bp laarberg noord 2 toelichting plan mer
Tekst van het document
PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg
Gebiedsonderneming Laarberg B.V. augustus 2013
PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg
dossier : 9X1884-103-100 registratienummer : MD-DE20130168 versie : definitief classificatie : Openbaar
Gebiedsonderneming Laarberg B.V. augustus 2013
HaskoningDHV Nederland B.V. Niets uit dit bestek/drukwerk mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt d.m.v. drukwerk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van HaskoningDHV Nederland B.V., noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Het kwaliteitssysteem van HaskoningDHV Nederland B.V. is gecertificeerd volgens ISO 9001. ©
HaskoningDHV Nederland B.V.
0 SAMENVATTING Aanleiding en doel Gemeente Oost Gelre is (als juridisch initiatiefnemer) in samenwerking met Gebiedsonderneming Laarberg B.V. (praktisch initiatiefnemer) voornemens om op basis van het in december 2012 vastgestelde Masterplan ‘Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg’ een structuurvisie op te stellen dat een kader vormt voor concrete ontwikkelingen die in een later stadium worden mogelijk gemaakt met bestemmingsplannen op maat. Bij de structuurvisie is voorliggend planMER opgesteld. De structuurvisie is planm.e.r.-plichtig gezien de aard en omvang van voorziene ontwikkelingen (zware bedrijvigheid) en de op voorhand niet uit te sluiten significante effecten op Natura 2000-gebieden (een passende beoordeling in het kader van Natuurbeschermingswet 1998 is verplicht). Doel van de planm.e.r. is om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de beleidsvorming omtrent het opstellen van de structuurvisie. Het MER beschouwt de milieueffecten van de gehele voorziene uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg, alvorens bestemmingsplannen voor delen van het gebied worden opgesteld.
Voorgenomen activiteit Het voornemen betreft het uitbreiden van huidig bedrijvenpark Laarberg. Met de structuurvisie wordt een samenhangend plan opgesteld dat een kader vormt voor latere bestemmingsplannen. De basis voor de structuurvisie, en daarmee ook voor de planm.e.r., is het Masterplan ‘Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg’. In Afbeelding 0-1 is het masterplan ruimtelijk weergegeven. Afbeelding 0-1 Masterplan uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 -1Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
In de m.e.r. dienen realistische, uitvoerbare alternatieven onderzocht te worden om de besluitvorming te ondersteunen met milieu-informatie. In het navolgende worden de onderzochte alternatieven kort toegelicht. Voor een meer uitgebreide beschrijving van de alternatieven wordt verwezen naar het hoofdstuk van het MER.
Nulalternatief Het nulalternatief is de situatie waarin de structuurvisie niet wordt vastgesteld/uitgevoerd en de daarin opgenomen ontwikkelingen niet plaatsvinden. Het nulalternatief is in dit MER gelijk aan de referentiesituatie, de situatie ten opzichte waarvan de milieueffecten worden bepaald. Deze situatie bestaat uit de (daadwerkelijke) huidige situatie plus de situatie die op termijn (ca 2023) ontstaat als gevolg van de toekomstig zekere ontwikkelingen binnen en buiten het plangebied (bestemde en vergunde activiteiten die zeker binnenkort ingevuld worden). Dit laatste wordt de autonome ontwikkeling genoemd. In de huidige situatie heeft het beoogde plangebied een agrarische functie en grenst aan het bestaande deel van regionaal bedrijvenpark Laarberg. Een relevante autonome ontwikkeling is de verbetering van de N18, ten oosten van het plangebied. De referentiesituatie voor de Passende Beoordeling (onderzoek gevolgen Natura 2000) bestaat alleen uit de huidige situatie.
Alternatief 1 Dit alternatief bevat de invulling ontwikkeling van het plangebied volgens het Masterplan met enkele nuanceringen en concretiseringen. Alternatief 1 is ruimtelijk weergegeven in Afbeelding 0-2. Het plangebied beslaat een oppervlak van circa 90 hectare, waarvan ruim 60 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein. Bedrijvigheid Op basis van een milieuzonering worden bepaalde typen bedrijvigheid toegestaan in het plangebied op basis van (gevoelige) functies in de omgeving. Op het overgrote deel van het terrein is minstens milieucategorie 4.2 mogelijk. De maximaal toegestane categorie is 5.1. Er is sprake van een aantal concrete ontwikkelingen waarvan de kans groot is dat deze een plek krijgen in het plangebied. Deze zijn ook aangegeven in Afbeelding 0-2. Het gaat vooral om ontwikkelingen in het noorden. Daar is een ‘Biobased transitiepark’ beoogd (met als onderdeel een concreet initiatief voor een ‘bioraffinage’) en het ‘Groot Hoornwerk’. Laatstgenoemde is een multifunctionele ontwikkeling die de historie van de locatie (Grolse Linie) benadrukt. Naar huidig inzicht bestaat de eerste fase van Groot Hoornwerk uit het vestigen van het ‘Biobased Innovation Center Achterhoek’ met kantoorfuncties en een vergadercentrum. Mogelijk wordt er ook een motel met (fastfood)restaurant gevestigd.
Infrastructuur Om de voorziene ontwikkeling mogelijk te maken, moet diverse infrastructuur aangelegd worden. Het gaat vooral om weginfrastructuur voor interne en externe ontsluiting van verkeer. Het uit te breiden deel van Laarberg wordt hoogstwaarschijnlijk ontsloten door een nieuwe oost-west georiënteerde verbinding, parallel aan de Grolse Linie. Aan de oostzijde wordt het terrein ontsloten richting de N18. Aan de westzijde naar huidig inzicht richting de Deventer Kunstweg. De structuur van het fietsnetwerk komt grotendeels overeen met het netwerk van het overige verkeer. Er worden een bebouwingsvrije/bouwhoogte beperkende zones opgenomen ten behoeve van de inpassing van de bestaande gasleiding(en), hoogspanningsleiding en een (inactief) straalpad. Waterberging Neerslag wordt zo veel mogelijk vastgehouden in het gebied. In het laaggelegen noorden van het plangebied wordt op meerdere plaatsen ruimte gereserveerd voor waterberging in verband met de toename van verhard oppervlak ten opzichte van de huidige situatie. 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg -2MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Afbeelding 0-2 Alternatief 1
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 -3Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Groen, landschap en cultuurhistorie Een deel van het plangebied (de westelijke rand) behoudt de huidige agrarische functie. Hier heeft de voorziene ontwikkeling volgens alternatief 1 weinig invloed. Kwalitatief goede groenstructuren en bomen worden waar mogelijk ingepast in het bedrijvenpark. Tussen de gerealiseerde ecologische verbindingszone langs de noordelijke grens van het plangebied wordt een onbebouwde zone van 10 meter binnen het plangebied opgenomen. Van west naar oost loopt een overwegend groene verbindingszone, waarin de Grolse Linie is opgenomen. Nieuw groen wordt vooral geconcentreerd in deze zone waar de cultuurhistorisch waardevolle Grolse Linie geheel of gedeeltelijk wordt gereconstrueerd. Extensieve, tijdelijke bebouwing is toegestaan om ondernemers de mogelijkheid te bieden hun innovatieve producten en processen ten toon te stellen (zoals proefakkers, zonne-energie en kleinschalige demonstratiekassen). Voor de beeldkwaliteit van Laarberg fase II is reeds een beeldkwaliteitsplan opgesteld (Beeldkwaliteitsplan Regionaal bedrijventerrein Laarberg), dat als toetsingskader dient voor de te realiseren ontwikkelingen.
