CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp kloezedijk 5 5a toelichting

Gemeenteraad 21 september 2021, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan ‘Buitengebied, herziening Kloezedijk 5, 5a te Lievelde’17.895 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Dit verkennend bodemonderzoek is nader beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). De beoordeling is verwoord in een advies met kenmerk 2021EA0184, d.d. 22 februari 2021 welke als bijlage is bijgevoegd. De ODA heeft een advies uitgebracht. Deze luidt als volgt: "Het bodemonderzoek voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen. De bodemkwaliteit is geschikt voor een gebruik als Wonen. Het uitvoeren van nader bodemonderzoek is niet nodig. Aan de bestemmingsplanprocedure hoeven geen bodemspecifieke voorschriften te worden verbonden".

Geadviseerd wordt om: - Opgepomt grondwater niet te gebruiken voor consumptie en/of gewasbesproeiing; - De aangetoonde zwakke tot matige bijmengingen met baksteen, beton, dakpan en glas ter plaatse van deellocatie A (boerderijerf met stallen), voorafgaand aan de herontwikkeling te verwijderen en op milieuhygiënische wijze af te voeren". In de voor de locatie benodigde omgevingsvergunning 'bouwen' zal voornoemd advies als voorwaarden en/of aandachtspunten worden opgenomen.

Asbestonderzoek Op het perceel Kleozedijk 5, 5a te Lievelde worden de aanwezige bedrijfsgebouwen gesloopt. Om te bepalen of er bij de sloop asbest vrij kan komen is hiernaar onderzoek gedaan. Het doel hiervan is om door middel van vooronderzoek (deskresearch), visuele inspectie en eventuele monsterneming en analyse, na te gaan of in/op de daken van de schuren asbesthoudende materialen zijn toegepast. Op 26 oktober 2020 heeft er een eerste onderzoek plaatsgevonden. De resultaten hiervan zijn verwoord in een onderzoeksrapport met projectnummer 20.1049, d.d. 28 oktober 2020, versie 1.0. welke als bijlage is bijgevoegd. Op basis van de resultaten van de uitgevoerde werkzaamheden is geconcludeerd dat in/op de daken van de schuren asbesthoudende materialen aanwezig zijn. Op 16 maart 2021 heeft er een aanvullend asbestonderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is een aanvulling op het eerder gedane onderzoek van 26 oktober 2020. De resultaten hiervan zijn verwoord in een onderzoeksrapport met projectnummer 20.1049, d.d. 16 maart 2021, versie 2.0. welke als bijlage is bijgevoegd. Nu uit beide onderzoeken blijkt dat er asbest op en in het bedrijf aanwezig is dienen de asbesthoudende materialen voorafgaand aan renovatie van het materiaal of eventuele sloop te worden verwijderd door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. In de

28

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde omgevingsvergunning voor het onderdeel 'bouwen' wordt het advies van de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) opgenomen. Voorafgaand aan sloop van de bedrijfsgebouwen dient het asbest door een gecertificeerd asbestverwijderingsbedrijf te worden verwijderd.

4.5

Water

Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd.

De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen).

Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel heeft een watertoetstabel als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. De relevante thema's worden na de watertoetstabel behandeld. Het bestemmingsplan legt voornamelijk de bestaande legale situatie vast, hierdoor zijn een aantal thema's minder relevant.

Toelichting (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Thema

Toetsvraag

Relevant

Hoofdthema's Veiligheid

1. Ligt in of nabij het plangebied een primaire of regionale Nee waterkering? 2. Ligt in of nabij het plangebied een kade?

Riolering afvalwaterketen

Nee

en 1. Is er toename van het afvalwater (DWA)?

Ja

2. Ligt in het plangebied een persleiding van Waterschap Rijn en Nee IJssel? 3. Ligt in of nabij het plangebied een rioolwaterzuiveringsinstallatie Nee van het waterschap? Wateroverlast (oppervlaktewater)

1. Is sprake van toename van verhard oppervlak?

Nee

2. Zijn er kansen voor het afkoppelen van bestaand verhard Ja oppervlak? 3. Bevinden zich in of nabij het plangebied natte en laaggelegen Nee gebieden, beekdalen en overstromingsvlaktes? Grondwateroverlast

1. Is in het plangebied sprake van slecht doorlatende lagen in de Nee ondergrond? 2. Bevindt het plangebied zich in de invloedzone van de Rijn of Nee IJssel?

Oppervlaktewaterkwaliteit

3. Is in het plangebied sprake van kwel?

Nee

4. Beoogt het plan dempen van slootjes of andere wateren?

Nee

1. Wordt vanuit het plangebied (hemel)water op oppervlaktewater Nee geloosd? 2. Ligt in of nabij het plangebied een HEN of SED water?

Nee

3. Ligt het plangebied geheel of gedeeltelijk in een strategisch Nee actiegebied? Grondwaterkwaliteit

1. Ligt in het plangebied een beschermingszone van een Nee drinkwateronttrekking?

Volksgezondheid

1. In of nabij het plangebied bevinden zich overstorten uit het Nee gemengde of verbeterde gescheiden stelsel? 2. Bevinden zich of komen er functies in of nabij het plangebied die Nee milieuhygiënische of verdrinkingsrisico's met zich meebrengen (zwemmen, spelen, tuinen aan water)?

