CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp oostendorperdiek zienswijzennota

Raadscommissie 28 april 2026, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Oostendorperdiek 19, 21 en 21a te Groenlo6.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Zienswijzennota Oostendorperdiek 19,21,21a, Groenlo 1. Inleiding In het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan heeft het ontwerpbestemmingsplan “Oostendorperdiek 19, 21 en 21a Groenlo” van 29 december 2023 tot en met 8 februari 2024 voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens voornoemde termijn kon een ieder schriftelijk of mondeling een zienswijze indienen. Een zienswijze is tijdig ingediend wanneer zij voor het einde van de termijn van terinzagelegging van de stukken is verzonden. De datum van de poststempel is hierbij bepalend. De termijn liep tot en met 8 februari 2024. Eind 2023 was er nog enige discussie of het aspect geur voldoende onderbouwd is. Het was toen helder dat er nog nader onderzoek moest plaatsvinden. Vanwege de komst van de omgevingswet op 1 januari 2024 is het plan toch ter inzage gelegd. Het nadere onderzoek en de controle ervan door de ODA heeft de nodige tijd in beslag genomen. Vandaar dat het plan nu pas voorgelegd wordt aan de raad. Naar aanleiding van het ter inzage leggen van de stukken zijn 5 zienswijzen ontvangen. Het betreffen schriftelijke zienswijzen. De zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn (ontvankelijkheidstoets) ingediend. De zienswijzen zijn ontvangen op 7 februari (zienswijze 1), 30 januari (zienswijze 2), 18 januari (zienswijze 3 en 4) en 5 februari (zienswijze 5).

In hoofdstuk 2 zijn de ingekomen zienswijzen naar aard en inhoud samengevat weergegeven. De gemeentelijke reactie op de zienswijzen is direct na het betreffende onderdeel van de zienswijzen opgenomen. In hoofdstuk 3 zijn wijzigingen in de toelichting weergeven. In hoofdstuk 4 zijn de wijzigingen in de regels weergegeven In hoofdstuk 5 zijn de wijzigingen in de verbeelding weergegeven

2. Inhoud en beantwoording zienswijzen Zienswijze 1 (schriftelijk ingekomen op 7 februari 2024) Belanghebbende heeft een zienswijze ingediend welke schriftelijk op 7 februari 2024 door de gemeente Oost Gelre is ontvangen. De ingebrachte zienswijze is binnen de daarvoor gestelde termijn ingekomen en derhalve ontvankelijk. De zienswijze is ingediend door omwonenden uit de omgeving van het plangebied. De omwonenden zijn ca. 80 meter van het plangebied woonachtig. In het algemeen wordt in de zienswijze gesteld dat met de belangen van deze omwonenden onvoldoende tot geen rekening is gehouden bij het opstellen van het ontwerpbestemmingsplan. De omwonenden zijn van mening dat de initiatiefnemer de omgeving niet voldoende heeft betrokken bij de planvorming. Daarnaast is men niet tevreden met de uitkomsten van de informatieavond die op 13 januari 2024 plaatsvond. Men heeft last van stankoverlast als gevolg van de productie van visvoer. Ook wordt er gevreesd voor een toename van de hoeveelheid verkeer. Men heeft geen vertrouwen in de door initiatiefnemer aangeleverde gegevens. De zienswijze is opgedeeld in verschillende punten. Deze verdeling wordt gehanteerd in de beantwoording die hieronder volgt. Informeren omwonenden De zienswijze stelt dat de initiatiefnemer de omwonenden onvoldoende heeft betrokken bij zijn plannen. Het volgende wordt hierover opgemerkt. 1.

In paragraaf 7.2 van de aanvraag bestemmingsplanwijziging geeft de initiatiefnemer aan dat hij de plannen aan de buurt bekend heeft gemaakt en dat hier geen vernieuwende inzichten of problemen naar voren zijn gekomen. Dit is niet het geval, wij zijn op geen enkele wijze voorafgaand aan het indienen geïnformeerd door de initiatiefnemer. Reactie Participatie is niet verplicht en het niet uitvoeren van participatie is geen reden om een (ontwerp)bestemmingsplan niet vrij te geven voor terinzagelegging. Om die reden is het ontwerpbestemmingsplan vrijgegeven zonder dat hiervoor participatie heeft plaatsgevonden. Wij begrijpen dat u de participatie liever vóór de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan had gezien. Tijdens de terinzageleggingstermijn heeft wel een bijeenkomst plaatsvonden. Deze bijeenkomst heeft plaatsgevonden op 13 januari 2024. De initiatiefnemer heeft de gemeente geïnformeerd over hoe deze bijeenkomst is verlopen. In het verslag is aangegeven dat de uitwerking op enkele punten wordt aangepast. Deze wijzigingen zijn als ambtshalve wijzigingen opgenomen. 2. We zijn niet tevreden met de antwoorden die we kregen tijdens de informatieavond van 13 januari 2024 en hebben er ook geen vertrouwen in dat er in de toekomst geen stankoverlast gaat zijn.

