bp gasteveldsdijk 6 toelichting
Tekst van het document
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
Hoofdstuk 4
Uitvoeringsaspecten
4.1
Besluit Milieueffectrapportage
4.1.1
Wettelijk kader
De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; 2. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). 3. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage.
Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. Wanneer uit een toets blijkt dat de activiteit (mogelijk) significante negatieve effecten tot gevolg heeft, dan kan een vergunning alleen worden verleend als uit een passende beoordeling blijkt dat de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zullen worden aangetast. Onderdeel van de passende beoordeling vormt de ADC-toets. De ADC-toets houdt een onderzoek in naar Alternatieven, het aantonen van Dwingende redenen van openbaar belang en het vooraf en tijdig treffen van Compenserende maatregelen.
4.1.2
Situatie plangebied
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Korenburgerveen en is gelegen op een afstand van circa 1.800 meter. Uit een voor deze ontwikkeling uitgevoerd stikstofonderzoek blijkt dat uitvoering van dit plan niet leidt tot negatieve gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Het betreffende onderzoek is in Bijlage 2 bij deze toelichting opgenomen. Het toevoegen van één (bedrijfs)woning op perceelsniveau, wordt niet als zodanig genoemd in de onderdelen C en D van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage genoemde kolommen 3 en 4. Woonactiviteiten worden alleen genoemd in relatie tot een stedelijk ontwikkelingsproject, waarbij meer dan 2000 woningen worden gebouwd (onderdeel D11.2 van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage). In dit geval is geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. Een
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht is dan ook niet aan de orde (ook geen vormvrije m.e.r.-beoordeling).
4.1.3
Conclusie
Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet aan de orde nu geen sprake is van een stedelijke ontwikkelingsproject en geen passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Derhalve vormt het Besluit Milieueffectrapportage geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.2
Archeologie en Cultuurhistorie
4.2.1
Wettelijk kader
De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart.
Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.
4.2.2
Situatie plangebied
Archeologie Zoals in paragraaf 1.3 reeds vermeld is op het plangebied het parapluplan Archeologie van toepassing. Het parapluplan voorziet in een aangepast vergunningstelsel ten aanzien van het archeologiebeleid en vervangt de archeologische dubbelbestemmingen uit onderliggende bestemmingsplannen, waaronder Buitengebied Oost Gelre 2011 en bijbehorende Reparatieplannen. Binnen het parapluplan hebben de gronden in het plangebied de bestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2', 'Waarde Archeologisch verwachtingsgebied 3'. De gronden met een archeologische dubbelbestemming zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de
28
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde bescherming van (te verwachten) archeologische waarden in de bodem. Belangrijk is om te noemen dat het plan alleen voorziet te bouwen c.q. aanleggen ter plaatse van het met de dubbelbestemming aangeduide gebied 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3'. In deze dubbelbestemming is opgenomen dat werkzaamheden dieper dan 30 cm onder maaiveld én een oppervlakte gelijk aan of groter dan 1.000 m² vergunningplichtig zijn. Onderhavig plan voorziet in substantieel minder werkzaamheden dan de grens van 1.000 m². Er geldt derhalve geen vergunningplicht en een archeologisch onderzoek wordt daarom dan ook niet relevant geacht voor de ontwikkeling.
Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). Het voorliggend bestemmingsplan tast de cultuurhistorische waarden niet aan. Ook zijn binnen het plangebied geen monumenten aanwezig.
4.2.3
Conclusie
De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. De archeologische bestemming blijft gehandhaafd. De aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie' vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van voorliggend bestemmingsplan.
4.3
Bodem
4.3.1
Wettelijk kader
Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.
Toelichting (vastgesteld)
29
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
4.3.2
Situatie plangebied
De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft in het kader van de ontwikkeling geadviseerd ten aanzien van het aspect bodem. Dit is gedaan op twee onderdelen: (1) voor het planologisch-juridisch bestendigen van de al aanwezige B&B, (2) en voor het mogelijk maken van een tweede bedrijfswoning. Op beide onderdelen concludeert de ODA dat er geen aanleiding is om een afwijkende bodemkwaliteit te verwachten. In het kader van de bestemmingsplanprocedure wordt het uitvoeren van een bodemonderzoek niet nodig geacht. Ten aanzien van de tweede bedrijfswoning wordt de bodemkwaliteit geschikt geacht voor de toekomstige bodemfunctie als wonen. De adviezen van de ODA zijn als Bijlage 3 en Bijlage 4 bijgevoegd bij deze toelichting.
