CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp oldenhuis toelichting

Raadscommissie 28 januari 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 202220.793 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Archeologie De gemeente Oost Gelre beschikt over een archeologische beleidskaart. Op grond van deze beleidskaart gelden voor het plangebied (zie figuur 4) de volgende verwachtingswaarden:

AWV CATEGORIE 6 - HOGE VERWACHTING Eventuele archeologische resten afgedekt door >50 cm dik plaggendek en daardoor waarschijnlijk goed geconserveerd. Streven naar behoud in huidige staat. Bodemingrepen dieper dan bouwvoor of bekende bodemverstoring vermijden. Indien behoud niet mogelijk is, dan bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 100 m2 vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek.

AWV CATEGORIE 10 - LAGE VERWACHTING Streven naar behoud in huidige staat. Bodemingrepen dieper dan bouwvoor of bekende bodemverstoring vermijden. Indien behoud niet mogelijk is, dan bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 2.500 m2 vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek. Als deze eenheid in samenhang met gebieden met een hogere archeologische verwachting wordt aangetroffen, is het gewenst aan het hele gebied een hoge verwachting toe te kennen. Voor het plangebied is in het kader van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' Bureauonderzoek en karterend booronderzoek archeologie uitgevoerd. Vindplaatsen van landbouwende samenlevingen zijn niet aangetoond. Echter, een booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het opsporen van vuursteenvindplaatsen. Deze kunnen vooralsnog niet geheel uitgesloten worden, maar de kans hierop is klein, omdat de afwisselende meanderende loop van de Slinge in de loop der eeuwen de meeste oudere sporen grotendeels vernietigd heeft.

Toelichting (vastgesteld)

23

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

Figuur 4. Uitsnede archeologische beleidskaart

Op basis van de resultaten van het karterend booronderzoek wordt daarom geadviseerd om het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkelingen. De kans dat met de geplande bodemingrepen archeologische waarden verloren gaan, wordt gering geacht. Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Dit onderzoek is ook gebruikt in de omgevingsvergunning conclusie luidt hetzelfde als bovenstaande.

'43 woningen, Oldenhuis Groenlo'. De

De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben geen onevenredige invloed op het archeologisch onderzoek. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

MELDPLICHT Het is echter niet uit te sluiten dat buiten het onderzochte gebied toch nog archeologische resten voorkomen. Daarom is aanbevolen om de uitvoerder van het grondwerk te wijzen op de plicht archeologische vondsten te melden bij de bevoegde overheid, zoals aangegeven in de Erfgoedwet.

PARAPLUPLAN ARCHEOLOGIE Op 22-2-2022 is het Parapluplan Archeologie vastgesteld. De betreffende verbeelding en regels zijn op dit punt nader aangevuld.

24

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

Cultuurhistorie In het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' wordt het volgende gesteld over cultuurhistorie. In 2004 is voor de noordrand van Groenlo een Cultuurhistorische inventarisatie uitgevoerd. Het deel van het beekdal van de Slinge, zoals dat door het plangebied loopt is waarschijnlijk gegraven door mensen en is dus een cultuurhistorisch landschapselement. Er zijn echter geen constructies meer zichtbaar die te maken hebben met het graven. Het dal heeft in de loop van de tijd een volledig natuurlijke loop gekregen, totdat het in de 19e en 20e eeuw opnieuw verlegd en vervolgens geheel gekanaliseerd is. In de omgeving van het plangebied bevinden zich verder historische wegen, bruggen en perceelsgrenzen. In het plangebied zelf zijn deze landschapselementen niet terug te vinden. Aan de noordzijde van Groenlo zijn de vestingwerken redelijk gaaf aanwezig. Ook is aan deze zijde het vrije schootsveld nog steeds voor een groot deel aanwezig. Dit is een sterk gegeven als het op (historische) beleving aankomt. Het plangebied grenst aan dit vrije schootsveld. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe bebouwing mogelijk in het bestaande vrije schootsveld. De openheid is verder geborgd door een dubbelbestemming 'Waarde - Landschap', waarbinnen het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde niet is toegestaan.

Verder zijn de cultuurhistorische en bouwkundige waarden van de bebouwing van onder meer de voormalige meubelfabriek geïnventariseerd. De onderzochte gebouwen en landschapselementen leveren een gevarieerd beeld op in kwaliteit maar staan een herontwikkeling van het gebied niet in de weg. Tijdens de ontwerpfase is met de aanwezige waarden rekening gehouden, waarbij deze tastbaar terug komen in de plaatsing van kunstobjecten ter plaatse en in het landschapsarchitectonisch concept van de nieuwbouwlocatie. Zie hiervoor ook de planbeschrijving in Hoofdstuk 2 en het Beeldkwaliteitsplan.

De omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo' voegt 2 woningen toe en stelt het volgende bij het aspect cultuurhistorie. Doordat de 2 extra woningen zullen worden gerealiseerd op de locatie van een bouwblok overeenkomstig het geldend bestemmingsplan, valt te concluderen dat er ter plaatse van het initiatief geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn.

De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben eveneens geen invloed op de cultuurhistorische waarden. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

4.2

Bodem

Toetsingskader Voor de beoordeling van de bodemkwaliteit vormen de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit het toetsingskader. Gestreefd wordt naar een duurzaam gebruik van de bodem. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Het uitgangspunt wat betreft de bodem in het plangebied is dat de kwaliteit ervan zodanig moet zijn dat er geen risico's zijn voor de volksgezondheid bij het gebruik van het plangebied voor de voorgenomen functie.

Onderzoek Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' zijn de volgende onderzoeken uitgevoerd: Asbestinventarisatie Bodem- en asbestonderzoek Verkennend (water)bodemonderzoek en nader asbestonderzoek

Toelichting (vastgesteld)

25

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

ASBESTINVENTARISATIE Naar aanleiding van de voorgenomen sloop van de voormalige fabriek is een onderzoek naar de aanwezigheid van asbesthoudende materialen uitgevoerd. Daarbij zijn op verschillende plekken in de bebouwing asbesthoudende materialen aangetroffen die voorafgaand aan de sloop verwijderd moeten worden. Voorafgaand aan afgifte van de omgevingsvergunning (sloop en bouw) dient inzichtelijk te zijn dat het asbest verwijderd is.