In het verslag staat: “De lijn richting afschaling van intensiteit, van intensieve naar extensieve veehouderij wordt gezien als een positieve ontwikkeling. Het geureffect van deze afname en t.o.v. de 23 kg vismeel die gedroogd gaat worden per uur, zette zaken in goed perspectief, alsmede het plan om de boerderij kamers op luttele meters afstand van de schuur met de drooginstallatie te realiseren geeft vertrouwen in een goede waarborging van het geureffect, vanwege wederzijdse belangen.” Wij ervaren dit niet als een positieve ontwikkeling en we hebben geen vertrouwen in een goede waarborging van het geureffect. Reactie Het aspect geur heeft ook onze zorg. De voorgestelde werkwijze komt niet veel voor in Nederland en dat vraagt om een zorgvuldige behandeling. Het leveren van voldoende gegevens heeft enige tijd in beslag genomen en dat is ook de reden dat het twee jaar duurt voordat de raad over kan gaan tot vaststelling. Door het geuradviesbureau Olfasense is in overleg met de ODA een onderzoek gedaan naar het effect van de kleinschalige vissenvoerproductie wat betreft geur. In dit geurrapport is gerekend met een ‘worst case-scenario’. Er is gerekende met een ‘worst

2

case’ geuremissie. De ODA heeft het definitieve rapport van 1 september 2025 beoordeeld en komt met het volgende advies: Advies Op basis van een ‘worst case-scenario’ kan worden aangetoond dat het bedrijf, door het treffen van voorzieningen kan voldoen aan de normstelling voor geur, zoals deze volgt uit het Gelders geurbeleid. Gelet op de (onvermijdbare) onzekerheden in de berekeningen, wordt aanbevolen om in middels maatwerkvoorschriften nadere regels op te leggen ten aanzien van de aangevraagde bedrijfsvoering. Aangezien het een vergunningplichtig bedrijf betreft, zullen deze worden opgenomen bij de procedure voor de Omgevingsvergunning milieu van dit bedrijf. Wanneer wordt besloten om medewerking te verlenen aan het initiatief, wordt geadviseerd om de voorgestelde voorwaarden op te nemen in de uiteindelijke beschikking. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het deel ten aanzien van de maatwerkvoorschriften van toepassing is voor de vergunningverlening en niet voor deze ruimtelijke procedure. Dit advies geeft wat ons betreft voldoende waarborgen om het bestemmingplan vast te stellen. Het geurrapport van Olfasense over de visvoerproductie en het advies van de ODA zijn als bijlage 8 bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen. Stankoverlast door productie van visvoer 3. De initiatiefnemer heeft in het verleden vaker visvoer geproduceerd.

Dit zorgde voor een grote stankoverlast. De geur is zo indringend dat het misselijkmakend is. Hierdoor kunnen we, als hij visvoer aan het produceren is, niet buiten zitten door de stank. Daarnaast hebben we regelmatig de was opnieuw moeten wassen en kunnen we geen raampje openzetten. We zijn van mening dat de gemeente eerst uitgebreid onderzoek moet doen naar deze stankoverlast. Hoe gaat de gemeente handhaven dat de productie van visvoer alleen voor eigen gebruik is? De initiatiefnemer heeft aangegeven dat ze in de toekomst visvoer willen gaan produceren voor andere viskwekerijen. Reactie Zie de reactie bij punt 2

Toename verkeer 4. Deze plannen zullen zorgen voor meer verkeer in de straat door de recreatie van de 11 boerderijkamers en door de bezoekers van de demonstratieruimte. Reactie Er zal weliswaar een kleine toename in de verkeersbewegingen van lichte voertuigen zijn. Daartegen neemt door het staken van de intensieve veehouderij het aantal vervoersbewegingen van zware voertuigen af. De Oostendorperdiek en overige wegen in de omgeving beschikken over voldoende capaciteit om de extra verkeersbewegingen als gevolg van de plannen aan te kunnen. Vertrouwen in de aangeleverde gegevens 5. We hebben geen vertrouwen in de juistheid en de betrouwbaarheid van de aangeleverde gegevens. We vragen de gemeente dan ook om hier extra goed naar te kijken. Reactie Gezien de rest van de reactie gaan wij ervan uit deze opmerking met name betrekking heeft op het aspect geur. Zoals aangegeven onder punt 2 heeft dit tot een nadere onderbouwing geleid waarop de ODA uiteindelijk positief advies heeft afgegeven.

3

Zienswijze 2 (schriftelijk ingekomen op 30 januari 2024) Belanghebbende heeft een zienswijze ingediend welke schriftelijk op 30 januari 2024 door de gemeente Oost Gelre is ontvangen. De ingebrachte zienswijze is binnen de daarvoor gestelde termijn ingekomen en derhalve ontvankelijk. De zienswijze is ingediend door omwonenden uit de omgeving van het plangebied. De omwonenden zijn ca. 130 meter en 1200 meter van het plangebied woonachtig. In het algemeen wordt in de zienswijze gesteld dat men het oneens is met een aantal zaken uit het ontwerpbestemmingsplan. Men geeft aan dat er grond wordt betrokken bij het plan welke niet in eigendom is. Daarnaast is men van mening dat de ontwikkeling de bedrijfsvoering van Oostendorperdiek 23 in de weg zit. Men vindt dat het bedrijf onder de categorie Voederfabrieken moet vallen. Daarnaast is men van mening dat de buurt niet voldoende is betroken bij het planproces. De zienswijze is opgedeeld in verschillende punten. Deze verdeling wordt gehanteerd in de beantwoording die hieronder volgt. Eigendom grond 1. In het landschappelijk inpassingsplan wordt een stuk grond meegenomen dat niet in bezit is van de initiatiefnemer. De grond is van een andere buurman en er is geen contact met hem geweest. Deze buurman is niet genegen om zijn grond te verkopen aan de initiatiefnemer.

Hierdoor voldoet de landschappelijke inpassing al helemaal niet aan de voorwaarden. Reactie Zoals tijdens de informatiebijeenkomst van 13 januari 2024 is aangegeven, wordt de afbeelding waarop onjuiste erfgrenzen zijn weergegeven aangepast. Deze aanpassing heeft plaatsgevonden. Bij de toelichting en regels is als bijlage het aangepaste erfinpassingsplan gevoegd met de correcte kadastrale grenzen. Beperkingen bedrijfsvoering 2. Voor Oostendorperdiek 23 wordt een aanname gedaan dat er in de toekomst niet wordt uitgebreid en hierdoor de afstand van 100 meter op dit moment voldoende is. Dit is niet overlegd met het bedrijf. Het afgeven van de omgevingsvergunning zorgt ervoor dat er in de toekomst extra beperkingen bijkomen die de bedrijfsvoering negatief kunnen beïnvloeden. Reactie Zoals tijdens de informatiebijeenkomst van 13 januari 2024 is aangegeven, wordt de zinsnede waarin deze aanname wordt gedaan verwijderd. Bij de planvorming is rekening gehouden met alle omliggende bedrijven. Stankoverlast 3. Het bedrijf moet onder de categorie Voederfabrieken en conform de daarvoor geldende regels vallen. a. Er is veel meer visvoer nodig dan wordt omschreven in de toelichting bij het bestemmingsplan. Wanneer de initiatiefnemer voer mag produceren voor eigen gebruik, betekent dit dat hij 5 keer zo veel voer mag produceren als dat hij zelf aangeeft.

