bp ikc karel doormanstraat toelichting
Tekst van het document
Uitsnede signaleringskaart
Inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen Bevi-bedrijven. Ook vanuit het Activiteitenbesluit, het Vuurwerkbesluit, het Besluit ruimtelijke ordening en de Circulaire ontplofbare stoffen voor civiel gebruik krijgt deze locatie niet te maken met veiligheidsafstanden.
Buisleidingen In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen hoge druk aardgasleidingen.
Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico's In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen transporten met gevaarlijke stoffen op weg, spoor en water plaats waarvan het invloedsgebied over het planinitiatief valt.
Het onderwerp externe veiligheid is geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Aanvullend
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat onderzoek is hierdoor niet nodig.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.6
Flora en fauna
Algemeen De bescherming van plant- en diersoorten alsmede de bescherming van bepaalde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden) is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Daarnaast is de gebiedsbescherming vastgelegd in provinciale verordeningen, waaronder de bescherming van Natuurnetwerk Nederland. Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet worden nagegaan of als gevolg van de ontwikkeling sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Hierbij moet worden aangetoond dat van een negatief effect op beschermde natuurgebieden en -soorten geen sprake is of dat daarvoor een vergunning of ontheffing kan worden verkregen.
Onderzoek Voor de planontwikkeling is door Staring Advies een quickscan natuuronderzoek uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de mogelijk aanwezige beschermde soorten in en om het plangebied en de gevolgen van het plan voor beschermde natuurgebieden. Hierbij is het plangebied ruim opgezet. De quickscan natuuronderzoek is Bijlage 8 als toegevoegd aan deze toelichting. Navolgend zijn de resultaten kort beschreven.
Gebiedsbescherming Het plangebied ligt niet in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) of in een Groene Ontwikkelingszone (GO) (zie onderstaande figuur). De Groenlose Slinge en een deel van de oeverzone, ten noordwesten van het plangebied, zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Diverse agrarische percelen en bosschages langs de Groenlose Slinge zijn verder aangewezen als GO. Het dichtstbijzijnde GNN gedeelte is de zuidoostoever van de Groenlose Slinge. Dit gebied ligt op circa 50 meter afstand van het plangebied en wordt van het plangebied gescheiden door de Van Kinsbergenstraat en een brede groenstrook.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Ligging plangebied ten opzichte van het GNN en GO
Soortenbescherming Van een aantal soorten is de aanwezigheid in het plangebied niet uit te sluiten. Hieronder wordt per soort ingegaan op de bescherming en de mogelijke effecten die zij kunnen ondervinden door de werkzaamheden. Voor alle soorten geldt dat het verboden is om de soorten opzettelijk te storen, vangen of doden en vaste rust- of verblijfplaatsen opzettelijk te beschadigen of vernielen, en dat de werkzaamheden in het plangebied kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Broedvogels: Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving: ekster, gaai, houtduif, kauw, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, Turkse tortel en de jaarrond beschermde huismus. De opgaande groenstructuren zijn geschikt als nestlocatie voor enkele van de tijdens het veldbezoek aangetroffen vogelsoorten, waaronder houtduif, vink en Turkse tortel. De te slopen gebouwen zijn verder geschikt als nestlocatie voor de witte kwikstaart en zwarte roodstaart. Vleermuizen: In het te slopen schoolgebouw en in de gymzaal zijn diverse openingen te vinden die toegang bieden tot geschikte verblijfsruimten voor gebouwbewonende vleermuizen. De openingen bieden toegang tot mogelijke geschikte verblijfsruimten in de spouw van de gevels en in andere donkere, beschutte ruimten aan de binnenzijde van het gebouw.
