bp n18 zieuwentseweg toelichting bijlage 5 aanmeldingsnotitie n18 zieuwentseweg
Tekst van het document
RAPPORT Aanmeldingsnotitie N18 Zieuwentseweg
Klant:
Gemeente Oost Gelre
Referentie: BG6222TPRP2010231002 Status:
Definitief/P01.01
Datum:
22 januari 2021
Projectgerelateerd
HASKONINGDHV NEDERLAND B.V.
Postbus 1132 3800 BC Amersfoort Transport & Planning Trade register number: 56515154 +31 88 348 20 00 T +31 33 463 36 52 F info@rhdhv.com E royalhaskoningdhv.com W
Titel document: Aanmeldingsnotitie N18 Zieuwentseweg Ondertitel: Aanmeldingsnotitie N18 Referentie: BG6222TPRP2010231002 Status: P01.01/Definitief Datum: 22 januari 2021 Projectnaam: N18 Projectnummer: BG6222 Auteur(s): Miguel Blokland
Opgesteld door: Miguel Blokland Gecontroleerd door: Evelien Braad Datum: 2 oktober 2020/23 oktober 2020 Goedgekeurd door: Gerard Broekstra Datum:
23 oktober 2020
Classificatie Projectgerelateerd
Behoudens andersluidende afspraken met de Opdrachtgever, mag niets uit dit document worden verveelvoudigd of openbaar gemaakt of worden gebruikt voor een ander doel dan waarvoor het document is vervaardigd. HaskoningDHV Nederland B.V. aanvaardt geen enkele verantwoordelijkheid of aansprakelijkheid voor dit document, anders dan jegens de Opdrachtgever. Let op: dit document bevat persoonsgegevens van medewerkers van HaskoningDHV Nederland B.V. en dient voor publicatie of anderszins openbaar maken te worden geanonimiseerd. 22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
i
Projectgerelateerd
Inhoud 1
Inleiding
1
1.1
Aanleiding
1
1.2
Doelstelling
2
2
Wettelijk kader
3
2.1
Algemeen
3
2.2
Toetsing m.e.r.-procedure
4
2.3
M.e.r.-beoordeling
5
3
Kenmerken van het project
7
3.1
Het voornemen
7
3.1.1 3.1.2 3.1.3 3.1.4 3.1.5 3.1.6 3.1.7
De omvang van het project De cumulatie met andere projecten Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen De productie van afvalstoffen Verontreiniging en hinder Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën Risico’s voor de menselijke gezondheid
7 7 7 7 7 8 8
4
Plaats van het project
9
4.1
Ligging van het projectgebied
9
4.2
Bestaand gebruik
10
4.3
Gevoelige gebieden in en nabij het projectgebied
10
4.3.1 4.3.2
Natura 2000 NNN
10 11
4.4
Omliggende bevolkte gebieden
12
5
Kenmerken van de potentiële effecten
13
5.1
Archeologie en cultuurhistorie
13
5.2
Landschap
13
5.3
Bodemkwaliteit
13
5.4
Natuurtoets
14
5.5
Geluid
15
5.6
Luchtkwaliteit
15
5.7
Externe veiligheid
15
6
Conclusies
17
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
ii
Projectgerelateerd
1
Inleiding
1.1
Aanleiding
Rijkswaterstaat werkt aan de verbetering van de verkeersveiligheid op de N18, de verbindingsweg van Varsseveld naar Enschede. Voor dit project worden maatregelen genomen in het wegvak gelegen tussen de Zieuwentseweg (N312) en de Richterslaan ten noorden van Lichtenvoorde. Voor het trajectdeel langs Lichtenvoorde hebben Rijkswaterstaat, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre een bestuursovereenkomst getekend gericht op de doelstelling: het verbeteren van de verkeersveiligheid en de doorstroming op de N18.
Figuur 1.1: · Reconstructie N18, inclusief onderliggende wegennet (OWN)
De bestaande weg wordt aangepast om voldoende toekomst bestendig te zijn. De aanpassing leidt tot de vergroting van de verkeersveiligheid en de doorstroming op de N18. Concreet betekent dit dat het aantal kruispunten wordt teruggebracht en voor lokaal verkeer een parallel traject wordt aangelegd in het onderliggend wegennet (OWN) (zie figuur 1.1.). In deze notitie wordt in het licht van het Besluit m.e.r. de volgende activiteit beoordeeld: Activiteit De aanpassing van een autoweg De aanpassing van de weg moet worden opgevat als de aanleg/wijziging van een auto(snel)weg in de zin van het Besluit m.e.r. In paragraaf 2.2. wordt hierop nader ingegaan.