4.3.3
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.4
Water
4.4.1
Wettelijk kader
Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen.
Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur. Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater);
30
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water.
4.4.2
Situatie plangebied
Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording hiervan heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. Op basis van de locatie en gegeven antwoorden blijkt dat waterschapsbelangen worden geraakt. De bij het plan behorende watertoetsresultaat is opgenomen in Bijlage 5 van deze toelichting. De plannen zijn voor advies naar het waterschap toegestuurd en reeds besproken op 10 maart 2023. Hierna wordt kort ingegaan op de belangrijkste aspecten.
Het plangebied ligt nabij een watergang Tegen de oostzijde van het plangebied ligt een watergang van het waterschap. Het onderhoudspad hiervoor loopt aan de buitenzijde ten opzichte van het plangebied. Alsnog is met het waterschap afgestemd dat minimaal 50 cm afstand gehouden moet worden vanaf de bovenkant van het talud van de watergang, zodat deze beschermt blijft. Maaien en ploegen is in deze zone van 50 cm niet toegestaan.
Er wordt water aangelegd, gedempt of aangepast In het plangebied is reeds een waterpoel aangelegd ten behoeve van de berging van hemelwater, alsook het creëren van een locatie welke voorziet in meer biodiversiteit in het plangebied. Het waterschap wijst erop dat de poel niet aangepast wordt zodat deze dichter dan 50 cm uit de insteek van de watergang komt te liggen. De poel mag niet in verbinding gebracht worden met de watergang.
Overige zaken Hemelwaterinfiltratie (vasthouden van regenwater) wordt geadviseerd. Het waterschap wijst hiermee op het tegengaan van toekomstige wateroverlast en het vasthouden van water op eigen terrein. Met het plan voorziet de waterpoel in voldoende infiltratie, vooral in het meest problematisch aangewezen gebied ten aanzien van wateroverlast (de zuidoosthoek van het plangebied). Verder wordt met het plan extra groen aangelegd. Het pad ten behoeve van de tweede bedrijfswoning wordt daarnaast semi-verhard aangelegd.
4.4.3
Conclusie
Gelet op het voorgaande, waarbij de adviezen van het waterschap opgevolgd worden, vormt het aspect water geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Toelichting (vastgesteld)
31
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
4.5
Geluid (Wet geluidhinder)
4.5.1
Wettelijk kader
Voor de beoordeling van het onderwerp geluid gelden bij ruimtelijke besluiten de volgende uitgangspunten: 1. voldoen aan de normen uit de Wet geluidhinder (Wgh) voor wat betreft geluidzones rondom wegen, spoorwegen en industrieterreinen); 2. het niet belemmeren van bedrijven in de omgeving; 3. het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 4. voldoen aan de eisen uit gemeentelijk geluidbeleid. Punt 1 komt hier aan bod. Punten 2 t/m 4 komen aan bod in paragraaf 4.8 Bedrijven en milieuzonering.
Wet geluidhinder (Wgh) De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidsnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidsniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidsgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidsgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen.
4.5.2
Situatie plangebied
Railverkeerslawaai In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg. Het onderdeel railverkeerslawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing.
Industrielawaai In de omgeving van het plan bevinden zich geen gezoneerde industrieterreinen. Het onderdeel industrielawaai van de Wet geluidhinder is niet van toepassing.
Wegverkeerslawaai In de omgeving van het plan bevinden zich wegen met een wettelijk zone. Voor wegen geldt de zonebreedte opgenomen in onderstaande tabel (tabel 1). Binnen deze zonebreedte moet akoestisch onderzoek aantonen dat het wegverkeerslawaai op de gevel van de woning voldoet aan de grenswaarde uit de Wet geluidhinder.
Zonebreedte voor een weg, bestaande uit
Stedelijk gebied
Buitenstedelijk gebied
een of twee rijstroken of twee sporen
200 meter
250 meter
drie of meer rijstroken of drie of meer sporen
350 meter
400 meter
Tabel 1: zonebreedte op basis van gebiedstypologie en aantal stroken of sporen
32
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
De Gasteveldsdijk is een 60 km/uur weg in buitenstedelijk gebied met een zonebreedte van 250 meter (een of twee rijstroken). De nieuwe bedrijfswoning ligt binnen de geluidzone van deze weg. Voor (bedrijfs)woningen en andere geluidsgevoelige gebouwen binnen een zone geldt een voorkeurswaarde van ten hoogste 48 dB. De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft op basis van voorgaande een advies uitgebracht over de gevolgen van de Wet geluidhinder op de nieuwe bedrijfswoning. Dit advies is opgenomen in Bijlage 6 bij deze toelichting. Uit de indicatieve berekening van de ODA - gebaseerd op 1.200 motorvoertuigen per etmaal, 60 km/uur, standaard asfalt en een standaard verdeling van licht, middel en zwaar verkeer - bedraagt de geluidbelasting op de gevel 47 dB na het toepassen van 5 dB aftrek. De berekening is weergeven in onderstaande afbeelding (afbeelding 7).
