CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp ruiterweg 2 toelichting bijlage 1 ruimtelijke onderbouwing

Raadscommissie 31 oktober 2023, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Herziening Ruiterweg 2 Groenlo’18.503 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Bestemmingsplan "Ruiterweg 2 Groenlo"

Bezoekadres Postadres

Rombou : Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle : Postbus 432, 8000 AK Zwolle

Datum

: 21 november 2023

Status Projectleider Telefoon E-mail

: vastgesteld : Rombou EW / SK : 08 8236 8236 : info@rombou.nl

Inhoudsopgave Toelichting

Hoofdstuk 1

Inleiding

5

1.1

Aanleiding en doel

5

1.2

Plangebied

5

1.3

Geldende bestemmingsplannen

5

1.4

Leeswijzer

6

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

7

2.1

Huidige situatie

7

2.2

Gewenste situatie

8

Hoofdstuk 3

Beleid

14

3.1

Europa

14

3.2

Rijksbeleid

17

3.3

Provinciaal beleid

19

3.4

Gemeentelijk beleid

21

Hoofdstuk 4

Milieu- en omgevingsaspecten

26

4.1

Water

26

4.2

Bodem

28

4.3

Flora en Fauna

30

4.4

Cultuurhistorie en archeologie

33

4.5

Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai

37

4.6

Luchtkwaliteit

39

4.7

Geur

40

4.8

Externe veiligheid

41 3

4.9

Bedrijven en milieuzonering

Hoofdstuk 5

Juridische toelichting

43 46

5.1

Algemeen

46

5.2

Bestemmingsplan

46

5.3

Plansystematiek

46

Hoofdstuk 6

Uitvoerbaarheid

54

6.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

54

6.2

Economische uitvoerbaarheid

54

Bijlagen

Bijlage 1

Landschappelijk inpassingsplan

Bijlage 2

Bodemonderzoek

Bijlage 3

Beoordeling Bodemonderzoek

Bijlage 4

Stikstof onderzoek

Bijlage 5

Quickscan natuurwaardenonderzoek 1

Bijlage 6

Beoordeling Quickscan

Bijlage 7

Quickscan natuurwaardenonderzoek 2

Bijlage 8

Inventarisatie cultuurhistorische waarden

4

Ruiterweg 2 Groenlo

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel

Initiatiefnemer is voornemens de voormalige boerderij aan de Ruiterweg 2 te Groenlo te gebruiken als reguliere woning en deze te splitsen in twee wooneenheden. De voormalige agrarische bedrijfsgebouwen worden deels gesloopt en blijven deels in gebruik bij de woonbestemming. Naast het wonen worden nog twee nevenactiviteiten mogelijk gemaakt in de vorm van verblijfsrecreatie en houtbewerking. De nevenactiviteiten vinden plaats binnen de bestaande voormalige agrarische bedrijfsgebouwen die niet worden gesloopt. 1.2

Plangebied

Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre. Het gebied is voornamelijk in gebruik voor de agrarische productiefunctie waarbij agrarische bedrijven worden afgewisseld met woningen.

Afbeelding 1.1: Luchtfoto plangebied 1.3

Geldende bestemmingsplannen

Het plangebied maakt onderdeel uit van het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011, vastgesteld op 18 december 2012. Dit plan is geconsolideerd vastgesteld op 21 juni 2018. De gronden hebben de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden Landschapswaarden' en de dubbelbestemming Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'. Daarbij is de aanduiding 'Bouwvlak' van toepassing. Toelichting

5

Andere overkoepelende bestemmingsplannen die hier van toepassing zijn betreffen het 'Parapluplan Archeologie' en het 'Facet bestemmingsplan parkeren'.

Afbeelding 1.2: Fragment verbeelding bestemmingsplan Oost Gelre 1.4

Leeswijzer

In Hoofdstuk 1 is de aanleiding en doel van dit bestemmingsplan uiteengezet. In Hoofdstuk 2 van de toelichting wordt de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. De historie en cultuurhistorie komt aan bod. Ook wordt inzicht gegeven in de opbouw van het plangebied met de daarbij behorende functies. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.

6

Ruiterweg 2 Groenlo

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving In dit hoofdstuk komt aan de orde wat de huidige situatie is met betrekking tot de ruimtelijke structuur en de functionele structuur. Wat betreft de ruimtelijke structuur wordt aandacht gegeven aan de volgende elementen: de wegenstructuur (verschillende typen en/of categorieën wegen), groen- en waterstructuur en bebouwingsstructuren. In verband met de overzichtelijkheid is het opnemen van toelichtende kaarten wenselijk. 2.1

Huidige situatie

De bebouwing aan de Ruiterweg 2 te Groenlo bestaat uit een aantal (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen en bouwwerken voor voer- en mestopslag. De locatie is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre en is omgeven door landbouwgrond met in de directe omgeving nog een aantal woonbestemmingen. De ontsluiting van de locatie vindt plaats via de Ruiterweg.