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
1
Projectgerelateerd
1.2
Doelstelling
Doel van het project Het doel van het project is het vergroten van de verkeersveiligheid. Hiervoor worden de volgende maatregelen getroffen: • • • •
Het opheffen van het kruispunt Zieuwentseweg met de N18 voor het gemotoriseerd verkeer; Het realiseren van een ongelijkvloerse kruising voor fietsers en voetgangers onder het op te heffen kruispunt onder de N18 door; Het verbinden van de Zieuwentseweg met de Richterslaan door middel van een parallelweg voor de ontsluiting van het gemotoriseerde verkeer; Het afsluiten van de Zieuwentseweg in beide richtingen voor de realisatie van de fietstunnel en het bevorderen van de verkeersveiligheid en de doorstroming op de N18.
Doel van deze m.e.r.-beoordeling Het doel van deze m.e.r.-beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en beoordelen of de toekomstige activiteit van het project mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. In deze notitie wordt gemotiveerd onderbouwd waarom het project niet leidt tot het moeten doorlopen van de m.e.r.-procedure.
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
2
Projectgerelateerd
2
Wettelijk kader
2.1
Algemeen
Bepaalde activiteiten kunnen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu hebben. Welke activiteiten dat zijn, is vastgelegd in het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.). De activiteiten zijn onderverdeeld in: 1. activiteiten die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu en waarvoor het opstellen van een milieueffectrapport (MER) verplicht is (onderdeel C van de bijlage bij Besluit m.e.r.); 2. activiteiten ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (onderdeel D van de bijlage bij Besluit m.e.r.). Aan het merendeel van de activiteiten zijn drempelwaarden gekoppeld. Wanneer een activiteit is opgenomen in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. én de activiteit de drempelwaarde overschrijdt, geldt een m.e.r.-plicht respectievelijk een m.e.r.-beoordelingsplicht. De verplichting geldt (sinds 1 april 2011) óók als de drempelwaarde niet wordt overschreden, maar toch niet kan worden uitgesloten dat de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben (artikel 2 lid 5 Besluit m.e.r.). Tevens geldt sinds de meest recente wijziging van het Besluit m.e.r. (7 juli 2017) dat voor mer-beoordeling een ‘normale’ m.e.r.-beoordelingsprocedure geldt.
Dit betekent dat wanneer wordt voldaan aan de eisen uit de eerste kolom, maar de drempelwaarden uit de tweede kolom niet worden overschreden toch een mer-beoordeling moet worden gedaan.
Figuur 2.1: Overzicht m.e.r.-(beoordelings)plichtige situaties
In het geval van de aanleg/ wijziging van een auto(snel)weg kunnen zich, met in achtneming van het Besluit m.e.r. in combinatie met hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm), vijf mogelijke situaties voordoen: 1. Plan-m.e.r.-plicht vanwege een passende beoordeling De aanleiding om een m.e.r. uit te voeren kan voortvloeien uit zogenaamde significante gevolgen op Natura 2000-gebieden. Wanneer het plan activiteiten mogelijk maakt die tot dergelijke effecten kunnen leiden, die aanleiding geven tot het opstellen van een passende beoordeling, is in beginsel op grond van artikel 7.2a van de Wm het uitvoeren van een plan-m.e.r.-procedure verplicht. Als gevolg van een wijziging van de wet, in het kader van de 20e tranche Crisis en herstelwet, is een plan-m.e.r.-procedure niet in alle gevallen noodzakelijk. 2. Plan-m.e.r.-plicht vanwege kaderstelling Een plan-m.e.r.-plicht kan ook van toepassing zijn indien de in het Besluit m.e.r. aangewezen plannen (kolom 3 van tabel 2.1) in het concrete geval kaderstellend zijn voor de in kolom 4 van onderdeel C of D 22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
3
Projectgerelateerd
opgenomen project-m.e.r.-(beoordelings)plichtige besluiten (zie ook artikel 2 lid 3 Besluit m.e.r.). Van kaderstelling kan gesproken worden indien weliswaar geen sprake is van een strikte wettelijke binding, maar wel van een plan dat ‘de toon’ zet voor de vervolgbesluitvorming. 3. Project-m.e.r.-plicht Een project-m.e.r.-plicht is allereerst aan de orde als de activiteit en het te nemen besluit voldoen aan de beschrijvingen uit de kolommen 1, 2 en 4 van onderdeel C van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Kolom 1 bevat de omschrijving van de activiteit, kolom 2 bevat de gevallen waarin de activiteit m.e.r.-plichtig wordt en kolom 4 noemt de m.e.r.-plichtige besluiten. Een project-m.e.r.-plicht is daarnaast aan de orde als het bevoegd gezag ten aanzien van een activiteit uit onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. heeft geoordeeld dat er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden die het opstellen van een project-MER rechtvaardigen. 4. M.e.r.-beoordelingsplicht Van een m.e.r.-beoordelingsplicht is sprake als de activiteit en het te nemen besluit voldoen aan de beschrijvingen uit de kolommen 1, 2 en 4 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Kolom 1 bevat de omschrijving van de activiteit, kolom 2 bevat de gevallen waarin de activiteit m.e.r.beoordelingsplichtig wordt en kolom 4 noemt de m.e.r.-beoordelingsplichtige besluiten.
