bp n18 zieuwentseweg toelichting bijlage 6 bureauonderzoek archeologie
Tekst van het document
5.1
Samenvatting
Langs de N18 zijn op twee locaties ingrepen gepland in het kader van het Integraal Groot Onderhoud programma van Rijkswaterstaat. Het betreft een locatie langs de N18 bij Lichtenvoorde (deelgebied 1) en een locatie langs de N18 onder Groenlo (deelgebied 2). Uit de geomofrologische kaart blijkt dat Deelgebied 1 ligt op een dekzandrug, die gevormd is tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien. De hoge ruggen vormen vaak hoge droog gelegen gebieden die in het verleden aantrekkelijke locaties vormden voor bewoning. Op de dekzandrug is ook nog een afdekkend plaggendek aanwezig. Volgens de bodemkaart komen in het gebied echter veldpodzolbodems voor. De historische kaarten tonen aan dat het zuidelijke deel van het plangebied in het verleden in gebruik was als akkercomplex. Het is aannemelijk dat op deze akkercomplexen een plaggendek is ontstaan. Het plangebied bij Lichtenvoorde ligt waarschijnlijk op een overgangszone van een bodem met plaggendek naar de veldpodzolbodems in het noordelijke deel van het plangebied. Het AHN toont aan dat het plangebied zich aan de rand van een dekzandrug bevindt. Dit past in het beeld van de overgangszone van het plaggendek op de hoge zandgronden en de veldpodzolbodem op de lager gelegen delen. De archeologische verwachtingskaart van de gemeente Oost Gelre geeft een hoge verwachting voor de dekzandrug bij Lichtenvoorde.
Binnen het plan- en onderzoeksgebied van deelgebied 1 Lichtenvoorde zijn veel archeologische onderzoeken uitgevoerd. Ook zijn er een aantal onderzoeken direct binnen het plangebied uitgevoerd. Twee van de beschikbare onderzoeken uitgevoerd binnen het plangebied (39778251100 en 2010908100) tonen een bodem die is vrijgegeven van archeologisch onderzoek omdat er geen archeologische waarden meer te verwachten zijn en een verstoorde bodem. Andere onderzoeken uitgevoerd in de omgeving van het plangebied tonen archeologische vindplaatsen met name uit de Middeleeuwen. Deelgebied 2 ligt op een hoog plateau waar zeer oude sedimenten uit het Mesozoïcum en Tertiair dicht aan het oppervlak liggen. Tijdens het Tertiair zijn deze lagen omhoog geduwd. Op dit hoog gelegen plateau is tijdens het Weichselien dekzand afgezet. Uit het historisch kaartmateriaal blijkt dat Deelgebied 2 bij Groenlo de Franse Schans van de Circumvallatielinie uit 1627 doorsnijdt. Voor het plangebied bij Groenlo geldt een hoge verwachting voor de Circumvallatielinie en de aanwezige restanten van de Franse Schans. Voor het Onze referentie: 079830905 D - Datum: 26 juni 2018
37 van 44
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE N18
overige gebied geldt een lage verwachting. Binnen het plan- en onderzoeksgebied van deelgebied 2 Groenlo zijn duidelijk minder onderzoeken uitgevoerd dan in deelgebied twee. De onderzoeken waarvan de inhoud bekend is zijn uitgevoerd om de liniegreppel van de Circumvallatielinie uit 1627 te bepalen.
5.2
Gespecificeerd verwachtingsmodel
Op basis van dit bureauonderzoek kan worden vastgesteld dat voor het plangebied bij Lichtenvoorde een hoge verwachting is op archeologie. De archeologische waarden kunnen daarbij dateren van het Laat Paleolithicum tot de Nieuwe tijd. Deze sporen zullen zich bevinden onder een plaggendek (circa 50 -70 cm Mv). De sporen uit de Nieuwe tijd kunnen zich direct onder de bouwvoor bevinden. Op basis van de aanwezigheid van het plaggendek zullen de archeologische waarden waarschijnlijk in goede staat verkeren. Op basis van eerder uitgevoerd onderzoek blijkt dat de bodem op sommige locaties in de nabijheid van het plangebied verstoord is. Deze gegevens zijn echter te minimaal om op basis hiervan uitspraken te doen over het gehele plangebied. Voor het plangebied bij Groenlo is met uitzondering van de Circumvallatie linie een lage verwachting toegekend. Het gebied was waarschijnlijk niet geschikt voor permanente bewoning in het verleden. Een hoge verwachting is wel aanwezig voor de Circumvallatielinie uit 1627 (Nieuwe Tijd). Het plangebied oversnijdt de grenzen van de Franse Schans die op deze locatie gesitueerd was. Gebaseerd op voorgaand onderzoek in de omgeving is de verwachting dat de archeologische resten in de bodem in goede staat verkeren.