Toelichting

7

Afbeelding 2.1: huidige situatie en aanzicht vanaf de Ruiterweg. 2.2

Gewenste situatie

Woningsplitsing 8

Ruiterweg 2 Groenlo

De bestaande boerderij wordt gesplitst in twee afzonderlijke wooneenheden zijnde voorhuis en achterhuis. In het achterhuis wordt een nieuwe woning gerealiseerd. In het verlengde van het achterhuis is een voormalig bedrijfsgebouw gelegen die gedeeltelijk wordt gesloopt, evenals een hieraan gebouwde overkapping ten behoeve van opslag. Hierdoor ontstaat er een stedenbouwkundige eenheid in het gebouw. Het overgebleven deel van het aangebouwde voormalige bedrijfsgebouw wordt verbouwd ten behoeve van de te realiseren wooneenheden. De karakteristieke voorgevel blijft behouden evenals de verschijningsvorm en hoofdbouwmassa van het hoofdgebouw als ontginningsboerderij waarbij de voormalige scheiding tussen het woon- en bedrijfsgedeelte herkenbaar blijft. Dit naar aanleiding van het advies van het door Dulcken Erfgoed Advies opgesteld cultuurhistorisch onderzoek welke rapportage als Bijlage 8 is bijgevoegd. Nevenactiviteiten Naast de aanwezige voormalige boerderij zijn een aantal voormalige agrarische bedrijfsgebouwen aanwezig evenals een bovengrondse mestsilo. Een deel van deze bebouwing wordt gesloopt. Ook de aanwezige kuilvoerplaten worden van het perceel verwijderd. Een tweetal voormalige bedrijfsgebouwen blijven behouden en worden gerenoveerd. Eén van de twee bedrijfsgebouwen wordt nog verkleind door sloop van de voormalige melkstal en verwijderen van een gebint.

In beide gebouwen worden nevenactiviteiten naast het Wonen uitgevoerd. Het gaat hierbij om kleinschalige houtbewerking en verblijfsrecreatie in de vorm van Bed & breakfast. Ook de aanwezige mestsilo wordt verbouwd voor verblijfsrecreatie. Voor de houtbewerking blijft een gebouw in stand met een oppervlakte van 375 m2. Ook voor de verblijfsrecreatie wordt een oppervlakte van 375 m2 gebruikt bestaande uit een deel van de voormalig bedrijfsgebouw en de mestsilo. Daarnaast zal in een van de gebouwen voor verblijfsrecreatie een muziek oefenruimte worden gerealiseerd. Een deel van voormalig bedrijfsgebouw wordt ook als bijbehorend bouwwerk voor de woningen gebruikt met een gezamenlijke oppervlakte van maximaal 225 m2. In het geldend bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011, met bijbehorende Reparatieplannen, is de Algemene wijzigingsbevoegdheid 'Functieverandering naar werken' opgenomen om nevenactiviteiten op een voormalig agrarisch perceel te Toelichting

9

kunnen toestaan. Uitgangspunt hierbij is dat er op het perceel sloop gaat plaatsvinden en dat de nevenactiviteiten in de bestaande bebouwing wordt gerealiseerd. In deze wijzigingsbevoegdheid worden nevenactiviteiten als verblijfsrecreatie/toerisme en houtbewerking (opgenomen als activiteit in een Indicatieve bedrijvenlijst) toegestaan tot een maximale oppervlakte van 750 m2. Beide activiteiten worden uitgevoerd in de bestaande voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en hebben een totale gezamenlijke oppervlakte van 750 m2. Hiermee wordt dus aan de Algemene wijzigingsbevoegdheid voldaan. Wel dient er maatwerk plaats te vinden nu er ook wijziging van de agrarische bestemming naar Wonen gaat plaatsvinden in combinatie met woningsplitsing van de voormalige boerderij. Dit is niet als zodanig in de Algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen zodat er een herziening van het bestemmingsplan dient plaats te vinden. Op onderstaande afbeelding 2.1 is de gewenste situatie schematisch weergegeven.

10

Ruiterweg 2 Groenlo

Afbeelding 2.1: gewenste situatie met in rood de te slopen / verwijderen onderdelen, in blauw de verblijfsrecreatie, in geel het bijbehorend bouwwerk bij de woningen en de voormalige 'koeienstal' is bedoeld voor de nevenactiviteit 'houtbewerking'. Landschappelijk inpassingsplan Voor het planvoornemen is een landschappelijk inpassingsplan inclusief beplantingsplan opgesteld. Dit is bijgevoegd als Bijlage 1. In dit inpassingsplan vindt een uitgebreide analyse van de landschapselementen en cultuurhistorische waarden plaats. Ook wordt het van toepassing zijnde beleid geanalyseerd. Dit resulteert in een landschappelijk inpassingsplan dat qua ontwerp, erfensemble en landschappelijke uitgangspunten passend is op deze locatie.

