CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp op 't zand toelichting bijlage 13 vormvrije mer

Raadscommissie 8 februari 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Op ‘t Zand 2b Lichtenvoorde en Harreveldseweg 6-8-10 Buitengebied’ en beeldkwaliteitsplan25.184 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

6 kilometer afstand tussen plangebied en Natura2000-gebied

Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied (bron PDOK.nl).

Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:  de leefgebieden van vogels;  de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt.

9

Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Effectbeoordeling Het plangebied ligt op enige afstand van Natura2000-gebied en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties.

4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Gelders Natuurnetwerk of Natura2000. In verband met de ligging buiten het Gelders Natuurnetwerk, hebben de voorgenomen activiteiten geen wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Gelders Natuurnetwerk geen externe werking heeft. Vanwege de lokale invloedsfeer hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura2000.

10

5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting en bureauonderzoek Het plangebied bestaat uit bebouwing, erfverharding, bollenveld en enkele opgaande bomen. Gelet op de aard van het plangebied en de ligging aan de rand van de woonkern Lichtenvoorde, wordt het plangebied als een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten beschouwd, maar is het niet uitgesloten dat de volgende soortgroepen in het plangebied voorkomen:  vogels;  vleermuizen;  grondgebonden zoogdieren;  amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten (kleine vlotvaren), haften (oeveraas) en kreeftachtigen (Europese rivierkreeft) omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van soorten ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en reptielen. 5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 4 december 2018 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht.

Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x60), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet ingezet. Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen:  veldbezoek door ervaren ecoloog;1  aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a.  Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland;  Atlas van de zoogdieren van Nederland;  Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, droog, temperatuur 8⁰C, wind 2 Bft. Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is ongeschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat vogels in deze tijd van het jaar doorgaans geen bezet nest hebben. Sommige standvogels bevinden zich soms nog in de omgeving van de broedplaats, maar de meeste trekvogels hebben de broedplaats al verlaten en zijn vertrokken naar de overwinteringsgebieden. 1

Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEMVT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 11

In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal. Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar deze dieren, maar ongeschikt voor onderzoek naar voortplantingslocaties. Grondgebonden zoogdieren hebben geen zogende jongen in deze tijd van het jaar. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen.

Vleermuizen De onderzoeksperiode is matig geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen omdat de meeste vleermuizen de zomerverblijfplaats verruild hebben voor de winterverblijfplaats, mogelijk op enige afstand van de zomerverblijfplaats (afhankelijk van de soort kan deze afstand tot meer dan honderd kilometer bedragen). Gewone dwergvleermuizen benutten de zomerverblijfplaats soms ook gedurende de wintermaanden (vermoedelijk totdat er strenger winterweer komt waarna ze alsnog verkassen naar een regionale winterverblijfplaats). Deze vleermuizen zitten dan diep weggekropen in hun verblijfplaats en zijn niet gemakkelijk waar te nemen. Dergelijke, goed weggekropen vleermuizen laten ook nauwelijks sporen (zoals uitwerpselen) na, omdat de dieren in lethargie raken en geen uitwerpselen produceren. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen en bomen. Daarbij is gezocht naar aanwijzingen die op de aanwezigheid van een rust- of verblijfplaats duiden, zoals uitwerpselen en prooiresten. Bij de beoordeling van de potentiële geschiktheid van de bebouwing als verblijfplaats wordt onder andere gekeken naar bouwstijl, gebruikte materialen, staat van onderhoud en potentiële invliegopeningen zoals open stootvoegen.

Ook is er gezocht naar potentiële verblijfplaatsen aan de buitenzijde van gebouwen, zoals windveren, vensterluiken en gevelbetimmeringen. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. Amfibieën De onderzoeksperiode is ongeschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. In deze tijd van het jaar bezetten amfibieën normaal gesproken de winterverblijfplaats. Amfibieën kunnen een winterverblijfplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder de strooisellaag, groenafval, takkenbossen en opgeslagen afval en goederen en zijn dan lastig waar te nemen. Soorten als bruine kikker en gewone pad bezetten soms ook een winterrustplaats in toegankelijke gebouwen. Een deel van de amfibieënpopulatie overwintert in de sliblaag van natte landschapselementen, zoals vijvers, poelen, vaarten en sloten. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten.

Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.

12

5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Vogels Het plangebied vormt geschikt leefgebied voor vogels. Vogels benutten de buitenruimte van het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar er nestelen mogelijk ook ieder jaar vogels in de coniferen in het plangebied. Soorten die mogelijk in het plangebied nestelen zijn vink, tjiftjaf, staartmees en merel. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vogels in/aan de gebouwen in het plangebied nestelen. De bouwstijl en staat van onderhoud, maken de gebouwen tot een ongeschikte nestplaats voor vogels. De gebouwen zijn afgesloten en niet toegankelijk als nestplaats en ook niet geschikt als rustplaats voor bijvoorbeeld de kerkuil. Er zijn tijdens het veldbezoek geen huismussen in het plangebied waargenomen. Gelet op het type dakbedekking (golfplaat), worden de schuren ook als een ongeschikte nestplaats voor de huismus beschouwd.

Door het rooien van de coniferen tijdens het voortplantingsseizoen, worden vermoedelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield met als gevolg dat eieren beschadigd of vernield worden en dat (jonge) vogels verwond of gedood worden. Door uitvoering van de voorgenomen plannen blijft de functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels behouden. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als mol, ondergrondse woelmuis, rosse woelmuis, bruine rat, huismuis, huisspitsmuis, bosmuis, egel, steenmarter en bunzing. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar het is niet uitgesloten dat soorten als mol, ondergrondse woelmuis, huismuis, huisspitsmuis, bosmuis en bruine rat een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten. Voorgenoemde soorten kunnen een rusten/of voortplantingslocatie bezetten in gaten en holen in de grond, onder groen(afval), bladeren en opgeslagen goederen. Er zijn in het plangebied geen aanwijzingen gevonden dat de steenmarter er een rust- of voortplantingslocatie bezet.

Geschikte verblijfplaatsen, zoals een rustige zolder of andere holle ruimtes ontbreken in het plangebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en verblijfplaatsen beschadigd en vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied voor grondgebonden zoogdieren blijft behouden. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; - Bouwrijp maken bouwplaats;

13

Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen aanwijzingen, zoals uitwerpselen, gevonden die op de aanwezigheid van een verblijfplaats van vleermuizen duiden. De bebouwing wordt als een ongeschikte verblijfplaats voor vleermuizen beschouwd. Potentiële verblijfplaatsen, zoals een holle ruimte achter vensterluiken, windveren, gevelbetimmeringen en loodslabben ontbreken. Ook beschikken beide loodsen niet over een spouw. De bomen in het plangebied zijn jong en beschikken niet over (natuurlijke) holtes of holle ruimtes achter losse schors. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verstoord, verwond of gedood en worden geen verblijfplaatsen beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren. Op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer in het plangebied, kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als foerageergebied. Gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd.

Mogelijk foerageert een enkele gewone dwergvleermuis of laatvlieger, welke een verblijfplaats bezet in de omgeving van het plangebied, incidenteel rond de bebouwing en de beplanting en vliegen ze over het plangebied terwijl ze foerageren rond de randen en kronen van bomen die net buiten het plangebied staan; zoals de lindenlaanbomen langs de ontsluitingsweg ten oosten van het plangebied. Gelet op de inrichting, het gevoerde beheer en de kleine oppervlakte geschikt foerageergebied, is de betekenis van het plangebied als foerageergebied zeer beperkt. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen. Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats).

Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen.

