CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp meddoseweg ong toelichting

Raadscommissie 19 maart 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Buitengebied herziening Meddoseweg (ong.)39.773 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

Econsultancy Archeologisch Rapport

SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van de Gemeente Oost Gelre een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het te realiseren fietspad Groenlo - Zwolle te Groenlo in de gemeente Oost Gelre (zie figuren 1 en 2). Dit fietspad zal een breedte hebben van circa 3 meter, met daarlangs aan weerszijden een berm variërend van 5 tot 8 meter (totale breedte van het onderzoeksgebied bedraagt 8 tot 11 meter). In het oostelijke deel van het plangebied zal voor twee terreindelen grenzend aan het toekomstige fietspad de bestemming worden omgezet naar natuurwaarden. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door eventuele toekomstige bodemingrepen kunnen worden aangetast. De verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek (zie bijlage 3) komt voort uit het vigerende bestemmingsplan en/of het vigerend gemeentelijk beleid (Archeologische beleidsadvieskaart 2008 van de gemeente Oost Gelre), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen infrastructurele werken, alsmede een bestemmingsplanwijziging. Volgens de archeologische beleidsadvieskaart doorsnijdt het tracé gebieden met zowel een lage, middelhoge als hoge archeologische verwachting (AWV-categorieën 6, 8 en 9).

De twee vlakelementen in het oostelijke deel van het plangebied liggen grotendeels binnen een gebied met een middelhoge archeologische verwachting. Een tweetal delen van het tracé die binnen het voormalige beekdal van de Groenlosche Slinge (voorheen aangeduid als De Slinge) liggen hebben een lage archeologische verwachting, echter wel een verhoogde kans op archeologische off-site resten die tevens goed geconserveerd kunnen zijn (AWV-categorie 10). Daarnaast doorsnijdt het centraal-oostelijke deel van het tracé een vastgesteld deel van de Circumvallatielinie, met daarbij de 25 meter bufferzone. Het oostelijk gelegen uiteinde van het tracé ligt binnen de 50 meter bufferzone. Doordat de exacte ligging van de linie ten tijde van opstellen van de beleidskaart nog niet geheel was vastgesteld, wordt een bufferzone van 50 m gehandhaafd aan weerszijden van die delen van de linie die nog niet zijn vastgesteld. Gespecificeerde archeologische verwachting Het plangebied/tracé ligt binnen het landschap van het Oost-Nederlandse Plateau. Het merendeel van het tracé ligt specifiek binnen een opgevuld en met dekzand afgedekt tunneldal ligt, waar doorheen het beekdal van de Groenlosche Slinge stroomt (voorheen bekend als De Slinge). Alleen het uiterst westelijke deel van het tracé ligt binnen een dekzandrug dan wel in een gebied van dekzandwelvingen.

Het centrale deel van het tracé ligt binnen een laaggelegen dekzandvlakte en de beekdalzone van de oude loop van De Slinge. De oostelijk gelegen vlakelementen en het oostelijke deel van het tracé liggen in een droog dal en de overgang naar een plateauachtig terrasrest (buiten het tunneldal). Het uiterst westelijke deel van het tracé, de oostelijk gelegen vlakelementen en het oostelijke deel van het tracé, liggen binnen een gradiëntzone en hadden een gunstige ligging voor Jager-Verzamelaars (Laat-Paleolithicum t/m Vroeg-Neolithicum) als tijdelijke nederzettingslocatie (jachtkampementen). Ook voor Landbouwers waren zowel de dekzandruggen/-welvingen als de terras-achtige plateauresten de meest gunstige bewoningslocaties, omdat deze goed ontwaterde gronden betroffen voor landbouw. De voorlopers van De Slinge vormde een natuurlijke bron voor (drink)water. Langs de aangrenzende zones van het beekdal konden ook specialistische activiteiten worden ontplooid. De gronden nabij het beekdal als de dekzandvlakten vormde waarschijnlijk natuurlijke natte graslanden, waardoor deze terreinen geschikt waren voor het laten grazen van vee. De hogere biodiversiteit leverde ook meer natuurlijke voedselbronnen op.

15116331 OGR.GEM.ARC

In het centraal-oostelijke deel van het tracé wordt een vastgesteld deel van de Circumvallatielinie doorsneden. Dit deel van de linie bestond (vooralsnog) uit een enkele aarden wal, met aan de buitenzijde van deze wal een droge of natte gracht. Het oostelijk gelegen uiteinde van het tracé ligt tevens nog net binnen de 50 meter bufferzone van een niet vastgesteld deel van de linie. Op basis van de aanwezige afzettingen en landschappelijke ligging is voor het uiterst westelijke deel van het tracé, de oostelijk gelegen vlakelementen en het oostelijke deel van het tracé de verwachting middelhoog tot hoog op de aanwezigheid van resten en sporen vanaf het (Laat-)Paleolithicum. Voor Jagers-Verzamelaars kunnen resten (en mogelijk nog sporen) worden verwacht van een basis-/extractiekamp, waarbij sprake zal zijn van een matig/hoge dichtheid van (resistente) mobilia (stenen werktuigen, bot). Resten en sporen van Landbouwers worden verwacht in de vorm van een nederzettingscomplex of huisplaats en resten van afvaldumps. Voor het merendeel van het tracé is de verwachting laag op de aanwezigheid van resten en sporen vanaf het (Laat-)Paleolithicum.

Voor die delen van het centrale deel van het tracé die binnen het beekdal van de voorlopers van de Groenlosche Slinge liggen, geldt wel een hoge verwachting op beekdalgerelateerde resten, zeker wanneer er op de naastgelegen hogere gronden direct buiten het beekdal aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van nederzettingscomplex of huisplaats (onverhoogd). Dergelijke off-site resten moeten wel gezien worden als puntlocaties van zeer kleine omvang. Resultaten inventariserend veldonderzoek Uit de resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase en deels direct gecombineerd met de karterende fase) blijkt dat de bodemopbouw in het westelijke deel van het tracé bestaat uit dekzandafzettingen van de Formatie van Boxtel, Laagpakket van Wierden. In het centrale deel van het tracé zijn verspoelde dekzandafzettingen en beekdalafzettingen aanwezig. Het centrale deel van het tracé ligt wel voor het merendeel in een gebied waar beekdalafzettingen aanwezig zijn in plaats van verspoelde dekzanden, en wijkt daarmee enigszins af de verwachte landschappelijke ligging en bodemopbouw zoals weergegeven op de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre. De aanwezigheid van beekeerdgronden wordt wel duidelijk bevestigd, daar waar de verstoringsdiepte beperkt blijft tot de huidige bouwvoor.

Ter plaatse van de vlakelementen van het oostelijke deel plangebied en oostelijk deel van het tracé komen sneeuw- en ijssmeltwaterafzettingen voor, overgaand in keileem. In het westelijke deel van het tracé, de oostelijk gelegen vlakelementen in het oostelijke deel van het tracé bestaat de bodemopbouw veelal uit een AC-profiel. Slechts bij enkele boringen in voornamelijk de oostelijk gelegen vlakelementen is een zwak ontwikkeld restant van een veldpodzolprofiel waargenomen. Het archeologisch sporenniveau ligt bij deze boringen rond gemiddeld 50 cm -mv, op de overgang van de BC- naar de C-horizont, wat betekent dat eventueel aanwezige archeologische sporen ter plaatse en in de directe omgeving nog intact zullen zijn, indien aanwezig. Bij de meeste boringen komt onder de humeuze bovenlaag direct de Chorizont voor (AC-profiel). Er lijkt in het meest westelijke deel van het tracé een matig dik tot dik plaggendek te zijn opgebracht, welke echter bij het merendeel van de boringen recentelijk sterk verstoord is. Binnen de oostelijk gelegen vlakelementen in het oostelijke deel van het tracé beperkt de humeuze bovenlaag zich veelal tot de eerste 30 cm.