Toelichting

11

Afbeelding 2.2: gewenste situatie met landschappelijke inpassing Beplantingsplan Op de plek van de huidige sleufsilo's wordt opgaande beplanting aangebracht in de vorm van een hoogstam boomgaard. Verder worden er nog enkele beplantingselementen aan het erf toegevoegd zoals een berkenrij, diverse erfbomen, singel, struweelhaag en hakhoutbosje.

12

Ruiterweg 2 Groenlo

Afbeelding 2.3: toevoeging van landschappelijke elementen uit het beplantingsplan

Toelichting

13

Hoofdstuk 3 Beleid 3.1

Europa

3.1.1

Vogelrichtlijn

De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. 3.1.2

Habitatrichtlijn

De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. 14

Ruiterweg 2 Groenlo

Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn. 3.1.3

Het verdrag van Valletta (Malta)

Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen. 3.1.4

Kaderrichtlijn water

De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: De vervuiler betaalt De gebruiker betaalt Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water Resultaatsverplichting in 2015 Stroomgebiedsbenadering Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit Toelichting

15

van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'. Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Uitgangspunten voor het bestemmingsplan De voorgenomen planontwikkeling voldoet aan het internationaal beleid.

16

Ruiterweg 2 Groenlo

3.2

Rijksbeleid

3.2.1

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

In het kader van de invoering van de Omgevingswet, die nu gepland staat voor 1 januari 2024, heeft het Rijk de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) opgesteld. Op die manier wordt invulling gegeven aan de verplichting tot het opstellen van zo'n visie zoals die is vastgelegd in art. 3.1 lid 3 Ow. Tot de invoering van de Omgevingswet heeft dit document de status van structuurvisie in de zin van art. 2.3 Wro. Inhoudelijk gezien bevat de NOVI een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De intentie van het Rijk is om met de NOVI een perspectief te bieden om grote maatschappelijke opgaven aan te pakken. Bij die opgaven kan worden gedacht aan grote en complexe opgaven met betrekking tot klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. Een centraal aspect van de NOVI is de focus op een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving. Werken op basis van integraliteit met betrekking tot verschillende vraagstukken in plaats van sectorale aanpakken voor individuele vraagstukken vormt de kern van deze nieuwe aanpak. Het streven naar integraliteit dat onderdeel is van de NOVI, valt samen in vier verschillende prioriteiten waartussen een onderscheid wordt gemaakt in de NOVI, te weten: 1. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. duurzaam economisch groeipotentieel; 3.

sterke en gezonde steden en regio's; 4. toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De nationale overheid richt zich in de NOVI op 21 verschillende nationale belangen. De voorgenomen ontwikkeling is van dusdanig kleine schaal dat deze niet raakt aan één van deze nationale belangen. 3.2.2

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (BARRO)

Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische Toelichting

17

beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. 3.2.3

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied.

Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt 18

Ruiterweg 2 Groenlo

verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. Nieuwe stedelijke ontwikkeling Onderhavige ontwikkeling betreft realisatie van 2 reguliere woningen aan de Ruiterweg 2 te Groenlo. In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Het betreft hier een kleinschalige ontwikkeling. Bij een kleinschalige woning ontwikkeling is de ladder niet van toepassing. Waar de grens precies ligt, blijkt niet expliciet uit het Besluit ruimtelijk ordening. Op basis van jurisprudentie blijkt dat bij woningbouw in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Voorliggende ontwikkeling betreft de realisatie van 2 woningen in een bestaande bedrijfswoning. Vanwege de omvang van het project kan worden geconcludeerd dat er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling en is een verdere toets aan de Ladder voor Duurzame verstedelijking niet noodzakelijk. Conclusie Daarmee vormt de ladder van duurzame verstedelijking geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.

Uitgangspunten voor het bestemmingsplan De voorgenomen planontwikkeling voldoet aan het Nationaal beleid. 3.3

Provinciaal beleid

3.3.1

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening

Omgevingsvisie De provincie heeft haar visie op de omgeving vertaald in de 'Omgevingsvisie Gelderland'. Deze is vastgesteld op 19 december 2018. In de omgevingsvisie stelt de provincie tot doel een schoon, gezond, veilig en welvarend Gelderland. Daarnaast streeft de provincie onder andere naar het Toelichting

