bp ikc karel doormanstraat bijlage 8 quickscan natuurtoets
Tekst van het document
Quickscan natuurtoets Karel Doormanstraat in Groenlo In opdracht van Gemeente Oost Gelre
Colofon Quickscan natuurtoets Karel Doormanstraat in Groenlo
Opdrachtgever
Gemeente Oost Gelre
Opdrachtnemer
Staring Advies Jonker Emilweg 11 6997 CB Hoog-Keppel
Rapportnummer Publicatiedatum : Foto voorblad
2098 24 februari 2020 Plangebied
Copyright Niets uit dit rapport mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt worden zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever, noch mag het zonder een dergelijke toestemming worden gebruikt voor enig ander werk dan waarvoor het is vervaardigd. Aansprakelijkheid Dit onderzoek is uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde natuurwet- en regelgeving. Het onderzoek betreft een momentopname en geeft een inschatting van de geschiktheid van de onderzoekslocatie voor beschermde soorten. Het voorkomen van beschermde soorten is echter nooit met zekerheid te voorspellen. Staring Advies accepteert geen aansprakelijkheid ten aanzien van beslissingen die de opdrachtgever neemt naar aanleiding van het door Staring Advies uitgevoerde onderzoek. Staring Advies is niet aansprakelijk voor gevolgschade, alsmede voor schade welke voortvloeit uit toepassingen van de resultaten van werkzaamheden of andere gegevens verkregen van Staring Advies; opdrachtgever vrijwaart Staring Advies voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Netwerk Groene Bureaus Staring Advies is lid van het Netwerk Groene Bureaus (NGB) de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Het netwerk hanteert een gedragscode die opdrachtgevers en andere belanghebbenden een basis biedt om de leden aan te spreken op de kwaliteit van hun werk. www.netwerkgroenebureaus.nl
Inhoud Samenvatting ...................................................................................................................... 3 1
2
3
4
Inleiding en doel........................................................................................................... 4 1.1
Inleiding ................................................................................................................ 4
1.2
Doel ...................................................................................................................... 4
Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden ..................................................... 5 2.1
Gegevens plangebied ........................................................................................... 5
2.2
Beschrijving van het plangebied ........................................................................... 5
2.3
Beschrijving van het onderzoeksgebied ................................................................ 5
2.4
Geplande werkzaamheden ................................................................................... 5
Beschermde status plangebied .................................................................................... 8 3.1
Gebiedsbescherming ............................................................................................ 8
3.2
Natuurnetwerk Nederland ..................................................................................... 8
3.3
Natura 2000 ........................................................................................................ 10
Beschermde soorten plangebied ............................................................................... 13 4.1
Methode ............................................................................................................. 13
4.2
Resultaten .......................................................................................................... 14
5
Wet natuurbescherming ............................................................................................. 23
6
Conclusie ................................................................................................................... 26
Bijlage 1
Impressie plangebied ..................................................................................... 28
Bijlage 2
Wettelijk kader Wet natuurbescherming ......................................................... 29
Bijlage 3
Beschermde plant- en diersoorten.................................................................. 37
Samenvatting Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de voorgenomen herontwikkeling aan de Karel Doormanstraat in Groenlo, bestaande uit het slopen van een schoolgebouw en het deels verwijderen van opgaande groenstructuren, aanvullend onderzoek naar vleermuizen (verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, (essentieel) foerageergebied en vliegroutes) noodzakelijk is. Uit het onderzoek zal blijken of er ontheffing noodzakelijk is. Het verlenen van de ontheffing kan pas nadat dit onderzoek is uitgevoerd en de eventuele extra maatregelen zijn genomen. Daarnaast moeten de werkzaamheden buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te voorkomen te worden dat broedvogels zich lokaal vestigen. Een AERIUS-berekening is voor de Natura 2000-gebieden ‘Korenburgerveen’ en ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ noodzakelijk om te bepalen of er sprake is van stikstofdepositie in de stikstofgevoelige habitattypen van deze Natura 2000-gebieden. Nadere toetsing of vergunningsaanvraag voor beschermde GNN natuurgebieden is niet aan de orde.
Dit zijn de uitkomsten van het onderzoek dat is gehouden naar aanleiding van de voorgenomen plannen om aan de Karel Doormanstraat in Groenlo onder andere een bestaand schoolgebouw te slopen, opgaande groenstructuren te verwijderen en op de vrijgekomen grond nieuwbouw te realiseren voor twee basisscholen en een kinderopvang. Dit kan negatieve gevolgen hebben voor beschermde plant- en diersoorten. Daarom is onderzoek noodzakelijk om te voldoen aan de Wet Natuurbescherming. Staring Advies voerde het onderzoek uit in opdracht van Gemeente Oost Gelre. Het bureau deed literatuuronderzoek in de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek op de locatie.
Pagina 3
1 Inleiding en doel 1.1 Inleiding Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, aangetoond worden dat er geen sprake is van aantasting van beschermde natuurgebieden en beschermde plant- en diersoorten. Hiervoor is in veel gevallen een gericht natuuronderzoek vereist. In eerste instantie is een quickscan natuurtoets noodzakelijk om een inschatting te kunnen maken over het effect van de plannen op beschermde natuurgebieden en soorten. Indien negatieve effecten verwacht worden is nader onderzoek noodzakelijk. Er zijn plannen om aan de Karel Doormanstraat in Groenlo onder andere een bestaand schoolgebouw te slopen, opgaande groenstructuren te verwijderen en op de vrijgekomen grond nieuwbouw te realiseren voor twee basisscholen en een kinderopvang. Mevrouw Brus van de Gemeente Oost Gelre is betrokken bij deze plannen en heeft aan Staring Advies gevraagd om de quickscan natuurtoets uit te voeren.
1.2 Doel Het doel van de quickscan natuurtoets is om snel te inventariseren of door de geplande ontwikkelingen schade kan ontstaan aan beschermde natuurgebieden en beschermde flora of fauna. Wanneer dit het geval is wordt vervolgens geadviseerd over het noodzakelijk vervolgonderzoek en eventuele procedurele vervolgstappen.
