bp stadscentrum groenlo toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht vastgesteld
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing 1.3 De bij het plan behorende stukken 1.4 Geldend bestemmingsplan 1.5 Strijdigheid 1.6 Leeswijzer
6 6 6 7 7 9 9
Hoofdstuk2 Planbeschrijving 2.1 Historie 2.2 Bestaande situatie 2.3 Gewenste ontwikkeling
10 10 11 11
Hoofdstuk3 Beleid 3.1 Internationaal niveau 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
15 15 16 19 20
Hoofdstuk4 Uitvoeringsaspecten 4.1 Archeologie en Cultuurhistorie 4.2 Bodem 4.3 Water 4.4 Geluid 4.5 Luchtkwaliteit 4.6 Ecologie 4.7 Bedrijven en milieuzonering 4.8 Externe veiligheid 4.9 Geur 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Besluit Milieueffectrapportage
24 24 25 25 27 29 30 31 34 36 37 38
Hoofdstuk5 Juridische toelichting 5.1 Inleiding 5.2 Opzet van de regels 5.3 Verantwoording van de regels
41 41 41 43
Hoofdstuk6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid
44 44 44
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Toelichting
Toelichting (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Voorliggend bestemmingsplan heeft betrekking op de gronden van de Scouting Groenlo aan de Gasthuisstraat 14 te Groenlo, in de gemeente Oost Gelre. De scouting maakt zelf voornamelijk in het weekend gebruik van het terrein en de gebouwen. Daarbuiten doordeweeks, maar ook in andere weekenden, verhuurt de scouting het terrein ook aan andere maatschappelijke instellingen. Het gaat dan om andere scoutinggroepen, maar ook bijvoorbeeld om sportverenigingen. Vooral activiteiten waarbij ook overnachting plaatsvindt, leggen veel druk op de omgeving. Door enkele omwonenden wordt veel geluidsoverlast ervaren. De Scouting Groenlo heeft een groeiend aantal samenwerkingsverbanden met maatschappelijke instellingen. Zo zijn er onder andere concrete samenwerkingen met onderwijspartijen. Het plan is daarom opgevat om een nieuw multifunctioneel gebouw te bouwen die kan worden verhuurd aan onder andere een buitenschoolse opvang of kinderdagverblijf. Naast het gebouw is het de wens om een (klein) deel van het terrein voor beschikbaar te stellen voor onderwijsgerelateerde activiteiten. Het nieuw te bouwen gebouw ligt buiten de in het bestemmingsplan "Stadscentrum Groenlo" bepaalde bestemming 'Maatschappelijk' met bijbehorend bouwvlak. Hierom ontbreken de bouw- en gebruiksmogelijkheden om het voornemen mogelijk te maken, waardoor een herziening van het bestemmingsplan noodzakelijk is.
Voor de bouw van voorgenoemd gebouw is reeds een tijdelijke vergunning afgegeven. Met voorliggend bestemmingsplan worden de bouwmogelijkheden planologisch geborgd en wordt tevens het beoogde gebruik voor zowel scouting als onderwijs juridisch-planologisch geborgd. Het beoogde effect van de ontwikkeling is tweeledig. Ten eerste wordt de scouting de mogelijkheid geboden om het terrein te verhuren aan een BSO, waardoor (meer) toekomstperspectief wordt geboden aan de vereniging. Ten tweede kan juist van andere soorten verhuur worden afgezien, zoals in de huidige situatie het geval is. Aangezien een BSO alleen overdag en doordeweeks van het terrein gebruik maakt, betekent dat veel minder intensief gebruik van het terrein in de avond/nacht en in de weekenden. Dit komt het woonklimaat in de omgeving ten goede en leidt tot een meer evenwichtige situatie in het gebied. Naast de beoogde effecten wordt met dit bestemmingsplan een toereikende regeling opgesteld voor de scoutingactiviteiten. Een deel van de activiteiten vindt plaats op gronden waar op basis van het huidige bestemmingsplan '(dag)recreatieve mogelijkheden in de openlucht en speelvoorzieningen' zijn toegestaan. Onduidelijk is of alle huidige activiteiten van de scouting, waarbij ook sprake is van overnachting, hierbinnen passen.