Van een duidelijk plaggendek (met nog een restant dat niet recentelijk verstoord is) is geen sprake, ook niet in het uiterst oostelijke deel van het tracé (wat wel werd verwacht op basis van de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre). Binnen het plangebied/tracé is sprake van veel variatie in de verstoringsdiepte, vooral in het westelijke en centrale deel, tot minimaal 30 en maximaal 170 cm -mv. In het oostelijke deel betreft de gemiddelde verstoringdiepte 50 cm -mv. De verstoringen reiken bij de meeste boringen tot minimaal aan de oorspronkelijke top van de C-horizont. Daar waar de verstoringsdiepte zich beperkt tot de huidige bouwvoor (eerste 30 cm) zal het archeologisch sporenniveau ook nog (deels) intact aanwezig zijn, maar dit geldt dan vooral voor de boringen die gezet zijn binnen terreindelen met een lage archeologische verwachting.

15116331 OGR.GEM.ARC

Enkele antropogene resten zijn aangetroffen bij een aantal boringen in het centrale deel van het tracé die gezet zijn langs de berm van de Oude Winterwijkseweg. Het gaat om enkele resten asfalt, puin en stenen in het geroerde/verstoorde deel van de bodemopbouw, en die vanuit archeologisch oogpunt dan ook niet interessant zijn. In alle andere boringen zijn geen archeologisch relevante indicatoren aangetroffen. De boringen gezet in het centraal-oostelijke deel van het tracé om restanten van de Circumvallatielinie hebben wel op twee locaties een gevlekte/humeuze laag opgeleverd direct onder de huidige bouwvoor. Het duidt op een vermoedelijk dubbel aangelegd deel van de Circumvallatielinie, in de vorm van twee greppelvullingen (dempingsmateriaal). Conclusie Op basis van de geleverde onderzoeksinspanning wordt geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn om archeologische resten van complextypen in de vorm van een basis-/extractiekamp (JagersVerzamelaars), nederzettingscomplex of huisplaats (Landbouwers) en afvaldumps, te verwachten in het westelijke deel van het tracé, de oostelijke gelegen vlakelementen en het oostelijk gelegen tracé. Voor het centrale deel van het tracé blijft daarmee de verwachting laag op het aantreffen van beekdalgerelateerde resten.

Deze vondcomplexen betreffen veelal puntlocaties van zeer kleine omvang, waarmee dan ook opgemerkt dient worden dat een booronderzoek niet de geschikte methode is om dergelijke resten op te sporen. Er is echter wel sprake van een archeologische vindplaats in het centraal-oostelijke deel van het plangebied, vermoedelijk in de vorm van een dubbel aangelegd deel van de Circumvallatielinie. Voor behoud in situ van deze te verwachten archeologische vindplaats is het wellicht mogelijk om het inrichtingsplan aan te passen, bijvoorbeeld door ter plaatse het terreindeel op te hogen. Hierdoor zullen bodemingrepen buiten het bereikt blijven van de huidige bodemopbouw. Indien dit niet mogelijk is, dan is vervolgonderzoek (gravend onderzoek) noodzakelijk, waarbij nader bepaald kan worden wat de waarde/fysieke kwaliteit van de vindplaats is. Selectieadvies Op grond van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek wordt door Econsultancy de aanbeveling gedaan om alleen een vervolgonderzoek te laten uitvoeren ter plaatse van het centraaloostelijke deel van het plangebied, waar vermoedelijk restanten van een dubbel aangelegd deel van de Circumvallatielinie liggen (twee greppelvullingen). Behoud van de deze mogelijk aanwezige archeologische vindplaats zal niet mogelijk zijn bij een niet aangepaste uitvoering van de huidige plannen.

Geadviseerd wordt ter plaatse van waar de gevlekte/humeuze laag direct onder de bouwvoor is aangetroffen, een vervolgonderzoek te laten uitvoeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVOP, 2 korte sleuven van ieder 4 meter breed). Voor het proefsleuvenonderzoek (IVO-P) dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld, waarin beschreven staat op welke wijze het onderzoek uitgevoerd dient te worden. Dit PvE dient te worden beoordeeld door het bevoegd gezag (gemeente Oost Gelre). Behoud in situ is alleen maar mogelijk als bodemingrepen buiten het bereikt blijven van de huidige bodemopbouw (de huidige bouwvoor dient als conserverende laag behouden te blijven). Dit kan bijvoorbeeld worden bewerkstelligd door ter plaatse van waar de Circumvallatielinie het tracé doorsnijdt, op te hogen, waardoor bodemingrepen buiten het bereikt zullen blijven van de huidige bodemopbouw. Voor het overige en daarmee het merendeel van het plangebied/tracé wordt geadviseerd, op basis van het ontbreken van archeologische indicatoren, geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden.

15116331 OGR.GEM.ARC

Dit selectieadvies is voorgelegd aan het bevoegd gezag in kwestie, Burgemeester en Wethouders van de gemeente Oost Gelre en door middel van een selectiebesluit als zodanig bekrachtigd (beoordeling archeologisch rapport door de heer drs. M. Kocken, Regionaal Archeoloog Omgevingsdienst Achterhoek, d.d. 21 januari 2016, zaaknummer 2016EAA0012). Met bovenstaand selectieadvies wordt ingestemd. Wel dient voor de vrij te geven delen van het plangebied/tracé te allen tijde bij het afgeven van een omgevingsvergunning de wettelijke meldingsplicht (ex artikel 53 Monumentenwet 1988) kenbaar te worden gemaakt om het documenteren van toevals-vondsten te garanderen: Degene die anders dan bij het doen van opgravingen een zaak vindt waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een monument is (in roerende of onroerende zin), meldt die zaak zo spoedig mogelijk bij Onze minister. Deze aangifte dient te gebeuren bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed in Amersfoort. Het verdient aanbeveling ook de verantwoordelijk ambtenaar van de gemeente Oost Gelre (de heer P. Ballast) en diens adviseur (de heer drs. M. Kocken, Regionaal Archeoloog regio Achterhoek) hiervan per direct in kennis te stellen.

15116331 OGR.GEM.ARC

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN ......................................................................... 1

3

BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 4 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9 3.10 3.11

4

INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 36 4.1 4.2 4.3

5

Methoden .......................................................................................................................... 4 Afbakening van het plangebied ........................................................................................ 4 Huidige situatie ................................................................................................................. 5 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 5 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 6 Aardwetenschappelijke gegevens .................................................................................... 9 Archeologische waarden ................................................................................................ 17 Aanvullende informatie ................................................................................................... 24 Korte bewoningsgeschiedenis van het Oostelijk Dekzandlandschap ............................ 25 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel ........................................................ 26 Afweging gekozen onderzoeksmethode inventariserend veldonderzoek ......................

35 Methoden ........................................................................................................................ 36 Resultaten ....................................................................................................................... 37 Beantwoording onderzoeksvragen veldonderzoek ........................................................ 41

CONCLUSIE EN SELECTIEADVIES ....................................................................................... 47 5.1 5.2

Conclusie ........................................................................................................................ 47 Selectieadvies................................................................................................................. 49

LITERATUUR ...................................................................................................................................... 50 BRONNEN .......................................................................................................................................... 51

15116331 OGR.GEM.ARC

LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III. Tabel IV. Tabel V. Tabel VI. Tabel VII. Tabel VIII. Tabel IX. Tabel X.