Pagina 4
2 Gebiedsbeschrijving en geplande werkzaamheden 2.1 Gegevens plangebied Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:
Karel Doormanstraat Groenlo Oost Gelre Gelderland
2.2 Beschrijving van het plangebied Het plangebied zich bevind in de noordwestrand van de woonkern Groenlo. Het gebied wordt globaal begrensd door de Karel Doormanstraat, Hartebroekseweg, Willem Barentszstraat en de Van Kinsbergenstraat (zie figuur 1). Het plangebied is deels verhard en bebouwd en ten noordwesten van het Watermolenpad bevinden zich opgaande bomen en gazon. Rondom het schoolgebouw (basisschool St. Willibrordus) en de nabijgelegen bijgebouwen en gymzaal wordt het plangebied voornamelijk bepaald door verharding (schoolplein) en lage groenstructuren in de vorm van beukenhagen, groenstroken van onder andere zuurbes (berberis species), buxus, klimop, laurierkers en mansbloed en een enkele solitaire boom. Tussen het Watermolenpad en de Van Kinsbergenstraat bevindt zich een gazon met opgaande bomen als gewone es, ruwe berk en zomereik en enkele struiken. Verder bevindt zich hier een hondenlosloopveldje en een gebouwtje van het waterschap (rioolgemaal). Het oostelijke deel van het plangebied wordt ingenomen door woonhuizen met aangrenzende tuinen (zie figuur 2 en bijlage 1). De directe omgeving bestaat uit woonhuizen met aangrenzende tuinen, verharding, opgaande groenstructuren en de Groenlosche Slinge (zie figuur 2).
2.3 Beschrijving van het onderzoeksgebied Om het eventuele verstorend effect van de geplande ruimtelijke ontwikkeling op beschermde natuurwaarden in de directe omgeving van het plangebied (externe werking) in te kunnen schatten is een groter gebied onderzocht dan het plangebied zelf. Het onderzoeksgebied, met daarbinnen het plangebied, wordt bepaald door woonhuizen met aangrenzende tuinen, verharding, opgaande groenstructuren en de Groenlosche Slinge (zie figuur 2).
2.4 Geplande werkzaamheden De gemeente Oost Gelre is in overleg met twee onderwijspartijen bezig met de planvorming voor nieuwbouw van onderwijshuisvesting aan de Karel Doormanstraat in Groenlo. Op de huidige locatie van de basisschool St. Willibrordus wordt nieuwbouw gerealiseerd voor de basisscholen St. Willibrordus en ’t Palet en een kinderopvang. Op dit moment wordt gewerkt aan een schetsontwerp voor die locatie. Het huidige schoolgebouw
Pagina 5
op die locatie wordt in ieder geval gesloopt en er worden (delen van) opgaande groenstructuren verwijderd. De eveneens binnen de grenzen van het plangebied aanwezige woonhuizen aan de Hartebroekseweg blijven gehandhaafd en ruimtelijke ontwikkeling vindt hier niet plaats. Van de overige aanwezige gebouwen als de gymzaal en het rioolgebouw is (nog) niet bekend of deze ook gesloopt dienen te worden.
Pagina 6
Figuur 1. Ligging van het plangebied (rood), bron: Provincie Gelderland (2020).
Figuur 2. Luchtfoto van het plangebied (rood omkaderd) en het onderzoeksgebied (geel), bron: Provincie Gelderland (2020). De woonhuizen aan de Hartebroekseweg (blauw) vallen buiten plangebied.
Pagina 7
3 Beschermde status plangebied 3.1 Gebiedsbescherming In Nederland bestaat het Natuurnetwerk Nederland. Dit is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. In paragraaf 3.2 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN). De Wet natuurbescherming gaat over gebiedsbescherming en soortenbescherming. Wat betreft de gebiedsbescherming beschermt de Wet natuurbescherming Natura 2000gebieden. Dit is een Europees, samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. In paragraaf 3.3 wordt het plangebied behandeld in relatie tot de bescherming van Natura 2000-gebieden.
3.2 Natuurnetwerk Nederland 3.2.1 Conclusie Het plangebied ligt niet in het GNN/NNN. De kernkwaliteiten van het GNN/NNN worden niet aangetast. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden.
3.2.2 Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. Groene Ontwikkelzones (GO) De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.
Pagina 8
3.2.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO (zie figuur 3). De Groenlosche Slinge en een deel van de oeverzone, ten noordwesten van het plangebied, zijn aangewezen als bestaande natuur binnen het GNN. Diverse agrarische percelen en bosschages langs de Groenlosche Slinge zijn verder aangewezen als GO. Het dichtstbijzijnde GNN gedeelte is de zuidoostoever van de Groenlosche Slinge. Dit gebied ligt op circa 50 meter afstand van het plangebied en wordt van het plangebied gescheiden door de Van Kinsbergenstraat en een brede groenstrook.
Figuur 3. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het GNN, bron: Provincie Gelderland 2020.
Pagina 9
3.3 Natura 2000 3.3.1 Conclusie Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de beperkte omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en de nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Korenburgerveen’ en ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Een AERIUS1-berekening zal uitwijzen of er significante negatieve effecten zijn op beide Natura 2000-gebieden. Voor het Duitse Natura 2000-gebied ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ geldt dat, indien de toename van de stikstofdepositie hoger is dan de daar gehanteerde grenswaarde, dan dient het Nederlandse bevoegd gezag in overleg met het bevoegd gezag in Duitsland te bepalen of en onder welke voorwaarden toestemming kan worden verleend. De aanvraag zal dan in ieder geval een aanvullende passende beoordeling moeten omvatten.
3.3.2 Natura 2000 De Europese Unie heeft een zeer gevarieerde en rijke natuur, die van grote biologische, esthetische en economische waarde is. Om deze natuur te behouden heeft de Europese Unie het initiatief genomen voor Natura 2000. Dit is een samenhangend netwerk van beschermde natuurgebieden. De Wet natuurbescherming beschermt onder andere Natura 2000-gebieden. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kernkwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig.
3.3.3 Plangebied Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. De dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden ‘Korenburgerveen’ en het Duitse Natura 2000-gebied ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ liggen beide op iets meer dan 6 kilometer afstand van het plangebied (zie figuur 4 en 5). Andere Natura 2000-gebieden, waaronder de natuurgebieden ‘Willinks Weust’, ‘Haaksbergerveen’ en ‘Stelkampsveld’ liggen op grote afstand (vanaf circa 13 kilometer) van het plangebied. Door de aard en de omvang van de activiteiten en door de afstand tussen het plangebied en de betreffende Natura 2000-gebieden en het ontbreken van een ecologische binding met deze Natura 2000-gebieden worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven verwacht door
1 Het rekeninstrument berekent de stikstofdepositie als gevolg van projecten en plannen op Natura
2000-gebieden. AERIUS rekent voor alle stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden en voor alle sectoren die stikstof uitstoten, waaronder landbouw, industrie en verkeer & vervoer.