Dit komt neer op 4250 ton in plaats van 850 ton aan vis bijproducten dat gebruikt mag worden om in de eigen voerproductie te kunnen voorzien. Dit zal zorgen voor stankoverlast. Reactie Er wordt in de beoogde opzet maximaal 200 ton vis gekweekt. Om eigen voer te maken voor deze hoeveelheid te kweken vis wordt op jaarbasis 850 ton natte vis bijproducten ingenomen en samen met 100 ton mais verwerkt. Er is sprake van een kleinschalige visvoerproductie voor de eigen viskwekerij. Met deze capaciteit valt het bedrijf niet onder de categorie Veevoederfabrieken. Het onderdeel geur heeft ook onze nadrukkelijke aandacht gehad. Daarom hebben wij de ODA om advies gevraagd. Door het geuradviesbureau Olfasense is in overleg met de ODA een onderzoek gedaan naar het effect van de kleinschalige vissenvoerproductie wat betreft geur. In dit geurrapport is gerekend met een ‘worst case-scenario’. De ODA heeft het definitieve rapport van 1 september 2025 beoordeeld en komt met het volgende advies:

4

Advies Op basis van een ‘worst case-scenario’ kan worden aangetoond dat het bedrijf, door het treffen van voorzieningen kan voldoen aan de normstelling voor geur, zoals deze volgt uit het Gelders geurbeleid. Gelet op de (onvermijdbare) onzekerheden in de berekeningen, wordt aanbevolen om in middels maatwerkvoorschriften nadere regels op te leggen ten aanzien van de aangevraagde bedrijfsvoering. Aangezien het een vergunningplichtig bedrijf betreft, zullen deze worden opgenomen bij de procedure voor de Omgevingsvergunning milieu van dit bedrijf. Wanneer wordt besloten om medewerking te verlenen aan het initiatief, wordt geadviseerd om de voorgestelde voorwaarden op te nemen in de uiteindelijke beschikking. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het deel ten aanzien van de maatwerkvoorschriften van toepassing is voor de vergunningverlening en niet voor deze ruimtelijke procedure. Dit advies geeft wat ons betreft voldoende waarborgen om het bestemmingplan vast te stellen. Het geurrapport van Olfasense over de visvoerproductie en het advies van de ODA zijn als bijlage 8 bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen. b. Er zijn twijfels of initiatiefnemer alleen voer zal gaan produceren voor zijn eigen bedrijf. Reactie In de beoogde opzet is alleen sprake van het maken van visvoer voor eigen bedrijf. Dit is ook alleen maar als zodanig toegestaan binnen de huidige bestemming.

Het bedrijf hiervoor ook een omgevingsvergunning milieu nodig. In deze vergunning zal de maximale productie worden vastgelegd. 4. Op het adres Oostendorperdiek 6a wordt een vakantiehuis verhuurd. Door stankoverlast is de kans groot dat dit de bezetting van de vakantiewoning op negatieve wijze gaat beïnvloeden. De geur is vele malen indringender en extreem veel hinderlijker dan de geur van andere bedrijven in de omgeving. Hierdoor heeft het veel meer impact op de mensen die in de omgeving verblijven. Reactie Een vakantiewoning is geen geurgevoelig object. Er is geen sprake van permanente bewoning van de vakantiewoning waardoor men niet langdurig wordt blootgesteld aan geurhinder. Ten overvloede merken wij op dat uit het geuronderzoek blijkt dat op de dichtst bijgelegen woningen wordt voldaan aan het Gelders Geurbeleid. De dichtst bijgelegen woningen liggen op een kortere afstand dan de vakantiewoning. Om die reden hoeft niet voor geurhinder worden gevreesd. Informeren omwonenden 5. De initiatiefnemer heeft de buurt niet geïnformeerd betreffende de bestemmingsplanwijziging en er is zeker niet gevraagd naar nieuwe inzichten of problemen die buurtbewoners zouden hebben. De buurt heeft pas via de bekendmaking in het plaatselijk nieuwsblad vernomen dat er een ontwerp omgevingsvergunning door de gemeente Oost Gelre is afgegeven.

De bijeenkomst op 13 januari 2024 heeft niet gebracht wat de buren er van hadden verwacht, de argwaan is alleen maar groter geworden. Reactie Participatie is niet verplicht en het niet uitvoeren van participatie is geen reden om een (ontwerp)bestemmingsplan niet vrij te geven voor terinzagelegging. Om die reden is het ontwerpbestemmingsplan vrijgegeven zonder dat hiervoor participatie heeft plaatsgevonden. Wij begrijpen dat u de participatie liever vóór de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan had gezien. Tijdens de terinzageleggingstermijn heeft wel een bijeenkomst plaatsvonden. De initiatiefnemer heeft de gemeente geïnformeerd over hoe deze bijeenkomst is verlopen. Er zijn tijdens de bijeenkomst op 13 januari 2024 enkele afspraken gemaakt. De gemaakte afspraken hebben geleid tot enkele aanpassingen die ambtshalve zijn meegenomen in het plan. Vertrouwen in aangeleverde gegevens

5

6. Wij hebben ernstige twijfels aan de juistheid en betrouwbaarheid van de door initiatiefnemer aangeleverde gegevens. De vrees is dat er een herhaling gaat plaatsvinden zoals initiatiefnemer heeft veroorzaakt op het voormalige adres van zijn bedrijf aan de Blokstegenweg 3a in Azelo. In de media is terug te lezen dat initiatiefnemer diverse malen gerechtelijk is gewezen op het niet naleven van de regels. Reactie Mede vanwege de zorg om een zorgvuldige aanlevering van stukken en beoordeling ervan is de ODA ingeschakeld om deze gegevens te controleren. Bij punt 3 staat aangegeven wat het advies is van de ODA. Met dit advies en de te stellen voorwaarden verwachten wij voldoende zekerheden te hebben voor de toekomst van de locatie.