BODEM- EN ASBESTONDERZOEK Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat in geen van de geanalyseerde parameters in zowel grond als grondwater de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde is overschreden. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond en in het grondwater vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. Uit het asbestonderzoek blijkt dat in de grove fractie van de bodem ter plaatse van één mengmonster asbest is aangetroffen. Het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) wordt hierbij overschreden en een nader onderzoek is derhalve noodzakelijk. In geen van de bemonsterde asfaltkernen is PAK aangetroffen; het asfalt is derhalve niet-teerhoudend. Op basis van een overschrijding van het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) wordt gesteld dat er aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem ter plaatse van de aangetoonde asbestverontreinigingen. In het nader onderzoek dient bepaald te worden of er sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging.

VERKENNEND (WATER)BODEM ONDERZOEK EN VERKENNEND EN NADER ASBESTONDERZOEK Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan worden geconcludeerd dat de aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond geen belemmering vormen voor het toekomstige gebruik. De aangetroffen matig verhoogde gehalten in de grond aan minerale olie overschrijden formeel gezien de waarde voor nader onderzoek. In dit geval is de verontreiniging voldoende afgeperkt met oog op de toekomstige saneringswerkzaamheden. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning dient dit nader inzichtelijk in het saneringsplan te worden gemaakt. Bij het asbestonderzoek op het noordelijk perceel zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In zowel de grove als in de fijne fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. Bij het nader asbestonderzoek zijn op het maaiveld geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem is over de gehele locatie geen asbest aangetroffen. In één mengmonster is een gehalte aangetoond, dat echter onder de interventiewaarde blijft. Er is derhalve geen sprake van een ernstig geval van bodemverontreiniging.

De omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo' sluit aan bij dit onderzoek en stelt het volgende hierbij. Dit onderzoek is niet uitgevoerd ter plaatse van het bouwblok waar de omgevingsvergunning op ziet. Alhoewel het onderzoek wel relevant was voor de totale ontwikkeling, is het dat niet voor de afwijking uit de omgevingsvergunning.

De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben ook geen onevenredige invloed op het bodemonderzoek. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

Conclusie

26

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 Naar aanleiding van de onderzoeken wordt de bodemkwaliteit geschikt gemaakt voor het beoogde gebruik. Hiervoor wordt waar nodig grond en verontreiniging verwijderd. Voorafgaand aan de afgifte van de omgevingsvergunning(en) wordt dit als concrete voorwaarde (ten behoeve van de borging) opgenomen. Het aspect bodem vormt daarmee geen belemmering voor het bestemmingsplan.

4.3

Water

Toetsingskader Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet bij ruimtelijke plannen een waterparagraaf worden opgenomen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen, waaronder verbouw- en nieuwbouwplannen, wordt getoetst welke consequenties deze plannen hebben voor de waterhuishouding en hoe in de plannen wordt omgegaan met aspecten van water. Het plangebied ligt in het werkgebied van waterschap Rijn en IJssel.

Onderzoek Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld.

Tabel 1. Watertoetstabel

Toelichting (vastgesteld)

27

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

28

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

Voor het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' is een Watertoets gedaan naar de wateraspecten. In het onderzoek wordt ingegaan op de huidige geohydrologische en waterhuishoudkundige situatie in het gebied. Verder zijn de waterhuishoudkundige doelen en maatstaven beschreven.

VERHARD OPPERVLAK EN AFSTROMING In totaal is het bestaand verhard oppervlak in de huidige situatie 23.928 m2. Hiervan is op dit moment niet bekend welk deel wordt afgevoerd naar het riool en/of welk deel afvoert naar de bermen. Als uitgangspunt is aangehouden dat het grootste deel van het oppervlak is aangesloten op het gemeentelijk riool (gemengd stelsel). Het nieuwe verhard oppervlak is minder dan in de bestaande situatie, namelijk 8.624 m2. In de nieuwe situatie wordt het hemelwater bij voorkeur oppervlakkig naar de wadi’s geleid, zodat het hemelwater ter plaatse in de bodem kan infiltreren. Bij hevige regenval kunnen de wadi’s overstorten op de Slingegoot.

RIOLERING EN AFVALWATERKETEN Ten gevolge van de ontwikkeling is er sprake van een toename van het afvalwater. Uitgaande van 40 nieuwe en één bestaande woning, een gemiddelde woningbezetting van 2,5 inwoner per woning en een vuilwaterproductie van 120 liter per inwoner per etmaal verdeeld over 10 uur wordt een toename aan vuilwater verwacht van (41 woningen x 2,5 inwoner x 12 l/h) = 1,23 m³/h.

WATEROVERLAST OPPERVLAKTEWATER Ten gevolge van de ontwikkeling is er sprake van een afname van het verhard oppervlak dat aangesloten is op het gemengde stelsel. Door het slopen van het bestaand verhard oppervlak wordt 23.928 m2 van het rioolstelsel afgekoppeld. Hierdoor wordt de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien verminderd.

OPPERVLAKTEWATERKWALITEIT Vanuit het plangebied wordt hemelwater via een wadi geloosd op het oppervlaktewatersysteem. Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

GRONDWATEROVERLAST In het plangebied bevinden zich slecht doorlatende lagen (leemlaag en sterk siltige lagen). Derhalve is vastgesteld dat uitgegaan wordt van het GHP zoals met het waterschap overeen te komen (zie ook hieronder). Om grondwateroverlast in de toekomstige situatie te voorkomen wordt geadviseerd om bij het ontgraven van de rioolsleuf en/of bij het ontgraven van de wadi’s deze slecht doorlatende lagen te verwijderen (grondverbetering). Geadviseerd wordt om uit te zoeken of dit voor de bouwkavels ook noodzakelijk is eventueel in combinatie met spitten.

INRICHTING EN BEHEER Nabij het plangebied bevindt zich een watergang, de Slingegoot. Deze watergang is in het beheer van Waterschap Rijn en IJssel en heeft een streefpeil van 20,84 m +NAP. De inrichting van of aanpassingen aan het watersysteem worden in overleg met het waterschap bepaald. De voorgenomen ontwikkelingen zijn geen belemmering voor het reguliere beheer en onderhoud van het watersysteem.