Pagina 10
directe verstoringsfactoren als oppervlakteverlies of versnippering en door indirecte verstoringsfactoren als verontreiniging, verdroging, geluidsverstoring of lichtverstoring. De geplande ruimtelijke ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden door stikstofdepositie. Een AERIUS-berekening zal moeten uitwijzen of er significante negatieve effecten zijn. Stikstofdepositie Stikstof is één van de grootste obstakels bij de realisatie van de Natura 2000-doelen. In veel Natura 2000-gebieden, waaronder ook ‘Korenburgerveen’ en ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’, is de overbelasting door stikstofdepositie een groot probleem voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Het gaat daarbij om de gevolgen van stikstofdepositie afkomstig uit de landbouw, het verkeer en de industrie op voor stikstof gevoelige habitats. Een aantal van de habitattypen en doelsoorten in de nabijgelegen Natura 2000-gebieden ‘Korenburgerveen’ en ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ zijn gevoelig voor depositie van stikstof (bron: synbiosys.alterra.nl/natura2000). Realisatiefase De tijdelijke toename van verkeer (tijdens de kap-, sloop- en bouwfase) kan resulteren in extra emissie van stikstof op nabijgelegen gevoelige habitats.
Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie zijn zonder AERIUSberekening niet op voorhand uit te sluiten. Gebruiksfase Er is sprake van een geringe toename van stikstofdepositie door de ingebruikname van de nieuw te bouwen basisscholen en kinderopvang, bijvoorbeeld als gevolg van extra verkeersbewegingen. Door de ligging van het plangebied in de bebouwde kom van Groenlo, met reeds constante uitstoot van stikstof door verkeersbewegingen, zullen significante negatieve effecten in de gebruiksfase van de gebouwen op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie naar verwachting beperkt zijn. Significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen door stikstofdepositie zijn in de gebruiksfase dan ook op voorhand uit te sluiten.
Pagina 11
Haaksbergerveen
Stelkampsveld
Korenburgerveen Willinks Weust
Figuur 4. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van nabijgelegen Nederlandse Natura 2000-gebieden (groen), bron: Provincie Gelderland (2020).
Figuur 5. Ligging van het plangebied (rood) ten opzichte van het nabijgelegen Duitse Natura 2000-gebied ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ (blauw gearceerd), bron: European Environment Agency (2020).
Pagina 12
4 Beschermde soorten plangebied 4.1
Methode
Het verzamelen van gegevens heeft op twee manieren plaatsgevonden: via een literatuuronderzoek en een gericht veldonderzoek.
4.1.1 Literatuuronderzoek Ter ondersteuning van het veldonderzoek werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd. Deze database geeft informatie over waarnemingen van beschermde en zeldzame planten en dieren in Nederland. In de NDFF zijn uitsluitend gevalideerde gegevens opgeslagen. De NDFF is de meest complete databank voor de actuele verspreiding van Nederlandse flora en fauna met meer dan 100 miljoen waarnemingen. De databank wordt dagelijks aangevuld met recente waarnemingen. In de NDFF is voor het onderzoeksgebied gezocht naar waarnemingen van beschermde soorten.
4.1.2 Veldonderzoek Een onderzoeker van Staring Advies onderzocht het plangebied om een inschatting te maken van de beschermde soorten die aanwezig zijn en om beschermde flora en fauna waar te nemen (zie tabel 1). Onderzoeker
Bezoekronde
Datum
Tijd
Weersomstandigheden
S.J.J. Wamelink
1
05-02-2020
15:00 uur
Onbewolkt, droog, 6°C, windkracht 1-2 Bft
Tabel 1. Veldonderzoek.
Pagina 13
4.2 Resultaten Deze paragraaf bespreekt de resultaten van het literatuuronderzoek en het veldonderzoek.
4.2.1 Literatuuronderzoek Flora De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied geen melding van beschermde plantensoorten. Broedvogels De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van diverse beschermde vogelsoorten. Een deel van de waarnemingen betreft overvliegende vogels zonder binding met het gebied. Een deel van de vogelsoorten kunnen wel een territorium bezetten in het plangebied of in de directe omgeving hiervan, waardoor ze gebruik kunnen maken van het plangebied. Van de in de omgeving waargenomen boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil zijn de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd. Zoogdieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde zoogdiersoorten. Het betreft de volgende soorten:
Nationaal beschermde soorten: bosmuis, bunzing, eekhoorn, egel, haas, hermelijn, konijn, mol, ree, steenmarter en veldmuis2. Internationaal beschermde soorten: gewone dwergvleermuis, gewone/bruine grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis.
Amfibieën, reptielen en vissen De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van een aantal beschermde amfibieënsoorten. Het betreft de volgende soorten:
Nationaal beschermde soorten: bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad.
Ongewervelde dieren De NDFF maakt voor de omgeving van het plangebied melding van één beschermde ongewervelde diersoort. Het betreft de volgende soort:
Internationaal beschermde soorten: teunisbloempijlstaart.
2 Deze soorten zijn, met uitzondering van bunzing, eekhoorn, hermelijn en steenmarter, in de provincie
Gelderland vrijgesteld van de verboden als bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, onderdelen a en b, bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Pagina 14
4.2.2 Veldonderzoek In deze paragraaf worden per soortgroep de resultaten van het veldonderzoek besproken. Flora Het plangebied bestaat deels uit verharding en bebouwing en deels uit een gazon met opgaande bomen. Vegetatie in het deel ten zuidoosten van het Watermolenpad beperkt zich tot een enkele groeiplaats van een algemene plantensoort van voedselrijke en ruderale omstandigheden als paarse dovenetel, straatgras en vroegeling. Deze soorten worden hier voornamelijk onder beukenhagen en in lage groenstroken aangetroffen. De grazige vegetatie ten noordwesten van het Watermolenpad is matig ontwikkeld en wordt gekenmerkt door soorten van voedselrijke omstandigheden als fluitenkruid, grote brandnetel, kropaar, paardenbloem en smalle weegbree. Door het intensieve gebruik, (maai)beheer en het voedselrijke karakter ontbreken bijzondere vegetaties met kenmerkende plantensoorten in het plangebied. Op de muren van de (deels te slopen) gebouwen zijn ook geen beschermde plantensoorten aangetroffen. De NDFF (zie paragraaf 4.2.1) maakt verder geen melding van het voorkomen van beschermde plantensoorten in het plangebied. Ze worden hier ook niet verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Broedvogels Een volledige broedvogelkartering heeft niet plaatsgevonden, omdat dit geen onderdeel uitmaakt van de quickscan natuurtoets.
