CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp laarberg noord 2 toelichting plan mer

Gemeenteraad 7 mei 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Laarberg Noord 235.520 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

Voorziet de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling (= initiatief) in een actuele lokale of regionale behoefte en hoe verhoudt het initiatief zich met beleidskaders en -programma's? 2. Kan de aangetoonde behoefte in redelijkheid binnen bestaand stedelijk gebied worden opgevangen door hergebruik dan wel transformatie van gebouwen? 3. Zo niet, kan de behoefte dan worden opgevangen door benutten van beschikbare gronden binnen het stedelijk gebied, rekening houdend met o.a. stedenbouwkundige, ecologische en sociaalculturele kwaliteiten? 4. Zo niet, kan de behoefte dan worden opgevangen door hergebruik of transformatie van gebouwen buiten het stedelijk gebied en zijn deze locaties passend ontsloten? Houd rekening met de ter plekke geldende gebiedskwaliteiten. 5. Zo niet, kunnen passend ontsloten nieuwbouwlocaties die aansluiten op het stedelijk gebied in de behoefte voorzien? Houd rekening met de ter plekke geldende gebiedskwaliteiten. 6. Zo niet, kunnen passend ontsloten nieuwbouwlocaties die niet aansluiten op het stedelijk gebied in de behoefte voorzien? Houd rekening met de ter plekke geldende gebiedskwaliteiten.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 23 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Voor de afweging bij stap 1 zijn regionale planningsdocumenten opgesteld, zoals het Regionaal Programma Bedrijventerreinen (daarin is Laarberg als regionaal bedrijventerrein opgenomen; zie navolgende). Structuurvisie Bedrijventerreinen en Werklocaties en Regionaal Programma Bedrijventerreinen Deze visie (Provincie Gelderland, 2010) is een aanpassing van het beleid voor bedrijventerreinen van het in 2005 vastgestelde streekplan Gelderland. Deze aanpassing is gedaan, omdat de verwachting is dat na 2020 de vraag naar bedrijventerreinen sterk zal afnemen (na 2025 mogelijk krimp) en omdat er maatschappelijk weerstand is tegen het verrommelen/dichtslibben van het landschap. Uitgangspunt is dat eerst optimaal gebruik wordt gemaakt van bestaande bedrijventerreinen voordat nieuwe worden ontwikkeld. Daarbij blijft voldoende ruimte voor bedrijvigheid ook uitgangspunt, maar een overschot moet worden voorkomen. Ander punt is de vraag aan gemeente om extra aandacht voor kwalitatieve aspecten, zoals ruimtelijke inpassing, vormgeving en een zo laag mogelijke milieubelasting. Het beleid wordt op regionaal niveau uitgewerkt en uitgevoerd in een Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB). De Regio Achterhoek heeft een dergelijk programma. In de RPB's is een confrontatie gemaakt van de regionale vraag naar en aanbod van bedrijventerreinen.

In de RPB’s is de ladder van duurzame verstedelijking gebruikt. In de RPB’s vormen regionale bedrijventerreinen (in elke regio moet er één zijn) een belangrijke (opvang)functie voor de grotere, zwaardere (wat betreft milieuhindercategorie) bedrijven die afhankelijk zijn van een hoogwaardige bereikbaarheid (snelweg). Dergelijke bedrijven moeten zich duurzaam kunnen vestigen op hoogwaardige terreinen. Laarberg is in de structuurvisie Bedrijventerreinen en werklocaties aangewezen als een regionaal bedrijventerrein (dit was overigens al zo in Streekplan Gelderland 1996). In het RPB Achterhoek (Provincie Gelderland, 2011) is Laarberg opgenomen als locatie waar zware milieuhinderlijke bedrijvigheid kan worden opgevangen. Ontwerp Omgevingsvisie Gelderland De omgevingsvisie is een integrale visie, onder andere op gebied van ruimtelijke ordening, bereikbaarheid, en milieu. De visie is vervangt het streekplan van 2005 en enkele andere (thematische) structuurvisies. Ten aanzien van beleid over (de ontwikkeling van) bedrijventerreinen verwijst de visie naar eerder gemaakte regionale programmeringafspraken. Deze afspraken zorgen volgens de visie voor voldoende kwaliteit en kwantiteit van bedrijventerreinen. De afspraken zijn vastgelegd in het hiervoor besproken Regionaal Programma Bedrijventerreinen (RPB).

Het uitgangspunt bij is zorgvuldig ruimtegebruik: terughoudend zijn met het ontwikkelen van nieuwe bedrijventerreinen (zie ladder duurzaam ruimtegebruik). De uitwerking van de plannen voor Laarberg fase II past bij dit idee. De locatie is opgenomen in het RPB, maar door het gebied stap voor stap te ontwikkelen past deze bij de actuele behoefte. Na de overkoepelende Structuurvisie Laarberg fase II worden de ontwikkelingen mogelijk gemaakt met passende bestemmingsplannen per concrete ontwikkeling. Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre Het plangebied voor de structuurvisie valt op dit moment onder de werking van het bestemmingsplan Buitengebied van gemeente Oost Gelre (2012) en heeft overwegend een agrarische bestemming.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 24 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Om de ontwikkeling van het bedrijvenpark mogelijk te maken worden als uitwerking van de Structuurvisie Laarberg fase II nieuwe bestemmingsplannen opgesteld. Het plangebied zal daarmee voor het overgrote deel geen deel meer uitmaken van het bestemmingsplan Buitengebied.

2.2

Natuur Natuurbeschermingswet 1998 De bescherming van specifieke natuurgebieden is in Nederland verankerd in de Natuurbeschermingswet 1998. De volgende gebieden vallen onder de werking van de Natuurbeschermingswet: – Natura 2000-gebieden (Vogel- en Habitatrichtlijngebieden); – Beschermde Natuurmonumenten; – Gebieden die de minister van EL&I aanwijst ter uitvoering van verdragen of andere internationale verplichtingen (met uitzondering van verplichtingen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn), zoals Wetlands. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden van zowel de Vogelrichtlijn als de Habitatrichtlijn op het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie. De Vogelrichtlijn heeft betrekking op de instandhouding van alle natuurlijke in het wild levende vogelsoorten op het grondgebied van de Europese Unie. De Habitatrichtlijn heeft betrekking op de bescherming van natuurlijke biotopen en de leefgebieden van planten- en diersoorten anders dan vogels. Vergelijkbaar met de Vogelrichtlijn verbiedt de Habitatrichtlijn het opzettelijk verstoren of vernielen van voortplantings- en rustplaatsen van planten en dieren. Het afwegingskader hiervoor is geïmplementeerd in de Natuurbeschermingswet 1998 (Ministerie van LNV, 1998).