Het plangebied is door de aanwezigheid van groenstructuren geschikt als foerageergebied voor met name een enkele minder storingsgevoelige soort als de gewone dwergvleermuis. Ondanks aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied is het niet uit te sluiten dat het (deels) verwijderen van de aanwezige groenstructuren een negatief effect kan hebben op (essentieel) foerageergebied en mogelijk een vliegroute van onder andere de gewone dwergvleermuis. Verder kan met name toename van (kunst)licht tijdens de bouw- en ingebruikfase van het plangebied zorgen voor een significant negatief effect. Er wordt dan ook geadviseerd om nader onderzoek naar de verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied(en) van de vleermuis uit te voeren. Stikstofberekening Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken. Het plangebied is niet gelegen binnen de grenzen van een gebied dat is aangewezen als Natura
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat 2000-gebied. Door Buro Ontwerp & Omgeving is in februari 2023 een AERIUS-berekening uitgevoerd voor het IKC. Dit onderzoek met de berekening is als Bijlage 9 toegevoegd aan deze toelichting. In Nederland zijn 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Dit zijn gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn gevoelig voor stikstofdepositie. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het in Duitsland gelegen ‘Zwillbrocker Venn und Ellewicker Feld’ dat op circa 5,9 km ten oosten van het projectgebied ligt. Andere Natura 2000-gebieden op minder dan 10 km afstand zijn het ‘Korenburgerveen’ (circa 6,2 km), ‘VSG Moore und Heiden des westlichen Müsterlandes’ (circa 6,2 km) en ‘Witte Venn, Krosewicker Grenzwald’ (circa 8,4 km). Uit de AERIUS-berekening blijkt dat in de realisatiefase de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jaar. Verder blijkt uit de AERIUS-berekening dat er geen stikstofdepositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar plaatsvindt in de gebruiksfase. Dit betekent dat de gebruiksfase niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.
Nader onderzoek Naar aanleiding van de quickscan natuuronderzoek is er door Staring Advies een aanvullend vleermuisonderzoek uitgevoerd. Het aanvullend vleermuisonderzoek is als Bijlage 10 toegevoegd aan deze toelichting. Navolgend zijn de resultaten kort beschreven. Door de geplande ruimtelijke ontwikkeling verdwijnt één zomerverblijfplaats en één paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis. Hiervoor is het aanvragen van een ontheffing en het treffen van compenserende maatregelen noodzakelijk. Daarnaast moet aantasting van de vliegroute ('hop-over') via de bomenrij op het schoolplein voorkomen worden. Door de geplande ruimtelijke ontwikkeling worden geen verblijfplaatsen, (essentieel) foerageergebied en vliegroutes van de laatvlieger aangetast. Het aanvragen van een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. Voor de huidige verblijfplaatsen worden tijdelijke en permanente alternatieven aangeboden, rekening houdend met in het activiteitenplan gestelde eisen. Indien deze volgens de eisen van het activiteitenplan uitgevoerd gaan worden is er voor het verwijderen/vernietigen van de verblijfplaatsen geen bezwaar m.b.t. verlenen van de ontheffing.
Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Archeologie en Cultuurhistorie
4.7.1
Archeologie
Algemeen De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Bij een ruimtelijk plan moet, conform de Erfgoedwet, rekening worden gehouden met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden.
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Situatie plangebied Het plangebied heeft volgens het Paraplubestemmingsplan Archeologie de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4'. De nieuwbouw van het IKC valt binnen de grenzen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4'. Daarbij wordt de verstoringsoppervlakte die bij dit verwachtingsgebied horende grenswaarde van 5.000 m2 niet overschreden. Ook de civieltechnische werken zoals de aanleg van de parkeerplaats en de Kiss & Ride vallen in verwachtingsgebieden met waarden 2 of 4 en worden deels gesitueerd op plekken waar de nodige verstoring (gymzaal in bestaande situatie) al heeft plaatsgevonden. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is.
Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7.2
Cultuurhistorie
Algemeen In het kader van het Rijksbeleid Modernisering van de Monumentenzorg is het sinds 1 januari 2012 wettelijk verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met cultuurhistorie. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormt hiervoor de wettelijke basis. De ruimtelijke ordening krijgt zo een uitgesproken rol met betrekking tot het in stand houden/verbeteren van cultuurhistorische waarden.
