CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp flierbos toelichting bijlage 6 waterhuishoudkundige analyse

Gemeenteraad 2 juli 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan ‘Flierbeek fase 3, Flierbos’ met bijbehorende grondexploitatie14.202 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Waterhuishoudkundige analyse Flierbeek fase 3, ’t Flierbos te Lichtenvoorde

Gemeente Oost Gelre

Projectnummer: 3746.01 Datum: 6 november 2023 Versie: definitief

Waterhuishoudkundige analyse Flierbeek fase 3, ‘t Flierbos te Lichtenvoorde

Gemeente Oost Gelre

Opdrachtgever:

Gemeente Oost Gelre

Projectnummer: Datum:

3746.01 6 november 2023

Versie:

Definitief, V2

Projectleider en rapporteur:

Kwaliteitscontrole:

Opdrachtnemer:

Buro Ontwerp & Omgeving Velperweg 157 6824 MB Arnhem Postbus 2033 6802 CA Arnhem info@ontwerpenomgeving.nl www.ontwerpenomgeving.nl

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

INHOUD

Pagina

1 INLEIDING ................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ................................................................................................................... 4 1.2 Doel van de waterhuishoudkundige analyse ............................................................. 4 1.3 Opbouw van de waterhuishoudkundige analyse ....................................................... 5 2 PLANGEBIED ............................................................................................................................... 6 2.1 Ligging plangebied ...................................................................................................... 6 2.2 Huidige situatie .......................................................................................................... 6 2.3 Toekomstige situatie .................................................................................................. 7 3 GEBIEDSKENMERKEN ................................................................................................................. 9 Algemeen ...................................................................................................................

9 3.1 3.2 Maaiveldhoogte ......................................................................................................... 9 3.3 Geohydrologische bodemopbouw ........................................................................... 10 3.4 Uitgevoerd bodemonderzoek .................................................................................. 10 3.5 Infiltratiecapaciteit bodem ....................................................................................... 10 3.6 Grondwater .............................................................................................................. 12 3.7 Peilbeheer ................................................................................................................ 14 3.8 Oppervlaktewater .................................................................................................... 14 3.9 Klimaatatlas Oost Gelre ............................................................................................ 17 3.10 Hemelwater en vuilwater ......................................................................................... 18 3.11 Kabels en leidingen .................................................................................................. 19 4 RELEVANT BELEID.....................................................................................................................

20 5 DOORLATENDHEIDSONDERZOEK ............................................................................................. 22 5.1 Onderzoekstrategie .................................................................................................. 22 5.2 Uitgevoerde werkzaamheden .................................................................................. 22 5.3 Toetsingskader t.b.v. infiltratie ................................................................................ 23 5.4 Resultaten doorlatendheidsmetingen ..................................................................... 23 6 WATERHUISHOUDKUNDIGE CONSEQUENTIES EN UITGANGSPUNTEN ................................... 25 6.1 Algemeen ................................................................................................................. 25 6.2 Uitgangspunten ........................................................................................................ 25 6.3 Weg‐ en vloerpeilen ................................................................................................. 25 6.4 Bergingsopgave ........................................................................................................ 27 6.5 Realisatie berging .....................................................................................................

27 6.6 Vuilwater .................................................................................................................. 31 7 SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN............................................................... 32 7.1 Samenvatting en conclusies ..................................................................................... 32 ’t Flierbos te Lichtenvoorde

2

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

7.2

Buro Ontwerp & Omgeving

Aanbevelingen .......................................................................................................... 32

BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Regionale ligging en kadastrale kaart plangebied Uitgevoerde watertoets Situatietekening doorlatendheidsonderzoek Boorprofielen doorlatendheidsonderzoek Rekensheets doorlatendheidsonderzoek Themakaarten water

’t Flierbos te Lichtenvoorde

3

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

1

Buro Ontwerp & Omgeving

INLEIDING In opdracht van de gemeente Oost Gelre is door Ontwerp & Omgeving een waterhuishoudkun‐ dige analyse opgesteld voor plangebied ’t Flierbos in het zuidwesten van Lichtenvoorde.

1.1

Aanleiding Aanleiding voor deze waterhuishoudkundige analyse is de voorgenomen ontwikkeling van het plangebied tot woonwijk. Op grond van het vigerend bestemmingsplan ‘Woonwijken Lichtenvoorde’ (vastgesteld 08‐10‐ 2013) is deze ontwikkeling niet toegestaan. Om de realisatie van de woningen binnen ‘t Flierbos op de gewenste locatie mogelijk te maken, is een herziening van het vigerende bestemmingsplan noodzakelijk. De waterhuishoudkundige analyse dient als onderbouwing voor het aspect water bij het bestem‐ mingsplan en geeft een invulling aan voor de toekomstige inrichting voor hemelwater, huishou‐ delijk afvalwater en grond‐ en oppervlaktewater.

