CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp laarberg noord regels bijlagen

Gemeenteraad 22 februari 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Bedrijvenpark Laarberg Noord25.820 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

Figuur 7. Waarnemingen van de gewone dwergvleermuis in Nederland (zwarte cirkel is locatie plangebied). Bron: www.verspreidingsatlas.nl.

Pagina 25

Er zijn geen uitspraken te doen over aantalsontwikkelingen in Nederland: er zijn geen aanwijzingen voor een af- dan wel toename in aantallen. Mogelijk neemt het aanbod van met name geschikte verblijfplaatsen wel af vanwege de toenemende na-isolatie van gebouwen en het dichten van kieren en gaten in gebouwen (bron: Kennisdocument Gewone dwergvleermuis).

Gewone grootoorvleermuis De gewone grootoorvleermuis komt verspreid over heel Nederland voor maar nergens in grote aantallen. De soort is sterk gebonden aan kleinschalig landschap en bosgebieden en is in de open polderlandschappen in West- en Noord-Nederland zeldzamer. Er zijn geen voldoende volledige, kwantitatieve data met betrekking tot, en er is geen wetenschappelijk goed onderbouwde schatting (bv. steekproef en extrapolatie) van de populatiegrootte van de gewone grootoorvleermuis in Nederland. De trend van de populatie geeft sinds het begin van het NEM-meetprogramma Wintertellingen (1986) een matige toename. De winterpopulatie is t.o.v. start van het meetprogramma ongeveer verdubbeld. De beoordeling van de staat van de populatiegrootte is daarom gunstig. Er is ook geen betrouwbaar kwantitatief beeld van de omvang van de populatie van de gewone grootoorvleermuis in Gelderland. Echter de trend in de winterpopulatie is sinds begin van het NEM-meetprogramma Wintertellingen matig positief en betrouwbaar; de aantallen zijn met minder dan 25% toegenomen. Het oordeel is daarom gunstig.

Pagina 26

Figuur 7. Waarnemingen van de gewone grootoorvleermuis in Nederland (zwarte cirkel is locatie plangebied). Bron: www.verspreidingsatlas.nl.

Laatvlieger De laatvlieger is een van de meest voorkomende vleermuizen van Europa en één van de meest voorkomende soort in stedelijk gebied en in het buitengebied. In Nederland is deze soort algemeen. De laatvlieger is de na de gewone dwergvleermuis de meest wijdverspreide vleermuissoort in de omgeving van het plangebied en wordt in allerlei habitats vastgesteld. De laatvlieger is één van de meest algemene vleermuissoorten in Gelderland. Net als bij de gewone dwergvleermuis geldt dat de afwezigheid van foeragerende dieren in een gebied eerder als opvallend kan worden aangemerkt, dan de aanwezigheid. Echter de dichtheden liggen over het algemeen lager dan bij de gewone dwergvleermuis. De laatvlieger komt overal in Gelderland, waaronder ook ruim verspreid in en rondom de woonkern Winterswijk (bron: NDFF), voor. Onderstaande kaart (figuur 7) geeft dan ook een redelijke indruk van de gebieden waar gegevens zijn verzameld (bron: www.verspreidingsatlas.nl).

Pagina 27

Figuur 7. Waarnemingen van de laatvlieger in Nederland (zwarte cirkel is locatie plangebied). Bron: www.verspreidingsatlas.nl.

Er zijn geen uitspraken te doen over aantalsontwikkelingen in Nederland: er zijn geen aanwijzingen voor een af- dan wel toename in aantallen. Mogelijk neemt het aanbod van met name geschikte verblijfplaatsen, net als bij de gewone dwergvleermuis, wel af vanwege de toenemende na-isolatie van gebouwen en het dichten van kieren en gaten in gebouwen (bron: Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, BIJ12).

Wezel De wezel komt verspreid door in de provincie Gelderland vooral voor in de lagere delen van de provincie. Uitzondering hierop is het rivierengebied tussen Rijn en Waal (globaal de Betuwe), mogelijk omdat dit gebied te open is (geen dekking). Op de stuwwal van de Veluwe en in de Achterhoek ontbreken grotendeels waarnemingen. Voor de wezel geldt dat er landelijk en ook provinciaal sprake is van een afnemende trend (bron: Provincie Gelderland). De omvang van de wezelpopulatie is echter onbekend (bron: De staat van instandhouding, factsheets voor 25 soorten in Gelderland, Arcadis 16 mei

Pagina 28

2018). Er zijn van de wezel te weinig telgegevens bekend voor het opstellen van een betrouwbare trendberekening (hoge standaardfouten). Dit geldt voor alle kleine marterachtigen. Deze soorten zijn over de jaren heen waargenomen in slechts 73 telplots in geheel Nederland. Deze plots zijn echter niet allemaal jaarlijks geteld. Tevens laten de kleine martersoorten zich maar weinig overdag zien. Dat maakt de index gevoelig voor invloeden die met toeval te maken hebben. Het aandeel in deze trend is 73 telplots voor wezel, 92 telplots voor hermelijn en 94 telplots voor bunzing. De samengestelde trend laat een sterke afname in populatiegrootte zien

Figuur 8. Index van de aantalsontwikkeling van de egel en kleine marterachtigen (wezel, hermelijn en bunzing) in Nederland in de periode 1994-2016 (n=220) in het meetnet Dagactieve Zoogdieren. Bron: Zoogdiervereniging, 2017.

over de periode 1997-2016 (Zoogdiervereniging, 2017: zie figuur 9). Op basis van deze gegevens is de trend van de populatie beoordeeld als ‘verslechterend’. De landelijke staat van instandhouding is beoordeeld als ‘ongunstig – slecht’. Vermoedelijk is het aandeel van Gelderland evenredig aan de landelijke staat van instandhouding.

