CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp n18 zieuwentseweg toelichting bijlage 13 ecologisch advies

Gemeenteraad 6 juli 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘N18 – Zieuwentseweg – Richterslaan Lichtenvoorde’1.856 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

HaskoningDHV Nederland B.V. Water

Bijlage 1: Adviesmemo Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie:

Rijkswaterstaat Chantal Posthouwer 22 oktober 2019

Onderwerp:

Ecologisch advies t.b.v. wegverbreding N18

BG6222WATNT1910221318 Projectgerelateerd

Aanleiding Rijkswaterstaat is voornemens om de verkeerssituatie aan de N18 (Europaweg) ter hoogte van Lichtenvoorde aan te passen. De parallelweg aan de noordzijde van de N18 wordt verbreed en deels verlegd. Ook wordt er een fietspad aangelegd en wordt er een fietstunnel gerealiseerd. Voor de uitvoer van de werkzaamheden zullen bomen worden gekapt. Door de werkzaamheden kunnen essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen worden aangetast. Ook overlapt een deel van het plangebied met een territorium van een steenuil. Daarnaast zullen er houtopstanden worden geveld. Houtopstanden Wet natuurbescherming In hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming is de bescherming van houtopstanden geregeld. De kern is dat er een herplantplicht geldt als houtopstanden worden geveld en dat velling alleen is toegestaan na melding bij het bevoegd gezag. De wet geldt niet voor onder andere houtopstanden binnen de bebouwde kom, erven of tuinen, uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, beplantingen langs waterwegen en eenrijige beplantingen langs landbouwgronden (artikel 4.1). Voor herplant op een andere locatie is een ontheffing nodig. Een houtopstanden is gedefinieerd als zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. Een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b.

Bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totale aantal rijen. In het voornemen zullen houtopstanden worden geveld. Geadviseerd wordt om bomen van dezelfde soort of beter in het gebied passende soorten (inheemse laanbomen zoals bijvoorbeeld zomereik en winterlinde) terug te planten langs de weg, om zoveel mogelijk lijnvormige elementen in het landschap te behouden. Foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen In Figuur 1 is de ligging van essentiële foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen binnen het plangebied weergegeven. Deze zijn vastgesteld door Staring Advies (Boerboom, 2017a). In Figuur 2 zijn de bomen die in het voornemen zullen worden gekapt met een rode stip aangegeven. Daarnaast is aangegeven op welke plekken de vliegroute wordt onderbroken (oranje lijn). De bomen die blijven staan kunnen niet op alle plekken voorzien in veilige hop-overs voor vleermuizen. Hierdoor neemt de kans op verkeersslachtoffers toe, wat de lokale staat van instandhouding van vleermuispopulaties kan

22 oktober 2019

BG6222WATNT1910221318

1/7

aantasten. Het is daarom noodzakelijk om onderbreking van vliegroutes te voorkomen. Geadviseerd wordt om op plekken waar een gat valt van meer dan 10 meter tussen de boomkruinen, nieuwe laanbomen aan te planten die al minimaal 10 tot 12 meter hoog zijn. Hiervoor moet worden gekozen voor het terug planten van dezelfde boomsoort of een beter in het gebied passende inheemse soort (zoals bijvoorbeeld zomereik of winterlinde). In Figuur 3 is met een roze stip aangegeven waar het in ieder geval noodzakelijk is om bomen terug te planten. Naast het voorkomen van onderbreking van vliegroutes is het ook noodzakelijk om de kwaliteit van de vliegroutes te behouden. In de huidige situatie bestaan de vliegroutes uit minimaal twee rijen bomen. Vleermuizen geven de voorkeur om gebruik te maken van tunnelvormige elementen. Hier vinden ze luwte om goed te kunnen foerageren en worden ze enigszins beschermd tegen regen en/of wind. Door het verwijderen van een deel van een bomenrij vergaat dit ‘tunneleffect’. Geadviseerd wordt om aan weerszijden van de weg bomen te behouden of terug te planten. Aangeraden wordt om hiervoor inheemse laanbomen te kiezen van minimaal 6-8 meter hoog. De rij bomen noordelijk van de Europaweg kan worden gecompenseerd door aan weerszijde van het nieuwe fietspad nieuwe bomen terug te planten.

Hierdoor wordt de kwaliteit van de vliegroute zoveel mogelijk behouden, zeker voor de langere termijn.

Figuur 1. Ligging van essentiële foerageergebieden (oranje) en vliegroutes (rood) binnen het plangebied (wit omlijnd).

22 oktober 2019

BG6222WATNT1910221318

2/7

Figuur 2. Ligging van bomen in het plangebied. Bomen aangeduid met een rode stip worden verwijderd. Bomen aangeduid met een groene stip blijven staan. Vliegroutes zijn aangegeven met een witte lijn.