VOLKSGEZONDHEID In het plangebied zijn wadi’s en/of zaksloten voorzien. Om het risico op verdrinking te beperken wordt geadviseerd de wadi’s en/of zaksloten te voorzien van taluds van minimaal 1 op 3.

Toelichting (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

ONTWATERING Gangbare richtlijnen voor de ontwateringsdiepte (verschil tussen maaiveld en gemiddeld hoogste grondwaterstand, GHG), waarbij het vloerpeil van de woningen 0,30 m boven het omringend maaiveld wordt aangelegd, zijn: 1,00 m voor woningen met kruipruimten (bouwpeil t.o.v. GHG); 0,60 m voor woningen zonder kruipruimten (bouwpeil t.o.v. GHG); 0,50 m voor tuinen; 0,90-1,10 m voor primaire wegen; 0,70 m voor secundaire wegen. De GHG bedraagt 21,75 m +NAP. Hiermee dienen de bouwpeilen van de nieuwe woningen minimaal gelijk te zijn aan 22,75 m +NAP.

BEHANDELING AFVALWATER In het plangebied wordt een vuilwaterriolering aangelegd voor de afvoer van afvalwater. Het uitgangspunt is om de vuilwaterriolering onder vrijverval op het gescheiden stelsel van Het Pand (zijstraat van de Borculoseweg) of op het gemengd stelsel van Het Blik aan te sluiten. Dit dient verder uitgewerkt te worden bij het opstellen van het Rioleringsplan.

BEHANDELING HEMELWATER Volgens het document “Duurzaam en veilig water” van waterschap Rijn en IJssel geldt bij inbreidingsplannen groter dan 2.500 m2 het volgende: T=10+10% (40 mm) vertraagd afvoeren, waarvan minimaal 10 mm in infiltratie (bodempassage); T=100+10% (82 mm) mag geen wateroverlast opleveren (berging tot aan maaiveld). Ondanks dat door de ontwikkelingen in het plangebied het verhard oppervlak afneemt wordt om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen het hemelwater niet afgevoerd naar het bestaande gemengde stelsel maar volgens de trits vasthouden, bergen en afvoeren behandeld. De afvoer van hemelwater wordt bij voorkeur bovengronds verzorgd. Indien dit niet mogelijk is, wordt er een hemelwaterriool aangelegd met een afvoer op wadi’s en/of zaksloten. Bij hevige regenval kan het systeem overstorten op de Slingegoot.

Rekenvoorbeeld te realiseren verhard oppervlak binnen het plangebied 8.624 m2; benodigde berging bij T=10 + 10% (40 mm) 345 m3 (peilstijging tot aan stuwpeil); benodigde berging bij T=100 + 10% (82 mm) 707 m3 (peilstijging tot aan maaiveld); insteek wadi 2 m uit kantverharding; taluds 1:5 bij de grotere beschikbare locaties; taluds 1:3 bij de 3 beschikbare locaties ten zuiden van de velden met zonnepanelen; bodemhoogte wadi 0,5 m –mv en 0,3 m boven GHG; stuwpeil wadi 0,2 m boven de bodemhoogte van de wadi; mogelijke te realiseren berging bij T=10 + 10% (40 mm) 459 m3 (peilstijging tot aan stuwpeil); mogelijk te realiseren berging bij T=100 + 10% (82 mm) 1.411 m3 (peilstijging tot aan maaiveld). Als aandachtspunt wordt meegegeven dat de gerealiseerde wadi bij de Aldi geen overcapaciteit heeft. Met andere woorden, hierop kan geen extra water van het plangebied op worden aangesloten.

Over de definitieve keuze omtrent het toe te passen hemelwatersysteem en de verdere uitwerking vindt

30

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 overleg plaats tussen gemeente, initiatiefnemer en waterschap Rijn en IJssel.

Dit onderzoek is ook gebruikt in de omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo'. De omgevingsvergunning stelt hierbij het volgende. De omgevingsvergunning ziet alleen op het realiseren van een groter aantal woningen. In het kader van de ontwikkeling van Oldenhuis vond nog overleg tussen gemeente, initiatiefnemer en waterschap Rijn en IJssel plaats over de definitieve keuze omtrent het toe te passen hemelwatersysteem en de verdere uitwerking. Daarbij zullen de gevolgen van deze extra woningen ook worden betrokken.

De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, leiden tot enige wijziging in het totale verharde oppervlak. Dit zal echter zodanig zijn dat er slechts sprake is van geen of nauwelijks invloed op het wateraspect. Dit gegeven zal nader worden kortgesloten met het waterschap. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk. Het waterschap heeft dit middels het vooroverleg bevestigd (paragraaf 6.1.3).

4.4

Geluid

Wet geluidhinder In het kader van de Wet geluidhinder bevinden zich langs alle wegen zones, met uitzondering van wegen die zijn gelegen binnen een als woonerf aangeduid gebied en wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Binnen de bebouwde kom bedraagt de zonebreedte voor tweestrookswegen die aan weerszijden van de weg (gerekend vanuit de wegas) in acht moet worden genomen 200 m. In het geval van het realiseren van geluidsgevoelige bebouwing binnen deze zone, zoals woningen, moet een akoestisch onderzoek plaatsvinden. Formeel kan akoestisch onderzoek achterwege blijven bij wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt. Op grond van een goede ruimtelijke ordening moet echter ook aan dit soort wegen aandacht worden geschonken.

Onderzoek bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' is een Akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het blijkt dat vanwege het wegverkeer op de Borculoseweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden ter plaatse van 12 woningen aan de zuidwestzijde van het plangebied. Bij de overige woningen wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden.