Tijdens het veldbezoek zijn de volgende vogelsoorten aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving: ekster, gaai, houtduif, kauw, koolmees, merel, pimpelmees, roodborst, Turkse tortel en de jaarrond beschermde huismus. De opgaande groenstructuren zijn geschikt als nestlocatie voor enkele van de tijdens het veldbezoek aangetroffen vogelsoorten, waaronder houtduif, vink en Turkse tortel. De te slopen gebouwen zijn verder geschikt als nestlocatie voor de witte kwikstaart en zwarte roodstaart. Jaarrond beschermde nesten De NDFF vermeldt voor de omgeving van het plangebied de boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil, waarvan de vaste rust- en verblijfplaatsen en nestlocaties jaarrond beschermd zijn (zie paragraaf 4.2.1). Tijdens het veldbezoek zijn, uitgezonderd de huismus, geen jaarrond beschermde vogelsoorten in het plangebied en in de directe omgeving waargenomen. Boomvalk, buizerd, havik, ransuil, roek en sperwer Tijdens het veldbezoek zijn deze soorten niet waargenomen in het onderzoeksgebied. Ook zijn geen (recent) gebruikte roofvogel- en roekennesten, (oude) ekster- en kraaiennesten of andere gebruikssporen (veren, uitwerpselen, braakballen, etc.) in de aanwezige, en de direct aan het plangebied grenzende, groenelementen aangetroffen. Door de ligging van
Pagina 15
het plangebied in de bebouwde kom van Groenlo, nabij een schoolgebouw, wordt deze locatie ongeschikt geacht als vaste rust- en verblijfplaats voor meer verstoringsgevoelige soorten als boomvalk, buizerd en havik. Incidenteel kan een rustend, jagend of overvliegend exemplaar van de ransuil, roek en sperwer in het plangebied worden waargenomen. Maar ook van deze soorten wordt geen nestlocatie verwacht. Gierzwaluw Uit de omgeving van het plangebied zijn enkele waarnemingen van deze jaarrond beschermde, gebouwbewonende vogelsoort bekend (bron: NDFF). Tijdens het veldbezoek is op deze soort niet in het plangebied of in de directe omgeving hiervan waargenomen. Tijdens de winterperiode verblijven gierzwaluwen echter niet in Nederland en bevinden zich in hun overwinteringsgebied in Afrika. Het te slopen schoolgebouw, de gymzaal en het gebouwtje van het waterschap (rioolgemaal) beschikken niet over geschikte nestgelegenheden. Hier worden vaste rust- en verblijfplaatsen (nestlocaties) van deze soort niet verwacht. Binnen het plangebied en direct grenzend aan het plangebied bevinden zich wel diverse woningen met een pannendak, waar deze vogelsoort mogelijk wel geschikte nestlocaties vindt in de ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot. Betreffende woningen worden echter niet gesloopt.
Incidenteel gebruik van het plangebied door een enkele jagende of overvliegende gierzwaluw is wel mogelijk. De delen van het plangebied waar gesloopt wordt en groenstructuren (deels) verdwijnen is niet van essentieel belang voor de functionaliteit van het leefgebied van de gierzwaluw. Grote gele kwikstaart In het plangebied ontbreekt het aan geschikte broedgelegenheden voor de grote gele kwikstaart. De soort gebruikt voornamelijk halfopen beeklopen, waaronder rondom Winterswijk, als broedlocatie. Beken en andere waterlopen zijn het belangrijkste habitat voor de grote gele kwikstaart, waarbij als broedlocatie vrijwel altijd een sluis, watermolen, stuw of ander bouwwerk nabij het water wordt uitgekozen. Deze broedlocaties en geschikt habitat ontbreken in het plangebied. Het plangebied is geen (essentieel) leefgebied voor deze soort. Sporadisch kan een overvliegende of rustende grote gele kwikstaart in het plangebied aangetroffen worden. Huismus Het te slopen schoolgebouw, de gymzaal en het gebouwtje van het waterschap (rioolgemaal) zijn voorzien van een plat dak en herbergen geen geschikte verblijfruimtes / nestlocaties voor de huismus. Binnen het plangebied en direct grenzend aan het plangebied bevinden zich diverse woningen met een pannendak (zie foto 1 en 2), waar deze vogelsoort mogelijk wel geschikte nestlocaties vindt in de ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot.
Via hoekpannen en dakgoten is deze ruimte bereikbaar voor deze vogelsoort. Tijdens het veldonderzoek zijn hier ook enkele huismussen vastgesteld. Betreffende woningen worden echter niet gesloopt en het groen, in de vorm van o.a. coniferenhagen en gazon, in de bijbehorende tuinen worden ook niet verwijderd.
Pagina 16
De rondom het schoolgebouw aanwezige beukenhagen (zie foto 3) en overige beplanting zijn geschikt als rust- en schuilplaats voor de huismus en enkele delen zijn ook geschikt als foerageergebied en om zandbaden te nemen. Incidenteel gebruik door een enkele rustende, schuilende, foeragerende en zandbadende huismus is hier mogelijk. Het plangebied is echter niet van essentieel belang voor de functionaliteit van het leefgebied van de huismus. De directe omgeving, waaronder de woningen in het plangebied, voorziet ruim in geschikt alternatief foerageergebied, locaties waar gerust en geschuild kan worden als coniferen- en laurierkershagen (zie foto 4) en waar gebaad kan worden, zoals zandige plekken in tuinen en groenstroken.
Foto 1. Woonhuizen aan de Hartebroekseweg met een pannendak, waar gierzwaluw en huismus geschikte nestlocaties vinden in de ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot.
Foto 2. Woonhuizen aan de Hartebroekseweg met een pannendak, waar gierzwaluw en huismus geschikte nestlocaties vinden in de ruimte tussen de dakpannen en het dakbeschot.
Foto 3. Beukenhaag langs schoolgebouw. Hier zijn tijdens het veldbezoek enkele huismussen aangetroffen.
Foto 4. Coniferenhaag bij woning aan de Hartebroekseweg.
Ooievaar Tijdens het veldbezoek zijn geen ooievaars aangetroffen in het plangebied en de directe omgeving. Het plangebied is niet geschikt als nestlocatie voor deze soort. Sporadisch kan een overvliegend exemplaar in het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake.