Verdroging

1. Bevindt het plangebied zich in beïnvloedingsgebied voor natte land natuur?

een

hydrologisch Nee

Natte natuur

1. Bevindt het plangebied zich in of nabij een natte ecologische Nee verbindingzone? 2. Bevindt het plangebied zich in of nabij beschermingszones voor Nee natte landnatuur?

Inrichting en beheer

30

1. Bevinden zich in of nabij het plangebied wateren die in eigendom Nee of beheer zijn van het waterschap?

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

2. Heeft het plan herinrichting van watergangen tot doel?

Nee

Aandachtsthema's Recreatie

1. Bevinden zich in het plangebied watergangen en/of gronden in Nee beheer van het waterschap waar actief recreatief medegebruik mogelijk wordt?

Cultuurhistorie

1. Zijn er cultuurhistorische waterobjecten in het plangebied Nee aanwezig?

Tabel: Watertoetstabel met waterhuishoudkundige thema's

De met 'ja' beantwoorde vragen zijn hieronder nader uitgewerkt. Riolering en Afvalwaterketen Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie dienen de toename te kunnen verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Voor onderhoud aan het persleidingenstelsel is bereikbaarheid van de leiding noodzakelijk. Tot slot mogen in de milieuzone van de RWZI geen hindergevoelige functies worden opgenomen. In de Kloezedijk is riolering aanwezig. De nieuwe woningen worden op dit rioolstelsel aangesloten. De dimensionering van de riolering in de Kloezedijk is dusdanig groot dat het afvalwater dat afkomstig is van de te realiseren woningen, op dit riool geloosd mag worden.

Wateroverlast (oppervlaktewater) Door de ontwikkelingen in het plangebied zal het verhard oppervlak afnemen doordat veel dakoppervlak en oppervlakteverharding wordt gesaneerd. Wel komt er verharding bij door de gewenste woningen. Per saldo zal het totale oppervlakte aan verharding ongeveer hetzelfde blijven. Om wateroverlast, kwantitatief en kwalitatief, nu en in de toekomst te voorkomen wordt het regenwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen - afvoeren behandeld. Het hemelwater wordt ter plekke geïnfiltreerd in de bodem. Hemelwater afkomstig van het verhard oppervlak wordt geleid naar een in de nabijheid gelegen afwateringsgang waar het water de tijd krijgt om te infiltreren in de bodem.

Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.6

Geluid

Wettelijk kader In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Gemeente Oost Gelre heeft in eigen geluidsbeleid ontwikkeld om zo richting te kunnen geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke. Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden.

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Industrielawaai en wegverkeer In de directe nabijheid van het plangebied is een garagebedrijf aanwezig. Daarnaast is de Lievelderweg als doorgaande weg aanwezig. Het garagebedrijf en de weg zijn akoestische bronnen die nader onderzocht moeten worden. Hierdoor heeft Sain milieuadvies een akoestisch onderzoek uitgevoerd en verwoord in het rapport 'Akoestisch onderzoek Kloezedijk 1 Lievelde' met kenmerk 2020-3133 d.d. 14 januari 2021, dat als bijlage bij het bestemmingsplan is opgenomen. Hierbij is de gewenste uitbreiding van het garagebedrijf in meegenomen. De conclusies uit het onderzoeksrapport zijn hieronder weergegeven. Industrielawaai Gemiddelde geluidsniveau. De gemiddelde geluidsbelasting op de nieuwe woningen ten gevolge van het garagebedrijf is aanvaardbaar. Het bedrijf wordt door het plan niet beperkt in zijn bedrijfsvoering. Maximale geluidsniveau. Het maximale geluidsniveau op de nieuwe woningen is aanvaardbaar. Het garagebedrijf wordt door het plan niet beperkt in zijn bedrijfsvoering. Woon- en leefklimaat. Gezien de berekende geluidsniveaus is er ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Verkeerslawaai Geluidsbelasting per weg. De geluidsbelasting ten gevolge van elk van de wegen voldoet de voorkeursgrenswaarde van 48 dB (geldend voor gezoneerde wegen). Het vaststellen van hogere waarden is niet aan de orde.

Gecumuleerde geluidsbelasting. De gecumuleerde geluidsbelasting inclusief aftrek bedraagt 47 dB en wordt aanvaardbaar geacht. Het geluidsniveau in de woningen is aanvaardbaar als voldaan wordt aan de minimumeis aan de geluidwering van de gevel uit het Bouwbesluit. Woon- en leefklimaat. Gezien de berekende geluidsniveaus is er ter plaatse van de nieuwe woonbestemmingen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het akoestisch onderzoek is ter beoordeling voorgelegd aan de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). De beoordeling is opgenomen in een beoordelingsrapport met nummer 2020EA0079 d.d. 2 februari 2021. Dit beoordelingsrapport is als bijlage bijgevoegd. De ODA heeft het volgende geadviseerd: 1. Het akoestisch onderzoek is correct uitgevoerd, maar toetst niet op het geluidbeleid. 2. De wet geluidhinder is voor het onderdeel wegverkeerslawaai van toepassing maar voldaan wordt aan de voorkeurswaarde. Een hogere waarde is niet aan de orde. 3. Het garagebedrijf wordt niet belemmerd door de nieuwe woningen. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat bestaande woningen maatgevend zijn. 4. De berekende geluidbelastingen van het garagebedrijf op de nieuwe woningen voldoen aan de standaardwaarden van het geluidbeleid. Het woon- en leefklimaat vormt geen belemmering voor de ontwikkeling. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

Het woon- en leefklimaat wordt gegarandeerd en het tegenover liggende garagebedrijf wordt niet beperkt in de bedrijfsvoering.