Een m.e.r.beoordelingsplicht is daarnaast aan de orde als het bevoegd gezag ten aanzien van een activiteit uit kolom 1 die de drempelwaarde van kolom 2 níet overschrijdt, en naar aanleiding van de m.e.r.beoordeling van mening is dat er belangrijke nadelige gevolgen kunnen optreden die het uitvoeren van een formele m.e.r.-beoordelingsprocedure rechtvaardigen. Indien het bevoegd gezag naar aanleiding van de m.e.r.-beoordelingsprocedure oordeelt dat sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten, dan is de aanvrager alsnog gehouden de project-m.e.r.-procedure te doorlopen. 5. Vormvrije m.e.r.-beoordeling (wijziging 7 juli 2017) De drempelwaarden genoemd in bijlage D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. zijn richtwaarden/indicatief. Wanneer een project de in bijlage D, kolom 1, beschreven activiteiten bevat is het, ongeacht de omvang van de activiteiten, noodzakelijk om te toetsen of sprake is van een project met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Indien het bevoegd gezag naar aanleiding van de procedure oordeelt dat sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten, dan is de aanvrager alsnog gehouden de project-m.e.r.procedure te doorlopen.
2.2
Toetsing m.e.r.-procedure
De in hoofdstuk 1 beschreven voorgenomen activiteit (wijziging autoweg) is getoetst aan het in voorgaande paragraaf beschreven wettelijk kader. Hieronder volgt de uitgevoerde toetsing. Daarbij staan twee vragen centraal: 1. Staan de voorgenomen activiteiten in de onderdelen C of D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. en zo ja, overschrijden de activiteiten de genoemde (indicatieve) drempelwaarden? 2. Kan artikel 7.2a Wet milieubeheer aanleiding geven tot het opstellen van een plan-m.e.r.? Met andere woorden: zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten? Ad 1. Onderdeel C en D Besluit m.e.r. en drempelwaarden In de ‘C-lijst’ zijn geen activiteiten opgenomen waarvan de activiteitomschrijving overeenkomt met het voorgenomen project. In zoverre kan een rechtstreekse project-m.e.r.-plicht worden uitgesloten. De ‘D-lijst’ bevat één relevante activiteit die in onderstaande tabel 2.1 zijn opgesomd en per categorie van activiteiten voorzien van een toets of de omschrijving, drempelwaarden, plannen en besluiten in beginsel wel (in groen) of niet (in rood) van toepassing zijn. 22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
4
Projectgerelateerd
Tabel 2.1: Toetsing relevante categorieën bijlage bij het Besluit m.e.r. Kolom 1 Activiteit
Kolom 2 Gevallen
D1.1 De wijziging of uitbreiding van een autosnelweg of autoweg.
Kolom 3 Plannen
Kolom 4 Besluiten
In gevallen waarin de activiteit Het plan, bedoeld in de artikelen De vaststelling van het tracé op betrekking heeft op een weg met 5 en 8 j° 9, tweede lid, van de grond van de Tracéwet of de een tracélengte van 5 kilometer of Planwet verkeer en vervoer en Spoedwet wegverbreding door meer. de structuurvisie, bedoeld in de de Minister van Infrastructuur en artikelen 2.1, 2.2 en 2.3 van de Milieu, dan wel het plan, bedoeld Wet ruimtelijke ordening, en de in artikel 3.6, eerste lid, plannen, bedoeld in de artikelen onderdelen a en b, van de Wet 3.1, eerste lid, 3.6, eerste lid, ruimtelijke ordening dan wel bij onderdelen a en b, van die wet. het ontbreken daarvan van het plan, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, van die wet.