Situatie plangebied In en rond het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen, waardoor er geen sprake is van aantasting van cultuurhistorische waarden.
Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.8
Bedrijven en milieuzonering
Algemeen Bij het realiseren van een ruimtelijke ontwikkeling dient gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe functie gerealiseerd wordt. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking) 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking) Onderzoek Vraag 1 Onderhavig plan betreft een maatschappelijke functie die kan zorgen voor hinder op de omgeving, zeker aangezien de locatie wordt omringd door hindergevoelige functies (woningen). Voor de afstand tussen hindergevende functies en gevoelige functies kan in eerste instantie worden uitgegaan van de richtafstanden zoals genoemd in de publicatie 'Bedrijven & Milieuzonering' van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Op basis van een categorie-indeling van bedrijfstypen worden hierin richtafstanden gegeven voor diverse milieuaspecten, onder andere voor 'geluid'. Indien deze 32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat richtafstanden in acht worden genomen, kan gesteld worden dat ter plaatse van woningen van derden sprake is van een (akoestisch gezien) acceptabel woon- en leefklimaat. Bij het stellen van de richtafstanden wordt in de genoemde publicatie onderscheid gemaakt in twee gebiedstyperingen, te weten een 'rustige woonwijk met weinig verkeer' en een 'gemengd gebied'. Indien sprake is van een gemengd gebied, kunnen de richtafstanden in algemene zin met één afstandsstap worden gereduceerd. De richtafstand wordt gemeten tussen de grens van het bestemmingsvlak en de gevel van een gebouw waarbinnen een gevoelige functie is ondergebracht. Hierbij moet ook rekening worden gehouden met eventuele vergunningvrije gebouwen die bij de gevoelige functie mogelijk zijn. Het gebied rond het IKC kan worden beschouwd als een rustige woonwijk. Voor de voorgenomen bedrijfsactiviteiten geldt een maximale richtafstand van 30 meter (zie onderstaande tabel). De omschrijvingen komen uit bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering. Ze sluiten zo goed mogelijk aan bij de aangevraagde bedrijfsactiviteiten. Hierbij geldt de richtafstand tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning. De werkelijke afstand is ook op die manier gemeten.
Uit de tabel lezen we dat zich binnen de richtafstand woningen of andere gevoelige functies bevinden. Binnen de richtafstand van de voorgenomen ontwikkeling bevinden zich woningen. Die woningen vormen mogelijk een belemmering voor de ontwikkeling. Ook het woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen is hierbij mogelijk in het geding. Het onderdeel geluid is bepalend voor de richtafstand. Gericht aanvullend onderzoek naar het onderdeel geluid kan een kleinere afstand dan de richtafstand opleveren. Hiermee wordt aangetoond dat voorgenomen onwikkeling toelaatbaar is. Om voorgaande reden is door Buro Ontwerp & Omgeving een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek heeft tot doel inzicht te geven in het akoestisch klimaat van de omliggende woningen als gevolg van de nieuwe functies. De rekenresultaten zijn als Bijlage 5 opgenomen en de uitgangspunten zijn heronder kort toegelicht.
Uitgangspunten Ten aanzien van het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de ontwikkeling van de volgende functies binnen het IKC: een basisschool (140 kinderen), een buitenschoolse opvang (20 kinderen), een kinderdagopvang (16 kinderen), voorschoolse educatie (16 kinderen), een vakantieopvang (20 kinderen) en een gymzaal. Daarnaast zijn er berekeningen uitgevoerd voor rijdende auto's van de Kiss & Ride en de parkeerplaats, van indirecte hinder van de functies en van installaties op het dak van het gebouw. Voor een nadere toelichting van het akoestisch onderzoek wordt verwezen naar 4.3.
Vraag 2 Onderhavig plan betreft de realisatie van een maatschappelijke functie. Deze functie is beperkt hindergevoelig voor omliggende functies. Echter, in de directe omgeving zijn uitsluitend woningen aanwezig. De verderop gelegen hindergevende functies hebben, uitgaande van de VNG-publicatie, geen indicatieve hindercontour in het plangebied.
Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
4.9
Geur
Algemeen Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.
Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij: bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht. Situatie plangebied Het te realiseren IKC wordt op voldoende afstand van woningen en andere geurgevoelige objecten gerealiseerd. Die geurgevoelige objecten vormen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Ook het woon- en leefklimaat op de locatie zelf is hierbij niet in het geding. Er is daarom geen aanvullend onderzoek naar geur nodig. Het aspect geur vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Verkeer en parkeren
4.10.1 Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. 4.10.2 Verkeer Uitgangspunten Een goede verkeersafwikkeling van de verschillende verkeersstromen is van groot belang voor het IKC. Het IKC krijgt te maken met medewerkers die per fiets of auto naar het IKC komen, kinderen die te voet of per fiets komen of met de auto worden gebracht en gehaald door hun ouders/verzorgers.
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Gedurende het ontwerpproces is gebleken dat er verkeersonderzoek nodig was. Dit mede, omdat een goede afwikkeling van het verkeer voor de omwonenden heel erg belangrijk is. Daarom is door Roelofs onderzoek gedaan naar de gewenste ontsluitingsstructuur rondom het IKC. Het onderzoek is als Bijlage 11 aan deze toelichting toegevoegd. De resultaten van het onderzoek zijn hieronder samenvattend beschreven. Het belangrijkste uitgangspunt voor de toekomstige ontsluiting is dat de verschillende verkeersstromen zo veel mogelijk gescheiden moeten worden.
Verkeersgeneratie Bij het verkeersonderzoek is in beeld gebracht wat de verkeersgeneratie is van zowel het gemotoriseerde verkeer als het fietsverkeer. In de huidige situatie kan het ontsluitende wegennet het verkeer van/naar de St. Willibrordus op een acceptabele wijze afwikkelen. In de toekomstige situatie (met iets meer leerlingen) zijn er ook geen problemen te verwachten.
Ontsluiting Autoverkeer Voor gemotoriseerd verkeer gaat de hoofdontsluiting via de Van Kinsbergenstraat in zuidelijke en noordelijke richting en via de Karel Doormanstraat in zuidelijke en oostelijke richting. Langzaamverkeer Het fietsverkeer ontsluit via het Watermolenpad in oostelijke en westelijke richting. Hierdoor zal het fietsverkeer zo veel mogelijk gescheiden zijn van het gemotoriseerd verkeer. Voetgangers ontsluiten zich via alle mogelijke ontsluitingen rondom het IKC. Verkeersveiligheid In de huidige situatie is ook sprake van een school en bijbehorende kwetsbare verkeersdeelnemers. Door de verkeerstromen zoveel mogelijk te verdelen over verschillende ingangen bij de nieuw te realiseren school, wordt de verkeerssituatie verbeterd. Een Kiss & Ride moet voorkomen dat kinderen die met de auto gebracht worden midden op straat moeten uitstappen en dat deze auto's met openslaande deuren daarnaast ook andere verkeersdeelnemers hinderen. Daarnaast komt er ruimte voor wachtende ouders. En door het parkeren in een parkeerkoffer te realiseren, wordt dit gescheiden van de overige verkeersstromen en zijn er geen gevaarlijke verkeerssituaties waarbij auto's achteruit de rijbaan op rijden.
4.10.3 Parkeren Parkeerbehoefte Om inzichtelijke te hebben hoeveel parkeerplaatsen en Kiss & Ride-plaatsen opgenomen moeten worden is door Roelofs een schouw uitgevoerd, waarin is gekeken naar de verkeerssituatie van de basisschool die ondergebracht gaat worden in het IKC gebouw. Er is voornamelijk gekeken naar de spitsmomenten van de dag. Er is op basis van de geldende Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre een berekening van de parkeerbehoefte opgesteld door de gemeente. De berekening is op de navolgende afbeelding weergegeven.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Overzicht berekening parkeerbehoefte auto's
Wanneer de berekening op basis van de gemeentelijke parkeernormering wordt vergeleken met de parkeerbehoefte op basis van de praktijksituatie/uitgangspunten en de aanwezigheidspercentages (ochtend/middag/avond) is het benodigd aantal parkeerplaatsen 15 (minimaal) tot 21 (maximaal). Daarnaast is er behoefte aan circa 14 plekken voor de Kiss & Ride om kinderen te halen en te brengen. Deze berekening is op navolgende afbeelding weergegeven.