MOTIVERING HOGERE GRENSWAARDE Het college kan een hogere waarde verlenen, volgens artikel 110a lid 5 Wgh, in die gevallen waarin de toepassing van maatregelen, gericht op het terugbrengen van de te verwachten geluidbelasting (vanwege de weg) van de uitwendige scheidingsconstructie van de betrokken woningen tot 48 dB onvoldoende doeltreffend zal zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoet van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard. De voorkeursvolgorde voor het treffen van maatregelen ter beperking van de geluidbelasting is op de eerste plaats bronmaatregelen (bijvoorbeeld beperken aantal voertuigen, toepassen ander wegdek of verlagen rijsnelheid), vervolgens overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidschermen) en tot slot gevelmaatregelen. Het treffen van bronmaatregelen als het beperken van het aantal voertuigen is niet mogelijk. Het toepassen van een stiller wegdek zou een optie kunnen zijn (zoals dunne deklagen). De reductie bedraagt ongeveer 3 dB. De kosten daarvan zullen echter bij de hogere waarde procedure afgewogen moeten worden tegen het bereikte resultaat voor de nieuwe woningen (bezwaren van financiële aard).

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 Daarnaast zal er ter plaatse van vele woningen nog steeds de voorkeursgrenswaarde worden overschreden. De snelheid op deze weg kan eveneens niet verlaagd worden door de initiatiefnemer. Bij maatregelen in de overdracht moet gedacht worden aan een hoge wal of scherm. Deze zullen echter stedenbouwkundig niet wenselijk zijn. Overdrachtsmaatregelen zijn hierdoor ook verder uitgesloten. Afstandsvergroting is in deze situatie niet mogelijk, aangezien op dat moment geen leefbare achtertuin meer aanwezig is bij de betreffende woningen. Daarnaast zal het hele bouwplan aanzienlijk moeten verschuiven in noordoostelijke richting hetgeen niet mogelijk is. Als aanvullende eis van de gemeente Oost-Gelre wordt gesteld dat tenminste één geluidluwe gevel aanwezig moet zijn. Alle woningen in het betreffende bouwplan hebben minimaal één geluidluwe gevel.

CONCLUSIE Op één punt in de dagperiode na wordt de voorkeurswaarde van 48 dB bij 12 woningen overschreden. De hogere grenswaarde varieert van 52 tot maximaal 62 dB. Deze woningen zijn het meest zuidwestelijk gelegen van het plan. Voldaan wordt aan de hoogste toelaatbare grenswaarde van 63 dB. Om de hogere waarde te kunnen verlenen moet voldaan worden aan de ´Beleidsregel Hogere geluidgrenswaarden Afdeling Bouwen en Milieu, eenheid milieu' (verder: HGW-beleid), vastgesteld op 18 januari 2010. Voor de onderhavige situatie wordt voldaan aan de voorwaarde, dat de "nog niet geprojecteerde woningen binnen de bebouwde kom ter plaatse gesitueerd worden als vervanging van bestaande bebouwing (bedrijfspanden)". Aanvullend wordt als eis gesteld dat tenminste één geluidluwe gevel aanwezig moet zijn. Uit de rekenresultaten blijkt dat alle woningen een gevel hebben met een gevelbelasting lager dan 48 dB zodat gesteld kan worden dat aan deze voorwaarde van een geluidluwe gevel wordt voldaan. (een gevel of geveldeel die niet rechtstreeks wordt belast met een geluidniveau boven de voorkeursgrenswaarde). Gelet op het geluidbeleid kan een hogere grenswaarde worden verleend. Deze is verleend door het College van Burgemeester en Wethouders op 4 mei 2020.

Ten behoeve van de bepaling van het binnenniveau, dient gerekend te worden met de geluidbelasting exclusief de aftrek ex artikel 110g Wet geluidhinder. Het maximaal toelaatbare binnenniveau ter plaatse van woningen bedraagt 33 dB. Conform het Bouwbesluit wordt als uitgangspunt genomen dat een gevel van een gebouw een minimale gevelwering heeft van 20 dB. In de onderstaande tabel zijn de maatgevende berekeningsresultaten exclusief 5 dB aftrek ex artikel 110g Wgh, samengevat. Uit berekeningen blijkt dat de maximale geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer ter plaatse van de gevels van 12 woningen varieert tussen de 54 en de 67 dB bedraagt. Er zijn daar waar het niveau hoger is dan 53 dB aanvullende maatregelen nodig om aan het gewenste binnenniveau van 33 dB te kunnen voldoen. Dit betreft enkel de 12 woningen, waarvoor de hogere grenswaarde is verleend. De berekening van de gevelwering van de woningen moet in een aanvullend onderzoek aangegeven worden. De beleidsregel hogere geluidgrenswaarden stelt dat, daar waar sprake is van cumulatie, wordt de hinder bepaald en beoordeeld volgens de methode uit het Reken en meetvoorschrift geluidhinder 2006. Het aspect geluid vormt op basis van de bovenstaande conclusies geen belemmering voor het plan.

Onderzoek omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo' Uit het onderzoek dat in het kader van de ontwikkeling van Oldenhuis is uitgevoerd, blijkt dat onder andere de rijwoningen een te hoge geluidbelasting ondervonden van het wegverkeerslawaai van de Borculoseweg. Mede voor deze bouwblokken zijn dan ook hogere waarden verleend. Doordat de omgevingsvergunning twee extra woningen toestaat voor de gehele ontwikkeling, zal de verleende hogere waarde moeten worden gewijzigd zodat ook voor de extra woningen een hogere waarde verleend wordt. Dit betekent dat het eerdere besluit tot vaststelling van de hogere waarde voor de beide blokken met rijwoningen zal worden ingetrokken, waarna een nieuw ontwerpbesluit ter inzage zal worden gelegd, tezamen met het ontwerpbesluit voor de omgevingsvergunning. Om inzicht te krijgen in de

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 geluidbelasting, is een aanvullend akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dat onderzoek is als Bijlage 8 bij voorliggende onderbouwing gevoegd. In de nabijheid van het initiatief is geen industrie of spoorweg gelegen. Industrielawaai en railverkeerslawaai spelen dan ook geen rol.

Dit besluit tot het vaststellen van een hogere grenswaarde is reeds verleend.

Onderzoek voorliggend bestemmingsplan De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben ook geen onevenredige invloed op het akoestische onderzoek. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

4.5

Luchtkwaliteit

Toetsingskader Nederland heeft de regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm.