Geraadpleegd historisch kaartmateriaal Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Grondwatertrappenindeling Grondwatergegevens plangebied Overzicht onderzoeksmeldingen Overzicht ARCHIS-waarnemingen Gespecificeerde archeologische verwachting Bodemopbouw waar een matig dik tot dik plaggendek werd verwacht in het westelijke deel van het tracé (boringen 1 t/m 5, 12 t/m 14, 16 en 17) Bodemopbouw waar beekeerdgronden werden verwacht in het centraal-westelijke en centrale deel van het tracé (boringen 6 t/m 11, 15, 18 t/m 27 en 31) Bodemopbouw vlakelementen oostelijke deel plangebied en oostelijk deel van het tracé (boringen 28 t/m 30 en 32 t/m 69)

LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5a.

Situering van het plangebied binnen Nederland Detailkaart van het plangebied Luchtfoto van het plangebied Situering van het plangebied binnen de Hottingerkaart uit 1773-1794\ Situering van het westelijke deel van het plangebied/tracé binnen de Kadastrale kaart uit 1828 (Minuutplan) Figuur 5b. Situering van het oostelijke deel van het plangebied/tracé binnen de Kadastrale kaart uit 1828 (Minuutplan) Figuur 6. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1830-1850 Figuur 7. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1898 (Bonneblad) Figuur 8. Situering van het plangebied binnen de Militaire topografische kaart uit 1936 (Bonneblad) Figuur 9. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1966 Figuur 10. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1975 Figuur 11. Situering van het plangebied binnen de Topografische kaart uit 1994 Figuur 12. Situering van het plangebied binnen de Geomorfologische kaart van Nederland Figuur 13. Situering van het plangebied binnen de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre Figuur 14. Situering van het plangebied binnen de hoogtekaart van de gemeente Oost Gelre Figuur 15. Situering van het plangebied binnen de Bodemkaart van Nederland Figuur 16. Archeologische Gegevenskaart van het onderzoeksgebied met AHN als achtergrond Figuur 17.

Situering van het plangebied binnen de archeologische beleidsadvieskaart van de gemeente Oost Gelre Figuur 18a. Boorpuntenkaart westelijk deel plangebied/tracé Figuur 18a. Boorpuntenkaart oostelijk deel plangebied/tracé Figuur 19a. Kaart met resultaten van het booronderzoek van het westelijk gelegen tracé Figuur 19b. Kaart met resultaten van het booronderzoek met advieszones waar vervolgonderzoek voor wordt geadviseerd (Circumvallatielinie) BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Bewoningsgeschiedenis van Nederland AMZ-cyclus 15116331 OGR.GEM.ARC

Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6

Inrichtingsplan Overzichtsfoto’s plangebied en foto’s opgeboorde profielen Boorprofielen

15116331 OGR.GEM.ARC

1

INLEIDING

Econsultancy heeft in opdracht van de Gemeente Oost Gelre een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor het te realiseren fietspad Groenlo - Zwolle te Groenlo in de gemeente Oost Gelre (zie figuren 1 en 2). Dit fietspad zal een breedte hebben van circa 3 meter, met daarlangs aan weerszijden een berm variërend van 5 tot 8 meter (totale breedte van het onderzoeksgebied bedraagt 8 tot 11 meter). In het oostelijke deel van het plangebied zal voor twee terreindelen grenzend aan het toekomstige fietspad de bestemming worden omgezet naar natuurwaarden. Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen wat de verwachtingswaarde is voor de aanwezigheid van archeologische waarden binnen het plangebied en of deze door eventuele toekomstige bodemingrepen kunnen worden aangetast. De verplichting tot het uitvoeren van een archeologisch onderzoek (zie bijlage 3) komt voort uit het vigerende bestemmingsplan en/of het vigerend gemeentelijk beleid (Archeologische beleidsadvieskaart 2008 van de gemeente Oost Gelre), voortvloeiend uit het Verdrag van Malta uit 1992. Het onderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen infrastructurele werken, alsmede een bestemmingsplanwijziging.

Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (hoofdstuk 3) en een inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase en deels direct gecombineerd met de karterende fase) door middel van boringen (hoofdstuk 4). Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt een advies gegeven of vervolgstappen nodig zijn en zo ja, in welke vorm (hoofdstuk 5). 2

DOELSTELLING EN ONDERZOEKSVRAGEN

Het onderzoek heeft tot doel inzicht te krijgen in de archeologische waarden van het plangebied. Het bureauonderzoek heeft tot doel om een gespecificeerde archeologische verwachting van het plangebied op te stellen. De archeologische verwachting is gebaseerd op bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden in en om het plangebied. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase en deels direct gecombineerd met de karterende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het is gericht op het verkrijgen van inzicht in de geologische en bodemkundige opbouw binnen het plangebied en het inventariseren van eventueel aanwezige archeologische vondsten en/of sporen om een eerste indruk te vormen van de kwaliteit (gaafheid en conservering), aard, datering, omvang en diepteligging hiervan. Conform het Normblad archeologisch vooronderzoek voor de gemeenten binnen de regio Achterhoek 1 (versie 1.2, september 2013) dienen het bureauonderzoek en veldonderzoek antwoord te geven op de volgende onderzoeksvragen: Fase 1a. Bureauonderzoek 1. Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging en c) ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in het omringende gebied (binnen een afstand tot ca.

200 m van de onderzoekslocatie) en in de ondiepe ondergrond? d) Hoe dik is de holocene deklaag? 2. Wat is a) de aard (ontstaanswijze en classificatie) b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van natuurlijke bodemhorizonten in het omringende gebied? 1

Willemse & Kocken, 2013

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 1 van 51

3. Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van eventueel aanwezige antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.) in het omringende gebied? 4. Wat is a) de aard (ontstaanswijze), b) dikte, en c) omvang van eventueel in het omringende gebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, colluvium, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)? 5. Wat is het historisch landgebruik van de onderzoekslocatie en het omringende gebied geweest, uitgaande van a) de Hottingerkaart, b) het Kadastraal minuutplan, c) de Topografisch Militaire Kaart 1850 en d) het Bonneblad? 6.

Welke gegevens met betrekking tot archeologische complexen (‘waarnemingen’ inclusief uitkomsten historisch kaartonderzoek uit 5) zijn reeds binnen het onderzoeksgebied en/of binnen de landschappelijke eenheden rondom de onderzoekslocatie bekend? Vermeld per vondst- en/of spoorcomplex minimaal: a) bronvermelding (onderzoeksrapportages, ARCHIS-gegevens), b) de materiaalcategorieën, c) ouderdom, d) ruimtelijke (geografische) verspreiding, e) stratigrafische verspreiding (diepteligging en/of dikte vondstlaag), f) fragmentatie, g) waarnemingsmethode, h) interpretatie, dat wil zeggen zowel systemisch (indien redelijkerwijs uit de gegevens af te leiden) als volgens het principediagram zoals aangegeven in het normblad (zo gespecificeerd mogelijk (top-down typering) op basis van de waarnemingen). 7. Gegeven 1 tot en met 4; met welke (primaire) natuurlijke formatieprocessen (fasen van sedimentatie, erosie, laterale verplaatsing, bodemvorming, degradatie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied 8. Gegeven 5 en 6; met welke (primaire) culturele formatieprocessen (grondbewerking, bemesting, ophoging, betreding, percelering, [de-]constructie, materiaaltypen, materiaalgebruik en materiaaldepositie e.d.) heb je te maken in het onderzoeksgebied [inclusief (sub)recente bodemverstoring als gevolg van (sub)recent landgebruik/inrichting]? 9.