Afbeelding 7: gevelbelasting zonder 5 dB aftrek (1,5 m hoogte 50 dB en 4,5 m hoogte 52 dB)
De tweede bedrijfswoning is toegestaan op grond van de Wet geluidhinder voor wat betreft wegverkeerslawaai. Een akoestisch onderzoek hoeft niet te worden uitgevoerd en er hoeft geen hogere grenswaarde toegepast te worden.
4.5.3
Conclusie
Het aspect geluid (Wgh) vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Toelichting (vastgesteld)
33
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
4.6
Luchtkwaliteit
4.6.1
Wettelijk kader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan onder meer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen); Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007. Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtverontreiniging van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip “niet in betekenende mate” is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging.
Enkele voorbeelden zijn: woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg. Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleegen bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
4.6.2
Situatie plangebied
Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling heeft de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) advies uitgebracht ten aanzien van luchtkwaliteit. Het advies is als Bijlage 7 toegevoegd bij deze onderbouwing. Dat advies is hieronder tevens gegeven. Op en rondom deze locatie is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer. Een dergelijke grenswaarde betreft de wettelijke norm voor concentraties van stoffen in de lucht. De Regeling niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) is in dit geval van toepassing. De aanvraag
34
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde heeft betrekking op 1 woning. De grens in de regeling ligt bij 1.500 woningen met een enkele ontsluitingsweg of 3.000 woningen met twee ontsluitingswegen. De aanvraag blijft daar ruimschoots onder. Een berekening van de gevolgen voor de luchtkwaliteit is daarom niet nodig. De ruimtelijke procedure heeft geen betrekking op de ontwikkeling van een gevoelige bestemming als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen). Deze gevoelige bestemmingen zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen zijn geen gevoelige bestemmingen. De locatie ligt bovendien op een afstand van: meer dan 300 meter van een rijksweg; meer dan 50 meter van een provinciale weg. Alleen bij realisatie van gevoelige bestemmingen binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden nodig. Nu dit niet aan de orde is, hoeft geen aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit plaats te vinden.
4.6.3
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.7
Natuurbescherming
4.7.1
Wettelijk kader
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met de Wet natuurbescherming en het Natuur Netwerk Nederland (voorheen EHS). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. In de volgende paragraaf wordt voor het plangebied eerst ingegaan op gebiedsbescherming en vervolgens op soortenbescherming.
4.7.2
Situatie plangebied
Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. De locatie ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied ligt ten zuidoosten van het plangebied op circa 1.800 meter afstand. Dit betreft het Natura 2000-gebied “Korenburgerveen”.
Toelichting (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
Afbeelding 8: ligging plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden
Het bestemmingsplan dat het gebruik van een tweede bedrijfswoning, kaasmakerij en biotel mogelijk maakt is een plan als bedoeld in de Wet natuurbescherming. Om die reden is het noodzakelijk om af te wegen of er significante effecten op Natura 2000-gebied kunnen plaatsvinden. Van directe negatieve effecten (bijv. geluid/verlichting) op Natura 2000-gebied is gelet op de onderlinge afstand geen sprake. Naast directe negatieve effecten dient tevens de mogelijke toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onderzocht te worden. Hiervoor is een stikstofonderzoek (m.b.v. de AERIUS Calculator) uitgevoerd voor zowel de bouw- als gebruiksfase van de ontwikkeling. Het onderzoek is als Bijlage 2 opgenomen bij deze toelichting. Het onderzoek onderbouwt dat voor zowel de bouw- als de gebruiksfase er geen significante effecten op Natura 2000-gebieden aan de orde zijn. Samengevat heeft dit plan geen significante effecten op Nederlandse of Duitse Natura 2000-gebieden. Een passende beoordeling is niet aan de orde. Het aspect stikstofdepositie vormt geen belemmering voor de haalbaarheid van dit plan.