Met het opstellen van een toereikende bestemming ontstaat meer rechtszekerheid voor omwonenden over de ter plaatse toegestane activiteiten en de gevolgen van deze activiteiten. Ten slotte worden omliggende delen van de grachtenstructuur meegenomen, aangezien daar sprake is van een verouderd planologisch regime. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een adequaat juridisch-planologisch kader voor de voorgenomen ontwikkeling. Hierbij zal worden aangetoond dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met 'een goede ruimtelijke ordening'.
1.2
Ligging en begrenzing
Het plangebied ligt aan de Gasthuisstraat 14 nabij het centrum van Groenlo, in de gemeente Oost Gelre, alsook enkele omliggende gronden. In afbeelding 1.1 is de ligging het plangebied in Groenlo indicatief weergegeven met de rode contour. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de bij dit bestemmingsplan behorende verbeelding.
6
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied in Groenlo en de directe omgeving (Bron: Plattekaart.nl)
1.3
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan “Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht” bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1586.BPGRO405-VG01) en een renvooi; regels. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten, maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4
Geldend bestemmingsplan
1.4.1
Algemeen
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Stadscentrum Groenlo”. Dit bestemmingsplan is op 30 oktober 2012 door de raad van de gemeente Oost Gelre vastgesteld. Tevens geldt voor het plangebied het "facetbestemmingsplan parkeren" (vastgesteld op 5 juni 2018) en het "Parapluplan Archeologie". Laatstgenoemde plannen zijn relevant ten aanzien van de parkeer- en archeologische aspecten. Voor de duiding van het planologisch regime is met name het bestemmingsplan "Stadscentrum Groenlo" van belang. Met de overige aspecten wordt in dit bestemmingsplan wel rekening gehouden. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingplan “Stadscentrum
Toelichting (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht Groenlo” opgenomen. Het plangebied is indicatief weergegeven met de rode omlijning.
Afbeelding 1.2 Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan ““Stadscentrum Groenlo” (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) 1.4.2
Bestemmingsomschrijving
De gronden in het plangebied zijn voorzien van de enkelbestemmingen 'Groen - 1', 'Maatschappelijk' en 'Water'. Verder geldt voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1'. Hieronder wordt nader ingegaan op de ter plaatse geldende bestemmingen. Groen - 1 De voor 'Groen - 1' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor groenvoorzieningen, (dag)recreatieve mogelijkheden in de openlucht en speelvoorzieningen, met daarbij behorende bouwwerken geen gebouwen zijnde en verhardingen. Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd. Maatschappelijk De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor scouting, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - scouting', met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erven en tuinen alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen. Onderwijs en (kinder)opvang zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'onderwijs' toegestaan. In de bouwregels is bepaald dat uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd. Hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, waarbij de goot- en bouwhoogte van de hoofdgebouwen niet meer mogen zijn dan ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' is aangegeven. Water
8
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging, watergangen en waterlopen, extensieve dagrecreatie en bruggen, met bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, dammen en/of duikers, met inachtneming van de keur van het waterschap. Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd, waarbij geldt dat het bouwen van gebouwen niet is toegestaan. Waarde - Archeologisch waardevol gebied 1 Op basis van het bestemmingsplan "Parapluplan Archeologie" is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 1'. Gronden met deze dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem.
1.5
Strijdigheid
Het nieuw te bouwen gebouw ligt buiten het in de bestemming 'Maatschappelijk' aangegeven bouwvlak. Het bouwvoornemen is daarom strijdig met de vigerende bouw- en gebruiksmogelijkheden. Tevens ontbreken de gebruiksmogelijkheden om de gronden in gebruik te nemen ten behoeve van onderwijs en (kinder)opvang. Naast de bouwactiviteiten is er onduidelijkheid over de gebruiksregels voor de scoutingactiviteiten. Een deel van de activiteiten vindt plaats op gronden waar op basis van het huidige bestemmingsplan '(dag)recreatieve mogelijkheden in de openlucht en speelvoorzieningen' zijn toegestaan. Onduidelijk is of alle huidige activiteiten van de scouting, waarbij ook sprake is van overnachting, hierbinnen passen. Met het opstellen van een toereikende bestemming ontstaat meer rechtszekerheid voor omwonenden over de ter plaatse toegestane activiteiten en de gevolgen van deze activiteiten. Ten slotte worden omliggende delen van de grachtenstructuur meegenomen, aangezien daar sprake is van een verouderd planologisch regime. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een adequaat juridisch-planologisch kader voor de voorgenomen ontwikkeling.