6

Zienswijze 3 (schriftelijk ingekomen op 18 januari 2024) Belanghebbende heeft een zienswijze ingediend welke schriftelijk op 18 januari 2024 door de gemeente Oost Gelre is ontvangen. De ingebrachte zienswijze is binnen de daarvoor gestelde termijn ingekomen en derhalve ontvankelijk. De zienswijze is in 3 delen ontvangen door de gemeente Oost Gelre, maar wordt gezien als één zienswijze. De zienswijze is ingediend door een omwonende uit de omgeving van het plangebied. De omwonende is ca. 175 meter van het plangebied woonachtig. In het algemeen wordt in de zienswijze gesteld dat er bezwaar is tegen de geurhinder en de waarborging van het ontwerpbestemmingsplan. Geurhinder 1. Er is geuroverlast te verwachten door het niet goed reinigen of verwerken van afvalwater en mest van visproductie. Dit komt door: • Mest in spoelwater • Logen en zuren die gebruikt worden in visafval dat aangeleverd wordt om vismeel van te maken • Geneesmiddelen die tijdens productie via water of voer toegediend worden • Mest opslag Er kan vanuit gegaan worden dat er bij 1000 ton aan kweekvis op jaarbasis ook tonnen aan mest geproduceerd wordt. Bijlage: ‘Geneesmiddelen voor kweekvis’ (Expertisecentrum LNV, Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij): “Als kweekvis moet worden gemedicineerd, wordt over het algemeen een badbehandeling toegepast.

De vissen verblijven dan afhankelijk van de aandoening enkele uren tot 24 uur in het gemedicineerde water. De dosering van wateroplosbare medicijnen is gebaseerd op orale opname van de werkzame stof en de daarmee samenhangende biologische beschikbaarheid. Het is niet bekend óf en in hoeverre kweekvis het medicijn opneemt.” Reactie Er wordt verwezen naar een bijlage ‘Geneesmiddelen voor kweekvis’. Het hierin opgenomen medicijngebruik is niet aan de orde. In de toegestane en beoogde situatie verandert de kweekmethode niet. Feitelijk staat dit buiten deze procedure, maar wij hechten er aan om deze zorg weg te nemen. Zowel in de toegestane als beoogde situatie wordt gebruik gemaakt van een water recirculatiesysteem. Het water in de viskwekerij wordt intern gezuiverd en hergebruikt. Medicijngebruik zal het evenwicht in het water verstoren waardoor de vissen zichzelf vergiftigen omdat hun afvalstoffen niet meer kunnen worden afgebroken wat zal leiden tot sterfte. De vrees is om voornoemde redenen onterecht. Het onderdeel geur heeft ook onze nadrukkelijke aandacht gehad. Daarom hebben wij de ODA om advies gevraagd. Door het geuradviesbureau Olfasense is in overleg met de ODA een onderzoek gedaan naar het effect van de kleinschalige vissenvoerproductie wat betreft geur. In dit geurrapport is gerekend met een ‘worst case-scenario’. Er is gerekende met een ‘worst case’ geuremissie.

De ODA heeft het definitieve rapport van 1 september 2025 beoordeeld en komt met het volgende advies: Advies Op basis van een ‘worst case-scenario’ kan worden aangetoond dat het bedrijf, door het treffen van voorzieningen kan voldoen aan de normstelling voor geur, zoals deze volgt uit het Gelders geurbeleid. Gelet op de (onvermijdbare) onzekerheden in de berekeningen, wordt aanbevolen om in middels maatwerkvoorschriften nadere regels op te leggen ten aanzien van de aangevraagde bedrijfsvoering. Aangezien het een vergunningplichtig bedrijf betreft, zullen deze worden opgenomen bij de procedure voor de Omgevingsvergunning milieu van dit bedrijf. Wanneer wordt besloten om medewerking te verlenen aan het initiatief, wordt geadviseerd om de voorgestelde voorwaarden op te nemen in de uiteindelijke beschikking.

7

Hierbij dient opgemerkt te worden dat het deel ten aanzien van de maatwerkvoorschriften van toepassing is voor de vergunningverlening en niet voor deze ruimtelijke procedure. Daaruit herleiden wij dat de productie op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden 2. Er is bezwaar tegen de geurhinder die we zullen ondervinden door de productie van vismeel. 4.1 Milieueffectrapportage en Ruimtelijke planvorming De nieuwe activiteit, zijnde het vervaardigen van vismeel vindt plaats op ‘Boerderijschaal’. Er wordt alleen voer geproduceerd voor de bestaande viskwekerij. Om voldoende visvoer voor de eigen viskwekerij te vervaardigen wordt 850 ton vis bijproducten per jaar gedroogd tot 200 ton vismeel, en vervolgens samen met 100 ton mais geperst tot voerkorrels. Bijlage 1: ‘Verkenning sturingsinstrumenten agrarisch stankbeleid’ (Expertisecentrum LNV, Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit): “Sommige bijproducten (zoals uiensap en vismeel) leveren duidelijke stankproblemen op. Men kan bij voorbaat het gebruik van zulke producten verbieden, of bijvoorbeeld bij spoelsystemen verplicht apparatuur laten installeren die piekemissies wegvangt.” “Stankproblemen oplossen is een overheidstaak. De overheid zou doelvoorschriften (normen) moeten stellen, geen middelvoorschriften. Er zijn voldoende technische mogelijkheden om een lagere geuremissie te realiseren.