Op grond van beide richtlijnen moeten de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om voor de bedoelde soorten een voldoende variatie en omvang van leefgebieden te garanderen (gebieds- en soortbescherming). De lidstaten moeten gebieden aanwijzen voor de instandhouding van waardevolle soorten en habitattypen, de zogenaamde Natura 2000-gebieden. In de directe omgeving van het plangebied liggen geen Natura 2000-gebieden. Wel ligt een aantal van deze gebieden mogelijk binnen de ‘invloedssfeer’ van de voorziene activiteit in het plangebied, in verband met effecten van stikstofdepositie op daarvoor gevoelige habitattypen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied ligt op circa 5 kilometer afstand (Zwillbrockervenn & Ellewickerveld in Duitsland). Voor de Natura 2000-gebieden wordt een beheerplan opgesteld. Hierin wordt onder andere geregeld welke (beheer)maatregelen nodig zijn voor het behalen van instandhoudingsdoelstellingen. Hiermee kunnen voor veel gebieden knelpunten op het gebied van hydrologie, stikstofdepositie en huidig gebruik weggenomen worden. De Duitse gebieden vallen niet onder de werkingssfeer van de Natuurbeschermingswet 1998. Voor een in gemeente Oost Gelre gelegen bedrijf betrekt de provincie Gelderland ook de gevolgen van een project of activiteit op de in Duitsland gelegen gebieden. Op deze manier geven zij invulling aan artikel 6 lid 3 Habitatrichtlijn.

Meest relevante Duitse beleidsuitgangspunt ten aanzien van Laarberg is dat in Duitsland geldt dat projecten die minder dan 3% van de kritische depositiewaarden (KDW 5) aan stikstof bijdragen op een bepaald Natura 2000-gebied, verondersteld worden geen significant effect te hebben op dat Natura 2000-gebied. Deze regel is soepeler dan de Nederlandse regelgeving (bron: Gemeente Berkelland, PlanMER Bestemmingsplan Buitengebied Berkelland, 2012).

5

de hoeveelheid stikstofdepositie die een ecosysteem kan verdragen zonder schade te ondervinden, uitgedrukt in mol

stikstof per hectare per jaar (mol N/ha/jr) Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 25 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) Stikstofdepositie is een groot knelpunt in het Nederlandse natuurbeleid. Hoewel de stikstofdepositie de afgelopen decennia flink is teruggebracht (gemiddeld ongeveer gehalveerd), is deze in de meerderheid van de natuurgebieden nog steeds hoger dan wat de habitattypen kunnen verdragen (Planbureau voor de Leefomgeving, 2012). Het oplossen hiervan binnen een beheerplan is vaak lastig, omdat de bron van de stikstofdepositie vaak (gedeeltelijk) buiten de regio ligt. De PAS is een nationaal beleidskader met als doel economische ontwikkelingen, zoals uitbreiding van veehouderijen en industrie, samen te laten gaan met het realiseren van Natura 2000-doelen door het treffen van samenhangende maatregelen in Natura 2000-gebieden en de landbouw. Het gaat niet alleen om maatregelen die de stikstofdepositie omlaag brengen (uitstoot van veehouderij verminderen), maar bijvoorbeeld ook maatregelen aan de waterhuishouding die de habitattypen meer robuust moeten maken voor de effecten van stikstofdepositie. Als de geplande maatregelen worden getroffen, is er weer ruimte om de vergunningverlening van, onder andere bedrijventerreinen, weer vlot te trekken. Een deel van de verminderde stikstofemissie mag namelijk worden gebruikt voor nieuwe economische activiteiten.

Als de maatregelen onvoldoende worden genomen, komt de economische ontwikkelruimte niet of slechts deels beschikbaar. Met name de uitvoering van de noodzakelijke en voorgestelde hydrologische herstelmaatregelen is nog niet afdoende geregeld. Op moment van schrijven van voorliggend planMER is de PAS nog niet vastgesteld. Het programma heeft enkele jaren vertraging opgelopen. De PAS wordt naar verwachting in 2014 vastgesteld door het Rijk, met instemming van de provincies. Een aantal provincies heeft een provinciale stikstofverordening. Deze zijn van kracht tot de PAS in werking treedt. Gelderland heeft een verordening voor stikstofdepositie als gevolg van veehouderij. Voor overige bedrijven heeft Gelderland ook een werkwijze, maar deze is niet vastgelegd in een verordening. Flora- en faunawet De Flora- en faunawet beschermt individuen en populaties van inheemse planten diersoorten tegen schadelijk menselijk handelen. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen streng (Tabel 2 en 3 en soorten van de Habitatrichtlijn) en minder streng (Tabel 1) beschermde soorten. Uitgangspunt is dat verzamelen, verstoren, doden of vernietigen van beschermde soorten of verstoring van het leefgebied (habitat) niet is toegestaan.

Indien onvermijdelijk, kan een ontheffing worden verleend door het ministerie van Economische Zaken, indien de initiatiefnemer aantoont zorgvuldig te werk te gaan, effecten zo veel mogelijk voorkomt en resteffecten compenseert. Sinds 2002 is de Flora- en faunawet van kracht. Deze wet implementeert de soortbescherming van de Europese Vogel- en Habitatrichtlijnen, de Jachtwet en de oude Natuurbeschermingswet. De Flora- en faunawet (en haar Algemene Maatregel van Bestuur van 2005) richt zich op de bescherming van wilde planten en dieren, met als doel het behoud van de biodiversiteit. Welke planten- en dieren in welke mate beschermd zijn, staat in de wet. In augustus 2009 zijn er enkele wijzigingen doorgevoerd op basis van jurisprudentie. Verbodsbepalingen In de Flora- en faunawet zijn verbodsbepalingen opgenomen, de relevante verbodsbepalingen voor ruimtelijke ontwikkelingen staan in het kader op de volgende pagina.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 26 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Relevante verbodsbepalingen Flora- en faunawet Artikel 8: Artikel 9: Artikel 10: Artikel 11: Artikel 12:

Het is verboden beschermde planten te plukken, te verzamelen, af te snijden, uit te steken, te vernielen, te beschadigen, te ontwortelen of op enigerlei andere wijze van hun groeiplaats te verwijderen. Het is verboden beschermde dieren te doden, te verwonden, te vangen, te bemachtigen of met het oog daarop op te sporen. Het is verboden beschermde dieren opzettelijk te verontrusten. Het is verboden nesten, holen of andere voortplantingsplaatsen of vaste rust- of verblijfplaatsen van beschermde dieren te beschadigen, te vernielen, uit te halen, weg te nemen of te verstoren. Het is verboden eieren van (beschermde) dieren te zoeken, te rapen, uit het nest te nemen, te beschadigen of te vernielen.

Bij ruimtelijke ingrepen dient voordat de ‘schop in de grond gaat’ beoordeeld te worden welke negatieve gevolgen de ingrepen zullen hebben voor de eventueel aanwezig beschermde inheemse soorten. De verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de initiatiefnemer van het betreffende project (omgekeerde bewijslast). Bij de uitwerking van plannen of bij de planning van werkzaamheden is het van belang dat de volgende aspecten duidelijk worden: – welke beschermde dier- en plantensoorten komen in en rondom het gebied voor? – leidt het realiseren van de plannen of de uitvoering van de geplande werkzaamheden tot – handelingen die strijdig zijn met de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet betreffende planten op hun groeiplaats of dieren in hun natuurlijke leefomgeving? – kunnen de plannen of de voorgenomen werkzaamheden zodanig aangepast worden dat dergelijke handelingen niet of in mindere mate gepleegd worden? – is om de plannen te kunnen uitvoeren of de werkzaamheden te kunnen verrichten ontheffing (ex. art. 75 van de Flora- en faunawet) van de verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet vereist? In februari 2005 is de zogenaamde Algemene Maatregel van Bestuur, de ‘AMvB, art. 75’ van de Flora- en faunawet in werking getreden. Hierin is een opdeling is gemaakt in verschillende groepen die een afzonderlijk beschermingsregime kennen.