Gegeven 7 en 8; welke kunnen een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming (geografisch en stratigrafisch) van eventuele aanwezige vondstspreidingen, de vondstdichtheid, vondst- en spoorniveaus (stratigrafisch), en de fysieke kwaliteit van eventueel aanwezige archeologische resten? 10. Gegeven 1 tot en met 9; wat is de aard (mobilia [materiaalsoorten, fragmentatie, dichtheden], immobilia, ruimtelijke en stratigrafische spreiding, etc.) van (mogelijk) aanwezige vondst- en/of spoorcomplexen? 11. Hoe manifesteren deze zich tijdens prospectieonderzoek (prospectiekenmerken, geografisch en stratigrafisch)? 12. Welke vondst- en/of spoorcomplexen (conform het principediagram) kunnen binnen het onderzoeksgebied aangetoond worden? Licht beargumenteerd toe. 13. Met de inzet van welke zoekmethoden (detectie- en waarnemingsvorm, monsterbehandeling en zoekstrategieën) kunnen deze vondst- en/of spoorcomplexen (indicatoren) systematisch opgespoord worden (zoeksleuven, booronderzoek, veldkartering, geofysisch etc.)? Licht beargumenteerd toe met verwijzing naar de verschillende KNA-leidraden. Fase 1b. Inventariserend veldonderzoek, verkenning 14. Wat is a) de aard (ontstaanswijze, textuur, kleur), b) diepteligging en c) ouderdom van de relevante natuurlijke afzettingen in de ondiepe ondergrond ter plaatse van het onderzoeksgebied? d) hoe dik is de holocene deklaag? 15.

Wat is a) de aard (kleur, textuur, samenstelling), b) diepteligging, c) genese en d) gaafheid van natuurlijke en eventueel antropogene bodemhorizonten (akkerlagen en overige ‘verstoringslagen’, bemestingslagen e.d.), ter plaatse van het onderzoeksgebied? 16. Wat is a) de aard, b) dikte en c) omvang van eventueel ter plaatse van het onderzoeksgebied voorkomende afdekkende lagen en de (geschatte) ouderdom daarvan (plaggendek, stuifzandlaag, kleidek, afvallaag, ophogingslaag)?

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 2 van 51

17. Indien er afdekkende lagen voorkomen; wat is a) de aard (ontstaanswijze, kleur, textuur, samenstelling), b) gaafheid en c) dikte van het onderliggende afgedekt bodemprofiel (natuurlijke en antropogene bodemhorizonten zoals oude akkerlagen) en/of afzettingen? 18. Wat is a) de diepte tot waarop artefacten van recente ouderdom (‘modern’ afvalmateriaal) in het bodemprofiel voorkomen en/of b) tot welke diepte in het bodemprofiel is sprake van een ‘recente’ bodemverstoring (bodemgaafheid)? Fase 2. Inventariserend veldonderzoek, kartering 19. Uitgaande van de onderzoeksstrategie, zoals aangegeven in het bureauonderzoek, zijn de verwachte vondst- en/of spoorcomplexen (archeologische indicatoren) binnen het onderzoeksgebied aanwezig? 20. Uitgaande van waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk, in hoeverre komen de uitkomsten overeen met de resultaten van het bureauonderzoek? 21. Uitgaande van waarnemingen gedaan tijdens het veldwerk, hoe adequaat is de gekozen zoekstrategie geweest (evaluatie resultaten bureauonderzoek)? Fase 2. Inventariserend veldonderzoek, kartering (indien archeologische resten (indicatoren) aanwezig zijn) 22. Wat is de (mogelijke) omvang, aard, datering en fysieke kwaliteit van de archeologische vondsten/of spoorcomplexen? 23.

Wat is de a) diepteligging van de top van het niveau met archeologische vondst- en/of spoorcomplexen (‘vondstlaag’) ten opzichte van het maaiveld? Wat is b) de dikte van de vondstlaag of vondstlagen? 24. In hoeverre is de vondstlaag/vondstlagen of het vondstmateriaal op, of in, de bodem representatief voor die in de diepere bodem? 25. In hoeverre is de vondstlaag of het vondstmateriaal op, of in, de bodem representatief voor de ligging en verbreiding van een eventueel sporenniveau? 26. Hoe kan men de prospectieresultaten vertalen in termen van conservering/kwaliteit, en/of verdere zoek- of waarderingsstrategieën? 27. Welke consequenties zal voortgaande planuitvoering op de archeologische resten kunnen hebben? 28. Welke a) mogelijkheden zijn er, of welk perspectief is er, voor in situ behoud. Wat zijn b) daarvoor de randvoorwaarden? Hoe c) dienen deze randvoorwaarden tijdens de waarderende fase te worden onderzocht? In de hoofdstukken 3, 4 en 5 worden aan het einde van elke paragraaf de onderzoeksvragen beantwoord wanneer deze van toepassing zijn. Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 8 en 9 december 2015 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector). Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd op 17, 18 en 21 december 2015 door ir. E.M. ten Broeke (senior prospector). Het rapport is gecontroleerd door drs. A.H. Schutte (senior KNAarcheoloog/kwaliteitscontroleur).

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 3 van 51

3 3.1

BUREAUONDERZOEK Methoden

Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd conform de eisen en normen zoals aangegeven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA, versie 3.3, december 2013), die is vastgesteld door het Centraal College van Deskundigen (CCvD) Archeologie en is ondergebracht bij het SIKB te Gouda. Voor de uitvoering van het bureauonderzoek gelden de specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en 2 LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven conform specificatie LS06. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:     

afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).

Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:              3.2

het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IKAW); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); de Atlas Gelderland; literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Oost Gelre; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging. Afbakening van het plangebied

Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen het onderzoeksgebied en het plangebied. Het plangebied is het gebied waarbinnen feitelijk de bodemverstorende ingreep gaat plaatsvinden. Het onderzoeksgebied is het gebied waarover informatie is verzameld om een goed beeld te krijgen van de archeologische waarden binnen het plangebied. Dit gebied is groter dan het plangebied. In het huidige onderzoek betreft het onderzoeksgebied het gebied binnen een straal van circa 1 km rondom het plangebied.