Figuur 3. Weergave van vliegroutes die onderbroken worden door het kappen van bomen (oranje cirkel). In het roze is aangegeven waar bomen moeten worden terug geplant.

22 oktober 2019

BG6222WATNT1910221318

3/7

Figuur 4. Deel van ontwerptekening. Groen: bomenrij die gecompenseerd dient te worden. Geel: nieuw kruispunt waarbij mogelijk een vliegroute wordt onderbroken.

Om de rij bomen ten noorden van de nieuwe weg in Figuur 2 te compenseren wordt aangeraden om de bomenrij die blijft staan door te trekken langs het nieuwe bosplantsoen om zoveel mogelijk de lijnvormige elementen in het landschap te behouden. Door het nieuwe kruispunt wordt een bestaande vliegroute mogelijk onderbroken (gele cirkel in Figuur 4). Geadviseerd wordt om in de middenberm een grote boom van 10-12 meter hoogte aan te planten, zodat er geen gat ontstaat in de vliegroute. De eerste paar jaar zal de boomkruin echter nog smal zijn, waardoor er nog relatief veel afstand is tussen de bomen. De vliegroute zal daarom alsnog enigzins worden onderbroken. Dit kan opgelost worden door een portaal over de weg te plaatsen. Hoewel er lokaal, deels tijdelijk verlies van essentieel foerageergebied is, zijn er, met inbegrip van herstel en optimalisatie van bestaande vliegroutes, voldoende alternatieve geschikte foerageergebieden in en rondom het plangebied, waardoor functionaliteit van foerageergebied en met vliegroute samenhangende verblijfplaatsen niet worden aangetast (en dus geen sprake is van overtreding van verbodsbepalingen). Om het verstoren van vleermuizen tijdens de werkzaamheden zoveel mogelijk te beperken is het noodzakelijk om te werken buiten de kwetsbare perioden.

Dit betekent geen kapwerkzaamheden in de periode april t/m oktober, de actieve periode van de meeste vleermuizen. In de winterrustperiode gelden er bij afwezigheid van verblijfplaatsen geen beperkingen, omdat de dieren dan in winterslaap zijn. Mogelijk territorium van steenuil Binnen het plangebied zijn geen nesten van steenuil aangetroffen (Boerboom, 2017b). In het rapport van Staring Advies (Boerboom, 2017a) is echter wel aangegeven dat er een roepende steenuil is gehoord ter hoogte van de Boschlaan 8b, vlak buiten het plangebied (Figuur ). Na contact met de lokale steenuilenwerkgroep is gebleken dat er er op het erf van de Boschlaan 8b al tientallen jaren een vaste nest- en verblijfplaats van steenuil aanwezig is. Het zwaartepunt van het territorium ligt op het erf van de

22 oktober 2019

BG6222WATNT1910221318

4/7

Boschlaan 8b. De meest noordelijke bomenrij in het plangebied maakt deel uit van het territorium van steenuil maar is niet essentiëel. De bomen zullen incidenteel worden gebruikt als rustplek (persoonlijke communicatie, 19 augustus 2019). Bij het aanleggen van de weg is het noodzakelijk om aan de noordzijde (tussen de vaste nest- en verblijfplaats en de nieuwe weg) een bomenrij terug te planten. Hierdoor wordt voorkomen dat de kans op verkeersslachtoffers toeneemt. Wanneer deze maatregel in acht wordt genomen heeft de aanleg van de weg geen direct negatief effect op de lokale staat van instandhouding van de steenuil.

Figuur 5. Locatie van vaste nest- en verblijfplaats steenuil (roze) ten opzichte van de te verwijderen bomen (rood).

Algemene zorgplicht Voor alle in het wild levende soorten geldt de algemene zorgplicht (artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming). Hieronder wordt een aantal maatregelen beschreven om aan de algemene zorgplicht te voldoen: • De werkzaamheden worden bij voorkeur alleen overdag, tussen zonsopgang en zonsondergang uitgevoerd. Veel algemene en beschermde diersoorten zijn vooral actief gedurende de vroege ochtend, late avond en nacht; • Er wordt één richting opgewerkt, zodat kleine (zoog)dieren van de werkzaamheden vandaan kunnen vluchten. Houd hierbij rekening met vluchtwegen (werk dus niet richting een doodlopende hoek) en zorg dat de dieren voldoende vrije ruimte hebben; • Voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden kan een ecoloog het plangebied nalopen en eventueel aanwezige (niet-beschermde) amfibieën en grondgebonden zoogdieren oppakken of verjagen naar omringend geschikt terrein.

