bp papenweg 12 toelichting bijlage 2 quickscan flora en fauna
Tekst van het document
Quickscan Flora & Fauna
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde
Opdrachtgever: Lensink Lievelde Beheer B.V. Papenweg 14 7137 MV Lievelde
Opdrachtnemer: Eelerwoude Onze vestigingen 088-1471100 info@eelerwoude.nl www.eelerwoude.nl
Projectgegevens: Projectnummer: Datum: Projectleider: Opgesteld: Gecontroleerd: Status: Versie:
10140 3-11-2020
Definitief 1
© 2020 Eelerwoude Dit rapport is enkelzijdig opgemaakt.
Inhoudsopgave 1 1.1 2
Inleiding ....................................................................................................................................................... 5 Aanleiding ...............................................................................................................................................5 Huidige situatie en ontwikkeling ................................................................................................................. 6
2.1
Huidige situatie .......................................................................................................................................6
2.2
Voorgenomen ontwikkeling ...................................................................................................................6
3
Natuurwetgeving en -beleid...................................................................................................................... 11
3.1
Inleiding ................................................................................................................................................11
3.2
Bescherming van soorten .....................................................................................................................11
3.3
Bescherming van gebieden...................................................................................................................11
3.4
Bescherming van houtopstanden .........................................................................................................12
3.5
Gelders Natuurnetwerk ........................................................................................................................13
4
Methode.................................................................................................................................................... 16
4.1
Inleiding ................................................................................................................................................16
4.2
Bureauonderzoek .................................................................................................................................16
4.3
Terreinbezoek .......................................................................................................................................16
5
Beschermde soorten ................................................................................................................................. 17
5.1
Planten..................................................................................................................................................17
5.2
Zoogdieren ............................................................................................................................................17
5.2.1
Vleermuizen .................................................................................................................................17
5.2.2
Overige zoogdieren ......................................................................................................................19
5.3
Vogels ...................................................................................................................................................20
5.4
Reptielen...............................................................................................................................................21
5.5
Amfibieën .............................................................................................................................................21
5.6
Vissen....................................................................................................................................................22
5.7
Ongewervelden ....................................................................................................................................22
6 6.1
Conclusie ................................................................................................................................................... 23 Beschermde soorten.............................................................................................................................23
6.1.1
Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt ....................................................................23
6.1.2
Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt ..................................................................23
6.1.3
Algemene zorgplicht ....................................................................................................................23
6.2
Bescherming gebieden .........................................................................................................................23
6.3
Bescherming houtopstanden ...............................................................................................................24
6.4
Gelders Natuurnetwerk ........................................................................................................................24
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 3
6.5 7
Uitvoerbaarheid van de plannen ..........................................................................................................24 Literatuur .................................................................................................................................................. 25
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving ........................................................................................................... 26
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding De opdrachtgever is voornemens een aantal landschappelijke veranderingen door te voeren ten noorden van Lievelde. Hierbij wordt een agrarisch perceel omgevormd tot natuur, en er wordt een schuur gerealiseerd naast een bestaand bedrijfspand aan de Papenweg 14 te Lievelde. Bij het ontwikkelen van natuur wordt het al enkele jaren geleden aangekochte stuk landbouwgrond niet meer bemest en verschraald. Daarnaast zal de Lievelderbeek weer in oude staat worden hersteld door het opnieuw meanderen van deze beek over de aangekochte landbouwgrond. Omdat het bedrijfspand en de nieuw te realiseren schuur ten zuiden van de Lievelderbeek liggen en het om te vormen landbouwgrond ten noorden hiervan, zal ook een voorde door de Lievelderbeek worden gerealiseerd om beide locaties met elkaar te verbinden. In verband met deze voorgenomen ontwikkeling is een toetsing van de plannen aan de natuurwetgeving en het natuurbeleid noodzakelijk. Met deze toetsing moet duidelijk worden hoe de ontwikkeling gerealiseerd kan worden binnen de kaders van de natuurbescherming. Eerste stap in deze toetsing is het uitvoeren van een verkennend onderzoek. Op basis van een bureauonderzoek en een veldbezoek wordt aan de hand van aanwezige terreintypen en toevallige waarnemingen van soorten zo goed mogelijk ingeschat welke beschermde gebieden en plant- en diersoorten aanwezig (kunnen) zijn.
Op basis daarvan worden uitspraken gedaan over de (mogelijke) effecten van de voorgenomen ontwikkeling en de eventueel noodzakelijke vervolgstappen. Voorliggende rapportage gaat hier verder op in.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 5
2 Huidige situatie en ontwikkeling 2.1 Huidige situatie Het plangebied bestaat in de huidige situatie uit twee delen. Als eerste is er het erf met bedrijfspand aan de Papenweg 14 en het woonhuis gelegen aan de Papenweg 12, welke zijn gelegen ten zuiden van de Lievelderbeek. Dit gedeelte bestaat uit bebouwing, bestrating en een weide met alpaca’s. Het wordt gescheiden van het tweede gedeelte door de Lievelderbeek en de hieromheen aangeplante zwarte elzen en lindes. Deze groenstrook rondom de Lievelderbeek is aan de randen begroeid met ruigtes bestaande uit grote brandnetel en braam. Het tweede gedeelte bestaat uit circa 3ha aan landbouwgrond tussen de Lievelderbeek en De Stegge. Door enkele jaren aan verschraling is hier al meer diversiteit aan plantensoorten aanwezig dan in de meeste intensief beheerde graslanden. Veel voorkomende soorten zijn gewoon biggenkruid, Jacobs kruiskruid, smalle weegbree, klein streepzaad, zachte ooievaarsbek en kruipende boterbloem. De Lievelderbeek is slechts een gedeelte van het jaar watervoerend en stond droog tijdens het veldbezoek, met uitzondering van een plek waarop hemelwater werd geloosd. De omgeving van het plangebied is vrij divers met veel landschapselementen als bosschages, houtwallen en kleinschalige natuurontwikkelingsprojecten.