4.7

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). De in deze wet gehanteerde normen gelden overal, met uitzondering van een arbeidsplaats (hierop is de Arbeidsomstandighedenwet van toepassing) en locaties waartoe leden van

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde het publiek gewoonlijk geen toegang hebben. Op 15 november 2007 is dit deel van de Wet milieubeheer in werking getreden. Kern van de wet is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Hierin staat wanneer en hoe overschrijdingen van de luchtkwaliteit moeten worden aangepakt. Het programma houdt rekening met nieuwe ontwikkelingen zoals bouwprojecten of de aanleg van infrastructuur. Projecten die passen in dit programma, hoeven niet meer te worden getoetst aan de normen (grenswaarden) voor luchtkwaliteit. De ministerraad heeft op voorstel van de minister van Infrastructuur en Milieu ingestemd met het NSL. Het NSL is op 1 augustus 2009 in werking getreden. Ook projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet meer te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 µg/m3 NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. In 2015 is door Infomil een onderzoek uitgevoerd naar de verhouding tussen de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht.

Uit de resultaten hiervan blijkt dat de concentratie PM10 en PM2,5 in de lucht sterk samenhangen. Op basis hiervan merkt Infomil op dat "wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM10, vrijwel altijd wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2,5". Voor woningbouwlocaties is een nibm-grens opgenomen van 1.500 woningen bij minimaal één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij minimaal twee ontsluitingswegen met een gelijkmatige verkeersdeling. Een project dat kleiner is dan deze grenzen, is in beginsel 'niet in betekenende mate'.

Situatie plangebied Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van een vijftal nieuwe woningen. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens van 1.500 woningen en kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd. Hoewel geconstateerd is dat het project een zogenaamd nibm-project betreft, dient ook te worden bezien of de luchtkwaliteit in het projectgebied niet zodanig is dat de normen voor een goed woonklimaat worden overschreden. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland 2011. De meest relevante luchtkwaliteitseisen voor ruimtelijke plannen zijn stikstofoxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5). Getoetst dient te worden aan de norm voor NO2 per 1 januari 2015. Vanaf die datum moet blijvend aan de norm van NO2 worden voldaan. Per 21 juni 2011 moet aan de grenswaarden voor fijn stof worden voldaan. Uit de Grootschalige Concentratiekaarten blijkt dat in het plangebied de achtergrondniveaus voor NO2, PM10 en PM2,5 in zowel 2011, 2015 als 2020 onder de grenswaarden liggen. De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft een beoordeling gedaan naar de Luchtkwaliteit. Hiervoor hebben zij advies uitgebracht die is verwoord in een adviesrapport met nummer 2020EA0171, d.d. 4 maart 2020. De ODA concludeert dat: "de ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit.

Er is geen sprake van een gevoelige bestemming. De locatie ligt bovendien op voldoende afstand van rijks- en provinciale wegen. Er is geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Er is daarom geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig. Het onderwerp luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling".

Conclusie Het plan moet worden beschouwd als een nibm-project. Uit de achtergrondniveaus blijkt dat deze onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

4.8

Natuurwaarden

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Om de uitvoerbaarheid van het plan te toetsen, is een Quickscan Flora en Fauna (4 december 2020, rapportnummer 14003.002, versie D1) door onderzoeksbureau Econsultancy uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als bijlage bijgevoegd. Het doel hiervan is om in te schatten of er in het plangebied planten- en diersoorten aanwezig of te verwachten zijn, die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve invloed kunnen ondervinden van de voorgenomen ingreep. Tevens is beoordeeld of de voorgenomen ingreep invloed kan hebben op Natura 2000-gebieden, op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd of op gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland.

Soortenbescherming De aanwezigheid van geschikt habitat op de onderzoekslocatie voor de verschillende soorten en soortgroepen is weergegeven in onderstaande tabel. In de tabel is samengevat of de voorgenomen ingreep mogelijk verstorend kan werken en wat de consequenties zijn voor eventuele vervolgstappen, zoals soortgericht nader onderzoek of vergunningstrajecten. In de tabel is weergegeven of maatregelen noodzakelijk zijn om overtreding van de Wet natuurbescherming voor bepaalde soortgroepen te voorkomen.