Ja, het aanpassen van de Nee, de tracélengte bedraagt niet Nee, een weg moet worden opgevat 5 kilometer of meer. Maar de omgevingsvergunning als de wijziging van een wijziging van het Besluit Mer planologisch strijdig gebruik autoweg heeft ertoe geleid dat voor het is niet van toepassing. doen van een mer-beoordeling, het voldoende is wanneer wordt voldaan aan kolom 1, ondanks dat de in kolom 2 genoemde waarde niet wordt overschreden.
Ja, de aanpassing zal plaatsvinden middels een in kolom 4 genoemd bestemmingsplan.
Uit bovenstaande tabel wordt afgeleid dat de herinrichting van de N18 ter hoogte van Lichtenvoorde, een autoweg in de zin van de begripsbepalingen van de bijlage bij het Besluit Milieueffectrapportage, een activiteit is als bedoeld in kolom 1 van D1.1. De drempelwaarde uit kolom 2 wordt niet overschreden. Voor de herinrichting van de N18 is een nieuw bestemmingsplan in voorbereiding. Bovenstaande toetsing leidt tot de hoofdconclusie dat kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r.beoordeling (situatie 5). Ad 2. Significante effecten Met betrekking tot de tweede vraag wordt geconcludeerd dat voor het opstellen van een plan-MER als bedoeld in artikel 7.2a Wm géén aanleiding bestaat. De huidige plannen voor de aanpassing van de weg leidt tot effecten die van invloed zouden kunnen zijn op natuurwaarden. Er is sprake van een tijdelijk effect van maximaal 0,02 mol N/ha/jr ter hoogte van het Korenburgerveen. Gezien het tijdelijke effect en de afstand tussen de beoogde locaties en de Natura 2000-gebieden kunnen significante gevolgen worden uitgesloten. Hierop wordt verder ingegaan in paragraaf 5.4.
2.3
M.e.r.-beoordeling
Bij het uitvoeren van een m.e.r. beoordeling wordt bijlage III van de Europese richtlijn 2011/92/EU (art. 4, lid 3) aangehouden. Bijlage III bevat een gedetailleerde beschrijving van de factoren en selectiecriteria die daarbij in aanmerking moeten worden genomen. In deze bijlage III staan de volgende drie hoofcriteria centraal: • de kenmerken van het project; • de plaats van het project; • de kenmerken van de potentiële effecten.
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
5
Projectgerelateerd
In paragraaf 1.3 (Leeswijzer) is aangegeven dat in onderhavige m.e.r.-beoordeling zowel qua opzet als inhoud is aangesloten bij en getoetst aan de hiervoor beschreven selectiecriteria. Selectiecriteria Europese richtlijn 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) de omvang van het project; b) de cumulatie met andere projecten; c) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit; d) de productie van afvalstoffen; e) verontreiniging en hinder; f) risico van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis; g) de risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 2.
Plaats van de projecten: Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a) het bestaande en goedgekeurde grondgebruik; b) de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan; c) het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: I. wetlands, oeverformaties, riviermondingen; II. kustgebieden en het mariene milieu; III. berg- en bosgebieden; IV. natuurreservaten en -parken; V. gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; VI. gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen; VII. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; VIII. landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang.. 3.
Soort en kenmerken van het potentiële effect De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van projecten moeten, in samenhang met de onder punten 1 en 2 van deze bijlage hierboven uiteengezette criteria, in aanmerking worden genomen, met aandacht voor het effect van het project op de in artikel 3, lid 1, uiteengezette factoren, met inachtneming van: a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b) de aard van het effect; c) het grensoverschrijdend karakter van het effect; d) de intensiteit en de complexiteit van het effect; e) de waarschijnlijkheid van het effect; f) de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; g) de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; h) h) de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
6
Projectgerelateerd
3
Kenmerken van het project
3.1
Het voornemen
In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project beschreven. Hierbij wordt de volgorde uit de Selectiecriteria Europese Richtlijn gehanteerd: § 3.1.1 De omvang van het project; § 3.1.2 De cumulatie met andere projecten; § 3.1.3 Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; § 3.1.4 De productie van afvalstoffen; § 3.1.5 Verontreiniging en hinder; § 3.1.6 Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën; § 3.1.7 Risico's voor de menselijke gezondheid (bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging of luchtvervuiling). 3.1.1
De omvang van het project
Rijkswaterstaat is voornemens N18 ter hoogte van Lichtenvoorde aan te passen. Het betreft een tracé ca 1200 meter lengte. Voor dit traject worden de volgende maatregelen uitgevoerd. • Het opheffen van het kruispunt Zieuwentseweg met de N18 voor het gemotoriseerd verkeer; • Het realiseren van een ongelijkvloerse kruising voor fietsers en voetgangers onder het op te heffen kruispunt onder de N18 door; • Het verbinden van de Zieuwentseweg met de Richterslaan door middel van een parallelweg voor de ontsluiting van het gemotoriseerde verkeer; • Het afsluiten van de Zieuwentseweg in beide richtingen voor de realisatie van de fietstunnel en het bevorderen van de verkeersveiligheid en de doorstroming op de N18. 3.1.2
De cumulatie met andere projecten
In de directe nabijheid van het project vinden geen andere projecten plaats. Conclusie Er is geen sprake van cumulatie met andere projecten.