In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht. Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5". Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersverdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.

Onderzoek Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van 42 nieuwe woningen. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens van 1.500 woningen en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd. Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het projectgebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2011. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 zijn stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Getoetst dient te worden aan de norm voor NO2 per 1 januari 2015. Vanaf die datum moet blijvend aan de norm van NO2 worden voldaan. Per 21 juni 2011 moet aan de grenswaarden voor fijn stof worden voldaan. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de achtergrondniveaus voor NO2, PM10 en PM2,5 in zowel 2011, 2015 als 2020 onder de grenswaarden liggen.

Conclusie Het plan moet worden beschouwd als een nibm-project. Uit de achtergrondniveaus blijkt dat deze onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan achterwege blijven.

De omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo' sluit aan bij dit onderzoek en deze conclusie. De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben ook geen invloed op de luchtparagraaf. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

4.6

Flora en fauna

Toetsingskader Om de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' te toetsen, is een Quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het doel hiervan is om in te schatten of er in het plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. Verder is voor het plan een Boom Effect analyse en ecologische beoordeling opgesteld. Het doel van deze analyse is om voor de bestaande bomen en groenopstanden advies te geven over wat de randvoorwaarden zijn voor duurzaam behoud en heeft daarnaast de nodige input geleverd voor het landschappelijk ontwerp zoals beschreven in Hoofdstuk 2 van dit bestemmingsplan.

Soortenbescherming De aanwezigheid van geschikt habitat in het plangebied voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in tabel 2. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningtrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen. Tabel 2. Ov erzicht geschiktheid plangebied v oor soortgroepen en te nemen v erv olgstappen

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

Ten aanzien van algemene broedvogels kunnen overtredingen worden voorkomen door rekening te houden met het broedseizoen. Daarnaast dient voor aanvang van de sloop van de gebouwen en de werkzaamheden met betrekking tot de realisatie van de woningen tijdig duidelijk te zijn of hier nestlocaties van de huismus of gierzwaluw en/of verblijfplaatsen van een vleermuizen aanwezig zijn. Op basis van de nader te verkrijgen informatie kan worden bepaald of verstoring/overtreding door de ingrepen ten aanzien van deze soorten aan de orde is. De mogelijk aanwezige nest- en verblijffuncties van de betreffende beschermde soorten vormen echter geen belemmering voor de bestemmingsplanwijziging. Middels het tijdig treffen van de juiste maatregelen en het eventueel aanvragen van een ontheffing kunnen de voorgenomen plannen alsnog worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht. Gebiedsbescherming NATURA 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000.

Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op Duits grondgebied. Dit betreft het Vogelschutzgebiet Moore und Heiden des Westlichen Muensterlandes en habitatrichtlijngebied Zwillbrocker Venn, EllewickerFeld. Het gebied bevindt zich op circa 5 km afstand ten oosten van het plangebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied in Nederland, Korenburgerveen, bevindt zich op circa 6,1 km afstand ten zuidoosten van het plangebied. De kenmerken en doelstellingen van, Nederlandse, Natura 2000-gebieden staan beschreven in de database van Natura-2000 gebieden (Ministerie van LNV, 2019). Voor een overzicht van mogelijke verstoringsfactoren op de Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling is de

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 Effectenindicator geraadpleegd (Ministerie van LNV, 2019). De effectenindicator is een hulpmiddel bij de toetsing op grond van de Wnb en geeft informatie over de gevoeligheid van soorten en habitattypen voor de meest voorkomende storende factoren, gebaseerd op absolute getallen voor biotische randvoorwaarden en kennis van ruimtelijke randvoorwaarden. De resultaten zijn per gebied te raadplegen. Voor voorliggende situatie worden de mogelijke effecten van storingsfactoren op basis van de planontwikkeling in beeld gebracht. Gezien de ligging op minimaal 5 km afstand heeft het onderzoeksgebied geen belangrijke directe ecologische relaties met de eerdergenoemde Natura 2000-gebieden. Door de afstand en de aard van de ontwikkelingen hebben deze geen invloed op een groot aantal factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, mechanische effecten, verstoring door licht, geluid, trilling, optische verstoring of verstoring van de populatiedynamiek. Ook vinden geen aanpassingen in de waterhuishouding plaats en worden geen verontreinigende stoffen uitgescheiden. Daardoor zijn ook effecten op alle water gerelateerde factoren zoals verontreiniging, verdroging en vernatting uit te sluiten.

Van externe werking van de ontwikkelingen in het onderzoeksgebied is mogelijk sprake ten gevolge van stikstofdepositie op de twee Natura 2000-gebieden. Er is daarom een Stikstofberekening uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' (BügelHajema Adviseurs, Berekening stikstofdepositie Locatie Oldenhuis te Groenlo, 02-10-2019, Bijlage 11). Voor de invloed van het plan op het gebied van stikstofdepositie kunnen zowel de aanlegfase als de gebruiksfase relevant zijn. In de aanlegfase gaat het om de emissie van mobiele werktuigen op de bouwlocatie en van werkverkeer om de bouw van 40 grondgebonden rijwoningen mogelijk te maken. In de gebruiksfase gaat het om de emissie van verkeersbewegingen. Omdat de woningen gasloos worden gebouwd leidt dit niet tot emissie. Uit de berekening blijkt dat er geen natuurgebieden zijn met een overschrijding van een projectbijdrage van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Er treedt door de stikstofdepositie geen negatief effect op in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) beschermde Natura 2000-gebieden. Een vergunning van de Wnb is in het kader van de stikstofdepositie dan ook niet nodig.