Overzicht geschiktheid onderzoekslocatie voor soortgroepen en te nemen vervolgstappen

Voor de (algemene) broedvogelsoorten die mogelijk op of in de directe omgeving van de

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde onderzoekslocatie broeden geldt dat, indien de vegetatie buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtreding van artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) plaats zal vinden met betrekking tot deze soorten. De nesten mogen alleen worden weggenomen wanneer deze op dat moment niet in gebruik zijn. Daarom wordt geadviseerd om eventuele snoeiwerk- en graafwerkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. In de Wet natuurbescherming wordt geen vaste periode gehanteerd voor het broedseizoen. Globaal kan de periode maart tot half augustus als broedseizoen worden aangehouden. Geldend is echter de aanwezigheid van een broedgeval op het moment van ingrijpen. Indien toch binnen het broedseizoen wordt gewerkt, dient er voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitgevoerd te worden door een ter zake kundige. Voor de op de onderzoekslocatie incidenteel te verwachten algemene zoogdieren en amfibieën geldt dat de werkzaamheden verstorend kunnen werken. Als gevolg van graafwerkzaamheden kunnen dieren worden verwond of gedood en verblijfplaatsen kunnen worden vernietigd. Dit houdt normaliter een overtreding van artikel 3.10 van de Wet natuurbescherming in.

Voor de te verwachten soorten geldt, op grond van het provinciale soortenbeleid, bij ruimtelijke ontwikkelingen echter een vrijstelling, waardoor geen ontheffing hoeft te worden aangevraagd. Het is in het kader van de zorgplicht wel noodzakelijk om voldoende zorg te dragen voor de aanwezige individuen en al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen en/of vanwege een vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkeling niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht.

Gebiedsbescherming NATURA 2000 Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied bevindt zich op circa 3,9 kilometer afstand ten zuidoosten van het plangebied. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect, zoals toenamen van geluid, trilling, licht of depositie van stikstof. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand van 3,9 km tot de meest nabijgekegen Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de planenn (sloop en woningbouw) niet te verwchten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 29 mei 2019 uitgesproken dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet meer als basis voor toestemming voor activiteiten gebruikt mag worden. Daarmee vervalt de in het PAS gehanteerde grenswaarde voor stikstofdepositie van 0,05 mol N/ha/jaar. Gevolg hiervan is dat alle ingrepen die de stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied in de omgeving ook maar enigszins verhogen in principe niet zijn toegestaan.

Ondanks de relatief grote afstand van circa 3,9 km tot het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, kan een verhoging van de stikstofdepositie door de voorgenomen ingreep op dit gebied niet op voorhand worden uitgesloten. Derhalve wordt geadviseerd om een stikstoftoets uit te laten voeren. De stikstoftoets is nader beschreven in paragraaf 4.2. Hier wordt geconcludeerd dat de toename van stikstof in de nieuwe situatie op een Natura 2000-gebied niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar.

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Ligging onderzoekslocatie ten opzichte van Natura 2000-gebieden.

NATUURNETWERK NEDERLAND De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied behorend tot het Natuurnetwerk. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 80 m ten noordwesten van de onderzoekslocatie. In onderstaande kaart is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland weergegeven. Externe effecten als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand tot het meest nabijgelegen gebied aangewezen als Natuurnetwerk Nederland in combinatie met de aard en de omvang van de voorgenomen ingreep (nieuwbouw) niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht.

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Ligging onderzoekslocatie (rode vlek) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland

Houtopstanden De Wet natuurbescherming beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. In dit hoofdstuk wordt beschreven of er bij de voorgenomen kap sprake is van meldingsplicht en herplantplicht conform artikel 4.2 en artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Verder wordt beschreven of er vervolgmaatregelen getroffen dienen te worden ten behoeve van de voorgenomen houtkap. Er zijn geen bomen binnen het plangebied aanwezig. Derhalve is een overtreding van de Wet natuurbescherming ten aanzien van beschermde houtopstanden uitgesloten.

Conclusie Het aspect natuurwaarden vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Tijdens het uitvoeren van de werkzaamheden dient het bepaalde in de Wet natuurbescherming in acht te worden genomen, hetgeen goed mogelijk is. Er dient rekening te worden gehouden met het volgende: snoei- en graafwerkzaamheden uitvoeren buiten het broedseizoen van maart tot half augustus; snoei- en graafwerkzaamheden uitvoeren binnen het broedseizoen alleen na een broedvogelinspectie door een ter zake kundige;

4.9

Bedrijven en milieuzonering

Kader

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.

Situatie plangebied De directe omgeving van het te ontwikkelen perceel aan de Kloezedijk 5, 5a te Lievelde is te omschrijven als een gemengd gebied nu er in hoofdzaak woningen in de directe omgeving zijn gelegen alsmede een enkel bedrijf zijnde een garagebedrijf (autoherstelinrichting met verkoop en opslag brandstoffen en LPG, werkplaats en stalling van auto's) en een kampeerboerderij. Door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) is een advies uitgebracht naar de milieuzonering die hieronder is weergegeven. In onderstaande tabel wordt voor beide bedrijven de richtafstand per onderdeel (geur, stof, geluid en gevaar) en de bijbehorende milieucategorie aangegeven. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning. De werkelijke afstand in onderstaande tabel is gemeten tot de grens van het huidige agrarisch bouwvlak.