1.2

Doel van de waterhuishoudkundige analyse In het bestemmingsplan moet worden aangetoond dat de waterhuishouding ter plaatse niet ne‐ gatief wordt beïnvloed door de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen. Om de gevolgen in kaart te brengen, dient het instrument de Watertoets te worden uitgevoerd. Naar aanleiding van de Wa‐ tertoets, geeft het waterschap, in samenwerking met de gemeente, advies en uitgangspunten met betrekking tot de waterhuishouding. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwich‐ tig mee te nemen in het planvormingsproces van het rijk, provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het plan relevant zijn. Voor dit plan is op 18 oktober 2022 de digitale watertoets doorlopen. Er geldt een normale pro‐ cedure. In bijlage 2 is de samenvatting van de digitale watertoets opgenomen. De waterhuishoudkundige analyse is gebaseerd op de bij Buro Ontwerp & Omgeving bekende gegevens. Als onderdeel van deze analyse is een doorlatendheidssonderzoek uitgevoerd. De ove‐ rige geohydrologisch gegevens zijn verkregen op basis van een literatuurstudie. Om die reden kan het zijn dat de aannames ten aanzien van de waterhuishouding in het gebied afwijken van de werkelijke situatie ter plaatse.

Mocht naar aanleiding van de waterhuishoudkundige analyse blij‐ ken dat bepaalde waterhuishoudkundige maatregelen getroffen moeten worden, dan kan het nodig zijn om een aanvullend geohydrologisch onderzoek uit te voeren. In een dergelijk onder‐ zoek wordt de lokale waterhuishoudkundige situatie nauwkeuriger bepaald en worden de even‐ tueel benodigde maatregelen uitgewerkt tot een advies.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

4

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

1.3

Buro Ontwerp & Omgeving

Opbouw van de waterhuishoudkundige analyse In het volgende hoofdstuk wordt ingegaan op de ligging van het plangebied, de huidige situatie binnen het plangebied en de situatie binnen het plangebied nadat de ontwikkeling is gerealiseerd. In hoofdstuk 3 volgen de gebiedskenmerken van het plangebied en de omgeving. De gebiedsken‐ merken hebben invloed op het functioneren van het watersysteem ter plaatse en geven inzicht in de (on)mogelijkheden van eventuele waterhuishoudkundige maatregelen. Het relevante beleid van het waterschap en de gemeente zijn weergegeven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 bevat de uit‐ voering en resultaten van het uitgevoerde doorlatendheidsonderzoek. De hoofdstukken 2 tot en met 5 leiden tot de waterhuishoudkundige consequenties en uitgangspunten voor het initiatief in hoofdstuk 6. Het zevende en laatste hoofdstuk bevat een conclusie en advies.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

5

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

2

PLANGEBIED

2.1

Ligging plangebied

Buro Ontwerp & Omgeving

Het plangebied betreft de toekomstige ontwikkeling van de derde fase van de woonwijk Flierbeek te Lichtenvoorde. Deze derde fase van de woonwijk krijgt de naam ’t Flierbos. Het plangebied ligt aan de rand van het zuidwestelijk deel van de bebouwde kom van Lichten‐ voorde. Op de navolgende afbeelding is de begrenzing van het projectgebied weergegeven. Het gebied dat geel is omlijnd betreft de reeds gerealiseerde woonwijk Flierbeek (fase 1 en 2), het rode deel betreft fase 3, ’t Flierbos. Hierbij wordt het gebied binnen de blauwe contour daadwer‐ kelijk ontwikkeld en aangehouden als plangebied in onderhavige analyse.

Afbeelding 1: Ligging van het plangebied

Het plangebied staat kadastraal bekend gemeente Lichtenvoorde, sectie O, nummer 1349. De oppervlakte van het plangebied bedraagt in totaal circa 3,6 ha. In bijlage 1 is de regionale ligging en kadastrale kaart van het plangebied weergegeven. 2.2

Huidige situatie In de huidige situatie is het plangebied agrarisch in gebruik. Voor zover bekend is het plangebied altijd onverhard en onbebouwd geweest.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

6

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

2.3

Buro Ontwerp & Omgeving

Toekomstige situatie Het plangebied zal het bestaande perceel veranderen in een klimaatrobuuste woonwijk met een gevarieerd woningaanbod, zowel in programma als in woningtypologie. De ontsluiting van het gebied ligt in de noordelijke punt en sluit aan op Het Brook, de wijkontslui‐ tingsweg. Centraal in het plangebied ligt een woonhof met daarom heen in de randen bebouwing in een lagere dichtheid. Tussen de woongebieden liggen brede groenstructuren die op verschil‐ lende wijze zijn ingericht. Het aandeel verharding wordt zoveel mogelijk beperkt. Parkeren wordt waar mogelijk op eigen erf opgevangen en geclusterd in parkeerkoffers. Verharding bestaat voor een belangrijk deel uit waterpasserende verharding of natuurlijke halfverharding. In het plangebied zijn drie deelgebieden te onderscheiden.  Langs de noordelijke en zuidelijke rand liggen 32 woning in een losse setting. Dit betreft het deelgebied 'Groene rand'.  Centraal in het gebied ligt een woonhof met 25 sociale huurwoningen. Deelgebied 'Het woonhof' (ProWonen).  Langs de noordoostelijke rand, parallel aan de Flierbeek met aangrenzende wadi ligt een zone waarin 12 small houses komen. Dit betreft het deelgebied 'Small Houses'. De waterstructuur voorziet in de retentiebehoefte door water vertraagd af te voeren en in de bodem te infilteren.