Pagina 17
Kerkuil en steenuil Door de afwezigheid van vrij toegankelijke gebouwen, speciale nestkasten en sporen die de aanwezigheid van een nestplek aannemelijk maken, zoals braakballen, veren of krijtstrepen, worden hier geen nestlocaties van de kerk- en steenuil verwacht. Incidenteel kan een jagend exemplaar van bijvoorbeeld de kerkuil in het plangebied worden waargenomen. Van een essentieel leefgebied is geen sprake. Voor overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten is het plangebied niet van belang als nestlocatie of essentieel leefgebied. Incidenteel kan wel een jagende kerkuil in het plangebied verwacht worden. Grondgebonden zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn sporen van de mol (molshopen) en muizen (holletjes) aangetroffen in het plangebied. Het plangebied is geschikt als leefgebied/foerageergebied voor diverse soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, eekhoorn, egel, hermelijn, konijn, mol, steenmarter en diverse soorten (spits)muizen. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, hermelijn en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Kleine marterachtigen als bunzing en hermelijn Na de provincie Noord-Brabant en Noord-Holland zijn ook in de provincie Gelderland per 1 maart 2019 de kleine marterachtigen bunzing, hermelijn en wezel niet meer vrijgesteld in het kader van de Wet natuurbescherming.
Dit betekend dat bij bepaalde activiteiten onderzocht dient te worden of deze activiteiten schadelijk kan zijn voor de rustplaatsen van deze kleine marterachtigen of dat dieren worden gedood. De NDFF vermeldt het voorkomen van de bunzing en hermelijn voor de omgeving van het plangebied. Beide marterachtigen leven bij voorkeur in kleinschalige en afwisselende cultuurlandschappen en natuurgebieden. Belangrijke elementen in het leefgebied zijn een combinatie van kleine wateren, vochtige terreinen en landschapselementen, zoals rietzomen, ruigten, houtwallen en greppels. Soms komt met name de bunzing ook voor in steden en dorpen met een natuurlijk karakter, zoals parken, braakliggend terrein, tuinen, etc. De bunzing maakt zijn nestplaats onder andere in houtstapels, takkenhopen en soms in een hol in de grond. Ook worden oude schuurtjes, stallen en andere bouwwerken bewoond. De rustplaats wordt gemaakt in oude holen van bijvoorbeeld konijn, mol, vos en das, maar ook onder steenhopen, houtmijten, in holle bomen of onder boomwortels. De
Pagina 18
hermelijn vindt zijn schuilplaats voornamelijk onder boomwortels, in oude konijnenholen of rattenholen, oud mollennesten, in houtstapels, nisjes en boomholtes. Kleine marterachtigen zijn actieve jagers en hebben meerdere jachtgebieden nodig in de directe omgeving van hun verblijfplaatsen. Dichte begroeiing, rommelhoekjes, holtes en kieren vormen het jachtgebied, evenals natuurgrasland, extensief beweide percelen, braakliggende terreinen en akkerranden. Deze terreinen moeten via verbindingszones bereikbaar zijn vanaf de nest- en verblijfplaats en in voldoende mate binnen het territorium beschikbaar zijn. Het plangebied is marginaal geschikt als leefgebied voor de bunzing, hermelijn en eventueel wezel. Verspreid in het plangebied is een enkele mols- en muizenhol en nisje te vinden welke potentieel geschikt kan zijn als nest- en verblijfplaats. De in het plangebied aanwezige structuren zullen door hun openheid slechts incidenteel als foerageergebied gebruikt kunnen worden door kleine marterachtigen. De opgaande beplantingen langs de Groenlosche Slinge, net buiten het plangebied, en een enkele nabijgelegen bosje kunnen als verbindingszones functioneren.
Door de openheid van de groenstructuren (ontbreken van een dichte struik- en kruidlaag), het intensieve maaibeheer en het intensieve gebruik van het plangebied als hondenlosloopgebied, door schoolkinderen en bewoners van de aangrenzende woonwijk wordt hier geen essentieel leefgebied voor kleine marterachtigen verwacht. Het gebruik van de bunzing, hermelijn en eventueel wezel beperkt zich hooguit tot een passerend of een incidenteel foeragerend exemplaar. Eekhoorn Tijdens het veldbezoek zijn geen eekhoorns waargenomen en in de aanwezige geïnspecteerde bomen zijn geen boomnesten vastgesteld. Door het ontbreken van bomen met eekhoornnesten beperkt het gebruik van het plangebied zich hooguit tot een enkel rondzwervend of foeragerend exemplaar. De aanwezigheid van een vaste verblijfplaats in het plangebied is uit te sluiten. Steenmarter Uit de bebouwde kom van Groenlo en het direct aangrenzende buitengebied zijn vanuit de NDFF enkele waarnemingen van de steenmarter uit de omgeving van het plangebied bekend (bron: NDFF). Steenmarters gebruiken hooizolders, loze ruimtes onder het dak, schuurtjes en dergelijke, als verblijfplaats. Een steenmarter heeft binnen zijn territorium verscheidene verblijfplaatsen.
Tijdens het veldbezoek zijn geen steenmarters en/of sporen, zoals uitwerpselen of prooiresten, aangetroffen die duiden op het gebruik van het plangebied als vaste rust- of verblijfplaats. Daarnaast ontbreken geschikte kieren en gaten welke toegang kunnen bieden tot de binnenruimte van de onderzochte gebouwen. Gelet op het ontbreken ervan kan worden gesteld dat het plangebied niet als vaste rust- en verblijfplaats in gebruik is door de steenmarter.
Pagina 19
Overige strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt de afwezigheid van overige strikt beschermde grondgebonden zoogdieren. Vleermuizen De NDFF maakt melding van de gewone dwergvleermuis, gewone/bruine grootoorvleermuis, laatvlieger en rosse vleermuis voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen In het te slopen schoolgebouw en in de gymzaal zijn diverse openingen te vinden die toegang bieden tot geschikte verblijfsruimten voor gebouwbewonende vleermuizen, zoals de gewone dwergvleermuis, laatvlieger en eventueel gewone/bruine grootoorvleermuis (zie foto’s 5 t/m 8). De openingen bieden toegang tot mogelijke geschikte verblijfsruimten in de spouw van de gevels en in andere donkere, beschutte ruimten aan de binnenzijde van het gebouw. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen In het plangebied zijn geen bomen aanwezig met voor vleermuizen geschikte holtes. Geschikte verblijfsruimten voor boombewonende vleermuizen als gewone/bruine grootoorvleermuis en rosse vleermuis zijn dan ook niet te verwachten.