Overzicht berekening parkeerbehoefte Kiss & Ride
De behoefte aan stalling voor fietsen is eveneens berekend. Er wordt uitgegaan van circa 45 fietsparkeerplaatsen (inclusief voor de gymzaal), waarvan maximaal 6 fietsparkeerplaatsen voor medewerkers. De praktijkervaring leert dat circa 75% van de leerlingen zelf fietst. De berekening is weergegeven op de navolgende afbeelding.
Overzicht berekening parkeerbehoefte fietsen
Parkeeroplossing Autoparkeren Langs de oostzijde van het perceel worden parkeren voor personeel, gebruikers/bezoekers van de gymzaal en openbare parkeerplaatsen voor de buurt gebundeld in een koffer (totaal 21 parkeerplaatsen). De openbare parkeerplaatsen kunnen duidelijk gemarkeerd of afgescheiden worden van de parkeerplaatsen voor het IKC gebouw. Hierdoor wordt er voor het IKC voldaan aan de maximale parkeerbehoefte van 21 parkeerplaatsen voor auto's. Daarnaast wordt de Kiss & Ride aan de westzijde van het perceel geplaatst, waarbij de inrit aan de Willem Barentzstraat is (op enige afstand van de kruising met de Karel Doormanstraat) en de uitrit op de Van Kinsbergenstraat. Dit betreft de positionering van de Kiss & Ride zoals aangegeven op de stedenbouwkundige opzet in 2.2.3. De Kiss & Ride krijgt 14 langsparkeerplaatsen, waardoor de aangegeven parkeerbehoefte wordt opgelost.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Fietsparkeren Langs de noord- en zuidkant van het perceel (Watermolenpad en Karel Doormanstraat) worden fietsparkeerplaatsen voor leerlingen aangelegd, in totaal 45 stallingplekken. Door middel van dubbelgebruik kunnen gebruikers/bezoekers van de gymzaal (in de avonduren) ook van deze stallingplekken gebruik maken. Hierdoor wordt er voor het IKC voldaan aan de parkeerbehoefte voor fietsen. 4.10.4 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
4.11
Laagvliegroute, kabels en leidingen
Bovenlokale, hoofdtransportleidingen zijn planologisch relevant. Er zijn binnen het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig. Binnen het plangebied ligt een deel van een militaire laagvliegroute. Op deze route mag door militaire vliegtuigen worden gevlogen op een hoogte van minimaal 75 m. Op grond van het gestelde in artikel 2.6.10 van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening, gelden onder de route beperkingen voor de bouw van obstakels (zoals telecommunicatiemasten, windturbines en dergelijke). Bouwwerken met een hoogte van meer dan 40 m zijn niet toelaatbaar onder de laagvliegroute. De zone waarvoor de beperking geldt, is weergegeven op onderstaande afbeelding. Omdat het bestemmingsplan geen mogelijkheden biedt voor bouwwerken tot 40 m hoogte, is dit niet verwerkt in de regels van dit bestemmingsplan.
4.12
Milieueffectrapportage
Wettelijk kader Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (artikel 7.1 tot en met artikel 7.42) en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk voor een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor of een besluit neemt over projecten met grote milieugevolgen een milieueffectrapportage te doorlopen. Onderdeel C van de bijlage Besluit m.e.r. geeft de omvang van dergelijke projecten. Van andere projecten moet het bevoegd gezag beoordelen of deze projecten belangrijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Deze projecten staan in onderdeel D van de bijlage Besluit m.e.r.. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als indicatieve richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is altijd een toets noodzakelijk of sprake is van een project met grote milieugevolgen. Deze toets, de zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling, moet plaatsvinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r.. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn.