2

Beschikbaar via www.sikb.nl

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 4 van 51

Het plangebied heeft merendeels de vorm van een lijnelement en betreft het toekomstige fietspad Groenlo - Zwolle met aan weerszijde een berm en heeft de vorm van een lijnelement (totale lengte 1.500 meter en breedte gemiddeld 6 meter, circa 9.000 m²). In het oostelijke deel van het plangebied zal voor twee terreindelen grenzend aan het toekomstige fietspad de bestemming worden omgezet naar natuurwaarden en hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 11.500 m². Het fietspad zal komen te liggen tussen de kernen van Groenlo en Zwolle in de gemeente Oost Gelre (zie figuren 1 en 2). Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ligt het maaiveld op een hoogte variërend tussen circa 24 en 26 m +NAP, waarbij het centrale deel van het tracé binnen het beekdal van de Groenlosche Slinge de laagste ligging heeft en het uiterst oostelijke deel van het tracé de hoogste ligging. 3.3

Huidige situatie

Voor het bureauonderzoek is het van belang de huidige situatie te onderzoeken. Landgebruik en bebouwing kunnen van invloed zijn op de archeologische verwachting. Het plangebied is grotendeels in agrarisch gebruik, waarbij een deel van het tracé van het toekomstige fietspad langs bosranden ligt. Tevens zal het toekomstige fietspad enkele wegen, de watergang van de Groenlosche Slinge en buitenranden van woonerven/boerenerven doorkruisen. De terreindelen in het oostelijke deel van het plangebied zijn grotendeels in gebruik als grasland. Een beperkt deel betreft een bosrand (zie figuur 3). 3

Atlas Gelderland Met de Atlas Gelderland wilt de provincie Gelderland inzicht geven in maatregelen die de afgelopen jaren getroffen zijn om de bodemkwaliteit binnen de provincie in kaart te brengen (bodemonderzoek) of te herstellen (bodemsanering). Ook laat de Bodematlas zien waar vroeger (bedrijfs-)activiteiten hebben plaatsgevonden die extra aandacht verdienen. Het raadplegen van de Atlas Gelderland heeft voor het plangebied zelf geen aanvullende gegevens opgeleverd. 3.4

Toekomstige situatie

Het toekomstige gebruik van het plangebied kan bepalend zijn voor het vervolgtraject (behoud in-situ of behoud ex-situ van archeologische waarden). De manier waarop het plangebied wordt ingericht kan tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden (deels of geheel) onverstoord (kunnen) blijven. Ook kan besloten worden de inrichting zo aan te passen dat archeologische waarden alsnog onverstoord kunnen blijven liggen. In het plangebied/tracé zal een fietspad worden gerealiseerd (zie bijlage 4). Dit fietspad zal een breedte hebben van circa 3 meter, met daarlangs aan weerszijden een berm variërend van 5 tot 8 meter (totale breedte van het onderzoeksgebied bedraagt 8 tot 11 meter). Ter plaatse van het toekomstige fietspad zal de humeuze bovengrond worden afgegraven (aanleg stabilisatielaag/halfverhardingslaag op het “gele” zand). Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek zal dit zijn tot minimaal 30 cm -mv. Daarnaast zal de bodem geroerd worden ten behoeve van de aanleg van kabels- en leidingen en een stabilisatielaag/halfverhardingslaag. Tot welke diepte is niet bekend. Ter plaatse van de terreindelen in het oostelijke deel van het plangebied, waarvan de bestemming worden omgezet naar natuurwaarden, zal de humeuze (fosfaatrijke) bouwvoor/bovengrond (naar verwachting 30 tot 50 cm dik) worden afgegraven. 3

http://ags.prvgld.nl/GLD.Atlas/(S(0it0ap55f04mrr55pm3j3s45))/Default.aspx?applicatie=AtlasGelderland

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 5 van 51

3.5

Beschrijving van het historische gebruik

In het plangebied kunnen naast archeologische sporen ook sporen van menselijk gebruik voorkomen die nog in het landschap zichtbaar zijn. Het gaat hierbij om historische gebouwen en historische geografie. Veel van de bewaard gebleven historische geografie geeft door de herverkavelingen in de e tweede helft van de 20 eeuw een incompleet beeld van het historisch landschap. Historische kaarten van vóór de herverkaveling zijn een goede aanvulling op het huidige incomplete beeld. Voor de historische ontwikkeling is naast het historisch kaartmateriaal ook relevante achtergrondliteratuur geraadpleegd. Historisch kaartmateriaal De situatie van het plangebied is op verschillende historische kaarten als volgt: Geraadpleegd historisch kaartmateriaal4

Tabel I.

4

Bron

Periode

Kaartblad

Schaal

Omschrijving plangebied

Bijzonderheden/directe omgeving

Hottingerkaart

1773-1794

78

-

Merendeel tracé in (extensief) agrarisch gebruik. Binnen het beekdal van De Slinge nat/moerassig gebied, waarschijnlijk in gebruik als extensieve graasgronden voor vee. Voorloper van de Oude Winterswijkseweg aanwezig ten noorden van het westelijke deel van het tracé (zandweg).

Voornamelijk agrarisch buitengebied met enkele boerenerven. Herkenningspunten betreffen de nog vrij meanderende beekloop van De Slinge en verder ten noordwesten de historische en omgrachte kern van Groll (Groenlo).

Kadastrale kaart (Minuutplan)

1828

Gemeente Lichtenvoorde, sectie B, Blad 01 en Gemeente Beltrum, Sectie A, Blad 03

1:2.500

Voorloper van de Oude Winterswijkseweg ten noorden van het westelijke deel van het tracé werd aangeduid als de Weg van Groenlo naar Zwol. Het westelijke deel van het tracé liep tevens tussen twee boerenerven door, betreft de huidige erven aan de Oude Winterswijkseweg 44 en 47.

Begrenzingen van oude wegen/percelen ten oosten van het plangebied lagen in lijn met vermoedelijke ligging van de Circumvallatielinie.

Militaire topografische kaart

1830-1850

34_4rd

1:50.000

Geen noemenswaardige veranderingen. Vooral het oostelijke deel van het tracé ligt binnen percelen grasland.

Geen noemenswaardige veranderingen.

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1898

475

1:50.000

Centrale deel tracé open heidegebied, waarschijnlijk voor het houden van schapen. Eén van de boerenerven langs het westelijke deel van het tracé werd als geduid met de naam Parskamp.

Buurtschap Zwolle betrof niet meer dan enkele bij elkaar gelegen boerenerven. Agrarisch buitengebied mix van akker- en graslanden. Heidegebieden vooral op de plateau-achtige terrasresten die door landijs zijn beïnvloed (aanwezige keileem zorgt voor relatief slechte natuurlijke drainage en stenige gronden).

Militaire topografische kaart (Bonneblad)

1936

475

1:50.000

Geen noemenswaardige veranderingen.

Delen van het beekdal van De Slinge rechtgetrokken/gekanaliseerd. Ook de voorloper van de Oude Winterswijkseweg is rechtgetrokken, evenals grenzen tussen agrarische percelen.

www.watwaswaar.nl

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 6 van 51

Topografische kaart

1966

41 E

1:25.000

Grotendeels deel uitmakend van percelen grasland. Langs het westelijke deel van het tracé loopt direct langs de voorloper van de Oude Winterswijkseweg, aangeduid als de Stikkeweg.

Voortgaande herverkaveling van het agrarisch buitengebied.

Topografische kaart

1975

41 E

1:25.000

Geen noemenswaardige veranderingen.

Aanpassing van het wegenpatroon.

Topografische kaart

1994

41 E

1:25.000

Huidige situatie.