De woningbouwlocatie ligt binnen de richtafstand van het naastgelegen autogaragebedrijf met LPG-tankstation. Het bedrijf is vergunningplichtig vanwege de opslag en verkoop van LPG, waarbij aanvullende regels gelden op grond van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het betreft een zogenaamde type C-inrichting. Daarbij geldt een aan te houden afstand van 20 meter vanuit de 38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde afleverzuilen voor benzine en diesel. Aan die afstand wordt ruimschoots voldaan ten opzichte van de beoogde woningbouwlocatie. De woningbouwlocatie voldoet voor het tankstationgedeelte aan de richtafstand van 50 meter. Dan resteert echter voor de rest van het bedrijf nog een richtafstand van 30 meter, waaraan niet wordt voldaan (zie onderstaande tekening). Bij het situeren van woningen buiten deze richtafstand wordt het bedrijf niet beperkt in de bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden. Ook is dan het woon- en leefklimaat ter plaatse van de nieuwe woningen niet in het geding. Te meer omdat de bestaande woning Kloezedijk 5 al op veel kortere afstand van het bedrijf ligt.

Richtafstandscontouren

Realisatie van woningen binnen de contour van 30 m is mogelijk maar er zal dan aanvullend onderzoek gedaan moeten worden naar o.a. geluid en externe veiligheid om zo het bedrijf niet in haar bedrijfsvoering te beperken en een goed woon- en leefklimaat in de nieuwe woningen te garanderen. Het aspect 'geluid' is behandeld in paragraaf 4.6. Hierin wordt geconcludeerd dat het geluid geen beperkingen geeft voor de voorgenomen planontwikkeling. Het aspect 'externe veiligheid' is behandeld in paragraaf 4.10 waarin wordt geconcludeerd dat het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar. Er wordt hiermee voldaan aan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico. Voor het LPG-tankstation is het groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde en het plan leidt niet tot een toename van de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico is daarom beperkt verantwoord.

Conclusie De Handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

4.10

Externe veiligheid

Inleiding Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren.

Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies.

Wettelijk kader Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet. Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Beleidsvisie externe veiligheid In 2008 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre de Beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Het ambitieniveau is afgestemd op het profiel van de gemeente Oost Gelre. Naast ruimte voor functies als landbouw, toerisme en wonen bestaat binnen de gemeente ook ruimte voor industriële bedrijvigheid. In de beleidsvisie is daarom gekozen voor een gebiedsgerichte benadering.

Zo staat voor woonwijken veiligheid hoog in het vaandel, terwijl op bedrijventerreinen ruimte blijft voor bedrijfsontwikkeling. Ook daar gelden echter de wettelijke veiligheidsnormen. De toegestane hoogte van het groepsrisico en de bouwmogelijkheden binnen risicocontouren (plaatsgebonden risico) verschillen in de beleidsvisie per onderscheiden gebied. Naast woonwijken en bedrijventerreinen gaat het bij deze gebiedsindeling om gemengde gebieden (met woon- en werkfuncties) en het landelijk gebied.

40

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Het voorgenomen plan is niet in strijd met de beleidsvisie externe veiligheid.

Beoordeling risicobronnen Met behulp van de signaleringskaart externe veiligheid is gekeken naar de risico's in de omgeving van het planinitiatief. De signaleringskaart externe veiligheid is een door de provincie Gelderland in samenwerking met de Gelderse omgevingsdiensten opgestelde verbeterde versie van de risicokaart. Onderstaande de afbeelding van de ligging van de planlocatie ten opzichte van de risicobronnen in de omgeving.

Figuur 1: Weergave signaleringskaart

Zoals uit bovenstaande afbeelding blijkt ligt de locatie niet binnen invloedsgebieden van risicovolle bedrijven, wegen, waterwegen en spoorwegen aangegeven op de signaleringskaart externe veiligheid.

In de directe omgeving van het te ontwikkelen gebied bevindt zich een LPG tankstation bij het autobedrijf Bleumink BV aan de Lievelderweg 87. De locatie ligt binnen het invloedsgebied (1% letaliteitsgrens) van dit LPG tankstation. Plaatsgebonden risico De planontwikkeling is niet gelegen binnen de plaatsgebonden risicocontour(PR 10 -6 ) van het LPG tankstation. Er wordt dan ook voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Er is hierdoor geen wettelijke belemmering vanuit externe veiligheid voor het realiseren van de planontwikkeling.

Toelichting (vastgesteld)

41

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Groepsrisico De planlocatie is gelegen binnen het invloedsgebied van het LPG tankstation. Omdat het aantal personen binnen het invloedsgebied toeneemt moet het groepsrisico verantwoord worden. Om de verantwoording te kunnen doen is een risicoberekening uitgevoerd voor het LPG tankstation (“Risicoberekening LPG tankstation Lievelderweg 87 te Lievelde”, ontwikkeling Kloezedijk 5-5a d.d. 9 april 2021 versie 0.1 met zaaknummer 2021EA0281). Het rapport is toegevoegd als bijlage. Uit het rapport blijkt dat het Groepsrisico toeneemt in de toekomstige situatie, maar nog steeds onder de 0,1 keer de oriëntatiewaarde blijft. Bovendien neemt de hoogte van het groepsrisico niet toe. In beide situaties blijft het hoogste punt van de groepsrisico factor 0.0009 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Ondanks dat de hoogte van het Groepsrisico dus gelijk blijft, dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Er is namelijk feitelijk wel een toename in het aantal personen binnen het invloedsgebied.