Alternatief 2 en voorkeursalternatief De onderzoeksresultaten van alternatief 1 geven aanleiding voor een aantal aanpassingen in het plan, zodat een (beter) uitvoerbaar alternatief ontstaat ten aanzien van milieu. Het belangrijkste verschil ten opzichte van alternatief 1 wordt gemaakt op basis van de te verwachten effecten op natuur. Daarnaast zijn aanvullend op alternatief 1 randvoorwaarden toegevoegd ten aanzien van verkeer, geluid, geur en onderlinge verenigbaarheid. Het voorkeursalternatief (VKA) komt nagenoeg overeen met alternatief 2, op enkele nuances na. In Afbeelding 0-3 is het VKA weergegeven. Het VKA betreft in de basis het plan volgens het Masterplan met daarbij de navolgende randvoorwaarden. Natuur Ten aanzien van natuur is het ontwerp aangepast met randvoorwaarden en ruimtelijke reserveringen voor behoud en compensatie van natuurwaarden om (grote) negatieve effecten op beschermde dieren (Floraen faunawet) en het Gelders Natuurnetwerk (EHS) te voorkomen. Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone (voormalig EHS) – Het bosje aan de Ruiterweg is in de nieuwe Omgevingsvisie begrensd als Gelders Natuurnetwerk en blijft vooruitlopend op de nieuwe omgevingsvisie behouden. Mocht het alsnog blijken dat het bosje niet behouden hoeft te worden (na overleg met de provincie) dan geldt een compensatieplicht.
– Een smalle zone rond de Leerinkbeek is ook aangewezen als Gelders Natuurnetwerk. Deze ligt net buiten het plangebied. Daar omheen ligt een ruime zone die in de omgevingsvisie van Gelderland is begrensd als Groene Ontwikkelingszone welke wel binnen het plangebied valt. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar er moet ook gestreefd worden om de “samenhang tussen natuurgebieden te bevorderen, het functioneren als netwerk te versterken en overgangen tussen natuurbestemmingen en andere functies te zoneren”. De hierna genoemde maatregelen ten behoeve van het foerageergebied van onder andere de steenuil sluiten aan op dit nieuwe provinciale beleid en versterken de natuurwaarden in de zone langs de Leerinkbeek en een daar aan grenzende zone in het noordwesten van het plangebied (waar ook waterberging is beoogd). Flora- en faunawet Zonder het nemen van mitigerende dan wel compenserende maatregelen is alternatief 1 van het MER strijdig met de Flora- en faunawet voor een aantal beschermde diersoorten en daarmee niet uitvoerbaar. Het gaat onder andere om de boomvalk, buizerd, ransuil, steenuil en diverse vleermuizen. 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg -4MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Door randvoorwaarden in de structuurvisie voor de ontwikkeling van het plangebied te stellen, welke gerespecteerd moeten worden bij het opstellen van bestemmingsplannen, wordt zorg gedragen voor passende leefgebieden en kan worden voldaan aan de eisen die de Flora- en faunawet stelt. In Tabel 3 van het MER (zie paragraaf 6.1.1) is een overzicht opgenomen van de diersoorten waarvoor maatregelen nodig zijn om een uitvoerbaar plan te ontwikkelen. Omdat de maatregelen van invloed zijn op de inrichting van het plangebied is het van belang om hier in een vroegtijdig stadium (de structuurvisie) al inzicht in te hebben. De kerngebieden binnen het plangebied waar het merendeel van de beschermde soorten van afhankelijk is, zijn: – de Holtkampsweg; – de boerderijen Panneman en aan de Ruiterweg; – het bosgebiedje aan de Ruiterweg; – enkele oude bomen aan de rand van het plangebied voor de rosse vleermuis. Om de vaste rust- en verblijfplaatsen (Tabel 3 van het MER, paragraaf 6.1.1) van de relevante diersoorten zoveel mogelijk te behouden zijn de navolgende randvoorwaarden opgesteld: Holtkampsweg De routestructuur voor vleermuizen blijft in voldoende mate behouden. Boerderij Panneman Het heeft sterk de voorkeur om het de gebouwen die dienst doen als vaste rust- en verblijfplaats van deze soorten te behouden en zo mogelijk (evt. met een andere functie) in te passen in het bedrijventerrein.
Als dit onvermijdelijk is dan moeten de vaste rust- en verblijfplaats gecompenseerd worden. Tevens zal door de ontwikkeling van het bedrijventerrein een deel van het foerageergebied verloren gaan. Ook dit dient gecompenseerd te worden. Hiervoor moet het deel dat gereserveerd is als landbouw optimaal 1 worden ingericht als leefgebied voor de steenuil op het moment dat het foerageergebied wordt aangetast: – een open tot halfopen landschap met een afwisselend korte en verruigde vegetatie; – erven met bebouwing, beplanting, tuinen, moestuinen en weilandjes met (hobby)vee; – voldoende nestplaatsen in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen, bijvoorbeeld tussen de dakbedekking en het beschot; – een gevarieerd aanbod van prooien zoals muizen, regenwormen en insecten; – voldoende zit- en uitkijkposten om te foerageren en om te rusten; – geen verstoring en versnippering door grote wegen; – geen gebruik van insecticiden of andere pesticiden in het territorium of in de directe omgeving. Het territorium van een steenuil is tussen de 5-30 hectare groot, afhankelijk van de kwaliteit (muisdichtheid) van het foerageergebied. Bij een optimale inrichting zoals hierboven beschreven is 10 ha voldoende voor het behouden van een broedpaar steenuil in dit deel van het plangebied.
De nestplaats van de huismus kan mogelijk gecompenseerd worden bij het restaurant Groot Hoornwerk (plaatsen van nestkasten, neststenen en vogelvides) in combinatie met het landbouwgebied, de Leerinkbeek en de waterberging in de omgeving. Het habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal eisen, die binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) moeten liggen. 1
Soortenstandaard Steenuil, Athene noctua, Dienst Regelingen, Ministerie van Economische Zaken, december 2012 Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 -5Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Het betreft een combinatie van nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en jongen), dekking (stekelige struiken; groenblijvende struiken, coniferen en klimplanten, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is het habitat niet 2 geschikt . De verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis kan relatief eenvoudig gecompenseerd worden door de (nieuwe) bedrijfsgebouwen toegankelijk te maken voor vleermuizen. Boerderij aan Ruiterweg Ook deze boerderij vormt nestgelegenheid voor de steenuil en huismus (2 paar). Tevens is er een vaste rust- en verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis en gewone grootoorvleermuis aangetroffen. Het heeft sterk de voorkeur om het gebouw/de gebouwen die dienst doen als vaste rust- en verblijfplaats van deze soorten te behouden en zo mogelijk met een andere functie in te passen in het bedrijventerrein. Als dit onvermijdelijk is dan moeten de vaste rust- en verblijfplaats gecompenseerd worden. Aantasting van foerageergebied moet sowieso gecompenseerd worden: – Voor de steenuil liggen mogelijkheden door aan de noordkant van het plangebied een ruime zone (tenminste 10 ha) in te richten als foerageergebied, waarbij nestkasten (bij sloop van boerderij) in de bestaande houtwallen geplaatst kunnen worden.