19

versterken en behouden van de vitaliteit van kleinere kernen en dorpen. Om dit te bereiken dienen stedelijke functies waar mogelijk te worden gebundeld en geconcentreerd. Daarnaast ondersteunt de provincie bij de aanpak van leegstand in dorpen en kernen. Omgevingsverordening De meest recente versie van de omgevingsverordening is de geconsolideerde versie van 21 december 2022. Vanuit deze verordening gelden regels voor 'Glastuinbouw' binnen het plangebied. Hier hoeft niet aan getoetst te worden omdat het initiatief geen glastuinbouw betreft. Daarnaast is het ontwerp wijzigingsplan omgevingsverordening 2023 van 28 april 2023 van toepassing op het plangebied. Met dit wijzigingsplan zijn de regels voor 'Agrifood' en 'Landschap 2' van toepassing binnen het plangebied. De wijzigingen binnen Agrifood hebben betrekking op de geitenhouderij en glastuinbouw. Beide zijn niet van toepassing op dit plan. De wijziging m.b.t. landschap zijn gericht op grootschalige initiatieven en compensatie die plaats moet vinden. Met dit kleinschalige initiatief, binnen de huidige kaders van het erf is er geen effect binnen het van toepassing zijnde landschapstype 'Gelderse streek Achterhoek'. Daarbij wordt met de landschappelijke inpassing een erf gecreëerd dat goed binnen de kernkwaliteiten van dit landschapstype past.

Conclusie De Omgevingsvisie Gelderland vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling . Uitgangspunten voor het bestemmingsplan Bij het opstellen van de regels van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de regels uit het provinciaal beleid.

20

Ruiterweg 2 Groenlo

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Erfgoednota 'Wi-j doet 't samen' 2017-2020

Cultuur en erfgoed dragen bij aan de economie en de maatschappij. Zij dragen bij aan het toerisme en aan een aantrekkelijk vestigingsklimaat voor bedrijven en bewoners. Door de gemeenten Winterswijk, Aalten en Oost Gelre is gezamenlijk de erfgoednota opgesteld. Het beleven van erfgoed is een van de ambities in deze nota om daarmee het (economisch) rendement te vergroten. Het doel van de nota is: Het vaststellen van ambities voor de ontwikkeling en instandhouding van het erfgoed, zodat dit: Op een goede wijze kan worden doorgegeven aan de volgende generatie; Een inspiratiebron en motor kan zijn voor nieuwe ontwikkelingen; Een verbinding vormt tussen diverse beleidsterreinen, organisaties en de drie gemeenten; De identiteit onderstreept en versterkt. 3.4.2

Welstandsbeleid Oost Gelre 2017

Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren". Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven. Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid,. In dit document zijn de Toelichting

21

kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. 3.4.3

Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre

Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk. Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidbeleid ontwikkeld om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidaspect in bestemmingsplannen, vergunningen e.d. De Rijksoverheid treedt steeds verder terug om geluidzaken meer decentraal te laten regelen. De gemeente Oost Gelre grijpt deze kans om maatwerk te leveren: stilte beschermen waar mogelijk en geluidruimte te bieden waar nodig. “Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld.

Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven. Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering. Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing. Het geluid is nader beschreven in paragraaf 4.5.

22

Ruiterweg 2 Groenlo

3.4.4

Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024

Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeersen vervoersproblemen in een breder kader plaatst. De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen.

Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma. 3.4.5

Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre

De gemeente Oost Gelre heeft een Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen. 3.4.6

Woonvisie Oost Gelre

De gemeente Oost Gelre heeft op 4 juli 2023 een nieuwe woonvisie vastgesteld voor de periode tot 2023-2027. De rijksoverheid heeft de landelijke woondeal vastgesteld. Deze is vertaald in de regionale woonagenda. Hieruit is de lokale woonvisie voor Oost Gelre ontstaan in samenwerking met andere gemeenten in de regio. In deze woonvisie is beschreven Toelichting

23

hoe de gemeente Oost Gelre de lokale uitdagingen op de woningmarkt oppakken. Er moet ruimte zijn voor groei, variatie en duurzaamheid. Feit is dat er simpelweg te weinig woningen zijn. Te weinig voor de starters die graag willen blijven. Te weinig woningen voor ouderen die eigenlijk wel plaats willen maken voor jonge gezinnen. Te weinig ook voor mensen die van buiten onze regio hier komen werken. Of hier om een andere reden willen wonen. En ook te weinig voor aandachtgroepen, zoals spoedzoekers en statushouders, die hier hun bestaan opbouwen. Dat betekent op z’n Achterhoeks gezegd: Samen D’ran! Groeidoel van de gemeente is: 1.265 woning erbij tot 2030. Dit doel kan de gemeente niet alleen voor elkaar krijgen. De gemeente heeft (bouw)partners daarbij hard nodig. Denk daarbij aan de rijksoverheid, de provincie en andere gemeenten in de regio. Zij staan aan de basis van wat er in deze woonvisie mogelijk is. In elke kleine kern is er ruimte om voldoende nieuwe woningen bij te bouwen. Er loopt een nieuwe ruimtelijke verkenning voor een update in elke kleine kern. 3.4.7