Gelders Natuurnetwerk De gebieden van het Natuurnetwerk Nederland worden in de provincie Gelderland het Gelders Natuurnetwerk genoemd. In het Gelders Natuurnetwerk komen twee natuurcategorieën voor: het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Gelderse Groene Ontwikkelingszone (GO). Het GNN bestaat uit alle bestaande natuur en een zoekgebied voor nog te realiseren nieuwe natuur. In het GNN geldt: in de basis hier geen nieuwe initiatieven. Er zijn enkele uitzonderingen mogelijk. Dat zijn ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor - overtuigend gemotiveerd – geen alternatieven bestaan. Voor dergelijke uitzonderingen gelden specifieke spelregels die garanderen dat het Gelders Natuurnetwerk in stand blijft (het nee, tenzij principe). Dat betekent dat hier geen ruimte is voor nieuwe projecten die de aanwezige en potentiële natuurwaarden significant aantasten. De GO is een gebied waar partners en partijen worden uitgenodigd om actief 'groene' doelen mee te helpen realiseren. Er is in dit gebied ruimte voor de verdere ontwikkeling van bestaande en bij het gebied behorende bedrijvigheid of bewoning. Afhankelijk van het type en de schaal van de ontwikkeling vraagt de provincie om een (extra) bijdrage te leveren aan de GO.
36
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
Het plangebied ligt niet in het GNN of in een GO. Derhalve vormen dezen geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Soortenbescherming Wat betreft de soortbescherming is de Wet natuurbescherming van toepassing. Hierin wordt onder andere de bescherming van dier- en plantensoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient te worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Als hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden gevraagd. In dit geval is door Staring Advies een Quickscan natuurtoets uitgevoerd. Hieronder wordt de conclusie van dit rapport samengevat. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 8 bij deze toelichting.
Quickscan natuurtoets De quickscan heeft uitgewezen dat: nestlocaties of vaste verblijfplaatsen van vogels waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn, zijn uit te sluiten in het plangebied; het plangebied in geringe mate geschikt is als leefgebied voor grondgebonden zoogdiersoorten en voor de eekhoorn, de steenmarter en kleine marterachtigen zijn geen vaste verblijfplaatsen of functioneel leefgebied aanwezig; het plan geen negatieve effecten heeft op het foerageergebied of de vliegroutes van vleermuizen en er geen potentiële verblijfplaatsen zijn binnen de onderzochte gebieden; er geen geschikt leefgebied is voor beschermde amfibieën, reptielen, vissen en/of ongewervelde dieren; voor algemene amfibieënsoorten als de bruine kikker, de gewone pad en de kleine watersalamander in Gelderland een vrijstelling geldt voor ruimtelijke ontwikkelingen; geconcludeerd kan worden dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk is, maar dat wel rekening gehouden moet worden met broedvogels en de algemene zorgplicht. Bij werkzaamheden en activiteiten dient altijd rekening te worden gehouden met broedvogels. De werkzaamheden moeten buiten het broedseizoen (globaal tussen 15 maart – 15 juli) worden uitgevoerd of ruim voor aanvang van het broedseizoen gestart worden en/of er dient te worden voorkomen dat broedvogels zich lokaal vestigen. Broedgevallen buiten deze periode zijn ook beschermd.
Bij werkzaamheden en activiteiten dient in het kader van de zorgplicht rekening te worden gehouden met kwetsbare en niet mobiele soorten, zoals amfibieën en de egel. Tijdens de werkzaamheden aangetroffen individuen moeten voorzichtig worden verplaatst naar een veilige locatie buiten de invloedssfeer van de werkzaamheden.
4.7.3
Conclusie
Het aspect natuurbescherming, zowel gebieds- als soortenbescherming, vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Toelichting (vastgesteld)
37
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
4.8
Bedrijven en milieuzonering
4.8.1
Wettelijk kader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen gevoelige functies en milieuhinderlijke functies. Uitgangspunt daarbij is dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Dat betekent in dit geval dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd en dat ter plaatse van woningen sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gehanteerd worden om de afstand te bepalen tussen woningen en de verschillende bedrijfscategorieën. Deze afstemming beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.
Belemmeren van bedrijven in de omgeving Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen milieugevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Bedrijven moeten ten aanzien van deze objecten voldoen aan de afstanden en normen ten aanzien van geluid, geur, gevaar en stof. Het realiseren van milieugevoelige objecten dichter naar de bedrijven kan een beperking voor de bedrijven betekenen. Of deze beperking ook leidt tot directe gevolgen voor de bedrijfsvoering, dient te worden vastgesteld. In dergelijke gevallen is onderzoek nodig welke belasting het bedrijf op het plangebied heeft. Blijkt uit het onderzoek dat de bedrijven ook in de nieuwe situatie kunnen voldoen aan de gestelde normen, dan is in feite voldaan aan dit punt. De bedrijven worden dan immers door de ruimtelijke ontwikkeling niet belemmerd in de bedrijfsvoering.
Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Afgewogen moet worden of er in en om milieugevoelige objecten een goed woon- en leefklimaat blijft gegarandeerd. Dit aspect speelt wanneer milieugevoelige objecten enerzijds en hinder producerende objecten als bedrijven en wegen anderzijds in elkaars nabijheid worden gerealiseerd. Om hierover een goed oordeel te kunnen vormen dient te worden bepaald wanneer sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij ruimtelijke plannen verder moet worden gekeken dan de normen uit diverse wetten. De VNG-publicatie "bedrijven en milieuzonering" is hiervoor een hulpmiddel. Wanneer aan de richtafstanden van deze publicatie wordt voldaan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wordt niet voldaan aan de richtafstanden dan dient de situatie nader onderzocht en afgewogen te worden. Bij de afweging of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ook in een nieuwe situatie aanwezig blijft, wordt derhalve de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering betrokken.
4.8.2
Situatie plangebied
Aan de hand van het hiervoor gegeven wettelijk kader is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Het plangebied ligt in het buitengebied. Wat betreft geur geldt voor een eigen bedrijfswoning dat deze géén bescherming krijgt tegen de eigen stallen. De Wet milieubeheer, en dus de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), regelt namelijk uitsluitend de gevolgen van een inrichting (in dit geval een veehouderij met nevenactiviteiten) voor de omgeving. Voor wat betreft geluid geldt dezelfde afweging ten aanzien van de Wet milieubeheer. Het eigen bedrijf wordt derhalve niet belemmerd en de bedrijfswoning heeft een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wanneer gekeken wordt naar het eigen bedrijf. Voor andere bedrijven moet deze afweging nog wel plaatsvinden. Een bedrijfswoning is wel een gevoelig object wanneer het om andere bedrijven gaat dan waar de bedrijfswoning bij hoort. In onderhavig geval is dat alleen het nabijgelegen bedrijf aan de Gasteveldsdijk 8. Dit is een intensieve veehouderij. De
38
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft voor de aspecten geur en geluid onderzoek gedaan naar de situatie. Deze onderzoeken zijn bijgevoegd als Bijlage 6 en Bijlage 9 bij deze toelichting. Ten aanzien van het aspect geur is het advies uitgegeven op basis van de toen geldende vergunning voor de Gasteveldsdijk 8 te Lievelde. Op 5 december 2023 is een nieuwe vergunning aangevraagd. Hierbij is een geurberekening gevoegd. Deze toont aan dat er ter plaatse van de tweede bedrijfswoning sprake is van een voorgrondbelasting van 8,0 ouE/m³. Vanuit de geldende wet- en regelgeving, in dit geval de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), geldt op basis van artikel 3 aanhef en lid 1 dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³). Nu in voorliggend geval sprake is van een voorgrondbelasting van 8 ouE/m³ vanuit het agrarisch bedrijf aan de Gasteveldsdijk 8 te Lievelde, kan aangegeven worden dat (1) de tweede bedrijfswoning de aangevraagde situatie niet belemmerd (2) nog genoeg geurruimte biedt voor eventuele uitbreiding.
Derhalve is er geen sprake van een onevenredige aantasting van de belangen van bedrijven in de omgeving.
Ten aanzien van geur wordt geconcludeerd dat: de woning voldoet aan de minimumafstand van 50 meter tot de intensieve veehouderij aan de Gasteveldsdijk 8; de woning voldoet aan de mininumafstand van 100 meter tot andere agrarische bedrijfsactiviteiten dan het huisvesten van dieren, zoals bijvoorbeeld een mestbassin van 350 m²; de woning voldoet aan de geldende geurnorm van 14 odour units/m³; de milieukwaliteit - de relatie tussen geurbelasting en geurbeleving - in de klasse 'redelijk goed' valt; het woon- en leefklimaat ten aanzien van geur aanvaardbaar is; het agrarisch bedrijf aan de Gasteveldsdijk 8 niet in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd. Ten aanzien van geluid wordt geconcludeerd dat: de woning voldoet aan de minimumafstand van 50 meter tot de intensieve veehouderij aan de Gasteveldsdijk 8; het woon- en leefklimaat ten aanzien van geur aanvaardbaar is; het agrarisch bedrijf aan de Gasteveldsdijk 8 niet in haar bedrijfsvoering wordt belemmerd.
