bp ikc karel doormanstraat toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat vastgesteld
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Plangebied 1.3 Geldende regeling 1.4 Leeswijzer
6 6 6 7 8
Hoofdstuk2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie 2.2 Het plan
9 9 10
Hoofdstuk3 Beleid 3.1 Internationaal niveau 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
14 14 15 17 18
Hoofdstuk4 Uitvoeringsaspecten 4.1 Bodem 4.2 Water 4.3 Geluid 4.4 Luchtkwaliteit 4.5 Externe veiligheid 4.6 Flora en fauna 4.7 Archeologie en Cultuurhistorie 4.8 Bedrijven en milieuzonering 4.9 Geur 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Laagvliegroute, kabels en leidingen 4.12 Milieueffectrapportage
21 21 21 24 25 26 29 31 32 34 34 37 37
Hoofdstuk5 Juridische toelichting 5.1 Plansystematiek 5.2 Beschrijving van de bestemmingen
39 39 40
Hoofdstuk6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid
42 42 42
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Toelichting
Toelichting (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
In Groenlo is sprake van terugloop van het aantal leerlingen in het primair onderwijs. Om die reden is onderzocht of het aantal locaties teruggebracht kan worden van vijf naar drie. De gemeente Oost Gelre heeft daardoor sinds een aantal jaren de wens om in Groenlo een multifunctioneel IKC (Integraal Kindcentrum) te vestigen. Het IKC wordt gerealiseerd binnen de kern van Groenlo, ter plaatse van de bestaande basisschool St. Willibrordus. Een IKC is een maatschappelijke voorziening met diverse functies gericht op de ontwikkeling van kinderen. Hierdoor kunnen deze optimaal van elkaar profiteren en kan er een integraal gebouw worden ontwikkeld. Voor de locatie geldt het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo'. Op basis van dit bestemmingsplan is de locatie bestemd als 'Maatschappelijk'. Op grond van deze bestemming is de beoogde functie toegestaan. Het gebouw ten behoeve van het IKC past echter niet binnen de geldende bouwregels. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Onderhavig plan voorziet hierin.
1.2
Plangebied
Het plangebied is gelegen binnen het stedelijk gebied van Groenlo, ten noordwesten van het centrum. Het plangebied wordt grofweg begrensd door de Karel Doormanstraat in het zuiden, de Willem Barentszstraat aan de zuidwestzijde, de Van Kinsbergenstraat en het Watermolenpad in het noorden en enkele woonpercelen aan de Hartebroekseweg in het oosten. Ten noordwesten van het plangebied is de Groenlose Slinge gelegen. Op de navolgende afbeeldingen zijn globaal de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing wordt verwezen naar de verbeelding behorende bij dit bestemmingsplan.
Luchtfoto van de globale ligging van het plangebied
6
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Luchtfoto met globale begrenzing van het plangebied
1.3
Geldende regeling
Voor het plangebied gelden op dit moment drie bestemmingsplannen: Bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, vastgesteld door de gemeenteraad op 30 oktober 2012; Facetbestemmingsplan parkeren, vastgesteld door de gemeenteraad op 5 juni 2018; Parapluplan Archeologie, vastgesteld door de gemeenteraad op 22 februari 2022. BestemmingsplanWoonwijken Groenlo Het vigerende bestemmingsplan betreft het bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo'. In dit bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemmingen 'Maatschappelijk', 'Verkeer - Verblijfsgebied' en 'Groen - 1'. Ter plaatse van de bestemming 'Maatschappelijk' is er de aanduiding 'onderwijs'. Hierbinnen zijn de functies onderwijs en (kinder)opvang toegestaan. Een groot deel van het bestemmingsvlak is gelegen binnen een bouwvlak. Hierbinnen mag 80% worden bebouwd. De maximale toegestane goothoogte bedraagt 4,5 m en bij de gymzaal bedraagt deze 8 m. De maximale toegestane bouwhoogte binnen het bouwvlak bedraagt 8 m.
Toelichting (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan Onderhavig plan is niet geheel binnen het vigerende bestemmingsplan mogelijk, omdat de maximaal toegestane goothoogte en bouwhoogte worden overschreden. Daarnaast dienen er Kiss & Ride-plaatsen en het parkeren mogelijk te worden gemaakt. Om deze redenen is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.
Facetbestemmingsplanparkeren In het facetbestemmingsplan zijn de gemeentelijke parkeernormen opgenomen en is bepaald dat deze doorwerken in de reeds vastgestelde bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre. In artikel 4 is de regeling voor parkeren opgenomen. In de regeling wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota van de gemeente Oost Gelre of een rechtsopvolger daarvan. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader.
Parapluplan Archeologie Ten aanzien van het plangebied is het Parapluplan Archeologie geldend. Op de locatie gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4'. Hierdoor is er archeologisch onderzoek noodzakelijk bij werkzaamheden dieper dan 40 cm en een oppervlakte van 250 m2 of groter (verwachtingsgebied 2) en bij werkzaamheden dieper dan 30 cm en een oppervlakte van 5.000 m2 of groter (verwachtingsgebied 4).
1.4
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 worden het plangebied en het plan verder toegelicht. Hoofdstuk 3 gaat in op het geldende beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de planologische uitvoerbaarheid en komen de diverse milieu- en overige aspecten aan de orde. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische opzet van de regels van dit bestemmingsplan. In Hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de procedure.