In augustus 2009 is een herziening van de Flora- en faunawet vastgesteld, waardoor de beschermingsregimes deels zijn gewijzigd. Deze worden hieronder beschreven. Tabel 1-soorten: Algemene beschermde soorten (Tabel 1 AMvB). Voor overtreding door werkzaamheden van verbodsbepalingen betreffende (individuen van) algemeen voorkomende soorten geldt een algemene vrijstelling van de verboden uit de artikelen 8 tot en met 12. Aan deze vrijstelling zijn geen aanvullende eisen gesteld. Tabel 2-soorten: Overige beschermde soorten (Tabel 2 AMvB). Voor plannen en projecten die een negatief effect hebben op soorten uit tabel 2 moet ontheffing worden aangevraagd, tenzij een organisatie volgens een goedgekeurde gedragscode werkt. Voor de ontheffingaanvraag moet een zogenaamde lichte toets doorlopen worden, waarin getoetst wordt of de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in het geding komt. Tabel 3-soorten: Soorten bijlage IV Habitatrichtlijn/bijlage I (Tabel 3 AMvB) Voor bijlage 1-soorten uit Tabel 3 kan ontheffing worden aangevraagd op grond van alle belangen uit het besluit: Vrijstelling beschermde dier- en plantsoorten.

In de praktijk komen bij Bijlage 1-soorten onderstaande vier belangen het meest voor bij een ontheffing voor een ruimtelijke ingreep: – bescherming van flora en fauna (b); – volksgezondheid of openbare veiligheid (d); – dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten (e); – uitvoering van werkzaamheden in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling (j).

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 27 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Voor bijlage IV-soorten van de Habitatrichtlijn (vleermuizen) geldt dat voor een ruimtelijke ingreep alleen ontheffing kan worden verleend op grond van een wettelijk belang uit de Habitatrichtlijn. Dat zijn: – bescherming van flora en fauna (b); – volksgezondheid of openbare veiligheid (d); – dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en voor het milieu wezenlijk gunstige effecten (e). Vogels In augustus 2009 is de Flora- en faunawet op enkele aspecten aangepast. Vanwege de bepalingen in de Vogelrichtlijn, die overgenomen zijn in de nationale regelgeving, geldt er voor vogels een afwijkend beschermingsregime. Er is geen vrijstelling of ontheffing mogelijk voor het verstoren van broedende vogels, of verstoren of vernietigen van nesten, eieren of jongen. Mogelijke negatieve effecten op een broedgeval moeten dus altijd worden voorkomen. Dit kan worden gerealiseerd door ‘buiten het broedseizoen’ de werkzaamheden aan te vangen, of te voorkomen dat een vogel begint te broeden in een plangebied. Voor het verstoren van vaste, jaarrond gebruikte broedplaatsen van vogels (o.a. roofvogelnesten en huismusnesten) buiten het broedseizoen dient een ontheffing te worden aangevraagd. Hiervoor dient een uitgebreide toets doorlopen te worden (zie tabel 3-soorten).

Voor de jaarrond beschermde nesten zijn vier categorieën in het leven geroepen waarvoor de verbodsbepaling van artikel 11 het gehele jaar geldt: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen gebruikt worden als vaste rust- en verblijfplaats (voorbeeld: steenuil). 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: gierzwaluw en huismus). 3. Nesten van vogels, zijde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar (voorbeeld: ooievaar). 4. Nesten van vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen (voorbeeld: boomvalk, ransuil en buizerd). De volgende categorie nesten is niet buiten het broedseizoen beschermd: 5. nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om in de nabijheid een nieuw nest te bouwen.

Er is eveneens een nieuwe aanpak bij de beoordeling van ontheffingsaanvragen voor ruimtelijke ingrepen. Door deze nieuwe aanpak is de nadruk meer komen te liggen op het voorkómen van effecten; het wordt gestimuleerd om te mitigeren en in sommige gevallen wordt het een stuk moeilijker om ontheffing te krijgen voor het overtreden van verbodsbepalingen. Indien er een ruimtelijke ingreep plaatsvindt in een plangebied met beschermde soorten dan zijn er twee mogelijkheden bij een ontheffingsaanvraag: 1. voorkom overtreding van de Flora- en faunawet. 2. zijn mitigerende maatregelen niet mogelijk? Dan volgt een volledige beoordeling voor ontheffing. Ad. mogelijkheid 1: mitigerende maatregelen De schadebeperkende maatregelen die worden getroffen om te voorkomen dat overtreding van de Floraen faunawet plaatsvindt, dienen te worden voorgelegd aan Dienst Regelingen door ontheffing aan te vragen. Het gaat erom dat de functionaliteit van voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen van de aanwezige beschermde soort wordt behouden. Indien de Dienst Regelingen de schadebeperkende maatregelen als voldoende beschouwd, dan wordt de ontheffingaanvraag onnodig verklaard. 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 28 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Om negatieve effecten op beschermde soorten te voorkomen kan het noodzakelijk zijn dat deze moeten worden gevangen en verplaatst. Hiervoor is geen ontheffing nodig van artikelen 9 en 13 lid 1, omdat niet de bedoeling bestaat om de dieren definitief uit de natuur te verwijderen. Onder begeleiding van een deskundige met ontheffing mogen soorten over een kleine afstand en voor korte tijd worden verplaatst, om ze te beschermen tegen negatieve gevolgen van het project. Dit geldt voor alle beschermde soorten, maar uitdrukkelijk niet voor muizen en spitsmuizen, vleermuizen en vogels. Deze dieren zijn zeer stressgevoelig en kunnen overlijden door stress tijdens het vangen. Ad. mogelijkheid 2: Ontheffing De wet biedt in artikel 75 de mogelijkheid om ontheffing aan te vragen van overtreding van de verboden uit de artikelen 8 tot en met 12.

Bij de beoordeling van een ontheffingsaanvraag stelt Dienst Regelingen in onderstaande volgorde de volgende vragen (herzien per augustus 2009): – in welke mate wordt de functionaliteit van de voortplantings- en/of vaste rust- en verblijfplaatsen aangetast door de werkzaamheden? – is er een wettelijk belang? (bij Tabel 3-soorten) – is er een andere bevredigende oplossing? (bij Tabel 3-soorten) – komt de gunstige staat van instandhouding van de soort niet in gevaar? Vervolgens wordt door Dienst Regelingen beoordeeld of het wettelijk belang zwaarder weegt dan het overtreden van de verbodsbepaling. Ontheffingen worden uitsluitend verleend door de minister van Economische Zaken. Aanvragen kunnen worden ingediend bij de Dienst Regelingen, de uitvoeringsinstantie van het Ministerie in Den Haag. Deze ontheffing dient te worden aangevraagd vóórdat met de daadwerkelijke uitvoering van de werkzaamheden wordt begonnen. Aangezien er met de beoordeling van een ontheffingaanvraag enige tijd (maximaal 3 maanden) gemoeid is, is het verstandig deze aanvraag tijdig in te dienen. Verstrijkt er evenwel teveel tijd (een jaar of meer) tussen de aanvraag en het begin van de werkzaamheden, dan kunnen er zich met betrekking tot het voorkomen van planten en dieren alweer de nodige veranderingen hebben voorgedaan.