4.8.3
Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan. Ter plaatse van de nieuwe bedrijfswoning is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Daarnaast worden bedrijven in de omgeving, specifiek Gasteveldsdijk 8, niet in haar bedrijfsvoering belemmerd.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Wettelijk kader
Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Toelichting (vastgesteld)
39
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen. Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico. Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.
In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht.
Gemeentelijk beleid De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.
4.9.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Een uitsnede van de Risicokaart rondom het plangebied is weergeven in onderstaande afbeelding (afbeelding 9).
40
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
Afbeelding 9: uitsnede Risicokaart rondom plangebied (blauwe cirkel)
Te zien is dat er geen risico's in de directe omgeving van het plangebied zijn. De weergeven risico's liggen allemaal op ruime afstand. De windturbines in het zuiden liggen op ongeveer 800 meter afstand. De hoogspanningsverbinding in het oosten ligt op ongeveer 1.200 meter afstand. De N18 ten westen en noordwesten ligt op ongeveer 950 meter afstand. Er wordt in alle gevallen voldaan aan de afstanden op grond van het Bevi, Bevt en Bevb.
4.9.3
Conclusie
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.10
Geur
4.10.1 Wettelijk kader Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) een toetsingskader.
Toelichting (vastgesteld)
41
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgh) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor geldt minimaal aan te houden afstanden.
Gemeentelijke verordening Een gemeente kan middels een geurverordening de normen wijzigen. De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden. Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de waarden in onderstaande tabel (tabel 2) als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij.
Ligging geurgevoelig object
Geurnorm
Minimumafstand
Gevel-tot-gevelafstand
Binnen bebouwde kom Groenlo
5 ou/m³
100 meter
50 meter
Binnen bebouwde kom Lievelde en Vragender
7 ou/m³
100 meter
50 meter
Binnen bebouwde kom overige kernen
3 ou/m³
100 meter
50 meter
Buiten bebouwde kom
14 ou/m³
50 meter
25 meter
Tabel 2: geurnormen en minimum afstanden gemeentelijk beleid
Voor woningen en andere geurgevoelige objecten bij veehouderijen geldt in het buitengebied een minimumafstand van 50 meter. Dit is inclusief woningen en andere geurgevoelige objecten die daar op na 19 maart 2000 geen deel meer van uitmaken. Ook voor woningen en andere geurgevoelige objecten die op of na 19 maart 2000 zijn gebouwd in samenhang met de beëindiging van de veehouderij geldt deze minimumafstand van 50 meter.
4.10.2 Situatie plangebied De tweede bedrijfswoning komt op ongeveer 220 meter van de meest nabijgelegen intensieve veehouderij te liggen, namelijk het agrarisch bedrijf aan de Gasteveldsdijk 8 te Lievelde. Andere intensieve veehouderijen liggen op meer dan 500 meter afstand. Ten aanzien van de mogelijkheden van aangrenzende bedrijven wordt dus alleen gesproken over de veehouderij aan de Gasteveldsdijk 8. Ten aanzien van deze veehouderij is aangetoond dat er geen sprake is van onevenredige aantasting van belangen. De Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) heeft hierin geadviseerd. Dit advies is als Bijlage 9 bij
42
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde deze toelichting gevoegd. Dit advies is uitgegeven op basis van de toen geldende vergunning voor de Gasteveldsdijk 8 te Lievelde. Op 5 december 2023 is een nieuwe vergunning aangevraagd. Hierbij is een geurberekening gevoegd. Deze toont aan dat er ter plaatse van de tweede bedrijfswoning sprake is van een voorgrondbelasting van 8,0 ouE/m³. Vanuit de geldende wet- en regelgeving, in dit geval de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv), geldt op basis van artikel 3 aanhef en lid 1 dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een veehouderij wordt geweigerd indien de geurbelasting van die veehouderij op een geurgevoelig object, gelegen binnen een concentratiegebied, buiten de bebouwde kom meer bedraagt dan 14,0 odour units per kubieke meter lucht (ouE/m³). Nu in voorliggend geval sprake is van een voorgrondbelasting van 8 ouE/m³ vanuit het agrarisch bedrijf aan de Gasteveldsdijk 8 te Lievelde, kan aangegeven worden dat de woning voldoet aan de geldende geurnorm van 14 odour units/m³.