1.6
Leeswijzer
In Hoofdstuk 1 is de aanleiding en doel van dit bestemmingsplan uiteengezet. In Hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. De historie en cultuurhistorie komt aan bod. Ook wordt inzicht gegeven in de opbouw van het plangebied met de daarbij behorende functies. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.
Toelichting (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
De in dit bestemmingsplan centraal staande gronden zijn in gebruik ten behoeve van de activiteiten van scouting Groenlo. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de historie van het plangebied en het in dit bestemmingsplan centraal staande voornemen.
2.1
Historie
De kern Groenlo werd vermoedelijk in de tiende eeuw gesticht. In de zestiende eeuw werden omvangrijke vestingwerken aangelegd. De vesting had de vorm van een vijfhoek en bestond uit stenen muren met op vier punten bastions. Rond deze stenen verdedigingswerken werd een forse stadsgracht gegraven. Deze ontwikkeling zijn in de huidige situatie nog altijd sterk zichtbaar, zoals in afbeelding 2.1 is te zien. Het plangebied bestaat uit de gronden in het oostelijke deel van de vesting Groenlo, zoals met de rode contour is weergegeven.
Afbeelding 2.1: Plattegrond van Groenlo te 1595 (boven) en 2022 (onder)
10
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
2.2
Bestaande situatie
Vanwege de ligging aan de grens van het stadscentrum Groenlo kenmerkt de directe omgeving zich door een verscheidenheid aan functies. Ten noorden en oosten bevinden zich centrumfuncties, woningen en meerdere maatschappelijke voorzieningen, variërend van onderwijs tot religieuze instellingen. Het plangebied zelf is eveneens in gebruik ten behoeve van een maatschappelijke functie, te weten de scouting Groenlo. Ten behoeve van de scouting bevinden zich in het plangebied twee gebouwen; een derde gebouw is in de zomer van 2022 verwoest als gevolg van brandstichting. Verder bestaat het plangebied uit groenvoorzieningen. Binnen de groenvoorzieningen worden activiteiten van de scouting uitgeoefend; hiervoor bevinden zich binnen deze gronden voorzieningen als een klimtoren met kabelbaan en een theaterkuil. De scouting zelf maakt voornamelijk in het weekend gebruik van het terrein en de gebouwen. Daarbuiten, maar ook in andere weekenden, verhuurt de scouting het terrein ook aan andere maatschappelijke instellingen. Het gaat dan om andere scoutinggroepen, maar ook bijvoorbeeld om sportverenigingen. Vooral activiteiten waarbij ook overnachting plaatsvindt, leggen veel druk op de omgeving. Door enkele omwonenden wordt veel geluidsoverlast ervaren.
2.3
Gewenste ontwikkeling
2.3.1
Algemeen
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling voorziet in een actueel planologisch kader voor de scoutingactiviteiten. Concreet worden de bouw- en gebruiksmogelijkheden geboden voor de realisatie van een nieuwmultifunctioneel gebouw, die zowel kan worden gebruikt voor en door de scouting alsook kan worden verhuurd aan onder andere een buitenschoolse opvang of kinderdagverblijf. 2.3.2
Bouwactiviteiten
Met het verlenen van een tijdelijke omgevingsvergunning is de bouw en het gebruik ten behoeve van de scouting zelf inmiddels toegestaan. In voorliggend bestemmingsplan worden de bouwregels planologisch vastgelegd. Het gebouw wordt zodanig gesitueerd dat deze in het verlengde komt te liggen van de aanwezige wal rondom de stadsgracht. Het gebouw wordt dermate van materiaal en bedekking voorzien dat deze qua uitstraling dient als verlenging van de aanwezige wal. Met het gebouw wordt ongeveer 447 m² van het terrein bebouwd. Door het gebouw kan van de huidige gebouwen naar de kant van de basisschool en buitenschoolse opvang gelopen worden. In het gebouw worden ruimtes voorzien voor toiletten, douches, opslag, educatie en bijeenkomen. In afbeelding 2.2 is een situatietekening van de gewenste nieuwbouw opgenomen. Afbeelding 2.3 toont een impressie van de gewenste situatie.