8
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Bestaande situatie
Het plangebied bestaat uit het schoolterrein en een gedeelte openbare verharding en groen aan de noordwestzijde. Het schoolterrein is begrensd met hekwerken rondom het schoolgebouw. Bijna 1/3 deel daarvan is momenteel bebouwd, met onder andere het schoolgebouw, een gymzaal en fietsparkeerplekken. De overige delen van het terrein zijn overwegend in gebruik als plein. Er is een aanzienlijk deel verhard oppervlak. De gymzaal staat tegen de oostelijke grens van het terrein, grenzend aan de tuinen van de woningen aan de Hartebroekseweg. Rondom het plangebied bevinden zich verschillende groenstructuren.
Foto bestaande situatie basisschool, gezien vanaf de Karel Doormanstraat
Toelichting (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Foto bestaande situatie basisschool, gezien vanaf de Karel Doormanstraat De omgeving kenmerkt zich met name door woonbebouwing. De omringende bebouwing bestaat overwegend uit twee-onder-één-kapwoningen van één of twee lagen met kap. De groenzone bij het Watermolenpad vormt een uitzondering hierop.
2.2
Het plan
2.2.1
Doel en aanleiding van het plan
Het doel van het IKC is om één plek te creëren waar onderwijs, opvang en sport samen komen. Er zijn op hoofdlijnen twee redenen aan te wijzen waarom tot dit initiatief is over gegaan: 1. Passend onderwijs: Basisscholen willen steeds meer tegemoet komen aan de behoeften van kinderen. De expertise hiervoor is op veel basisscholen al gedeeltelijk aanwezig en dat willen de scholen uitbreiden. Deze expertise is te vinden in de combinatie van onderwijs, (buitenschoolse) kinderopvang en sport (gymzaal). Het lijkt dan ook een logische stap om deze functies met elkaar te verbinden en elkaars nabijheid op te zoeken. 2. Krimp: Scholen in de Achterhoek hebben te maken met een stevige daling in het aantal leerlingen. In eerste instantie in het primair onderwijs, maar vervolgens ook in het Voortgezet Onderwijs. In de periode 2010-2025 daalt het aantal basisschoolleerlingen in de Achterhoek met ruim 33% en binnen Oost Gelre met ruim 34%. Om dit naar de toekomst toe adequaat op te kunnen vangen is niets doen geen optie. Het is daarom dat de bestuurders van het onderwijs in de kern Groenlo hebben besloten om de handen ineen te slaan en met deze opgave aan de slag te gaan vanuit een gemeenschappelijke visie. Deze visie is door de gemeente Oost Gelre omarmd, waarmee een lijn kan worden uitgezet naar 2030.
Mede doordat er in Groenlo sprake is van een terugloop van het aantal leerlingen in het primair onderwijs, is onderzocht of het aantal locaties teruggebracht kan worden van vijf naar drie. Dit onderzoek is in 2017 door Team Sygma uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1. Uit dit onderzoek kwam naar voren dat de locatie van de St. Willibrordusschool voldoende mogelijkheid biedt om nieuwbouw in te passen inclusief een eigen identiteit (entree, uitstraling, gebouwdeel). Deze locatie wordt dan ook als een geschikte nieuwbouwlocatie beschouwd.
10
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Tijdens het onderzoek kwam naar voren dat ’t Palet als basisschool verdwijnt uit Groenlo. Besloten is dat leerlingen van deze basisschool opgenomen worden bij de St. Willibrordusschool in het toekomstige IKC. Het aangepaste programma bestaat uit de St. Willibrordusschool, een buitenschoolse opvang (BSO), een kinderdagopvang, voorschoolse educatie (VVE), een vakantieopvang en een gymzaal. Hierbij zal er sprake zijn van medegebruik van de ruimten van het IKC. Vervolgens is in maart 2018 een raadsvoorstel opgesteld, waarbij is aangegeven dat bij het ontwikkelen van verdere plannen een voorkeur wordt uitgesproken voor het IKC op de locatie St. Willibrordus (Karel Doormanstraat). Vanwege de ligging en het (bewuste) achterstallig groot onderhoud is de realisatie van een IKC door middel van nieuwbouw een reële optie. 2.2.2
Programmatische uitgangspunten en stedenbouwkundige uitgangspunten
Op basis van het locatieonderzoek en het amandement van de raad is een Stedenbouwkundig Programma van Eisen opgesteld (Bijlage 2). In deze paragraaf wordt nader ingegaan op dit Programma van Eisen.
Programmatische uitgangspunten Gebouwen Voor het totale programma voor de functies (school, kinderdagopvang, gymzaal) van het IKC bestaat er de wens om waar mogelijk te stapelen. In ieder geval de kinderen van 8-12 jaar (de vier laatste groepen) kunnen in ruimtes op de eerste verdieping terecht. Buitenruimte In het Stedenbouwkundig Programma van Eisen is gesteld dat de buitenruimte minimaal 3 m² per kind is (geldt voor zowel de school als de kinderdagopvang). De wens is uiteraard om meer buitenruimte te realiseren. Op het terrein moet het hemelwater worden geborgen en moeten voldoende parkeerplaatsen voor auto's en fietsen worden gerealiseerd.