Al met al wordt geconcludeerd dat: de woning voldoet aan de minimumafstand van 50 meter tot veehouderijen; de woning voldoet aan de geldende geurnorm van 14 odour units/m³; de milieukwaliteit - de relatie tussen geurbelasting en geurbeleving - valt in de klasse 'redelijk goed'; het woon- en leefklimaat ten aanzien van het aspect geur is aanvaardbaar.
4.10.3 Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Wettelijk kader Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd.
Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre De gemeente Oost Gelre beschikt over een eigen nota 'Parkeernormen gemeente Oost Gelre'. Deze nota is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma. In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd. Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen. De basis voor deze nota 'Parkeernormen gemeente Oost Gelre' is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor
Toelichting (vastgesteld)
43
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen.
4.11.2 Situatie plangebied De ontwikkeling maakt een tweede bedrijfswoning en een kaasmakerij mogelijk. Daarnaast wordt de bestaande nevenactiviteit van de B&B bestendigd. Voor de tweede bedrijfswoning en de B&B gelden verkeersaantrekkende werkingen. Voor de kaasmakerij geldt juist het tegenovergestelde.
Kaasmakerij De kaasmakerij zal leiden tot een afname aan vrachtverkeersbewegingen omdat het bedrijf de gehele melkproductie (250.000 kg melk) zelf gaat verwerken. Hierdoor behoeven vrachtwagens niet meer regelmatig te komen. Door dat er wat extra verpakkingsmateriaal aangevoerd zal worden (een bestelbus per maand) zijn er wellicht wat meer lichte verkeersbewegingen. Er wordt geen extra personeel aangetrokken voor de kaas, maar de opzet is juist om met de nieuwe kaasmakerij meer melk te verwerken met dezelfde arbeid als in de oude situatie. Per saldo heeft de kaasmakerij derhalve een positief effect op het aspect verkeer en parkeren.
Bedrijfswoning De bedrijfswoning zal evenens geen grote verkeersaantrekkende werking hebben. Uitgegaan wordt van de parkeernota van de gemeente, waardoor voor een vrijstaande woning in het buitengebied 2,4 parkeerplaatsen verplicht zijn. Gelet op de ruime opzet van het (gehele) agrarische erf kan hier ruimschoots aan voldaan worden en zal dit geen problemen opleveren.
B&B De B&B heeft meer verkeersaantrekkende werking. Voor wat betreft het overnachten is de doelgroep minder lokaal. Derhalve is te verwachten dat hier auto's geparkeerd moeten worden. Hetzelfde geldt voor laad- en losactiviteiten t.b.v. de verblijfsrecreatie. De B&B bestaat uit 5 kamers waarin mensen kunnen verblijven. Logischerwijs is er per kamer een parkeerplaats benodigd. Daarnaast is een parkeerplaats benodigd voor laad- en losactiviteiten. Voor wat betreft het aanbieden van ontbijt, lunch en diner is de doelgroep meer lokaal. Een groot deel van de bezoekers bezoekt per fiets het restaurant. Verder kent de B&B geen volledige bezetting en is het kleinschalige restaurant niet dagelijks geopend. Het agrarisch erf is voor de nevenactiviteiten slechts geopend op vrijdag- en zaterdagmiddag (13:00 - 17:00 uur). Een extra 2 parkeerplaatsen voor het kleinschalig restaurant - bovenop de parkeerplaatsen t.b.v. verblijf in de B&B - zullen dan ook met zekerheid voldoende zijn voor het beoogde gebruik.
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
Totaal parkeernorm In totaal geldt op basis van het voorgaande een parkeernorm van 8 parkeerplaatsen bij de B&B en 2,4 bij de bedrijfswoning. In beide gevallen geldt dat het (gehele) agrarische erf ruimschoots kan voldoen aan dit ruimtebeslag ten aanzien van parkeren.
Verkeersontsluiting Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat de verkeersgeneratie vanwege de ontwikkeling minimaal is ten opzichte van de huidige (referentie) situatie. Het verkeer blijft ontsloten worden op de aangrenzende Gasteveldsdijk. Dit betreft een 60 km/uur weg met twee rijrichtingen. Deze weg is van voldoende omvang om de veranderde verkeersgeneratie af te wikkelen. Er is voldoende ruimte op en naast de weg zodat auto's, trekkers en vrachtwagens elkaar kunnen passeren waar nodig. Ook fietsers kunnen veilig gepasseerd worden. De aansluiting van de Gasteveldsdijk 6 op de weg is ruim aangelegd. De inrit biedt voldoende ruimte voor voertuigen om zich veilig op te stellen alvorens de weg ingeslagen wordt. Er wordt dan ook geconcludeerd dat de verkeersveiligheid niet in het geding komt.