Pagina 29

Figuur 9. Verspreiding wezel in de omgeving van het plangebied (zwarte cirkel), bron: NDFF.

Beïnvloeding staat van instandhouding door de werkzaamheden Door de werkzaamheden zoveel mogelijk buiten de kwetsbare periode van de bunzing, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en wezel uit te voeren en tijdens en na de werkzaamheden maatregelen te nemen worden er geen negatieve effecten verwacht en komt de gunstige staat van instandhouding van de bunzing, gewone dwergvleermuis, laatvlieger en wezel niet in het geding.

Pagina 30

Maatregelen Voorafgaand, tijdens en na de werkzaamheden worden maatregelen getroffen om overtreding van de verbodsbepalingen artikel 3.5, lid 2 van de Wnb (opzettelijk verstoren van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger), artikel 3.5, lid 4 van de Wnb (beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger) en Artikel 3.10, lid 2 van de Wnb (beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van bunzing en wezel) te voorkomen.

Bunzing en wezel Tijdens de werkzaamheden in het plangebied waar vaste rust- en verblijfplaatsen van kleine marterachtigen, en het bijbehorend functioneel leefgebied (foerageergebied en verbindingszone), zich bevinden, is mogelijk tijdelijk sprake van verlies aan vaste rust- en verblijfplaatsen (bunzing) en geschikt habitat (bunzing en wezel). Ook is mogelijk sprake toenemende risico op verkeersslachtoffers en van verstoring van individuen door geluid, trillingen, menselijke aanwezigheid etc. De volgende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken:

Werken buiten de meest kwetsbare periode Werkzaamheden als het ongeschikt maken van het leefgebied worden niet uitgevoerd binnen de periode 15 maart tot 1 september.

Vooraf ongeschikt maken leefgebied Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt het plangebied gedeeltelijk ongeschikt gemaakt. Dit gebeurt door enkele opgaande begroeiingen en potentiele rustplaatsen (takkenhopen e.d.) te verwijderen en de vegetatie daarna kort te houden door frequent te maaien. Deze maatregel wordt genomen in combinatie met het verbeteren van het bestaand leefgebied in de directe omgeving van het gebied. Het leefgebied van de bunzing en wezel wordt minimaal een week voorafgaand aan de werkzaamheden ongeschikt gemaakt door het te maaien (maximaal tien centimeter boven het maaiveld) en het maaisel direct af te voeren. Zo wordt voorkomen dat tijdens de grondwerkzaamheden nog dieren aanwezig zijn. Hierbij wordt één kant op gemaaid. Ook bij het verwijderen van de opgaande groenstructuren en het gronddepot in deelgebied ‘Centraal’ wordt zoveel mogelijk één richting op gewerkt, zodat vluchtgelegenheid aanwezig is. Om verkeersslachtoffers te voorkomen dienen bovenstaande werkzaamheden in noordelijke richting, van de Oude Borculoseweg, uitgevoerd te worden. Aanwezige bunzingen en wezels hebben dan de mogelijkheid om (tijdelijk) richting geschikt leefgebied ten noorden van het plangebied (richting het solarpark en overige deelgebieden als deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ (bosperceel aan Ruiterpad) en deelgebied ‘Zuid’

Pagina 31

(mitigatiegebied bij boerderij ‘Panneman’)), uit te wijken. De exacte werkwijze wordt in een ecologisch werkprotocol vastgelegd.

Realiseren van nieuw leefgebied en verblijfplaatsen Door het verwijderen van geschikte leefgebieden voor de bunzing en wezel in de vorm van onder andere groenstructuren, grazige randen en een gronddepot en de inrichting van het plangebied wordt het functioneel leefgebied van de bunzing en deels ook voor de wezel aangetast en verdwijnen vermoedelijk vaste rust- en verblijfplaatsen van bunzing onder boomwortels, in zoogdierholen of dichte vegetatie. Wanneer de vegetatie en de nieuwe bosschages in het plangebied, en direct hier aan grenzend, zich herstellen / verder ontwikkelen is er weer dekking aanwezig. In combinatie met voldoende beschikbaar geschikt alternatief leefgebied, aangrenzend aan het plangebied (het solarpark, deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’ (bosperceel aan Ruiterpad), deelgebied ‘Zuid’ (mitigatiegebied bij boerderij ‘Panneman’) en in latere fase ook deelgebied ‘Verbindingszone’), en rondom het plangebied (o.a. beplantingsstroken langs de Leerinkbeek) én het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen blijft er in het gebied Regionaal Bedrijvenpark Laarberg fase 2 en omgeving voldoende geschikt leefgebied voor de bunzing en wezel aanwezig (zie bijlage 1). Net buiten het plangebied worden alternatieve verblijfplaatsen voor de bunzing en wezel aangeboden en beplantingen aangeplant (deelgebied ‘Verbindingszone’).

Aangezien er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein met bijbehorende verstorende effecten, in zowel de bouw- als gebruiksfase, wordt vooral ingezet op het aanbieden van alternatieve habitats en verblijfplaatsen buiten het plangebied, maar binnen de invloedszone hiervan. Binnen het plangebied worden ook alternatieve leefgebieden gecreëerd door aanplant van hagen, bosschages, groepen struiken en bomen, het inzaaien van wegbermen met bloemrijke mengsels en het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van bijvoorbeeld takkenrillen en steenhopen. Deze ontwikkelingen worden geleidelijk uitgevoerd en creëren op korte termijn (periode waarvoor de ontheffing wordt aangevraagd: 1 oktober 2021 – 1 oktober 2026) nog geen stabiele leefomgeving voor de bunzing en wezel. Het deelgebied ‘Verbindingszone’ wordt ingericht als groene parkzone waarbinnen ondernemers de mogelijkheid geboden krijgen om hun innovatieve producten maar ook processen tentoon te stellen; denk daarbij aan allerlei soorten innovatieve initiatieven met proefakkers, gebouwde grote vitrinekasten, zonne-energie akkers of kleinschalige demonstratie kassen. Naast aanplant van diverse opgaande groenstructuren worden bestaande groenstructuren (laanbeplantingen langs het Ruiterpad) deels gehandhaafd.