14

Amfibieën Het veldbezoek is uitgevoerd in de periode van het jaar waarop amfibieën de winterrustplaats bezetten en moeilijk te vinden zijn. Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, behoort het plangebied vermoedelijk tot functioneel leefgebied van sommige algemene- en weinig kritische amfibieënsoorten als gewone pad, bastaardkikker, kleine watersalamander en bruine kikker. Voorgenoemde soorten benutten de buitenruimte vermoedelijk als foerageergebied tijdens de donkere uren van de nacht en bezetten er vermoedelijk ook een (winter)rustplaats. Geschikt voortplantingsbiotoop ontbreekt in het plangebied. Amfibieën kunnen een (winter)rustplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder groen(afval), en andere rommel, zoals houtig materiaal (platen) en plasticfolie. Gelet op de karakteristieken van het plangebied en de ligging van het plangebied op enige afstand van geschikt voortplantingsbiotoop, is de betekenis van het plangebied als functioneel leefgebied gering. Mogelijk benutten jaarlijks enkele individuen het plangebied als functioneel leefgebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield.

De functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Rooien beplanting; - Bouwrijp maken buitenruimte (dalia-akker); Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.

15

5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en de vaste voortplantings- en rustplaatsen van deze soorten opzettelijk beschadigen of vernielen, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Gelderland van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten.

Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.

In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.

16

5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het rooien van beplanting tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van bezette nesten (eieren) en het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is augustus2-februari. De functie van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Beplanting rooien buiten broedtijd; Vleermuizen Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verwond of gedood en worden geen verblijfplaatsen beschadigd of vernield. Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Foerageergebied Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. De huidige betekenis van het plangebied als foerageergebied wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen

2

Hout- en holenduif kunnen bezette nesten hebben tot in november. 17

Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op mogelijke (essentiële) vliegroutes3 van vleermuizen in het plangebied. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk sommige licht beschermde grondgebonden zoogdieren verwond en/of gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingslocaties beschadigd en/of vernield. Voor de grondgebonden zoogdiersoorten die rust- en/of voortplantingslocaties in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd zoals de huismuis, mol en bruine rat) omdat de voorgenomen activiteiten uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd.

Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen. Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk amfibieën verwond en gedood en worden mogelijk (winter)rustplaatsen beschadigd en vernield. Voor de amfibieënsoorten die een (winter)rustplaats in het plangebied bezetten geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. In het kader van de zorgplicht wordt geadviseerd om beplanting te rooien en de rommel en opgeslagen goederen te verwijderen buiten de winterrustperiode van amfibieën.

Zo wordt voorkomen dat amfibieën in winterrust verwond of gedood worden of amfibieën in winterrust verstoord worden (vaak met de dood tot gevolg). Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen (zorgplicht; rekening houden met aanwezige diersoorten tijdens de uitvoering) Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.

3

Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 18

In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep Grondgebonden zoogdieren; foerageergebied Grondgebonden zoogdieren; rust- en voortplantingslocaties

Beschermde soorten planlocatie Diverse soorten

Verbodsbepalingen*

aandachtspunt Geen

Vogels; foerageergebied

Diverse soorten

Vogels; bezette nesten

Diverse soorten

Niet van toepassing, functie is niet beschermd Niet van toepassing; vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling of de soort is niet beschermd (huismuis, mol, bruine rat). Niet van toepassing, functie is niet beschermd Art. 3.1 lid 1, 3.1 lid 2.

Vleermuizen; verblijfplaats en vliegroute Vleermuizen; foerageergebied

Niet aanwezig

Niet van toepassing

Mogelijk diverse soorten

Geen

Amfibieën; voortplantingsbiotoop Amfibieën; foerageergebied en (winter)rustplaats Overige soorten

Niet aanwezig

Niet van toepassing, functie wordt niet aangetast Niet van toepassing Niet van toepassing; functie is niet beschermd Niet van toepassing.

Geen

Diverse soorten

Mogelijk diverse soorten Niet aanwezig

Samenvatting van de wettelijke consequenties.

5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.