2.2 Voorgenomen ontwikkeling De opdrachtgever is voornemens om de volgende landschappelijke ontwikkelingen door te voeren (afbeelding 1): • bouwen van een schuur ten behoeve van de huisvesting van alpaca’s en schotse hooglanders direct ten oosten van het bedrijfspand (afbeelding 2); • realiseren van een doorsteek middels een voorde door de Lievelderbeek om de noordelijk gelegen landbouwgrond te verbinden met de schuur ten zuiden hiervan. Deze doorsteek wordt gerealiseerd door het kappen van tussen de 5-15 zwarte elzen en lindes; • reconstrueren oude meander van de Lievelderbeek volgens kaarten uit 1880-1900 door het afgraven van landbouwgrond; • creëren van plasdras rondom de nieuwe loop van de Lievelderbeek; • omvormen van een gedeelte van de landbouwgrond tot onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) met natuurtype N14.01, Rivier- en beekbegeleidend bos; • aanplanten van nader te definiëren bomen op de om te vormen landbouwgrond; • overige landbouwgrond (westen) welke niet tot natuur wordt omgevormd zal extensief worden beheerd met begrazing van schotse hooglanders.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 6
Afbeelding 1: Inrichtingstekening Papenweg 14 te Lievelde.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 7
Afbeelding 2: Geraamte te realiseren kapschuur.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 8
Afbeelding 3a: Impressie plangebied, situatie op 5-10-2020. Deze vier foto’s laten het elzen en lindenbos zien rondom de Lievelderbeek.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 9
Afbeelding 3b: Impressie plangebied, situatie op 5-10-2020. Deze vier foto’s tonen het voormalige intensief beheerde grasland wat al enkele jaren wordt verschraald.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 10
3 Natuurwetgeving en -beleid 3.1 Inleiding De Wet natuurbescherming bestaat uit drie onderdelen: de bescherming van soorten, de bescherming van gebieden en de bescherming van houtopstanden. De kern van het natuurbeleid wordt gevormd door het Natuurnetwerk Nederland, dat een samenhangend netwerk vormt van natuurgebieden. De provincies zijn het bevoegd gezag. Alleen in een aantal situaties, zoals bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, is het Rijk het bevoegd gezag. In dit hoofdstuk wordt kort ingegaan op de relevante wetgeving en het natuurbeleid voor het plangebied.
3.2 Bescherming van soorten Het uitgangspunt bij het onderdeel soortenbescherming is dat geen schade mag worden toegebracht aan beschermde dieren of planten. De wet kent een drietal beschermingsregimes; beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn, beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn en beschermingsregime “andere soorten”. Elk beschermingsregime heeft zijn eigen verbodsbepalingen. Voor ieder ruimtelijk plan of ruimtelijke ontwikkeling is het verplicht om te toetsen of deze leidt tot overtreding van de betreffende verbodsbepalingen. Wanneer er sprake is van een overtreding dient er onderzocht te worden of er een vrijstelling geldt. Indien er geen vrijstelling geldt, kan het aanvragen van een ontheffing noodzakelijk zijn. Bijlage 1 gaat verder in op het wettelijk kader bij toetsing aan de Wet natuurbescherming, onderdeel soortenbescherming. Gevolgen plangebied De Wet Natuurbescherming is een nationale Wet. Indien negatieve effecten worden verwacht door activiteiten of ontwikkelingen is een toetsing aan de Wet Natuurbescherming noodzakelijk. In hoofdstuk 5 wordt verder ingegaan op de aanwezigheid van beschermde soorten en welke effecten de voorgenomen ontwikkeling heeft op deze soorten.
3.3 Bescherming van gebieden Met het onderdeel gebiedenbescherming worden binnen de Wet natuurbescherming de Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Voor alle gebieden gelden instandhoudingsdoelstellingen. De kern van de bescherming is dat deze instandhoudingsdoelstellingen niet in gevaar mogen worden gebracht. Activiteiten mogen geen negatieve effecten hebben op de waarden waarvoor het gebied is aangewezen. Voor activiteiten of projecten die schadelijk zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Hierdoor is in Nederland een zorgvuldige afweging gegarandeerd bij projecten die gevolgen kunnen hebben voor natuurgebieden.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 11
Gevolgen plangebied Niet stikstof-gerelateerde effecten: In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Op ongeveer 4,5km afstand ligt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Korenburgerveen. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten Een AERIUS-berekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Echter is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dusdanig groot en de geplande ontwikkeling dusdanig klein dat een significante stikstofdepositie niet wordt verwacht (AERIUS, 2020).
3.4 Bescherming van houtopstanden Het omhakken of rooien van bomen is gelet op de Wet natuurbescherming niet zomaar toegestaan. Dit geldt ook bij het rooien of het verrichten van handelingen die de dood of ernstige beschadiging van bomen tot gevolg hebben. Hieronder valt ook beschadiging door vee. Onder bos wordt verstaan: • alleen bossen die buiten de ‘bebouwde kom Boswet’ liggen; • alle beplantingen van bomen die groter zijn dan 10 are (1.000 m2); • bomen in een rijbeplanting, als de rij uit meer dan 20 bomen bestaat. De gemeente stelt de grenzen van de ‘bebouwde kom Boswet’ bij besluit vast. Deze grenzen kunnen afwijken van de ‘bebouwde kom Verkeerswet’. Het besluit wordt door de provincie goedgekeurd. De grenzen zijn bij de gemeente na te vragen. De bescherming van houtopstanden kent twee belangrijke instrumenten: meldingsplicht en herplantplicht. Een kapmelding is verplicht bij de kap van bomen buiten de bebouwde kom indien kap plaatsvindt in een houtopstand. Veelal geldt een 1 op 1 herplantplicht. Provincies bepalen welke gegevens bij een melding moeten worden aangeleverd. Voor het vellen van een houtopstand in verband met realisatie van een Natura 2000-doel is er geen herplantplicht.
De voorgenomen kap van een houtopstand hoeft niet gemeld te worden als het gaat om: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; • kweekgoed; • uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden. • het dunnen van een houtopstand; • uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst;
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 12
bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en o zijn aangelegd na 1 januari 2013. het vellen van houtopstanden ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel; het vellen van houtopstanden voor de aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen; het vellen van houtopstanden en herbeplanten op een wijze die is beschreven in een goedgekeurde gedragscode. o
• • •
De provincie kan een kapverbod opleggen. Mag er wel worden gekapt, dan moeten er meestal ook nieuwe bomen worden aangeplant. De provincie kan een ontheffing of vrijstelling verlenen. Dit hangt ervan af of hiervoor een provinciale verordening is opgesteld. Mogelijk is ook een omgevingsvergunning nodig. Het aanvragen van deze vergunning en het indienen van een kapmelding moet apart van elkaar uitgevoerd worden. Gevolgen plangebied De 5-15 te kappen zwarte elzen en lindes vallen onder een houtopstand van meer dan 10 are. Er moet om deze rede een kapmelding worden gedaan bij het bevoegd gezag, hier de provincie Gelderland.