Merendeels huidige situatie. e

Op basis van het beschikbare historische kaartmateriaal uit de tweede helft van de 18 eeuw (Hottinger Atlas) was het tracé destijds merendeels in (extensief) agrarisch gebruik. Het centrale deel van het tracé doorsneed het beekdal van De Slinge, waar voornamelijk sprake was van een nat/moerassig gebied en waarschijnlijk in gebruik was als extensieve graasgronden voor vee. De voorloper van de Oude Winterswijkseweg was reeds aanwezig ten noorden van het westelijke deel van het tracé (zandweg) en werd aangeduid als de Weg van Groenlo naar Zwol. Bebouwing in de omgeving van het plangebied betroffen enkele boerenerven. Verder ten noordwesten lag de historische en omgrachte kern van Groll (Groenlo) (zie figuur 4). e

Aan het begin van de 19 eeuw liep het westelijke deel van het tracé tussen twee boerenerven door die lagen aan de voorloper van de Oude Winterswijkseweg (deze lagen ter plaatse van de huidige erven aan de Oude Winterswijkseweg 44 en 47). Ten oosten van het plangebied was begrenzingen van oude wegen/percelen aanwezig die in lijn lagen met de vermoedelijke ligging van de Circumvallatielinie (vergelijk figuren 5a/5b en 17, kenmerken van de Circumvalatielinie worden gesproken in § e 3.7). In de loop van de 19 eeuw vinden er weinig veranderingen plaats zowel binnen als in de directe omgeving van het plangebied. Vooral het oostelijke deel van het tracé ligt binnen percelen grasland e (zie figuur 6). Aan het einde van de 19 eeuw lag het centrale deel van het tracé in een open heidegebied, wat waarschijnlijk werd gebruikt voor het houden van schapen. Eén van de boerenerven langs het westelijke deel van het tracé werd als geduid met de naam Parskamp (zie figuur 7). Het buurtschap Zwolle betrof destijds niet meer dan enkele bij elkaar gelegen boerenerven. Er waren vooral heidegebieden aanwezig op de plateau-achtige terrasresten die door landijs zijn beïnvloed, vermoedelijk vanwege de aanwezige keileem die zorgt voor relatief slechte natuurlijke drainage en stenige gronden. e

Rond begin jaren ’30 van de 20 eeuw werd het beekdal van De Slinge rechtgetrokken/gekanaliseerd. Ook de voorloper van de Oude Winterswijkseweg was rechtgetrokken, evenals grenzen tussen agrarische percelen (zie figuur 8). e

In het begin van de twee helft van de 20 eeuw vond verdere herverkaveling van het agrarisch buitengebied plaats Het tracé maakte grotendeels deel uit van percelen grasland. Direct langs de noordzijde het westelijke deel van het tracé werd de voorloper van de Oude Winterswijkseweg, aangeduid e als de Stikkeweg (zie figuur 9). Tijdens het verdere verloop van de twee helft van de 20 eeuw vinden er geen noemenswaardige veranderingen meer plaats (zie figuren 10 en 11). Alleen het wegenpatroon werd aangepast. Bouwhistorische gegevens e Aangezien het plangebied vanaf de tweede helft van de 18 eeuw tot heden niet bebouwd is geweest, wordt het raadplegen van het archief Bouw- en Woningtoezicht bij de gemeente Oost Gelre niet zinvol geacht.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 7 van 51

Beantwoording van relevante onderzoekvraag 5.

Wat is het historisch landgebruik van het plangebied en het omringende gebied geweest, uitgaande van de kaarten van de Hottingerkaart, de het Kadastraal Minuutplan, de Topografische Militaire kaart 1850 en het Bonneblad? e Op basis van het beschikbare historische kaartmateriaal uit de tweede helft van de 18 eeuw (Hottinger Atlas) was het tracé destijds merendeels in (extensief) agrarisch gebruik. Het centrale deel van het tracé doorsneed het beekdal van De Slinge, waar voornamelijk sprake was van een nat/moerassig gebied en waarschijnlijk in gebruik was als extensieve graasgronden voor vee. De voorloper van de Oude Winterswijkseweg was reeds aanwezig ten noorden van het westelijke deel van het tracé (zandweg) en werd aangeduid als de Weg van Groenlo naar Zwol. Bebouwing in de omgeving van het plangebied betroffen enkele boerenerven. Verder ten noordwesten lag de historische en omgrachte kern van Groll (Groenlo). e

Aan het begin van de 19 eeuw liep het westelijke deel van het tracé tussen twee boerenerven door die lagen aan de voorloper van de Oude Winterswijkseweg (deze lagen ter plaatse van de huidige erven aan de Oude Winterswijkseweg 44 en 47). Ten oosten van het plangebied was begrenzingen van oude wegen/percelen aanwezig die in lijn lagen met de vermoee delijke ligging van de Circumvallatielinie. In de loop van de 19 eeuw vinden er weinig veranderingen plaats zowel binnen als in de directe omgeving van het plangebied. Vooral het oose telijke deel van het tracé ligt binnen percelen grasland. Aan het einde van de 19 eeuw lag het centrale deel van het tracé in een open heidegebied, wat waarschijnlijk werd gebruikt voor het houden van schapen. Eén van de boerenerven langs het westelijke deel van het tracé werd als geduid met de naam Parskamp. Het buurtschap Zwolle betrof destijds niet meer dan enkele bij elkaar gelegen boerenerven. Er waren vooral heidegebieden aanwezig op de plateau-achtige terrasresten die door landijs zijn beïnvloed, vermoedelijk vanwege de aanwezige keileem die zorgt voor relatief slechte natuurlijke drainage en stenige gronden. e

Rond begin jaren ’30 van de 20 eeuw werd het beekdal van De Slinge rechtgetrokken/gekanaliseerd. Ook de voorloper van de Oude Winterswijkseweg was rechtgetrokken, evenals grenzen tussen agrarische percelen. e

In het begin van de twee helft van de 20 eeuw vond verdere herverkaveling van het agrarisch buitengebied plaats Het tracé maakte grotendeels deel uit van percelen grasland. Direct langs de noordzijde het westelijke deel van het tracé werd de voorloper van de Oude Winterswijkseweg, aangeduid als de Stikkeweg. Tijdens het verdere verloop van de twee helft e van de 20 eeuw vinden er geen noemenswaardige veranderingen meer plaats. Alleen het wegenpatroon werd aangepast.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 8 van 51

3.6

Aardwetenschappelijke gegevens

Het landschap heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in het nederzettingspatroon van de mens. Bij onderzoek naar archeologische sporen in een bepaald gebied is het van groot belang te weten hoe het landschap er in het verleden heeft uitgezien. Men kan meer te weten komen over dit landschap door de geologische opbouw, de bodem en de hydrologie van een gebied te bestuderen. De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel II.

Aardwetenschappelijke gegevens plangebied

Type gegevens Geologie

5

Gegevensomschrijving Merendeel plangebied/tracé dekzand van de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Wierden) op sneeuwsmeltwaterafzettingen van de Formatie van Boxtel op ijssmeltwaterafzettingen van de Formatie van Drente. Binnen het centrale deel van het tracé beekdalafzettingen van de Formatie van Boxtel (Laagpakket van Singraven). In het uiterst oostelijke deel tracé onder het dekzand grondmorene/keileem van de Formatie van Drente (Laagpakket van Gieten) op geconsolideerde Tertiare afzettingen.

Geomorfologie6

Groot deel plangebied/tracé binnen een beekdalbodem, zonder veen en relatief laaggelegen (2R5). Uiterst westelijke deel tracé binnen een gebied van dekzandruggen, al dan niet met een oud bouwlanddek (3L5), overgaand in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (2M9). Klein deel in het centrale deel van het tracé binnen een gebied van dekzandruggen, al dan niet met een oud bouwlanddek (3L5). Uiterst oostelijke deel tracé binnen een droog dal (2R), overgaand in een plateauachtig terrasrest, beïnvloed door landijs en al dan niet bedekt met dekzand (5F4).