De aanvraag van een ontheffing van de Flora- en faunawet dient vergezeld te gaan van een activiteitenplan (ook wel projectplan of mitigatieplan genoemd). In een activiteitenplan moeten onder andere de uitkomsten van een recente inventarisatie van planten en dieren op de geplande locatie (een lijst met de aanwezige beschermde soorten, waarin is aangegeven op grond van welke wettelijke bepaling(en) deze soorten beschermd zijn), een beschrijving van de te verwachten schade aan de beschermde planten en dieren, een beschrijving hoe de schade tot een minimum beperkt kan worden, een planning van de uit te voeren werkzaamheden en eventueel een alternatieven studie, het wettelijk belang en een compensatieplan zijn opgenomen. Gedragscode Flora- en faunawet voor de bouw- en ontwikkelingssector In de ‘Gedragscode voor de bouw- en ontwikkelingssector’ staat hoe tijdens sloop- en bouwwerkzaamheden schade aan beschermde planten en dieren voorkomen of geminimaliseerd dient te worden. Werken in de bouw volgens deze Gedragscode behoeft geen ontheffing voor overtredingen van verbodsbepalingen bij ‘overige soorten’ uit tabel 2, als de gunstige staat van instandhouding van genoemde soorten niet in het geding is. Voor de soorten uit tabel 3 (vleermuizen) is echter, bij overtreding van de verbodsbepalingen, wel nog steeds ontheffing volgens artikel 75 van de FF-wet nodig.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 29 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Algemene zorgplicht Flora- en faunawet Naast bovengenoemde bepalingen is er in alle gevallen en bij alle (ook de algemene) soorten sprake van de algemene zorgplicht (artikel 2 Flora- en faunawet). Hierin staat beschreven dat iedereen voldoende zorg in acht neemt voor dieren, planten en hun leefomgeving. Dit houdt onder andere in dat, voor zover redelijk, handelingen nagelaten of juist genomen worden om negatieve invloeden op soorten te voorkomen, beperken of tegen te gaan. Ecologische hoofdstructuur De EHS is een robuust netwerk van natuurgebieden en tussenliggende verbindingszones. Dit netwerk bestaat uit bestaande natuurgebieden, nieuw aan te leggen natuur en verbindingszones tussen de gebieden. Ook de beheersgebieden voor agrarisch natuurbeheer behoren tot de EHS. Het ruimtelijk beleid voor de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden, hier geldt het ‘nee, tenzij’-regime. Dit betekent dat het uitgangspunt is dat binnen de EHS ruimtelijke ingrepen niet zijn toegestaan. Een project kan wel doorgang vinden als er geen reële alternatieven mogelijk zijn en er sprake is van redenen van groot openbaar belang. Hiervoor is het voorkómen van effecten (mitigatie) verplicht. Mochten er nog negatieve effecten resten, dan is compensatie nodig.

Gelders Natuurnetwerk (GNN) en Groene ontwikkelingszone (GO) Provincie Gelderland gaat het beleid rondom de herijkte EHS (Gelders Natuurnetwerk) juridisch verankeren in de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening. De Omgevingsvisie en bijbehorende Omgevingsverordening zijn 20 mei 2013 ter inzage gegaan en worden eind 2013 vastgesteld. Aangezien deze termijn in de buurt komt van de vaststelling van de structuurvisie wordt in dit rapport eveneens inzicht gegeven in de gevolgen van het plan voor de GNN en GO. Het Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied van 7.300 ha voor de te realiseren 5.300 ha nieuwe natuur. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting door omzetting naar andere functies via regels in de Ruimtelijke Verordening. Centraal staat daarbij de bescherming van de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten bestaan uit de natuurwaarden, de potentiële waarden en de milieucondities. Dit zijn condities die de voorwaarde vormen voor het voortbestaan van de natuur, de ecologische samenhang, de stilte, donkerte de openheid en de rust. Het benoemen van de milieucondities als kernkwaliteit betekent dat nieuwe plannen en projecten geen verslechtering van de milieucondities mogen veroorzaken.

Grootschalige ingrepen zijn alléén mogelijk wanneer er geen reële alternatieven zijn en er een zwaarwegend maatschappelijk belang in het geding is. De provincie stelt bij een aantasting van de kernkwaliteiten steeds de voorwaarde om een compensatieplan te maken waarbij bestaande natuurwaarden worden versterkt. De Groene Ontwikkelingszone bestaat uit terreinen met een andere bestemming dan natuur die ruimtelijk vervlochten zijn met het Gelders Natuurnetwerk. Het gaat vooral om landbouwgrond, maar ook terreinen voor verblijfs- en dagrecreatie, infrastructuur, woningen en bedrijven. Ook weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden maken deel uit van de Groene Ontwikkelingszone. De Groene ontwikkelingszone heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. Vanwege de bijzondere kwaliteiten van het gebied geldt hier een ruimtelijk beleid waarbij economische ontwikkelingen steeds worden gekoppeld aan investeringen in versterking van de kernkwaliteiten van het gebied. Nieuwe natuurelementen die gerealiseerd zijn, worden toegevoegd aan het Gelders Natuurnetwerk.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 30 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

De kernkwaliteiten, de wezenlijke kenmerken en waarden, bestaan uit de samenhang met aangrenzende natuurgebieden, de aanwezige natuurwaarden landschappelijke en cultuurhistorische, geomorfologische, archeologische waarden, abiotische kwaliteiten, stilte, donkerte, openheid en 'rust'. De kernkwaliteiten vormen randvoorwaarde voor de ontwikkelingen: ze mogen per saldo niet worden aangetast, maar moeten ook worden behouden en versterkt en zijn als zodanig ook doelstelling. Weidevogelgebied De weidevogelgebieden zijn een bijzonder onderdeel van de Groene Ontwikkelingszone. De provincie wil in de nog perspectiefvolle weidevogelgebieden een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels. Binnen weidevogelgebieden wordt gestreefd naar openheid, rust en een waterhuishouding die rekening houdt met de behoefte van weidevogels. Ganzenfoerageergebieden De ganzenfoerageergebieden zijn een bijzonder onderdeel van de Groene ontwikkelingszone. De provincie wil invulling geven aan de internationale verplichting tot duurzame instandhouding van de ganzenpopulatie. Er wordt gestuurd op behoud van openheid en rust.

2.3

Bodem en water Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Watertoets Sinds 1 november 2003 is de watertoets verplicht en verankerd in het Besluit op de ruimtelijke ordening. De watertoets is een bestuurlijk instrument waarmee ruimtelijke plannen worden getoetst op waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is om waterhuishoudkundige problemen (nu en in de toekomst, bijvoorbeeld als gevolg van klimaatverandering) te voorkomen en kansen te benutten. De watertoets verplicht daarom bij alle ruimtelijke plannen en besluiten die invloed hebben op de waterhuishouding, te toetsen in hoeverre bij de planvorming rekening wordt gehouden met water. De Structuurvisie voor Laarberg fase II voorziet een verandering van het plangebied van agrarisch naar bedrijvenpark. Deze verandering maakt een goede afstemming met het waterschap nodig, zodat het ‘waterbelang’ geborgd wordt. Voor het Masterplan Laarberg fase II is de watertoets reeds doorlopen. In het vervolgproces is en blijft het waterschap betrokken bij het planproces. Waterbeheersplan 2010-2015 Waterschap Rijn en IJssel Het waterbeheerplan beschrijft het beleid voor alle taakgebieden van Waterschap Rijn en IJssel.

