bp marhulzenweg toelichting bijlage 1 vormvrije mer-beoordeling
Tekst van het document
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Marhulzenweg ongenummerd, tegenover Marhulzenweg 25 te Groenlo
Colofon Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling Marhulzenweg ongenummerd, tegenover Marhulzenweg 25 te Groenlo
In het kader van de Wet natuurbescherming
Uitgevoerd door:
Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever en contactpersoon:
Projectnummer en versie: 2987A versie 1.0 Auteur:
Status: definitief Rapportdatum: 15-1-2020
Ligging projectgebied: Marhulzenweg ongenummerd, tegenover nr. 35 te Groenlo
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:
info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700
1
Inhoudsopgave Hoofstuk 1
Inleiding ..................................................................................................................................... 3
1.1 Aanleiding ................................................................................................................................................ 3 1.2 Inhoud en doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling .............................................................................. 4 Hoofdstuk 2
Kenmerken van het voornemen............................................................................................... 5
2.1 Voorgenomen ontwikkeling ..................................................................................................................... 5 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 5 Hoofdstuk 3
Beschrijving van de milieueffecten .......................................................................................... 7
Hoofdstuk 4
Conclusie ................................................................................................................................ 12
Bijlage ............................................................................................................................................................... 14
2
HOOFSTUK 1 INLEIDING 1.1 Aanleiding Er zijn concrete plannen om een woning te bouwen op een onbebouwd perceel aan de Marhulzenweg (ongenummerd) te Groenlo. Het perceel is gelegen in de woonkern Groenlo en is begroeid met ruigte, enkele bomen en struiken en in het perceel staan enkele (kleine) houten bouwwerken. Om voorgenomen bouw van de woning mogelijk te kunnen maken, dient het bestemmingsplan gewijzigd te worden. Vanuit het ruimtelijke spoor is een vormvrije toets aan het Besluit Milieueffectrapportage noodzakelijk. In dit document worden de milieueffecten van deze ontwikkeling beschouwd. Eerst wordt een nadere toelichting op de M.e.r.-beoordeling gegeven. M.e.r.-beoordeling De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een plan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: • Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. • Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (kolom 3, plannen); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 3 (plannen).
• Op basis van het Besluit milieueffectrapportage (kolom 4, besluiten); Er ontstaat een m.e.r.(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het plan genoemd is in kolom 4 (besluiten). Een belangrijk element in het Besluit m.e.r.. is het (in feite) indicatief maken van de gevalsdefinities (de drempelwaarden in kolom 2 in de D-lijst). Dit betekent dat het bevoegd gezag meer moet doen dan onder de oude regelgeving. Kon vroeger worden volstaan met de mededeling in het besluit dat de omvang van de activiteit onder de drempelwaarde lag en dus geen m.e.r. (beoordeling) noodzakelijk was, onder de nu geldende regeling moet een motivering worden gegeven. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.beoordeling gehanteerd. Het realiseren van woningen is niet als activiteit opgenomen in de C-lijst van het Besluit MER. In de D-lijst de volgende activiteit opgenomen: ‘De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het realiseren van woningen is als een stedelijk ontwikkelingsproject aan te merken, waardoor toetsing aan de drempelwaarden dient plaats te vinden. De drempelwaarden zijn ten aanzien van de hiervoor genoemde activiteit als volgt: 1. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2.
een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of 3. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer. Beoordeing m.e.r.-plicht In voorliggend geval is geen sprake van het realiseren van 2000 of meer woningen en wordt de oppervlakte van 100 hectare niet overschreden. Het gehele projectgebied bedraagt namelijk circa 800 m². Daarnaast gaat het niet om 2.000, maar per saldo slechts 1 woning. Desalniettemin dient, gelet op de aard en omvang 3
van het project, wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling te worden uitgevoerd. Voorliggende aanmeldnotitie voorziet hierin.
1.2 Inhoud en doel van de vormvrije m.e.r.-beoordeling Inhoudelijk gaat de vormvrije m.e.r.-beoordeling in op de mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu als gevolg van het initiatief. Deze belangrijke nadelige gevolgen worden beoordeeld aan de hand van de selectiecriteria opgesomd in Bijlage III van de EEG-richtlijn Milieueffectbeoordeling, die drie hoofdthema’s noemt: • • •
De kenmerken van de activiteit; De plaats van de activiteit (ligging en samenhang met andere activiteiten (cumulatie); De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben.