Stedenbouwkundige uitgangspunten In het Stedenbouwkundig Programma van Eisen worden uitgangspunten benoemd. Hieronder worden ze kort samengevat:
verschillende
stedenbouwkundige
Bebouwing in een groene omgeving: Het is van belang dat de groene uitstraling/omzoming van het plangebied zoveel mogelijk behouden blijft en versterkt wordt; Speelpleinen: Realisatie meerdere kleine (groene en verharde) speelpleinen voor verschillende doelgroepen; Verkeersveiligheid: Een hoge verkeersveiligheid rondom het IKC heeft een zeer hoge prioriteit; Parkeren en Kiss & Ride: Het parkeren, de Kiss & Ride en het fietsparkeren kennen ieder een zo afzonderlijk mogelijke aankomstroute en entree; Waterberging: Realisatie in combinatie met groen en natuurlijk spelen inclusief een referentie naar de oude loop van de Groenlose Slinge. 2.2.3
Stedenbouwkundige opzet nieuwbouw
Dit bestemmingsplan is gebaseerd op de stedenbouwkundige opzet voor de nieuwbouw. Binnen de kaders van dit bestemmingsplan moet nog een definitief bouwplan worden ontwikkeld. In het Stedenbouwkundig Programma van Eisen is al wel een opzet voor de mogelijke nieuwbouw opgenomen. De navolgende afbeelding geeft hiervan een indruk.
Toelichting (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Stedenbouwkundige opzet In de stedenbouwkundige opzet is het nieuwe gebouw centraal in het plangebied gesitueerd zodat het gebouw rondom in het groen staat. De Kiss & Ride is ten westen van het IKC gelegen in het plangebied en is aangesloten op de Willem Barentszstraat (inrit) en de Van Kinsbergenstraat (uitrit). De parkeerplaats is bereikbaar vanaf de Karel Doormanstraat. Via verschillende speelpleinen en entrees is het IKC bereikbaar voor verschillende verkeersstromen. De stedenbouwkundige visie voor de nieuwe school gaat uit van de volledige sloop van het bestaande schoolgebouw en gymzaal. Dit biedt de mogelijkheid om het nieuwe schoolgebouw met geïntegreerde gymzaal een heel eigen karakter en invulling te geven, passend bij de onderwijsbehoefte van de school en kinderopvang en het gebruik door verenigingen. De bebouwing komt centraal in het plangebied te liggen. Er omheen zijn de pleinen en overige functies gesitueerd. Het gebouw krijgt een paviljoenachtige uitstraling qua architectuurstijl. In deze definitie is dat een uniek gebouw met een open en transparante uitstraling met een duidelijke wisselwerking tussen de (groene) omgeving en de vormgeving van het gebouw. Uit de ontwerpfase van het stedenbouwkundige onderzoek blijken de aspecten massa, positie, opbouw en rooilijn van de bebouwing van groot belang.
12
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
2.2.4
Beeldkwaliteitsplan
Het beeldkwaliteitsplan dient ter inspiratie en toetsing. Het is een toetsingskader aanvullend op de gemeentelijke welstandsnota. Architecten, ontwerpers en andere betrokkenen kunnen in het beeldkwaliteitsplan lezen wat de beoogde en gewenste ruimtelijke beeldkwaliteit is, waarbij de stedenbouwkundige visie en beeldkwaliteitscriteria voorop staan. Het is dan ook een verbindend element tussen landschap, architectuur en stedenbouw. Er worden richtlijnen en toetsbare criteria gegeven voor de bebouwing en de buitenruimte en de relaties met de omgeving. Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen als Bijlage 3.
Toelichting (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Hoofdstuk 3
Beleid
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het geldende relevante beleid op rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau.
3.1
Internationaal niveau
3.1.1
Vogelrichtlijn
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. 3.1.2
Habitatrichtlijn
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn. 3.1.3
Het Verdrag van Valleta (Malta)
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen.
14
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
3.1.4
Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: De vervuiler betaalt De gebruiker betaalt Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water Resultaatsverplichting in 2015 Stroomgebiedsbenadering Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.
Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Onderdeel van de Omgevingswet is een visie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). Met de NOVI neemt het Rijk het voortouw voor een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Nederland. De NOVI richt zich op de volgende vier prioriteiten die onderling veel met elkaar te maken hebben en gevolgen hebben voor het inrichten van de fysieke leefomgeving: Ruimte maken voor de klimaatverandering en energietransitie; De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden; Steden en regio's sterker en gezonder maken; Het landelijk gebied toekomstbestendig ontwikkelen. In de NOVI staan de keuzes op nationaal niveau, maar in veel gevallen ligt de verantwoordelijkheid bij gemeenten en/of provincies. Op basis van drie uitgangspunten helpt de NOVI bij het wegen van belangen en het maken van keuzes: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. De nationale belangen zijn geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
Het gaat bijvoorbeeld om rijksvaarwegen, defensie, ecologische hoofdstructuur, erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, hoofdwegen en hoofdspoorwegen, electriciteitsvoorziening, buisleidingen van
Toelichting (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en primaire waterkeringen. Door de nationale belangen vooraf in bestemmingsplannen te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Daarnaast is er de Ladder van duurzame verstedelijking (geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en ruimte (SVIR). De Ladder is als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen (Bro). Het doel van de Ladder is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Centraal hierin staat of de beoogde ontwikkeling aansluit aan de regionale behoefte.
Toetsing Het onderhavige plan raakt geen rijksbelangen. Wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt verwezen naar paragraaf 3.2.2. 3.2.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
Algemeen Op 1 oktober 2012 is de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 lid 2 Bro vastgelegd en luidt als volgt: "De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien." Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de Ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.
Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder 'stedelijke ontwikkeling' en 'bestaand stedelijk gebied' wordt verstaan is in het Bro opgenomen en verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Onder 'bestaand stedelijk gebied' verstaat het Bro een 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'.