Het plan geeft aan welke doelen het waterschap nastreeft en hoe zij deze wil bereiken (maatregelen in planperiode op hoofdlijnen|). Wet bodembescherming De Wet bodembescherming (Wbb) stelt regels om de bodem te beschermen, in het bijzonder ter voorkoming van bodemverontreiniging en voor het sanering van ontstane verontreiniging. In de Wbb maakt grondwater onderdeel uit van de bodem.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 31 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Besluit bodemkwaliteit en bodemfunctiekaart Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) geeft aan wanneer bouwstoffen, grond en baggerspecie op of in de (water)bodem mogen worden toegepast. Hiervoor stelt het Besluit eisen aan de kwaliteit en soms gelden ook regels voor de wijze van toepassing. Het Besluit Bodemkwaliteit bestaat uit een drietal onderdelen: Het Besluit bodemkwaliteit vraagt gemeentes een bodemfunctiekaart op te stellen. De kaart is een instrument om te bepalen welke kwaliteit aan te brengen grond moet hebben in welk gebied. Die kwaliteit moet passen bij de functie van de bodem. Op de kaart moeten de bodemfuncties industrie en wonen staan. De overige gebieden zoals landbouw- en natuurgebieden krijgen geen bodemfunctieklasse. Deze grond is in principe overal toepasbaar. Regio achterhoek heeft een Nota Bodembeheer met Bodemkwaliteitskaart (CSO en DHV BV, 2011). De regels voor grondverzet zijn hiermee vereenvoudigd ten opzichte van de standaard regels uit het Bbk (de Achterhoek beschikt van nature bijvoorbeeld over veel arseen in de ondergrond). In veel gevallen is het mogelijk om het hergebruik van grond binnen de regio zonder extra keuringen toe te staan.

2.4

Landschap, cultuurhistorie en archeologie

Landschapsontwikkelingsplan en beeldkwaliteitsplan Gemeente Oost Gelre heeft een Landschapsontwikkelingsplan (LOP). Dit heeft als doel landschappelijke eenheid en kwaliteit te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP wordt aangegeven dat naar verwachting een flink deel van de groei van de bedrijvigheid in de regio zich zal vestigen op Laarberg. Ook wordt aangegeven dat de landschappelijke en ecologische inpassing momenteel ontbreekt, zodat de uitstraling van Groenlo voor passanten op de N18 door bedrijventerreinen wordt bepaald.In het Masterplan voor Laarberg fase II is aandacht besteed aan de landschappelijke inpassing van dit nieuwe deel. Bij het Masterplan is ook een beeldkwaliteitplan opgesteld dat ook geldt voor de nog te ontwikkelen kavels die onderdeel zijn van Laarberg fase 1. In het beelkwaliteitsplan zijn eisen en wensen opgenomen; eisen waar de ruimtelijke samenhang en het beeld een groot belang speelt en wensen waar het niet direct noodzakelijk is. Het plan heeft als doel de ruimtelijke kwaliteit en samenhang te waarborgen. Voor de rest van Laarberg fase 1 blijft het bestaande beeldkwaliteitsplan gelden (Beeldkwalitetisplan Bedrijvenpark Achterhoek Oost) Monumentenwet (Verdrag van Malta) Per 1 september 2007 zijn de wijzigingen in de Monumentenwet 1988 van kracht.

Dit betekent dat het Europees Verdrag inzake de Bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd. Doel van het Verdrag van Malta is de bescherming van het archeologisch erfgoed als bron van het gemeenschappelijk geheugen en als middel voor geschiedkundige en wetenschappelijke studie. Door opname van het Verdrag van Malta in de Monumentenwet wordt onder andere bepaald dat archeologische belangen tijdig worden betrokken bij het ruimtelijke ordeningsbeleid en dat bij grootschalige werken in de bodem archeologen moeten worden ingeschakeld. In dit MER wordt nader ingegaan op aanwezige archeologische waarden in het plangebied. Wet op de Archeologische Monumentenzorg In de Wet op de archeologische monumentenzorg zijn de uitgangspunten van het in 1992 ondertekende Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 32 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Uitgangspunt van de WAMZ is om archeologische waarden te beschermen, zonder meer maatschappelijke last te veroorzaken dan nodig is. Wat er moet gebeuren, verschilt per gebied en regio, dus niet alle activiteiten zijn even ingrijpend. De WAMZ heeft vier belangrijke pijlers: – archeologische waarden moeten zo veel mogelijk in de bodem (in situ) worden bewaard, omdat de bodem de beste conserveringsomgeving is; – archeologie moet tijdig worden meegenomen in de procedures van ruimtelijke planvorming; – de verstoorder van het bodemarchief betaalt de kosten van archeologisch vooronderzoek en noodzakelijke volwaardige opgravingen, voorzover die kosten redelijkerwijs kunnen worden toegerekend aan de verstoorder; – gemeenten en provincies krijgen een belangrijke rol in de verankering van archeologie in hun ruimtelijke plannen en vergunningen; zij krijgen de ruimte om vergunningvoorwaarden genuanceerd in te vullen. Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre Gemeente Oost Gelre heeft het nationale archeologiebeleid vertaald in het rapport Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre (RAAP, 2008). Daar hoort een archeologische beleidsadvieskaart bij. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en wat de archeologische verwachtingswaarde is van andere gebieden. Het beleid dient direct door te werken in bestemmingsplannen.

Behoud van archeologische (verwachtings)waarden is het uitgangspunt.

2.5

Milieukwaliteit: geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ In deze brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (laatste versie 2009) is een bedrijvenlijst opgenomen (SBI-codes), die informatie geeft over de milieukenmerken van verschillende typen bedrijven. Ook is de milieucategorie per bedrijfstype gegeven. Onder andere voor de aspecten geluid, geur en externe veiligheid (risico) is een indicatie gegeven van de afstand tussen deze bedrijven en gevoelige functies (zoals woningen) waarmee bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening kan worden gehouden om onwenselijke situaties te voorkomen. De grootste indicatieve afstand van de verschillende aspecten wordt gehanteerd als uitgangspunt voor de aan te houden afstand tot gevoelige functies (ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige activiteiten). Wanneer de gewenste bedrijfsactiviteiten voor een bepaald (deel van een) bedrijventerrein bekend zijn, kan de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten via de planvoorschriften van een bestemmingsplan worden geregeld (Staat van Bedrijfsactiviteiten). Vaak is de invulling van een bedrijventerrein op voorhand nog niet geheel helder. Dit geldt op dit moment (ten tijden van opstelling structuurvisie) ook nog grotendeels voor Laarberg fase II.