Het begrip alara is de open, werk daarom liever met het begrip Best Available Technics (BAT), omdat hierin alara in feite al verwerkt is. De nieuwe stankwet kan geïmplementeerd worden door veehouderij-breed doelvoorschriften op te stellen. De sector moet dan zelf maatregelen treffen om voor piekbelasting, opslag mest en natte bijproducten, etc. het emissiedoel te realiseren.” Bijlage 2:

Reactie Zie hiervoor de reactie op punt 1. Waarborging ontwerpbestemmingsplan 3. Hoe gaat de gemeente Oost Gelre bij vaststelling van het bestemmingsplan waarborgen dat alles volgens afgegeven bestemmingsplan gaat? En dat de buren en gemeente niet in dezelfde situatie komen zoals bij zijn voorgaande bedrijf in Twente. Gezien uitspraak in van de kwestie Woolderink van hoogleraar bestuursrecht Herman Bröring van de Rijksuniversiteit Groningen afgelopen jaar. Reactie Een bestemmingsplan is toelatingsplanologie en geen verplichtingsplanologie. Ofwel het bestemmingsplan geeft de maximale mogelijkheden aan. Naast de bestemmingsplanprocedure is er voor de gevraagde activiteiten een omgevingsvergunning voor de activiteit milieu nodig. De

8

ODA heeft geadviseerd om in deze procedure de maximale capaciteit vast te leggen. Daarmee is voldoende geborgd dat initiatiefnemer zich moet houden aan kaders en regels.

9

Zienswijze 4 (schriftelijk ingekomen op 18 januari 2024) Belanghebbende heeft een zienswijze ingediend welke schriftelijk op 18 januari 2024 door de gemeente Oost Gelre is ontvangen. De ingebrachte zienswijze is binnen de daarvoor gestelde termijn ingekomen en derhalve ontvankelijk. De zienswijze is ingediend door een omwonende uit de omgeving van het plangebied. De omwonende is ca. 150 meter van het plangebied woonachtig. In het algemeen wordt in de zienswijze gesteld dat er bezwaar is tegen de geurhinder. Geurhinder 1. Er is bezwaar tegen het vervaardigen van vismeel en de geur die hierdoor veroorzaakt wordt. De afgelopen 3 jaar moest de was geregeld opnieuw gewassen worden en was buiten zitten in de zomer soms niet mogelijk door de geur. Voordat de testinstallatie voor vismeel geplaatst werd was deze geurhinder er niet. Reactie Het onderdeel geur heeft ook onze nadrukkelijke aandacht gehad. Door het geuradviesbureau Olfasense is in overleg met de ODA een onderzoek gedaan naar het effect van de kleinschalige vissenvoerproductie wat betreft geur. In dit geurrapport is gerekend met een ‘worst casescenario’. Er is gerekende met een ‘worst case’ geuremissie.

De ODA heeft het definitieve rapport van 1 september 2025 beoordeeld en komt met het volgende advies: Advies Op basis van een ‘worst case-scenario’ kan worden aangetoond dat het bedrijf, door het treffen van voorzieningen kan voldoen aan de normstelling voor geur, zoals deze volgt uit het Gelders geurbeleid. Gelet op de (onvermijdbare) onzekerheden in de berekeningen, wordt aanbevolen om in middels maatwerkvoorschriften nadere regels op te leggen ten aanzien van de aangevraagde bedrijfsvoering. Aangezien het een vergunningplichtig bedrijf betreft, zullen deze worden opgenomen bij de procedure voor de Omgevingsvergunning milieu van dit bedrijf. Wanneer wordt besloten om medewerking te verlenen aan het initiatief, wordt geadviseerd om de voorgestelde voorwaarden op te nemen in de uiteindelijke beschikking. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het deel ten aanzien van de maatwerkvoorschriften van toepassing is voor de vergunningverlening en niet voor deze ruimtelijke procedure. Daaruit herleiden wij dat de productie op een verantwoorde wijze kan plaatsvinden

10

Zienswijze 5 (schriftelijk ingekomen op 5 februari 2024) Belanghebbende heeft een zienswijze ingediend welke schriftelijk op 3 februari 2024 door de gemeente Oost Gelre is ontvangen. De ingebrachte zienswijze is binnen de daarvoor gestelde termijn ingekomen en derhalve ontvankelijk. De zienswijze is ingediend namens één cliënt, zijnde tevens eigenaar van een melkveehouderij in de omgeving. De melkveehouderij bevindt zich op ca. 100 meter van het plangebied en de bedrijfswoning op ca 145 meter. In het algemeen wordt in de zienswijze gesteld dat de cliënt vreest voor een belemmering in de bedrijfsvoering van zijn melkrundveehouderij. Daarnaast is men van mening dat het plan nadelige gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat. Men vindt dat de omwonenden onvoldoende zijn betrokken bij de ontwikkeling. De zienswijze is opgedeeld in verschillende punten. Deze verdeling wordt gehanteerd in de beantwoording die hieronder volgt. Inspraak 1. Het klopt niet dat het plan bekend is gemaakt aan de buren en dat er geen vernieuwde inzichten of problemen naar voren zijn gekomen. De cliënt is niet vooraf geïnformeerd over het plan. De Handreiking participatie is door initiatiefnemer duidelijk niet toegepast. Reactie Participatie is niet verplicht en het niet uitvoeren van participatie is geen reden om een (ontwerp)bestemmingsplan niet vrij te geven voor terinzagelegging.