Het doel van de notitie is om op objectieve wijze informatie over mogelijke, relevante milieugevolgen van het project te verzamelen en te presenteren. Betrokken partijen Bij het project zijn de initiatiefnemers en de gemeente Oost-Gelre betrokken. Voor het wijzigen van het bestemmingsplan is de gemeenteraad van Oost-Gelre het bevoegd gezag. Daarnaast worden de provincie Gelderland, Waterschap Rijn & IJssel en eventueel andere vooroverlegpartners geïnformeerd inzake voorliggend project. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt het voornemen beschreven. Daarbij komen aanleiding, achtergronden en uitgangspunten aan bod. Hoofdstuk 3 gaat in op de mogelijke milieueffecten van het project. In hoofdstuk 4 wordt bij wijze van samenvatting de beoordeling gedaan van de omstandigheden van het voornemen. Hierin wordt tevens de conclusie van de vormvrije m.e.r.-beoordeling beschreven.
4
HOOFDSTUK 2
KENMERKEN VAN HET VOORNEMEN
Dit hoofdstuk gaat in op de voorgenomen ontwikkeling, de projectlocatie en eventuele (samenhangende) ontwikkelingen in de omgeving waarmee rekening dient te worden gehouden.
2.1 Voorgenomen ontwikkeling Het concrete voornemen bestaat uit het bouwen van een vrijstaande woning op een perceel ruigte aan de Marhulzenweg. In het perceel staan enkele bomen en struiken en staan twee houten hokken. Om de woning te kunnen bouwen dient het plangebied bouwrijp gemaakt te worden. Daartoe worden de bomen en struiken en de houten hokken verwijderd. Het plangebied is gesitueerd op de hoek Marhulzenstraat – Parallelweg te Groenlo, tegenover het adres Marhulzenstraat 35. Het ligt in de woonkern Groenlo en wordt omgeven door stedelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van het plangebied weergegeven op een topografische kaart.
Globale ligging van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de rode marker aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied bestaat uit een verruigd perceel met bomen, struiken en een houten tuinhuis en een ingevallen houten schuurtje. Recentelijk is een deel van de natuurlijk opslag van bomen, struiken verwijderd en bamboe en ruigte gemaaid. In het plangebied staan twee beuken, een peer, een berk en enkele jonge hazelaars. Het houten tuinhuisje is wind- en waterdicht, maar begroeid met struiken. Verspreid in het perceel liggen bouwmaterialen en afval opgeslagen. Onderstaande afbeelding wordt de begrenzing van het plangebied weergegeven.
Begrenzing van het plangebied; deze wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: ruimtelijkeplannen.nl).
5
Op onderstaande foto’s wordt een impressie van het plangebied weergegeven.
Impressie van het plangebied.
Het gebruik van natuurlijke hulpbronnen en productie van afvalstoffen De ontwikkeling van de voorziene activiteiten legt geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen. Tijdens het bouw- en woonrijp maken is grondverzet nodig. Tijdens de gebruiksfase zal elektriciteit en water nodig zijn. De woning krijgt geen aansluiting op het aardgasnet, conform de Wet Voortgang Energietransitie. De productie van afvalstoffen betreffen voor de beoogde woning uitsluitend huishoudelijke afvalstoffen. Deze worden zoveel mogelijk gescheiden om nuttige afvalstoffen op eenvoudige wijze te kunnen inzamelen en vervolgens verwerken/recyclen. Er is geen sprake van de productie van gevaarlijk afval. Bij de sloop van de agrarische opstallen komt afval vrij, waaronder asbest. Afval zal conform de daarvoor geldende regels verwerkt en afgevoerd worden.
Verontreiniging en hinder In de aanlegfase kan sprake zijn van tijdelijke verkeers- en geluidhinder van bouwverkeer en bouwwerkzaamheden op locatie. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het projectgebied. Vanwege de ligging, de omvang van de ontwikkeling en de geschatte tijdsduur, is er geen noodzaak om verkeer tijdelijk om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. Het aspect tijdelijke hinder leidt niet tot mogelijk belangrijke milieugevolgen. 6
In de gebruiksfase zullen ten gevolge van de activiteiten geen nadelige effecten op het milieu en de omgeving plaatsvinden. De Woning wordt namelijk niet gezien als milieubelastende functies. Zoals in hoofdstuk 3 wordt geconstateerd is er geen sprake van een onevenredige aantasting van beschermende natuurgebieden en/of het woon- en leefklimaat ter plaatse. Risico op ongevallen, specifiek met gevaarlijke stoffen of technologieën De beoogde ontwikkeling zorgt niet voor een toename van risico’s voor de omgeving. Er worden geen gevaarlijke stoffen geproduceerd, opgeslagen of vervoerd en er worden geen risicovolle technieken toegepast.