Als blijkt dat aanzienlijke nadelige milieugevolgen niet zijn uit te sluiten, is alsnog een volledige m.e.r.-beoordeling of m.e.r.-procedure nodig. Daarnaast kan er nog een plan-m.e.r.-plicht gelden. Dit is het geval wanneer significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet zijn uit te sluiten. Dan geldt de verplichting tot uitvoeren van een Passende Beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming (art. 2.8, lid 1) en daarmee de verplichting tot het uitvoeren van een plan-m.e.r.
Planspecifiek Het voorliggende bestemmingsplan ziet op de sloop van een school en herbouw van een Integraal Kindcentrum met geïntegreerde gymzaal. Dit is geen ontwikkeling die voorkomt op onderdeel C van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Van alle activiteiten genoemd in onderdeel D. van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zou de ontwikkeling die het voorliggende plan mogelijk
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat maakt wellicht kunnen vallen onder categorie 11.2; “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. In de Nota van Toelichting bij het Besluit m.e.r. wordt deze activiteit als volgt omschreven: “Bij een stedelijk ontwikkelingsproject kan het gaan om bouwprojecten als woningen, parkeerterreinen, bioscopen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan.” Deze omschrijving biedt ruimte voor interpretatie. Om het ruime begrip in te perken, wordt ook gekeken naar de uitleg in de praktijk die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State er aan geeft. De Afdeling legt artikel 2, onderdeel A, van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage niet zo uit dat iedere mogelijk gemaakte wijziging van een stedelijke ontwikkeling, hoe ondergeschikt ook, moet worden aangemerkt als een wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject. Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject hangt af van de concrete omstandigheden van het specifieke geval. Daarbij spelen onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling een rol.
In het voorliggende geval is sprake van de situatie waarin een bestaande school wordt gesloopt en op diezelfde locatie nieuwbouw plaatsvindt. In een soortgelijke situatie (201901464/1/R1) heeft de Afdeling geoordeeld dat de sloop van een school en de nieuwbouw van 12 woningen geen stedelijk ontwikkelingsproject was. Daarbij was van belang dat sprake is van bestaand bebouwd gebied en dat het ruimtebeslag van de voorziene bebouwing beperkt is. In het voorliggend geval is er eveneens sprake van bestaand bebouwd gebied en is het ruimtebeslag eveneens beperkt.
Conclusie Op grond van de specifiek omstandigheden van de voorliggende ontwikkeling is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Er hoeft dan ook geen mer-beoordelingsbesluit te worden genomen.
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Plansystematiek
Hieronder wordt ingegaan op de functie van de verbeelding en de regels.
Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden aangewezen en begrensd. De bestemming is een beschrijving van de functies waarvoor de grond mag worden gebruikt. Op de verbeelding worden tevens aanduidingen opgenomen met het oog op het aanwijzen van gebieden waarop een specifieke regeling binnen de regels van toepassing is. Deze aanduidingen krijgen in de regels een juridische betekenis.
Regels Begripsomschrijvingen Het opnemen van begripsbepalingen wordt beperkt tot die begrippen, waarbij sprake is van een (mogelijke) afwijkende betekenis in het algemeen spraakgebruik en/of technische begrippen, waarbij een vereenvoudigde omschrijving de leesbaarheid bevordert. Begrippen die zijn voorgeschreven in de SVBP2012 worden ook conform de SVBP2012 overgenomen. Tevens wordt een aantal begrippen op basis van de Wabo opgenomen.