Toetsing circulaire LPG-tankstations Naast de grenswaarden genoemd in het Bevi en de daarbij behorende Revi dient ook rekening gehouden te worden met de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval'. In beginsel mogen geen zeer kwetsbare objecten binnen een afstand van 160 meter van het vulpunt gerealiseerd worden. Aangezien het beoogde plan woningen (kwetsbare objecten) betreft, zal dit geen belemmering opleveren. Daarnaast mogen er in beginsel geen (beperkt) kwetsbare objecten binnen een afstand van 60 meter van het vulpunt gerealiseerd worden. Aangezien de planlocatie op circa 110 meter vanaf het vulpunt is gelegen, vormt dit geen belemmering voor het plangebied. Toetsing aan de circulaire effectafstanden levert geen belemmering voor het beoogde plan.

Beperkte verantwoording groepsrisico Voor het LPG-tankstation dient het groepsrisico beperkt verantwoord te worden. Hiervoor is het scenarioboek externe veiligheid en het advies van de Veiligheidsregio als basis gebruikt. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico bevat de volgende onderdelen: De onderbouwing waarom met een beperkte verantwoording van het groepsrisico wordt volstaan; De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp; Het advies van de veiligheidsregio met betrekking tot de onderwerpen beheersbaarheid, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Onderbouwing beperkte verantwoording groepsrisico Het groepsrisico is kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde waardoor het plan geen invloed heeft op de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico dient daarom beperkt verantwoord te worden.

Mogelijkheden rampenbestrijding en zelfredzaamheid De mogelijkheden van de rampenbestrijding en zelfredzaamheid zijn afhankelijk van de maatgevende scenario's die zich voor kunnen doen bij een incident. Voor een LPG-tankstation is dat een koude of een warme BLEVE ('Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion') van de tankwagen nabij het vulpunt. Een koude BLEVE kan veroorzaakt worden door een externe beschadiging, bijvoorbeeld door een botsing. Hierdoor scheurt de tank open, LPG komt vrij en ontsteekt direct. Er ontstaat een vuurbal en een drukgolf. Een warme BLEVE wordt veroorzaakt doordat een aanwezige brand de druk in de LPG tank doet oplopen. Hierdoor verzwakt en bezwijkt de tankwand, LPG komt vrij en ontsteekt. Bij zowel een koude als een warme BLEVE ontstaat een vuurbal en een drukgolf. De effecten zijn warmtestraling, overdruk en scherfwerking. Deze effecten kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken.

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Mogelijkheden voor de rampenbestrijding In geval van een (koude of warme) BLEVE zal de bestrijding vooral gericht zijn op het gecontroleerd uit laten branden van de plasbrand, het voorkomen van uitbreiding en beperken van effecten door middel van het afschermen van de omgeving. Daarnaast is de inzet gericht op het stabiliseren van het incident en de ontstane branden in de omgeving blussen.

Regionaal Crisisplan De Veiligheidsregio Noord- en Oost- Gelderland (VNOG) heeft voor rampenbestrijding het Regionaal Crisisplan VNOG 2020-2023 opgesteld. In het crisisplan is vastgelegd wie waarvoor verantwoordelijk is tijdens een crisis en hoe de informatielijnen lopen. Dit plan beschrijft de hoofdstructuur, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van functionarissen en instanties ten tijde van een crisis. Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid is afhankelijk van de situatie. Kijkend naar de functie van het plangebied (wonen) en de ligging ervan tot het vulpunt van het LPG tankstation (grote afstand) is het advies om in het geval van een BLEVE te schuilen. Kijkend naar de functie van de beoogde ontwikkeling (wonen) wordt aangenomen dat de aanwezigen voldoende zelfredzaam zijn. De zelfredzaamheid van de burgers binnen de gemeente Oost Gelre kan vergroot worden door het gebruik van NL-alert. Hierop wordt door de overheid de komende jaren verder geïnvesteerd. Burgers zullen echter zelf het initiatief moeten nemen om hun mobiele telefoon hiervoor geschikt te maken (zie: http://www.crisis.nl/nl-alert).

Conclusie Voor het plan aan de Kloezedijk 5-5a is het LPG tankstation een relevante risicobron vanuit het oogpunt externe veiligheid. Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour 10-6 per jaar. Er wordt hiermee voldaan aan de grens- en richtwaarden van het plaatsgebonden risico. Voor het LPG-tankstation is het groepsrisico kleiner dan 0.1 keer de oriëntatiewaarde en het plan leidt niet tot een toename van de hoogte van het groepsrisico. Het groepsrisico is daarom beperkt verantwoord. Voor wat betreft de onderwerpen rampenbestrijding en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio een advies uitgebracht. Dit advies is opgenomen in een schrijven met kenmerk RB/ROI050/JG/SG/7137MC0005 van het VNOG (Veiligheidsregio Noord Oost Gelderland) welke als bijlage is bijgevoegd. Het VNOG gaat hierin akkoord met de omschrijving en beschrijving van het externe veiligheid van de ODA (zoals hierboven in hoofdstuk 4.10 is beschreven) en geeft daarnaast aanvullende adviezen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11

Geur

Wettelijk kader Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning.Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden. Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij: bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht. Situatie plangebied Binnen 500 m van het plangebied bevinden zich geen agrarische bedrijven. De omliggende omgeving van het plangebied kenmerkt zich door in hoofdzaak burgerwoningen in het buitengebied en in de kern Lievelde, alsmede een enkele bedrijfs- en recreatieve bestemming. Het bestemmingsplan biedt niet de mogelijkheid om nieuwe geurgevoelige objecten op kleinere afstand van omliggende veehouderijen te realiseren.