3.1.3
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen
Tijdens de aanlegfase worden natuurlijke hulpbronnen gebruikt, waaronder in hoofdzaak fossiele brandstoffen bij de bouw en transport materiaal voor de aanleg van de weg en de tunnel. Tijdens de bedrijfsfase worden verder geen natuurlijke hulpbronnen gebruikt. Dit criterium is voornamelijk van toepassing op industriële activiteiten en heeft voor dit project geen negatieve effecten. 3.1.4
De productie van afvalstoffen
In het kader van het project komt grond en bouwafval vrij. Dit wordt voor het overgrote deel hergebruikt. 3.1.5
Verontreiniging en hinder
Bij deze activiteit is geen sprake van verontreiniging. De effecten op het aspect geluidshinder zijn onderzocht en de conclusies zijn in dit rapport (§ 5.5) samengevat. Naast de effecten op geluidshinder zijn ook de effecten op de luchtkwaliteit onderzocht, de conclusies zijn in dit rapport (§ 5.6) samengevat.
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
7
Projectgerelateerd
3.1.6
Risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën
Bij de voorgenomen activiteiten is geen sprake van significante ongevalsrisico’s ten gevolge van de te gebruiken stoffen of technologieën. De effecten op het aspect externe veiligheid zijn onderzocht en de conclusies zijn in dit rapport (§ 5.7) samengevat. 3.1.7
Risico’s voor de menselijke gezondheid
Bij deze activiteit is geen sprake van risico voor de menselijke gezondheid. De effecten voor de aspecten Geluid (§ 5.5) en luchtkwaliteit (§ 5.6) zijn onderzocht en de conclusies zijn in dit rapport samengevat.
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
8
Projectgerelateerd
4
Plaats van het project
In dit hoofdstuk worden de kenmerken van het project beschreven. Hierbij wordt de volgende indeling gehanteerd: § 4.1 Ligging van projectgebied; § 4.2 Het bestaande gebruik; § 4.3 Omliggende gevoelige gebieden.
4.1
Ligging van het projectgebied
Het projectgebied is gelegen ten noorden van de kern Lichtenvoorde. Het betreft het gebied tussen de Zieuwentseweg en de Richterslaan.
Figuur 4.1 globaal projectgebied
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
9
Projectgerelateerd
4.2
Bestaand gebruik
Voor het gehele projectgebied is het volgende plan van toepassing: Plannaam Buitengebied Oost Gelre 2011 Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre Buitengebied, Reparatieplan 2016
Vastgesteld 18-12-2012 15-07-2014 04-04-2017
Figuur 4.2 Verbeelding bestemmingsplan
Van toepassing is het bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre, vastgesteld d.d. 18 december 2012. De toegewezen bestemming is ‘Verkeer’ en ‘Agrarisch’. Op de locatie van de nieuwe weg is grotendeels de bestemming verkeer aanwezig.
4.3
Gevoelige gebieden in en nabij het projectgebied
Onder gevoelige gebieden worden hier de volgende gebieden bedoeld: • Habitat- en vogelrichtlijngebieden (Natura 2000-gebieden); • Natuur Netwerk Nederland (NNN). 4.3.1
Natura 2000
In de nabijheid van het projectgebied liggen Natura 2000-gebieden. Het Korenburgerveen is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied en ligt op ruim 5 kilometer afstand van het plangebied. (Zie figuur 4.3).
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
10
Projectgerelateerd
Figuur 4.3 Overzichtskaart voor het onderdeel Natuur. De ligging van het projectgebied ten opzichte van Natura 2000gebied en beschermd natuurmonumenten bekeken.