4.11.3 Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.12
Kabels en leidingen
4.12.1 Situatie plangebied Binnen het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en leidingen. Met een zogenaamde klic-melding krijgt initiatiefnemers alle kabel- en leidinginformatie, zodat graafschade en gevaarlijke situaties worden voorkomen.
4.12.2 Conclusie Voor aanvang van de werkzaamheden zal een klic-melding worden gedaan. Het aspect kabels en leidingen vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling en de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
Hoofdstuk 5 5.1
Wijze van bestemmen
Inleiding
Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels en is voorzien van een toelichting. De regels en verbeelding vormen het juridisch bindende deel, terwijl de toelichting geen juridische binding heeft, maar moet worden beschouwd als handvat voor de uitleg en de onderbouwing van de opgenomen bestemmingen. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De verbeelding heeft een rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. In dit hoofdstuk worden de systematiek van de regels en de wijze waarop de regels gehanteerd dienen te worden, uiteengezet. De regels van het plan bestaan uit 4 hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangs- en slotregels aan de orde komen. Voor de systematiek is aangesloten op de landelijke standaard (SVBP2012). Hieronder wordt de opbouw en dergelijke van de regels kort toegelicht.
5.2
Toelichting op de regels
5.2.1
Hoofdstuk 1 Inleidende regels
Begrippen (artikel 1) In deze bepaling zijn omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Begripsbepalingen zijn alleen nodig voor begrippen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn.
Wijze van meten (artikel 2) Om op een eenduidige manier afstanden, oppervlakten en inhoud van gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bepalen wordt in de wijze van meten uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.
5.2.2
Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels
Opbouw bestemmingen Bestemmingsomschrijving Bevat de omschrijving van de doeleinden die met de bestemming aan de grond worden toegekend. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies zoals agrarisch met waarden en wonen.
Bouwregels In de bouwregels worden voor alle hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, de van toepassing zijnde bouwregels gesteld. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd, wordt hier vastgelegd. Indien van toepassing wordt verwezen naar bouwvlakken, maatvoering en
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde aanduidingen op de verbeelding.
Afwijken van de bouwregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde bouwregels.
Specifieke gebruiksregels In dit onderdeel kan worden aangegeven welke vormen van gebruik men in ieder geval strijdig acht met de bestemming. Het is niet de bedoeling alle mogelijke strijdig gebruiksvormen te noemen, maar alleen die, waarvan het niet op voorhand duidelijk is dat deze in strijd zijn met de bestemming. Het gaat hierbij in feite om een aanvulling op de doeleindenomschrijving.
Afwijken van de gebruiksregels In deze bepaling zijn afwijkingsbevoegdheden toegekend aan het bevoegd gezag ten aanzien van bepaalde gebruiksregels.
Bestemming Agrarisch met waarden - Landschapswaarden (artikel 3) Deze bestemming is voornamelijk bedoeld voor grondgebonden agrarische bedrijven, waarbij aandacht is voor het behoud van landschappelijke- en natuurwaarden. Binnen de bestemming is een bouwvlak aangewezen waarbinnen agrarische bedrijfsgebouwen tot stand gebracht mogen worden en blijven. Binnen het vlak zijn twee bedrijfswoningen toegestaan ten dienste van het ter plaatse aanwezige agrarische bedrijf. Tot slot geeft de bestemming mogelijkheid tot het uitvoeren van nevenactiviteiten bij het ter plaatse aanwezige agrarische bedrijf. Specifiek zijn in dit geval drie nevenactiviteiten benoemd: een kaasmakerij, een B&B inclusief restaurant, en een boerderijwinkel (ondergeschikte detailhandel). In de specifieke gebruiksregels van deze bestemming is een regeling opgenomen ter verzekering van de landschappelijke inpassing.
Dubbelbestemming Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2 (artikel 4) Dit artikel zorgt voor het behoud en bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem.
Dubbelbestemming Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3 (artikel 5) Dit artikel zorgt voor het behoud en bescherming van de te verwachten archeologische waarden in de bodem.
5.2.3
Hoofdstuk 3 Algemene regels
Anti-dubbeltelbepaling (artikel 6) Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
Algemene bouwregels (artikel 7)
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Buitengebied herziening Gasteveldsdijk 6 Lievelde
Deze bepaling bevat algemene regels omtrent bouwen langs wegen en water en ondergronds bouwen.
Parkeerregelgeving (artikel 8) Deze bepaling regelt een minimale parkeervereiste bij een aanvraag omgevingsvergunning op dit plan.