NATUURNETWERK NEDERLAND Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. Het ligt echter wel in de nabijheid van een gebied behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 10 m ten noordoosten van het plangebied. Het betreft een onderdeel van de Groene ontwikkelingszone van het Gelders Natuurnetwerk met beheertypen ‘houtwal en houtsingel’, ‘kruiden- en faunarijk grasland’, ‘moeras’ en ‘vochtig hooiland’. Ingrepen binnen of in de directe omgeving van gebieden van het Gelders Natuurnetwerk worden op dit moment gedoogd door het bevoegd gezag en worden niet nader onderzocht. De te verwachten effecten van de voorgenomen werkzaamheden en het toekomstig gebruik van het plangebied op het nabijgelegen Gelders Natuurnetwerk zijn daarnaast relatief klein ten opzichte van de effecten van de huidige activiteit. Vervolgonderzoek in het kader van het gebiedenbescherming ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland/Gelders Natuurnetwerk wordt niet noodzakelijk geacht. Stikstofberekening De bovenstaande conclusie is gestaafd aan de uitgevoerde stikstofberekening. Hieruit volgt hetzelfde resultaat. De stikstofberekening is als bijlage toegevoegd.

Houtopstanden Van het meest noordelijk gelegen bosgebiedje wordt de zuidelijke helft gerooid in verband met de aanleg van een doorgaand fietspad tussen het Waterrmolenpad ten westen van het plangebied en het stadspark De Grolse Weiden ten oosten van het plangebied. De gemeente Oost Gelre acht het van belang dat deze bovenlokale fietsroute een gestrekt tracé krijgt zonder al te veel scherpe bochten. Deze keuze heeft geprevaleerd boven het volledig handhaven van dit bosgebiedje. De gemeente heeft bij de stedenbouwkundige planvorming de ruimte gegeven om de lokale groensituatie hier op een

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 dusdanige wijze aan te passen. De te kappen bomen zijn gelegen binnen de bebouwde kom. Zij zijn daarom niet beschermd conform artikel 4 van de Wet natuurbescherming. Bij de voorgenomen kap is dan ook geen sprake van een meldings- en herplantverplichting in het kader van artikel 4.2 en 4.3 van de Wet natuurbescherming. Tot slot is het totale bosoppervlak, waar de te kappen bomen onderdeel van uitmaken, minder dan tien are. Hierdoor vallen ze niet onder de definitie houtopstanden. Daarom zijn overtredingen van de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden uitgesloten.

Conclusie Gelet op de gevonden en te verwachten ecologische waarden en de beoogde planontwikkeling is het bestemmingsplan uitvoerbaar. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen goed mogelijk is.

Bovenstaande onderzoeken zijn ook gebruikt in de omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo'. De omgevingsvergunning concludeert hetzelfde voor soortbescherming. Voor stikstofdepositie wordt het volgende geconcludeerd. Uit de berekening blijkt dat de totale ontwikkeling met 41 woningen geen overschrijding tot gevolg heeft van meer dan 0,00 mol N/ha/jaar. Het is dan ook zeer aannemelijk dat het toevoegen van 2 extra woningen evenmin een significant nadelige toename van stikstofdepositie op Natura2000-gebieden tot gevolg heeft.

De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben ook geen invloed op het aspect ecologie. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader Milieuzonering zorgt voor voldoende afstand tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) in ruimtelijke plannen. Het doel hiervan is om reeds in ruimtelijke plannen milieuhinder bij woningen te voorkomen en tegelijkertijd aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun bedrijfsactiviteiten. Regels voor milieuzonering zijn opgenomen in de VNG-publicatie Bedrijven en Milieuzonering (2009). Hierin wordt, onderscheiden naar omgevingstypen waarvoor een bepaalde mate van milieuhinder aanvaardbaar wordt geacht, een richtafstand tot woningen per bedrijfstype aangegeven. Voor een scala aan milieubelastende activiteiten zijn richtafstanden aangegeven ten opzichte van een rustige wijk. In de lijsten wordt onderscheid gemaakt voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van deze vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieucategorie. Indien de aard van de omgeving dit rechtvaardigt, kan gemotiveerd een kleinere afstandrichtlijn worden aangehouden, omdat gezien de aanwezige functiemenging of ligging nabij drukke wegen al een hogere milieubelasting aanwezig is.

Onderzoek Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' is het aspect milieuzonering ondezocht. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een Aldi-supermarkt met parkeerterrein (Het Pand 2). Ten westen van het plangebied bevindt zich een basisschool. Voor het overige bestaat de omgeving in hoofdzaak uit woningen en groen. Voor de toetsing aan de richtafstanden is daarom uitgegaan van een rustige woonwijk.

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

BASISSCHOOL Voor basisscholen (milieucategorie 2) geldt een grootste richtafstand van 30 m, voor het aspect geluid. De afstand van de maatschappelijke bestemming van de school tot de woningen in het plangebied bedraagt minimaal 60 m. Er wordt daarmee ruimschoots voldaan aan de richtafstand.

SUPERMARKT EN PARKEERTERREIN Op grond van de VNG-brochure bedrijven en milieuzonering bedraagt de richtafstand voor geluid van een supermarkt 10 m vanaf de grens van het terrein (van de Aldi) tot aan woningen. Aan deze afstand wordt voldaan. Bij de beoordeling van cumulatie van de geluidbelasting van wegverkeer is het geluid van verkeer van en naar de Aldi meegenomen. Deze zogenaamde indirecte hinder is geen nader te onderzoeken aspect en kan buiten beschouwing kan worden gelaten. Verkeersbewegingen op het Aldi-terrein voor de bevoorrading en van de klanten behoort tot de zogenaamde directe hinder. Dit wordt getoetst aan het gebiedsgericht geluidbeleid van Oost Gelre (zie paragraaf 3.4.5). De gemeente heeft voor elk gebiedstype een akoestische streefwaarde en een grenswaarde vastgesteld. De streefwaarde is de waarde die een geluidproducent in principe krijgt opgelegd. In uitzonderingsgevallen kan de gemeente hiervan afwijken en tot de grenswaarde vergunnen. De streef- en grenswaarden gelden alleen voor nieuwe ruimtelijke en vergunningssituaties. In de praktijk worden er op basis van het geluidbeleid geen maatwerkvoorschriften Activiteitenbesluit opgelegd. Voor bestaande situaties blijft het huidige geluidsregime van kracht totdat een wijziging optreedt. De inrichting en omliggende geluidgevoelige gebouwen liggen in het gebiedstype "Woongebied".