In het ‘nieuwe’ leefgebied worden in een later stadium eveneens marterhopen aangebracht en wordt dekking en geleiding gerealiseerd via takkenrillen en lijnvormige aanplant van bosplantsoen. Het overige deel van dit gebied wordt deels als kort en deels als extensief/ruig grasland beheerd, zodat ook hier voldoende dekking voor de bunzing en wezel gewaarborgd is. Op dit moment is er nog geen concreet groenplan voor dit

Pagina 32

deelgebied opgesteld. Naar verwachting vinden hier pas na 1 september 2026 de eerste ruimtelijke ontwikkelingen plaats. Door deze afwisseling van vegetatiestructuur en het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen en toekomstig leefgebied (in o.a. deelgebied ‘Verbindingszone’) zorgt voor voldoende dekking en voedselaanbod voor de bunzing en wezel, waardoor het gebied Regionaal Bedrijvenpark Laarberg fase 2, en deels ook weer het plangebied, weer geschikt leefgebied voor de bunzing en wezel wordt. De groenzone in deelgebied ‘Verbindingszone’ is verankerd in het bestemmingsplan.

Aanbieden alternatieve verblijfplaatsen Delen van het plangebied worden groen ingericht met diverse bosschages van inheemse boom- en struiksoorten en grasstroken met natuurlijke bloemmengsels. Gezien de beperkte ruimte voor mitigatie en de ruimtelijke ontwikkelingen over een langere periode (5 jaar) worden uitgevoerd, waardoor er sprake is van een constante verstoring op aanwezige kleine marterachtigen en hun leefgebied, worden alternatieve verblijfplaatsen voornamelijk buiten het plangebied gerealiseerd. Op twee locaties worden marterhopen gerealiseerd en op drie locaties worden takkenrillen geplaatst. Daarnaast worden in het plangebied, of in de directe nabijheid van hagen of heggen aanvullende mogelijkheden voor bunzing en wezel in de vorm van takkenrillen en steenhopen aangeboden. Wanneer gestart wordt met de eerste werkzaamheden wordt ook gelijk gestart met het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen. Deze alternatieve verblijfplaatsen worden aangeboden in direct aan het plangebied grenzende gebieden (zie bijlage 1 voor de locaties). Het betreft hier gebieden waar geschikt leefgebied voor de bunzing en wezel voorhanden is of welke geïntegreerd worden binnen het plangebied (laanbeplantingen langs de Holtkampsweg). Het betreft hier verder het solarpark (ca.

8,7 ha.) met retentievijver, grazige vegetaties, solitaire bomen en direct aangrenzende bomenrijen, laanbomen, houtwallen en bosschages. Een andere gebied wat als alternatief leefgebied kan fungeren is het gebied nabij boerderij Panneman (ca. 1,8 ha.). Hier bevindt zich een mitigatieterrein voor de steenuil met oude fruitbomen, extensief begraasd weiland, ruigteranden, een oude beukenlaanrelict, een retentievijver en grazige hooilandvegetaties. In dit gebied is ook de wezel in 2020 op een wildcamera vastgesteld. Een marterhoop bestaat een bodem van dun materiaal zoals takjes, riet of gras. Daarop komt een kern, bestaande uit gestapelde stammen en dikke takken van minimaal een meter hoog. In de holten die ontstaan worden vervolgens takken en twijgen gestoken. Zo wordt voorkomen dat de stapel snel inzakt. Vervolgens wordt de marterhoop voorzien van een isolerende laag riet of hooi, van minimaal een halve meter dik. Deze laag wordt idealiter jaarlijks aangevuld om de isolatiewaarde te behouden. Onderhoudsvriendelijker is het om de marterhoop te voorzien van een nestkast of bijvoorbeeld betonnen U-elementen voorzien van hooi. De marterhoop is minimaal één meter hoog, twee meter breed en drie meter lang.

Pagina 33

Takkenrillen zijn stammen, takken, bladeren en ander snoeimateriaal welke over de lengterichting op elkaar zijn gestapeld, meestal tussen een dubbele rij palen. Door de ruimte tussen de palen op te vullen ontstaat er zo een natuurlijke erf- of perceelafscheiding met veel dekking voor vogels en kleine zoogdieren. Het hout verteert langzaam en moet minimaal elke 3-5 jaar worden aangevuld met vers snoeimateriaal. Takkenrillen die als bijzonder waardevol voor kleine marterachtigen kunnen worden beschouwd, hebben een onderlaag van dikkere stammen (10-15 cm. diameter), zijn minimaal 1 m. hoog en minimaal 1 m. breed. Idealiter groeit rond de takkenril een strook van minimaal 3-6 m. met ruige kruiden of gras welke maximaal eenmaal per jaar gefaseerd wordt gemaaid. Steenhopen in, of in de directe nabijheid van hagen of heggen, bieden aanvullende mogelijkheden voor met name de wezel. Ook smallere hagen en heggen kunnen dicht zijn en voldoende dekking bieden als deze traditioneel gelegd of gevlochten zijn. Bij de aanleg van een steenhoop dienen grote stenen (tenminste 30cm diameter) voor de bouw van de nestkamer, met daar bovenop kleinere stenen. Binnen in de nestkamer komt nestmateriaal in de vorm van luchtig hooi of vergelijkbaar materiaal. De steenhoop moet minstens de volgende afmetingen hebben: 3 m. lang, 2 m. breed en 1 m. hoog.