Veehouderijen worden dus niet in de ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Daarbij bestaan geen aanwijzingen voor een zodanig slecht woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied dat hierop in het kader van dit bestemmingsplan moet worden ingegrepen.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.12

Verkeer en parkeren

Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Kloezedijk. Dit is een zijtak van de doorgaande Lievelderweg en wordt hoofdzakelijk gebruikt voor bestemmingsverkeer van aanliggende woningen.

Parkeren Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma. In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd. Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeer-plaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen. De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. 44

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.

Situatie plangebied Ter plaatse geldt het Facetbestemmingsplan parkeren met identificatienummer NL.IMRO.1586.BPPAR1800-VG01 van de gemeente Oost Gelre. Binnen het Facetbestemmingsplan is een regeling opgenomen, waarin wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota of een rechtsopvolger daarvan. Expliciet is aangegeven dat ook een rechtsopvolger het kader kan vormen. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader. Uitgangspunt is parkeren op eigen terrein. Dit is op het perceel mogelijk. Binnen het plangebied is voldoende ruimte aanwezig om hier voro de woningen parkeerplaatsen te realiseren om zo te kunnen voldoen aan de normen zoals opgenomen in de hierboven aangegeven Nota parkeernormen.

Conclusie Op eigen terrein is er de mogelijkheid om te parkeren ten behoeve van de woningen. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.13

Kabels en leidingen

Rondom het plangebied zijn verschillende algemene nutskabels en -leidingen aanwezig. Hiermee wordt bij de planuitwerking rekening gehouden. Er bevinden zich in of nabij het plangebied geen kabels of leidingen waarvoor in het bestemmingsplan een beschermende regeling moet worden opgenomen.

Toelichting (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

Hoofdstuk 5 5.1

Juridische toelichting

Algemeen

De beleidsdoelstellingen zijn juridisch vertaald in de regels en de bijbehorende verbeelding. De basis voor de verbeelding, de tekening, is een recente kadastrale ondergrond en topografische gegevens. Op de verbeelding is de grens van het bestemmingsplangebied aangegeven. Binnen die grens zijn de verschillende bestemmingen met verschillende kleuren en letteraanduidingen weergegeven. Voorts zijn aanduidingen opgenomen, waarnaar in de regels wordt verwezen. Uitgangspunt voor de regels zijn de planregels die in de meest recente plannen binnen de gemeente zijn opgenomen, deels aangepast aan de Standaard Vergelijkbare Bestemmings Plannen 2012 (SVBP 2012) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre.

5.2

Bestemmingsplan

Het digitale bestemmingsplan 'NL.IMRO.1586.BPBUI2028-VG01' is de verzameling geometrisch bepaalde planobjecten dat is vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1586.BPBUI2028-VG01 met bijbehorende regels.

5.3

Plansystematiek

5.3.1

Indeling

Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding worden tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.

Regels De regels bestaan uit vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1: Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven, bij het toepassen van de wijze van meten. Dit betreft het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met bijvoorbeeld luifels, ventilatiekanalen, schoorstenen en kroonlijsten. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.

Hoofdstuk 2: Bestemmingsregels In dit hoofdstuk zijn de (dubbel) bestemmingen vastgelegd. Per bestemming wordt het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels opgenomen. Bestemmingsregeling 46

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijking van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijking van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden; wijzigingsregels. Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming. Bouwregels In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het is mogelijk dat bestaande, legale gebouwen afwijken. Onder bestaand wordt verstaan de ‘bestaande situatie’ zoals deze is vastgelegd op basis van de veldinventarisatiegegevens, alsmede de gemeentelijke bouw- en milieudossiers, de luchtfoto’s, de Basisregistraties Adressen en Gebouwen (BAG), zoals deze bij de gemeente bekend waren ten tijde van de inwerkingtreding van het Bestemmingsplan Buitengebied. Afwijken van de bouw- of gebruiksregels Afwijkingen bij een omgevingsvergunning worden gebruikt om een bestemmingsplan flexibel te maken.

Er is bijvoorbeeld een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om af te kunnen wijken van de opgenomen maatvoeringen, met een maximum van 10%. Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden Op grond van de Wro is het mogelijk om ter bescherming van de functies in bestemmingsplan, een omgevingsvergunningstelsel op te nemen waarmee bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden omgevingsvergunningplichtig worden. In het bestemmingsplan geldt bijvoorbeeld voor de gronden met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie' een omgevingsvergunningplicht.

Hoofdstuk 3: Algemene regels In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen - dat wil zeggen: het gehele bestemmingsplan betreffend - karakter. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelbepaling, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels, algemene afwijkingsregels, algemene wijzigingsregels en parkeerregelgeving.