Om die reden is het ontwerpbestemmingsplan vrijgegeven zonder dat hiervoor participatie heeft plaatsgevonden. Wij begrijpen dat u de participatie liever vóór de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan had gezien. Tijdens de terinzageleggingstermijn heeft wel een bijeenkomst plaatsvonden. De initiatiefnemer heeft de gemeente geïnformeerd over hoe deze bijeenkomst is verlopen. Er zijn tijdens de bijeenkomst op 13 januari 2024 enkele afspraken gemaakt. De gemaakte afspraken hebben geleid tot enkele aanpassingen die ambtshalve zijn meegenomen in het plan.

2. De cliënt heeft er weinig vertrouwen in dat de initiatiefnemer rekening houdt met de omgeving. Er is de vrees dat het bedrijf overlast kan gaan veroorzaken en dat met de ondernemer geen afspraken gemaakt kunnen worden om dit te voorkomen. Het is ook onduidelijk wie verantwoordelijk is voor de bedrijfsvoering en wie er in de nieuw te bouwen bedrijfswoning gaat wonen. Reactie In een bedrijfswoning mag alleen gewoond worden door iemand die verbonden is aan het bedrijf. U kunt er dus vanuit gaan dat de nieuw te bouwen bedrijfswoning bewoond zal worden door iemand die verbonden is aan het bedrijf. Maximale mogelijkheden van het plan 3. Volgens de toelichting staat het plan toe dat er maximaal 1000 ton vis op de locatie kan worden gekweekt. Volgens de aanmeldnotitie is de bestaande productiecapaciteit 200 ton/jaar. De viskwekerij wordt niet uitgebreid. Waarom zou het plan dan een productiecapaciteit van 1000 ton/jaar mogelijk moeten maken? Reactie De viskwekerij is bij recht toegestaan. De 1000 ton komt voort uit het feit wanneer er plan-mer noodzakelijk is. Vanaf 1000 ton is een plan-mer noodzakelijk. In onderzoeken is rekening gehouden met het vigerend recht zijnde 200 ton vis/jaar. Dit zal in de vergunning worden vastgelegd. Mocht de wens zijn om meer te gaan produceren dan zal nieuw onderzoek moeten plaatsvinden. 4.

In de regels van het bestemmingsplan wordt de maximale productiecapaciteit niet vastgelegd. Het is niet duidelijk wat het plan maximaal mogelijk maakt.

11

Reactie De maximale productiecapaciteit wordt inderdaad niet vastgelegd, maar er wordt wel geëist dat worden voldaan een de streefwaarden van het Gelders geurbeleid. In de vergunningverlening voor de activiteit milieu worden voorwaarden verbonden waarmee voldoende is verzekerd dat niet onbeperkt geproduceerd kan worden. Hinderafstand geur 5. Er wordt in de toelichting gesteld dat voor Oostendorperdiek 23 een minimumafstand van 50 meter geldt vanaf een emissiepunt van de stal. Voor een mestbassin met een oppervlakte van 350m2 of meer geldt echter een minimumafstand van 100 meter. De voorgenomen ontwikkeling, in het bijzonder de realisatie van de recreatieverblijven, komen binnen 100 meter van de veehouderij van de cliënt te liggen. De afstand van het bouwvlak van Oostendorperdiek 23 tot het plangebied is 68 meter. Tot de toekomstige recreatieverblijven is de afstand 88 meter. Reactie Van een mestbassin groter dan 350m2 is geen sprake. Er is daarom geen reden om een afstand van 100 meter aan te houden, maar kan een minimumafstand van 50 meter worden gehanteerd. Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. In de toelichting bij dat onderdeel is ook het volgende opgenomen “De realisatie van een nieuwe bedrijfswoning, vissershutten en een B&B liggen op voldoende afstand van omliggende veehouderijen. De voorgenomen ontwikkeling werkt niet belemmerend voor deze veehouderijen.

Ook het woon- en leefklimaat op de locatie zelf is hierbij niet in het geding. De geur afkomstig van veehouderijen vormt geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling. Geconcludeerd kan worden dat het aspect geur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. 6. Volgens de toelichting is van een mestopslag in die omvang geen sprake en is er daarom geen sprake van een beperking van de bedrijfsvoering. De cliënt wil de mogelijkheid behouden om gebruik te maken van het gehele bouwvlak en om in de hoek aan de noordoostzijde van het bouwvlak een mestbassin te kunnen realiseren. Nu binnen 100 meter een verblijfsfunctie mogelijk wordt gemaakt en dat gebouw geen binding heeft met een dierenverblijf, wordt cliënt mogelijk belemmerd in het gebruik van het bouwvlak. Bovendien is niet verzekerd dat ter plaatse van de recreatiewoningen en de directe omgeving daarvan een goed verblijfsklimaat aanwezig is. Reactie De locatie heeft en blijft de enkelbestemming agrarisch met waarden behouden met daarbij behorende bedrijfswoningen. De logiesfunctie die aan de locatie worden toegevoegd zijn geen geurgevoelige objecten in de zin van de geurwetgeving. Daarnaast voldoen de woningen aan de minimumafstand van 50 meter tot veehouderijen. De ontwikkeling zorgt daarom niet voor extra belemmeringen voor omliggende bedrijven.

Andersom bestaat binnen het plangebied om dezelfde reden voldoende garantie voor een goed woon- en leefklimaat. Uit nader uitgevoerd geuronderzoek en advies van de ODA blijkt dat wordt voldaan aan de streefwaarden van het Gelders geurbeleid. waardoor er voldoende waarborgen zijn ten aanzien van het aspect geur. Geurhinder en omgevingswet 7. Vanwege het ingaan van de Omgevingswet, moet er rekening gehouden worden met de regels die op grond van de Omgevingswet gelden. Ook al is het ontwerpbestemmingsplan voor 1 januari 2024 ter inzage gelegd. Het is nog niet duidelijk welke regels in de toekomst gaan gelden en of deze regels beperkingen gaan inhouden voor de bedrijfsvoering van de cliënt. Reactie Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl), één van de algemene maatregelen van bestuur onder de Omgevingswet, bevat informatie over geurgevoelige objecten. Hierin is bepaald dat recreatiewoningen met een logiesfunctie geen woongebouw zijn. Hierdoor zijn deze recreatiewoningen geen geurgevoelig object. Er kan dus gesteld worden dat er voldoende rekening is gehouden met de regels die gelden onder de Omgevingswet.