Toelichting (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Afbeelding 2.2: Situatietekening gewenste nieuwbouw (Bron: Scouting Groenlo)
12
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Afbeelding 2.3: Impressie gewenste situatie (Bron: Scouting Groenlo)
2.3.3
Gebruiksactiviteiten
Naast de bouw van het gebouw voorziet voorliggend bestemmingsplan tevens in een verruiming van de gebruiksregels van het scoutingterrein. Het is de wens om het gebouw en een (klein) deel van het terrein beschikbaar te stellen voor onderwijsgerelateerde activiteiten. Dit plan is opgevat in het kader van de concrete samenwerkingsverbanden die de scouting heeft met maatschappelijke instellingen, waaronder onderwijspartijen. Met de realisatie van het gebouw en de mogelijkheid deze te verhuren aan een onderwijsinstelling wordt er een concreet toekomstperspectief geboden aan de scouting. Het terrein dat voor onderwijs kan worden gebruikt betreft het gebouw zelf en de gronden ten noorden van dit gebouw. De eerste gebruiker van het perceel betreft de aangrenzende ten noorden gelegen bestaande BSO. Het perceel zal bereikbaar zijn via de bestaande ontsluitingsweg op de Wheme. Naast het bieden van perspectief aan de scouting heeft voorliggend bestemmingsplan tot doel om een toereikend planologisch kader te bieden voor de scoutingactiviteiten. Een deel van de activiteiten vindt plaats op gronden waar op basis van het huidige bestemmingsplan '(dag)recreatieve mogelijkheden in de openlucht en speelvoorzieningen' zijn toegestaan. Onduidelijk is of de huidige activiteiten, waarbij ook sprake is van overnachting, hierbinnen passen.
Met het opstellen van een toereikende bestemming ontstaat meer rechtszekerheid voor omwonenden over de ter plaatse toegestane activiteiten en de gevolgen van deze activiteiten. Met het voorliggende bestemmingsplan wordt het terrein dat door de scoutingvereniging wordt gebruikt bestemd tot 'Maatschappelijk' met de aanduiding 'specifieke vorm van maatschappelijk - scouting'. Binnen deze bestemming zijn activiteiten ten behoeve van de scouting, waaronder tevens kleinschalig kamperen valt, toegestaan. Kleinschalig kamperen anders dan ten behoeve van de scouting wordt daarentegen als strijdig gebruik aangemerkt. In dit bestemmingsplan wordt de mogelijkheid opgenomen om hier met een omgevingsvergunning van af te kunnen wijken. Op deze manier wordt voorkomen dat het terrein (te) frequent wordt gebruikt voor recreatief nachtverblijf, zoals momenteel het geval is. Tevens
Toelichting (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht is er een extra mogelijkheid voor de scouting om een vergunning te krijgen om het terrein aan derden te kunnen verhuren voor kleinschalig kamperen. Dit is uitsluitend toegestaan na goedkeurig van de gemeente. Hiermee wordt op een betere manier gereguleerd wanneer en door wie het terrein in gebruik wordt genomen voor kamperen waarmee een verbetering van het woon- en leefklimaat van de omwonenden wordt beoogd.
14
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Hoofdstuk 3
Beleid
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.
3.1
Internationaal niveau
3.1.1
Vogelrichtlijn
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. 3.1.2
Habitatrichtlijn
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn. 3.1.3
Het verdrag van Valletta (Malta)
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.
Toelichting (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
In paragraaf 4.1 wordt nader ingegaan op de archeologische waarden binnen het plangebied 3.1.4
Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: De vervuiler betaalt De gebruiker betaalt Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water Resultaatsverplichting in 2015 Stroomgebiedsbenadering) Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.
Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op de waterhuishouding binnen het plangebied.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale Omgevingsvisie
3.2.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 3.2.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de
16
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd. 4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid.
Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties. 3.2.1.3 Toetsing van het initiatief aan de NOVI Het voornemen betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 3.2.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
De laddertoets die is opgenomen in artikel 3.1.6 lid van het Bro is een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes en zo nodig wordt onderzoek gedaan naar behoefte aan de in het bestemmingsplan voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Artikel 3.1.6 lid 2 van het Bro is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van dit toetsingskader nadrukkelijk in de plantoelichting wordt gemotiveerd en afgewogen. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).
Toelichting (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Indien het bestemmingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, dient de toelichting, aanvullend op de beschrijving van de behoefte en het resultaat van het nodige overleg, een motivering te bevatten waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte kan worden voorzien. Dit betekent dat bij een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied een nadrukkelijke motivering nodig is, dat wil zeggen in aanvulling op de algemene vereisten van artikel 3.1.6, eerste lid, van het Bro, waarom niet in het bestaand stedelijk gebied in de behoefte aan de nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt voorzien. Daarbij kunnen de beschikbaarheid en geschiktheid van de ontwikkelingsmogelijkheden in bestaand stedelijk gebied een rol spelen. Een stedelijke ontwikkeling is in artikel 1.1.1 lid 1 onder i van het Bro gedefinieerd als: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Bestaand stedelijk gebied is in artikel 1.1.1 lid 1 onder h van het Bro gedefinieerd als: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling niet als nieuwe stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt, is artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro niet van toepassing. Dit neemt niet weg dat aan de eisen van het eerste lid van artikel 3.1.6 van het Bro dient te worden voldaan. Bij de toets of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening dient onder meer beoordeeld te worden of de in het plan voorziene bestemmingen passende bestemmingen zijn (ABRvS 25 juni 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2294 (Weert) en of de mogelijk gemaakte ontwikkeling voorziet in een behoefte (ABRvS 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:943 (Ermelo)). De behoefte aan de mogelijk gemaakte ontwikkeling dient met het oog op de uitvoerbaarheid van het plan te zijn onderbouwd (ABRvS 18 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2471 (Weststellingwerf)). 3.2.2.1 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat toetsing noodzakelijk is bij “nieuwe stedelijke ontwikkelingen” (3.1.6 Bro). Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord.
Bij de ontwikkeling van een stedelijke voorziening met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling (ABRvS 19 februari 2014; ECLI:NL:RVS:2014:570). Zoals aangegeven wordt onder stedelijke ontwikkeling verstaan: 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder een 'overige stedelijke voorziening' vallen in ieder geval accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure. Het gebruik van de gronden van de scouting wordt met dit bestemmingsplan verruimd, waarmee ook onderwijs mogelijk wordt gemaakt. Er is daarmee sprake van de toevoeging van een stedelijke voorziening. Het gaat hierbij echter uitsluitend om een functiewijziging (de bouw van het gebouw is reeds vergund). Tevens heeft de vergunde bebouwing een oppervlakte van minder dan 500 m². Geconcludeerd wordt dat de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor uitvoering van het bestemmingsplan. 3.2.2.2 Conclusie Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid. 3.2.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet in strijd met de relevante nationale beleidskaders.
18
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
3.3
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid behelst een doorvertaling van rijksbeleid en is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen betreffen de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland en de Omgevingsverordening Gelderland. 3.3.1
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland
3.3.1.1 Inleiding In de Omgevingsvisie staan de hoofdlijnen van het provinciale beleid over onderwerpen als ruimte, water, mobiliteit, economie, natuur en landbouw. In de Omgevingsvisie worden twee provinciale hoofddoelen onderscheiden: een duurzame economische structuur het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving. Deze hoofddoelen zijn vertaald in provinciale ambities, waarbij per ambitie de aanpak op hoofdlijnen is beschreven. De nadere invulling vindt plaats via provinciale uitvoeringsprogramma's en samenwerking met partners. Daarmee is de Omgevingsvisie een 'plan' dat richting geeft en ruimte biedt; geen plan met exacte antwoorden. Ofwel: 'de Omgevingsvisie gaat over het speelveld en de spelregels, niet over de uitkomst van het spel'. In voorliggend geval is met name het beleid ten aanzien van het woon- en leefomgeving van belang. 3.3.1.2 Verscheidenheid en verbondenheid De Kracht van Gelderland zit er ook in dat de verscheidenheid van de verschillende streken geen belemmering vormt om samen te werken. Integendeel. Eenheid en verscheidenheid: dat is wat de Gelderse cultuur kenmerkt en wat leidt tot creativiteit en vernieuwing. Samen optrekken en samenwerken aan en in de Gelderse gebieden. Natuur en water, de inrichting van het landschap, handel en onderwijs, cultuurhistorie, kunst, cultuur en sport, eenheid en verscheidenheid.