Deze zone valt deels binnen de begrenzing van de Groene Ontwikkelingszone waarmee de natuuropgave die hiervoor geldt gecombineerd kan worden. – De verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis kan relatief eenvoudig gecompenseerd worden door de bedrijfsgebouwen toegankelijk te maken voor vleermuizen. Zie verder ook de beschrijving bij boerderij Panneman. – De gewone grootoorvleermuis is opportunistisch wat betreft het vinden en gebruiken van verblijfplaatsen. Ter compensatie van de bestaande verblijfplaats kunnen vooral aan de rand van het bedrijventerrein aanpassingen aan de nieuwe gebouwen helpen om gebouwen toegankelijk te maken voor de vleermuis. De soort profiteert daarnaast van de maatregelen om het foerageergebied van de steenuilen te behouden en verbeteren. Bosje Ruiterweg In het bosje aan de Ruiterweg broedt een boomvalk en af en toe wordt het nest gebruikt door een buizerd. Ook is het bosje begrensd als Gelders Natuurnetwerk (zie kopje ‘Gelders Natuurnetwerk en Groene ontwikkelingszone’ eerdere in deze paragraaf). Uitgangspunt is dat dit bosje behouden blijft. Indien dit (in samenspraak met de provincie) niet mogelijk of niet meer nodig is, moet de jaarrond beschermde nestplaats van de boomvalk of buizerd verplaatst worden. De buizerd is in staat om in de omgeving een nieuwe nestplaats te bewonen of bouwen. Daar zijn geen specifieke maatregelen voor nodig.
De soort profiteert daarnaast van de maatregelen om het foerageergebied van de steenuilen te behouden en verbeteren. Voor de boomvalk kunnen in de hoogspanningsmasten in het westen van het plangebied kunsthorsten geplaatst worden. Hiermee wordt ook de eventuele verblijfplaats van de soort (niet jaarlijks in gebruik) in het andere bosje aan de Ruiterweg gecompenseerd. Het foerageergebied van deze soort zal verbeteren door de aanleg van de waterbergingsgebieden.
2
Soortenstandaard Huismus, Passer domesticus, Dienst Regelingen, Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, december 2011 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg -6MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Afbeelding 0-3 Voorkeursalternatief
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 -7Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Overig De rosse vleermuis is aangetroffen in bomen bij de Leerinkbeek en langs de Oude Borculoseweg. Deze bomenrijen aan de rand van het plangebied zijn van belang. Voor de rosse vleermuis is het voldoende als de bomen behouden blijven. Daarbij is verlichting niet wenselijk. Onder de randvoorwaarden dat zijn verdere maatregelen niet nodig. Indien het onvermijdelijk is dat verlichting wordt aangebracht is het mogelijk om met maatregelen met betrekking tot de locatie, type, en kleur van de verlichting negatieve gevolgen te voorkomen. De eekhoorn en steenmarter die zeer waarschijnlijk in het plangebied voorkomen (maar exacte locatie is niet bekend) zullen meeprofiteren van de randvoorwaarden die voor de inrichting zijn opgesteld. Er blijft voldoende foerageergebied en nestgelegenheid voor deze soorten bestaan. Verkeer Om een goede verkeersafwikkeling in de toekomst te garanderen, geldt als randvoorwaarde dat er maatregelen worden getroffen om het extra verkeer richting Oude Borculoseweg/Deventer Kunstweg te ontmoedigen (bijv. bestemmingsverkeer) dan wel te faciliteren (weg verbeteren) op het moment dat daadwerkelijk de ontsluiting richting (noord)westen tot stand wordt gebracht.
Geluid In het voorkeursalternatief wordt de geluidemissie van bedrijven die zonder meer wordt toegestaan verlaagd van 75 dB(A)/m2 (in alternatief 1) naar 70 dB(A)/m2 om het mogelijke aantal vast te stellen hogere waarden in de omgeving te verlagen en te voorkomen dat de maximaal toelaatbare geluidbelasting van 60 dB(A) voor geluidgevoelige bestemmingen wordt overschreden. Geur Om beperkingen voor de toekomstige ontwikkeling van een veehouderij ten noordwesten van het plangebied te voorkomen is een zone opgenomen waar geen nieuwe geurgevoelige objecten mogen worden gerealiseerd. Onderlinge verenigbaarheid In het VKA geldt de voorwaarde dat nieuwe bedrijven bij vestiging moeten aantonen dat de bedrijfsactiviteiten het functioneren van de omliggende bedrijven niet belemmeren. Publiekstrekkende functies, zoals het groot Hoornwerk, verhouden zich vaak niet goed tot bedrijven die veel geur en geluid veroorzaken.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg -8MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Overzicht milieueffecten In onderstaande tabel zijn alle scores van de alternatieven op de diverse criteria weergegeven ten opzichte van referentiesituatie. Tabel 0-1 Samenvatting milieueffecten alternatieven 1, 2 en VKA Milieuaspecten
Criteria
Natuur
Natura 2000-gebieden (Natuurbeschermingswet)
0
0
0
Ecologische Hoofdstructuur (EHS; toekomstige GNN en GO)
-
+
0
Beschermde soorten (Flora en Faunawet)
--
0
0
Bodem- en (grond)waterkwaliteit
0
0
0
Grond- en oppervlaktewaterkwantiteit
0
0
0
Landschap, Cul-
Landschappelijke waarden
-
-
-
tuurhistorie en
Cultuurhist. waardevolle gebieden, structuren en elementen
0
0
0
Archeologie
Archeologische waarden
--
--
--
Verkeer
Verkeersafwikkeling
-
0
0
Bodem en water
Alt 1
Alt 2
VKA
Verkeersveiligheid
0
0
0
Geur
Geurbelasting i.r.t. gevoelige objecten (incl omgekeerde werking)
-
0
0
Luchtkwaliteit
Concentraties NO2 en PM10 i.r.t. gevoelige functies
0
0
0
Geluid
Geluidbelasting i.r.t. gevoelige functies
--
-
-
Externe veiligheid
Plaatsgebonden risico
-
Groepsrisico
--
--
--
Effecten Alternatief 1 Natuur Alternatief 1 heeft geen relevant effect op Natura 2000-gebieden. Op een afstand van 7 tot 10 kilometer van het plangebied liggen de Nederlandse Natura 2000-gebieden Korenburgerveen, Stelkampsveld en Buurserzand & Haaksbergerveen. Voor deze gebieden is sprake van een kleine toename van stikstofdepositie ten opzichte van de huidige situatie tussen 0,5 en 1 mol N/ha/jaar. Dit is ecologisch gezien verwaarloosbaar en zal het behalen van de instandhoudingsdoelen niet verder weg brengen. De stikstoftoename binnen het Duitse Natura 2000-gebied Zwillbrockervenn & Ellewickerveld is toegestaan, omdat deze toename (1-2 mol N/ha/jr) lager is dan 3% van de kritische depositiewaarde van dit gebied (dat is de Duitse norm). Alternatief 1 scoort neutraal (0) ten aanzien van Natura 2000-gebieden. In alternatief 1 blijft de ecologische verbindingszone rond de beek gehandhaafd. Er vinden geen werkzaamheden plaats in de gerealiseerde ecologische verbindingszone rond de Leerinkbeek (dit deel is als Gelders Natuurnetwerk in de nieuwe omgevingsvisie). Alternatief 1 scoort daarmee neutraal wanneer puur gekeken wordt naar huidige EHS. Echter, voor het bosperceel ten zuiden van de Leerinkbeek (bij vaststelling omgevingsvisie ook onderdeel Gelders Natuurnetwerk) wordt in alternatief 1 niet geborgd dat deze behouden blijft.