Toetsing De planologische ontwikkeling voorziet in een, gezien de geldende bestemming, beperkte uitbreiding van de toegestane functies. De extra functies zijn niet van dien aard en substantiële omvang dat kan worden gesproken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De Ladder is voor deze ontwikkeling niet van toepassing. Dit betekent niet dat een onderbouwing van de behoefte aan het nieuwe plan daarmee vervalt. Wat betreft de behoefte wordt gesteld dat sprake is van een concrete behoefte aan deze ontwikkeling. Diverse bestaande partijen, welke nu nog gehuisvest zijn op verschillende en afzonderlijke locaties, hebben het initiatief genomen om de bebouwde voorzieningen op één locatie te bundelen. De beoogde
16
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat samenwerking op verschillende gebieden (inhoudelijk, facilitair etc.) maken de behoefte aan de bundeling van voorzieningen in het plangebied nog concreter. Daarnaast wordt met de bundeling van de voorzieningen ingespeeld op de verwachte daling van het aantal leerlingen in het primair onderwijs. De breed gedragen behoefte voor de ontwikkeling van een IKC in Groenlo is ook naar voren gekomen in het locatieonderzoek van Team Sygma uit 2017 (zie Bijlage 1).
Conclusie Er is een concrete behoefte aan de beoogde ontwikkeling en het initiatief voldoet aan de uitgangspunten van de Ladder voor duurzame verstedelijking.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie Gelderland
Op 19 december 2018 is de omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. In deze visie beschrijft de provincie welke richting de provincie op wil op het gebied van energie, klimaat, water, voedsel en ook hoe de provincie de omgeving wil inrichten.
Om samen een Gaaf Gelderland te bereiken, legt de provincie bij het uitvoeren van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities geeft de provincie hier richting aan: energietransitie; klimaatadaptatie; circulaire economie; biodiversiteit; bereikbaarheid; economisch vestigingsklimaat; woon- en leefklimaat. Voor dit bestemmingsplan is de ambitie voor het woon- en leefklimaat van toepassing. De provincie streeft naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Zo worden de economische kracht en kwaliteit van leven in Gelderland versterkt, nu en in de toekomst. Om Gelderland voor mensen en bedrijven aantrekkelijk te houden, is de kwaliteit van de leefomgeving van groot belang. Bovendien draagt een goede kwaliteit van de leefomgeving bij aan gezondheid. Goed bereikbare voorzieningen, aansprekende evenementen, unieke cultuurhistorie, inspirerende culturele voorzieningen, een mooie natuur; het is allemaal van belang. Ook goed wonen hoort daarbij. Gelderland heeft op woongebied een bijzondere positie met uiteenlopende woonkwaliteiten, zowel stedelijke als landelijke. De Gelderse streken hebben ieder hun eigen aard, waar mensen zich thuis en verbonden met elkaar voelen. In onze groeiende Gelderse steden komen veel activiteiten samen.
Tegelijkertijd wordt geïnvesteerd in een vitaal platteland, juist als daar krimp plaatsvindt. Om het landschap open, groen en het voorzieningenniveau op peil te houden en leegstand te voorkomen, is bouwen binnen bestaand stedelijk gebied het vertrekpunt. De provincie geeft de voorkeur aan het benutten van bestaande gebouwen en gaat voor concentraties van bebouwing. Pas als er geen andere goede mogelijkheden zijn, kan worden uitgebreid aan de randen van de steden of dorpen.
Toetsing De realisatie van het IKC zorgt voor een verbetering van het woon- en leefklimaat in Groenlo door het voorzieningenniveau op peil te houden. De nieuwe functies binnen het IKC worden zorgvuldig ingepast in de nieuwe bebouwingsstructuur in de omgeving van het plangebied. Het plan is in overeenstemming met
Toelichting (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat het provinciale visie.
3.3.2
Omgevingsverordening Gelderland
De Omgevingsverordening is vastgesteld op 24 september 2014 en sinds 18 oktober 2014 in werking getreden. De verordening is daarna diverse keren aangevuld of gewijzigd. De laatste geconsolideerde versie van de Omgevingsverordening dateert van februari 2022. De verordening is de juridische vertaling van het beleid uit de Omgevingsvisie. Ter plaatse van het plangebied zijn de regels omtrent 'klimaatadaptatie' van belang. In 2050 wil Gelderland optimaal beschermd zijn en kunnen meebewegen met het veranderend klimaat. Overtollig water moet dan zonder problemen kunnen worden opgevangen, wegstromen en in de bodem kunnen zakken en verdroging van land- en tuinbouwgebieden en bossen moet worden tegengaan. De provincie Gelderland werkt hier vooral aan vanuit haar betrokkenheid bij waterveiligheid, waterkwaliteit, bodem en natuur en houdt daarbij rekening met de variatie van de Gelderse streken. In tijden van overvloed moet het water worden opgevangen en voor langere tijd worden vastgehouden in onze beken.
Toetsing Met dit initiatief wordt rekening gehouden met de waterhuishouding, waarop verder wordt ingegaan in paragraaf 4.2, en de aanleg van groen in het nieuwe leefmilieu. Het plan is niet strijdig met de provinciale omgevingsverordening.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre
Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven. Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering.
Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing.
Toetsing van het plan aan het Geluidsbeleid Oost Gelre In paragraaf 4.3 wordt nader ingegaan op het aspect geluidshinder door weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op milieuhinder, waaronder geluid, van omliggende bedrijfsmatige functies.