Om toch een ruimtelijke scheiding aan te kunnen brengen tussen milieubelastende en milieugevoelige activiteiten, wordt een milieuzonering opgenomen in de structuurvisie (o.b.v. waarvan toelaatbaarheid op globaal niveau kan worden beoordeeld). Ook hiervoor biedt de VNG-brochure handvatten. Door middel van een zonering kan worden vastgelegd waar verschillende categorieën bedrijvigheid kunnen worden toegestaan. Hierbij wordt bedrijvigheid in een hogere milieucategorie op grotere afstand van woningen toegestaan dan bedrijven in een lagere categorie. De VNG-brochure geeft hier ook handvatten voor. Afhankelijk van het omgevingstype gelden indicatieve afstanden die moeten worden aangehouden tussen bedrijven van een bepaalde milieucategorie en de gevels van woningen. De twee omgevingstypen onderscheiden zijn ‘rustige woonwijk’/ ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 33 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Voor woningen in een ‘gemengd gebied’ mag de standaard indicatieve afstand worden gecorrigeerd met één ‘trede’ voor de aspecten geluid, geur en stof. Voor het aspect gevaar is verlaging niet mogelijk. In onderstaande tabel zijn de afstanden aangegeven: Milieucategorie

richtafstand rustige woonwijk/

richtafstand gemengd gebied

rustig buitengebied (m)

(m)

1

10

0

2

30

10

3.1

50

30

3.2

100

50

4.1

200

100

4.2

300

200

5.1

500

300

5.2

700

500

5.3

1.000

700

6

1.500

1.000

Wet milieubeheer Voor de milieuaspecten geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur wordt de Wet milieubeheer gehanteerd. Onder de wet vallen diverse wetten en regels die gericht zijn op deze milieuthema’s of de wet verwijst naar geldende wetten en regels. In de Wet milieubeheer is ook geregeld wanneer en hoe een milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld. In de deelonderzoeken van de genoemde milieuaspecten wordt in dit MER waar nodig nader ingegaan op de specifieke milieuregels voor het betreffende aspect. Wet luchtkwaliteit In deze wet (onderdeel van de Wet milieubeheer) zijn luchtkwaliteitseisen opgenomen voor een gezond leefmilieu. Nieuwe ontwikkelingen worden getoetst op deze eisen. De eisen zijn mede gebaseerd op Europese normen. In Nederland worden (normaal gesproken) alleen overschrijdingen verwacht voor de stoffen stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10 en PM2,5). In bijlage 3 is de relevante regelgeving ten aanzien van luchtkwaliteit nader toegelicht. Uitgangspunt van de Wet luchtkwaliteit is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). In dit programma staat omschreven op welke wijze overschrijdingen van de luchtkwaliteit worden aangepakt. In gebieden waar de normen voor luchtkwaliteit worden overschreden, zogenaamde overschrijdingsgebieden, gaan betrokken overheden in gebiedsgerichte programma's de luchtkwaliteit verbeteren.

Wet geluidhinder De Wet geluidhinder biedt onder andere geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerlawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. In bijlage 4 is de relevante regelgeving ten aanzien van geluidhinder nader toegelicht.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 34 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Geur Wet geurhinder en veehouderij De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) geeft normen voor de geurbelasting die een individuele, vergunningplichtige, veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (zoals een woning). Voor meldingsplichtige veehouderijen is een van de Wgv afgeleid beoordelingskader opgenomen in het Activiteitenbesluit. Voor diercategorieën waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de regeling geurhinder en veehouderij (intensieve veehouderijen) moet de geurbelasting bij vergunningverlening worden berekend in odour units per kubieke meter lucht (OU/m3). De geurbelasting van individuele bedrijven met deze diersoorten mag (binnen een zogenaamd ‘concentratiegebied’, zoals gemeenten Oost Gelre en Berkelland betreft) niet meer zijn dan: – 3,0 odour units per kubieke meter lucht op een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom; – 14,0 odour units per kubieke meter lucht op een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom.

Voor overige (grondgebonden) veehouderijen gelden minimaal aan te houden afstanden (ongeacht de omvang van het bedrijf): – ten minste 100 meter tot geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom – ten minste 50 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom Een geurgevoelig object wordt gedefinieerd als een “gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt”. Hiermee worden (bedrijfs)woningen of bedrijfsgebouwen bedoeld waar langdurig mensen aanwezig zijn en kunnen worden blootgesteld aan geuroverlast. Een opslagloods valt hier bijvoorbeeld normaal gesproken niet onder. Enerzijds geldt dat binnen de berekende of vaste afstanden (geurcontouren) geen nieuwe geurgevoelige objecten mogen worden gerealiseerd en anderzijds dat nieuwe geurcontouren niet over bestaande geurgevoelige objecten mogen komen te liggen. Bij (mogelijke) ontwikkeling van nieuwe geurgevoelige objecten moet dus rekening worden gehouden met de geurcontouren van veehouderijbedrijven en dat deze mogelijk nog kunnen groeien (geen benadeling bedrijfsvoering veehouderij). De vergunde geurcontour van de veehouderij moet hierbij in de meeste gevallen vanaf de rand van het bouwblok van de veehouderij worden bepaald.

Nederlandse emissie Richtlijn (NeR) Het landelijk geurbeleid is, afgezien van beleid ten aanzien van veehouderijen, opgenomen in de NeR. Deze richtlijn geeft algemene eisen ten aanzien van emissieconcentraties en uitzonderingsbepalingen voor specifieke activiteiten of bedrijfstakken. Het algemeen uitgangspunt is, net als bij de Wgv, het zoveel mogelijk beperken van geurhinder en het voorkomen van nieuwe hinder. Daarbij moeten de Beste Beschikbare Technieken (BBT) om geurhinder te beperken, tenzij er geen sprake is van hinder. Ook voor niet-veehouderijen geldt dat lokale overheden een lokale afweging moeten maken om tot de lokaal gewenste kwaliteit van de leefomgeving te komen, rekening houdend met alle relevante belangen (gemotiveerd kan worden afgeweken van de richtlijn). Bij de beoordeling (en het toestaan) van geurhinder kan de ‘Staat van Bedrijfsactiviteiten’ worden gebruikt uit de eerder genoemde VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ met indicatieve aan te houden afstanden (waaronder geur) tussen gevoelige objecten en bedrijfstypen gegeven.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 35 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Gemeentelijk geurbeleid De Wgv biedt de gemeenten de mogelijkheid een eigen geurbeleid op te stellen en daarmee (gemotiveerd) af te wijken van de wettelijke normen, binnen een in de wet vastgelegde bandbreedte. Gemeente Oost Gelre heeft dat enkele afwijkingen van de standaard normen onderbouwd in de “Gebiedsvisie ten behoeve van de Verordening geurhinder en veehouderij voor de Gemeente Oost Gelre” (Gemeente Oost Gelre, 2007). De afwijkende normen zijn vastgelegd in een gemeentelijke verordening. Voor Laarberg II is relevant dat de verordening een andere individuele geurnorm stelt voor de bebouwde kom van Groenlo. Gevoelige objecten binnen deze kom mogen een geurbelasting ondervinden van een individueel bedrijf van 5 ouE/m3. De standaard norm bedraagt 3 OU/m3. Deze norm van 5 OU/m3 geldt ook voor bedrijventerreinen en is dus ook van toepassing op geurgevoelige objecten op het bestaande en toekomstige deel van Laarberg. Gemeente Berkelland heeft ook een Verordening geurhinder en veehouderij. Voor zeven kleine kernen geldt een norm van 6 OU/m3 voor de geurbelasting van een veehouderij op een geurgevoelig object en een minimaal aan te houden afstand van 75 meter (i.p.v. 100 m) tussen veehouderijen en geurgevoelige 6 objecten binnen de bebouwde kom . Het plangebied is geen onderdeel van gemeente Berkelland.