HOOFDSTUK 3
BESCHRIJVING VAN DE MILIEUEFFECTEN
Voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling zijn de mogelijk negatieve milieueffecten van het voornemen relevant. Zoals in het vorige hoofdstuk is aangegeven, gaat het om de bouw van een vrijstaande woning. Relevante milieuaspecten zijn verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water, ecologie en stikstof. In dit hoofdstuk worden de te verwachten (tijdelijke) effecten per aspect beschreven. Verder wordt ingegaan op tijdelijke hinder als gevolg van de ontwikkeling. Voor een aantal van deze aspecten zijn door diverse externe bureaus onderzoeken uitgevoerd. De conclusies van deze onderzoeken zijn samengevat in onderstaande alinea’s. Verkeer De nieuwe woning zal bereikbaar zijn vanaf de Marhulzenweg. Dit is een verharde weg met tweerichtingsverkeer. Het aantal verkeersbewegingen op de Marhulzenweg neemt toe met maximaal 10 verkeersbewegingen per etmaal. De weg is hierop berekend en ingericht. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de verkeerssituatie wordt ingeschaald op neutraal.
Positionering van de woning in het plangebied en de ligging van ontsluitingswegen in de omgeving.
Geluid Woningen zijn niet opgenomen in de VNG-uitgave, omdat woningen in beginsel niet aan te merken zijn als milieubelastende objecten. Echter zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de woonfuncties (leefgeluiden), hiervoor gelden echter geen normen. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling op de geluidsituatie wordt ingeschaald op neutraal. Tijdens de bouw zal wel sprake zijn van enig geluid als gevolg van de inzet van materieel en de aan- en afvoer van bouwmaterialen en personeel. Dit effect is echter beperkt en tijdelijk (3-4 maanden) van aard.
7
Luchtkwaliteit Het plan heeft zoals geconstateerd bij het onderdeel verkeer ten opzichte van de huidige situatie extra verkeersbewegingen tot gevolg. Via een NIBM-tool berekening is onderzocht of de ontwikkeling wel of niet in betekende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Wat betreft de voertuigbewegingen is aangesloten op hetgeen opgenomen bij het aspect ‘verkeer’. Het aandeel vrachtverkeer is op 0% gezet, aangezien het voornemen uitsluitend de functie ‘wonen’ betreft. Het aandeel van vrachtverkeer in de aanlegfase is buiten beschouwing gelaten, omdat dit tijdelijk van aard is. De berekening laat het volgende beeld zien.
Jaar van planrealisatie 2020 Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen 10 (weekdaggemiddelde) Aandeel vrachtverkeer 0,0% Maximale bijdrage NO2 in μg/m3 0,01 extra verkeer 3 PM10 in μg/m 0,00 Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m3 1,2 Conclusie De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit (bron: www.infomil.nl).
Uit de berekening blijkt dat voorliggend plan 'niet in betekenende mate bijdraagt' aan de luchtverontreiniging. Vervolgonderzoek naar effecten op de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk. Het effect van de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van luchtkwaliteit wordt ingeschaald op neutraal. Water Algemeen Het projectgebied is gelegen in de woonkern Groenlo. De bouwlocatie bevindt zich niet binnen een grondwaterbeschermingsgebied of een waterwingebied. Grondwater Bij het bouwplan zal rekening worden gehouden met voldoende ontwateringsdiepte zodat de kans op grondwateroverlast kleiner wordt. Oppervlaktewater Naar aanleiding van dit plan zal geen extra oppervlaktewater gecreëerd worden. Er kan gesteld worden dat het plan geen nadelige gevolgen veroorzaakt voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving. Afvalwater Het afvalwater wordt afgevoerd naar de RWZI door middel van gebruik van de gemeentelijke riolering. Hemelwater Het beleid van de gemeente Oost-Gelre is om hemelwater op eigen terrein te kunnen infiltreren, waarbij de waterberging aantoonbaar zodanig moet werken dat deze binnen 24 uur weer als waterberging beschikbaar is. Op de planlocatie wordt een voorziening aangelegd die er voor moet zorgen van hemelwater kan infiltreren in een daarvoor geschikte locatie. Hemelwaterinfiltratie zal aangegeven worden op het erfinrichtingsplan. 8
Geconcludeerd wordt dat het aspect water niet leidt tot mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen. Ecologie Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Natuurbeschermingswet en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Het plangebied ligt op minimaal 230 meter afstand van gronden die tot de Groene ontwikkelingszone behoren. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van de Groene ontwikkelingszone en Gelders Natuurnetwerk in de omgeving van het plangebied weergegeven.