18
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
3.4.2
Beleidsvisie Externe veiligheid
Als gevolg van enkele rampen en incidenten, zoals de vuurwerkramp in Enschede, is externe veiligheid een belangrijk thema geworden. Deze rampen en incidenten hebben ertoe geleid dat de Rijksoverheid diverse maatregelen heeft genomen om acht te krijgen op de risicobronnen in Nederland en het optimaliseren van de risicobeheersing rondom de risicobronnen. Maatschappelijk gezien hebben deze rampen eveneens een belangrijke bijdrage geleverd aan de bewustwording van het leven met veiligheidsrisico's. Helder is dat de huidige maatschappij nu eenmaal veiligheidsrisico's met zich meebrengt, maar dat er wel grenzen aan deze risico's gesteld moeten worden. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente allereerst haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.
Daarnaast wordt aangegeven welke maatregelen genomen moeten worden om de geformuleerde ambities te realiseren en welke instrumenten daarvoor kunnen worden ingezet. De maatregelen worden uitgewerkt in andere gemeentelijke documenten (bestemmingsplannen / streekplannen, milieuvergunningen en rampenbestrijdingsplannen). In die zin bestrijkt de beleidsvisie zowel de beheersing van risico's als de bestrijding van een ramp wanneer die zich voordoet.
Toetsing In paragraaf 4.5 wordt er ten aanzien van voorgenomen ontwikkeling nader ingegaan op het aspect externe veiligheid. 3.4.3
Welstandsbeleid Oost Gelre 2017
Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren". Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven. Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid,. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Toetsing Ten aanzien van voorgenomen ontwikkeling wordt het aspect van welstand behandeld in Hoofdstuk 2. Specifiek staat in 2.2.4 het beeldkwaliteitsplan (Bijlage 3) benoemd, als toetsingskader aanvullend op de gemeentelijke welstandsnota.
Toelichting (vastgesteld)
19
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
3.4.4
Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024
Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst. De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen.
Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma.
Toetsing In paragraaf 4.10 wordt er ten aanzien van voorgenomen ontwikkeling nader ingegaan op het aspect verkeer en parkeren. 3.4.5
Wmo, Jeugd, Participatie & Gezondheid
De gemeente gaat uit van 'positieve gezondheid'. De uitgangspunten van positieve gezondheid zijn in de Achterhoek breed onderschreven, samen met partners zoals de GGD, zorginstellingen etc. Positieve gezondheid is het vermogen om je aan te passen en je eigen regie te voeren, in het licht van de sociale, fysieke en emotionele uitdagingen van het leven. Er zijn zes dimensies of pijlers van positieve gezondheid (Lichaamsfuncties, Mentaal Welbevinden, Zingeving, Kwaliteit van Leven, Sociaal Maatschappelijk Participeren en het Dagelijks Functioneren). Elk met zijn eigen indicatoren (of determinanten). Centraal staat de eigen beoordeling van de persoonlijke situatie en wat iemand daaraan zou willen veranderen. Het onderwijs raakt meerdere pijlers van positieve gezondheid. Samen met de Oost Achterhoekse gemeenten is de gemeente Oost Gelre al gestart met integrale onderwijszorgarrangementen voor kinderen in het basis- en voortgezet onderwijs. In 2016 is er een werkgroep gestart om een soortgelijke werkwijze te ontwikkelen voor jongeren die uitstromen uit het voortgezet onderwijs. Op het gebied van participatie onderhoudt de gemeente nauwe contacten met het praktijkonderwijs en voortgezet speciaal onderwijs zodat jongeren die van deze scholen komen maximaal ondersteund kunnen worden bij het vinden van werk en het participeren in de samenleving.
Toetsing Het IKC draagt bij aan de doelstellingen voor een positieve gezondheid. Enerzijds vanwege de bundeling van krachten en samenwerking van verschillende partijen op één locatie (zie paragraaf 2.2 voor meer informatie) en anderzijds doordat dit zal gebeuren in een nieuw gebouw met doorgaans aangenamere faciliteiten (meer comfort binnen, ict-voorzieningen etc.) dan in het huidige onderwijsgebouw in het plangebied.
20
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Hoofdstuk 4 4.1
Uitvoeringsaspecten
Bodem
Algemeen Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk.
Onderzoek De bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Verwacht wordt dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Het uitvoeren van bodemonderzoek is in deze fase niet nodig. Op grond van de Woningwet/Bouwverordening moet bij de bouwaanvraag van de school echter wel een geschikte bodemkwaliteitsverklaring meegeleverd worden. In dat kader is het uitvoeren van bodemonderzoek dus wél nodig.
Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.2
Water
Algemeen In het kader van het Nationaal Bestuursakkoord Water moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden aangetoond dat de waterhuishouding niet negatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Dit is vastgelegd in het procesinstrument 'de Watertoets'. In de waterparagraaf in de toelichting moeten de resultaten van deze toets worden opgenomen, waaronder het wateradvies van de waterbeheerder.
Situatie plangebied In het plangebied neemt door de beoogde ontwikkeling het verhard oppervlak af in de nieuwe situatie. In het Stedenbouwkundig Programma van Eisen staat aangegeven dat wordt uitgegaan van 40 mm berging op het terrein (totaal verhard oppervlak). Dit is ook één van de basiseisen uit het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) van de gemeente Oost Gelre. Daarnaast moet in het plangebied de hoeveelheid afstromend hemelwater zoveel mogelijk worden beperkt, waarbij de berging van hemelwater zoveel mogelijk op eigen terrein moet gebeuren zonder veel transport van water.