Zie bijlage 1 voor een overzicht van de mitigatiemaatregelen, compensatie(gebieden) en alternatief leefgebied voor de bunzing en wezel in het plangebied en in de omgeving hiervan. Zie bijlage 3 voor voorbeelden van alternatieve verblijfplaatsen (marterhoop, takkenrillen en steenhopen). Voor de alternatieve verblijfplaatsen binnen het plangebied en de inrichting van het groen is nog geen concreet plan opgesteld en betreffende maatregelen (locatie, type maatregelen e.d.) zijn dan ook niet in de bijlage weergegeven.

Perioden van werkzaamheden x

x

x

Het plaatsen van de alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van twee marterhopen en vijf takkenrillen staat gepland voor de periode 4e kwartaal 2021 – 1e kwartaal 2022. Inrichting van het plangebied door aanplant van hagen, bosschages, groepen struiken en bomen, het inzaaien van wegbermen met bloemrijke mengsels en het aanbieden van alternatieve verblijfplaatsen in de vorm van bijvoorbeeld takkenrillen en steenhopen staat gepland voor de periode 1 oktober 2021 – 1 oktober 2026. Inrichting van het deelgebied ‘Verbindingszone’ staat gepland na 1 oktober 2026.

Gewone dwergvleermuis en laatvlieger (foerageergebied en vliegroute) Versterken van bestaande foerageergebied en vliegroute Om verstoring op essentieel foerageergebied en vliegroute van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger langs de Holtkampsweg, door de ruimtelijke ontwikkeling te compenseren wordt de kwaliteit van het bestaand foerageergebied en vliegroute versterkt. Compensatie in het deelgebied ‘Centraal’ en ‘Noord’ vindt plaats door aanplant van inheemse boom- en struiksoorten en het gebruik van zaadmengels met inheemse soorten. Verder blijven de

Pagina 34

essentiële onderdelen gehandhaafd. Langs de noordzijde van de Holtkampsweg is reeds beplanting aangebracht en deze is gesitueerd tussen de laanbeplantingen van de Holtkampsweg en de aan te leggen parallelle ontsluitingsweg (Redan). De nieuwe beplantingsstrook fungeert deels als lichtbuffer. Door de beplanting wordt directe verlichting vanaf straatverlichting en bedrijfspanden op de Holtkampsweg zoveel mogelijk voorkomen. In combinatie met het gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting langs de aan te leggen parallelle ontsluitingsweg (Redan) zal de inrichting van het plangebied geen negatief effect hebben op het foerageergebied en de vliegroute van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger: zie bijlage 2. Verder voorzien lokaal enkele direct aan het plangebied grenzende delen als alternatief foerageergebied. Het betreft hier onder andere het solarpark (ca. 8,7 ha.) met retentievijver, grazige vegetaties, solitaire bomen en direct aangrenzende bomenrijen, laanbomen, houtwallen en bosschages. Een andere gebied wat als alternatief foerageergebied kan fungeren is het gebied nabij boerderij Panneman (ca. 1,8 ha.). Hier bevindt zich een mitigatieterrein voor de steenuil met oude fruitbomen, extensief begraasd weiland, ruigteranden, een oude beukenlaanrelict, een retentievijver en grazige hooilandvegetaties: zie bijlage 2.

Mitigatie van doorsnijding foerageergebied en vliegroute Holtkampsweg Er zijn mitigerende maatregelen nodig om de effecten van doorsnijdingen van de vliegroute en foerageergebied langs de Holtkampsweg te beperken, door een goede locatie voor de doorsnijdingen te kiezen en hop-overs te creëren met een ‘groen’ scherm en eventueel struiken. Daarnaast dient verlichting van de Holtkampsweg (ter plaatse van doorsnijdingen, en uitstraling vanaf de nieuwe ontsluitingsweg en nieuwe bedrijven) beperkt te worden. De aanwezige (laan)bomen worden niet gekapt en blijven gehandhaafd. Ten aanzien van doorsnijdingen van de Holtkampsweg geldt dat de laatvlieger waarschijnlijk een grotere afstand kan overbruggen dan de gewone dwergvleermuis, omdat het een sterkere vlieger is. Bij het aanhouden van de minimum afstand voor de gewone dwergvleermuis, blijft de vliegroute zeker geschikt voor de laatvlieger. Bij de doorsnijdingen van de Holtkampsweg wordt gekozen voor een plek waar grote overhangende boomkronen aanwezig zijn, zodat het afstand tussen de boomkronen zo klein mogelijk blijft. De afstand tussen kronen boven de nieuwe ontsluitingsweg is bij voorkeur maximaal 5 meter. De meerderheid van zowel de laatvliegers als de gewone dwergvleermuizen zullen de hop-over dan gebruiken (bron: Kennisdocument Gewone dwergvleermuis, BIJ12).