5.3
Advies
Geadviseerd wordt om voor deelgebied 1 een inventariserend veldonderzoek in de vorm van verkennende boringen uit te voeren (Figuur 25). Indien uit de boringen blijkt dat de bodemopbouw intact is wordt geadviseerd een doorstart te maken naar een karterend booronderzoek. Ter hoogte van het historisch erf wordt aanbevolen tevens een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Voor deelgebied twee wordt geadviseerd om op de verwachte locatie van de circumvallatielinie (AWG categorie 5) en een zone daaromheen een inventariserend veldonderzoek in de vorm van proefsleuven uit te voeren (Figuur 26). Aangezien de linie een rijksmonument is dient het onderzoek met de RCE afgestemd te worden. Voor het overige deel wordt aanbevolen een verkennend booronderzoek uit te voeren ter controle van de lage archeologische verwachting. Indien uit de boringen blijkt dat er een (middel)hoge archeologische verwachting geldt en dat de bodemopbouw intact is wordt geadviseerd een doorstart te maken naar een karterend booronderzoek.
Onze referentie: 079830905 D - Datum: 26 juni 2018
38 van 44
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE N18
Figuur 25. Advies deelgebied 1.
Figuur 26. Advies deelgebied 2. Onze referentie: 079830905 D - Datum: 26 juni 2018
39 van 44
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE N18
5.4
Beantwoording onderzoeksvragen H5
7. Gegeven 1 tot en met 4; met welke (primaire) natuurlijke formatieprocessen (fasen van sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied?
De dekzanden zijn afgezet aan het eind van de laatste ijstijd. Het dekzand is landschappelijk zichtbaar in de vorm van welvingen, ruggen en koppen (reliëf). Vooral Oud Dekzand is deels verspoeld/geërodeerd naar de lager gelegen vlaktes door middel van sneeuwsmeltwater. Op de dekzandruggen zijn vooral podzolgronden tot ontwikkeling gekomen tijdens het Holoceen. Binnen de lager gelegen dekzandvlakten was het te nat, waardoor het podzolisatieproces niet of nauwelijks op gang is gekomen. Hier komen vooral beekeergronden voor (deelgebied 1). Op de hoger gelegen delen komen veldpodzolgronden voor (deelgebied 1 en 2). In de middeleeuwen is door menselijk ingrijpen de bodem op de dekzandruggen bemest waardoor een plaggendek is gevormd in deelgebied 1. 8. Gegeven 5 en 6; met welke (primaire) culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-] constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied [inclusief (sub)recente bodemverstoring als gevolg van(sub)recent landgebruik/inrichting]?
In de middeleeuwen is door menselijk ingrijpen de bodem op de dekzandruggen bemest waardoor een plaggendek is gevormd in deelgebied 1. De bodem is in die gebied ook lange tijd bewerkt door de mens met name door ploegen (grondbewerking). In deelgebied 2 is het land in de Nieuwe Tijd ingericht ten behoeve van de Circumvallatielinie. 9. Gegeven 7 en 8; welke kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming (geografisch en stratigrafisch) van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus (stratigrafisch), en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten?
Eventueel aanwezige (pre)historische resten houden voornamelijk verband met de landschappelijke ligging en de aanwezige natuurlijke afzettingen. Het oorspronkelijke bodemprofiel betreft waarschijnlijk voornamelijk veldpodzolgronden. In deelgebied 1 zijn in het zuidelijke deel waarschijnlijk ook nog gronden afgedekt met een plaggendek aanwezig. Archeologische resten zijn later door landbewerking mogelijk deels verstoord geraakt, waarbij de vondstlaag deels zal zijn opgenomen in de basis van het plaggendek dat binnen deelgebied 1 wordt verwacht. Het plaggendek zal vervolgens eventuele onderliggende resten beschermd hebben tegen verdere ingrepen. Bij deelgebied 2 is dit plaggendek niet aanwezig hierdoor zullen op deze locatie de archeologische resten ouder dan circumvallatielinie mogelijk meer verstoord zijn. Bij een intacte bodemopbouw wordt in plangebied 1 de volgende horizontsequentie verwacht: Aap(bouwvoor), Aa-, B, BC en de C-horizont. Bij het opbrengen van het plaggendek werd veelal de minerale bovenlaag met eventuele uitspoelingshorizont (Ah- en E-horizont)vermengd met het plaggendek. Archeologische resten, indien aanwezig worden verwacht onderin het plaggendek en op de overgang naar het oorspronkelijk gevormde podzolprofiel. Het sporenniveau zal goed zichtbaar zijn in de overgangs-BChorizont/top van de C-horizont.