Toepassen van de bergingsopgave Voor het toepassen van de bergingsopgave moet men bij het opstellen van mogelijke ontwerpen werken aan de hand van de bekende tritsen. Hierbij is er de volgende voorkeursvolgorde: voorkomen van afstromend hemelwater door bijv. toepassing van groene daken (denk daarbij aan de meerwaarde: biodiversiteit, isolatie, verhoogd rendement van evt. zonnepanelen); hergebruik van hemelwater (bijvoorbeeld voor gebruik in wc/was maar ook als sproeiwater); infiltratie in de bodem; berging met vertraagde afvoer; als niets mogelijk is: afvoer richting hemelwaterriool of oppervlaktewater. Toelichting (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Binnen het plangebied gaat de voorkeur uit naar “zichtbaar water”, zowel vanuit bewustwording als vanuit beheer. Hemelwater moet gescheiden van vuilwater en bovengronds worden aangeboden aan de openbare weg. Infiltratie- of bergingsvoorzieningen dienen altijd te zijn voorzien van een overstortmogelijkheid om wateroverlast in extreme situaties te voorkomen. In een later stadium worden de benoemde uitgangspunten verder uitgewerkt in een waterhuishoudkundig plan. Het waterhuishoudkundig plan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan het cluster Water&Riolering van de gemeente Oost Gelre.
Watertoets Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl. Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Op basis van de ingevulde Watertoets wordt door het waterschap geconcludeerd dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt. Hiervoor wordt de normale procedure in gang gezet en is er advies van het waterschap nodig. De Watertoets is toegevoegd als Bijlage 4. Dit advies heeft betrekking op een rioolgemaal en de wateroverlast. In de nabijheid van het plangebied is het rioolgemaal Groenlo van het waterschap gevestigd. Op dit rioolgemaal berust een zonering (geur- en hindercirkel) van 30 meter van de put van het gemaal. Op basis van de tekeningen van het toekomstige IKC ziet het waterschap Rijn en IJssel geen probleemen voor het beheren en onderhouden van het rioolgemaal Groenlo. Daarnaast is er de wateroverlast, waarbij een wijziging in verhard oppervlak consequenties oplevert voor de afvoer van het hemelwater. Bij onderhavig plan neemt het verhard oppervlak af, maar wordt er ook bebouwing gesloopt en herbouwd.
Indien er sloop en herbouw plaats vindt dan wordt om reden van klimaatontwikkeling het uitgangspunt door het waterschap gehanteerd, dat over de oppervlakte die gesloopt én herbouwd wordt per m2, 20 mm wordt geborgen of vertraagd wordt afgevoerd. Hieraan wordt ruimschoots voldaan, omdat de gemeente de eis via de regels een voorwaardelijk verplichting opneemt, die inhoudt dat op eigen terrein wordt voorzien in waterberging met een minimale capaciteit van T10+10% (40 mm) en T100+10% bergen tot aan maaiveld.
Klimaatadaptatie Klimaatadaptatie heeft in het landelijke beleid een flinke impuls gekregen. Het Deltaprogramma 2018 bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress en droogte versnelt en intensiveert. Daarnaast zijn er in de nabije toekomst diverse ontwikkelingen zoals het stimuleren van de bewustwording in relatie tot klimaatadaptatie, de invoering van de Klimaatwet en de invoering van de Omgevingswet. De Klimaatwet hangt samen met het beleid dat in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is verwoord. In het regeerakkoord 2017 “Vertrouwen in de toekomst” staat dat de hoofdlijnen van de afspraken op het terrein van klimaat en energie worden verankerd in een klimaatwet. Lessen die Planbureau voor de Leefomgeving (2016) uit de Britse klimaatwet heeft getrokken, zijn onder andere dat het geen probleem is om zowel mitigatie als adaptatie in deze wet te borgen. Naar verwachting volgt Nederland dat voorbeeld gezien de invoering van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en de verplichte klimaatstresstest voor gemeenten. Daarnaast werkt het Rijk momenteel aan een Aanpak Klimaatadaptatie Gebouwde Omgeving en wordt nagedacht over regels in het Bouwbesluit voor klimaatadaptief bouwen.
De invoering van de Omgevingswet biedt, naast het al door de gemeente ingezette klimaatbeleid, mogelijkheden om klimaatadaptatie een basis te geven in (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen en zo te werken aan een leefbare en gezonde stad. Hiervoor kunnen de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan als juridische instrumenten worden ingezet. We kunnen zo een afgewogen keuze maken, welke risico's we al dan niet accepteren. De invoering van
22
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat de Omgevingswet is nu gepland op 1 januari 2023.
Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) Mede gebaseerd op de adviezen uit het Manifest Klimaatbestendige Stad (2013) is in 2014 de intentieverklaring Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie verschenen. In deze beslissing staat het gezamenlijk doel centraal: in 2050 is het bebouwde gebied in Nederland, inclusief vitale en kwetsbare objecten, zo goed als mogelijk “waterrobuust” en “klimaatbestendig” ingericht. Hierbij wordt gewerkt aan maatregelen om de kwetsbaarheid van de stad te verlagen voor drie opgaven: te nat (overstroming en wateroverlast), te droog (wateronderlast) en te warm (hittestress). In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) staan zeven ambities centraal:
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Kwetsbaarheid in beeld brengen via stresstest Risicodialoog voeren en strategie opstellen Uitvoeringsagenda opstellen Meekoppelkansen benutten Handelen bij criminaliteiten Reguleren en borgen Stimuleren en faciliteren, kennis ontwikkelen en delen
Door te werken aan deze zeven ambities wordt de totstandkoming van een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting versneld en geïntensiveerd.