In diverse andere bronnen worden grotere afstanden als overbrugbaar aangegeven, maar de herkomst van deze informatie is vaak onduidelijk, en hoe groter het gat, hoe groter de onzekerheid dat de vliegroute gebruikt wordt. Gezien de gewenste breedte van de doorsnijdingen van ca. 11 m, is een afstand van maximaal 5 meter tussen de boomkronen waarschijnlijk een haalbare maatregel. Ondanks het aannemelijk is dat met name de aanwezige vliegroute van de gewone dwergvleermuis en de laatvlieger kan blijven functioneren wordt er toch ingezet op het creëren van een enkele

Pagina 35

hop-over. Hierdoor blijft de functie van de laanbeplantingen als vliegroute (en essentieel foerageergebied) volledig gewaarborgd. De hop-over bij de nieuwe ontsluitingsweg (zie bijlage 2) wordt gecreëerd ter plaatse van de doorsnijding van de Holtkampsweg, door minimaal 2 meter hoge ‘groen’ schermen te plaatsen in de vorm van een met klimop of wingerd begroeide hekwerk/schutting: zie bijlage 3. Aan beide zijden van de doorsnijding worden twee schermen (om en om), geplaatst zodat voetgangers en fietsers nog wel gebruik kunnen maken van de Holtkampsweg. Ons voorstel is om enkele groenschermen van Eurorail BV (EcowandPlanta) te plaatsen: zie bijlage 3. De afmeting van elke schermelement zijn 4 meter (lengte) x 1 meter (hoogte). Dit betekend dat per schermlocatie (4 locaties in totaal) er 2 elementen op elkaar gemonteerd worden zodat er een hoogte van 2 meter bereikt wordt. Aan beide zijden worden klimop- of wingerdplanten aangeplant. Indien mogelijk worden bij elke hop-over ook dichte struiken aangeplant, die richting de doorsnijding steeds hoger worden, in combinatie met het plaatsen van een ‘groen’ scherm zodat de vleermuizen ‘omhoog gedwongen’ worden, en zo de nieuwe weg veilig kunnen oversteken.

Het alleen plaatsen van struiken / bosplantsoen is geen optie aangezien deze waarschijnlijk (nog) niet van voldoende hoogte zijn (> 2 meter) als de nieuwe ontsluitingsweg, die de Holtkampsweg kruist, in gebruik worden genomen. Ter hoogte van de doorsnijding wordt verder vleermuisvriendelijke (amberkleurige) verlichting aangebracht, waarbij rekening wordt gehouden met: x x x

Zo laag mogelijke lichtpunten; Zo min mogelijk uitstraling naar boven en naar opzij; Indien mogelijk met tijdschakelaar en/of bewegingssensor, zodat de verlichting uit of gedimd is wanneer deze niet noodzakelijk is.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te nemen maatregelen: x

x x x

x

Omdat de werkzaamheden enkele maanden/jaren in beslag nemen, kan niet volledig buiten de kwetsbare perioden gewerkt worden. Om de actieve periode te ontzien wordt voornamelijk gewerkt tussen 15 oktober en 15 april. Er wordt alleen gedurende de dag gewerkt van maandag t/m vrijdag. Werktijden liggen tussen 07.30 – 17.00 uur. Verlichting van het bouwterrein vindt zo min mogelijk plaats. Indien er, vanwege veiligheidsaspecten, verlichting van het bouwterrein noodzakelijk is zal deze alleen op het terrein gericht en amberkleurig (‘vleermuisvriendelijk’) zijn. Van verlichting op de Holtkampsweg zal geen sprake zijn. Tijdens de werkzaamheden wordt een logboek bijgehouden. In het logboek worden de gemaakte ecologische keuzes vastgesteld zoals goedkeuring / vrijgave door een ecoloog, afwijkingen van het ecologisch werkprotocol en gekozen mitigerende maatregelen en de locatie daarvan. In het logboek worden in ieder geval de

Pagina 36

relevante resultaten van de uitgevoerde handelingen, zoals vastgelegd in het ecologisch werkprotocol, geregistreerd.

Perioden van werkzaamheden x x

De aanleg van de beplantingsstrook langs de Holtkampsweg is reeds uitgevoerd. De aanleg van de hop-over in de vorm van vier ‘groene’ schermen (zie bijlage , eventueel in combinatie met aanplant van struiken, bij de doorsnijdingen van de Holtkampsweg staat gepland voor de periode 4e kwartaal 2021 – 1e kwartaal 2022.

In bijlage 2 zijn de locaties van de maatregelen om verstoring op essentieel foerageergebied en vliegroute van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger langs de Holtkampsweg te compenseren/voorkomen weergegeven. Tevens zijn in deze bijlage de alternatieve foerageergebieden van vleermuizen op het solarpark en nabij boerderij Panneman aangegeven. Samengevat worden in bijlage 2 de volgende compenserende/mitigerende maatregelen weergegeven: x

x

het plaatsen van ‘groene’ schermen welke als hop-over fungeren om verstoring op vliegroute van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger langs de Holtkampsweg te voorkomen; het plaatsen van vleermuisvriendelijke (amberkleurige) verlichting langs de Holtkampsweg en de aan te leggen parallelle ontsluitingsweg (Redan).

Gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis (vaste rust- en verblijfplaats) Voorafgaand aan de werkzaamheden te nemen maatregelen Voor aantasting van de zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en de mogelijke zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis worden alternatieve verblijfplaatsen aangeboden. Aangezien binnen een straal van 100-200meter (nog) geen overige gebouwen aanwezig zijn wordt i.p.v. het plaatsten van alternatieve verblijfplaatsen aan een gebouw gekozen voor het plaatsen van een paalkast. Deze fungeert dan als alternatief voor de zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de te slopen woonhuis aan het Ruiterpad 4. Omdat het verlies van een zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis niet uit te sluiten is worden ook hiervoor alternatieven aangeboden. Voor deze soort wordt gekozen voor het plaatsen van 4 vleermuiskasten in de directe omgeving van de mogelijke verblijfplaats (woonhuis aan het Ruiterpad 4). Tevens kan de paalkast als alternatieve verblijfplaats gebruikt worden. De paalkast wordt op het terrein van het solarpark geplaatst en de vleermuiskasten worden aan enkele zomereiken in de westrand van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’, grenzend aan het solarpark, opgehangen (zie bijlage 2 voor de locaties).