Landschapsontwikkelingsplan (LOP)

De gemeente Oost Gelre kent een authentiek buitengebied, met een landelijk en agrarisch karakter. Naast het kenmerkende Achterhoekse coulissenlandschap telt de gemeente enkele mooie natuurgebieden. Verder kent het platteland veel jong ontginningslandschap, met rechte wegen, kavels en beken, maar ook tal van landelijk gelegen weggetjes, fietspaden en wandelpaden. Rondom Lievelde, Harreveld en Vragender vind je het essenlandschap. De essen zijn oude bouwlanden die door eeuwenlange plaggenbemesting zijn opgehoogd. De bollingen in het landschap zijn nog altijd goed te zien. Eeuwenoude kerkenpaden liggen bij Zieuwent en Mariënvelde; ze zijn in ere hersteld. Bijzonder zijn de schansen in het landschap, overblijfselen van de Tachtigjarige Oorlog, zoals de Engelse Schans bij Lievelde. De gemeente Oost Gelre zet in op behoud en versterking van groen en landschap, zowel in de kernen als in het buitengebied. Er zijn verschillende plannen en projecten in het kader van landschapsontwikkeling, samen met de inwoners. In het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) is het landschapsbeleid van de gemeente Oost Gelre vastgelegd. De plannen en initiatieven dragen bij aan een positieve ontwikkeling van het, veelal agrarisch, cultuurlandschap, waar de mensen in Oost Gelre terecht trots op zijn.

Ten aanzien van het beheer van het landschap in het buitengebied geldt de gedachte ‘Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort 24

Ruiterweg 2 Groenlo

wat’. Hiermee wordt bedoeld dat gemeente en inwoners samen voor het landschap zorgen. Ten eerste door de bestaande natuur- en landschapselementen (zoals bosjes en houtwallen, maar ook steilranden en oude kapelletjes) te beschermen. Ten tweede worden in het landschap nieuwe elementen ontwikkeld. Deze ontstaan o.a. uit ideeën en wensen uit de samenleving. Centraal in het LOP staat ook het begrip duurzaamheid. De gemeente stimuleert duurzame ontwikkeling van het landschap, bijvoorbeeld door het mogelijk te maken dat nieuwe landgoederen worden gerealiseerd. Oost Gelre is oorspronkelijk een agrarische gemeente. Veel boeren zijn echter gestopt. Eigenaren van locaties in het buitengebied willen een nieuwe invulling geven aan hun bedrijf. Het platteland vernieuwt en dat komt de leefbaarheid ten goede. Hier sluit het planvoornemen goed op aan door de wijziging van de agrarische bestemmen met daarbij enkele nevenfuncties. 3.4.8

Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011, inc. Reparatieplannen

Zoals beschreven in paragraaf 1.3 heeft de locatie de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden'. Er is in het plan een algemene wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het wijzigen van de agrarische bestemming naar 'Wonen' (artikel 33, lid 4). Het planvoornemen kan op een aantal punten niet voldoen aan de voorwaarden behorende bij deze wijzigingsbevoegdheid met betrekking tot de oppervlakte aan bijgebouwen en nevenfuncties. Met dit bestemmingsplan wordt maatwerk geleverd om een afwijkende oppervlakte en nevenfuncties mogelijk te maken en wordt aangetoond dat hier sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Uitgangspunten voor het bestemmingsplan Bij de planontwikkeling is gebruik gemaakt van de beleidsnota's zoals genoemd in 3.4.1(Erfgoednota), 3.4.2(Welstandsbeleid) en 3.4.5 (Inspiratiedocument Ruimte) en is rekening gehouden met de vastgestelde woonvisie zoals genoemd in 3.4.6. Voornoemde gemeentelijke beleidsnotities voor geluid en verkeer, zoals genoemd in 3.4.3(Geluidsbeleid) en 3.4.4 (Integraal Verkeersprogramma), zijn uitgewerkt in de in hoofdstuk 4 genoemde milieu- en omgevingsaspecten.

Toelichting

25

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1

Water

Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel 26

Ruiterweg 2 Groenlo

bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water. Situatie plangebied Het initiatief heeft betrekking op en bestaande agrarische bedrijfslocatie.

De totale oppervlakte aan verhard terrein zal afnemen ten opzichte van de huidige situatie door het verwijderen van de sleufsilo's en sloop van enkele bestaande (delen van) gebouwen. Hiervoor in de plaats komt voor het grootste deel onverhard terrein en/of opgaande beplanting. Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant. Toelichting

27

Tabel: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's. # de intensiteit van het watertoetsproces is afhankelijk van de antwoorden op bovenstaande vragen. Omdat er op alle vragen met 'nee' is geantwoord, is het RO-plan waterhuishoudkundig niet van belang en hoeft er geen wateradvies bij het waterschap gevraagd te worden. Conclusie Er vindt een afname van verharding plaats ten opzichte van de huidige situatie. Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.2

Bodem

Wettelijk kader Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond 28

Ruiterweg 2 Groenlo

als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. Situatie plangebied In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan vijf jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. In het kader van dit plavoornemen is een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest, uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 2.