19

Geen

Geen Beplanting rooien buiten de voortplantingsperiode Geen

Geen

Geen

6 Conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten4 geldt in Gelderland een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingslocaties te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, amfibieën-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige amfibieënsoorten er een (winter)rustplaats, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en voortplantingsplaats en nestelen er vogels in de beplanting.

Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied, maar benutten het plangebied vermoedelijk wel als foerageergebied. Van de vogelsoorten die in het plangebied nestelen is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren/vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. Voor de grondgebonden zoogdier- en amfibieënsoorten, die een rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd). De functie van het plangebied als foerageergebied voor vogels, amfibieën, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen wordt door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet aangetast. Het plangebied ligt op enige afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Nederland of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming.

Conclusie Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.

4

Zie bijlage 2 van dit rapport 20

Bijlage Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:

21

Bijlage Toelichting Wet Natuurbescherming

2

Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -

-

Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.

Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.

Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.

22

Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.

Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.

Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming

23

Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -

de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.

24

Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Op basis van door PS vastgestelde verordeningen d.d. 12 juli 2018.

25

Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving.

26

27

Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl

28

BIJLAGE 2

Postadres Aladnaweg 18 7122 RR Aalten

Telefoon 0614-435700 0543-451142

Info Info@natuurbankoverijssel.nl www.natuurbankoverijssel.nl

Bank NL48 RABO 0121 5795 73 BTW 10.15.30.766.B.01

Locis Adviseurs t.a.v. R. Aagten Leeuwerikstraat 33 a 7051 XD Varsseveld Datum: Ons kenmerk: Betreft:

1-8-2019 1717C Briefnotitie Quickscan natuurwaardenonderzoek Harreveldseweg 10 te Zieuwent

Addendum, behorende bij rapportnummer 1717 van Natuurbank Overijssel (d.d. 17-4-2019).

Geachte heer Aagten, U

heeft

ons

per

e-mail

op

31

juli

2019

verzocht

een

quickscan

natuurwaardenonderzoek uit te voeren in verband met de sloop van een deel van een varkensstal op een erf aan de Harreveldseweg 10 te Zieuwent. In deze briefnotitie, rapporteren wij onze bevindingen van het uitgevoerde onderzoek. Gelet op de kleine oppervlakte van het onderzoeksgebied (deel van een bestaande stal), rapporteren wij onze bevindingen in een briefnotitie, in plaats van een zelfstandig rapport, zoals U van ons gewend bent te ontvangen. Deze notitie vormt een addendum op het rapport Quickscan natuurwaardenonderzoek Op ’t Zand 2b te Lichtenvoorde (rapportnummer 1717) van Natuurbank Overijssel. Het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied is gesitueerd aan de Harreveldseweg 10 te Zieuwent vormt een deel van een bestaande varkensstal. Deze stal is gebouwd van bakstenen en is gedekt met golfplaten. De stal beschikt over een geïsoleerde spouw en dakisolatie in de vorm van hardschuim isolatieplaten die aan de onderzijde van de gording zijn bevestigd. Op onderstaande

afbeelding

wordt

het

onderzoeksgebied

onderzoeksgebied wordt met de gele lijn aangeduid.

weergegeven.

Het

Met vriendelijke groet,

Verbeelding en begrenzing van het onderzoeksgebied.

Het onderzoek In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 31 juli 2019 tijdens de daglichtperiode (vroege avond) bezocht1. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x50), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt. De

onderzoeksperiode

is

geschikt

voor

het

uitvoeren

van

een

quickscan

natuurwaardenonderzoek. Sommige vogelsoorten bezetten in deze tijd van het jaar geen territorium meer, terwijl er ook nog vogelsoorten zijn, zoals boeren- en huiszwaluw, die nog een bezet nest hebben in deze tijd van het jaar. De meeste vogelsoorten hebben echter uitgevlogen jongen. Verschillende trekvogels hebben de nestplaats al verlaten. Resultaten Het type bebouwing en de goede staat van onderhoud maken het plangebied tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten en een ongeschikt leefgebied voor beschermde diersoorten. De stal is niet toegankelijk voor beschermde diersoorten en er zijn geen potentiële invliegopeningen in de buitengevel waargenomen die vleermuizen de kans bieden een verblijfplaats te bezetten in de spouw. Er zijn geen