3.5 Gelders Natuurnetwerk Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Provincies hebben hiervoor soms een andere benaming. Zo gebruikt Gelderland de benaming Gelders Natuurnetwerk (GNN). De Groene Ontwikkelingszone (GO) bestaat uit terreinen met een andere bestemming gelegen in de voormalige EHS. Het netwerk moet natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied verbinden. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het GNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het GNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een GNN-toetsing uit te voeren. Gevolgen plangebied Het plangebied ligt gedeeltelijk buiten GNN gebied, gedeeltelijk binnen GNN gebied en gedeeltelijk binnen de GO (afbeelding 4). De plannen van de opdrachtgever splitsen zich in verschillende ontwikkelingen: Bouwen schuur Het bouwen van de schuur gebeurt buiten GNN-gebied.
Met de voorgenomen werkzaamheden worden geen negatieve effecten verwacht op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN. Van afname van areaal is geen sprake, tevens worden geen effecten verwacht die de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN significant aantasten. Een toetsing aan het GNN-beleid voor het bouwen van de schuur wordt niet noodzakelijk geacht. Realiseren doorsteek Bij het realiseren van de doorsteek (voorde) over de Lievelderbeek worden twee natuurbeheertypen doorkruist (afbeelding 5): L01.16 Bossingel en N03.01 Bron en Beek (Lievelderbeek). Er is geen sprake van een wijziging van het bestemmingsplan ter plaatse van de doorsteek, er is hierdoor geen sprake van een verlies van areaal. Het kappen van enkele bomen ter plaatse van de doorsteek valt binnen de afbakening van natuurbeheertype L01.16 (periodiek dunnen van bomen) zolang dit gebeurt in de periode tussen 1 oktober en 15 maart (Bij12, 2020). Bij het plaatsen van de Voorde is geen sprake van een aantasting van de beek of het natuurbeheertype.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 13
Een toetsing aan het NNN-beleid voor het realiseren van de doorsteek over de Lievelderbeek is niet noodzakelijk indien de bomenkap plaatsvindt tussen 1 oktober en 15 maart. Ontwikkelen nieuwe natuur Bij het ontwikkelen van nieuwe natuur ten oosten van het huidig agrarische perceel wordt gewerkt in afwijking met het bestemmingsplan, waardoor er normaliter sprake is van een toetsing ten opzichte van de wezenlijke waardes en kenmerken van het GNN. Echter betreft het gedeelte GNN waarop nieuwe natuur zal worden ontwikkeld beheertype N00.01 ‘functieverandering van landbouw naar nieuwe natuur’. Het omvormen van intensief beheerde landbouwgrond naar een definitief natuurtype (N14.01 Rivier- en Beekbegeleidend bos) in combinatie met een verschralingsbeheer past precies binnen de afbakeningen van dit habitattype (Bij12, 2020).. De ontwikkeling heeft een positief effect op de kernkwaliteiten van het gebied, doordat er geen verlies is aan areaal, er sprake is van kwaliteitsverbetering van de natuur, waardoor diverse leefgebieden worden verstevigd. Een verdere uitwerking van de effecten op het GNN wordt niet noodzakelijk geacht, aangezien het doel is om de natuur te versterken en dit aansluit op de doelen van het GNN. Extensief begrazen Het westen van het agrarisch perceel zal niet worden ingericht met de bestemming natuur.
Er is hierdoor geen sprake van een wijziging van het bestemmingsplan, daarnaast is er ook geen sprake van een afname van areaal. Een toetsing aan het GNN-beleid wordt hierom niet noodzakelijk geacht.
Afbeelding 4: Ligging plangebied ten opzichte van het GNN (donkergroen) en de GO (licht groen) (Provincie Gelderland, 2020).
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 14
Afbeelding 5: Ligging planlocatie ten opzichte van het Natuurbeheerplan 2021, opgesteld door de provincie Gelderland. (Rood: N00.01 Functieverandering van landbouw naar nieuwe natuur; licht groen: L01.16 Bossingel; donker groen N15.02 Dennen-, eiken- en beukenbos; zwart (lijn): N03.01 Beek en Bron) (Provincie Gelderland, 2020).
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 15
4 Methode 4.1 Inleiding De aanwezige natuurwaarden zijn in beeld gebracht op basis van bestaande inventarisatiegegevens en een verkennend veldbezoek.
4.2 Bureauonderzoek Voor het bureauonderzoek is indien beschikbaar gebruikgemaakt van landelijke, provinciale en regionale verspreidingsinformatie: • NDFF (Nationale Databank Flora en Fauna) (NDFF, 2020). • De landelijke verspreidingsinformatie uit atlassen, die deels gedateerd is, is gebruikt om na te gaan of nabij het plangebied in het verleden beschermde soorten zijn aangetroffen. Exacte locaties of data van de waarnemingen waren daarbij veelal niet bekend. Deze gegevens hebben vaak betrekking op atlasblokken (5x5 kilometer) en kunnen daardoor betrekking hebben op waarnemingen buiten het plangebied.
4.3 Terreinbezoek Op basis van een eenmalig veldbezoek is de geschiktheid van het onderzoeksgebied voor de verwachte soorten en/of soortgroepen beoordeeld. Het veldbezoek is overdag door N. Otten uitgevoerd, ecologisch adviseur bij Eelerwoude en ecologisch deskundige (zie kader). Het veldbezoek is uitgevoerd op 05-10-2020 bij 12°C, half bewolkt weer en windkracht 2 Bft. Het gaat hier om een deskundigenoordeel op basis van de fysieke gesteldheid van het terrein (biotopenonderzoek). Daarnaast zijn de aangetroffen belangwekkende soorten genoteerd. Kader – Ecologisch deskundige De veldmedewerkers van Eelerwoude beschikken over een uitgebreide ervaring met de betreffende soortgroepen en voldoen aan de criteria van ‘ecologisch deskundige’. Met een ecologisch deskundige wordt bedoeld een persoon die voor de situatie en soorten ten aanzien waarvan hij of zij gevraagd is te adviseren en/of te begeleiden, aantoonbare ervaring en kennis heeft op het gebied van soortspecifieke ecologie. De ervaring en kennis dienen te zijn opgedaan doordat de deskundige:
-
op HBO- dan wel universitair niveau een opleiding heeft genoten met als zwaartepunt (Nederlandse) ecologie; en/of
-
op MBO-niveau een opleiding heeft afgerond met als zwaartepunt de Wet natuurbescherming, soortenherkenning en zorgvuldig handelen ten opzichte van die soorten; en/of
-
als ecoloog werkzaam is voor een ecologisch adviesbureau, zoals bijvoorbeeld een bureau welke is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenbescherming en is aangesloten bij en werkzaam voor de daarvoor in Nederland bestaande organisaties (zoals bijvoorbeeld Zoogdiervereniging, RAVON, Stichting Das en Boom, Vogelbescherming Nederland, Vlinderstichting, Natuurhistorisch Genootschap, KNNV, NJN, IVN EIS Nederland, FLORON, SOVON, STONE, Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten, De Landschappen en Stichting Beheer Natuur en Landelijk Gebied; en/of
-
zich aantoonbaar actief inzet op het gebied van de soortenmonitoring en/of -bescherming.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 16
5 Beschermde soorten Dit hoofdstuk beschrijft de tijdens het veldbezoek waargenomen soorten, al dan niet aangevuld met gegevens uit de literatuur en andere informatiebronnen. Vervolgens worden eventuele effecten beschreven als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
5.1 Planten Voorkomen en functie Er zijn tijdens het veldbezoek geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Gezien de voormalig agrarische inrichting van het grootste gedeelte van het plangebied was dit ook niet de verwachting. Gelet op de aanwezige terreintypen, het beheer en de functie van het plangebied is het niet waarschijnlijk dat binnen het plangebied beschermde plantensoorten voorkomen. Binnen het plangebied zijn voornamelijk plantensoorten waargenomen van voedselrijke bodems als: gewoon biggenkruid, Jacobs kruiskruid, smalle weegbree, klein streepzaad, zachte ooievaarsbek en kruipende boterbloem. Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden op basis van het aanwezige biotoop niet verwacht en kunnen worden uitgesloten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde flora niet noodzakelijk.