Pagina 37

Gewone dwergvleermuis x

x x

x

De paalkast (bijvoorbeeld Paalkast Coco van Faunus Nature Creations: zie bijlage 3) wordt op het terrein van het solarpark geplaatst in de nabije omgeving van het te slopen woonhuis aan het Ruiterpad 4 als alternatief voor een zomerverblijfplaats (< 10 dieren) van de gewone dwergvleermuis. Tevens kan deze als alternatieve verblijfplaats fungeren voor de zomerverblijfplaats van de gewone groooorvleermuis. Er wordt gekozen voor het meest duurzame type paalkast (gestoomd/gekookt hout en stalen of eiken paal) zodat deze als volwaardige permanente voorziening beschouwd kan worden. De paalkast wordt bij voorkeur geplaatst in de nabijheid van de eikenrij tussen het solarpark en deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’. Alternatieve locaties zijn: langs de westzijde van de retentievijver of langs de houtwal in de noordwestrand van het solarpark. De paalkast wordt binnen 200 meter van de verblijfplaats opgehangen. De alternatieve locatie is gelijk aan of beter van kwaliteit dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte), aanvliegroute en vrije vliegruimte en de locatie is vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren. De paalkast wordt ruim voorafgaand aan de sloop en/of het ongeschikt maken van het woonhuis geplaatst.

Voor vervanging van zomerverblijfplaatsen met < 10 dieren voor gewone dwergvleermuis is een gewenningsperiode van minimaal 3 maanden (waarbij alleen de maanden april tot en met oktober meetellen) vereist. Echter voor vervanging van een paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis geldt een minimale gewenningsperiode van 6 maanden voorafgaand aan de start van het paarseizoen. In deze gewenningsperiode zijn gewone dwergvleermuizen in staat om de nieuwe verblijfplaatsen te vinden en te inspecteren omdat ze (nog) niet in winterrust zijn. Dit betekent dat de paalkast (alternatief voor een zomer- én paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis) uiterlijk half februari 2022 aanwezig moet zijn.

Gewone grootoorvleermuis Voor de gewone grootoorvleermuis komen als tijdelijke en permanente maatregel enkel boomkasten in aanmerking. Het aanbieden van vleermuisstenen in de realiseren bedrijfspanden is niet geschikt voor deze soort omdat de dieren veelal gebruik maken van grote open zolderruimten zoals kerken en kloosters. De te realiseren bedrijfspanden voldoen hier niet aan en daarom er is gekozen, ter compensatie van de (mogelijke) zomerverblijfplaats, voor betonnen boomkasten. In de omgeving liggen nog alternatieve plekken die door de gewone grootoorvleermuis in gebruik genomen kunnen worden als alternatieve verblijfslocatie: o.a. het bosperceel aan Ruiterpad en nabij het deelgebied ‘Zuid’. Hier zijn in 2020 en 2017 ook waarnemingen van de gewone grootoorvleermuis verricht.

Pagina 38

x

x x

x x

De 4 vleermuiskasten (bijvoorbeeld Vleermuiskast Veronica van Faunus Nature Creations: zie bijlage 3), worden aan enkele zomereiken in de westrand van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’, grenzend aan het solarpark, opgehangen. De vleermuiskasten worden binnen 200 meter van de (mogelijke) verblijfplaats opgehangen. De alternatieve locaties zijn gelijk aan of beter van kwaliteit dan de oorspronkelijke situatie wat betreft hoogte (bij voorkeur op minimaal 3 meter hoogte), aanvliegroute en vrije vliegruimte en de locatie is vrij van kunstlicht, vrij van verstoring en buiten bereik van predatoren. De kasten worden op verschillende windrichtingen aan de bomen opgehangen. De vleermuiskasten worden ruim voorafgaand aan de sloop en/of het ongeschikt maken van het woonhuis geplaatst. Voor vervanging van een zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis geldt een minimale gewenningsperiode van 3 maanden. In deze gewenningsperiode zijn de gewone grootoorvleermuizen in staat om de nieuwe verblijfplaatsen te vinden en te inspecteren omdat ze (nog) niet in winterrust zijn. Dit betekent dat vervangende verblijfplaatsen uiterlijk half februari 2022 aanwezig moeten zijn.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te nemen maatregelen x

x

x

x x

Het slopen van het woonhuis en/of ongeschikt maken van het woonhuis als verblijfplaats voor vleermuizen gebeurt in de periode 1 oktober – 1 november. Dit is buiten de meest kwetsbare periode van de gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis: de kraamperiode (15 mei – 15 juli) en de winterrust (1 november tot 1 april). Indien de alternatieve verblijfplaatsen minimaal 6 maanden voorafgaand aan de werkzaamheden geplaatst zijn is er een voldoende lange gewenningsperiode aangehouden om een minimaal succes van de maatregelen te waarborgen. Omdat de werkzaamheden mogelijk meerdere maanden in beslag nemen, kan waarschijnlijk niet volledig buiten de winterperiode gewerkt worden. In het plangebied worden geen massawinterverblijfplaatsen verwacht en deze zijn tijdens het onderzoek in 2020 ook niet vastgesteld. Aangezien er sprake is van een zomeren paarverblijf van de gewone dwergvleermuis en mogelijk een zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis is het aannemelijk dat het gebouw ook gebruik is als winterverblijfplaats voor een enkel exemplaar. Daarom wordt het woonhuis ruim voor aanvang van de winterrust ongeschikt gemaakt. Door eerst het dak te verwijderen, wordt het gebouw ongeschikt gemaakt als verblijfplaats voor de gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis, door de ontstane tocht, kou en lichtinval.

De werkzaamheden worden onder ecologische begeleiding uitgevoerd. De exacte werkwijze wordt in een ecologisch werkprotocol vastgelegd. Er wordt alleen gedurende de dag gewerkt van maandag t/m vrijdag.