Hiervoor gelden de volgende streef- en grenswaarden: De gemeente Oost Gelre heeft in het geluidbeleid geen grenswaarden op genomen voor piekgeluiden ofwel maximale geluidniveaus LAmax. Hiervoor hanteert de gemeente de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening. De inrichting en omliggende geluidgevoelige gebouwen liggen in de woonomgeving "Woonwijk in de stad" Hiervoor gelden de volgende voorkeurs- en grenswaarden: De grenswaarde kan onder voorwaarden op basis van een bestuurlijke afweging in de dag en nacht 5 (A) worden verhoogd. Het gebouw van de Aldi met de locatie van het laden en lossen (bevoorrading) ligt op 75 m van de woningen. Installatiegeluid speelt geen rol. Piekgeluid van laden en lossen voldoet in de dag en avond aan de beoordelingsniveaus. In de nacht zal geen laden en lossen plaatsvinden. Het parkeerterrein van de Aldi ligt op ongeveer 30 m van de woning. Dit is de kortste afstand. Piekgeluid van verkeersbewegingen en dichtslaande portieren van klanten voldoet in de dag en avond aan de beoordelingsniveaus. In de nacht zullen deze piekniveaus niet plaatsvinden. De Aldi valt onder het Activiteitenbesluit. De volgende beoordelingsniveaus zijn van toepassing: De beoordelingsniveaus komen overeen met de grenswaarden van het geluidbeleid. Omdat hieraan wordt voldaan wordt tevens voldaan het de beoordelingsniveaus van het Activiteitenbesluit.

Conclusie De geluiden afkomstig van het Aldi-terrein vormen geen belemmering van het woon- en leefklimaat in het plangebied. De Aldi wordt niet belemmerd in de bedrijfsvoering. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben geen invloed op het aspect milieuzonering. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

4.8

Externe veiligheid

Toetsingskader Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport (onder andere van gevaarlijke stoffen). Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Risicobronnen kunnen worden onderscheiden in risicovolle inrichtingen (onder andere lpg-tankstations), vervoer van gevaarlijke stoffen (via wegen, spoorwegen, waterwegen) en leidingen (onder andere aardgas, vloeibare brandstof en elektriciteit). Om voldoende ruimte te scheppen tussen de risicobron en de personen of objecten die risico lopen (kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten), moeten vaak afstanden in acht worden genomen. Ook ontwikkelingsmogelijkheden die ingrijpen in de personendichtheid kunnen om onderzoek vragen. Bij externe veiligheid wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon die (onafgebroken aanwezig en onbeschermd) op een bepaalde plaats overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

Het GR bestaat uit de cumulatieve kans per jaar dat een groep van een bepaalde omvang overlijdt als gevolg van een calamiteit met een inrichting of een transportmodaliteit.

Figuur 5. Uitsnede risicokaart

Buisleidingen Uit een inventarisatie van de risicokaart (risicokaart.nl) blijkt dat zich in of in de directe omgeving van het plangebied geen buisleidingen bevinden die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Het plangebied ligt niet in het invloedsgebied van risicovolle leidingen.

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

Inrichtingen Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een tankstation met lpg (Borculoseweg 57). Het plangebied ligt op een afstand van ruim 200 m van het tankstation. De PR10-6 risicoafstanden van het lpg-reservoir, de afleverinstallatie en het vulpunt bedragen respectievelijk 25 m, 15 m en 35 m. Het plangebied ligt buiten deze risicoafstanden. Het invloedsgebied van voor de verantwoording van het groepsrisico van het tankstation is 150 m. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied. Voor het overige zijn er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is niet noodzakelijk.

Transport In de directe omgeving van het plangebied zijn geen spoor- en waterwegen die relevant zijn in het kader van externe veiligheid. Op circa 900 m ten oosten van het plangebied ligt de weg N18, die tot het Basisnet weg behoort. Over deze weg worden gevaarlijke stoffen vervoerd. Deze weg heeft geen PR-plafond of plasbrandaandachtsgebied. Het GR-plafond bedraagt 9 m, gemeten vanaf het midden van de weg. Het plangebied ligt hiermee buiten het invloedsgebied van de weg.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor het plan.

De omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo' sluit aan bij deze conclusie en stelt het volgende hierbij. Externe veiligheid zorgt niet voor belemmeringen voor de afwijking waarbij twee extra woningen worden toegevoegd.

De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben ook geen invloed op het aspect externe veiligheid. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

4.9

Geur

Wettelijk kader Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006.

Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden. Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 veehouderij: bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per m3 ucht; bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per m3 lucht; bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per m3 lucht. Situatie plangebied De dichtstsbijzijnde agrarische bedrijven bevinden zich op een afstand van circa 400 m ten noorden van het plangebied. Tussen het plangebied en de agrarische bedrijven bevinden zich bestaande geurgevoelige objecten, in de vorm van woningen. Het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' en de omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo' bieden ten opzichte van de voorgaande bestemmingsplannen niet de mogelijkheid om nieuwe geurgevoelige objecten op kleinere afstand van omliggende veehouderijen te realiseren. Veehouderijen worden dus ten opzichte van voorgaande bestemmingsplannen niet verder in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Daarbij bestaan geen aanwijzingen voor een zodanig slecht woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied dat hierop in het kader van dit bestemmingsplan moet worden ingegrepen.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor het planvoornemen.

De omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo' sluit aan bij deze conclusie. De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben geen invloed op het aspect geur. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

4.10

Verkeer en parkeren

Toetsingskader In het kader van de invulling van het plangebied bestaat de behoefte inzicht te verkrijgen in de wijzigingen in de verkeersstromen ten gevolge van deze ontwikkeling. Hiervoor is een Notitie verkeer opgesteld waarin wordt ingegaan op de verkeersgeneratie, de ontsluiting van het plangebied en de intensiteiten en verkeersafwikkeling op de Borculoseweg.