5.2 Zoogdieren 5.2.1 Vleermuizen Voorkomen en functie In het plangebied is tijdens het dagbezoek beoordeeld of de locatie geschikt is voor vleermuizen. Hierbij is onderscheid gemaakt in: verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied. In het plangebied kunnen diverse vleermuissoorten voorkomen zoals gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, laatvlieger, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis. Verblijfplaats Vleermuizen maken gedurende het jaar gebruik van een netwerk van vaste rust- en verblijfplaatsen (zie kader Vleermuisverblijfplaatsen). Deze verblijfplaatsen kunnen de volgende functies hebben: • kraamverblijfplaats; • zomerverblijfplaats; • paar- en/of baltsverblijfplaats; • winterverblijfplaats. Gebouwen Binnen het plangebied is geen bebouwing aanwezig, derhalve ontbreken potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen. Het woonhuis aan de Papenweg 12 bevat mogelijk wel geschikte verblijfplaatsen voor gebouw bewonende soorten, het woonhuis blijft echter gehandhaafd bij het realiseren van de plannen.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 17
Kader - Vleermuisverblijfplaatsen Onder de vleermuizen zijn gebouw bewonende en/of boom bewonende soorten aanwezig. Gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn hoofdzakelijk gebouw bewonend. Rosse vleermuis en watervleermuis zijn voornamelijk boom bewonende en gewone grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis bewonen zowel bomen als gebouwen. Voorbeelden van verblijfplaatsen in gebouwen zijn ruimtes in spouwmuren en achter boeiboorden en gevelbetimmering. Holten en spleten in bomen en ruimtes achter loszittend schors zijn voorbeelden van verblijfplaatsen in bomen. Vanuit de verschillende functies van de verblijfplaats worden weer andere eisen gesteld aan bijvoorbeeld het klimaat, de toegankelijkheid en de expositie van het verblijf ten opzichte van de zon. Als kraamverblijfplaats worden meestal gebouwen en/of bomen uitgekozen waarbinnen een constant klimaat heerst. Bij gebouwen zijn dit voornamelijk woningen met een spouwmuur of een geïsoleerd dak. Sommige vleermuizen hebben aan een opening van 1-2 cm voldoende om naar binnen te kruipen. Bij bomen gaat het meestal om dikke, oude bomen met een dikke restwand.
Bomen Binnen het plangebied zijn alleen bomen aanwezig rondom de Lievelderbeek en langs De Stegge ten noorden van het voormalig agrarische perceel. Het betreffen dunne zwarte elzen en lindes rondom de beek met een stamdiameter op borsthoogte van circa 20-40cm. Daarnaast staan langs De Stegge enkele eiken met een stamdiameter van circa 40cm op borsthoogte. Tijdens het realiseren van de plannen zoals beschreven in 2.2 zullen tussen de 5 – 15 zwarte elzen en lindes worden gekapt. Er zijn hierin geen potentieel geschikte verblijfplaatsen aanwezig voor vleermuizen omdat het slechts jonge (dunne) bomen betreft. De aanwezige eiken blijven gehandhaafd. Foerageergebied en vliegroutes Het plangebied is redelijk geschikt als foerageergebied voor vleermuizen. Dit komt door de aanwezigheid van veel landschapselementen afgewisseld met open plekken. Hier zijn luwe zones aanwezig welke vleermuizen graag gebruiken om te foerageren. Naast foerageergebied gebruiken vleermuizen lijnvormige elementen om zich langs te verplaatsen zoals houtwallen en rijlaanbeplanting. De bomen rondom de Lievelderbeek maken mogelijk onderdeel uit van zo’n vliegroute. Dit betreft geen essentiële vliegroute vanwege de mogelijke alternatieven langs De Stegge ten noorden en de Papenweg ten zuiden.
Effecten en ontheffing Alle vleermuissoorten zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming met beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Het opzettelijk verstoren, vangen en doden van individuen van beschermde soorten, alsmede het beschadigen of vernielen van vaste verblijfplaatsen, inclusief de functionele leefomgeving, is verboden vanuit de Wet natuurbescherming. De functionaliteit van de verblijfplaatsen van vleermuizen dienen te allen tijde gegarandeerd te blijven (zie ook kader - Foerageergebieden en vliegroutes). Vanwege het ontbreken van bebouwing en potentieel geschikte holtes in bomen zijn verblijfplaatsen van vleermuizen binnen het plangebied op voorhand uit te sluiten. Met betrekking tot het foerageergebied en de vliegroutes van de vleermuizen zal de herinrichting geen effect hebben op de functionaliteit van het gebied als zodanig. Het kappen van enkele bomen doet geen afbreuk aan het aanwezige foerageergebied of de mogelijke functie als vliegroute. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor vleermuizen niet noodzakelijk.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 18
Kader - Foerageergebieden en vliegroutes Foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd indien bij het verdwijnen ook een verblijfplaats ongeschikt wordt. Bijvoorbeeld door het onderbreken van een vliegroute wordt een foerageergebied onbereikbaar, waardoor de vleermuizen onvoldoende voedsel kunnen vinden. Bij het verdwijnen van foerageergebieden of vliegroutes wordt derhalve onderzocht of er voldoende bereikbare alternatieven zijn. Vleermuizen maken gebruik van lijnvormige landschapselementen zoals bomenrijen en singels om zich langs te verplaatsen. Een aaneengesloten kronendak heeft hierbij de voorkeur. Van vleermuizen is bekend dat onderbrekingen in de lijnstructuur maximaal 100 tot 200 meter mogen bedragen (kleinere en langzaam vliegende soorten 50 meter). Wanneer de onderbrekingen groter zijn dan deze afstand kunnen sommige soorten deze afstand niet overbruggen en zullen ze uitwijken naar alternatieve vliegroutes en foerageergebieden.