Daarnaast draagt het alternatief nauwelijks bij aan de doelen van de Groene Ontwikkelingszone rond de Leerinkbeek. Alternatief 1 wordt beoordeeld als negatief ten opzichte van de referentiesituatie (-). Alternatief 1 is strijdig met de Flora- en faunawet voor wat betreft effecten op onder andere de beschermde soorten Boomvalk, Buizerd, Ransuil, Steenuil en diverse vleermuizen. Zonder het nemen van mitigerende dan wel compenserende maatregelen, met name op het gebied van de inrichting van het plangebied, is de structuurvisie volgens dit alternatief niet uitvoerbaar. Dit wordt beoordeeld als een zeer negatief effect (- -). Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 -9Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Bodem en water Het plangebied is voor het overgrote deel ‘onverdacht’ ten aanzien van bodemverontreinigingen. Wel zijn er enkele locaties verspreid in het plangebied die aandacht behoeven ten aanzien van bodem- en grondwaterkwaliteit wanneer er een ontwikkeling plaatsvindt op deze locaties. Het risico op verspreiding van bodem of grondwaterverontreinigingen als gevolg van de beoogde ingrepen is klein als deze enkele aandachtspunten in acht worden genomen. Effecten op de oppervlaktewaterkwaliteit worden niet verwacht. Grondwaterbeschermingsgebieden of gevoelige/beschermde ecologische wateren liggen niet nabij het plangebied. Het hemelwater vanuit het plangebied wordt niet rechtstreeks geloosd op het oppervlaktewatersysteem om nadelige gevolgen van eventueel afstromend hemelwater te voorkomen. Het water wordt geïnfiltreerd in infiltratievelden of eerst geborgen binnen het plangebied. Het effect op het criterium bodem- en (grond)waterkwaliteit wordt beoordeeld als neutraal (0). De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap. Diverse maatregelen hebben ruimtelijke consequenties.
Dat deze op een juiste manier worden toegepast wordt geborgd in het waterplan dat in samenwerking met het waterschap wordt uitgewerkt, parallel aan de structuurvisie voor Laarberg fase II (in het kader van de watertoets is hier een aanzet voor gegeven). In dat plan wordt gestreefd naar een hoge mate van detail. Het plan wordt gebruikt voor de op te stellen bestemmingsplannen. Het criterium grond- en oppervlaktewaterkwantiteit wordt neutraal (0) beoordeeld aangezien het waterbelang (in overleg met het waterschap) geborgd wordt. Landschap, cultuurhistorie en archeologie In alternatief 1 wordt de bestaande karakteristiek van het landschap aangetast, met name door de invulling met bedrijvigheid en het verloren gaan van een deel van de groenstructuren. De effecten worden verzacht door diverse inpassingmaatregelen (zoals groene randen, op overgang landbouw en bedrijventerrein) en randvoorwaarden die worden gesteld in het beeldkwaliteitsplan. Het effect op de karakteristiek van landschappelijke elementen wordt als negatief beoordeeld (-). De effecten op de cultuurhistorisch waardevolle elementen voor dit alternatief worden als positief beschouwd voor de Grolse Linie. Doel is om deze structuur weer zichtbaar en beleefbaar te maken. Het verloren gaan van de verkavelings- en ontginningsstructuur wordt als negatief beschouwd.
Over het geheel genomen komt cultuurhistorie op een neutrale score uit (0). In verband met graafwerkzaamheden in gebieden met een hoge archeologische (verwachtings)waarde wordt het effect van de aanleg van Laarberg II effect op archeologische waarden beoordeeld als zeer negatief (- -). Verkeer Alternatief 1 wordt als negatief (-) beoordeeld op het criterium verkeersafwikkeling in verband met de onwenselijke situatie die ontstaat bij het tot stand brengen van de ‘secundaire ontsluiting’, wanneer geen aanvullende maatregelen worden getroffen. Verkeersveiligheid wordt als neutraal beoordeeld (0) ten opzichte van de referentiesituatie. Op de hoofdontsluitingswegen komen vrijliggende fietsvoorzieningen. Met betrekking tot calamiteiten leidt de nieuwe verkeersstructuur rondom Laarberg niet tot een kwetsbaardere bereikbaarheid voor hulpdiensten ten tijde van calamiteiten.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 10 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Geur Er treden naar verwachting geen relevante effecten op van nieuwe bedrijven met een geuremissie op de omgeving van het plangebied. Bij vestiging van nieuwe bedrijven met een geuremissie op Laarberg II kan het leefklimaat in de directe omgeving en in het plangebied zelf lager worden door een mogelijk hogere cumulatieve geurbelasting. De opgenomen milieuzonering voorziet in hoofdlijnen in voldoende afstand tussen hinderproducerende en hindergevoelige functies. Wanneer daadwerkelijk sprake is van de vestiging van een nieuw bedrijf vindt in het kader van de milieuvergunning (of de algemene regelgeving op het gebied van milieuhinder) altijd een nadere toetsing plaats. Bij naleving van deze regels kan een ‘aanvaardbaar woon- en leefklimaat’ worden gegarandeerd. Ook levert het plan waarschijnlijk geen nieuwe belemmeringen op voor eventuele uitbreidingsplannen voor omliggende veehouderijen (‘omgekeerde werking’). Echter, bij realisatie van nieuwe geurgevoelige objecten in het noordwesten van het plangebied kan de toekomstige ontwikkeling van het bedrijf Huurninkallee 11 mogelijk belemmerd worden. Aangezien dit laatste niet wordt uitgesloten in alternatief 1, wordt dit beoordeeld als een (licht) negatief effect (-) ten opzichte van de referentiesituatie.
Luchtkwaliteit 3 Voor zowel stikstofdioxide als fijnstof geldt dat de wettelijke grenswaarde van 40 µg/m ruim niet overschreden wordt als gevolg van de voorziene ontwikkeling van Laarberg II. De concentraties zullen volgens de worst case berekening lokaal wel toe kunnen nemen. De verwachte toenames vinden (over het algemeen) echter niet plaats bij gevoelige bestemmingen. Het effect ten aanzien van luchtkwaliteit wordt beoordeeld als neutraal (0). Geluid De indeling van het terrein Laarberg II volgens de worst-case benadering is niet zondermeer akoestisch inpasbaar (8 woningen binnen 60 dB(A) contour). Ook komt een aanzienlijk aantal woningen te liggen binnen de 50 dB(A) contour. Hier is sprake van een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde. Dat betekent dat voor ruim 300 woningen mogelijk een hogere waarde aangevraagd moet worden. Het effect van alternatief 1 wordt zonder mitigerende maatregelen beoordeeld als zeer negatief (- -). Externe veiligheid Voor het plaatsgebonden risico (PR) in en rond het plangebied zijn de mogelijke toekomstige risicovolle inrichtingen op Laarberg fase II bepalend. Het plaatsgebonden risico in het plangebied neemt mogelijk toe door vestiging van risicovolle bedrijven. De toename vormt naar verwachting geen knelpunt. De toename wordt beoordeeld als een (licht) negatief effect (-). Het groepsrisico neemt fors toe.
Dit wordt beoordeeld als een zeer negatief effect (- -) en ontstaat vooral door de aanwezigheid van bestaande aardgastransportleidingen in het plangebied. Deze hebben een groot invloedsgebied (430 meter). Binnen dit gebied worden beperkt kwetsbare objecten mogelijk gemaakt (bedrijven waar mensen aanwezig zijn), waardoor het groepsrisico fors toeneemt ten opzichte van de referentiesituatie waarin het plangebied een agrarische functie heeft (weinig mensen aanwezig). Dit effect is wel toegestaan, zolang de toename van het groepsrisico maar verantwoord wordt bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijven (bijv. in kader van toekomstige bestemmingsplannen).
Effecten Alternatief 2 en het VKA In het navolgende wordt alleen ingegaan op de effecten van alternatief 2 en het VKA voor zover deze verschillen ten opzichte van alternatief 1. Uit de tabel blijkt dat alternatief 2 en het VKA op diverse criteria positiever/minder negatief scoren dan alternatief 1. Dit komt uiteraard doordat alternatief 2 en het VKA zijn ontworpen na de effectbeoordeling van alternatief 1.