Onderzoek Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' is het aspect verkeer en parkeren onderzocht. De woonbuurt genereert ongeveer 317 ritten per etmaal. De ontsluiting van de buurt vindt plaats op de Borculoseweg via Het Pand. Op basis van de verkeersanalyse is geconcludeerd dat dit kruispunt voldoende capaciteit heeft om de toename van het gemotoriseerd verkeer ten gevolge van de komst van de woonbuurt te verwerken. Ook voor langzaam verkeer zijn voldoende en goede mogelijkheden om de woonbuurt te bereiken dan wel te verlaten. De reconstructie van de Borculoseweg biedt goede mogelijkheden om deze veilig over te steken, dan wel langs te fietsen. Gelet op de functie van de Borculoseweg (gebiedsontsluitingsweg) en de herinrichting van deze weg vormt de komst van de nieuwe woonbuurt geen probleem wat betreft de afwikkeling van het gemotoriseerd verkeer en de verkeersveiligheid. Op de verkeerskundige opzet van het plan en het parkeren is al ingegaan in paragraaf 2.5. Langs de hoofdontsluiting (langsparkeren) en op de binnenhoven (haaksparkeren) zijn in totaal 46 openbare parkeerplaatsen gesitueerd. De vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen krijgen elk twee

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022 parkeerplaatsen op eigen erf (44 in totaal). Het plan voldoet hiermee aan de gemeentelijke parkeernormen.

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het plan.

De omgevingsvergunning '43 woningen, Oldenhuis Groenlo' maakt twee extra nieuwe woningen mogelijk. De omgevingsvergunning stelt dat de benodigde extra parkeerplaatsen in de openbare ruimte kunnen worden toegevoegd en 4 parkeerplaatsen extra op eigen terrein van de eindwoningen worden gerealiseerd. In de omgevingsvergunning voor de bouw van de nieuwe 10 rijwoningen zal als voorwaarde worden opgenomen dat vergunninghouder en toekomstig koper bij deze 4 eindwoningen 2 parkeerplaatsen op eigen terrein moeten realiseren en in stand moeten houden.

De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben geen invloed op het aspect verkeer en parkeren. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

4.11

Kabels en leidingen

In en rondom het plangebied zijn verschillende algemene nutskabels en -leidingen aanwezig. Hiermee wordt bij de planuitwerking rekening gehouden. Er bevinden zich in of nabij het plangebied geen kabels of leidingen waarvoor in het bestemmingsplan een beschermende regeling moet worden opgenomen.

Deze conclusie geldt ook voor voorliggend bestemmingsplan. De geringe verschuivingen van de bouwen bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, hebben geen (onevenredige) invloed op de kabels en leidingen. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

4.12

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Wettelijk kader Op 1 april 2011 is het Besluit milieueffectrapportage gewijzigd door het 'Besluit reparatie en modernisering milieueffectrapportage' en is bepaald dat de grenswaarden voor een m.e.r.-beoordelingsplicht indicatief zijn. Het bevoegd gezag moet bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, nagaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling (85/337/EEG). In het kader hiervan is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. In het kader van de wijziging van het Besluit m.e.r. is een handreiking opgesteld over de vraag hoe moet worden vastgesteld of een activiteit met een omvang onder de drempelwaarde toch belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. In de handreiking is opgenomen dat voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst en die een omvang hebben die beneden de drempelwaarden ligt, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gebruikt. Uit deze toets kunnen twee conclusies volgen: belangrijke nadelige milieueffecten zijn uitgesloten of belangrijke nadelige milieueffecten zijn niet uitgesloten.

In het eerste geval is de activiteit niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, in het andere geval moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd en de bijbehorende procedure te worden gevolgd. De toetsing in het kader van de vormvrije m.e.r.-beoordeling moet plaatsvinden aan de hand van de selectiecriteria in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling.

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis 2022

AANMELDNOTITIE Het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.) is gewijzigd. De wijziging is het gevolg van de implementatie van Richtlijn 2014/52/EU die ziet op het wijzigen van Richtlijn 2011/92/EU. Dit is de richtlijn die ziet op projecten (kolom 4). De wijzigingsrichtlijn is voor het overgrote deel geïmplementeerd in de Wet milieubeheer. Het gewijzigde Besluit m.e.r. is in werking getreden op 7 juli 2017. Eén van de belangrijkste gevolgen van de wijziging van het Besluit m.e.r. is dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling moet worden aangevraagd door middel van een aanmeldnotitie. Dit is geregeld in artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r. De aanmeldnotitie beschrijft de gevolgen van de voorgenomen activiteit voor het milieu en geeft een conclusie omtrent de noodzaak tot een m.e.r.-procedure. Aan de hand van deze informatie kan het bevoegd gezag een beslissing nemen of voor de voorgenomen activiteit een MER dient te worden opgesteld.

Afweging Ten behoeve van het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening Oldenhuis' is de volgende paragraaf opgesteld. Het plan maakt de bouw van 40 nieuwe woningen mogelijk, zo ook het handhaven van een bestaande beheerderswoning. Voor stedelijke ontwikkelingsprojecten (D11.2) geldt een grenswaarde van 2.000 woningen. Het plan blijft met het genoemde aantal ruimschoots onder de drempelwaarde, zoals die is opgenomen op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Uit de verrichte milieuonderzoeken, zoals opgenomen in dit plan en de Aanmeldnotitie m.e.r., blijkt dat de effecten van de realisatie van de woningen in het betreffende gebied niet van dien aard zijn dat er sprake is van belangrijke nadelige gevolgen. De aard van de voorgenomen activiteit is niet van die omvang dat er onevenredig nadelige effecten op de omgeving plaatsvinden. Daarnaast vindt de ingreep niet plaats in een gevoelig gebied. Er zijn geen negatieve effecten op de omgeving te verwachten. Het plan is van een relatief geringe omvang. Daarbij is het project qua situering en potentiële negatieve effecten op de omgeving niet van dien aard dat het nader beoordeeld moet worden in een afzonderlijke m.e.r.(beoordelings)procedure. Het college van Burgemeester en Wethouders heeft hiertoe besloten d.d. 18 februari 2020.

De geringe verschuivingen van de bouw- en bestemmingsvlakken die voorliggend bestemmingsplan doorvoert, vallen niet onder het Besluit m.e.r. Dit omdat de verschuivingen slechts zeer gering zijn. Voor het overige is voorliggend bestemmingsplan conserverend. De begrenzing van het plangebied blijft gelijk.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15047126/1