1

Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEM-VT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland.

aanwijzingen gevonden dat vogels of grondgebonden zoogdieren (bruine rat of steenmarter) een rust- of voortplantingsplaats bezetten onder de golfplaten. Ervaring heeft geleerd dat vleermuizen stallen die benut worden t.b.v. de intensieve veehouderij, niet benutten als verblijfplaats. Wettelijke consequenties Het slopen van de bebouwing in het onderzoeksgebied leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van de Wet natuurbescherming. Er worden geen beschermde dieren verwond of gedood en er worden geen rust- of voortplantingsplaatsen van beschermde soorten beschadigd of vernield. Het onderzoek is uitgevoerd onder geschikte weersomstandigheden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing verkregen te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in overeenstemming met de Wet natuurbescherming. Ing. P.Leemreise

Bijlage(n): -

foto’s van het plangebied

Bijlage: foto’s van het plangebied

BIJLAGE 3

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase Op ’t Zand 2b te Lichtenvoorde Gemeente Oost Gelre

KSP Archeologie

Colofon Datum Versie Status KSP Rapport Auteur In opdracht van ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie

: : : : : : : : :

4 december 2018 1.0 Niet beoordeeld door bevoegde overheid 18349 E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Locis Advisuers BV, Rob Aagten 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven

:

S.M. Koeman (senior KNA Prospector)

KSP Archeologie Vleugelstraat 15 6922 JM Duiven

www.ksparcheologie.nl info@ksparcheologie.nl 06 43 65 63 85/87

Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.

KSP Archeologie

2

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, karterende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.3 Archeologische indicatoren 3.4 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7

5 6 6 6 6 6 7 11 11 11 13 18 21 22 24 26 26 26 27 27 29 29 29 31

Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Principediagram voor archeologische vondst- en spoorcomplexen en zoekmethoden Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 4 Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied. Met boven de ligging van de geplande nieuwbouw ten opzichte van de huidige bebouwing en onder de geplande inrichting van het perceel (bron: Locis advisuers BV). 7 Figuur 3: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 13 Figuur 4: Het plangebied op de Hottingerkaart uit 1774-1794 (bron: Versfelt 2003). 15 Figuur 5: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 15 Figuur 6: Het plangebied op de kaart uit 1900, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 16 Figuur 7: Het plangebied op de kaart uit 1925, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 16 Figuur 8: Het plangebied op de kaart uit 1975 (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 9: Het plangebied op de kaart uit 1993 (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 10: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Oost Gelre (Roode et al. 2008). 21

Lijst van afbeeldingen

Tabel 1: Overzicht van de onderzoeksmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl). Tabel 2: Archeologische verwachting per periode voor het plangebied.

KSP Archeologie

20 22

3

Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens Periode uitvoering onderzoek

: : : : : : : : : : : :

18349 Locis Advisuers BV, Rob Aagten KSP Archeologie, E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Gemeente Oost gelre Regioarcheoloog van de Omgevingsdienst Achterhoek archeologie@odachterhoek.nl 4653267100 Gelderland Oost gelre Op ’t Zand 2b te Lichtenvoorde x: 234.715 / y: 444.315 Sectie N, nummer 339 November/december 2018

Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).

KSP Archeologie

4

Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de straat Op ’t Zand 2b in Lichtenvoorde (gemeente Oost Gelre). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van twee woningen met bijgebouwen. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging aan de rand van een dekzandrug binnen een zone met dekzandwelvingen en de archeologische onderzoeksmeldingen uit de omgeving is aan het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Op basis van het historisch kaartmateriaal is aan het plangebied een lage verwachting toegekend voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd. Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, karterende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat de oorspronkelijke podzolbodem in het grootste deel van het plangebied is verdwenen (mogelijk is ver- of afgegraven).