Pagina 39

Na de uitvoering van de werkzaamheden te nemen maatregelen: x

x

x

x

De vervangende (tijdelijke en permanente) verblijfplaatsen worden bij voorkeur zo dicht mogelijk, maar altijd binnen 100 à 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats geplaatst en altijd binnen het leefgebied van de groep (bron: Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12). Het is op dit moment nog niet bekend wanneer (globaal in de periode 1 oktober 2021 – 1 oktober 2026) en waar de eerste bedrijfspanden in het plangebied gerealiseerd worden. Binnen een straal van maximaal 200 meter van de oorspronkelijke verblijfplaats valt slechts een deel van het plangebied waar realisatie van bedrijfspanden gepland staat (zie figuur 6). De overige delen worden onder andere ingenomen door het solarpark en het westelijke deel van deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’. In deze delen worden geen bedrijfspanden gerealiseerd. In het deelgebied ‘Biobased Transitiepark fase 2’, grenzend aan het solarpark, wordt alleen een tijdelijk gronddepot aangelegd. Wij stellen dan ook voor dat de op het solarpark te plaatsen paalkast als permanente voorziening voor het verlies van de huidige zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis beschouwd kan worden. Omdat er gekozen wordt voor het meest duurzame type paalkast (gestoomd/gekookt hout en stalen of eiken paal) worden deze beschouwd als volwaardige permanente voorziening en zijn inbouwkasten in de bedrijfspanden niet nodig.

Indien de mogelijkheden aanwezig zijn en de initiatiefnemers mee akkoord gaan kunnen in de nieuw te realiseren bedrijfspanden ook extra verblijfruimten gecreëerd voor de gewone dwergvleermuis. Waar mogelijk worden dan in of aan de gevels, en op verschillende windrichtingen, vaste vleermuiskasten aangebracht. Maar aangezien dit op vrijblijvende basis wordt voorgesteld, en (volledige) uitvoering hiervan niet 100% gegarandeerd kan worden, wordt het plaatsen van permanenten verblijfplaatsen in bedrijfspanden niet als permanent alternatief vastgelegd en als eis opgelegd.

Pagina 40

Figuur 6. Zoekgebied (blauwe cirkel) permanente verblijflocaties gewone dwergvleermuis (zomer- en paarverblijfplaats) en gewone grootoorvleermuis (zomerverblijfplaats) binnen een straal van 200 meter van de huidige verblijfplaatsen (zie blauwe ster). Het plangebied is rood omkaderd.

Zie bijlage 2 voor de locaties waar de bovengenoemde en onderstaande mitigerende en compenserende maatregelen worden uitgevoerd: x x

het plaatsen van één paalkast als alternatief/mitigatie voor één zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis; het plaatsen van 4 vleermuiskasten als alternatief/mitigatie voor een mogelijke zomerverblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis.

Pagina 41

Broedvogels x x

De werkzaamheden worden zoveel mogelijk buiten het broedseizoen van eventueel broedende vogels (maart – augustus) uitgevoerd. Voorafgaand aan de kap- en graafwerkzaamheden worden de te kappen bomen en overige delen van het plangebied gecontroleerd op eventueel aanwezige bezette vogelnesten. Met name soorten als merel, houtduif en vink kunnen nog ver in de nazomer/herfst een nest hebben.

Grondgebonden zoogdieren x x

De werkzaamheden worden zoveel mogelijk buiten de voortplantings- en rustperiode uitgevoerd. Bij uitvoering van de werkzaamheden rekening houden met de werkrichting en gefaseerd verwijderen van aanwezige structuren om aanwezige zoogdieren voldoende tijd te geven om (tijdelijk) het plangebied te verlaten.

Na de uitvoering van de werkzaamheden te nemen maatregelen: x

Er wordt vleermuisvriendelijke verlichting toegepast langs de infrastructuur.

Maatregelen om aan de zorgplicht te voldoen: x

x x

x

Eén van de voorwaarden van de ontheffing Wet natuurbescherming is dat de werkwijze met betrekking tot de bunzing, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en wezel wordt vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. In het werkprotocol wordt beschreven op welke wijze men bij de uitvoer van de werkzaamheden rekening moet houden met deze strikt beschermde soorten. De voorgestelde maatregelen uit het activiteitenplan worden vertaald in concrete maatregelen die uitgevoerd moeten worden voorafgaand, tijdens en na de werkzaamheden in het plangebied. De maatregelen worden zo gedetailleerd mogelijk geformuleerd, zodat voor de aannemer duidelijk is welke stappen hij moet nemen gedurende de uitvoer van de werkzaamheden. Ook werkzaamheden bij calamiteiten wordt vastgelegd in het ecologisch werkprotocol. De werkzaamheden worden uitgevoerd onder begeleiding van een deskundige op het gebied van vleermuizen en kleine marterachtigen. Als tijdens de werkzaamheden toch andere beschermde soorten worden aangetroffen worden de werkzaamheden onmiddellijk stopgezet en wordt direct een deskundige ingeschakeld. Indien er van het ecologisch werkprotocol / activiteitenplan afgeweken dient te worden zal er vooraf overleg plaats te vinden met een ecoloog. Aangepaste werkwijzen worden in het logboek vastgelegd.