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 11 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Aanpassingen in het ontwerp en het opnemen van (aanvullende) randvoorwaarden zorgen voor een verbetering van de milieusituatie ten aanzien van natuur (EHS en flora en fauna), verkeersafwikkeling, geur en geluid. Ten aanzien van landschap, luchtkwaliteit en externe veiligheid zijn er ook kleine verschillen (in positieve zin) ten opzichte van alternatief 1, maar deze zijn niet zo groot dat zij een verandering in de effectscores tot gevolg hebben. Voor landschap geldt dat het bedrijventerrein (nog) beter wordt ingepast in de omgeving door de extra gereserveerde zones voor natuurcompensatie aan de randen van het plangebied. Door de lagere hoeveelheid uitgeefbaar terrein in alternatief 2 en het VKA ten opzichte van alternatief 1 (ca 54 en 55 ha versus ruim 60 ha) wordt de invloed op de lokale luchtkwaliteit iets kleiner en neemt het groepsrisico iets minder toe. Natuur Indien met de randvoorwaarden zoals aangegeven bij de beschrijving van het VKA en alternatief rekening wordt gehouden, is het plan vanuit natuur bezien uitvoerbaar. Er is dan uiteindelijk geen sprake van aantasting van het functionele leefgebied van jaarrond beschermde vogels en vleermuizen die in het plangebied voorkomen De effecten ten aanzien van beschermde soorten in het kader van de Flora- en faunawet worden beoordeeld als neutraal (0).
Rond de gerealiseerde ecologische verbindingszone langs de Leerinkbeek een ruime zone die in de omgevingsvisie van Gelderland is begrensd als Groene Ontwikkelingszone. Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar er moet ook gestreefd worden om de “samenhang tussen natuurgebieden te bevorderen, het functioneren als netwerk te versterken en overgangen tussen natuurbestemmingen en andere functies te zoneren”. Alternatief 2 draagt hier aan bij door een zone (50 m breed) langs de zuidzijde van de Leerinkbeek en een aaneengesloten gebied in het noordwesten van het plangebied te reserveren voor natuurwaarden (zie paragraaf 6.1.6 van het MER voor ruimtelijke weergave van deze maatregelen). Alternatief 2 heeft een positief effect op de EHS (+). In het VKA is de gereserveerde zone langs de zuidzijde van de Leerinkbeek smaller dan in alternatief 2 (20 meter; zie Afbeelding 0-3). De smallere zone is nog wel als een licht positief effect op te vatten (hij sluit aan op de gerealiseerde ecologische verbindingszone), maar het effect is niet groot genoeg voor een ‘+’. Het effect van het VKA ten aanzien van EHS is neutraal (0). Verkeer In alternatief 2 en het VKA is als randvoorwaarde opgenomen dat er maatregelen worden getroffen om het extra verkeer richting Oude Borculoseweg/Deventer Kunstweg te ontmoedigen (bijv.
bestemmingsverkeer) dan wel te faciliteren (weg verbeteren) op het moment dat daadwerkelijk de ontsluiting richting (noord)westen tot stand wordt gebracht. Het effect op het criterium verkeersafwikkeling wordt beoordeeld als neutraal (0). Het criterium verkeersveiligheid wordt, evenals alternatief 1, ook beoordeeld als neutraal (0). Geur Alternatief 1 veroorzaakt mogelijk een belemmering voor de toekomstige ontwikkeling van het bedrijf Huurninkallee 11 door de mogelijke realisatie van (beperkt) gevoelige objecten in het noordwesten van het plangebied (‘omgekeerde werking’). Om beperkingen voor het betreffende bedrijf te voorkomen, is in alternatief 2 en het VKA de randvoorwaarde opgenomen dat ten westen van de huidige woning Ruiterweg 14 geen nieuwe geurgevoelige objecten in het plangebied worden gerealiseerd. Het opnemen van extra reserveringen voor natuur aan de randen van het plangebied biedt voor andere veehouderijen in de omgeving tevens (nog) meer zekerheid dat zij niet belemmerd worden in hun toekomstige bedrijfsvoering. Alternatief 2 en het VKA krijgen een neutrale beoordeling (0) ten opzichte van de referentiesituatie.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 12 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Geluid In alternatief 1 bedraagt de maximaal toelaatbare geluidemissie van bedrijven 75 dB(A)/m2. In alternatief 2 en het VKA wordt de geluidemissie die zonder meer wordt toegestaan verlaagd naar 70 dB(A)/m2. Door deze verlaging daalt het aantal vast te stellen hogere waarden in de omgeving fors (circa 50 ten opzichte van de referentiesituatie tegen ruim 300 in alternatief 1). Daarnaast wordt de maximaal toelaatbare geluidbelasting van 60 dB(A) voor geluidgevoelige bestemmingen niet overschreden. Het effect is daarmee veel minder groot dan bij alternatief 1. Er moeten echter nog steeds nieuwe hogere waarden worden aangevraagd wanneer het bedrijventerrein volgens plan ontwikkeld wordt en (verdere) geluidbeperkende maatregelen niet getroffen worden. Alternatief 2 en het VKA worden op het thema geluid beoordeeld als negatief (-) ten opzichte van de referentiesituatie.
Doorkijk naar het vervolg Bij de effectbeoordeling van alternatief 1 en de beschrijving van alternatief 2 zijn diverse benodigde maatregelen, stappen en aandachtspunten voor het vervolg aan bod gekomen welke niet vastgelegd zijn/kunnen worden in deze structuurvisie. Dit betreft niet de inrichting van het plangebied en de daarbij aangegeven randvoorwaarden, zoals beschreven in het VKA. Deze aandachtspunten en (deels verplichte) stappen zijn van belang voor de fasen (bestemmingsplannen) na vaststelling van de structuurvisie (naleven van milieuregels in de vervolgfase). Samengevat gaat het om: – Natuur: Bij de uitwerking in bestemmingsplannen zal, afhankelijk van de locatie van de ontwikkeling, een ontheffing Flora- en faunawet moeten worden aangevraagd en mogelijk een onderbouwing van (noodzakelijke) aantasting van het areaal Gelders Natuurnetwerk (indien bosje Ruiterweg toch niet behouden hoeft en kan blijven). – Natuur: Voor de structuurvisie is een set van randvoorwaarden opgesteld om een voor natuur uitvoerbaar plan te hebben. Bij de bestemmingsplannen is het noodzakelijk om de genoemde randvoorwaarden voor een voor natuur uitvoerbaar plan te borgen. Dit betekent een gedetailleerdere invulling van de maatregelen/randvoorwaarden dan nu is gedaan op het structuurvisieniveau (per project een zogenaamd Activiteitenplan).
Het is van belang om dit reeds bij de eerste op te stellen bestemmingsplannen te doen omdat het merendeel ontwerpgerelateerde maatregelen zijn. Anders bestaat het risico dat in een later stadium de benodigde ruimte voor vaste rust- en verblijfplaatsen van beschermde soorten niet voldoende beschikbaar is. Het risico is dat de laatste bestemmingsplannen dan niet voldoen aan de vereisten vanuit de Flora- en faunawet, waardoor op dat moment geen ontheffing wordt verkregen voor de uitvoering. De structuurvisie met haar randvoorwaarden kan als het ware als een handleiding worden gezien, waarmee uiteindelijk een als geheel uitvoerbaar plan te bereiken is. – Bodem: Wanneer grond wordt ontgraven in het plangebied mag deze in principe direct (zonder keuring) worden toegepast in de omgeving en ook in andere gebieden. Uitzondering hierop vormt grond van de enkele ‘verdachte locaties’. Voor deze locaties is in ieder geval vervolgonderzoek nodig wanneer deze locaties daadwerkelijk ontwikkeld worden. Bij grondverzet op deze locaties moet eerst een partijkeuring plaatsvinden voordat deze grond ergens anders toegepast kan worden. – Water: De maatregelen die nodig zijn om de waterhuishouding op orde te hebben en te houden in het plangebied zijn afgestemd met het waterschap en worden uitgewerkt in een waterplan, parallel aan de structuurvisie en wederom in samenwerking met het waterschap.