12

8. Vervolgens moet ten minste worden uitgegaan van de afstanden uit de bruidsschat en de instructieregels uit het Bkl. Ook moet er ‘worst case’ van worden uitgegaan dat ook gebouwen met een logiesfunctie door u aangewezen kunnen worden als geurgevoelig gebouw. Reactie Op basis van het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) zijn recreatiewoningen met een logiesfunctie geen woongebouw en daarmee geen geurgevoelig object. Het klopt dat de gemeente ervoor kan kiezen om deze recreatiewoningen alsnog aan te merken als geurgevoelig object. Echter dit is niet aan de orde. Wel is in het kader van een goede ruimtelijke ordening beoordeeld of bij de boerderijkamers en vissershutten, of te wel bij deze de logiesfuncties sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het geuradviesbureau Olfasense heeft op basis van een worst-case situatie beoordeeld of er ter plekke van de te realiseren logiesfuncties sprake is van een acceptabel leefklimaat. Uit het resultaten van dit geuronderzoek blijkt dat de geurbelasting onder de streefwaarden blijft, Om die reden is de geurbelasting acceptabel. Zijn de milieueffecten voldoende onderzocht? 9. Een onderbouwing van de conclusie in de toelichting dat er geen sprake lijkt of blijkt te zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu ontbreekt. Het plan maakt een uitbreiding van de bestaande capaciteit van de viskwekerij mogelijk.

Het plan staat ook geheel nieuwe activiteiten toe, zoals de productie van visvoer en verblijfs- en dagrecreatie. a. Omgevingsvergunning Onduidelijk is wat op dit moment de (milieu)vergunde situatie is waarmee de milieueffecten die het plan mogelijk maakt worden vergeleken. In hoofdstuk 1.3 wordt een OBM uit 2014 als bestaande milieumelding genoemd. Reactie In hoofdstuk 1.3 van de aanmeldingsnotitie vormvrije mer-beoordeling heeft inderdaad een verschrijving plaatsgevonden. Er is geen sprake van een OBM uit 2014. Het vigerend recht bestaat uit een revisievergunning van 9 juni 2009 en een veranderingsvergunning van 17 december 2021. Op grond van deze toestemming mogen 528 vleesvarkens, 8.499 vleeseenden en 200 ton vis per jaar worden gekweekt. Deze zinsnede is om die reden verwijderd. De milieueffecten van de beoogde opzet zijn afgewogen ten opzichte van deze vergunde situatie. b. Stikstof Uit de aanmeldingsnotitie, noch uit de toelichting van het plan, volgt wat de feitelijke situatie is waar naar wordt gerefereerd. Daarom is onduidelijk wat de referentiesituatie is voor de beoordeling van stikstofdepositie en of een passende beoordeling moet worden gemaakt. Reactie Als bijlage 6 bij toelichting van het plan is een stikstoftoelichting met rekenresultaten opgenomen.

Zowel in deze stikstoftoelichting, de toelichting op het plan en in de aanmeldingsnotitie is de referentiesituatie opgenomen. De vigerende Wnb-vergunning(en) is de referentiesituatie. Het is vaste jurisprudentie dat onherroepelijke natuurvergunningen één op één mogen worden ingepast in het omgevingsplan De hierin vergunde activiteiten zijn passend bevonden. De slotconclusie van de in deze toelichting opgenomen stikstofberekening was dat voor zowel de gebruiksfase in vergelijking met de referentiesituatie en in de aanlegfase er geen rekenresultaten zijn hoger dan de 0,00 mol per hectare per jaar. De berekeningen zijn opnieuw uitgevoerd met de meest recente versie van de AERIUS calculator. Daarnaast zijn de meest recente inzichten meegenomen, en is getoetst of wordt voldaan het nieuwe beoordelingskader op basis van de Rendac uitspraak van 18 december 2024. De beoogde opzet is passend en zorgt niet voor nadelige gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden. c. Geluid In de aanmeldingsnotitie staat dat het niet de verwachting is dat de geluidsituatie verslechtert. Deze stelling is niet onderbouwd met gegevens over de huidige geluidsemissies en de geluidsemissies die kunnen optreden bij maximale benutting van de mogelijkheden van het plan. Een akoestisch onderzoek ontbreekt.

13

Reactie In hoofdstuk 4.5 van de toelichting op het plan is uitvoerig ingegaan op het aspect geluid. Samengevat is geconcludeerd dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling. Hierin is tevens onderbouwd waarom het uitvoeren van akoestisch onderzoek niet nodig is. Verblijfsklimaat bij recreatiewoningen 10. Er is niet onderzocht of ter plaatse van de nieuwe recreatiewoningen een acceptabel verblijfsklimaat aanwezig is. Volgens de toelichting worden de recreatiewoningen niet beschermd tegen geluidoverlast van het eigen bedrijf. Reactie De logiesfunctie in de boerderijkamers en vissershutten behoren bij de viskwekerij. Het geluidbeleid is hierop niet van toepassing omdat dit geen geluidgevoelige gebouwen zijn. Het is een nevenactiviteit waardoor deze niet hoeven te worden getoetst in het kader van geluid. Het woon- en leefklimaat is voor de nevenfunctie recreatiewoningen aanvaardbaar. 11. Ook zijn de luchtkwaliteit en de kans op geurhinder ter plaatse van de recreatiewoningen onvoldoende beoordeeld. In het onderzoek naar de luchtkwaliteit is alleen gekeken naar de bijdrage van het verkeer en niet naar bronnen als de bereiding van visvoer, de houtgasverbrandingsinstallatie en het houden van scharrelvarkens.