Klimaatadaptatie in het plangebied Het IKC (inclusief buitenruimte) geeft maximaal invulling aan klimaatadaptatie door een zo goed mogelijke klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting te krijgen. Door efficiënter gebruik van de beschikbare ruimte doordat de verschillende functies geclusterd in het IKC worden ondergebracht, wordt de buitenruimte ook voorzien van voldoende waterberging en groene elementen. Daarnaast wordt ook de
Toelichting (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat nieuwbouw gerealiseerd met wettelijke eisen uit het Bouwbesluit die te relateren zijn aan duurzaamheidsdoeleinden, zoals het beperken van energieverbruik (isolatie, gasloos bouwen). Hierdoor wordt er rondom het IKC (zichtbaar) rekening gehouden met de klimaateffecten hitte, droogte en wateroverlast.
Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.3
Geluid
Algemeen De Wet geluidhinder regelt de mate waarin geluid bepaalde functies mag belasten. Indien geluidgevoelige functies worden toegestaan binnen de onderzoekzone van een weg of spoorlijn, stelt de Wet geluidhinder de verplichting een akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van wegen en spoorwegen. Wonen is bijvoorbeeld een geluidgevoelige functie. De geluidbelasting op woningen mag in principe de 48 dB niet overschrijden. Wegen met een 30 km/u zone zijn formeel uitgezonderd van akoestisch onderzoek.
Onderzoek Grenswaarden Voor de realisatie van de functies van het IKC met de daarbij behorende voorzieningen is akoestisch onderzoek verricht (Bijlage 5). De bestaande omliggende woningen zijn geluidsgevoelige bestemmingen waarvoor akoestisch onderzoek moet worden verricht. Aangetoond wordt dat er voldaan wordt aan de beoordelingsniveau van het Activiteitenbesluit, maar dat er niet voldaan wordt aan de standaardwaarden van het gemeentelijk geluidbeleid. Ook vormt de indirecte hinder geen belemmering. Wel wordt er voldaan aan de grenswaarden van het gemeentelijk geluidbeleid. Voor de overschrijding van de standaardwaarde is een bestuurlijke afweging nodig. Hiervoor is inzicht gegeven in de bestaande en toekomstige activiteiten (Bijlage 6). Dit is beoordeeld door de Omgevingsdienst Achterhoek (Bijlage 7). Het blijkt dat er sprake is van een toename van 1,3 dB(A) langtijd gemiddeld in de dagperiode. Deze toename wordt veroorzaakt doordat meer kinderen buiten spelen. Op zich zou een dergelijke toename ook binnen de huidige bestemming mogelijk zijn. Bovendien vindt de toename niet plaats op een tuin/terras en wordt voldaan aan het binnenniveau in de woningen. Geadviseerd wordt te overwegen dan de toename van het geluidniveau aanvaardbaar is en dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de aangevraagde ontwikkeling.
De geluidsbelasting van de bestaande omliggende woningen is getoetst aan de grenswaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid en de grenswaarden uit het Activiteitenbesluit. Bij de bestaande omliggende woningen wordt er voldaan aan de grenswaarden voor de langtijdgemiddelde en de maximale geluidsbelastingen uit het Activiteitenbesluit. Tevens wordt er voldaan aan de grenswaarden uit het gemeentelijke geluidbeleid. Hierdoor is er bij de omliggende woningen sprake van een goed woon- en leefklimaat door de nieuwe functies van het IKC met de bijhorende voorzieningen. Daarnaast is er geen sprake van geluidhinder als gevolg van (gezoneerde) industrieterreinen of spoorwegen, omdat deze niet aanwezig zijn in de omgeving van het plangebied.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
24
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
4.4
Luchtkwaliteit
Algemeen De Wet milieubeheer bevat eisen en regels met betrekking tot luchtkwaliteit die mensen moeten beschermen tegen luchtverontreiniging. Dit zijn onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht (o.a. fijn stof en stikstofdioxide). De wet stelt bij een (dreigende) grenswaardenoverschrijding aanvullende eisen en beperkingen voor ruimtelijke projecten die 'in betekenende mate' (IBM) leiden tot verslechtering van de luchtkwaliteit of 'gevoelige bestemmingen' binnen onderzoekszones van provinciale- en rijkswegen. Daarnaast moet uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening afgewogen worden of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project 'niet in betekende mate' (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Gevoelige bestemmingen zoals scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van het “Besluit gevoelige bestemmingen” extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden.
Of een nieuwe ontwikkeling wel of niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging hangt af van diverse factoren waaronder de aard van de beoogde nieuwe functie: woningen, kantoren, (agrarische) bedrijven, detailhandel, scholen, et cetera. De ministeriële regeling NIBM kwantificeert de (N)IBM-grens voor de meeste functies.
Onderzoek Binnen en rondom de locatie Karel Doormanstraat 66 is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Het Besluit nibm is niet zondermeer toepasbaar, omdat de ruimtelijke procedure voorziet in de realisatie van een hierin niet opgenomen IKC. Deze ontwikkeling heeft een relatief grote verkeersaantrekkende werking, zodat moet worden bezien wat de gevolgen zijn voor de luchtkwaliteit. Het verkeer van en naar het IKC beweegt zich via verschillende straten/wegvakken. Het grootste aantal verkeersbewegingen doet zich daarbij uiteraard voor ter hoogte van de IKC zelf. Dit aantal is geschat op 468 extra voertuigen per dag. De bijdrage aan de luchtverontreiniging is berekend met de NIBM-tool. Hierbij is uitgegaan van 1% vrachtverkeer (voor bevoorrading en afvoer).
Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
NIBM-tool Uit de berekening met NIBM-tool volgt dat de maximale extra bijdrage nog ver onder de NIBM-grens zit. Het Besluit nibm is daarom toch toepasbaar en aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet nodig. Bovenstaande berekening levert overigens een overschatting op van de daadwerkelijke toename aan NO2 en PM10. Bij het aantal van 468 voertuigbewegingen gaat het namelijk om de totale verkeersgeneratie van het IKC, terwijl eigenlijk alleen het effect van het extra verkeer in beeld hoeft te worden gebracht. Dat betekent concreet dat de voertuigbewegingen die samenhingen met de school mogen worden afgetrokken van het opgegeven aantal voertuigbewegingen voor het IKC. Het is niet bekend hoeveel voertuigbewegingen dat scheelt, maar het betekent wel dat bovenstaande waarden in de praktijk lager uitvallen. De ruimtelijke procedure voorziet in de ontwikkeling van een gevoelige bestemming. De locatie ligt echter op een afstand van: meer dan 300 meter van een rijksweg; meer dan 50 meter van een provinciale weg. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Er is sprake van het realiseren van een gevoelige bestemming. De locatie ligt echter op voldoende afstand van rijksen provinciale wegen. Er is geen sprake van feitelijke of dreigende overschrijding van grenswaarden. Er is daarom geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit nodig.
Het onderwerp luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.5
Externe veiligheid
Algemeen Bepaalde maatschappelijke activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand tussen risicovolle activiteiten en bijvoorbeeld woningen kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten (artikel 1 van het Besluit Externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen en kinderopvang- en dagverblijven. Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Bij de beoordeling van externe veiligheid in relatie tot de ruimtelijke ordening worden twee soorten risico's onderscheiden; plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt als een kans per jaar en wordt verbeeld in een contour van 10-6 per jaar.
Het risico op een plaats buiten een inrichting of langs een transportas voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon die onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij de transportas, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor inrichtingen geldt dat binnen de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour geen kwetsbare objecten aanwezig mogen zijn. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt de 10-6 per jaar plaatsgebonden risicocontour als richtwaarde. Voor het transport van gevaarlijke stoffen geldt de 10-6 per jaar PR-contour voor nieuwe situaties voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Voor de bestaande situaties geldt de 10-5 per jaar PR-contour als grenswaarde en de 10-6 per jaar PR-contour als een streefwaarde voor (beperkt) kwetsbare objecten. Bij het groepsrisico is het niet een vaste norm (contour) die bepalend is. Bij het groepsrisico gaat het om de cumulatieve kansen per jaar dat een aantal personen overlijdt als gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting of bij een transportas, waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Voor het groepsrisico bestaat geen wettelijke norm waaraan getoetst wordt.
In plaats daarvan wordt getoetst aan de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Een beschouwing van het bevoegde gezag ten aanzien van deze kwantitatieve waarde is een van de elementen uit de verantwoordingsplicht van het groepsrisico. Binnen deze verantwoording kan het bevoegd gezag van deze waarde afwijken. Er bestaat een oriëntatiewaarde voor inrichtingen en een oriëntatiewaarde voor transport van gevaarlijke stoffen. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor personen buiten de inrichtingsgrens van de betreffende Bevi-inrichting. Bijvoorbeeld rondom chemische fabrieken en lpg-tankstations. Deze bedrijven verrichten soms risicovolle activiteiten dichtbij huizen, ziekenhuizen, scholen of winkels. Het besluit verplicht gemeenten en provincies wettelijk vanaf de inwerkingtreding van het besluit bij het verlenen van milieuvergunningen en het maken van bestemmingsplannen met externe veiligheid rekening te houden. Het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor, de weg en het water is op 1 april 2015 in werking getreden. In het Basisnet wordt een afweging gemaakt tussen ruimtelijke, vervoers- en veiligheidsbelangen. Om het Basisnet te verankeren is het besluit transportroutes externe veiligheid (Btev) vastgesteld en de Wet vervoer gevaarlijke stoffen (Wvgs) aangepast.
Voor het transport van gevaarlijke stoffen via buisleidingen zijn de eisen opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). De belangrijkste eisen aan bestemmingsplannen: ruimtelijke reservering voor plaatsgebonden risico en verantwoording van groepsrisico, ruimtelijke reservering voor belemmeringenstrook met aanlegvergunningenstelsel. Het aspect externe veiligheid vormt een onderdeel van de toetsing die bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden uitgevoerd om aan te tonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarnaast moet onder meer vanuit het Besluit externe veiligheid inrichtingen afgewogen worden of het aanvaardbaar is om het initiatief op de betreffende locatie te realiseren.
Onderzoek Met behulp van de signaleringskaart externe veiligheid (zie navolgende afbeelding) is gekeken naar de
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat risico's in de omgeving van het planinitiatief. De signaleringskaart externe veiligheid is een door de provincie Gelderland in samenwerking met de Gelderse omgevingsdiensten opgestelde verbeterde versie van de risicokaart. Zoals op de signaleringskaart is te zien, vallen er geen plaatsgebonden- of groepsrisico contouren over het plangebied.