Het beste van veel werelden komt hier samen. Dit maakt Gelderland aantrekkelijk om in te wonen, te werken, te leren en te recreëren. 3.3.1.3 Een krachtige economie: leefbare groei! Een economie in balans met haar sociale, ecologische en ruimtelijke omgeving: dat is waar het om gaat. Nieuwe verdienmodellen en nieuwe technologieën doen hun intrede. De internationale concurrentie neemt toe en mensen en bedrijven verhuizen sneller als het elders beter is. De maakindustrie beleeft in Nederland een her- en opwaardering. De kwaliteit van het vestigingsklimaat, een kwalitatief en kwantitatief sterke arbeidsmarkt, vakmanschap en kennisinfrastructuur worden in dit licht steeds belangrijker. Bij uitstek kan Gelderland garen spinnen bij deze nieuwe industriële revolutie. Gelderland heeft immers sterke troeven voor een internationaal onderscheidende en concurrerende positie. Zo kent Gelderland sterke clusters van economische activiteiten, een uitstekende bereikbaarheid en logistieke kracht, sociaal ondernemerschap, arbeidsmarkt, kennis en onderwijs, veel ruimte en een strategische ligging. Een goed vestigingsklimaat vereist ook een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Ook op dit vlak heeft Gelderland een goede uitgangspositie. De fraaie natuur, de mooie landschappen, de vele mogelijkheden op het vlak van cultuur, recreatie en toerisme en sport.
Gelderland heeft economische dynamiek én ruimte voor ontspanning in het groen en is daarmee aantrekkelijk voor burgers, bedrijven én bezoekers.
Toelichting (vastgesteld)
19
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
3.3.1.4 Toetsing van het plan aan de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland Het plan voorziet in de verruiming van de gebruiksmogelijkheden van het scoutingterrein waarmee de gronden tevens voor onderwijsdoeleinden kunnen worden gebruikt. Dit is bij uitstek een ontwikkeling die past binnen de doelstelling van verscheidenheid en verbondenheid zoals geformuleerd in de Omgevingsvisie. Met het voornemen wordt het terrein namelijk voor meerdere maatschappelijke functies benut, waardoor de gebruikswaarde van het perceel aanzienlijk toeneemt. Tevens is het scoutingterrein hier al verscheidene decennia gevestigd, waardoor het terrein een belangrijke maatschappelijke rol vertegenwoordigd. Met de verruiming van de gebruiksmogelijkheden kan de scouting haar gronden verhuren aan meerdere partijen waardoor de scouting meer toekomstbestendig wordt. Geconcludeerd wordt dat het voornemen passend is binnen de Omgevingsvisie Gelderland. 3.3.2
Omgevingsverordening Gelderland
Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke plannen van gemeenten. De provincie richt zich hierbij op onderwerpen die van provinciaal belang zijn, zoals verstedelijking, natuur, nationale landschappen, water en glastuinbouw. Gemeenten krijgen op sommige terreinen meer beleidsvrijheid, terwijl ze op andere gebieden te maken krijgen met strikte provinciale richtlijnen. De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan op deze regels afstemmen. In de verordening kent geen specifieke relevante artikelen die van toepassing zijn op de voorgenomen ontwikkeling. Opgemerkt wordt dat er initiatief voldoet aan het beleid met betrekking tot duurzame verstedelijking (zie 3.2.2). Daarnaast past het initiatief binnen het provinciale en gemeentelijke beleid. Hier wordt geconcludeerd dat het voornemen niet in strijd is met de Omgevingsverordening Gelderland. 3.3.3
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is niet in strijd met de relevante provinciale beleidskaders
3.4
Gemeentelijk beleid
Het gemeentelijk beleid is een doorvertaling van rijks-, provinciaal en regionaal beleid en is verwoord in tal van plannen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de voor de ontwikkeling relevante beleidsstukken. 3.4.1
Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre
3.4.1.1 Inleiding De gemeente Oost Gelre heeft een Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen. Lichtenvoorde heeft een goede mix van winkels, horeca wonen en sport- en maatschappelijke voorzieningen. Het bruisende dorpshart van Lichtenvoorde met goede voorzieningen wordt als bijzonder benoemd. In het inspiratiedocument wordt het plan genoemd om dit te versterken. Er wordt ingezet op het stimuleren van herbestemming van winkelpanden in het centrum Lichtenvoorde.