Vliegroutes en foerageergebied(en) van vleermuizen Het plangebied is door de aanwezigheid van groenstructuren geschikt als foerageergebied voor met name een enkele minder storingsgevoelige soort als de gewone dwergvleermuis. De directe omgeving, waaronder de Groenlosche Slinge en hier aangrenzende groenstructuren, voorziet ruim voldoende in potentieel geschikt foerageergebied. Ondanks aanwezigheid van voldoende alternatief foerageergebied is het niet uit te sluiten dat het (deels) verwijderen van de aanwezige groenstructuren een negatief effect kan hebben op (essentieel) foerageergebied en mogelijk een vliegroute van onder andere de gewone dwergvleermuis. Verder kan met name toename van (kunst)licht tijdens de bouw- en ingebruikfase van het plangebied zorgen voor een significant negatief effect.
Foto 5. Open stootvoegen zuidgevel gymzaal.
Foto 6. Open stootvoegen oostgevel gymzaal.
Pagina 20
Foto 7. Ruimten tussen muur en gevelbekleding bij schoolgebouw.
Foto 8. Ruimten tussen muur en gevelbekleding bij schoolgebouw.
Amfibieën Beschermde amfibieën zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen, maar deze zijn grotendeels nog in winterrust op het moment van het veldbezoek. De NDFF meldt de beschermde bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Open water ontbreekt in het plangebied en voortplanting van amfibieën wordt niet in het plangebied verwacht. Het plangebied is marginaal geschikt als landbiotoop voor een enkele weinig kritische en algemene soorten als bruine kikker en gewone pad. Een zomer- en/of winterverblijfplaats van deze amfibieënsoorten kan men in het plangebied verwachten. Voor deze soorten geldt in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Strikt beschermde amfibieën worden niet verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Het bronnenonderzoek bevestigt tevens de afwezigheid van strikt beschermde amfibieën voor het plangebied en omgeving. Reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen reptielen aangetroffen. Deze zijn echter ook in winterrust op het moment van het veldbezoek. De NDFF meldt geen reptielensoorten voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1) en deze worden ook niet in het plangebied verwacht door het ontbreken van geschikt leefgebied. Vissen Permanent open water ontbreekt in het onderzoeksgebied, waardoor het voorkomen van (beschermde) vissen uitgesloten is.
Pagina 21
Ongewervelde dieren Tijdens het veldbezoek zijn geen beschermde ongewervelde dieren aangetroffen, maar deze zijn echter op het moment van onderzoek (januari) ook grotendeels niet meer actief. De NDFF vermeldt het voorkomen van de beschermde teunisbloempijlstaart voor de omgeving van het plangebied (zie paragraaf 4.2.1). Teunisbloempijlstaart In de omgeving van het plangebied zijn waarnemingen van deze strikt beschermde nachtvlindersoort bekend (bron: NDFF). De teunisbloempijlstaart is Europees beschermd via de Habitatrichtlijn. Het leefgebied van de teunisbloempijlstaart bestaat voornamelijk uit vochtige open plekken in bossen en bosranden, vooral in rivierdalen. De soort wordt echter in Nederland voornamelijk gevonden op zandige, braakliggende en ruderale terrein in en rond het stedelijk gebied. Waardplant van deze nachtvlinder is de teunisbloem, maar de rupsen worden ook op andere planten uit de familie Onagraceae aangetroffen. De vlinders vliegen in mei-juni, de rups leeft van juni tot september op de waardplant en van september tot mei verblijft de soort als pop in de strooisellaag (bron: Vlinderstichting). Van deze soort is een rups waargenomen in een braakliggend terrein, op circa 800 meter ten zuiden van het plangebied (bron: NDFF). In het plangebied zijn geen planten aangetroffen die behoren tot de familie Onagraceae.
Derhalve mag worden aangenomen dat het plangebied geen deel uitmaakt van het leefgebied van de teunisbloempijlstaart.
Pagina 22
5 Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden). Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren. Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10). Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11). Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. In dit hoofdstuk wordt vastgesteld of beschermde soorten flora en fauna aanwezig zijn of verwacht worden op de locatie. Vervolgens wordt bepaald of ze mogelijk nadelige effecten kunnen ondervinden van de geplande werkzaamheden. Deze effecten worden getoetst aan de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming (zie bijlage 2). Wanneer de Wet natuurbescherming (mogelijk) wordt overtreden wordt geadviseerd over het uitvoeren van aanvullend onderzoek en/of het aanvragen van een ontheffing. Flora Beschermde plantensoorten zijn niet aangetroffen en worden ook niet verwacht door het ontbreken van geschikte groeiplaatsen. Uit de NDFF zijn geen waarnemingen van beschermde plantensoorten bekend geworden uit het plangebied. In de wijde omgeving wordt wel de aanwezigheid van de kartuizer anjer vermeld. Deze beschermde plantensoort wordt niet in het plangebied verwacht omdat er geen geschikte groeiplaatsen zijn, zo blijkt uit het veldonderzoek. Aanvullend onderzoek naar het voorkomen van de kartuizer anjer en eventueel overige beschermde plantensoorten en/of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk.
Broedvogels Alle vogelsoorten zijn beschermd krachtens de Wet natuurbescherming (Vogelrichtlijn). Ontheffing voor deze diergroep is niet mogelijk. Dit betekent dat het opzettelijk verstoren, verontrusten, doden en anderszins nadelig beïnvloeden van deze soortgroep niet is toegestaan. Daarom moet er buiten het broedseizoen gestart worden met de werkzaamheden. Als de werkzaamheden in volle gang zijn bij aanvang van het broedseizoen, is het verstoringeffect op (broed)vogels minimaal. Het broedseizoen ligt,
Pagina 23
afhankelijk van de weeromstandigheden en aanwezige soorten, ruwweg tussen 15 maart en 15 juli. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd. Vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn In het plangebied bevinden zich geen nestlocaties van vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten, zoals de uit de omgeving bekende boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, kerkuil, ooievaar, ransuil, roek, sperwer en steenuil en de tijdens het veldbezoek aangetroffen huismus. De functionaliteit van het leefgebied van deze soorten wordt eveneens niet aangetast door de geplande activiteiten. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk. Overige vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten worden niet verwacht in het plangebied. Voor overige jaarrond beschermde vogelsoorten is het uitvoeren van aanvullend onderzoek of het aanvragen van ontheffing niet noodzakelijk. Grondgebonden zoogdieren Het plangebied is geschikt als leefgebied voor diverse soorten grondgebonden zoogdiersoorten als bunzing, eekhoorn, egel, hermelijn, konijn, mol, steenmarter en diverse soorten (spits)muizen. Voor deze soorten geldt, met uitzondering van de bunzing, eekhoorn, hermelijn en steenmarter, in provincie Gelderland vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen.