22 oktober 2019

BG6222WATNT1910221318

5/7

•

•

De aannemer maakt enkel gebruik van de ruimte die noodzakelijk is voor het uitvoeren van de werkzaamheden, en ontziet daarbij plaatsen met begroeiing en/of beplanting zoveel als mogelijk. Zo wordt onnodige verstoring van dieren en planten voorkomen; Wanneer de werkzaamheden gedurende langere tijd stilliggen, dient het terrein vóór herstart van de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een erkend ecoloog, bijvoorbeeld om te bepalen of er broedende vogels aanwezig zijn.

Broedvogels In het plangebied zijn waarnemingen bekend van broedvogels zonder jaarrond beschermde nesten. Ontheffing voor verstoring van broedgevallen wordt in principe niet verleend, waardoor het voorkomen van verstoring of vernietiging van broedgevallen noodzakelijk is. Het verstoren van broedgevallen van vogels is te voorkomen door: • Buiten het broedseizoen te werken, of; • Te zorgen dat buiten de verstoringsafstand van de broedgevallen gewerkt wordt, en/of; • Voorafgaand aan het broedseizoen de broedbiotoop voor vogels ongeschikt te maken (bijvoorbeeld struiken en bomen rooien voor aanvang van het broedseizoen) en (gedurende het broedseizoen) te houden, en/of; • De werkzaamheden voorafgaand aan het broedseizoen te laten beginnen en in een – voor zover mogelijk – constante intensiteit te laten doorgaan gedurende het broedseizoen kan worden. Het grote voordeel van deze methode is, dat de verstoringsafstand “automatisch” bepaald wordt: vogels zullen uit eigen beweging een nestplaats kiezen buiten hun specifieke verstoringsafstand. Nadeel is dat de constante intensiteit (zowel in tijd als in ruimte) lastig te realiseren is. Veel methoden om tijdens het broedseizoen door te kunnen werken zijn niet “waterdicht”. Het is vaak niet te garanderen dat broedgevallen niet zullen optreden tijdens het broedseizoen.

Buiten het broedseizoen werken heeft dan ook de voorkeur om overtreding van de Wnb ten aanzien van broedvogels te voorkomen. Dit voorkomt bovendien overlap met het actieve seizoen van vleermuizen. Indien dit niet mogelijk is, wordt geadviseerd om bovengenoemde maatregelen te treffen en het terrein kort voor aanvang van de werkzaamheden door een ecoloog te laten inspecteren op aanwezigheid van broedende vogels. Conclusies en aanbevelingen - Om te voorkomen dat vliegroutes worden onderbroken (een gat van meer dan 10 meter tussen de boomkruinen) wordt geadviseerd om de bomenrij aan te vullen met bomen van minimaal 10 meter hoog. - Om verlies van kwaliteit van vliegroutes te voorkomen wordt geadviseerd om bomen van minimaal 6-8 meter hoog terug te planten langs de nieuw aan te leggen weg. Hierdoor worden dubbele lijnvormige elementen (‘tunnels’) zoveel mogelijk behouden. - Het kappen van houtopstanden moet worden gemeld bij het bevoegd gezag. Daarnaast geldt er een 1-op-1 herplantplicht. - Voor het herplanten van wegbeplanting wordt aanbevolen om te kiezen voor laanbomen (geen bosplantsoen) van dezelfde soort of voor soorten die beter passen binnen het gebied (inheemse bomen zoals zomereik en winterlinde). - Bomen en struiken dienen te worden verwijderd buiten het broedseizoen van vogels en buiten de kwetsbare periode van vleermuizen.

- Wanneer aan de noordzijde van de nieuwe weg (tussen de vaste nest- en verblijfplaats van steenuil en de nieuwe weg) een bomenrij wordt geplant zullen de voorgenomen werkzaamheden geen negatief effect hebben op steenuil in de omgeving van het plangebied.

22 oktober 2019

BG6222WATNT1910221318

6/7

Geraadpleegde literatuur Boerboom, R., 2017a. Aanvullend vleermuisonderzoek, Europaweg in Lichtenvoorde. Staring Advies, Hoog-Keppel. Boerboom, R., 2017b. Quickscan natuurtoets, Europaweg in Lichtenvoorde. Staring Advies, HoogKeppel. Kennisdocument Steenuil. https://www.bij12.nl/assets/BIJ12-2017-019-Kennisdocument-Steenuil1.0.pdf, geraadpleegd op 12 augustus 2019. Wet Natuurbescherming, 2017. https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/2019-07-23, geraadpleegd op 12 augustus 2019.

22 oktober 2019

BG6222WATNT1910221318

7/7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10318770/1