20
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
3.4.1.2 Beleven: commerciële, maatschappelijke & zorgvoorzieningen Dit thema heeft betrekking op de voorzieningen, waarbij onderscheid is gemaakt tussen commerciële voorzieningen en maatschappelijke voorzieningen. De gemeente zet in op concentratie en de beleving van de voorzieningen. Er wordt ingezet op compacte en levendige centrumgebieden met voor Lichtenvoorde en Groenlo een eigen identiteit. Geprobeerd wordt om het onderscheidende vermogen te versterken. Beleving van het centrum wordt steeds belangrijker. De gemeente maakt onderscheid tussen de verschillende voorzieningen; de maatschappelijke, sportvoorzieningen, commerciële voorzieningen, zorgvoorzieningen en de basisvoorzieningen. De commerciële voorzieningen zijn de voorzieningen die volledig zonder subsidies van de overheid functioneren. Denk aan voorzieningen zoals detailhandel, horeca en dienstverlening. De publiek-maatschappelijke voorzieningen functioneren vaak niet zonder een bijdrage van de overheid. Dit zijn functies zoals de sociaal-culturele centra, scholen en/of een gebied voor sport –beweging. De gemeente heeft aandacht voor het volgende: Bij (nieuwe) initiatieven wordt aandacht besteed aan goed naoberschap & versterking ruimtelijke kwaliteit.
Bij (nieuwe) initiatieven wordt aandacht besteed aan de Ladder voor duurzame verstedelijking; Commerciële en maatschappelijke voorzieningen concentreren in de centrumgebieden. Een richting daarvoor is uitgewerkt in de Kwaliteiten kernen; Initiatieven die passen in de ontwikkelingsrichting voor het centrum worden gestimuleerd (bijvoorbeeld verplaatsingsregeling). Het behoud van kwalitatief hoogwaardig basisonderwijs en het geven van invulling aan de bredeschoolgedachte (kindcentrum) in Lichtenvoorde en Groenlo; Het zo breed mogelijk invullen van leegkomende ruimtes om goede voorzieningen in ieder geval exploitabel te houden. Daarbij doet de gemeente echter ook een appèl op de gebruikers en verenigingen zelf. Verenigingen moeten meer zelfredzaam worden. Het stimuleren van een kanteling naar een verenigingsdenken met bijbehorende eigen verantwoordelijkheden. Het invulling geven aan de basisverantwoordelijkheid voor (accommodaties voor) basisonderwijs, voorzieningen voor bewegingsonderwijs, Wmo, jeugd & jeugdzorg en openbare speelplekken. Het scheppen van randvoorwaarden voor en ondersteunen van de organisaties en instellingen die voorzieningen aanbieden voor zorggerelateerde voorzieningen, kinderopvang, culturele, muziek- en andere verenigingen.