Kleine marterachtigen als bunzing en hermelijn De kleine marterachtigen bunzing en hermelijn zijn strikt beschermd in de provincie Gelderland. Het voorkomen is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Het plangebied voldoet slechts marginaal aan de eisen voor het leefgebied van de bunzing, hermelijn en eventueel wezel. Van de bunzing en hermelijn zijn waarnemingen bekend op ruime afstand van het plangebied. De wezel is niet bekend uit de omgeving van het plangebied. Het is uitgesloten dat het plangebied behoort tot een essentieel onderdeel van het leefgebied van de bunzing, hermelijn en mogelijk ook wezel. De opgaande beplantingen langs de Groenlosche Slinge, diverse bosjes en het nabijgelegen buitengebied van Groenlo zijn meer geschikt als leefgebied, met de bijbehorende functies als nest- en verblijfplaats, foerageergebied en verbindingszones. Het opnieuw inrichten van het plangebied zal niet leiden tot aantasting van een vaste rust- en verblijfplaats van de bunzing, hermelijn en eventueel wezel. Eekhoorn en steenmarter Het voorkomen van de beschermde eekhoorn en steenmarter is alleen ontheffingsplichtig wanneer er vaste verblijfplaatsen aanwezig zijn. Hiervan is geen sprake in het plangebied. Nader onderzoek naar het voorkomen van de eekhoorn en steenmarter of het aanvragen van een ontheffing is dan ook niet noodzakelijk.
Pagina 24
Vleermuizen Om te bepalen of aanvullend onderzoek naar vleermuizen noodzakelijk is, worden de resultaten van de quickscan getoetst aan de checklist van Het Protocol voor vleermuisinventarisaties van de Gegevensautoriteit Natuur en de Zoogdiervereniging. Hieronder zijn de relevante passages uit de checklist weergegeven: 1. Zijn er gebouwen die gesloopt of gerenoveerd worden? Ja Nader onderzoek naar kraam-, zomer-, paar-, en (massa)winterverblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen is noodzakelijk. 2. Zijn er bomen met potentieel geschikte holten die gekapt of gesnoeid worden? Nee Nader onderzoek naar zomer- en paarverblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen is niet noodzakelijk. 3. Worden er struiken, gewassen, bomen of andere elementen verwijderd of aangetast die deel uitmaken van een mogelijke route/verbinding of een essentieel foerageergebied? Ja Nader onderzoek naar vliegroutes en foerageergebieden is noodzakelijk. Nader onderzoek naar vleermuizen is noodzakelijk aangezien het niet uit te sluiten is dat door de geplande ruimtelijke ontwikkelingen verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen, (essentieel) foerageergebied en vliegroutes worden aangetast.
Het vleermuisprotocol adviseert om bij het vermoeden op kraam-, zomer- en paarverblijfplaatsen, (essentieel) foerageergebied en vliegroute van de te verwachten soorten gericht vleermuisonderzoek uit te voeren middels 5 veldbezoeken. Het gaat hierbij om 3 avond- of ochtendbezoeken in de periode 15 mei – 15 augustus, waarvan minimaal 2 bezoeken in de periode 15 mei – 15 juli, en 3 avondbezoeken in de periode 1 augustus – 15 september. Overige soortgroepen Gezien het ontbreken van geschikt leefgebied zijn beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren, met uitzondering van enkele algemene soorten zoals bruine kikker en gewone pad niet te verwachten in het plangebied. Voor de mogelijk aanwezige algemeen voorkomende amfibieën geldt in de provincie Gelderland automatisch een vrijstellingsregeling bij ruimtelijke ingrepen. Strikt beschermde soorten als de teunisbloempijlstaart worden niet verwacht. Het uitvoeren van een aanvullend onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk voor deze soortgroepen.
Pagina 25
6 Conclusie Aan de hand van de resultaten van de quickscan natuurtoets kan de volgende conclusie worden getrokken: Beschermde natuurgebieden Natuurnetwerk (GNN) Het plangebied ligt niet in het GNN. De kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen worden niet aangetast door de geplande inrichting. Er hoeft geen verdere toetsing uitgevoerd te worden. Natura 2000 Er vinden geen ruimtelijke ingrepen plaats in of nabij een Natura 2000-gebied. Door de aard en de door de afstand tussen het plangebied en de dichtstbijzijnde Natura 2000gebieden ‘Korenburgerveen’ en het Duitse Natura 2000-gebied ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ worden geen significante negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelingsopgaven door directe verstoringsfactoren verwacht. Ook significante negatieve effecten door indirecte verstoringsfactoren zijn op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van stikstofdepositie. Significante negatieve effecten door stikstofdepositie op gevoelige habitats van de Natura 2000-gebieden ‘Korenburgerveen’ en ‘Zwillbrocker Venn u. Ellewicker Feld’ in de kap-, sloop-, en bouwfase zijn niet op voorhand uit te sluiten. Een AERIUS-berekening is daarom noodzakelijk. Beschermde flora en fauna Aanvullend onderzoek is noodzakelijk voor de volgende soortgroep:
Vleermuizen (verblijfplaatsen, foerageergebied en vliegroute)
Er moet verder rekening worden gehouden met broedvogels. Activiteiten als het kappen en verwijderen van bomen en struiken moeten zoveel mogelijk buiten het broedseizoen (15 maart – 15 juli) worden gehouden.
Pagina 26
Bijlagen 1 2 3
Impressie plangebied Wettelijk kader Beschermde plant- en diersoorten
Pagina 27
Bijlage 1 Impressie plangebied
Pagina 28
Bijlage 2 Wettelijk kader Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt drie wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming volgt in hoofdlijnen de bepalingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn op. De belangrijkste beschermde natuurwaarden in de Wet Natuurbescherming zijn:
Beschermde natuurgebieden (Natura 2000-gebieden); Aangepaste soortenlijst beschermde planten en dieren; Expliciete vermelding intrinsieke waarde van natuur (art. 1.10); Algemene zorgplicht voor natuurgebieden en in het wild levende dieren, planten en hun leefomgeving (art. 1.11); Actieve soortenbescherming (art. 1.12): verplichting voor provincies.
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Toetsing van effecten van projecten op Natura 2000-gebieden blijft hetzelfde als nu. Beschermde natuurmonumenten Beschermde natuurmonumenten en bijbehorende doelen komen te vervallen. Hetzelfde geldt voor (nooit aangewezen) beschermde landschapsgezichten en beschermde leefomgevingen. De meeste natuurmonumenten vallen binnen het NNN areaal en zijn via dat beschermingsregime alsnog beschermd. Daarnaast kunnen gemeenten de natuurmonumenten via een bestemmingsplan als beschermde natuur aanwijzen. Provincies dienen gebieden aan te wijzen voor het NNN (voormalige EHS) en (evt. op verzoek) voor overige bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. Het rijk kan een gebied, niet zijnde een Natura 2000-gebied, als bijzonder nationaal natuurgebied aanwijzen.