5.2.2 Overige zoogdieren Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Op basis van het aanwezige biotoop, sporen, literatuurgegevens en expertise zijn onder andere de volgende algemeen voorkomende zoogdieren binnen het plangebied aanwezig of te verwachten: ree, egel, haas, vos en diverse algemene muizen en spitsmuizen. Deze soorten kunnen het plangebied gebruiken als (onderdeel van hun) leef- en foerageergebied. Daarnaast maken een aantal soorten van het plangebied gebruik als migratieroute. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Naar verwachting komen binnen het plangebied ook enkele soorten voor zonder provinciale vrijstelling op de ontheffingsplicht, het gaat hierbij om soorten als eekhoorn en steenmarter. Dergelijke soorten maken mogelijk van het plangebied gebruik als onderdeel van het foerageergebied (NDFF, 2020). Verblijfplaatsen in de vorm van nesten van eekhoorn en potentieel geschikte verblijfplaatsen (oude schuren, takkenbossen, holtes) voor steenmarter zijn binnen het plangebied niet aangetroffen. Het plangebied maakt ook geen onderdeel uit van het essentiële leefgebied van bovengenoemde soorten gezien de ligging in een groene omgeving.
Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een toename van leefgebied van de genoemde (algemeen) voorkomende zoogdieren met het beschermingsregime “andere soorten”. Het opnieuw laten meanderen van de Lievelderbeek en het verschralen van de voormalige landbouwgrond, zorgen voor een meer divers habitat dan in de huidige situatie het geval is. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Voor steenmarter en eekhoorn, de soorten zonder provinciale vrijstelling die hier kunnen voorkomen geldt dat negatieve effecten op voorhand zijn uit te sluiten. Verblijfplaatsen en essentieel leefgebied zijn ter plaatse niet aanwezig en worden niet verwacht. Een negatief effect op beschermde grondgebonden zoogdieren is daarom uitgesloten. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor grondgebonden zoogdieren niet noodzakelijk.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 19
5.3 Vogels Voorkomen en functie Alle vogels zijn als soort beschermd in de Wet natuurbescherming. Onderscheid wordt gemaakt tussen vogels met jaarrond beschermde nesten, vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving en overige (broed)vogels. Onder de vogels met jaarrond beschermde nesten vallen onder andere soorten die hun nesten ook buiten het broedseizoen gebruiken, soorten die elk jaar op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn en soorten die steeds van hetzelfde nest gebruik maken en niet of nauwelijks zelf een nest kunnen bouwen. Onder de vogels met jaarrond beschermde leefomgeving vallen soorten die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats die zij het jaar daarvoor hebben gebruikt of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Jaarrond beschermde nesten Verblijfplaatsen van vogelsoorten, of aanwijzingen (braakballen of uitwerpselen) hiertoe, die jaarrond van vaste rust- en verblijfplaatsen gebruikmaken zijn niet aangetroffen binnen het plangebied. Er zijn binnen het plangebied geen horsten van roofvogels aanwezig. Daarnaast ontbreekt ook geschikte bebouwing voor gebouw-bewonende soorten als huismus, gierzwaluw, steenuil en kerkuil.
Mogelijk dat enkele soorten met jaarrond beschermde nesten wel van het plangebied gebruik maken als onderdeel van hun leefgebied. Het gaat hierbij om soorten als huismus, steenuil, kerkuil, ransuil, sperwer en buizerd. Jaarrond beschermde functionele leefomgeving In deze situatie zijn enkele vogelsoorten aangetroffen dan wel te verwachten waarvan de functionele leefomgeving jaarrond beschermd is. Het gaat om soorten als zwarte roodstaart, ekster, koolmees, pimpelmees, spreeuw, grote bonte specht, kleine bonte specht en groene specht. Overige (broed)vogels De aangetroffen vogels binnen en direct rondom het plangebied vallen onder de algemene broedvogels van bossen, struwelen en parken. Onder andere de volgende vogelsoorten kunnen gebruikmaken van het plangebied; houtduif, Turkse tortel, zanglijster, grote lijster, merel, roodborst, fitis, tjiftjaf, spotvogel, grasmus, braamsluiper en winterkoning. Effecten en ontheffing Vogels met jaarrond beschermde nesten Van een aantal vogelsoorten zijn de nesten het hele jaar door beschermd. Ook de functionele leefomgeving is daarbij beschermd. Dergelijke nesten en een functionele leefomgeving zijn binnen het plangebied niet aanwezig.
Vogels met jaarrond beschermde functionele leefomgeving Gelet op de beperkte impact van de plannen op het plangebied als zodanig wordt geen negatief effect verwacht op soorten met een jaarrond beschermde functionele leefomgeving. Daarnaast zijn er in de omgeving voldoende alternatieve nestmogelijkheden en leefgebied aanwezig. Genoemde soorten zijn bovendien goed in staat alternatieve nestplaatsen te vinden. Compenserende maatregelen of het aanvragen van een ontheffing is om deze redenen dan ook niet aan de orde. Overige (broed)vogels Alle vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming. Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten,
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 20
rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, alsook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de verstoring niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren kan in veel situaties worden voorkomen dat gehandeld wordt in strijd met deze verbodsbepaling. De periode van 1 maart tot 15 juli wordt over het algemeen beschouwd als broedseizoen 1. Werkzaamheden binnen het broedseizoen zijn mogelijk indien is vastgesteld dat er met deze werkzaamheden geen nesten van broedvogels worden verstoord. Voor de Wet natuurbescherming zijn echter alle bewoonde vogelnesten beschermd, ongeacht het tijdstip van het jaar en ongeacht de zeldzaamheid van de soort. Werkzaamheden met betrekking tot het hermeanderen van de Lievelderbeek, het aanleggen van de voorde en de kap van de zwarte elzen en lindes dient buiten het broedseizoen te gebeuren. Nesten in de bomen of het omliggende braamstruweel zijn op voorhand niet uit te sluiten. Overige werkzaamheden zoals het bouwen van de schuur en het aanplanten van bomen kunnen wel binnen het broedseizoen worden uitgevoerd.