In het bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd: De opgeboorde grond is op meerdere plaatsen als zwak puinhoudend beoordeeld; In geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden; De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. De hypothese “Deellocatie A kan op basis van het vooronderzoek als een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting worden beschouwd” wordt verworpen. De hypothese “Deellocatie B kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels aangenomen aangezien maximaal licht verhoogde gehalten zijn aangetroffen; Bij het asbestonderzoek zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de grove als in de fijne fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. De hypothese voor het asbestonderzoek “De gehele onderzoekslocatie kan op Toelichting

29

basis van het vooronderzoek als heterogeen verdacht worden beschouwd” wordt verworpen. De feitelijke locatie van de voormalige dieselolietank wijkt af van de locatie die op de milieutekening is aangegeven. Ter plaatse van de feitelijke locatie voormalige dieselolietank is in het onderzoeksrapport wel een bodemmonster genomen en hierbij is geen verontreiniging geconstateerd. Ter plaatse van de ondergrondse olietank, die zal worden gedempt, zal geen verblijfsruimte worden gecreëerd. Deze beperking wordt vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan. Een aanvullend bodemonderzoek is hier dan ook niet nodig. Dit is conform het advies van de omgevingsdienst Achterhoek dat is bijgevoegd als Op basis van de onderzoeksresultaten is op grond van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen bezwaar het onderzochte terrein goed te keuren voor bestemmingsplanwijziging en bouwvergunning. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.3

Flora en Fauna

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. 30

Ruiterweg 2 Groenlo

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking. Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.

Afbeelding 4.1: ligging plangebied t.o.v. Natura 2000-gebieden in de omgeving Situatie plangebied Voor de beoordeling van de mogelijke effecten van stikstofuitstoot in de aanleg- en Toelichting

31

gebruiksfase van het plan is een onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 4. Uit dit onderzoek volgt dat er geen significant negatieve effecten optreden in de voor stikstof gevoelige natura 2000-gebieden in de omgeving. Gelders Natuurnetwerk (GNN)

Afbeelding 4.2: ligging t.o.v. Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het GNN en/of de GO. Zoals hierboven al is aangegeven geldt er formeel geen externe werking. Het planvoornemen heeft dan ook geen effect op de betreffende natuur. Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4); dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Toets

32

Ruiterweg 2 Groenlo

In de gewenste situatie worden de bestaande sleufsilo's verwijderd en een aantal opstallen (deels) gesloopt. In het kader hiervan is een verkennend natuurwaardenonderzoek uitgevoerd in de vorm van een Quickscan (zie Bijlage 5). Naar aanleiding van deze quickscan is door de omgevingsdienst Achterhoek advies uitgebracht en gevraagd een nader vleermuizenonderzoek uit te voeren. Het advies van de omgevingsdienst is bijgevoegd als Bijlage 6. Naar aanleiding van dit advies is een nieuwe Quickscan opgesteld waarbij ook aandacht wordt besteed aan mogelijke verblijfplaatsen voor vleermuizen. De aangepaste quickscan is bijgevoegd als Bijlage 7. Uit deze Quickscan volgt dat de inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten en tot een weinig geschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren. Mogelijk foerageren vleermuizen incidenteel rond de bebouwing. Beschermde dieren bezetten geen vaste rust- of voortplantingsplaats in het plangebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen beschermd dier gedood en geen vaste rust- of voortplantingsplaats van een beschermd dier beschadigd of vernield. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming aangevraagd te worden.

Conclusie Het aspect flora en fauna vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.4

Cultuurhistorie en archeologie

Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze per 1 januari 2024 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel Toelichting

33

erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Archeologie Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. Binnen het grondgebied van de gemeente is een 'Parapluplan Archeologie' (vastgesteld 22 februari 2022) van toepassing. Met dit bestemmingsplan heeft de gemeente geregeld dat nieuwe oppervlaktecriteria uit het archeologiebeleid formeel van kracht is geworden. Situatie plangebied Binnen het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3' van toepassing. In deze bestemming is geregeld dat er vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld én een oppervlakte gelijk of groter dan 1.000 m2. Het planvoornemen voor zien in het verwijderen van de bestaande sleufsilo's.

Verder worden er geen bodemingrepen gepland. De oppervlakte voor vergunningplicht wordt met dit planvoornemen niet overschreden.