Dat er geen plaggendek aanwezig is geweest. Het potentiële archeologische sporenniveau is in de top van de C-horizont (boringen 1,2, 5 en 6) niet meer intact, maar is in de boringen 3 en 4 nog wel intact en aangetroffen op respectievelijk 95 en 80 cm -mv. Tijdens het booronderzoek zijn er geen archeologische resten of indicatoren aangetroffen, die wijzen op de aanwezigheid een vindplaats uit deze periode. Op basis hiervan is de middelhoge verwachting voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum naar beneden bijgesteld alsmede de middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd bij te stellen. Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen en het ontbreken van archeologische indicatoren in het plangebied en daarmee lage archeologische verwachting voor alle perioden adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek.

KSP Archeologie

5

1

Inleiding

1.1

Onderzoekskader

In opdracht van Locis Adviseurs BV heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, karterende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de straat Op ’t Zand 2b in Lichtenvoorde (gemeente Oost Gelre). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van twee woningen met bijgebouwen. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.0) met bijbehorende protocollen (KNA 4.0) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen (Willemse & Kocken 2012 en Normblad archeologisch vooronderzoek, versie 1.2, september 2013). Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 7. 1.2

Afbakening plan- en onderzoeksgebied

Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 3.030 m2 groot en ligt aan de straat Op ’t Zand 2b in Lichtenvoorde (Figuur 1). Het terrein wordt in het noordwesten begrensd door het erf van Op ’t Zand huisnummer 2, in het noordoosten door de straat Op ’t Zand, in het zuidoosten door percelen met bebouwing en in het zuidwesten door een weiland. 1.3

Overheidsbeleid

Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Naar aanleiding hiervan houden gemeenten bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan Woonwijken Lichtenvoorde 2013 van de gemeente Oost-Gelre geldt voor het plangebied de dubbelbestemming Waarde – Archeologische Verwachtingswaarde 2 (hoge verwachting met een plaggendek op de gemeentelijke archeologische beleidskaart). Dit betekent dat bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,3 m archeologisch onderzoek noodzakelijk is. Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch noodzakelijk. Op basis van de hoge verwachting, de richtlijnen van de gemeente en het relatief kleine oppervlak van de locatie is gekozen voor een gecombineerd bureau- en karterend booronderzoek. 1.4

Toekomstige situatie

Binnen het plangebied zullen twee nieuwe woningen met bijgebouwen worden gebouwd (Figuur 2). De exacte aard en omvang van de toekomstige bodemverstoring is nog niet bekend, maar uit de tekening kan worden afgeleid dat de woningen elk een oppervlakte krijgen van ca. 150 m2 en de bijgebouwen elk een oppervlakte van ca. 72 m2. Uitgaande van de aanleg van bouwputten zal de bodem voor de fundering tot ca. 1,0 m beneden maaiveld worden uitgegraven. Voor zover bekend is binnen het plangebied geen bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne.

KSP Archeologie

6

Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen.

Figuur 2: Toekomstige situatie binnen het plangebied. Met boven de ligging van de geplande nieuwbouw ten opzichte van de huidige bebouwing en onder de geplande inrichting van het perceel (bron: Locis advisuers BV).

1.5

Onderzoeksdoel en vraagstellingen

De opdrachtgever heeft geen specifieke doelen en wensen ten aanzien van de uitvoering van het archeologisch onderzoek, anders dan de standaard doelstellingen zoals hieronder geformuleerd.

KSP Archeologie

7

Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn door de Omgevingsdienst Achterhoek dertien onderzoeksvragen verplicht gesteld (Normblad archeologisch vooronderzoek, versie 1.2, september 2013). Vanwege de uitgebreide vraagstelling wordt bij de paragrafen in hoofdstuk 2 aangegeven welke onderzoeksvragen in de betreffende paragraaf worden beantwoord. 1.