Het plan moet doorvertaald worden in de op te stellen bestemmingsplannen. – Archeologie: Bij vergraving in het plangebied (dieper dan 30 cm; oftewel de bouwvoor) moet het gemeentelijk archeologiebeleid nageleefd worden.
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 13 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
–
–
–
Gezien hoge (bekende) archeologische waarden is de kans groot dat op diverse plaatsen in het plangebied opgravingen van archeologische resten gedaan moeten worden en/of maatregelen genomen moeten worden om de waarden onaangetast in de bodem te bewaren. Geur: Bij ontwikkeling van het bedrijventerrein moet gecontroleerd worden of de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende veehouderijen geschaad worden (omgekeerde werking) en of de ontwikkeling verenigbaar is met andere reeds aanwezige bedrijven in de omgeving (incl. bedrijven op Laarberg II). Geluid: Bij de ontwikkeling van (een deel van) het bedrijventerrein moeten waarschijnlijk hogere waarden aangevraagd worden voor woningen in de omgeving. In de vervolgtrajecten voor de bestemmingsplanprocedures en het bepalen van de geluidzone zal het bevoegd gezag moeten afwegen welke geluidbelasting bij de woningen acceptabel wordt geacht en of het treffen van geluidbeperkende/werende maatregelen ‘doelmatig’ is om de geluidbelasting omlaag te brengen, alvorens hogere waarde vastgesteld kunnen worden. Ongeacht eventueel vast te stellen hogere waarden bij de woningen met een geluidbelasting hoger dan 50 dB(A), mag het binnenniveau nooit meer dan 35 dB(A) etmaalwaarde bedragen. Externe veiligheid: Bij de nog op te stellen bestemmingsplannen moet de toename van het groepsrisico worden verantwoord.
Bij de verantwoording is het een plicht voor het bevoegd gezag om naast de omvang van het groepsrisico ook andere aspecten, zoals de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid mee te wegen in de beoordeling van de aanvaardbaarheid van het groepsrisico.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 14 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
INHOUD
BLAD
1 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6 1.7
INLEIDING Aanleiding Planm.e.r.-plicht Inhoud van het planMER Betrokken partijen M.e.r.-procedure Reikwijdte en detailniveau Leeswijzer
17 17 17 18 19 19 20 22
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6
BELEIDSKADER Ruimtelijke ordening Natuur Bodem en water Landschap, cultuurhistorie en archeologie Milieukwaliteit: geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur Verkeer
23 23 25 31 32 33 39
3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6
VOORGENOMEN ACTIVITEIT EN ALTERNATIEVEN Het voornemen Alternatiefontwikkeling, mede op basis van milieugebruiksruimte Nulalternatief (referentiesituatie) Alternatief 1 Alternatief 2 Voorkeursalternatief
40 40 41 41 42 46 46
4 4.1 4.2
BEOORDELINGSKADER Beoordelingscriteria Beoordelingsmethodiek
47 47 47
5 5.1 5.1.1 5.1.2 5.1.3 5.2 5.2.1 5.2.2 5.3 5.3.1 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10
MILIEUEFFECTEN ALTERNATIEF 1 Natuur Natura 2000-gebieden Ecologische Hoofdstructuur (EHS) Beschermde soorten (Flora- en faunawet) Bodem en water Bodem- en grondwaterkwaliteit Grond- en oppervlaktewaterkwantiteit Landschap, cultuurhistorie en archeologie Landschappelijke waarden Cultuurhistorisch waardevolle structuren Archeologische waarden Verkeer Geur Luchtkwaliteit Geluid Externe veiligheid
50 50 50 54 56 63 63 66 71 71 75 77 79 82 91 92 94
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 15 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
5.10.1 Referentiesituatie 5.10.2 Effectbeoordeling
94 97
6 6.1 6.1.1 6.1.2 6.1.3 6.1.4 6.1.5 6.1.6 6.2 6.3
ALTERNATIEF 2 Beschrijving alternatief 2 Natuur Verkeer Geluid Geur Onderlinge verenigbaarheid Verbeelding alternatief 2 Beoordeling Alternatief 2 Samenvatting milieueffecten
100 100 100 107 108 109 110 110 112 113
7 7.1 7.2 7.3
VOORKEURSALTERNATIEF Beschrijving VKA Verschillen VKA ten opzichte van alternatief 2 Milieueffecten VKA
116 116 120 121
8 8.1 8.2
LEEMTEN IN KENNIS EN DOORKIJK Leemten in kennis Doorkijk naar het vervolg/mitigerende maatregelen
122 122 123
REFERENTIES
125
BEGRIPPEN EN AFKORTINGEN
126
COLOFON
129
BIJLAGEN 1 Passende beoordeling, inclusief stikstofdepostieberekeningen 2 Verkeerscijfers 3 Onderzoek geluid 4 Onderzoek luchtkwaliteit
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 16 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
1
INLEIDING
1.1
Aanleiding In december 2012 is het Masterplan ‘Uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg’ vastgesteld. Dit plan schetst op hoofdlijnen de uitbreiding van het regionaal bedrijvenpark Laarberg in Groenlo. Gemeente Oost Gelre is (als juridisch initiatiefnemer) in samenwerking met Gebiedsonderneming Laarberg B.V. (praktisch initiatiefnemer) voornemens om op basis van het Masterplan een structuurvisie op te stellen dat een kader vormt voor concrete ontwikkelingen die in een later stadium worden mogelijk gemaakt met bestemmingsplannen op maat. De structuurvisie is planm.e.r.-plichtig gezien de aard en omvang van voorziene ontwikkelingen (zware bedrijvigheid) en de op voorhand niet uit te sluiten significante effecten op Natura 2000-gebieden (een passende beoordeling in het kader van Natuurbeschermingswet 1998 is verplicht). In paragraaf 1.2 wordt nader ingegaan op deze planm.e.r.-plicht. Algemeen doel van de planm.e.r. is om het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de beleidsvorming omtrent het opstellen van de structuurvisie. Het planMER geeft een onafhankelijk inzicht in de mogelijke invloeden op het milieu, zowel positief als negatief, die verwacht mogen worden wanneer politiek bestuurlijk wordt gekozen voor bepaalde ruimtelijke bestemmingen en ontwikkelingsmogelijkheden waar de structuurvisie het kader voor vormt. In de planm.e.r.
worden de milieueffecten van de gehele uitbreiding van bedrijvenpark Laarberg in samenhang beschouwd. Op deze manier worden de overkoepelende milieueffecten van de uitbreiding in beeld gebracht. Het MER kan als input dienen bij de onderbouwing van de later op te stellen bestemmingsplannen en de eventuele m.e.r.-en en/of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingen die uitgevoerd worden. In specifieke gevallen (initiatief op zichzelf is m.e.r.-(beoordelings)plichtig) zal er een verdiepingsslag gedaan moeten worden om op basis van voldoende milieu-informatie een besluit te kunnen nemen (bijvoorbeeld over milieuvergunning van een specifiek, zwaar bedrijf).
Toelichting gebruikte termen milieueffectrapportage M.e.r. MER Planm.e.r PlanMER
1.2
= de milieueffectrapportage (de procedure) = het milieueffectrapport (het product) = milieueffectrapportage voor een plan dat een kader vormt voor een besluit over één of meerdere m.e.r.(beoordelins)-plichtige activiteiten = het milieueffectrapport dat het resultaat is van de planm.e.r.