Wijze van meten Met het oog op het kunnen bepalen van de in de regels aangegeven oppervlakte, goot- en bouwhoogten en inhoud van bouwwerken, is aangegeven waar en hoe deze worden gemeten. Tevens is aangegeven welke onderdelen van gebouwen buiten beschouwing blijven, bij het toepassen van de wijze van meten. Dit betreft het in geringe mate mogen overschrijden van bouw- en bestemmingsgrenzen met bijvoorbeeld luifels, ventilatiekanalen, schoorstenen en kroonlijsten. In de SVBP2012 zijn standaarden beschreven waaraan deze regels moeten voldoen. Indien van toepassing, worden deze één op één overgenomen.
Bestemmingsregeling Per bestemming zijn, voor zover noodzakelijk, de volgende onderdelen onderscheiden: bestemmingsomschrijving; bouwregels; nadere eisen; afwijking van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; afwijking van de gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden; wijzigingsregels. De voor dit plan relevante onderdelen zijn hieronder kort toegelicht.
Bestemmingsomschrijving De bestemmingsomschrijving omvat een opsomming van de functies/gebruiksmogelijkheden binnen de gegeven bestemming. Deze opsomming is van wezenlijk belang, aangezien deze de basis vormt voor de
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat overige regels die opgenomen zijn binnen die bestemming.
Bouwregels In de bouwregels zijn objectieve regels gesteld met betrekking tot de plaats en afmetingen van de gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
Afwijken van de bouw- of gebruiksregels Afwijkingen bij een omgevingsvergunning worden gebruikt om een bestemmingsplan flexibel te maken.
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Op grond van de Wro is het mogelijk om ter bescherming van de functies in bestemmingsplan, een omgevingsvergunningstelsel op te nemen waarmee bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden omgevingsvergunningplichtig worden. In het bestemmingsplan geldt voor de gronden met de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2' en 'Waarde Archeologisch verwachtingsgebied 4' een omgevingsvergunningplicht.
5.2
Beschrijving van de bestemmingen
Groen - 1 Het stuk oppervlakte aan de noordwestzijde binnen het plangebied is bestemd als 'Groen - 1'. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor: groenvoorzieningen, toegangswegen, behoud van landschappelijke waarden, nutsvoorzieningen en straatmeubilair, voet- en fietspaden, waterlopen, waterberging en waterinfiltratievoorzieningen, (dag)recreatieve mogelijkheden in de openlucht en speelvoorzieningen. Binnen deze bestemming mogen, onder voorwaarden, uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en straatmeubilair worden gebouwd. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn in de bouwregels opgenomen.
Maatschappelijk De gronden in het plangebied zijn grotendeels bestemd als 'Maatschappelijk'. Daarbij is de aanduiding 'onderwijs' opgenomen. De gronden binnen deze bestemming zijn bestemd voor onderwijs, kinderopvang en gymzaal, speelvoorzieningen, groenvoorzieningen en wegen en paden, waaronder een Kiss & Ride. Daarnaast zijn de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouwen zijnde, erven en tuinen toegestaan. Tevens zijn ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van de maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Binnen deze bestemming is een bouwvlak opgenomen. In de regels is bepaald dat het gebouw voor het IKC binnen het bouwvlak moet worden gebouwd. In de regels is opgenomen dat met het bebouwingspercentage maximaal 50% van het bouwvlak mag worden bebouwd. Verder is in de regels opgenomen dat de maximale brutovloeroppervlakte van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 1.700 m2. Voor het bouwvlak zijn twee maximum bouwhoogtes opgenomen. Het lagere gedeelte aan de Karel Doormanstraat mag maximaal 4,25 m hoog worden gebouwd. De bouwhoogte van de rest van het bouwvlak mag maximaal 8,5 m bedragen. Bijbehorende bouwwerken (bijvoorbeeld fietsenberging en berging voor speelattributen) zijn eveneens toegestaan. Deze mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd. De maatvoeringseisen 40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat van deze bouwwerken zijn in de bouwregels opgenomen. Naast de eerder genoemde gebouwen zijn ook verschillende overige bouwwerken (geen gebouwen zijnde) toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn eveneens in de bouwregels opgenomen. In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarin wordt geborgd dat er met de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in voldoende waterberging.