3.4.1.3 Toetsing van het plan aan het inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre Het verbreden van het gebruik van het scoutingterrein past naadloos in het 'Inspiratiedocument Oost Gelre'. Scouting Groenlo is een vereniging die al jaren op deze locatie is gevestigd en heeft daarmee een hoge maatschappelijke meerwaarde voor de lokale samenleving. Met het voornemen kan het reeds vergunde gebouw en een gedeelte van het terrein worden gebruikt door de bestaande BSO (zoals nu gevestigd aan de Wheme 30-30a). Hiermee blijft het maatschappelijke voorzieningenniveau voldoende op peil en is er tegelijkertijd een verdienmodel voor de scouting gerealiseerd. De scouting wordt hiermee meer zelfredzaam. Het plan past binnen het inspiratiedocument. 3.4.2
Beleidsvisie Externe veiligheid
3.4.2.1 Inleiding Als gevolg van enkele rampen en incidenten, zoals de vuurwerkramp in Enschede, is externe veiligheid een belangrijk thema geworden. Deze rampen en incidenten hebben ertoe geleid dat de Rijksoverheid diverse maatregelen heeft genomen om acht te krijgen op de risicobronnen in Nederland en het optimaliseren van de risicobeheersing rondom de risicobronnen. Maatschappelijk gezien hebben deze rampen eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van het leven met veiligheidsrisico's. Helder is dat de huidige maatschappij nu eenmaal veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar dat er wel grenzen aan deze risico's gesteld moeten worden.
Toelichting (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente allereerst haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om de geformuleerde ambities te realiseren en welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet. De maatregelen worden uitgewerkt in andere gemeentelijke documenten (bestemmingsplannen / streekplannen, milieuvergunningen en rampenbestrijdingsplannen). In die zin bestrijkt de beleidsvisie zowel de beheersing van risico's als de bestrijding van een ramp wanneer die zich voordoet. 3.4.2.2 Toetsing van het plan aan de beleidsvisie Externe veiligheid In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op de externe veiligheidsrisico in relatie tot het voornemen. 3.4.3
Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre
3.4.3.1 Inleiding Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven. Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering.
Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing. 3.4.3.2 Toetsing van het plan aan het Geluidsbeleid Oost Gelre In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op het aspect geluidshinder door weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai. In paragraaf 4.7 wordt nader ingegaan op milieuhinder, waaronder geluid, van omliggende bedrijfsmatige functies. 3.4.4
Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024
3.4.4.1 Inleiding Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen
22
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst. De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma. 3.4.4.2 Toetsing van het plan aan het integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024 In voorliggend geval zijn de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie als gevolg van de ontwikkeling van belang. In paragraaf 4.10 wordt hier nader op ingegaan. 3.4.5
Conclusie
De in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling is in overeenstemming met de relevante gemeentelijke beleidskaders.
Toelichting (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht
Hoofdstuk 4
Uitvoeringsaspecten
4.1
Archeologie en Cultuurhistorie
4.1.1
Wettelijk kader
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart.
Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld. 4.1.2
Situatie plangebied
4.1.2.1 Archeologie Zoals in paragraaf 1.4 is vermeld heeft het plangebied op basis van het bestemmingsplan "Parapluplan Archeologie" de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 1'. Het doel van de gemeente Oost Gelre is om archeologische waarden zoveel mogelijk in de grond aanwezig te laten. Dit wordt ‘behoud in situ’ genoemd. Afhankelijk van de bouwwijze kan daarom een archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. De bouw voor het nieuwe scoutinggebouw is reeds gerealiseerd op basis van een tijdelijke vergunning. Met voorliggend bestemmingsplan worden deze bouwmogelijkheden definitief vastgelegd en worden de gebruiksmogelijkheden van de gronden van de scouting verruimd. Een archeologisch onderzoek kan daarom achterwege blijven. De regels die gelden op basis van het "Parapluplan Archeologie" worden overgenomen in dit bestemmingsplan. 4.1.2.2 Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek.
Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend:
24
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). Op basis van de cultuurhistorische waardenkaart van de provincie Gelderland zijn in of nabij het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle objecten en/of monumenten aanwezig. Er is daarmee geen sprake van enige aantasting van cultuurhistorische objecten. 4.1.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.2
Bodem
4.2.1
Wettelijk kader
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. 4.2.2
Situatie plangebied
Door Dumea is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage is opgenomen in Bijlage 1 van deze toelichting. Op basis van onderhavig onderzoek wordt een nader bodemonderzoek voor deze locatie niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie wordt vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt geacht voor het beoogde gebruik. 4.2.3
Conclusie
De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik.
4.3
Water
4.3.1
Wettelijk kader
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling
Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Stadscentrum Groenlo, herziening scouting en gracht door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water. 4.3.2
Waterparagraaf
4.3.2.1 Algemeen Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets). Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).