Afbeelding 4.3: Fragment verbeelding Parapluplan Archeologie 34

Ruiterweg 2 Groenlo

Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). Situatie plangebied Door onderzoeksbureau Dulken erfgoed is een inventarisatie gemaakt van mogelijk cultuurhistorische waarden ter plaatse van het plangebied. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 8. Het volgende is omschreven in deze inventarisatie. Het jonge ontginningslandschap en de situering van het erf daarin is nog goed herkenbaar. De uitbreiding van het agrarische bedrijf sinds het midden van de jaren 50 is afleesbaar aan het huidige erf.

De boerderij is een kenmerkend voorbeeld voor de jonge ontginning uit het eind van de 19e en begin 20e eeuw met neo-renaissance-invloeden en de uitbreiding in de wederopbouwperiode (1959). De boerderij ‘Smeenk’ is alleen nog in hoofdvorm, voorgevel en linkerzijgevel goed herkenbaar als een jonge ontginningsboerderij. De aangebouwde varkensstal versterkt dat beeld enigszins, maar door verbouwingen en aanpassingen na 1959 is daaraan afbreuk gedaan. De aanwezige cultuurhistorische waarden zijn beperkt, maar bepalen nog steeds het beeld van de oorspronkelijke boerderij. Ondanks de aanpassingen (wijzigingen, aantastingen en versoberingen) in kap en gevels, is de jonge ontginningsboerderij nog herkenbaar in het landschap. Vanuit de objectieve inventarisatie van cultuurhistorische waarden wordt bij een herbestemming tot (dubbele) woningen geadviseerd rekening te houden met Toelichting

35

behoud van de verschijningsvorm en hoofdbouwmassa van het hoofd als ontginningsboerderij en de voormalige scheiding tussen het woon- en bedrijfsgedeelte herkenbaar te houden. Ook de verhoudingen tussen hoofdgebouw en aangebouwd bijgebouw, de betrekkelijk gesloten kappen met beperkte overstekken, de ritmiek in voor- en linkerzijgevel, het gebruik van baksteen en gebakken pannen zijn van waarde. Het meest opvallend is de invloed van de neo-renaissancestijl in de voorgevel; een populaire bouwstijl tot de eerste decennia van de 20e eeuw. Daarbij is de toepassing van de bloktandfries als metselwerkversiering een opmerkelijk detail. De andere gebouwen op het erf hebben geen cultuurhistorische waarde. Ten aanzien van het (historische) erf is de ontwikkeling van het agrarische bedrijf goed herkenbaar. De enige elementen op het eigen erf die ook behouden zouden kunnen worden zijn de (vorm van de) wagenloods, de perceelsgrens beplanting in de vorm van een bomenrij en de omzoming van de voortuin met een haag. Aanbevelingen Vervang de kuilvoerplaatsen en betrek deze bij het voorerf door deze passend in te richten als een met hagen omzoomde (fruit)boomgaard. Sloop of de vrijkomende agrarische bebouwing of geef ze een passende bestemming en voorzie de daken van zonnepanelen.

Maak een erfinrichtingsplan en probeer het onderscheid tussen het ‘domein van de boer en de boerin’ aan de voor- en achterzijde van de boerderij in beeld te houden of te herstellen. Deze aanbevelingen uit de inventarisatie zijn overgenomen met betrekking tot het verwijderen van de kuilplaten, een passende bestemming voor de bestaande gebouwen en het erfinrichtingsplan waarbinnen een verdeling tussen voor- en achtererf blijft bestaan. Dit beschreven in paragraaf 2.2. Conclusie Het planvoornemen is voor wat betreft het aspect Archeologie en cultuurhistorie uitvoerbaar. De archeologische bestemming blijft gehandhaafd zodat de mogelijk aanwezige archeologische waarden voldoende blijven beschermd bij toekomstige ontwikkelingen.

36

Ruiterweg 2 Groenlo

4.5

Rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai

Wettelijk kader De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeursgrenswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeursgrenswaarde te voldoen. Wegverkeerslawaai Met betrekking tot geluid veroorzaakt door het wegverkeer is in de Wet geluidhinder de verplichting opgenomen tot het verrichten van onderzoek naar de geluidsbelasting op de gevels van (nieuw geprojecteerde) woningen en andere geluidgevoelige objecten. Op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder (Wgh) hoofdstuk VI, afdeling 1 bevindt zich aan weerszijden van een weg een zone. Als in deze zone geluidgevoelige bebouwing wordt geprojecteerd dan dient akoestisch onderzoek te worden uitgevoerd. De breedte van deze zone is afhankelijk van: de ligging van de weg in stedelijk of buitenstedelijk gebied; het aantal rijstroken.

In stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter. In buitenstedelijk gebied worden drie typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: wegen met een of twee rijstroken: 250 meter; wegen met drie of vier rijstroken: 400 meter; wegen met vijf of meer rijstroken: 600 meter. De volgende wegen hebben op grond van artikel 74 Wgh geen zone: wegen gelegen in een als woonerf aangeduid gebied; wegen met een maximum snelheid van 30 km/uur. Toelichting

37

Spoorweglawaai Spoorwegen hebben een zone, waarvan de breedte afhankelijk is van de hoogte van het geluidsproductieplafond. In artikel 1.4 van het Besluit geluidhinder is de breedte van de zone aangegeven. De zonebreedte varieert van 100 tot 1.200 meter. Bij ontwikkelingen rond geluidsgevoelige bestemmingen in de zone of wijzigingen aan de spoorlijn moet akoestisch onderzoek worden gedaan. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 55 en 68 dB (Lden), afhankelijk van de situatie. Industrielawaai Rondom industrieterreinen waarop de mogelijkheid aanwezig is tot vestiging van zogenaamde grote lawaaimakers, is op grond van art. 41 van de Wgh een geluidszone vastgesteld. In geval van nieuwe geluidsgevoelige bestemmingen binnen de zone of een wijziging aan het industrieterrein of de geluidszone is een akoestisch onderzoek vereist. Op basis van de uitkomsten kunnen zo nodig maatregelen worden overwogen. De voorkeursgrenswaarde en maximaal toegestane geluidsbelasting bedragen respectievelijk 50 en 65 dB(A) (Letm), afhankelijk van de situatie. Buiten de zone mag de geluidsbelasting nooit meer dan 50 dB(A) (Letm) bedragen. Er dient te worden gewaarborgd dat deze waarde, en de eventuele vastgestelde hogere grenswaarden niet worden overschreden.

Middels zogenaamd zonebeheer wordt daarvoor continu de totale vergunde geluidsbelasting vanwege het industrieterrein beheerd. Situatie plangebied In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorwegen of gezoneerde industieterreinen gelegen, om die reden kan spoorweglawaai en industrielawaai worden uitgesloten. Het plangebied is gelegen aan een weg waar 60 km/h gereden mag worden. Op grond van de Wet geluidhinder geldt een onderzoekszone van 250 meter. In het onderhavige plan wordt echter een bestaande bedrijfswoning herbestemd naar een tweetal (burger)woning. De nieuwe woning komt in het achterhuis van het bestaande gebouw. Deze komt verder van de weg af te liggen en de verbouw van de boerderij zal zorgen voor een betere akoestische bescherming. De 38

Ruiterweg 2 Groenlo

verkeersintensiteit van de weg is (zeer) laag evenals de maximale snelheid die gereden mag worden. Vanuit akoestisch oogpunt is het niet noodzakelijk voor dit initiatief een onderzoek uit te voeren. Conclusie Op basis van bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het aspect rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai geen belemmering vormt voor de realisatie van het voorliggende plan. 4.6

Luchtkwaliteit

Om inzicht te krijgen of het bestemmingsplan uitvoerbaar is voor wat betreft het aspect bodem, wordt per locatie van het bestemmingsplan een nadere toelichting gegeven. De Nederlandse wetgeving voor luchtkwaliteit is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer ("Wet luchtkwaliteit"). In bijlage 2 van de Wet milieubeheer staan de grenswaarden (normen) voor verschillende luchtvervuilende stoffen. In de praktijk is alleen bij stikstofdioxide en fijn stof mogelijk sprake van normoverschrijding, zodat de beoordeling tot deze stoffen beperkt blijft. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende besluiten en regelingen met daarin het centraal staande begrip 'niet in betekenende mate'; Besluit en Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Als een project 'niet in betekenende mate' (nibm) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, dan is geen toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit nodig. De nibm-bijdrage komt overeen met 3% van de norm voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof of stikstofdioxide. Dit komt neer op 1,2 µg/m3. Situatie plangebied Binnen en rondom het plangebied is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer.

De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (nibm) is in dit geval van toepassing. De aanvraag heeft betrekking op twee woningen. De grens in de regeling ligt bij 1500 woningen met een enkele ontsluitingsweg of 3000 woningen met twee ontsluitingswegen. De aanvraag blijft daar ruimschoots onder. Een berekening van Toelichting

39

de gevolgen voor de luchtkwaliteit is daarom niet nodig. De ruimtelijke procedure heeft geen betrekking op de ontwikkeling van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De locatie ligt bovendien op een afstand van: meer dan 300 meter van een rijksweg; meer dan 50 meter van een provinciale weg. Alleen bij realisatie van gevoelige bestemmingen binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden nodig. Nu dit niet aan orde is, hoeft geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit plaats te vinden. Conclusie De aangevraagde ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er is geen sprake van een gevoelige bestemming. Er is geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Er is daarom geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. Het onderwerp luchtkwaliteit vormt geen belemmering bij de voorgenomen ontwikkeling. 4.7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13394825/1