Conclusie: het uitvoeren van werkzaamheden ten behoeve van het hermeanderen van de Lievelderbeek, aanleggen van de voorde en de kap van bomen dienen buiten het broedseizoen te worden uitgevoerd.
5.4 Reptielen Voorkomen en functie Beschermde reptielen, zoals ringslang, gladde slang, levendbarende hagedis en hazelworm, zijn gebonden aan specifieke terreinen. In het plangebied ontbreekt dergelijk geschikt biotoop zoals heideterreinen en venranden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van reptielen in en rondom het plangebied (NDFF, 2020). Effecten en ontheffing Op basis van het aanwezige biotoop kunnen beschermde reptielen worden uitgesloten. Negatieve effecten op reptielen zijn dan ook niet aanwezig. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor reptielen niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor reptielen niet noodzakelijk.
5.5 Amfibieën Voorkomen en functie Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Een aantal soorten zoals bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad en kleine watersalamander kunnen het plangebied gebruiken als landbiotoop. Daarnaast is stromend water over het algemeen niet geschikt als voortplantingshabitat van amfibieën. Afhankelijk van de waterstand zouden de diepe plekken in de beek of de locatie waarop hemelwater wordt geloosd wel geschikt zijn als voortplantingsbiotoop. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde soorten amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, zoals kamsalamander of poelkikker, worden niet verwacht in het plangebied vanwege de aanwezige, ongeschikte habitat voor deze soorten. Zo ontbreken goed ontwikkelde poelen in het plangebied en in de omgeving. Beide soorten overwinteren in nabijheid van deze geschikte voorplantingswateren. Daarnaast zijn er alleen van poelkikker enkele verspreidingsgegevens bekend vanuit de dorpskern van Lievelde (NDFF, 2020).
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
1
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 21
Effecten en ontheffing Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ingreep zal naar verwachting leiden tot een tijdelijk verlies van landbiotoop bij het hermeanderen van de beek. Na de herinrichting van het plangebied zal het leefgebied voor deze soorten met provinciale vrijstelling worden verbeterd. Voor deze beschermde soorten is bij een ruimtelijke inrichting door de provincie Gelderland een vrijstelling van de ontheffingsplicht opgesteld. Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen vrijstelling geldt, kunnen op basis van de aanwezige biotoop worden uitgesloten, waardoor er geen sprake is van negatieve effecten. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor amfibieën niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor amfibieën niet noodzakelijk.
5.6 Vissen Voorkomen en functie Binnen het plangebied is alleen de Lievelderbeek aanwezig welke slechts een gedeelte van het jaar watervoerend is. Ten tijde van het veldbezoek was er alleen water aanwezig op de locatie waar hemelwater werd geloosd. Het kan zijn dat ten tijde van een hoge waterstand er incidenteel vis voorkomt in de Lievelderbeek. Dit zullen enkel niet beschermde vissoorten betreffen zoals tiendoornige stekelbaars. Van beschermde soorten zonder vrijstelling als rivierdonderpad zijn geen waarnemingen bekend in de Lievelderbeek (NDFF, 2020). Daarnaast is geschikt habitat in de vorm van stenig substraat niet aanwezig. Effecten en ontheffing Beschermde vissoorten zijn niet in de Lievelderbeek aanwezig en worden hier ook niet verwacht. Er worden dan ook geen negatieve effecten verwacht. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing Wet natuurbescherming voor vissen is niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde vissen niet noodzakelijk.
5.7 Ongewervelden Voorkomen en functie Van de groep ongewervelden (dagvlinders, libellen, kevers, kreeftachtigen en weekdieren) worden beschermde soorten als gevlekte witsnuitlibel en platte schijfhoorn niet verwacht. Dit door het ontbreken van geschikt habitat dat onder andere bestaat uit plassen en moerasgebieden. Er zijn ook geen verspreidingsgegevens bekend van beschermde ongewervelden in en rondom het plangebied (NDFF, 2020). Effecten en ontheffing In het plangebied zijn geen beschermde ongewervelden aanwezig. Er is geen sprake van negatieve effecten op beschermde ongewervelden. Nader onderzoek of een ontheffing Wet natuurbescherming is voor ongewervelden niet aan de orde. Conclusie: nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde ongewervelden niet noodzakelijk.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 22
6 Conclusie 6.1 Beschermde soorten 6.1.1 Soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt De ontwikkeling zal naar verwachting leiden tot een beperkt verlies van leefgebied van een aantal beschermde soorten waarvoor een provinciale vrijstelling op de ontheffingsplicht geldt. De ingreep heeft geen invloed op de gunstige staat van instandhouding van deze soorten omdat er sprake is van een tijdelijke, en plaatselijke verstoring, er voldoende leefgebied aanwezig blijft en het relatief algemene soorten betreft.
6.1.2 Soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Broedvogels Voor alle beschermde inheemse (ook algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren vernielen of beschadigen, als ook op het wegnemen van nesten van vogels. Daarnaast is het verboden vogels opzettelijk te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. In veel situaties kan dit voorkomen worden door verstorende werkzaamheden buiten het broedseizoen 2 uit te voeren. Werkzaamheden met betrekking tot het hermeanderen van de Lievelderbeek, het aanleggen van de voorde en de kap van de zwarte elzen en lindes dient buiten het broedseizoen te gebeuren. Nesten in de bomen of het omliggende braamstruweel zijn op voorhand niet uit te sluiten. Overige werkzaamheden zoals het bouwen van de schuur en het aanplanten van bomen kunnen wel binnen het broedseizoen worden uitgevoerd.
6.1.3 Algemene zorgplicht Zorgplicht In de Wet natuurbescherming is in artikel 1.11 een omschrijving opgenomen over de algemene zorgplicht. Deze zorgplicht houdt in dat iedereen ‘voldoende zorg’ in acht neemt voor alle in het wild levende dieren en planten, dus ook niet-beschermde soorten, en hun directe leefomgeving. Dit is een algemene verantwoordelijkheid die voor iedereen geldt. Het betekent bijvoorbeeld dat er niet onnodig dieren en planten worden gedood, wanneer er redelijkerwijs een andere oplossing voor is, bijvoorbeeld de dieren te verplaatsen naar een ander gebied.