Reactie in het kader van een goede ruimtelijke ordening is beoordeeld of bij de boerderijkamers en vissershutten, of te wel bij deze de logiesfuncties sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Het geuradviesbureau Olfasense heeft op basis van een worst-case situatie beoordeeld of er ter plekke van de te realiseren logiesfuncties sprake is van een acceptabel leefklimaat. Uit het resultaten van dit geuronderzoek blijkt dat de geurbelasting onder de streefwaarden blijft, Om die reden is de geurbelasting acceptabel. De ruimtelijke procedure heeft geen betrekking op de ontwikkeling van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De locatie ligt bovendien op een afstand van: - meer dan 300 meter van een rijksweg; - meer dan 50 meter van een provinciale weg. Alleen bij realisatie van gevoelige bestemmingen binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden nodig. Nu dit niet aan de orde is, hoeft geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit plaats te vinden naast bovengenoemde onderzoeken.

Daarnaast is zijn de te realiseren logiesfuncties nevenactiviteiten behorende bij de duurzame viskwekerij en scharrelvarkenshouderij waardoor het Besluit nibm niet van toepassing is. 12. Bij de beoordeling van geur is geen beoordeling van de cumulatieve geurbelasting gemaakt. Bijlage 8 bevat berekeningen van de voorgrond geurbelasting door twee varkenshouderijen, maar in de omgeving liggen meer intensieve veehouderijen. Reactie De geurbelasting neemt af ten opzichte van de vergunde situatie. Er is sprake van een beter woon- en leefklimaat dan ten opzichte van de referentiesituatie. Er is geen berekening van de cumulatieve geurhinder benodigd aangezien er binnen 1000 meter van de planlocatie geen intensieve veehouderijen zijn gelegen die een maatgevende bijdrage hebben op te verplaatsen bedrijfswoning. Om die reden kan worden geconcludeerd dat de achtergrondbelasting door geur uit veehouderij niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

14

3. Wijzigingen in de toelichting De volgende wijzigingen in de toelichting zijn naar aanleiding van voortschrijdende inzichten, zienswijzen of de buurtconsultatie (dd. 13 januari 2024) doorgevoerd: • • • • • •

Bijlage 1 Sfeerbeelden van de plantoelichting is aangepast zodat de erfgrenzen kloppen Bijlage 2 Erfinpassing en bijbehorende tekening van de plantoelichting is aangepast zodat de erfgrenzen kloppen. Dit geldt tevens voor Bijlage 3 van de planregels.. Hoofstuk 4.7 Natuurbescherming is vernieuwd inclusief de bijbehorende stikstoftoelichting met AERIUS op basis van de meest recente inzichten In hoofdstuk 4.10 Geur van de plantoelichting is de zin “Het ligt bij dit bedrijf niet voor de hand dat hiervan in de toekomst sprake zal zijn, gezien het soort bedrijf en de grootte van het bedrijf” geschrapt. Hoofdstuk 4.10 Geur is geactualiseerd. De aanmeldingsnotitie Mer-beoordeling is geactualiseerd op voorgaande punten.

15

4. Wijzigingen in de regels Naar aanleiding van zienswijzen en voortschrijdend inzicht zijn wijzigingen doorgevoerd in regels. Met deze wijzigingen wordt het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. Wijzigingen in inleidende regels Definitie 1.33 wordt gewijzigd in grondgebonden agrarisch bedrijf Een agrarisch bedrijf waarvan de productie geheel of in overwegende mate afhankelijk is van het voortbrengend vermogen van onbebouwde grond in de directe omgeving van het bedrijf. Grondgebonden bedrijven zijn landbouwbedrijven die niet zijn aan te merken als intensieve veehouderijbedrijven waaronder in ieder geval worden verstaan: akkerbouw-, fruitteelt- en vollegrondstuinbouwbedrijven en boomteeltbedrijven, waarvan de bomen rechtstreeks in de grond zijn geplant. Melkveebedrijven zijn ook grondgebonden. Aan de begrippenlijst wordt toegevoegd het begrip Intensieve kwekerij: een agrarisch bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door het telen van gewassen en of het houden van dieren zonder dat het productieproces afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend, het productieproces vindt voornamelijk plaats binnen bebouwing niet zijnde kassenbouw en is niet afhankelijk van daglicht.

Tot de intensieve kwekerij behoren met name bedrijven als een viskwekerij een paddenstoelenkwekerij een witlofkwekerij een wormenkwekerij of een madenkwekerij” In artikel 3.1 wordt na punt a toegevoegd - De uitoefening van een intensieve kwekerij Naar aanleiding van het aanvullende geurrapport van Olfasense wordt een extra regel aan de hoofdstuk 3.4 Specifieke gebruiksregels toegevoegd, zijnde: ad 2 Om een goede verspreiding van geur te waarborgen moet de lucht van de drogers in bedrijfsgebouw 7 en 9 door een trickling filter (biologische luchtwasser)naar buiten worden geleid op een hoogte van 7,5 meter. Dit is toegestaan in afwijking met de overige regels ten aanzien van de bouwhoogte. Wijziging in de bijlagen bij de regels Naar aanleiding van de participatiebijeenkomst is toegezegd de tekeningen aan te passen op erfgrenzen. Daarom is bijlage 3 van de planregels gewijzigd. De afbeeldingen in deze bijlage zijn aangepast.

5. Aanpassing in de verbeelding In de verbeelding zijn de kadastrale grenzen aangepast naar aanleiding van inspraak. Omdat het hier om een wijziging van de ondergrond gaat is dit geen formele wijziging van het bestemmingsplan.

16

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16842369/1