De normen voor de bebouwde kom van Groenlo zijn geldend voor de geurbelasting die veehouderijen gelegen in Berkkelland op het plangebied mogen hebben. Externe veiligheid Externe veiligheid heeft betrekking op de risico’s voor de omgeving van het gebruik, de productie, opslag en het vervoer van gevaarlijke stoffen. In het geval van een verandering bij de risicobron of in de omgeving daarvan dient een afweging te worden gemaakt over de externe veiligheid. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (Circulaire RNVGS) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) zijn risiconormen opgenomen voor respectievelijk inrichtingen en het vervoer van gevaarlijke stoffen. Hieraan moet getoetst worden bij een aantal besluiten in het kader van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) of in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Naar verwachting zal begin 2014 het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) de Circulaire RNVGS gaan vervangen voor ruimtelijke besluiten. Daarnaast zal naar verwachting in 2014 (middels EV-beleidsregels) ook het zogenaamde Basisnet voor transportbesluiten van kracht gaan worden. De Eerste Kamer heeft namelijk op 9 juli 2013 de Basisnetwet aangenomen.

Voor de ruimtelijke besluiten is het Basisnet al grotendeels van kracht door de laatste wijziging in de Circulaire RNVGS. Risiconormen De overheid stelt grenzen aan de externe risico’s van gevaarlijke stoffen. De grenzen zijn vertaald in normen voor het plaatsgebonden risico (PR) en een oriëntatiewaarde voor het groepsrisico (GR).

6

http://decentrale.regelgeving.overheid.nl/cvdr/XHTMLoutput/Actueel/Berkelland/33533.html

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 36 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Plaatsgebonden risico (PR) Het risico op een plaats buiten een inrichting of langs een transportas voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transportas, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor inrichtingen met gevaarlijke stoffen en voor het transport van gevaarlijke stoffen geldt de 10 -6 per jaar plaatsgebonden risicocontour voor nieuwe situaties voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor zogenaamde beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Voor bestaande situaties geldt voor transport de 10 -5 per jaar plaatsgebonden risicocontour als grenswaarde en de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour als een streefwaarde voor (beperkt) kwetsbare objecten. Groepsrisico (GR) De officiële definitie van groepsrisico voor inrichtingen luidt: "de cumulatieve kans per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is".

De officiële definitie van groepsrisico voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor luidt: “Het groepsrisico is de kans per jaar per kilometer transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van de transportroute in één keer het (dodelijk) slachtoffer wordt van een ongeval op die transportroute”. De officiële definitie van groepsrisico voor het vervoer van gevaarlijke stoffen per buisleiding luidt: “ De cumulatieve kansen per jaar per kilometer buisleiding dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een buisleiding en een ongewoon voorval met die buisleiding”. Voor het groepsrisico bestaat geen wettelijke norm waaraan getoetst wordt. In plaats daarvan wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico. De oriëntatiewaarde kan gezien worden als een soort thermometer, waarmee de hoogte van het groepsrisico vergeleken kan worden. Daarnaast geldt voor situaties waarbij het groepsrisico de oriëntatiewaarde overschrijdt of het groepsrisico toeneemt een zogenaamde verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Dit is een plicht voor het bevoegd gezag om naast de omvang van het groepsrisico ook andere aspecten, zoals de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid mee te wegen in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico. -5

De oriëntatiewaarde is de kans op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10 -7 per jaar, met de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10 per jaar -9 en met de kans op een ongeval met 1000 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10 per jaar. In navolgende afbeelding is een voorbeeld van een fN-curve opgenomen. Een belangrijk verschil tussen een fN-curve voor inrichtingen en die voor het transport van gevaarlijke stoffen betreft de ligging van de oriëntatiewaarde. Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen ligt de oriëntatiewaarde een factor 10 hoger dan voor inrichtingen. Tevens is de kans uitgedrukt als een kans/km/jaar i.p.v. een kans/jaar.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 37 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Afbeelding 2-1 voorbeeld fN-curve, de streepjeslijn geeft de oriëntatiewaarde aan

f (kans)

N (aantal slachtoffers) De aspecten van de verantwoording van het groepsrisico worden niet binnen het externe veiligheidsonderzoek van het MER meegenomen. De verantwoording van het groepsrisico wordt opgesteld in het kader van de bestemmingsplannen Gemeentelijk beleid externe veiligheid 7 De gemeente Oost Gelre heeft op 22 april 2008 de beleidsvisie Externe veiligheid vastgesteld De uitgangspunten en ambities die uit de beleidsvisie volgen zijn door de gemeente Oost Gelre aangegeven per gebiedstype. De gebiedstypen zijn “veilig wonen”, “ruimte voor wonen en bedrijvigheid”, “landelijk gebied” en “ruimte voor industrie”. Voor dit het plangebied van dit MER is het gebiedstype “ruimte voor industrie” van toepassing. Ruimte voor industrie: Het betreft hier de industrie- en bedrijventerreinen in Oost Gelre. In deze gebieden zijn economie, bedrijvigheid en werkgelegenheid de belangrijkste uitgangspunten. De gebieden bieden maximale ruimte voor bedrijven, waarbij aan de wettelijke minimumeisen wordt voldaan. Een verdergaand beschermingsniveau dat ten koste gaat van de ontplooiingsruimte voor bedrijven wordt onwenselijk geacht.

Het ambitieniveau hiervoor is: – Beperkt kwetsbare objecten, waarvoor richtwaarden gelden in plaats van grenswaarden, mogen in -6 nieuwe situaties binnen de PR 10 contour van een bedrijf liggen, mits de Regionale brandweer (= Veiligheidsregio) hierover een positief advies afgeeft. – Voor bestaande situaties geldt voor het plaatsgebonden risico het stand-still- principe (het mag niet slechter worden dan het nu al is). – De oriënterende waarde van het groepsrisico is slechts richtinggevend. De gemeente kan hier gemotiveerd van afwijken. Indien noodzakelijk voor het in stand houden van de industriële activiteiten zal de gemeente Oost Gelre een overschrijding van de oriënterende waarde van het groepsrisico toestaan, mits daarvoor gewichtige redenen zijn. Hierover zal advies bij de regionale en lokale brandweer worden ingewonnen. – Een toename van het groepsrisico wordt, mits gemotiveerd en voorzien van een positief advies van de Regionale brandweer, geaccepteerd.