Verkeer – Verblijfsgebied De parkeerplaats aan de oostzijde en de verkeersbestemming aan de noordwestzijde binnen het plangebied zijn bestemd als 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De voor deze bestemming aangewezen gronden zijn bestemd voor: wegen, straten en pleinen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen en fietsenstallingen, groenvoorzieningen, ondergrondse afvalcontainers, waterlopen, waterberging en waterinfiltratievoorzieningen, geluidswerende voorzieningen, nutsvoorzieningen en straatmeubilair. Binnen deze bestemming mogen, onder voorwaarden, uitsluitend gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en straatmeubilair worden gebouwd. Daarnaast zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. De maatvoeringseisen van deze bouwwerken zijn in de bouwregels opgenomen.
Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied2 en 4 De voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2' en 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid.
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1
Voorbereiding
Met betrekking tot de participatie van het plan zijn omwonenden in het voortraject betrokken. 6.1.2
Artikel 3.1.1.-overleg
Op grond van artikel 3.1.1 van het Bro dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan heeft er vooroverleg met het Waterschap Rijn en IJssel plaatsgevonden en is het Waterschap Rijn en IJssel akkoord met de voorgenomen ontwikkeling. Aangezien er geen provinciaal belang aan de orde is, is het plan niet voorgelegd aan de provincie Gelderland. 6.1.3
Terinzageligging van het ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerp bestemmingsplan 'Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat' heeft voor een ieder met ingang van 30 september 2022 voor een termijn van 6 weken, dus tot en met 10 november 2022, ter inzage gelegen. Binnen deze termijn is één zienswijze ingediend. De zienswijze is verwoord en beantwoord in een 'Nota Inhoud en beantwoording zienswijzen' welke onderdeel uitmaakt van deze herziening (zie Bijlage 12). De zienswijze geeft geen aanleiding om de gevraagde herziening van het bestemmingsplan niet vast te stellen. Daarnaast zijn enkele ondergeschikte ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. De ambtshalve wijzigingen zijn eveneens in de nota van zienswijzen opgenomen. Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld. 6.1.4
Vaststelling van het bestemmingsplan
Het vastgestelde bestemmingsplan, 'NL.IMRO.1586.BPGRO509-VG01' wordt in het kader van de beroepsprocedure wederom voor een periode van zes weken ter inzage gelegd.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in de plantoelichting minimaal inzicht te worden gegeven in de economische uitvoerbaarheid van het plan. Tevens is met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening de verplichting ontstaan om, indien sprake is van ontwikkelingen waarbij een bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 Bro wordt mogelijk gemaakt en waarvoor de gemeente redelijkerwijs kosten moet maken, bijvoorbeeld voor de aanleg van voorzieningen van openbaar nut, en de plankosten, deze kosten moeten worden verhaald op de initiatiefnemer of de ontwikkelaar. Een en ander dient te worden vastgelegd in privaatrechtelijke overeenkomsten met iedere grondeigenaar. Als er met een grondeigenaar geen overeenkomst is gesloten en het kostenverhaal niet anderszins is verzekerd, dient een exploitatieplan te worden opgesteld welke tegelijkertijd met het bestemmingsplan moet worden vastgesteld (artikel 6.12 Wro). Voorliggend plan wordt gemeentelijk initiatief gerealiseerd. De kosten die gepaard gaan met het plan en de kosten voor ontwikkeling en inrichting van het plangebied zijn in de gemeentelijke begroting opgenomen. De economische uitvoerbaarheid wordt hiermee geacht te zijn aangetoond. Het opstellen
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Woonwijken Groenlo, herziening IKC Karel Doormanstraat van een exploitatieplan is in het kader van dit bestemmingsplan dan ook niet aan de orde.
Toelichting (vastgesteld)
43
bezoek Varsseveldseweg 2 7131 BJ Lichtenvoorde post Postbus 17 7130 AA Lichtenvoorde telefoon (0544) 39 35 35 fax (0544) 37 29 69 e-mail gemeente@oostgelre.nl internet www.oostgelre.nl