De voorgenomen werkzaamheden zullen niet binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied plaatsvinden. Directe aantasting van habitattypen of leefgebieden van soorten is daarmee uitgesloten. De drempelwaarden van de verstoringscontouren worden niet overschreden vanwege de grote afstand tot de Natura 2000-gebieden. Vanwege de grote afstand kan tevens gesteld worden dat geen sprake kan zijn van verstoring van fauna door geluid. Dit geldt ook voor optische verstoring en lichtverstoring. De afstand tussen het projectgebied en de drie Natura 2000-gebieden te groot om negatieve effecten te verwachten. De voorgenomen activiteit moet tevens getoetst worden op effecten van stikstof. Voor Natura 2000 gebieden geldt dat de grenswaarde momenteel op 0,00 mol/ha/jaar ligt, hetgeen betekent dat hogere planbijdragen vergunningplichtig zijn. Uit de berekening met het model AERIUS Calculator 2019a blijkt dat het projecteffect tijdens de gebruiksfase maximaal 0,01 mol N/ha/jr ter hoogte van het Korenburgerveen bedraagt. Dit wordt veroorzaakt door meer verkeer op de parallelstructuur langs de N18. Ten behoeve van deze planbijdrage is een ecologische voortoets uitgevoerd.
Op basis van deze voortoets is geconcludeerd dat de maximale depositietoename van 0,01 mol N ha/jr op 1,5% van het Herstellende hoogvenen (H7120) in het Korenburgerveen niet leidt tot conflicten met het duurzaam behalen van de geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen. Negatieve effecten op de staat van instandhouding zijn uitgesloten. Ook wordt het behalen van de uitbreidingsdoelen niet belemmerd. Een passende beoordeling is niet nodig. Daarmee zijn (significant) negatieve gevolgen als gevolg van de wijziging in de parallelstructuur van de N18 ter hoogte van Lichtenvoorde ook in cumulatie met andere projecten uitgesloten. 4.3.2
NNN
Het Natuurnetwerk Nederland is het netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden in Nederland (voorheen EHS-gebieden). Het projectgebied ligt niet in een NNN-gebied. Naast het plangebied is eveneens geen NNN-gebied gelegen. Conform het NNN-toetsingskader dienen alleen ingrepen die binnen het NNN plaatsvinden getoetst te worden. Externe werking hoeft niet te worden getoetst. Dit betekent dat toetsing in het kader van Natuurnetwerk Nederland niet aan de orde is. 22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
11
Projectgerelateerd
4.4
Omliggende bevolkte gebieden
In deze paragraaf worden de bevolkte gebieden rondom de N18 beschreven. De N18 grenst aan de noordwest zijde aan het dorp Lichtenvoorde (ca. 12.900 inwoners). Verder ten noordwesten van de weg ligt het dorp Zieuwent (ca. 2000 inwoners) en ten zuidwesten ligt het dorp Harreveld (1430 inwoners).
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
12
Projectgerelateerd
5
Kenmerken van de potentiële effecten
In dit hoofdstuk wordt bekeken of er sprake is van belangrijke nadelige milieueffecten. De (eventuele) effecten worden beschreven voor de volgende onderwerpen: § 5.1 Archeologie en cultuurhistorie; § 5.2 Landschap; § 5.3 Bodemkwaliteit; § 5.4 Natuur; § 5.5 Geluid; § 5.6 Luchtkwaliteit; § 5.7 Externe veiligheid § 5.8 Aanlegfase
5.1
Archeologie en cultuurhistorie
In het kader van Meer Veilig N18 is een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd (Bureauonderzoek archeologie N18, 26 juni 2018, Arcadis). Het plangebied betreft deelgebied 1 uit dit onderzoek. Op basis van dit bureauonderzoek kan worden vastgesteld dat voor het plangebied bij Lichtenvoorde een hoge verwachting is op archeologie. Als grondroerende werkzaamheden plaatsvinden dieper dan de basis van de (afgedekte) moderne bouwvoor wordt geadviseerd een archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren middels proefsleuven en profielputten gericht op het karteren en waarderen van archeologische resten. Eventueel dient voorafgaand aan de werkzaamheden c.q. na ontgraving van de bestaande taluds/grondlichamen en ter plaatse van potentiële verstoringsrisico’s een verkennend booronderzoek te worden uitgevoerd gericht op bepalen van de diepte en mate van intactheid van het archeologische niveau. Belangrijke nadelige gevolgen die een MER rechtvaardigen worden niet verwacht.
5.2
Landschap
Ten behoeve van het plan is een landschapsplan opgesteld. Uit dit plan blijkt dat het project landschappelijk inpasbaar is. Belangrijke nadelige gevolgen die een MER rechtvaardigen worden niet verwacht.