7

Bron: rapportage ‘beleidsvisie externe veiligheid, Afdeling bouw en milieu, eenheid milieu’ van 22 april 2008.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 38 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

2.6

Verkeer Bedrijvenpark Laarberg ligt formeel in de gemeente Oost Gelre, maar raakt ook de grens met gemeente Berkelland. De ontsluiting van het huidige en toekomstige bedrijventerrein raakt daarmee beide gemeenten. In het Gemeentelijke Verkeer- en Vervoersplan (GVVP; Gemeente Oost Gelre, 2012) is naast de basisprincipes van duurzame weginrichting de beoogde wegcategorisering opgenomen. De ontsluitingsstructuur rondom bedrijvenpark Laarberg is daarin opgenomen en weergegeven in Afbeelding 2-2. Afbeelding 2-2 Wegcategorisering GVVP Oost Gelre

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 39 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

3

VOORGENOMEN ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN

3.1

Het voornemen Op basis van het ‘Masterplan uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg’ wordt een structuurvisie opgesteld die het kader vormt voor concrete ontwikkelingen die in een later stadium mogelijk worden gemaakt met bestemmingsplannen op maat. In Afbeelding 3-1 is het masterplan ruimtelijk weergegeven. De ontwikkelingsmogelijkheden die de structuurvisie voorziet vormen het voornemen voor de planm.e.r. Afbeelding 3-1 Masterplan uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg

De ontwikkelingsmogelijkheden worden in de structuurvisie voor Laarberg II zo concreet mogelijk gemaakt, zodat de effectbeoordeling zo goed mogelijk inzicht geeft in de daadwerkelijke te verwachten milieueffecten waarmee het MER een goede basis vormt bij de onderbouwing van bestemmingsplannen en milieuvergunningen in een later stadium. In de m.e.r. moeten de maximaal mogelijke milieueffecten van het voornemen worden onderzocht (worst case). In de alternatieven worden de onderdelen van het voornemen opgenomen die naar huidig inzicht relevant zijn voor de m.e.r.

30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 40 MD-DE20130168 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

3.2

Alternatiefontwikkeling, mede op basis van milieugebruiksruimte In de m.e.r. dienen realistische, uitvoerbare alternatieven onderzocht te worden om de besluitvorming te ondersteunen met milieu-informatie. In deze m.e.r. zijn twee alternatieven onderzocht. Deze zijn gebaseerd op het Masterplan. De voorziene (realistisch geachte) ontwikkelingsmogelijkheden moeten zo volledig mogelijk worden belicht. De realistisch geachte ontwikkelingsmogelijkheden voor een gebied hangen af van de milieugebruiksruimte in dat gebied en de wensen van de initiatiefnemer en het bevoegd gezag. De milieugebruiksruimte is de ruimte die beschikbaar is voor activiteiten. In dit geval gaat het vooral om ruimte voor bedrijvigheid (bijvoorbeeld uitgedrukt in hinderafstanden voor geluid) om binnen de gestelde normen voor milieu en natuur te kunnen ontwikkelen. Voor het opstellen van de alternatief 1 heeft een quickscan milieueffecten plaatsgevonden. Hierin zijn de milieueffecten van een aantal concrete ontwikkelingen beschouwd. Daarbij is bekeken in welke zin deze ontwikkelingsmogelijkheden de (mogelijkheden op de) overige percelen binnen het plangebied van de uitbreiding van Laarberg beïnvloeden. De uitkomsten van de quickscan hebben gediend als input voor de alternatieven.

De quickscan geeft geen aanleiding om op voorhand grote aanpassingen te doen aan de ontwikkelingen zoals beschreven in het Masterplan en aan de bekende concrete ontwikkelingen. Dat betekent echter niet dat er geen milieueffecten worden verwacht als gevolg van de voorziene ontwikkelingen. De quickscan heeft wel nuanceringen ten opzichte van het Masterplan opgeleverd welke verwerkt zijn in alternatief 1. De onderzoeksresultaten van alternatief 1 geven input voor alternatief 2. Alternatief 2 is een optimalisatie van alternatief 1 ten aanzien van milieueffecten. De alternatieven worden vergeleken ten opzichte van de referentiesituatie, het ‘nulalternatief’. Uiteindelijk wordt een voorkeursalternatief (VKA) gekozen na het beoordelen van alternatief 1 en 2. De volgende alternatieven worden onderzocht: – Het nulalternatief (referentiesituatie); – Alternatief 1 Masterplan; – Alternatief 2; – Voorkeursalternatief. In het navolgende worden de alternatieven toegelicht.

3.3

Nulalternatief (referentiesituatie) Het nulalternatief is de situatie waarin de structuurvisie niet wordt vastgesteld/uitgevoerd en de daarin opgenomen ontwikkelingen niet plaatsvinden. Het nulalternatief is in dit MER gelijk aan de referentiesituatie. Deze situatie bestaat uit de (daadwerkelijke) huidige situatie plus de situatie die op termijn (ca 2023) ontstaat als gevolg van de toekomstig zekere ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied (bestemde en vergunde activiteiten die zeker binnenkort ingevuld worden). Dit laatste wordt de autonome ontwikkeling genoemd. In de huidige situatie heeft het beoogde plangebied een agrarische functie. Deze bestemming heeft het overgrote deel van het plangebied ook in het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre. Het plangebied grenst aan het bestaande deel van regionaal bedrijvenpark Laarberg.

Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 41 Openbaar

HaskoningDHV Nederland B.V.

Een relevante autonome ontwikkeling is de verbetering van de N18, ten oosten van het plangebied. Dit 8 plan zal vastgesteld zijn ten tijde van de ter inzage legging van de ontwerp structuurvisie voor Laarberg II . De referentiesituatie voor de Passende Beoordeling (onderzoek gevolgen Natura 2000) bestaat alleen uit de huidige situatie. In hoofdstuk 5 wordt de huidige situatie en de autonome ontwikkeling per milieuaspect verder uitgewerkt.

3.4

Alternatief 1 Dit alternatief bevat de invulling van de structuurvisie, grotendeels gebaseerd op het eerdere Masterplan. Hierin worden de ontwikkelingen meegenomen welke gewenst zijn en naar huidig inzicht voorzien worden door de initiatiefnemer. Er zijn enkele nuanceringen en concretiseringen aangebracht ten opzichte van het Masterplan. De navolgende voorziene ontwikkeling/eigenschappen van de structuurvisie zijn (mogelijk) relevant ten aanzien van te verwachten milieueffecten. Alternatief 1 is ruimtelijk weergegeven in Afbeelding 3-2. Ruimtebeslag Het totale plangebied beslaat een oppervlak van circa 90 hectare, waarvan ruim 60 hectare uitgeefbaar terrein. Dit ruimtebeslag is relevant ten aanzien van meerdere milieuaspecten, waaronder effecten op natuur, landschap, cultuurhistorie en water. Een deel van het plangebied (de westelijke rand) behoudt de huidige agrarische functie. Hier heeft de voorziene ontwikkeling volgens alternatief 1 weinig invloed. Bedrijvigheid Op basis van een milieuzonering worden bepaalde typen bedrijvigheid toegestaan in het plangebied. In de omgeving van het plangebied liggen enkele vrijstaande (bedrijfs)woningen die bepalend zijn voor de maximaal toe te stane milieucategorieën. Deze woningen hoeven niet te worden beschouwd als ‘rustige woonwijk’ zoals bedoeld in de VNG brochure 'Bedrijven en milieuzonering' (2009; zie ook paragraaf 2.6).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14091411/1