Planm.e.r.-plicht Volgens de Wet milieubeheer (Wm) zijn bepaalde plannen en besluiten met mogelijk belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu m.e.r.(beoordelings)-plichtig. Meer concreet geldt de planm.e.r.-plicht voor wettelijk of bestuursrechtelijk verplichte plannen: – die het kader vormen voor toekomstige projectm.e.r.- of m.e.r.-beoordelingsplichtige besluiten (artikel 7.2 lid 2 Wm), of;
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 17 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
–
waarvoor een passende beoordeling nodig is op grond van de Natuurbeschermingswet 1998 (artikel 7.2a lid 1 Wm). Dat is het geval wanneer het plan activiteiten mogelijk maakt die kunnen leiden tot significante gevolgen voor beschermde natuurwaarden in aangewezen Natura 2000gebieden.
De structuurvisie is planm.e.r.-plichtig, omdat het een kader biedt voor mogelijk toekomstige m.e.r.(beoordelings)plichtige besluiten. Volgens categorie D11.3 van onderdeel D van Besluit m.e.r. is “de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein” m.e.r.-beoordelingsplichtig (en planm.e.r.-plichtig in geval van een kaderstellend plan) “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.” De visie voorziet een uitbreiding van het bestaande bedrijventerrein met in totaal circa 90 hectare bruto. De visie vormt dus een kader voor latere bestemmingsplannen met in totaal meer dan 75 hectare bruto 3 industrieterrein en is daarmee planm.e.r.-plichtig . Daarnaast voorziet de structuurvisie naar huidig inzicht in bedrijvigheid met een zwaarte tot en met milieucategorie 5.1. Daarmee is het mogelijk dat zich bedrijven zullen vestigen waarvan de 4 milieuvergunningaanvraag m.e.r.-(beoordelings)plichtig is . Significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen niet op voorhand worden uitgesloten (binnen invloedsgebied liggen voor stikstof gevoelige gebieden met een relatief hoge achtergronddepositie van stikstof). Er moet een passende beoordeling worden uitgevoerd. Ook via deze weg is de structuurvisie planm.e.r.-plichtig.
De recente wetswijziging van Artikel 19kd van de Natuurbeschermingswet biedt mogelijk wel enige verlichting van de effecten, maar leidt er in dit geval niet toe dat op voorhand significant negatieve effecten kunnen worden uitgesloten. Zie navolgend tekstkader voor een toelichting op de gevolgen van deze wetswijziging.
1.3
Inhoud van het planMER De kern van het planMER wordt gevormd door een milieurapport waarin de milieueffecten van de voorgenomen activiteit (de structuurvisie) worden beschreven. Onder milieueffecten worden bijvoorbeeld de gevolgen voor natuur, landschap en archeologie verstaan. Met de onderzoeken naar milieueffecten worden de te verwachten effecten over de volle breedte van de realistisch geachte toekomstige invulling van het plangebied in beeld gebracht. Het milieurapport bevat de volgende onderdelen: – een beschrijving van het doel van de voorgenomen activiteit; – een beschrijving van de voorgenomen activiteit en de alternatieven daarvoor, die redelijkerwijs in beschouwing dienen te worden genomen. Ook moet de keuze voor de in beschouwing genomen alternatieven worden gemotiveerd; – een overzicht van eerder vastgestelde plannen die betrekking hebben op de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven;
3 4
jurisprudentie toont aan dat uitgegaan moet worden van het bruto oppervlak; Raad van State uitspraak 200502510/1 Het concrete plan voor een mestvergistingsinstallatie is op zichzelf niet meer m.e.r.-beoordelingsplichtig sinds het
besluit tot wijziging van het Besluit milieueffectrapportage gepubliceerd (1 april 2011) 30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 18 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
–
–
– –
1.4
een beschrijving van de bestaande toestand van het milieu, voor zover de voorgenomen activiteit of de beschreven alternatieven daarvoor gevolgen kunnen hebben, en de te verwachten ontwikkeling van dat milieu als de activiteit en de alternatieven niet worden ondernomen (autonome ontwikkeling). Samen is dit de referentiesituatie (nulalternatief); een beschrijving van de gevolgen voor het milieu die de voorgenomen activiteit en de beschreven alternatieven kunnen hebben ten opzichte van de referentiesituatie (huidige situatie plus autonome ontwikkelingen) en een motivering van de wijze waarop deze gevolgen zijn bepaald en beschreven; een overzicht van de leemten in de onder d en e bedoelde beschrijvingen als gevolg van het ontbreken van de benodigde gegevens; een samenvatting die aan een algemeen publiek voldoende inzicht geeft voor de beoordeling van het milieueffectrapport en van de daarin beschreven gevolgen voor het milieu van de voorgenomen activiteit en van de beschreven alternatieven.
Betrokken partijen Bij een m.e.r.-procedure zijn meerdere partijen betrokken, die elk een eigen rol binnen het proces hebben. Voor Structuurvisie Laarberg fase II gaat het om de volgende actoren: – Initiatiefnemer: Gebiedsonderneming Laarberg B.V. heeft het initiatief tot het project genomen. Gemeente Oost Gelre ondersteunt haar daarbij. – Bevoegd gezag: De gemeenteraad van Oost Gelre is belast met de besluitvorming over de structuurvisie (het voornemen) en bijbehorend MER. – Commissie m.e.r.: Het bevoegd gezag wordt in haar besluitvorming geadviseerd door de commissie m.e.r. Deze onafhankelijke commissie bestaat uit specialisten op het vlak van milieu. Voor elke procedure wordt een afzonderlijke werkgroep samengesteld. Zij brengt advies uit over de volledigheid en kwaliteit van het planMER wanneer dat gereed is. Advies over de inhoud van het op te stellen planMER in het begin van de m.e.r.-procedure (over de richtlijnen; ook wel reikwijdte en detailniveau genoemd) is facultatief en heeft niet plaatsgevonden in dit project. – Betrokken instanties: Deze groep bestaat uit betrokken overheden en organisaties. Zij brengen advies uit over de richtlijnen en de volledigheid en kwaliteit van het MER indien zij dit wensen.
Het gaat om de volgende partijen: ● Buurgemeenten Berkelland, Bronckhorst, Winterswijk, Oude IJsselstreek, Aalten en de Duitse gemeente (Stadt) Vreden ● Provincie Gelderland ● Ministerie van Infrastructuur en Milieu en Ministerie van Defensie (i.v.m. nabijgelegen laagvliegroute) ● Waterschap Rijn en IJssel
1.5
M.e.r.-procedure Per 1 juli 2010 is de m.e.r.-wetgeving gemoderniseerd (en per 1 april 2011 de lijst van m.e.r.(beoordelings)-plichtige plannen en besluiten). Er zijn nu twee verschillende m.e.r.- procedures: een uitgebreide en een beperkte. De beperkte procedure is alleen van toepassing voor specifieke milieuvergunningen zonder passende beoordeling. Voor plannen, en in geval van een verplichte passende beoordeling, is altijd de uitgebreide procedure van toepassing. Voor de structuurvisie wordt daarom de uitgebreide procedure doorlopen. Deze verloopt/verliep als volgt:
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 19 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Openbare kennisgeving van het voornemen door bevoegd gezag (mei-juni 2013). De procedure start met een bekendmaking van het voornemen via een openbare kennisgeving en publicatie van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD). De bekendmaking heeft plaatsgevonden via huis aan huisbladen de Groenlose gids en de Elna en de gemeentelijke websites van Oost Gelre en Berkelland. De NRD kon een ieder downloaden van de gemeentelijke website om deze in te zien. Raadplegen betrokken instanties en inspraak over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport en vaststellen Reikwijdte en Detailniveau (mei-juni 2013). Bij de planvorming betrokken bestuursorganen/instanties worden geraadpleegd over reikwijdte en detailniveau van het milieueffectrapport. Ook burgers kunnen een reactie geven. De NRD heeft vanaf 7 juni ter inzage gelegen. Er zijn geen reacties binnengekomen op de NRD. Opstellen planMER (mei-augustus 2013). De milieuonderzoeken zijn uitgevoerd. De milieueffecten van het voornemen zijn vastgelegd in het planMER. De resultaten worden meegenomen bij de opstelling van de structuurvisie en de latere bestemmingsplannen. Openbaar maken planMER en ontwerp structuurvisie, inspraak publiek en toetsingsadvies commissie MER (verwachting augustus-oktober 2013). Het MER wordt samen met de ontwerp structuurvisie 6 weken ter inzage gelegd.