5.3
Bodemkwaliteit
Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. In het kader van het project heeft Arcadis Nederland B.V. een vooronderzoek verricht met betrekking tot het uit te voeren (water)bodemonderzoek ten behoeve van de geplande ontwikkelingen ter plaatse van de N18 tussen Groenlo en Lichtenvoorde. Met het onderzoek is de milieuhygiënische (water-)bodemkwaliteit in (water-)bodem waar ingrepen worden gedaan in beeld gebracht. Op basis van de indicatieve toetsing voldoet de bovengrond van de locatie over het algemeen aan bodemkwaliteitsklasse Industrie en de ondergrond aan bodemkwaliteitsklasse Altijd toepasbaar (Achtergrondwaarde). Echter, afhankelijk van het bodembeleid van de gemeente waarin de grond wordt
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
13
Projectgerelateerd
toegepast en de beoogde plaats van toepassing, dient mogelijk nog een partijkeuring uitgevoerd te worden om dit definitief vast te stellen. Belangrijke nadelige gevolgen die een MER rechtvaardigen worden daarmee niet verwacht.
5.4
Natuurtoets
In het kader van deze m.e.r.-beoordeling is door Royal HaskoningDHV een natuurstudie uitgevoerd. In dit onderzoek is uitgegaan van de Wet natuurbescherming. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt samengevat dat: • geen sprake is van significante effecten op Natura 2000, NNN en weidevogelgebieden. • effecten op beschermde flora- en fauna door de aanleg van de wegnieuwe (tijdelijke) brug zijn uit te sluiten. • geen significant negatieve effecten zijn te verwachten vanwege stikstofdepositie in nabijgelegen natuurgebieden. Een nadere onderbouwing van deze conclusies wordt hieronder gegeven: Natura 2000 Het projectgebied bevindt zich niet in een Natura 2000-gebied. Er wordt ook niet binnen de begrenzing van het Natura 2000-gebied gewerkt. De afstand tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied bedraagt ruim 5 kilometer. Directe aantasting van de habitattypen of leefgebieden van soorten is daarmee uitgesloten. Er is geen sprake van nadelige milieugevolgen op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. NNN & weidevogelgebieden Het projectgebied bevindt zich niet in een NNN-netwerk. Daarom worden geen belangrijke milieugevolgen verwacht. Ook zijn in de omgeving van het projectgebied geen weidevogelgebieden gelegen. Verstorende effecten zijn daarmee uit te sluiten.
Beschermde flora en fauna In de natuurtoets is beschreven dat geen beschermde vaatplanten in het werkgebied of de directe omgeving van het projectgebied zijn gelegen. Tevens is in de natuurtoets beschreven dat verschillende beschermde soorten in het projectgebied voorkomen. Voor de beschermde soorten waarbij significante effecten kunnen optreden, zoals verschillende broedvogels of de rugstreeppad, is het mogelijk de negatieve effecten uit te sluiten door tijdig mitigerende maatregelen te nemen. Ervan uit gaande dat aan het advies van het onderzoek met betrekking tot mitigatie wordt voldaan, worden geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht. Aan de bijlagen van dit bestemmingsplan is een eindbeoordeling toegevoegd van de ecologische maatregelen ten behoeve van de wegaanpassing N18 Zieuwentseweg MV3 (datum 22 oktober 2019). Uit een quickscan flora en fauna (Boerboom, R., 2017b. Quickscan natuurtoets, Europaweg in Lichtenvoorde. Staring Advies, Hoog-Keppel) en aanvullend onderzoek (Boerboom, R., 2017a. Aanvullend vleermuisonderzoek, Europaweg in Lichtenvoorde. Staring Advies, Hoog-Keppel) is uit natuuronderzoek is gebleken dat door de werkzaamheden essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen kunnen worden aangetast. Ook ligt het plangebied vlakbij een territorium van steenuil. Daarnaast zullen er houtopstanden worden geveld.
Voor deze soorten zijn mitigerende maatregelen in het ontwerp meegenomen. Deels worden andere maatregelen getroffen, omdat de maatregelen niet of zeer lastig inpasbaar bleken. Gekapte bomen binnen het projectgebied worden één-op-één worden herplant. Hierdoor wordt gehouden aan de herplantplicht ten aanzien van houtopstanden in de Wnb.
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
14
Projectgerelateerd
Door de mitigerende maatregelen worden verbodsbepalingen uit de Wnb ten aanzien van beschermde soorten niet overtreden en is een ontheffing niet nodig. Belangrijke nadelige gevolgen die een MER rechtvaardigen worden daarmee niet verwacht. Stikstofdepositie Uit de berekening met het model AERIUS Calculator 2020 blijkt dat er geen projecteffect is tijdens de gebruiksfase. Tijdens de aanlegfase is het tijdelijk projecteffect maximaal 0,02 mol N/ha/jr ter hoogte van het Korenburgerveen. Dit wordt veroorzaakt door de inzet van mobiele werktuigen. Door gebruik te maken van stage IV materieel wordt een projecteffect voorkomen. Uit berekeningen met Stage IV materieel in Aerius calculator 2020 blijkt dat er dan geen projecteffect wordt berekend.