Bij een intacte bodemopbouw wordt in plangebied 2 de volgende horizontsequentieverwacht: Aap(bouwvoor), Aa-, B, BC en de C-horizont. Hier worden de sporen verwacht onder de podzoleringslaag van 30 cm – Mv. Het sporenniveau zal goed zichtbaar zijn in de overgangs-BC-horizont/top van de C-horizont. Bij de aanleg van de oorspronkelijke N18 zijn mogelijk ook de aanwezige archeologische waarden verstoord. Waarschijnlijk niet ter hoogte van het plaggendek maar wel ter hoogte van de locaties waar enkel een veldpodzolbodem aanwezig is. 10. Wat is de aard (mobilia [materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden], immobilia, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen?
Onze referentie: 079830905 D - Datum: 26 juni 2018
40 van 44
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE N18
Op basis van de aanwezige afzettingen en landschappelijke ligging is voor het plangebied de verwachting hoog op de aanwezigheid van resten en sporen in deelgebied 1. Voor Jagers-Verzamelaars kunnen resten (en mogelijk nog sporen) worden verwacht van een basis-/extractiekamp, waarbij sprake zal zijn van een matig/hoge dichtheid van (resistente) mobilia (stenen werktuigen, bot). Resten en sporen van Landbouwers worden verwacht in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats. Bij de aanwezigheid van een archeologische vindplaats uit de periode vanaf het Laat-Neolithicum is de verwachting dat er sprake is van een matig/hoge dichtheid van resistente mobilia (aardewerk, metaalresten (lokale ijzerproductie) en een matig/hoge spoordichtheid (immobilia).Resten uit de middeleeuwen worden verwacht in de vorm van een historisch erf. Voor de Middeleeuwen is de verwachting dat er sprake is van een matig dichtheid van resistente mobilia (aardewerk) en een matige sporendichtheid (immobilia). Op basis van de aanwezige afzettingen en landschappelijke ligging is voor deelgebied 2 de verwachting hoog op de aanwezigheid van resten en sporen uit de Nieuwe Tijd (de circumvallatielinie en in het bijzonder de Franse Schans), waarbij sprake zal zijn van een matig/hoge dichtheid van resistente mobilia (bouwmateriaal, geschutmateriaal) en een hoge spoordichtheid (immobilia). 11.
Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek (prospectiekenmerken, geografisch en stratigrafisch)?
Plangebied 1: Indien binnen het plangebied sprake is van een archeologische vindplaats in de vorm van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers), of historische erf (Middeleeuwen) dan wordt er vanuit gegaan dat deze zich bij het booronderzoek voornamelijk manifesteert door middel van een vondstspreiding in en direct onder het (dikke) plaggendek. Plangebied 2: De Circumvallatielinie manifesteert zich in het proefsleuvenonderzoek als een sporenniveau. Indien binnen het plangebied ook sprake is van andere archeologische vindplaatsen dan kan ervan uit worden gegaan dat deze zich bij het booronderzoek voornamelijk manifesteert door middel van een vondstspreiding direct onder de podzoleringslaag. 11. Welke vondst- en/of spoorcomplexen (conform het principediagram) kunnen binnen het onderzoeksgebied aangetoond worden? Licht beargumenteerd toe.
Restanten van een basis-/extractiekamp (jagers-verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) en/of een historisch erf (Middeleeuwen) behoren tot het complextype 4c, omdat er een plaggendek wordt verwacht binnen het plangebied. Dit zijn complexen met een matige tot hogere vondstdichtheid en al dan niet met een grondsporenniveau. Doordat de oudere vondst- en/of spoorcomplexen afgedekt zijn geraakt door het bemestings-/plaggendek, circuleert een deel van de mobilia (door opspit) waardoor zelfs diep gelegen en meer resistente artefacten toch aan het maaiveld voor kunnen komen. Restanten van de linie (Nieuw Tijd) behoren tot het complextype 3c omdat hier alleen een podzolering bodem aanwezig is en de grond na de linie niet in gebruik is geweest als akkergrond. 12. Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategieën) kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen (indicatoren) systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden.
Restanten van een basis-/extractiekamp (Jagers-Verzamelaars) en/of een nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers/Middeleeuwen) kunnen met een matige/hoge vondstdichtheid zullen goed door middel van een karterend booronderzoek kunnen worden opgespoord (KNA-leidraad karterend booronderzoek, methode E1). Resten van de linie kunnen door middel van een proefsleuvenonderzoek worden aangetoond (KNA-leidraad proefsleuvenonderzoek lineaire elementen).