Archeologische landschappenkaart gemeente Oost Gelre7

Merendeel tracé binnen een gebied van dekzandlaagten met overwegend beekeerdgronden (code Elb). Uiterst westelijke deel tracé binnen een gebied van dekzandruggen en -koppen afgedekt door een > 50 cm dik plaggendek (enkeerdgronden) (code ENK), overgaand in een gebied van dekzandwelvingen afgedekt door een 30-50 cm dik plaggendek (code EwC). Binnen het centrale deel tracé enkele delen binnen een beekdalbodem zonder veen met overwegend lemige beekeerdgronden (code Blb) en enkele delen waar een > 50 cm dik plaggendek (enkeerdgronden) voorkomt. Oostelijke deel plangebied/tracé binnen een gebied van vereffeningsrestglooiing met resten van terrasafzettingen/veldpodzolen afgedekt door dekzand (code Tv), overgaand in terrasvormige hoogten en dekzandruggen afgedekt door een > 50 cm dik plaggendek (enkeerdgronden) (code Tenk).

Bodemkunde8

Merendeel tracé beekeerdgronden, bestaande uit lemig fijn zand (pZg23). Uiterst westelijke deel tracé hoge zwarte enkeerdgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21), overgaand in laarpodzolgronden, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (cHn21). Deel van vlakelement in het oostelijke deel plangebied en uiterst oostelijke deel tracé veldpodzolgronden, bestaande uit lemig fijn zand (Hn23).

9

Geologie Het plangebied ligt binnen het Oost-Nederlandse Plateau. Niet ver ten westen ligt de terrasrand, welke de overgang vormt naar het Pleistocene Bekken. Tijdens de voorlaatste ijstijd, het Saalien (ca. 250.000 - 130.000 jaar geleden), lag een groot gedeelte van Nederland onder een vanuit Scandinavië naar het zuiden opgeschoven ijskap. De rand van het ijs bestond uit een aantal gletsjertongen. Aan weerszijden van deze ijsmassa's werden stuwwallen opgeduwd. De rivier de Rijn, die normaliter van zuid naar noord stroomde door het Pleistocene Bekken, werd door deze ijskap gedwongen hun weg langs de zuidzijde van het ijs westwaarts naar de zee te zoeken. Het gebied heeft dus geruime tijd onder een dikke, schuivende ijskap gelegen, waardoor het landoppervlak werd 'overreden', geerodeerd en afgevlakt. 5

De Mulder et al., 2003 Alterra, 2003 7 De Roode & Van den Berghe, 2008 8 Stichting voor Bodemkartering, 1975 9 De Mulder et al., 2003 / Berendsen, 2008 / De Roode & Van den Berghe, 2008 / Van Beek, 2009 6

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 9 van 51

Onder het landijs werd op veel plaatsen een grondmorene, ofwel 'keileem' afgezet. De grondmorene is gevormd op het contactvlak tussen het voortschuivende ijs en de ondergrond en bestaat in zijn meest kenmerkende vorm uit een structuurloze leem vermengd met grof zand, grind en stenen. Onder het honderden meters dikke gletsjerijs verzamelde zich gedurende het smeltseizoen veel water. Dit concentreerde zich in subglaciale smelwaterstromen, die door de enorme hydrostatische druk een diep ingesneden systeem van tunneldalen vormden. De aanwezigheid van deze slecht waterdoorlatende afzetting aan of nabij de oppervlakte is, samen met de onderliggende tertiaire kleien, de oorzaak van het voorkomen van ondiepe grondwaterstanden tijdens regenachtige perioden. Naast de grondmorenes werden tijdens het Saalien plaatselijk glaciofluviale sedimenten afgezet door ijssmeltwater. Deze glaciofluviale afzettingen worden gerekend tot de Formatie van Drente, Laagpakket van Schaarsbergen, en bestaan voornamelijk uit grindhoudende zanden. Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000 tot 10.000 jaar geleden) bereikte het landijs Nederland niet. Wel had het klimaat een continentaal karakter (koud en droog). Het landschap bestond uit een poolwoestijn, waarin vrijwel geen vegetatie aanwezig was. De zeespiegel daalde tot wel 110 meter ten opzicht van het huidige niveau (NAP).

Door een combinatie van deze daling van de zeespiegel en vernieuwde tektonische activiteiten, waarbij het Pleistocene Bekken verder daalde en een deel van het Oost Nederlandse Plateau omhoog kwam, is de Rijn zich gaan insnijden in zijn eigen sedimenten tot aan de lijn Aalten-Neede en loopt op een afstand van 2,5 km ten westen/noordwesten van het plangebied. Hierbij is toen de terrasrand ontstaan. De historische kern van Groenlo ligt op deze terrasrand. Het terrein ten oosten van deze terrasrand wordt daarom aangeduid als het Oost Nederlandse Plateau. Pas tijdens het Midden-Weichselien (ook wel aangeduid als Pleniglaciaal, 73.000 tot 13.000 jaar geleden) is de Rijn weer sedimentpakketten gaan opbouwen, echter nu alleen ten westen van de terrasrand. Deze sedimenten behoren tot de Formatie van Kreftenheye. Buiten de invloedsfeer van de Rijn werd een pakket dekzand afgezet. De dekzanden zijn onderverdeeld in het Oude en Jonge Dekzand. Het Oude Dekzand is afgezet tijdens het Pleniglaciaal. Het is veelal horizontaal gelaagd en er komen lemige banden in voor. Het Jonge Dekzand is afgezet tijdens het Laat-Weichselien (Laat-Glaciaal) in de vorm van langgerekte, vaak ZW-NO georiënteerde ruggen. Gelaagdheid is in het Jonge Dekzand meestal niet aanwezig. Ook komen er geen leemlagen in voor.

Het water van de in het voorjaar smeltende sneeuwmassa´s erodeerde een deel van de dekzandruggen, waarna afzetting plaatsvond in de lagere delen van het landschap als vlaktes van verspoelde dekzanden. Door het hoogteverschil ontstonden bij de terrasrand lokale beekdalsystemen (sneeuwsmeltwaterdalen), waarbij aan de westzijde waaiers van uitgespoeld materiaal werden gevormd (daluitspoelingswaaiers). Op het Oost-Nederlandse Tertiaire Plateau is slechts een dunne laag Jong dekzand afgezet of ontbreekt het geheel, waardoor tertiaire kleien en keileem (vrijwel) dagzomen. Het dekzand wordt ook wel het Laagpakket van Wierden genoemd, dat behoort tot de Formatie van Boxtel (voorheen de Formatie van Twente). Gedurende het merendeel van de laatste ijstijd, het Weichselien (ca. 120.000 - 10.000 jaar geleden), stroomde de Rijn ten oosten van de stuwwallen van Montferland, maar vanaf het Midden-Weichselien kreeg de Rijn een steeds belangrijk wordende tak naar het westen door de Gelderse Poort en de huidige Betuwe. Vanaf het begin van het Holoceen (circa 10.000 jaar geleden) heeft de Rijn het gebied ten oosten van de stuwwallen van Montferland in zijn geheel verlaten. In het Holoceen (vanaf ca. 10.000 jaar geleden) zijn door verwaaiing van de (nat-)eolische zanden lokaal stuifzandgebieden ontstaan.

Bij het ontstaan hiervan speelde de mens een belangrijke rol, door beweiding, afbranden en het steken van plaggen op de heidevelden dat voornamelijk plaatsvond in de Nieuwe tijd (zie bijlage 1). De stuifzanden worden gerekend tot het Laagpakket van Kootwijk, welke behoort tot de Formatie van Boxtel.