5.5
Geluid
Ten behoeve van het project is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Op basis van dit onderzoek worden technische maatregelen genomen waardoor geen belangrijke akoestische effecten te verwachten zijn. In het project wordt stiller asfalt toegepast en er wordt een geluidsscherm geplaatst (locatie Boschlaan, scherm 2,5 meter hoog over een lengte van 50 meter). Het bestaande geluidscherm aan de zuidoostzijde van de weg ter hoogte van Händelstraat wordt hersteld. Belangrijke nadelige gevolgen die een MER rechtvaardigen worden daardoor niet verwacht.
5.6
Luchtkwaliteit
Ten behoeve van het project is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd. Uit het onderzoek blijkt dat het project niet leidt tot een overschrijding van de Wm grenswaarden voor de concentraties NO2, PM2,5 en PM10. In relatie tot de autonome ontwikkeling heeft de herinrichting een beperkt effect op de bijdrage aan de lokale luchtkwaliteit. Gezien dit beperkte effect en door de grote ruimte tussen de heersende concentraties en de grenswaarden uit de Wm, zal de herontwikkeling van N18 ten noorden van Lichtenvoorde niet leiden tot belangrijke nadelige gevolgen die een MER rechtvaardigen.
5.7
Externe veiligheid
De voorgenomen activiteit is geen Bevi-inrichting. Uit de risicokaart Nederland volgt dat er ook geen Beviinrichtingen in de nabijheid gelegen zijn. De N18 maakt wel onderdeel uit van het basisnet weg en is daarmee aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. De herinrichting wijzigt dit niet. De rijbanen komen ook niet dichter bij de woningen te liggen. Er worden derhalve geen belangrijke nadelige gevolgen verwacht die een MER rechtvaardigen.
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
15
Projectgerelateerd
Figuur 5.1. weergave Risicokaart
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
16
Projectgerelateerd
6
Conclusies
Effectstudie
Effect?
Archeologie
Voordat de werkzaamheden worden gestart moet getoetst worden of een (vervolg)onderzoek moet worden gedaan. Als deze stappen Geen nadelige worden uitgevoerd is geen schade aan de archeologische waarden te milieugevolgen verwachten.
Landschap
Het project is landschappelijk inpasbaar
Geen nadelige milieugevolgen
Bodemkwaliteit
De voorgenomen activiteit leidt niet tot (verdere) bodemverontreiniging.
Geen nadelige milieugevolgen
Waterbodemkwaliteit
De voorgenomen activiteit leidt niet tot (verdere) bodemverontreiniging.
Geen nadelige milieugevolgen
Natuur (gebiedsbescherming)
Er is geen sprake van significante effecten op Natura 2000, NNN en weidevogelgebieden
(Soortenbescherming)
Indien noodzakelijke mitigerende maatregelen worden Effecten op beschermde flora- en fauna door de aanleg van de nieuwe getroffen, worden (tijdelijke) brug kan mogelijk negatieve effecten veroorzaken. geen nadelige milieugevolgen verwacht.
Geluid
Geen nadelige Door technische maatregelen en voorzieningen wordt voldaan aan de milieugevolgen door wettelijke geluidsnorm de te treffen maatregelen.
Externe veiligheid
Er is geen sprake van externe veiligheidsrisico’s
Conclusie
Geen nadelige milieugevolgen
Geen nadelige milieugevolgen
Tabel 6.1 Samenvatting van de effecten per thema
Het doel van deze m.e.r.-beoordeling is om het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven, door in een vroeg stadium te onderzoeken en te beoordelen of de voorgenomen activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen hebben. Om deze vraag te beantwoorden zijn in dit rapport de criteria betrokken die zijn opgenomen in Bijlage III bij de Europese richtlijn 'betreffende de milieubeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten'. Op basis van de hiervoor opgenomen samenvatting van de effectstudies kan worden geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten op de beschouwde milieuaspecten. Uit de effectstudies blijkt dat, met het (eventueel) toepassen van de noodzakelijke (mitigerende) maatregelen, belangrijke nadelige milieugevolgen niet zullen optreden. Het opstellen van een MER ten behoeve van een m.e.r. procedure is derhalve niet noodzakelijk.
22 januari 2021
AANMELDINGSNOTITIE N18
BG6222TPRP2010231002
17