Onze referentie: 079830905 D - Datum: 26 juni 2018
41 van 44
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE N18
LITERATUURLIJST Berendsen, H.J.A., 1996. De vorming van het land. Inleiding in de geologie en de geomorfologie. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 1997. Landschap in delen. Overzicht van de geofactoren. Van Gorcum, Assen. Berendsen, H.J.A., 2005. Landschappelijk Nederland. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Boer, de P.C., K. Hänninen, M.C. Houkes, N.L. Jaspers, W. van der Meer, 2007. Middeleeuwse kasteelgrachten uitgediept. Herinrichting centrum Lichtenvoorde fase 1, gemeente Oost Gelre Een Archeologische Begeleiding. Amersfoort: ADC ArcheoProjecten. ADC Rapport 786 Boshoven, E.H., S. van der Veen en W.B. Verschoof. 2014. Archeologisch onderzoek langs en binnen de Circumvallatielinie Groenlo, gemeenten Oost Gelre en Berkelland; een boor- en geofysisch onderzoek ter vaststelling van de exacte ligging van de linie. Weesp: RAAP Archeologisch Adviesbureau. RAAPRAPPORT 2557. BügelHajema Adviseurs bv, 2011. Bestemmingsplan Buitengebied Oost. Lichtenvoorde: Gemeente Oost Gelre Cock, Maurice de, 2018. Vooronderzoek conventionele explosieven. Project ‘Onderhoud B Wegen OostNederland’ – Oost Gelre. T&A Survey, Amsterdam. Derks, G.J.M, J.B. Bootsma, en R.J.A. Crols, 2006. Cultuurhistorische gebiedsbeschrijving Oost Gelre. Een beeld van ontginningssporen tot wederopbouwarchitectuur. Arnhem: Gelders Genootschap. Graaf, de, R., Kuijl, van der, E.E.A., en Rohling, J.F.M, 2016.
Bureauonderzoek en Karterend Booronderzoek Archeologie Plangebied Kerkhoflaan 11 te Lichtenvoorde, Gemeente Oost Gelre. Zelhem: Hamaland Advies Heunks, E. 2000. Plangebieden Paashuisdijkje en Zwembadterrein, gemeente Lichtenvoorde; een Aanvullende Archeologische Inventarisatie (AAI). Amsterdam: RAAP Archeologisch adviesbureau. RAAPRAPPORT 583 Krist, J.S., W.A. Bergman, A.A.G. Emaus, C. Heimlich en H. Kremer, 2005. Korte Rapenburgsestraat te Lichtenvoorde. Zelhem: Synthegra Archeologie bv. Rapport 2005-41. Louwe, E. 2016.. Kerkhoflaan 11 te Lichtenvoorde in de gemeente Oost Gelre. Doetichem: Econsultancy BV. Rapport 1132.001 Roode, de, F., en K.J. Berghe, van den, 2008. Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre; Deel 1: startnota archeologische monumentenzorg; Deel 2: toelichting op de archeologische landschappenen beleidskaart. Weesp: RAAP Archeologisch Adviesbureau. RAAP-Rapport 1757 Schorn, E.A., 2016. Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek karterende fase Middachtenstraat 2 te Lichtenvoorde. Zevenaar: Archeodienst BV. Archeodienst Rapport 914 Smole, L., 2007. Waarderend veldonderzoek door middel van proefsleuven, Korte Rapenburgsestraat 5 te Lichtenvoorde. Doetichem: Synthegra BV Sophie, G., 2005. Lichtenvoorde, Kort Rapenburgsestraat 4-6-8 Een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen. Amersfoort: ADC ArcheoProjecten.
ADC Rapport 396. Williams-Knode S.W., Bos, J.A.A., Moolhuizen, C. en C. Nooijen. 2013. Archeologie op de schoollocatie Hagenstraat 6 te Lichtenvoorde (gemeente Oost Gelre). Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een begeleiding en proefsleuven. Amersfoort: ADC ArcheoProjecten. ADC Rapport 3356. Onze referentie: 079830905 D - Datum: 26 juni 2018
42 van 44
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE N18
Willemse, N.W. en M.H.J.M. Kocken, 2012. Archeologie met beleid. Afwegingskader voor archeologiebeleid in de Regio Achterhoek. RAAP-rapport 2501 RAAP Archeologisch Adviesbureau, Weesp. Overige bronnen: http://ahn.arcgisonline.nl/ahnviewer www.topotijdreis.nl (digitale kaarten database) https://archis.cultureelerfgoed.nl/
Onze referentie: 079830905 D - Datum: 26 juni 2018
43 van 44
BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE N18
COLOFON BUREAUONDERZOEK ARCHEOLOGIE N18 ARCADIS ARCHEOLOGISCHE RAPPORTEN 161
KLANT Rijkswaterstaat AUTEUR Natasja van der Heijden PROJECTNUMMER D03061.000336 ONZE REFERENTIE 079830905 D DATUM 26 juni 2018 STATUS Definitief GECONTROLEERD DOOR
Eimert Goossens Senior Adviseur Archeologie en Cultuurhistorie
Arcadis Nederland B.V. Postbus 220 3800 AE Amersfoort Nederland +31 (0)88 4261261 www.arcadis.com
Onze referentie: 079830905 D - Datum: 26 juni 2018
44 van 44