Hoofdstuk 4: Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en de slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene bepalingen betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. 5.3.2

Bestemmingsregels

5.3.2.1 Wonen Algemeen Op de verbeelding worden bestemmingsvlakken en aanduidingen weergegeven. Voor de maatvoeringen

Toelichting (vastgesteld)

47

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde is aansluiting gezocht bij de mogelijkheden die het huidige bestemmingsplan biedt voor de omliggende woningen. Bestemmingsomschrijving In de bestemming 'Wonen' is primair de woonfunctie toegestaan. Bouwregels De maatvoering van de woonbebouwing is geregeld in de bouwregels van de woonbestemming in combinatie met de verbeelding. In de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen en bijgebouwen. Enkele woonpercelen zijn voorzien van een bouwvlak. Indien het bestemmingsvlak is voorzien van een bouwvlak moet de woning binnen het bouwvlak worden gebouwd. De maatvoering van de bebouwing is vastgelegd in het bestemmingsplan. De maatvoering in de bouwregels vindt zijn grondslag in de voorgaande bestemmingsplannen voor wonen. Voor bijgebouwen bij burgerwoningen geldt als uitgangspunt een oppervlaktemaat van maximaal 70 m2, waarbij als voorwaarde geldt dat het achtererfgebied voor niet meer dan 50% mag worden bebouwd. Indien er in de bestaande situatie sprake is van een grotere oppervlakte aan legale bijgebouwen is in dat geval de bestaande oppervlaktemaat toegestaan. Voornoemde maatvoering biedt voldoende mogelijkheden voor het bouwen van bijgebouwen. De maat is afgestemd op de maximale inhoudsmaat voor de woning en de omvang van het bestemmingsvlak.

De nieuwbouw woningen zullen qua inhoud kleiner zijn dan reguliere woningen evenals het woonperceel. Bij deze woningen is dan ook 30 m2 aan bijgebouwen per woning toegestaan. In de regels is de voorwaarde opgenomen dat het achtererf bij de woning voor maximaal 50% mag worden bebouwd voor bijgebouwen. Er is nadrukkelijk voor gekozen een relatie te leggen met de omvang van de woonbestemming. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening is de gemeente van mening dat de ruimte om de woning bepalend moet zijn voor het berekenen van de maximale bouwmogelijkheden. Een kleine woonbestemming biedt immers minder ruimtelijke mogelijkheden dan een grotere woonbestemming, zeker waar woonbestemmingen geclusterd voorkomen. De gemeente wil voorkomen dat achtererven volledig kunnen worden volgebouwd en er zodoende ongewenste leefomstandigheden ontstaan. Beroep/ bedrijf aan huis en mantelzorg In de regels voor de bestemming 'Wonen' wordt extra flexibiliteit geboden als het gaat om de mogelijkheden voor een beroep of bedrijf aan huis en het bieden van mantelzorg. In de regels zijn ook voorwaarden opgenomen waar aan voldaan moet worden als van deze flexibiliteit gebruik gemaakt wordt. Voorwaardelijke verplichting Het perceel dient landschappelijk te worden ingepast. Hiervoor is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Dit houdt in dat de landschappelijke inpassing gerealiseerd en na de aanleg in stand moet worden gehouden. 5.3.2.2 Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2 Deze bestemming betreft de te beschermen archeologische waarden. De betrokken gronden zijn op de verbeelding aangegeven. Dit is gebaseerd op de gemeentelijke archeologische beleidskaart. In het bestemmingsplan komt maar één categorie voor: Bestemming

Categorie gemeentelijke archeologische beleidskaart en bijbehorend beleid

Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2

AWG categorie 4: Onder voorwaarden bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv en groter dan 5.000 m²

Er zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen om de dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.

48

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Buitengebied herziening Kloezedijk 5, 5a Lievelde

5.3.2.3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat bij opeenvolgende bouwaanvragen waarbij een bepaalde oppervlakte aan grond als voorwaarde is geformuleerd, dezelfde grond opnieuw bij de afweging omtrent vergunningverlening wordt betrokken. De anti-dubbeltelbepaling wordt conform het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) overgenomen in het bestemmingsplan. Algemene gebruiksregels In het artikel 'Algemene gebruiksregels' is aangegeven welke gebruiksvormen in ieder geval strijdig zijn met het bestemmingsplan. Het verbod om gronden en bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan te gebruiken is geregeld in de Wabo, ex art. 2.1 lid 1 sub c. Algemene afwijkingsregels In de algemene afwijkingsregels is onder andere geregeld dat nutsvoorzieningen kunnen worden gerealiseerd tot een maximum van 25 m2. Tevens is overschrijding van de hoogten en oppervlakten tot een maximum percentage van 10% mogelijk. Verder is afwijking mogelijk voor zendmasten en onder voorwaarden verschuiving van bijvoorbeeld bouwgrenzen. Algemene wijzigingsregels In de algemene wijzigingsregels is de wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor het in geringe mate aanpassen van het plan. Daarnaast zijn het oprichten van bouwwerken ten behoeve van openbaar nut opgenomen. Aan het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid zijn voorwaarden gekoppeld.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10519637/1