2. 3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging en c) ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in het omringende gebied (binnen een afstand tot ca. 200 m van de onderzoekslocatie) en in de ondiepe ondergrond? d) Hoe dik is de holocene deklaag? Wat is a) de aard (ontstaanswijze en classificatie) b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten in het omringende gebied? Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van eventueel aanwezige antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.) in het omringende gebied? Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) dikte, en c) omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? Wat is het historisch landgebruik van de onderzoekslocatie en het omringende gebied geweest, uitgaande van a) de Hottingerkaart, b) het Kadastraal minuutplan, c) de Topografisch Militaire Kaart 1850 en d) het Bonneblad? Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek uit 5) zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom de onderzoekslocatie bekend? Vermeld per vondsten/of spoorcomplex minimaal: a)

bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens), b) de materiaalcategorieën, c) ouderdom, d) ruimtelijke (geografische) verspreiding, e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag), f) fragmentatie, g) waarnemingsmethode, h) interpretatie, dat wil zeggen zowel systemisch (indien redelijkerwijs uit de gegevens af te leiden) als volgens het principediagram in figuur 2 op pagina 52 (zo gespecificeerd mogelijk (top-down typering) op basis van de waarnemingen). Gegeven 1 tot en met 4; met welke (primaire) natuurlijke formatieprocessen (fasen van sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied? Gegeven 5 en 6; met welke (primaire) culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-] constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied [inclusief (sub)recente bodemverstoring als gevolg van (sub)recent landgebruik/inrichting]? Gegeven 7 en 8; welke kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming (geografisch en stratigrafisch) van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus (stratigrafisch), en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? Wat is de aard (mobilia [materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden], immobilia,

ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen?

KSP Archeologie

8

11. 12. 13.

Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek (prospectiekenmerken, geografisch en stratigrafisch)? Welke vondst- en/of spoorcomplexen (conform het principediagram) kunnen binnen het onderzoeksgebied aangetoond worden? Licht beargumenteerd toe. Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategieën) kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen (indicatoren) systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden.

Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor goed uitgevoerd archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een karterend onderzoek.

Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. De Omgevingsdienst Achterhoek heeft vijf onderzoeksvragen verplicht gesteld voor het verkennend veldonderzoek (Normblad archeologisch vooronderzoek, versie 1.2, september 2013). Deze vragen worden in paragraaf 3.2 van hoofdstuk 3 beantwoord. 14.

15.

16.

17.

18.

Wat is a) de aard (ontstaanswijze, textuur, kleur), b) diepteligging en c) ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in de ondiepe ondergrond ter plaatse van het onderzoeksgebied? d) hoe dik is de holocene deklaag? Wat is a) de aard (kleur, textuur, samenstelling), b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van natuurlijke en eventueel antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.), ter plaatse van het onderzoeksgebied? Wat is a) de aard, b) dikte en c) omvang van eventueel ter plaatse van het onderzoeksgebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? Indien er afdekkende lagen voorkomen; wat is a) de aard (ontstaanswijze, kleur, textuur, samenstelling), b) gaafheid en c) dikte van het onderliggende afgedekte bodemprofiel (natuurlijke en antropogene bodemhorizonten zoals oude akkerlagen) en/of afzettingen? Wat is a) de diepte tot waarop artefacten van recente ouderdom (‘modern’ afvalmateriaal) in het bodemprofiel voorkomen en/of b) tot welke diepte in het bodemprofiel is sprake van een ‘recente’ bodemverstoring (bodemgaafheid)?

In aanvulling hierop heeft de Omgevingsdienst Achterhoek negen onderzoeksvragen opgesteld voor het karterend veldonderzoek die, indien relevant, beantwoord moeten worden (Normblad archeologisch

KSP Archeologie

9

vooronderzoek, versie 1.2, september 2013). Vanwege de uitgebreide vraagstelling wordt bij de paragrafen in hoofdstuk 3 en 4 aangegeven welke onderzoeksvragen in de betreffende paragraaf worden beantwoord. 19.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11091266/1