuiglijk geen, niet natuurlijke, afwijkende waarnemingen;  In grondmengmonster BG01 is een licht verhoogd gehalte aan koper boven de achtergrondwaarde aangetroffen. In het grondmengmonster BG02 is een matig verhoogd gehalte aan arseen boven de achtergrondwaarde aangetroffen. Tevens is in dat grondmengmonster een licht verhoogd gehalte aan PAK (10 van VROM) aangetroffen boven de achtergrondwaarde.  De bepalingsgrens voor PFAS (0,1 μg/kg.ds) wordt overschreden door o.a. de SOM PFOA (lineair) en SOM PFOS (lineair+vertakt) in de bovengrondmengmonsters. GenX is niet onderzocht. De landelijke toepassingswaarde voor toepassing van grond en baggerspecie op landbodem voor de toepassingssituatie landbouw/natuur voor PFOA (1,9 μg/kg.ds) en Overige PFAS (1,4 μg/kg.ds) wordt niet overschreden.

 In het ondergrondmengmonster OG01 is een licht verhoogd gehalte aan arseen aangetroffen boven de achtergrondwaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetroffen.  PFAS is niet aangetroffen boven de bepalingsgrens (0,1 µg/kg.ds) in het ondergrondmengmonster OG01.  In het grondwater is een licht verhoogd gehalte aan barium boven de streefwaarde aangetroffen in beide peilbuizen. In peilbuis 02 is tevens een licht verhoogd gehalte aan naftaleen aangetroffen boven de streefwaarde.  de hypothese dient verworpen te worden, echter de onderzoeksinspanning hoeft niet aangepast te worden. Het matig verhoogde gehalte aan arseen boven de achtergrondwaarde kan normaliter aanleiding zijn voor nader onderzoek. Echter, verhoogde gehalten zware metalen worden vaker aangetroffen in de regio Achterhoek en zijn dan veelal van natuurlijke oorsprong. Omdat op de locatie geen bronnen bekend zijn die een eventuele verontreiniging met arseen kunnen hebben veroorzaakt, wordt ervan uitgegaan dat het een van nature verhoogd gehalte betreft en geen nader onderzoek noodzakelijk is. Het terrein is ons inziens op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het beoogde gebruik.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10868980/1