GO GNN
230 meter afstand tussen plangebied en gronden die tot de Groene ontwikkelingszone behoren.
GO
Ligging van de Groene ontwikkelingszone in de omgeving van het plangebied. Gronden die tot het Gelders Natuurnetwerk behoren worden met de donkergroene kleur aangeduid. Met de lichtgroene kleur worden gronden aangeduid die tot de Groene ontwikkelingszone in behoren. De ligging van het plangebied wordt met het rode marker aangeduid (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Het plangebied ligt op minimaal 5,4 kilometer afstand van het meest nabij gelegen Natura2000-gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
5,4 kilometer afstand tussen het plangebied en gronden die tot Natura 2000 behoren
9
Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied. De ligging van het plangebied wordt met de zwarte marker aangeduid. Gronden die tot Nederlands Natura 2000-gebied behoren worden met de okergele kleur aangeduid.
Stikstof Stikstofemissie treedt op als gevolg van de verbranding van fossiele brandstof. Dat vindt plaats tijdens de ontwikkelfase, als gevolg van de inzet van materieel (bouwrijpmaken, betonpomp) en verkeersbewegingen (bouwmaterialen, personeel) en als gevolg van de toename van het aantal verkeersbewegingen als gevolg van het bewonen van de woning. De woning krijgt geen aansluiting op het aardgasnet, en de toename van verkeer vindt plaats op een afstand van meer dan vijf kilometer van stikstofgevoelige habitattypen. Het aspect verkeer hoeft daarom niet meegenomen te worden in een stikstofberekening. Zoals gesteld in de ‘Handreiking woningbouw en AERIUS, kan gemiddeld genomen gesteld worden dat bij de totale bouw van een vrijstaande woning maximaal 5 kg stikstof emitteert. Uitgaande van een worstcasestudie van 10kg stikstof, welke emitteert bij de bouw van de woning aan de Marhulzenweg, leidt dit niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied. Zelf een emissie van 40kg stikstof leidt niet tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebied (de AERIUS-berekening van 40kg is als bijlage bijgevoegd) Soortbescherming De effecten van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en gebieden is onderzocht middels een Quickscan natuurwaardenonderzoek1.
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde planten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Mogelijk benutten vleermuizen, amfibieën, vogels en grondgebonden zoogdiersoorten het plangebied als foerageergebied, bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een vaste rust en voortplantingsplaats, bezetten sommige amfibieënsoorten er een vaste rustplaats en nestelen er vogels. Vleermuizen bezetten er geen vaste rust- of voortplantingsplaats. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten, is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Voor de beschermde grondbonden zoogdieren en amfibieën, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘vangen’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën mogen niet gedood worden als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten. Wel geldt een vrijstelling voor het beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties.
Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten, wordt de functie van een deel van het plangebied als foerageergebied voor de in het plangebied foeragerende grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, amfibieën en vogels niet aangetast. Conclusie Mits er geen beschermde dieren verwond of gedood worden en bezette vogelnesten niet negatief beïnvloed worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Om te voorkomen dat grondgebonden zoogdieren en amfibieën verwond of gedood worden, mogen ze weggevangen of verjaagd worden. Om te voorkomen dat bezette vogelnesten beschadigd of verstoord worden, dienen de varkensstallen gesloopt te worden buiten de broedtijd. Indien 1
Natuurbank Overijssel 2020
10
niet voorkomen kan worden dat beschermde dieren verwond of gedood worden, dient een ontheffing verkregen te worden. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Bodem De bodem in het plangebied is onderzocht op de aanwezigheid van milieuverontreinigende stoffen2. De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 22 oktober 2019 en op 30 oktober 2019 is de peilbuis bemonsterd. Op de tekening in bijlage 3 staan de diverse boringen weergegeven. Het opgeboorde materiaal is beoordeeld op korrelgrootte (=textuur), kleur, geur, oliewaterreactie en andere bijzonderheden. De bovengrond bestaat overwegend uit donkerbruin, matig fijn zand. Daaronder bestaat de ondergrond overwegend uit bruingrijs, matig fijn zand. De complete omschrijvingen van de boorprofielen staan vermeld in bijlage 4. Zintuiglijk zijn er geen opvallende afwijkingen waargenomen.