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 10 van 51

Daarnaast zijn er in (lokale) beekdalen afzettingen gevormd bestaande uit leem, veen en zand. Deze afzettingen worden gerekend tot het Laagpakket van Singraven, welke tevens behoren tot de Formatie van Boxtel. Veel beken bevinden zich binnen de lager gelegen smeltwaterdalen (tunneldalen). Het beekdal van de Groenlosche Slinge bevindt zich in een dergelijk tunneldal. Daar waar tertiaire kleien en keileem (vrijwel) dagzomen bevinden zich, vanwege hun slechte waterdoorlatendheid, relatief veel natte bodems. Ook zijn in het Holoceen verspreid over delen van het Oost-Nederlandse dekzandlandschap veengebieden ontstaan. Deze ontstonden vooral daar waar sprake was van een slechte ontwatering vanwege het voorkomen van natte, vlakke delen (depressies) omgeven door hoger gelegen terreindelen en de aanwezigheid van ondoorlatende lagen. De veengebieden hadden vaak een kleine tot middelgrote omvang, samenhangend met de sterke landschappelijke variatie op relatief korte afstanden. Vooral langs de westzijde van de terrasrand kon onder invloed van kwelwater vanaf het Oost Nederlandse Plateau in de natte laagten uitgestrekte hoogveenkussens gaan groeien. Vanaf de Late-Middeleeuwen is het aanwezige veen vooral kleinschalig gewonnen. Vanwege de meestal vrij geringe dikte van de veenpakketten en de slechte ontsluiting was grootschalige veenwinning economisch niet rendabel.

Aanwijzingen van de voormalige venen en het afgraven daarvan zijn in het huidige landschap nauwelijks meer herkenbaar. Nadat veenwinning had plaatsgevonden ontwikkelde zich op de braakliggende terreinen een natte e e heidevegetatie. In de 19 en 20 eeuw werden deze gebieden vervolgens ontgonnen ten behoeve van agrarisch gebruik, waardoor resten veen vaak volledig zijn vermengd met het onderliggende zanddek en volledig is geoxideerd, mede als gevolg van de gereguleerde grondwaterstanden. Dit (voormalige) hoogveen behoort tot de Formatie van Nieuwkoop. 10

DINO Het Dinoloket is de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO). Het DINO-systeem is de centrale opslagplaats voor geowetenschappelijke gegevens over de diepe en ondiepe ondergrond van Nederland. Het archief omvat diepe en ondiepe boringen, grondwatergegevens, sonderingen, geo-elektrische metingen, resultaten van geologische, geochemische en geomechanische monsteranalyses, boorgatmetingen en seismische gegevens. De site wordt beheerd door TNO. In het Dinoloket zijn echter geen boringen aanwezig die gegevens bevatten over de diepe en ondiepe ondergrond ter plaatse en in de directe omgeving van het plangebied. Geomorfologie De Geomorfologische kaart geeft de mate van reliëf en de vormen die in het landschap te onderscheiden zijn weer. Volgens de Geomorfologische kaart van Nederland (1:50.000) ligt een groot deel van het plangebied/tracé binnen een beekdalbodem, zonder veen en relatief laaggelegen (2R5). Het uiterst westelijke deel van het tracé ligt binnen een gebied van dekzandruggen, al dan niet met een oud bouwlanddek (3L5), overgaand in een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden (2M9). Een klein deel binnen het centrale deel van het tracé ligt eveneens binnen een gebied van dekzandruggen, al dan niet met een oud bouwlanddek (3L5).

Het uiterst oostelijke deel van het tracé ligt binnen een droog dal (2R), overgaand in een plateauachtig terrasrest, beïnvloed door landijs en al dan niet bedekt met dekzand (5F4) (zie figuur 12). Samenvattend ligt het merendeel van het tracé binnen een opgevuld tunneldal waarbinnen het beekdal van de Groenlosche Slinge (voorheen aangeduid als De Slinge) ligt. Alleen het uiterst oostelijke deel ligt in een tijdens de laatste ijstijd uitgesleten droog dal, dat de overgang vormt naar een plateauachtig terrasrest (overreden door landijs tijdens de voorlaatste ijstijd).

10

www.dinoloket.nl

15116331 OGR.GEM.ARC

Pagina 11 van 51

Afgezien waar het beekdal van de Groenlosche Slinge heeft gelegen (oudere meanders) komt er vaak een afdekkende laag dekzand voor. 11

Archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre De archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre laat een vergelijkbaar beeld zien als de Geomorfologische kaart van Nederland. Het merendeel van het tracé ligt volgens deze kaart binnen een gebied van dekzandlaagten met overwegend beekeerdgronden (code Elb). Het uiterst westelijke deel van het tracé ligt binnen een gebied van dekzandruggen en -koppen afgedekt door een > 50 cm dik plaggendek (enkeerdgronden) (code ENK), overgaand in een gebied van dekzandwelvingen afgedekt door een 30-50 cm dik plaggendek (code EwC). Binnen het centrale deel tracé liggen enkele delen binnen een beekdalbodem zonder veen met overwegend lemige beekeerdgronden (code Blb) en komen enkele delen voor waar een > 50 cm dik plaggendek (enkeerdgronden) voorkomt. Het oostelijke deel van het plangebied/tracé ligt binnen een gebied van vereffeningsrestglooiing met resten van terrasafzettingen/veldpodzolen afgedekt door dekzand (code Tv), overgaand in terrasvormige hoogten en dekzandruggen afgedekt door een > 50 cm dik plaggendek (enkeerdgronden) (code Tenk) (zie figuur 13). 12

Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) /hoogtekaart van de gemeente Oost Gelre Het Actueel Hoogtebestand Nederland vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laseraltimetrie verkregen digitale bestand vormt een gedetailleerd beeld van het huidige reliëf in het plangebied. Op basis van het AHN is specifiek voor de gemeente Oost Gelre een hoogtekaart gemaakt (zie figuur 14). Hierop is goed de ligging van het lager gelegen beekdal van de Groenlosche Slinge te volgen. Er komen wellicht enkele restanten van dekzandruggen/-welvingen voor. Doordat hier vaak een plaggendek is opgebracht liggen zijn deze ruggen goed zichtbaar in het hoogtebeeld. Het meest oostelijke deel van het tracé volgt een droog dal en vervolgens de overgang naar de hoger gelegen plateauachtig terrasresten. Bodemkunde Volgens de Bodemkaart van Nederland (1:50.000) is het merendeel van het tracé gekarteerd als een beekeerdgrond, bestaande uit lemig fijn zand (pZg23). Het uiterst westelijke deel van het tracé is gekarteerd als een hoge zwarte enkeerdgrond, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (zEZ21), overgaand in een laarpodzolgrond, bestaande uit leemarm en zwak lemig fijn zand (cHn21).

Een deel van een vlakelement in het oostelijke deel van het plangebied en het uiterst oostelijke deel van het tracé is gekarteerd als een veldpodzolgrond, bestaande uit lemig fijn zand (Hn23) (zie figuur 15). Op de hierboven besproken archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre wordt een nog verfijnder beeld weergegeven van de te verwachten bodemopbouw, op een veel gedetailleerder schaalniveau (10:000). De archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre geeft ook het meest actuele beeld van de verwachte landschappelijke ligging en bodemkundige opbouw van het plangebied. Beek- en gooreerdgronden zijn zandgronden met een donkere, soms zwarte bovengrond dunner dan 50 cm. Roestvlekken zijn aanwezig, soms vanaf de bovengrond, en lopen door tot aan de Cr-hori13 zont. Dit bodemtype komt veel voor in beekdalen en in niet-afvoerloze laagten, waar dus duidelijk geen podzolisatieproces heeft kunnen plaatsvinden. De donkere bovengrond is vanwege de lage/vochtige ligging met periodiek hoge grondwaterstanden ontstaan (hoge productie en geremde 14 afbraak van organische stof).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13892420/1