Pagina 42

Schema uitvoering werkzaamheden: B unzing en wezel Uitvoering mitigatie / compensatie Uitvoering werkzaamheden plangebied

JAN

FEB MRT APR

MEI

JUN

JUL

AUG

SEP

OKT NOV DEC

JAN

FEB MRT APR

MEI

JUN

JUL

AUG

SEP

OKT NOV DEC

Broedvogels Uitvoering werkzaamheden plangebied

JAN

FEB MRT APR

MEI

JUN

JUL

AUG

SEP

OKT NOV DEC

Grondgebonden zoogdieren Uitvoering werkzaamheden plangebied

JAN

FEB MRT APR

MEI

JUN

JUL

AUG

SEP

OKT NOV DEC

Gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis en laatvlieger Uitvoering mitigatie / compensatie Plaatsen 'groene' schermen (hop-over) Plaatsen vleermuisvriendelijke verlichting Plaatsen paalkast + vleermuiskasten Uitvoering werkzaamheden plangebied Slopen / ongeschikt maken woonhuis Bouwrijp maken, aanleg infrastructuur, realisatie bedrijfspanden

Werkzaamheden kunnen zonder het nemen van gerichte maatregelen uitgevoerd worden: meest gunstige periode Werkzaamheden kunnen alleen na het nemen van maatregelen uitgevoerd worden: minst gunstige periode Vleermuizen: gewenningsperiode. In deze periode alleen werkzaamheden uitvoeren indien voldoende rekening is gehouden met de vereiste gewenningsperiode en beschikbaarheid van (voldoende) alternatieve verblijfplaatsen (paalkast en vleermuiskasten) Vleermuizen: In deze periode rekening met verlichting op houtsingels, bosschages en met name de laanbeplantingen langs de Holtkampsweg (essentieel foerageergebied en vliegroute). GEEN directe verlichting op groenstructuren, gebruik maken van vleermuisvriendelijke verlichting en alleen overdag werken Broedvogels: werkzaamheden mogen alleen onder ecologische begeleiding uitgevoerd worden i.v.m. broedende vogels Grondgebonden zoogdieren: werkzaamheden zoveel mogelijk buiten de voortplantings- en rustperiode uitvoeren Geen werkzaamheden uitvoeren i.v.m. verstoring/aantasting essentiele onderdelen als verblijfplaats, vliegroute en foerageergebied

Bovenstaande maatregelen worden verder uitgewerkt in het ecologisch werkprotocol.

Pagina 43

Alternatieven Alternatieve locatie De deelgebieden ‘Centraal’, ‘Noord’ en het westelijke deel van ‘Biobased Transitiepark fase 2’ maken onderdeel uit van het Regionaal Bedrijvenpark Laarberg, fase 2. In de Achterhoek en omgeving is constant behoefte aan ruime bedrijfskavels. Hierdoor kunnen de extra kavels bijdragen aan de 'groeiambitie' van Regionaal Bedrijvenpark Laarberg.

Alternatieve inrichting Bij de inrichting van het plangebied wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met het, net buiten het plangebied, aanwezige foerageergebied en de vliegroute van de gewone dwergvleermuis en laatvlieger en het leefgebied van de bunzing en wezel.

Alternatieve werkwijze De werkwijze van de werkzaamheden worden zoveel mogelijk afgestemd op de aanwezigheid van de bunzing, gewone dwergvleermuis, gewone groorvleermuis, laatvlieger en wezel en de ecologie van deze soorten. Er is geen alternatieve werkwijze denkbaar die voor deze beschermde soorten gunstiger is.

Alternatieve planning De planning van de werkzaamheden wordt zo goed mogelijk afgestemd op de aanwezigheid van de van de bunzing, gewone dwergvleermuis, gewone groorvleermuis, laatvlieger en wezel en de ecologie van deze soorten. Binnen het tijdsbestek van dit project is geen alternatieve planning denkbaar die beter is voor de bunzing, gewone dwergvleermuis, gewone groorvleermuis, laatvlieger en wezel.

Pagina 44

Bijlage 1 Mitigatie en compensatie voor bunzing en wezel

= alternatief leefgebied bunzing en wezel = Marterhopen = Takkenrillen

Pagina 45

Bijlage 2 Mitigatie en compensatie voor vleermuizen

= alternatief foerageergebied = vleermuisvriendelijke verlichting

= paalkast = vleermuiskasten

= hop-over = beplanting tussen Holtkampsweg en parallelle ontsluitingsweg (Redan).

Pagina 46

Bijlage 3 Producten mitigatie en compensatie Bunzing en wezel Marterhoop

Nestkast in marterhoop: 1. nesttoegang (buis), 2. kastingang (tochtvrij), 3. tussenwand, 4. slaapruimte, 5. nestmateriaal, 6. afdeklaag takken, 7. waterdichte folie, 8. afdeklaag grond.

Takkenril

Pagina 47

Steenhopen

Gewone dwergvleermuis en laatvlieger (foerageergebied en vliegroute) Hop-over Voorbeeld van ‘groen’ scherm: Groenscherm Ecowand-Planta. De elementen bestaan uit een aluminium frame dat is voorzien van twee verzinkte gaasmatten en hoog absorberend materiaal. Verder wordt gebruikgemaakt van een kunststoffen net dat standaard is uitgevoerd in groen of grijs. Dit net kan in meerdere kleuren geleverd worden en zelfs een print is mogelijk. Geluidslekken worden voorkomen door het gebruik van een veer- en groefverbinding in het aluminium frame. De Ecowanden-Planta zijn zeer geschikt voor begroeiïng van klimmers als klimop en wingerd. Hierdoor wordt een “groen” geluidsscherm gerealiseerd, die passend is in zijn omgeving en leefklimaat.

Pagina 48

Schetsmatige weergaven groene schermen / hopover Holtkampsweg met kruising nieuwe ontsluitingsweg (Redan): 1) vanaf zuidwestelijke richting en 2) bovenzijde.

Weergave 1

Redan

Redan

Holtkampsweg

Weergave 2

Redan

Holtkampsweg

Pagina 49

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11175874/1