Een ieder wordt in de gelegenheid gesteld zienswijzen over het MER en de structuurvisie in te dienen. De Commissie m.e.r. toetst in deze periode de kwaliteit van het MER en beoordeelt of de juiste (milieu)informatie aanwezig is om het besluit te kunnen nemen. De ingekomen zienswijzen en het advies van de Commissie m.e.r. kunnen aanleiding geven tot bijstellen van het planMER. Deze aanpassing kan vaak in de vorm van een aanvulling/oplegnotitie worden gedaan. Ingebrachte zienswijzen kunnen per e-mail/post worden gestuurd aan: Gemeente Oost Gelre T.a.v. Roy Reinders Postbus 17 7130 AA Lichtenvoorde E-mailadres: gemeente@oostgelre.nl Onder vermelding van ‘PlanMER Structuurvisie Laarberg fase II’. Besluit en vervolg (verwachting december 2013). De definitieve structuurvisie en het planMER worden vastgesteld door het bevoegd gezag.
1.6
Reikwijdte en detailniveau Plangebied, studiegebied en tijdshorizon Het plangebied van de structuurvisie, en daarmee ook van het planMER, is weergegeven in onderstaande afbeelding (rode kader).
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 20 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Afbeelding 1-1 Plangebied structuurvisie
Laarberg II
Laarberg I
Het studiegebied voor de planm.e.r. kan voor bepaalde milieuaspecten de plangrenzen overschrijden aangezien effecten verder kunnen reiken dan de grenzen van het plangebied. Dit is onder andere het geval bij de beoordeling van effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Een aantal van deze gebieden ligt mogelijk binnen de ‘invloedssfeer’ van de voorziene activiteit in het plangebied (dichtstbijzijnde gebied ligt op ca 5 km; dit is een Duits N2000-gebied). De tijdshorizon van de structuurvisie is gericht op 2030. De meeste milieueffecten kunnen/zullen echter al eerder optreden. Voor het planMER wordt er van uitgegaan dat de effecten binnen de komende 10 jaar optreden. Te onderzoeken milieuaspecten en voorziene ontwikkelingen uit de structuurvisie Het gaat in het planMER om de invloed op het fysieke milieu van de voorgenomen activiteiten waar de structuurvisie een kader voor biedt. De activiteiten worden getoetst op de milieuaspecten waarvoor redelijkerwijs effecten te verwachten zijn.
Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg 30 augustus 2013, versie definitief MD-DE20130168 - 21 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
Op basis van de voorgenomen activiteiten (de ontwikkelingen in de structuurvisie) en de aard van het plangebied zijn de volgende milieuaspecten als relevant beschouwd: – Natuur; – Bodem en water; – Landschap, cultuurhistorie en archeologie; – Verkeer; – Geur; – Luchtkwaliteit; – Geluid; – Externe veiligheid. In hoofdstuk 3 worden de relevante (onderzochte) ontwikkelingen uit de structuurvisie nader toegelicht. In hoofdstuk 4 wordt nader toegelicht hoe de genoemde milieuaspecten beoordeeld zijn. Detailniveau De kern van het planMER is dat de belangrijkste gevolgen van de voorziene ontwikkelingen op het milieu overzichtelijk in beeld worden gebracht. Het detailniveau van het planMER moet aansluiten op het detailniveau van de structuurvisie. In dit geval betreft het een vrij gedetailleerde, lokale, structuurvisie. Voor veel milieuaspecten kan de beoordeling niet aan kwantitatieve effecten worden gekoppeld of is dit niet wenselijk. Deze aspecten zullen aan een kwalitatieve effectbeschrijving worden onderworpen. De effecten ten opzichte van de referentiesituatie worden per criterium vertaald naar een kwalitatieve score. De beoordelingsmethodiek wordt nader toegelicht in hoofdstuk 4.
1.7
Leeswijzer In hoofdstuk 2 worden het relevante beleid en de relevante wetgeving ten aanzien van dit planMER omschreven. De relevante onderdelen van de voorgenomen activiteit (de structuurvisie) worden beschreven in hoofdstuk 3, waarin vervolgens ook de onderzoeksalternatieven voor het MER aan bod komen. Vervolgens worden de methode van effectbeoordeling en de te beoordelen milieuaspecten toegelicht in hoofdstuk 4. In hoofdstuk 5 en 6 worden per milieuaspect de referentiesituatie en de mogelijke milieueffecten weergegeven van alternatief 1 en 2. Hoofdstuk 7 beschrijft het Voorkeursalternatief (VKA). Het MER wordt afgesloten met leemten in kennis en een doorkijk naar het vervolg in hoofdstuk 8.
30 augustus 2013, versie definitief Gebiedsonderneming Laarberg B.V./PlanMER Structuurvisie uitbreiding regionaal bedrijvenpark Laarberg - 22 MD-DE20130168 Openbaar
HaskoningDHV Nederland B.V.
2
BELEIDSKADER
Divers beleid en wet- en regelgeving op verschillende niveaus is in meer of mindere mate relevant voor Structuurvisie Laarberg fase II en voorliggend planMER. In dit hoofdstuk worden het/de belangrijkste beleid/wetten toegelicht ten aanzien van: – Ruimtelijke ordening; – Natuur; – Bodem en water; – Landschap, cultuurhistorie en archeologie; – Milieukwaliteit: geluid, luchtkwaliteit, externe veiligheid en geur; – Verkeer. Relevant beleid/wet- en regelgeving dat eventueel niet wordt genoemd in dit hoofdstuk, komt aan bod bij de effectenbeoordeling.
2.1
Ruimtelijke ordening Ladder Duurzame verstedelijking en Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze is opgenomen als proceseis in Besluit ruimtelijke ordening (bijv. bij opstellen bestemmingsplan. De ladder kan als de opvolger van de SER-ladder gezien worden. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd en is een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden het doel. De ladder kent drie treden die achter elkaar worden doorlopen: 1. Is er een regionale behoefte? 2. Is (een deel van) de regeionale behoefte op te vangen binnen bestaand stedelijk gebied? 3. Zoek een locatie die multimodaal ontsloten is of kan worden voor de resterende regionale behoefte. Provincie Gelderland heeft de ladder doorvertaald naar de Gelderse ladder voor duurzaam ruimtegebruik. Deze is opgenomen in de Ontwerp Omgevingsvisie Gelderland en bijbehorende verordening. De Gelderse ladder moet niet als een strak keurslijf gaan dienen, maar als een richtinggevend instrument waarbij de stappen 'cyclisch iteratief' op elkaar inwerken. De ladder bestaat uit de volgende stappen: 1.