6.2 Bescherming gebieden Niet stikstof-gerelateerde effecten: De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maken dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden, de invulling van de tussenliggende gebieden en de voorgenomen werkzaamheden is er geen sprake van mogelijk negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Een toetsing op grond van de Wet natuurbescherming van niet stikstof-gerelateerde effecten wordt daarom niet noodzakelijk geacht. Stikstof-gerelateerde effecten
In het kader van de Wet natuurbescherming wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd. Van belang is of een broedgeval verstoord wordt, ongeacht de datum. Globaal gaat het echter om de periode van 1 maart tot 15 juli.
2
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 23
Een AERIUS-berekening is altijd noodzakelijk om de uitstoot en depositie van stikstof, en de gevolgen daarvan op Natura 2000-gebieden te bepalen. Echter is de afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied dusdanig groot en de geplande ontwikkeling dusdanig klein dat een significante stikstofdepositie niet wordt verwacht.
6.3 Bescherming houtopstanden De 5 tot 15 te kappen zwarte elzen en lindes vallen onder een houtopstand van meer dan 10 are. Er moet om deze reden een kapmelding worden gedaan bij het bevoegd gezag, de provincie Gelderland.
6.4 Gelders Natuurnetwerk Het plangebied ligt gedeeltelijk buiten GNN gebied, gedeeltelijk binnen GNN gebied en gedeeltelijk binnen de GO (afbeelding 4). De plannen van de opdrachtgever splitsen zich in verschillende ontwikkelingen: Bouwen schuur Het bouwen van de schuur gebeurt buiten GNN-gebied. Een toetsing aan het GNN-beleid voor het bouwen van de schuur wordt niet noodzakelijk geacht. Realiseren doorsteek Een toetsing aan het NNN-beleid voor het realiseren van de doorsteek door de Lievelderbeek is niet noodzakelijk indien de bomenkap plaatsvindt tussen 1 oktober en 15 maart. Ontwikkelen nieuwe natuur Een toetsing van deze ontwikkeling aan het GNN-beleid wordt niet noodzakelijk geacht omdat de ontwikkeling ten gunste is van natuur. Extensief begrazen Het westen van het agrarisch perceel zal niet worden ingericht met de bestemming natuur. Er is hierdoor geen sprake van een wijziging van het bestemmingsplan, daarnaast is er ook geen sprake van een afname van areaal. Een toetsing aan het GNN-beleid wordt hierom niet noodzakelijk geacht.
6.5 Uitvoerbaarheid van de plannen Mits rekening gehouden wordt met de voorgenoemde maatregelen en werkwijze is geen overtreding van de natuurwetten en natuurbeleid aan de orde. Vanuit de eisen van de natuurbescherming is het plan derhalve uitvoerbaar.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 24
7 Literatuur • •
•
• • •
AERIUS. (2020). AERIUS calculator. Opgehaald van calculator.aerius.nl: https://calculator.aerius.nl/ Bij12. (2020). L01.16 Bossingel. Opgeroepen op 2020, van Bij12.nl: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-enlandschap/landschapselementtypen/l01-groenblauwe-landschapselementen/l01-16-bossingel/ Bij12. (2020). N00.01 Nog om te vormen naar natuur. Opgehaald van Bij12.nl: https://www.bij12.nl/onderwerpen/natuur-en-landschap/index-natuur-en-landschap/natuurtypen/n00natuurtypen/n00-01-nog-om-te-vormen-naar-natuur/ ESRI. (2020). ArcMap. Nederland. NDFF. (2020). uitvoerportaal. Opgehaald van ndff-ecogrid.nl: https://ndff-ecogrid.nl/ Provincie Gelderland. (2020). Kernkwaliteiten GNN GO. Opgehaald van gelderland.maps.arcgis.com: http://gelderland.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=92d4c54aed8147ae8aa704c312f71 9bc
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 25
Bijlage 1 Wettelijk kader natuurwetgeving Bescherming van soorten Zorgplicht De Wet natuurbescherming erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende planten- en diersoorten, of de soort nu beschermd is of niet (= zorgplicht). Deze zorgplicht houdt in dat eenieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wilde levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving. Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld, maar kan door toepassing van bestuursdwang wel worden gehandhaafd. Beschermingsregimes Op het onderdeel soortbescherming deelt de Wet natuurbescherming soorten in drie beschermingsregimes in: 1.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Alle vogels cf. artikel Vogelrichtlijn 2. Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Soorten uit Bijlage IV Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd 3. 3. Beschermingsregime “andere soorten” Soorten die uit nationaal oogpunt bescherming behoeven. Elk van deze beschermingsregimes heeft zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden.
Verbodsbepalingen De Wet natuurbescherming gaat uit van het ‘nee, tenzij-principe’. In de wet worden ten aanzien van de beschermde soorten een aantal verbodsbepalingen genoemd (figuur 1). De verbodsbepalingen zijn gekoppeld aan het beschermingsregime van de soort (resp. Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn of de groep ‘Overige soorten’). Dat betekent dat deze verbodsbepalingen niet overtreden mogen worden, tenzij voor de soort(en): • een vrijstelling geldt; • er gewerkt wordt met een goedgekeurde Gedragscode (feitelijk een collectieve ontheffing); • een ontheffing is verkregen.
3 De brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016 impliceert dat de
bescherming uit de Vogelrichtlijn prevaleert boven de bescherming van vogels uit de verdragen van Bonn en Bern
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 26
Figuur 1. Overzicht verbodsbepalingen Wet Natuurbescherming (bron: brochure ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’, versie 1.3. Ministerie van EZ, december 2016).
Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen (en deze toch te mogen overtreden) via een ontheffing of een vrijstelling moet aan drie criteria worden voldaan: 1. er is geen andere bevredigende oplossing voor de handeling (=alternatievenafweging); 2. de afwijking is gebaseerd op een in de wet genoemd belang (b.v. openbare veiligheid of volksgezondheid); 3. de ingreep of handeling mag geen afbreuk doen aan en/of verslechtering betekenen voor de staat van instandhouding van de soort. Als aan (alle) drie deze vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk in de vorm van een provinciale verordening of een (goedgekeurde) gedragscode. Voorgaand figuur geeft een overzicht van de verbodsbepalingen per beschermingsregime. De verbodsbepalingen voor de groep van overige, ‘nationale’ soorten zijn geïnspireerd op de Habitatrichtlijn en op een aantal punten versoepeld. Zo is het opzettelijk verstoren van beschermde soorten (en hun verblijfplaatsen) uit deze groep van overige soorten niet langer verboden. Wel is het nog steeds verboden om vaste verblijfplaatsen van dieren onder dit beschermingsregime opzettelijk te beschadigen of te vernielen.