Tijdelijke hinder Met het bouwrijp maken en het bouwen van de woning is mogelijk sprake van tijdelijke hinder. Deze hinder vindt plaats tijdens de bouwtijd en duurt maximaal 5 maanden. Het gaat dan om geluid en stof vanuit de bouwplaats en bouwverkeer van en naar het projectgebied. Hinder vindt alleen plaats tijdens werkdagen, gedurende werkuren. Vanwege de ligging is er geen noodzaak om verkeer tijdelijke om te leiden, met de daarbij behorende effecten. Na afronding van de bouwwerkzaamheden zal de genoemde tijdelijke hinder volledig vervallen. Het aspect tijdelijke hinder leidt niet tot mogelijk belangrijke milieugevolgen. Cumulatie Cumulatie van effecten treedt op wanneer werkzaamheden in direct omliggende gebieden vergelijkbare effecten veroorzaken met de hierboven beschreven effecten en in dezelfde periode worden uitgevoerd. In voorliggend geval zijn in de directe omgeving geen ruimtelijke ontwikkelingen gaande die belangrijke milieueffecten met zich meebrengen. Cumulatie is daarom niet aan de orde.
2
Rouwmaat 2019
11
HOOFDSTUK 4
CONCLUSIE
Dit hoofdstuk dient als samenvatting van de conclusies van de hoofdstukken 2 en 3. In dit hoofdstuk wordt de voorgenomen activiteit aan onderstaande criteria getoetst en een eindafweging gemaakt. 1. De kenmerken van de activiteit; 2. De plaats van de activiteit; 3. De samenhang met andere activiteiten (cumulatie); 4. De kenmerken van de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die de activiteit kan hebben. Kenmerken van de activiteit Het voornemen om overtollige agrarische gebouwen te slopen en een vrijstaande woning te bouwen op een andere locatie. Bij de kenmerken van de activiteit dient in het bijzonder in overweging te worden genoemd: • De omvang van het project; • hinder; Omvang De ontwikkeling is relatief gering van omvang. Het voornemen past in de ruimtelijke structuur van de gemeente Oost-Gelre. Geconcludeerd wordt dat dit project ver beneden de drempelwaarden van de m.e.r.beoordelingsplicht blijft. Hinder Tijdens de uitvoering van het voornemen kunnen omwonenden en flora en fauna hinder ondervinden. Geconstateerd is dat de hinder voor omwonenden beperkt en slechts tijdelijk is. Voor flora en fauna geldt dat er beschermde soorten aanwezig zijn in het plangebied, maar dat door zorgvuldig te werken en bepaalde werkzaamheden af te stemmen op de ecologie van bepaalde soorten (broedtijd) de Wet natuurbescherming niet overtreden hoeft te worden.
Ten aller tijden geldt de zorgplicht, zoals opgenomen in de Wnb van toepassing is. Plaats van de activiteit Het projectgebied is geheel binnen grondgebied van de gemeente Oost-Gelre. De voorgenomen activiteit is niet gelegen in beschermd gebied in het kader van waterhuishouding of beschermd (natuur)gebied. Binnen het projectgebied zelf zijn ook geen waardevolle groenstructuren aanwezig. Samenhang met andere activiteiten ter plaatse Er vinden in de directe omgeving van het projectgebied geen andere (grootschalige) ontwikkelingen plaats waarmee rekening dient te worden gehouden. Kenmerken van de belangrijke nadelige milieugevolgen Voor de beoordeling van eventuele belangrijke nadelige milieugevolgen van de voorgenomen activiteit moet, daar waar opportuun, rekenschap worden gegeven aan de volgende zaken: • Het bereik van het effect (geografische zone en de grootte van de getroffen bevolking); • Het grensoverschrijdende karakter van het effect; • De waarschijnlijkheid van het effect; • De duur, frequentie en de onomkeerbaarheid van het effect. Uit hoofdstuk 3 is gebleken dat de ontwikkeling op de relevante milieuaspecten verkeer, geluid, luchtkwaliteit, water en ecologie (waaronder stikstof) geen belangrijke structurele nadelige en onomkeerbare milieugevolgen met zich meebrengt.
De ontwikkeling gaat wel gepaard met tijdelijke hinder als gevolg van bouwwerkzaamheden, maar deze zullen na afronding volledig vervallen.
12
Conclusie vormvrije m.e.r.-beoordeling De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een MER noodzakelijk maakt.
13
BIJLAGE Geraadpleegde bronnen: Literatuur: Leemreise, P. 2020. Quickscan natuurwaardenonderzoek Marhulzenweg (ong.) Groenlo. Rapportnummer 2987. Eigen uitgave Natuurbank Overijssel, Aalten. Ursinus, A.W. 2019. Verkennend bodemonderzoek Marhulzenweg (ong.) te Groenlo. Projectnummer MT19356. Eigen uitgave Rouwmaatgroep, Groenlo.
Internet: • NIBM-tool - Kenniscentrum InfoMil • handreiking_woningbouw_en_aerius.pdf • www.infomil.nl
14