Soortbescherming Alle beschermde soorten worden aangewezen in de wet zelf (deels met verwijzing naar internationale regelgeving). Alle natuurlijk in het wild levende vogels, meeste inheemse zoogdieren, alle inheemse amfibieën en reptielen, en een aantal vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten zijn beschermd. Ongeveer 200 thans beschermde soorten (vooral vaatplanten en zeevissen) worden niet meer beschermd onder de Wet natuurbescherming (anders dan door algemene zorgplicht). De lijst met beschermde soorten is niet meer opgedeeld in tabellen, zoals in de huidige Flora- en faunawet. Zie bijlage 3 voor de nieuwe lijst met beschermde plant- en diersoorten.
Pagina 29
Totaal aantal beschermde soorten is slechts een fractie van ongeveer 35.000 soorten die in Nederland voorkomen. Groot aantal bedreigde (Rode lijst) soorten wordt niet passief beschermd (wel actieve bescherming vereist).
Drie regimes voor beschermde soorten 1. Regels ter bescherming van vogels die vallen binnen het bereik van de Vogelrichtlijn, i.e. alle natuurlijk in het wild levende vogels in EU (art. 3.1-3.4) 2. Regels ter bescherming van dier- en plantensoorten die strikt beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en natuurbeschermingsverdragen (art. 3.5-3.9) 3. Regels ter bescherming van niet onder 2 vallende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten vermeld in de bijlage bij de wet (art. 3.10-3.11) Inhoud beschermingsregimes
Geen uniform verbodsstelsel, maar aparte verboden voor elk van de drie categorieën beschermde soorten. Verboden en uitzonderingen sluiten nauw aan bij Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn (regime 1 en 2), maar ‘soepeler’ regime voor aanvullend beschermde soorten (regime 3). Meeste verboden nu alleen van toepassing op ‘opzettelijk’ handelen, maar dat dekt ook voorwaardelijk opzet (=willens en wetens aanmerkelijke kans aanvaarden dat gedraging schadelijke gevolgen heeft voor beschermde soorten). Verschil met de huidige verboden zal in de praktijk dus waarschijnlijk gering zijn.
Alle in de Wet genoemde soorten zijn strikt beschermd. Voor de verbodsbepalingen is een ontheffing noodzakelijk. Dit geldt ook voor zeer algemene soorten waarvoor in het verleden automatisch de vrijstellingsregeling van kracht was bij ruimtelijke ontwikkelingen. Echter kunnen de provincies voor een aantal algemene soorten een vrijstellingslijst opstellen (op basis van Artikel 3.11). Dit betekent dat de beschermde soorten per provincie verschillen (zie bijlage 3). Met betrekking tot ruimtelijke ontwikkelingen zijn de volgende verbodsbepalingen voor soorten het meest relevant.
Intrinsieke waarde natuur Artikel 1.10 Deze wet is gericht op: Het beschermen en ontwikkelen van de natuur, mede vanwege de intrinsieke waarde, en het behouden en herstellen van de biologische diversiteit.
Pagina 30
Algemene Zorgplicht Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde.
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn Artikel 3.1 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Artikel 3.3 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1, ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren.
Pagina 31
2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van verboden als bedoeld in artikel 3.1 en ten aanzien van vogels van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van hun nesten, rustplaatsen of eieren. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig:
in het belang van de volksgezondheid of de openbare veiligheid; in het belang van de veiligheid van het luchtverkeer; ter voorkoming van belangrijke schade aan gewassen, vee, bossen, visserij of wateren; ter bescherming van flora of fauna; voor onderzoek of onderwijs, het uitzetten of herinvoeren van soorten, of voor de daarmee samenhangende teelt, of om het vangen, het onder zich hebben of elke andere wijze van verstandig gebruik van bepaalde vogels in kleine hoeveelheden selectief en onder strikt gecontroleerde omstandigheden toe te staan;
c. de maatregelen leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. In een ontheffing, onderscheidenlijk vrijstelling worden in elk geval voorschriften opgenomen, onderscheidenlijk regels gesteld, over: a. de middelen, installaties of methoden voor het vangen of doden, waarbij enkel het gebruik wordt toegestaan van bij algemene maatregel van bestuur aangewezen middelen, installaties of methoden; b. de tijd en plaats waarvoor de ontheffing of vrijstelling geldt, en c. de wijze waarop het risico voor het behoud van de vogelstand wordt beperkt.
Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn Artikel 3.5 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. 2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
Pagina 32
3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. 5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Artikel 3.8 1. Gedeputeerde staten kunnen ontheffing verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. 2. Provinciale staten kunnen bij verordening vrijstelling verlenen van een of meer van de verboden, bedoeld in artikel 3.5 ten aanzien van dieren of planten van daarbij aangewezen soorten, dan wel ten aanzien van de voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren van daarbij aangewezen soorten. Ontheffing of vrijstelling Een ontheffing of een vrijstelling wordt uitsluitend verleend, indien is voldaan aan elk van de volgende voorwaarden: a. er bestaat geen andere bevredigende oplossing; b. zij is nodig:
in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats; ter voorkoming van ernstige schade aan met name de gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom; in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten; voor onderzoek en onderwijs, repopulatie of herintroductie van deze soorten, of voor de daartoe benodigde kweek, met inbegrip van de kunstmatige vermeerdering van planten, of om het onder strikt gecontroleerde omstandigheden mogelijk te maken op selectieve wijze en binnen bepaalde grenzen een beperkt, bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde dieren van de aangewezen soort te vangen of onder zich te hebben, onderscheidenlijk een beperkt bij de ontheffing of vrijstelling vastgesteld aantal van bepaalde planten van de aangewezen soort te plukken of onder zich te hebben;
Pagina 33
c. er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan. Beschermingsregime andere soorten Artikel 3.10 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. 2. Artikel 3.8, met uitzondering van het derde en vierde lid, is van overeenkomstige toepassing op de verboden, bedoeld in het eerste lid, met dien verstande dat, in aanvulling op de redenen, genoemd in het vijfde lid, onderdeel b, de noodzaak voor de ontheffing of vrijstelling ook verband kan houden met handelingen: a. in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; b.