Voor vogels geldt dat verstoren niet verboden is als de verstoring maar niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de soort (artikel 3.1, lid 4 en lid 5). Het beschadigen van in gebruik zijnde vogelnesten tijdens het broedseizoen blijft verboden, maar het verstoren dus niet meer, tenzij er sprake is van een wezenlijke invloed op de staat van instandhouding van de specifieke soort(en). Het is aan de initiatiefnemer om zich op de hoogte te (laten) stellen, en waar nodig aan te tonen, dat de op zich verstorende activiteit geen bedreiging vormt voor de staat van instandhouding van de betreffende vogelsoort.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 27
Tot slot geldt het opzettelijk doden of vangen en het verbod om vaste verblijfplaatsen of rustplaatsen opzettelijk te vernielen of beschadigen, niet voor bosmuis, huisspitsmuis of veldmuis in of op gebouwen of de daarbij behorende erven of roerende zaken (artikel 3.10 lid 3). Zie kader – Opzettelijkheid. Kader - Opzettelijkheid In de Wet natuurbescherming is bij meer verbodsbepalingen dan onder de Flora en faunawet het opzetvereiste toegevoegd, in lijn met de artikelen van de Habitatrichtlijn en Vogelrichtlijn. In de Flora en faunawet was alleen sprake van het opzetvereiste bij verontrusting (artikel 10). Hierdoor was de Flora en faunawet strenger dan de verbodsbepalingen van de Habitatrichtlijn. Niet-opzettelijke handelingen waarbij de verbodsbepalingen overtreden worden, zijn nu niet langer verboden. Daar is van belang dat het Europees Hof van Justitie in zijn jurisprudentie heeft bepaald dat onder opzet ook voorwaardelijke opzet moet worden begrepen: “Daarvan is sprake als iemand een handeling verricht en daarbij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat zijn gedragingen schadelijke gevolgen hebben voor een dier of plant….”.
Andere bevredigende oplossing(en) De initiatiefnemer moet aantonen en beargumenteren dat er geen andere bevredigende oplossingen zijn waardoor overtreding van de verbodsbepaling(en) kan worden voorkomen, bijvoorbeeld door planaanpassing of het aanpassen van de uitvoeringsperiode. Het is aan het bevoegd gezag (doorgaans dus de provincie) om de alternatieve oplossingen te beoordelen en hierover te besluiten. De onderbouwing moet gebaseerd zijn op objectieve en controleerbare gegevens. Belangen Voor de soorten die beschermd zijn onder de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn kan alleen ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de in deze richtlijnen genoemde belangen. Voor de groep van overige, nationaal beschermde soorten wordt uitgegaan van de in de Habitatrichtlijn genoemde belangen, plus een aantal aanvullende belangen. In het Kader - Wettelijk Belang wordt een overzicht gegeven van deze belangen. Staat van instandhouding van de soort Tot slot moeten de effecten van de voorgenomen handeling(en) worden beoordeeld aan de staat van instandhouding (SvI) van de soort. Zie ook kader – Staat van instandhouding. De SvI varieert per soort en per handeling, en is niet vastgelegd in de wet. Een handeling op een zeldzame beschermde soort zal eerder leiden tot een negatief effect op de SvI dan bij een algemene soort.
Belangrijk is ook de trend (aantalsontwikkeling) en de ruimtelijke verspreiding van de soort. Bij de beoordeling moet rekening worden gehouden met cumulatieve (versterkende) effecten, bijvoorbeeld door andere handelingen of ontwikkelingen in de omgeving en met reeds verleende ontheffingen voor dezelfde populaties van deze soort(en). Bij de beoordeling mogen compenserende en mitigerende (verzachtende) maatregelen worden betrokken. Het ecologische toetsingscriterium verschilt per beschermingsregime. Om te beoordelen of aan deze criteria wordt voldaan, moet inzicht worden gegeven in: 1. De SvI (van de populatie) van de soort (in zijn natuurlijke verspreidingsgebied). 2. Het effect van de handeling of ontwikkeling op de soort.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 28
Kader - Staat van instandhouding •
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn: “De maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de betreffende soort”.
•
Beschermingsregime soort Habitatrichtlijn: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
•
Beschermingsregime Overige soorten: “Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan”.
Voorkomen van overtreding verbodsbepalingen In sommige situaties kunnen maatregelen worden getroffen waardoor negatieve effecten en overtreding van de verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kunnen worden voorkomen. Bijvoorbeeld door de kap van bomen met broedende vogels uit te stellen tot na de broedtijd. Al kan de boom ook een nest bevatten van een vogelsoort waarbij het nest jaarrond beschermd is, waardoor overtreding niet kan worden voorkomen. Het plannen van werkzaamheden buiten de kwetsbare periode(n) van beschermde soorten is een veel toegepaste maatregel. Andere mogelijkheden om overtreding te voorkomen zijn wellicht het aanpassen van de werkvolgorde, gebruik te maken van andere apparatuur of de werkzaamheden te faseren in ruimte en tijd (zoals in het voorbeeld). Vrijstellingen Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen die leiden tot overtreding van de verbodsbepalingen in de wet. Dit zijn bijvoorbeeld de provinciale vrijstellingen en de gedragscodes. Ook kan er sprake zijn van een vrijstelling als de handeling is opgenomen in een beheerplan voor een Natura 2000gebied of programma in het kader van een programmatische aanpak. Tot slot kan het Rijk voor handelingen en activiteiten waarvoor zij bevoegd gezag is een vrijstelling geven in de vorm van een Ministeriële Regeling.
Vrijstellingen kunnen alleen gelden voor de verbodsbepalingen en de voorwaarden zoals genoemd bij de verschillende beschermingsregimes. Provinciale verordening Provinciale Staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Zo zijn met een provinciale verordening een aantal vooral algemeen voorkomende en beschermde zoogdieren als egel en rosse woelmuis vrijgesteld van de ontheffingsplicht. Door deze mogelijkheid ontstaan echter wel verschillen in de bescherming van soorten tussen de verschillende provincies.
Natuurontwikkeling Papenweg, Lievelde | Eelerwoude | 29
Kader - Wettelijk Belang Voor vogels beschermd onder de Vogelrichtlijn kan ontheffing of vrijstelling worden verleend op grond van de volgende belangen: •
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid;
•
in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer;
•
ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren;