bp omgeving marianum toelichting en regels
Tekst van het document
Bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum vastgesteld
25 mei 2021
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
6 6 6 7 7
Hoofdstuk2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Nieuwe situatie
8 8 9
Hoofdstuk3 Beleid 3.1 Internationaal beleid 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid
11 11 13 15 16 17
Hoofdstuk4 Uitvoeringsaspecten 4.1 Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.) 4.2 Archeologie en Cultuurhistorie 4.3 Bodem 4.4 Water 4.5 Bedrijven en milieuzonering 4.6 Geluid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Flora en fauna 4.9 Externe veiligheid 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Laagvliegroute, kabels en leidingen
18 18 19 20 21 23 24 25 26 28 30 32
Hoofdstuk5 Juridische toelichting 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingsplan 5.3 Plansystematiek
34 34 34 34
Hoofdstuk6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid
38 38 38
Regels
41
Hoofdstuk1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
42 42 48
Hoofdstuk2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5
Bestemmingsregels Groen - 3 Maatschappelijk - 1 Sport
50 50 51 53
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum Artikel 6 Artikel 7
Verkeer - Verblijfsgebied Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3
54 55
Hoofdstuk3 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13
Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Parkeerregelgeving
58 58 59 60 61 62 63
Hoofdstuk4 Artikel 14 Artikel 15
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
64 64 65
Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1
Voorlopig ontwerp
Bijlage 2
Archeologisch bureau- en verkennend bureauonderzoek
Bijlage 3
Verkennend bodemonderzoek
Bijlage 4
Memo Water
Bijlage 5
Vooradvies luchtkwaliteit
Bijlage 6
Quickscan flora en fauna
Bijlage 7
Vleermuisonderzoek
Bijlage 8
Stikstofdepositie - Aeriusberekening
Bijlage 9
Vooradvies externe veiligheid
Bijlage 10
Beperkte verantwoording groepsrisico
Bijlage 11
Parkeerbalans en verkeersgeneratie
Bijlagen bij de regels Bijlage 1
Indicatieve bedrijvenlijst
Bijlage 2
Lijst van horeca-activiteiten
4
Inhoudsopgave (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Toelichting
Toelichting (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Ten zuiden van het centrum van Groenlo bevindt zich een nog te ontwikkelen locatie tussen de Rondweg/N319 en de Barkenkamp. Deze locatie bevindt zich tussen de Scholengemeenschap Marianum en de bedrijfsgebouwen van LBA Groep en Univé (zie figuur 1 en 2). De gemeente Oost Gelre heeft het voornemen om een nieuwe sporthal, twee sportvelden en bijbehorende parkeerplaatsen te realiseren op een locatie naast het recent vernieuwde schoolgebouw van Scholengemeenschap Marianum in Groenlo. De bestaande sporthal van de school wordt gesloopt. De hiervoor genoemde ontwikkelingen passen niet binnen de geldende bestemming voor deze locatie. Er is daarom een planologische procedure nodig om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Dit bestemmingsplan voorziet hierin en maakt tevens de ontsluiting (via een nieuwe toegangsweg) en een nieuwe kruising aan de Barkenkamp juridisch-planologisch mogelijk. In paragraaf 2.2 worden de voorgenomen ontwikkelingen nader toegelicht.
1.2
Ligging en begrenzing
Het plangebied ligt zuiden van het centrum van Groenlo (zie figuur 1.1).
Figuur 1.1: Ligging plangebied binnen Groenlo (plangebied bestemmingsplan geel gearceerd). Aan de noordzijde van het plangebied bevindt zich een woonstraat.Ten oosten bevindt zich Scholengemeenschap Marianum. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door de Barkenkamp, waarbij het realiseren van een kruising ten behoeve van dit plan (en met het oog op het waarborgen van de verkeersveiligheid) wordt meegenomen in dit bestemmingsplan. Langs de Barkenkamp bevinden zich tevens de bedrijfsgebouwen van onder andere LBA Groep en Univé. Deze gebouwen zijn gesitueerd tussen de Barkenkamp en het te realiseren sportterrein. Het plangebied wordt aan de zuidkant begrensd door de Rondweg/N319 (zie figuur 1.2)
6
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Figuur 1.2: Situering plangebied in de directe omgeving (plangebied bestemmingsplan geel gearceerd).
1.3
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende twee bestemmingsplannen: Bestemmingsplan Woonwijken Groenlo (vastgesteld 30-10-2012); Facetbestemmingsplan parkeren (vastgesteld 05-06-2018). Dit bestemmingsplan herziet beide bestemmingsplannen ter plaatse van het plangebied.
1.4
Leeswijzer
In Hoofdstuk 1 is de aanleiding en doel van dit bestemmingsplan uiteengezet. In Hoofdstuk 2 van de toelichting worden de historische, de bestaande en de toekomstige situatie in het plangebied beschreven. Hierbij wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke inrichting van het plangebied met de daarbij behorende functies. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 3 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 4 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 6 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan. Tevens worden hierin de resultaten van overleg en terinzagelegging opgenomen.
Toelichting (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Hoofdstuk 2
Planbeschrijving
In dit hoofdstuk worden de historische, de huidige en de toekomstige situatie vanuit ruimtelijk en functioneel oogpunt beschreven.
2.1
Bestaande situatie
Historie en cultuurhistorie Aan het begin van de twintigste eeuw maakte het plangebied nog geheel onderdeel uit van het landelijk gebied. Gedurende de twintigste eeuw is het gebied steeds meer onderdeel geworden van het stedelijk weefsel van Groenlo. Zo maakte het omstreeks 1970 nog onderdeel uit van de schil van Groenlo, maar is het rond de eeuwwisseling daadwerkelijk onderdeel geworden van de stad als gevolg van de realisatie van de N319 ten zuiden van het plangebied. Inmiddels bevindt de locatie zich niet meer in de schil van Groenlo, maar maakt het een integraal onderdeel uit van de stad. In de afgelopen tien jaar zijn de bedrijfsgebouwen van LBA Groep en Univé gerealiseerd langs de Barkenkamp, aan de westzijde van het plangebied. Het gebied tussen deze bedrijven en Scholengemeenschap Marianum is gedurende al deze tijd grotendeels onontwikkeld gebleven (zie ook figuur 2.1). In de afgelopen jaren is het terrein voornamelijk gebruikt als een sportveld van de school. Het gebied bevat geen (cultuur)historische elementen.
Figuur 2.1: Historische ontwikkeling in en rondom het plangebied (blauw gearceerd). Ruimtelijke en functionele structuur Zoals in figuur 2.2. is te zien vormt plangebied een behoorlijk afgesloten gebied, dat voor het merendeel ook onbebouwd is. In het noordoostelijk gelegen deel van het plangebied staat de bestaande gymzaal van Scholengemeenschap Marianum, met de daarbij behorende parkeerplaatsen. Na verwezenlijking van de nieuwe sporthal wordt de bestaande gymzaal gesloopt en worden bijbehorende parkeerplaatsen weggehaald. Ten westen van het plangebied ligt de Barkenkamp, een weg die deel uitmaakt van de verbinding tussen de rondweg N319 en het centrum. Via een uitrit worden de bestaande ambulancepost en de bedrijfsgebouwen van Univé en LBA Groep op de Barkenkamp ontsloten. Via deze uitrit worden ook de nieuwe sporthal en de daarbij behorende parkeerplaatsen voor het autoverkeer ontsloten.
8
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Figuur 2.2: Plangebied bestemmingsplan (geel gemarkeerd).
2.2
Nieuwe situatie
Opbouw plangebied Het plangebied wordt ontwikkeld tot een modern sportcomplex met een zo groen mogelijk karakter. In het gebied worden sporthal en parkeerfaciliteiten gerealiseerd. Tevens worden twee nieuwe sportvelden gerealiseerd. Het gebied wordt voor autoverkeer ontsloten via de Barkenkamp, waarbij een nieuwe kruising zal worden aangelegd. Op langere termijn wordt mogelijk ook de fietsinfrastructuur rondom het plangebied aangepast. Sporthal In het gebied zal een nieuwe sporthal worden gerealiseerd, welke de bestaande sporthal vervangt. De hal zal plaats bieden aan binnensportactiviteiten van Scholengemeenschap Marianum, het Graafschap College, gymnastiekvereniging Rap en Snel en mogelijk ook ten behoeve van primair onderwijs. In de toekomst kan de hal mogelijk worden gebruikt door meerdere sportverenigingen. Ook is de hal geschikt voor een beperkte hoeveelheid bijeenkomsten. In de sporthal is een ondersteunende horecavoorziening mogelijk. Sportveld In het gebied worden naast de nieuwe sporthal twee nieuwe sportvelden gerealiseerd. De velden zullen uitsluitend bij daglicht worden gebruikt voor sportactiviteiten. Lichtmasten zijn derhalve niet nodig. Zo wordt mogelijke overlast voorkomen. Aan de noordzijde van het plangebied blijft de sportbestemming gehandhaafd en blijft het gebruik vooralsnog ongewijzigd. Groen Het gebied krijgt een groene uitstraling.
Binnen de groenbestemming is het echter ook mogelijk om wandel- en fietspaden en waterberging (bijvoorbeeld wadi's) te realiseren. Parkeergelegenheid en ontsluiting De ontwikkelingen in dit plan leiden tot een parkeerbehoefte, zowel overdag als 's avonds. In het plangebied wordt in voldoende parkeergelegenheid voorzien, waarbij de mogelijkheid van dubbelgebruik
Toelichting (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum het benodigde ruimtebeslag voor parkeren beperkt. Bovendien wordt er in extra parkeergelegenheid voorzien ten behoeve van de naastgelegen bedrijven. De ontsluiting zal plaatsvinden via de Barkenkamp. Een nieuwe kruising zal de verkeersveiligheid bevorderen, zowel voor autoverkeer als voor langzaam verkeer. Bovendien wordt een schuurtje bij het gebouw van LBA Groep verplaatst, zodat de ambulancepost geen zichthinder ondervindt van de voorgenomen ontwikkeling wanneer een ambulance op hoge snelheid moet uitrijden. Het voorlopig ontwerp is bijgevoegd in Bijlage 1 Voorlopig ontwerp.
10
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Hoofdstuk 3
Beleid
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.
3.1
Internationaal beleid
3.1.1
Vogelrichtlijn
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Afweging en conclusie Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. De Vogelrichtlijn vormt geen belemmering voor dit plan. 3.1.2
Habitatrichtlijn
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. Afweging en conclusie Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn. De Habitatrichtlijn vormt geen belemmering voor dit plan.
Toelichting (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
3.1.3
Het verdrag van Valletta (Malta)
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen. Afweging en conclusie Ter plaatse van het plangebied geldt de dubbelbestemming "Archeologische verwachtingswaarde 2". Door middel van archeologisch onderzoek is onderzocht of er mogelijk archeologische resten in de bodem aanwezig zijn. Zie hiervoor paragraaf 4.2.
Hieruit blijkt dat archeologie geen belemmering vormt voor dit plan. 3.1.4
Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: De vervuiler betaalt De gebruiker betaalt Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water Resultaatsverplichting in 2015 Stroomgebiedsbenadering) Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.
Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Afweging en conclusie Door Royal HaskoningDHV is een waterhuishoudkundig onderzoek verricht. Zie hiervoor paragraaf 4.4. Hieruit blijkt dat het aspect water geen belemmering vormt voor dit plan en dat het plan strookt met vigerend waterbeleid.
12
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale omgevingsvisie (NOVI)
De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel (uitgezonderd Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone). De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. Omgevingskwaliteit is daarmee het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het rijk. Nationale belangen Met de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen.
De volgende nationale belangen zijn van toepassing op dit plan: Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving; Realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit; Waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving; Waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; Waarborgen van een goede toegankelijkheid van de leefomgeving; Prioriteiten Tevens geeft de NOVI richting met behulp van vier prioriteiten: a. b. c. d.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energiestrategie Duurzaam economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
Afwegingsprincipes Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als de ondergrond. Zo wordt 'omgevingsinclusief' beleid gevoerd. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal Afwentelen wordt voorkomen Uitgangspunten voor samenwerking De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij worden vier uitgangspunten gehanteerd: Er wordt gewerkt als één overheid, samen met de samenleving De opgave staat centraal Er wordt gebiedsgericht gewerkt Er wordt permanent en adaptief gewerkt aan de opgaven Brede maatschappelijke betrokkenheid is een voorwaarde voor het slagen van gezamenlijke ambities. Daarom wordt in de NOVI tevens aandacht besteed aan participatie. Participatie vraagt om maatwerk per opgave, gebied en bestuurlijke situatie.
Toelichting (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
NOVI-gebieden Ten slotte worden in de NOVI op vier thema's voorlopig acht zogenaamde NOVI-gebieden benoemd welke onderdeel worden van de Omgevingsagenda. Het Rijk zal in deze gebieden een actieve rol gaan spelen. Het plangebied behoort niet tot één van deze gebieden. Uitvoeringsagenda De NOVI gaat vergezeld met een Uitvoeringsagenda, waarin staat hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd. Zo helpt de NOVI om keuzes te maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Afweging en conclusie Onderhavig plan sluit aan bij diverse nationale belangen, houdt rekening met klimaatadaptatie en biedt een combinatie van functies. Het plan sluit zodoende aan bij de NOVI. 3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.
Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. Afweging en conclusie Het Barro is voor dit plan vrijwel niet aan de orde. Een militaire laagvliegroute komt ter sprake in paragraaf 4.11. 3.2.3
Besluit ruimtelijke ordening
Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de 14
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied. Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. Nieuwe stedelijke ontwikkeling In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Onderhavig voornemen betreft de ontwikkeling van een sportcomplex. Dit wordt aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Behoefte Zowel in kwalitatieve als in kwantitatieve zin is er behoefte aan deze ontwikkeling.
De huidige sporthal Den Elshof voldoet niet aan de huidige sporttechnische vereisten qua maatvoering (uitloopzones) en biedt onvoldoende capaciteit voor centralisatie van de binnensport in Groenlo. Binnensportverenigingen zitten verspreid over diverse locaties in Groenlo. Daarnaast heeft het Marianum na de nieuwbouw (2017) nog maar één gymzaal tot haar beschikking. Dit biedt onvoldoende capaciteit om aan de huidige en toekomstige vraag naar bewegingsonderwijs te voldoen. De overige uren voor bewegingsonderwijs worden op dit moment gegeven in Den Elshof. De nieuwe sporthal voldoet wel aan de behoefte en biedt tevens ruimte aan sportvereniging Rap en Snel. Daarmee is de kwantitatieve behoefte een gegeven. Ook in kwalitatieve zin is er behoefte aan een nieuwe sporthal. De bestaande binnensportaccomodaties in Groenlo, zoals Den Elsof, zijn namelijk meer dan 40 jaar oud en voldoen niet meer aan de huidige sporttechnische normen. Mogelijkheden tot uitbreiding zijn hier ook niet meer. De behoefte kan ook niet elders in Groenlo op een centrale locatie worden ingevuld. Dit plan maakt de realisatie van een centraal gelegen nieuwe moderne sporthal mogelijk welke in kwalitatieve zin voldoet aan de huidige en toekomstige vraag naar binnensportruimte in Groenlo. Bestaand stedelijk gebied Het planvoornemen betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied.
Afweging en conclusie Onderhavig voornemen betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied waarnaar behoefte is. Daarmee vormt de ladder van duurzame verstedelijking geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
De omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is vastgesteld op 19 december 2018. Het document schetst een toekomstbeeld, en benoemt een aantal waarden en kwaliteiten die van belang zijn voor de ontwikkeling van de provincie Gelderland. Deze waarden en kwaliteiten zijn vervolgens vertaald naar een aantal onderwerpen, namelijk: energietransitie; klimaatadaptatie; circulaire economie; biodiversiteit; bereikbaarheid; vestigingsklimaat; woon- en leefomgeving.
Toelichting (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
De Omgevingsverordening (19 december 2018) zorgt voor de juridische borging van de Omgevingsvisie. De omgevingsverordening richt zich op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. In hoofdzaak geeft de Omgevingsverordening regels bij nieuwe ontwikkelingen. Denk hierbij aan nieuwe woningbouw, het oprichten van bedrijventerreinen, etcetera. Afweging en conclusie Dit plan raakt aan de onderwerpen 'klimaatadaptatie' en 'woon- en leefomgeving' door het realiseren van sportieve en recreatieve voorzieningen in een klimaatadaptieve omgeving. Het plan sluit aan bij provinciaal beleid.
3.4
Regionaal beleid
3.4.1
Regionale structuurvisieAchterhoek 2012
De Achterhoekse gemeenten werken op het vlak van de ruimtelijke ordening samen in een intergemeentelijk overleg ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. De structuurvisie is een actualisatie van de regionale structuurvisie uit 2004. Er is gekozen voor een actualisatie, omdat er zich een aantal relevante en ingrijpende economische en maatschappelijke ontwikkelingen voordoen, zoals: energietransitie en het inspelen op de gevolgen van de klimaatveranderingen bevolkingsverandering, krimp, vergrijzing en ontgroening en de veranderingen in de landbouw en het landelijk gebied De verwachting is dat deze ontwikkelingen gevolgen kunnen hebben voor de manier waarop er nu gewoond, geleefd en gewerkt wordt in de regio Achterhoek. De geactualiseerde visie wil richting geven aan het regionaal ruimtelijk beleid om de transitieopgaven op juiste wijze te kunnen faciliteren. Dit door belangrijke ruimtelijke thema's te agenderen en hierop afstemming tussen gemeenten te zoeken. Het doel hiervan is om ook in de toekomst te kunnen spreken van een vitale, regionale economie en een zeer prettige omgeving om in te wonen en te recreëren. Deze ruimtelijke visie richt zich daarom niet op een ruimtelijk eindbeeld, maar streeft juist flexibiliteit na. Het leidende principe is een omslag 'van sturen naar begeleiden'.
Dit om kansen te pakken en tegelijkertijd te werken aan behoud en versterking van ruimtelijke kwaliteit. Daarom stelt deze visie geen grote ruimtelijke gebaren op regionale schaal voor. Als basis voor ruimtelijk beleid zijn er een aantal speerpunten voor de regio benoemd. Dat zijn: omgaan met de krimp externe relaties veranderingen in het landelijk gebied en overstap naar duurzame energie De bevolkingsdaling is voor het ruimtelijk beleid de dominante ontwikkeling. De afname van de bevolking is in een aantal gemeenten zichtbaar en zal ook op regionale schaal zichtbaar worden. De verwachting is dat de totale bevolking van de Achterhoek in dertig jaar zal dalen van 300.000 inwoners in 2010 naar 275.000 inwoners in 2040. Desondanks wil de Achterhoek een aantrekkelijk woon- en werkgebied blijven en inspelen op daartoe aanwezige kansen. Afweging en conclusie Onderhavig plan voorziet in de ontwikkeling van een multifunctioneel sportcomplex, inclusief de realisatie van een verenigingsgebouw voor diverse recreatieve behoeften. Daarmee wordt het voorzieningenniveau binnen Groenlo op een verantwoorde wijze versterkt, wat tevens bijdraagt aan het woon- en leefklimaat in de Achterhoek. Het plan is in overeenstemming met regionaal beleid.
16
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Sportvisie 2015-2025:'Iedereen actief'
Sport en bewegen dragen bij aan de oplossing van diverse maatschappelijke vraagstukken binnen het sociaal domein, bijvoorbeeld het isolement van ouderen.Sport is een aanjager om grotere ontwikkeling mogelijk te maken. Deze grote ontwikkeling is het streven naar een vitale samenleving. Goede en kwalitatieve sportaccommodaties zijn hiervoor de basis. Sportaccommodaties zijn dan traditioneel de sportvelden, sporthallen en zwembaden, maar ook de openbare ruimte wordt steeds belangrijker. De gemeente Oost-Gelre heeft daarom een sportvisie opgesteld voor de periode 2015-2025. Daarin worden onder andere 14 ambities en speerpunten benoemd. Eén van die ambities is het ontwikkelen van multifunctionele accomodaties. Afweging en conclusie Dit plan omvat onder andere de ontwikkeling van een nieuwe sporthal en een nieuw sportveld. De sporthal zal multifunctioneel worden gebruikt, door Scholengemeenschap Marianum, het Graafschap College, de gymnastiekvereniging en incidenteel door de gemeente voor het organiseren van activiteiten. Zodoende sluit het plan aan bij de sportvisie. 3.5.2
Economische visie - Economie Voorop!
Een sterke economie is een van de belangrijkste voorwaarden om te kunnen blijven bouwen aan een gezonde gemeente. Werk is daarbij een van de belangrijkste pijlers. Werk biedt mensen de kans tot ontwikkeling, het bevordert de integratie, biedt sociale contacten en structuur en betrekt de burger bij de samenleving. Participatie, zelfontplooiing en inkomen staan in nauwe relatie tot gezondheid en welzijn. De gemeentelijke rol ligt in het nemen van verantwoordelijkheid voor het algemene vestigingsklimaat, het faciliteren en stimuleren van ondernemerschap, bijdragen aan netwerken en verbindingen in de regio, bijdragen aan de verbinding onderwijs en arbeidsmarkt, zorgen voor goede woonvoorzieningen en geschikte werklocaties. Op verzoek van het college van burgemeester en wethouders en de raad van de gemeente Oost Gelre is de Economische visie tot stand gekomen. De ontwikkelingen nu en in de toekomst van onze gemeente zijn aanleiding geweest om te onderzoeken waar de gemeente Oost Gelre op dit moment staat, wat al wordt gedaan en wat er de komende jaren moet worden opgepakt om een aantrekkelijke gemeente te blijven en nog aantrekkelijker te worden voor huidige en nieuwe inwoners en ondernemers. De opgestelde economische visie bestaat uit een aantal speerpunten waar de focus op gelegd wordt en de hierbij behorende doorvertaling in concrete acties en inspanningen.
De economische uitvoeringsagenda is een zogenoemd 'levend document', dat na vaststelling bijgewerkt en aangevuld kan worden. Afweging en conclusie Onderhavig plan draagt bij aan het vestigingsklimaat van Groenlo door de ontwikkeling van sportieve en recreatieve voorzieningen. De woonkwaliteit wordt zodoende versterkt. Het plan sluit daarmee aan bij het economisch beleid van de gemeente Oost Gelre.
Toelichting (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Hoofdstuk 4
Uitvoeringsaspecten
In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van het plan getoetst aan de hand van diverse uitvoeringsaspecten. Onderzocht wordt of er milieukundige of ruimtelijke belemmeringen zijn die de uitvoering van dit plan in de weg kunnen staan.
4.1
Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)
Wettelijk kader In de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage is vastgelegd dat voorafgaand aan het ruimtelijke plan dat voorziet in ontwikkelingen met (mogelijk) belangrijke nadelige milieugevolgen een milieueffectrapport (MER) opgesteld dient te worden. De activiteiten waarvoor een MER opgesteld moet worden zijn opgenomen in de bijlage van het Besluit-m.e.r. Een bestemmingsplan (of uitwerkingsplan) kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn op de volgende manieren: indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen); indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Op grond van het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage moet het bevoegd gezag, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, zich er alsnog van vergewissen of activiteiten geen significante milieugevolgen kunnen hebben.
Voor bestemmingsplannen die betrekking hebben op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, dient een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Toetsing aan het Besluit milieueffectrapportage In voorliggend geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. Op basis van onderdeel D kan de in dit plan besloten ontwikkeling worden aangemerkt als: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Hierbij wordt ‘het bestemmingsplan’ zowel genoemd in kolom 3 (plannen) als kolom 4 (besluiten). Doordat dit bestemmingsplan voorziet in directe eindbestemmingen voor wat betreft de binnen het plangebied geplande ontwikkeling, wordt voldaan aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. De ontwikkeling in dit bestemmingsplan is m.e.r.-beoordelingsplichtig indien de volgende drempelwaarden worden overschreden: 1.
een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2. een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de ontwikkeling van een sportcomplex in Groenlo en valt als zijnde een stedelijke ontwikkeling onder één van de categorieën van onderdeel D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage, maar de activiteit blijft onder de drempelwaarde. Daarom is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Daaruit moet blijken of alsnog een milieueffectrapportage nodig is. Vormvrije m.e.r.-beoordeling De mogelijke milieugevolgen van dit plan zijn in de navolgende paragrafen van dit hoofdstuk in beeld gebracht. Hieruit blijkt dat het plan geen belangrijke negatieve milieugevolgen tot gevolg heeft. Op basis
18
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum hiervan kan worden geconcludeerd dat dit bestemmingsplan geen belangrijk nadelige milieugevolgen heeft, zodat het doorlopen van een m.e.r.-procedure niet noodzakelijk is. Conclusie Dit plan heeft geen belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is niet noodzakelijk.
4.2
Archeologie en Cultuurhistorie
Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2019 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden.
De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld. Situatie plangebied Ter plaatse van het gehele plangebied geldt - op basis van het geldende bestemmingsplan - de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2'.
Dit houdt in dat voor het oprichten van een bouwwerk groter dan 100 m2 een rapport dient te worden overlegd op basis van inventariserend archeologisch onderzoek, waarin de archeologische waarde van de gronden in voldoende mate is vastgesteld. Indien archeologische resten niet zijn uit te sluiten, dan kan het bevoegd gezag één of meer voorwaarden verbinding aan de omgevingsvergunning voor bouwen. Dit plan maakt de bouw van gebouwen groter dan 100 m2 mogelijk. Daarom is een archeologische inventarisatie noodzakelijk. Door Econsultancy is een archeologische bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek verricht (Bijlage 2 Archeologisch bureau- en verkennend bureauonderzoek). Op basis deze onderzoeken wordt geconcludeerd dat er sprake is van een verstoorde bodemopbouw binnen het plangebied, waardoor archeologische resten niet meer in situ worden verwacht. Vervolgonderzoek is niet nodig en de archeologische verwachtingswaarde kan omlaag worden bijgesteld. Indien tijdens de werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen dan geldt de meldingsplicht conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet. Cultuurhistorie
Toelichting (vastgesteld)
19
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). Het aspect cultuurhistorie is behandeld in paragraaf 2.1. Het voorliggend bestemmingsplan tast geen cultuurhistorische waarden aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig. Conclusie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Bodem
Wettelijk kader Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht.
Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Bodemonderzoeken mogen niet meer dan vijf jaar oud zijn. Indien er sprake is van bouwactiviteiten is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Situatie plangebied Door Econsultancy is ten aanzien van het plangebied een verkennend bodemonderzoek, verkennend onderzoek asbest in bodem en puin, civieltechnisch bodemonderzoek en fundatieonderzoek uitgevoerd (Bijlage 3 Verkennend bodemonderzoek). In de boven- en ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de grondwatermonsters is een lichte verontreiniging barium aangetoond en in één peilbuis een lichte verontreiniging met molybdeen. Er is geen concentratie PFAS boven de toepassingsnorm gemeten. Ten slotte zijn er geen visueel asbestverdachte materialen aangetroffen. Asbestgehalten in de zwak puinhoudende bodem bevinden zich ruim onder de grens voor nader onderzoek. Gelet op de aard en mate van verontreiniging bestaat er geen reden voor een nader onderzoek en zijn er
20
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum geen milieuhygiënische belemmeringen welke het plan belemmeren . Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4
Water
Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.
De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen).
Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water. De relevante beleidsstukken van het waterschap worden hieronder kort genoemd, een uitgebreidere beschrijving is weergegeven in Bijlage 4. Waterbeheerplan 2016-2021: het waterbeheerplan beschrijft hoe het waterschap zorgt voor een goede bescherming tegen hoog water, voor een goed functionerend regionaal watersysteem en voor het zuiveren van afvalwater.
Toelichting (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Watervisie 2030: waterschap Rijn en IJssel heeft in 2013 de 'Watervisie 2030' opgesteld. Vanuit deze visie is het beleid voor de periode 2016-2021 ingevuld. Verbinden en samenwerken, ieder vanuit zijn eigen verantwoordelijkheid, staan in deze visie centraal Duurzaam en veilig water in de stad: hierin zijn de uitgangspunten van het waterschap met betrekking tot het inrichten van (nieuw) stedelijk gebied en de omgang met wateraspecten beschreven en toegelicht. Handreiking Watertoetsprocedureen standaardwaterparagraafvoor Bestemmingsplannen: Waterschap Rijn en IJssel heeft een handreiking ontworpen waarbij een initiatiefnemer zelf kan bepalen voor welke plannen en in welke mate het waterschap betrokken dient te worden bij het opstellen van een waterparagraaf. Voor meer complexe ontwikkelingen kan deze handreiking voor het waterschap en de initiatiefnemer als leidraad en geheugensteun gelden in het ontwerpproces Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is.
De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant. Thema
Toetsvraag
Relevant
Veiligheid
1. Ligt in of binnen 20 meter vanaf het plangebied een waterkering? (primaire waterkering, regionale waterkering of kade) 2. Ligt het plangebied in een waterbergingsgebied of winterbed van een rivier?
Nee
1. Is de toename van het afvalwater (DWA) groter dan 1m3/uur? 2. Ligt in het plangebied een persleiding van WRIJ? 3. Ligt in of nabij het plangebied een RWZI of rioolgemaal van het waterschap?
Nee Nee Nee
Riolering en afvalwaterketen
Nee
Wateroverlast 1. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan (oppervlaktewater) 2500m2? 2. Is er sprake van toename van het verhard oppervlak met meer dan 500m2? 3. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak? 4. In of nabij het plangebied bevinden zich natte en laag gelegen gebieden, beekdalen, overstromingsvlaktes?
Ja
Oppervlaktewater 1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater kwaliteit geloosd?
Nee
Grondwateroverlast
1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de ondergrond? 2. Is in het plangebied sprake van kwel? 3. Beoogt het plan dempen van perceelsloten of andere wateren? 4. Beoogt het plan aanleg van drainage?
Nee
Grondwaterkwaliteit
1. Ligt het plangebied in de beschermingszone van een drinkwateronttrekking?
Nee
Inrichting en beheer
1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom of beheer zijn bij het waterschap? 2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?
Nee
22
Ja Nee Nee
Nee Nee Nee
Nee
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum
Volksgezondheid 1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het gemengde Nee stelsel? 2. Bevinden zich, of komen er functies, in of nabij het plangebied die Nee milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)? Natte natuur
1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte EVZ? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water? 3. Bevindt het plangebied zich in beschermingszones voor natte natuur? 4. Bevindt het plangebied zich in een Natura 2000-gebied?
Nee Nee Nee Nee
Recreatie
1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in beheer Nee van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?
Cultuurhistorie
1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied aanwezig?
Nee
Tabel 4.1: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's De met 'ja' beantwoorde vragen zijn hieronder nader uitgewerkt. De relevante punten voor de waterhuishouding zijn uitgewerkt in Bijlage 4. Hieruit blijkt dat de toename aan verharding 4560 m2 bedraagt. Ter compensatie dient hiervoor 365 m3 waterberging worden gerealiseerd. In het plangebied is hierin voorzien door de aanleg van een drietal wadi's, met een gezamenlijk bergend vermogen van 467 m3. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Bedrijven en milieuzonering
Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden
Toelichting (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening omgeving Marianum mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden. Situatie plangebied Het plangebied is te definiëren als een gemengd gebied. Direct naast woningen komen andere functies voor, zoals een middelbare school, een sporthal, sportvelden en bedrijven. Derhalve kan de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd. Het plan betreft de ontwikkeling van een nieuwe sporthal, een nieuw sportveld en parkeergelegenheid. Het betreft derhalve geen milieugevoelige functies. Derhalve dient uitsluitend de externe werking (milieubelasting op omliggende gevoelige functies, zoals woningen) te worden onderzocht. Navolgend worden de ontwikkeling afzonderlijk getoetst. Sporthal Op basis van de VNG-publicatie behoort een sporthal tot categorie 3.1, met een bijbehorende richtafstand van maximaal 50 meter. Geluid is hierbij maatgevend. Daar het gemengd gebied betreft mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd, in dit geval tot 30 meter. De te realiseren sporthal bevindt zich op circa 80 meter van de dichtsbijzijnde woning. Derhalve wordt aan de richtafstand voldaan. Nader (geluids)onderzoek is niet nodig. Sportvelden Op basis van de VNG-publicatie behoren sportvelden tot categorie 3.1, met een bijbehorende richtafstand van maximaal 50 meter. Geluid is hierbij maatgevend.
Daar het gemengd gebied betreft mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd, in dit geval tot 30 meter. De te realiseren sportvelden bevinden zich op circa 80 meter van de dichtstbijzijnde woning. Aan de richtafstand wordt voldaan. Nader (geluids)onderzoek is niet nodig. Ten aanzien van sportvelden is tevens een beschouwing van eventuele lichthinder relevant. De te realiseren sportvelden naast de sporthal zullen uitsluitend bij daglicht worden gebruikt voor sportactiviteiten. Verlichting is daarom niet nodig. Derhalve zullen deze velden geen lichtmasten bevatten en is lichthinder niet aan de orde. Een lichthinderonderzoek is niet nodig. Parkeergelegenheid Op basis van de VNG-publicatie behoort parkeergelegenheid tot categorie 2, met een bijbehorende richtafstand van 30 meter. Geluid is hierbij maatgevend. Daar het gemengd gebied betreft mag de richtafstand met één afstandsstap worden verlaagd, in dit geval tot 10 meter. De kortste afstand tussen een parkeerplaats en een woning bedraagt 50 meter. Aan de richtafstand wordt voldaan. Nader (geluids)onderzoek is niet nodig. Conclusie Op basis van de brochure Bedrijven en milieuzonering wordt voldaan aan de richtafstanden. Niettemin wordt hierna dieper op het maatgevende aspect 'geluid' ingegaan.
4.6
Geluid
Wettelijk kader In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidsbeleid ontwikkeld, om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke. Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden. Nieuwe (te luidruchtige) activiteiten kunnen soms ten koste gaan van een goed akoestisch leefklimaat.