Om dit te realiseren is gekozen voor een combinatie van waterberging op eigen perceel, de aanleg van ecologische wadi's en het ber‐ gen van water onder het cunet van de hoofdontsluitingswegen en parkeerplaatsen. In afbeelding 2 is het plan weer‐ gegeven

Afbeelding 2: plan toekomstige inrichting

’t Flierbos te Lichtenvoorde

7

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

In tabel 1 is een overzicht van het verhard en onverhard oppervlak voor de toekomstige inrichting van het plangebied opgenomen. Deze zijn bepaald op basis van de ruimtestaten water welke in bijlage 6 zijn opgenomen. Tabel 1

Overzicht verhard oppervlak toekomstige situatie plangebied

Toekomstige situatie

Uitgeefbare gronden ProWonen minus daken wo‐ ningen *(C) Daken woningen ProWonen Paden ProWonen, halfverhardingen (70% van 731 m2 verharding) *(B) Uitgeefbare gronden minus daken woningen ove‐ rig uitgeefbaar (40% van 7.475 m2) *(A) Daken woningen overig uitgeefbaar NUTS Rijbaan, diverse paden, waterpasserende/water‐ doorlatende verharding (70% van 4.600 m2 ver‐ harding) *(B) Parkeren openbare ruimte, waterpasserend (70% van 1.110 m2 verharding) *(B) Paden openbare ruimte, halfverharding (70% van 1.859 m2 verharding) *(B) Subtotaal verhard Paden proWonen, halfverhardingen (30% van 731 m2 verharding) *(B) Uitgeefbare gronden minus daken woningen ove‐ rig uitgeefbaar (60% van 7.75 m2) *(A) Groen openbaar incl. wadi’s Rijbaan, diverse paden, waterpasserende/water‐ doorlatende verharding (30% van 4.600 m2 ver‐ harding) *(B) Parkeren openbare ruimte, waterpassrend (30% van 1.110 m2 verharding) *(B) Paden openbare ruimte, halfverharding (30% van 1.859 m2 verharding) *(B) Subtotaal onverhard

Oppervlakte (in m2) totaal Openbaar

Eigen terrein ProWo‐ nen

1.118

1.118

1.983

1.983

511,7

511,7

2.990

Eigen overig

terrein

2.990

2.771 22

22

2.771

3.220

3.220

777

777

1.301

1.301

14.694

5.320

219,3

3.613

5.761

219,3

4.485

4.485

14.454

13.845

1.380

1.380

333

333

557,7

557,7

21.429

16.116

609

828,3

4.485

Totaal oppervlak plangebied 36.123 21.436 4.441 10.246 *(A) omdat de inrichting van de uitgeefbare gronden niet bekend is, is als uitgangspunt opgenomen dat 40% van het perceel wordt voorzien van verharding (daken van bijgebouwen en bestrating). Voor de small houses zijn de uitgeefbare kavels nog niet vastgesteld. Aangenomen is dat dit 120 m2 betreft voor de7 noordelijk gelegen small houses en 132 m2 voorde meer zuidelijk gelegen small houses *(B) in verband met de toepassing van waterdoorlatende/waterpasserende verharding wordt 30% beschouwd als onverhard oppervlak. *(C) Gezien de kleine ruimte van de eigen tuinen wordt er vanuit gegaan dat deze geheel verhard worden.

Ten opzichte van de bestaande situatie blijkt dat in de nieuwe situatie het totaal verhard opper‐ vlak met circa 1,5 ha toeneemt.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

8

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

3

GEBIEDSKENMERKEN

3.1

Algemeen

Buro Ontwerp & Omgeving

In dit hoofdstuk worden de omgevingskenmerken van het plangebied besproken die invloed heb‐ ben op het functioneren van het watersysteem ter plaatse. Dit betreft de beschrijving van de maaiveldhoogten, bodemopbouw, geohydrologische situatie, grondwaterstanden, oppervlakte‐ water en de riolering. 3.2

Maaiveldhoogte Voor het bepalen van de hoogtes van het maaiveld in en rond het plangebied is gebruik gemaakt van de Algemene Hoogtekaart Nederland (AHN3, www.ahn.nl). In afbeelding 3 is de AHN weer‐ gegeven.

Afbeelding 3: AHN

Op de AHN is een grillig beeld van de maaiveldhoogte zichtbaar. Dit wordt waarschijnlijk veroor‐ zaakt door de aanwezige ruige begroeiing. Op basis van de AHN zijn binnen het plangebied maai‐ veldhoogtes tussen de 19,5 en 19,9 m +NAP aanwezig. In februari 2022 is door LBA (projectnummer 10220096) een terreinmeting uitgevoerd. Hierbij zijn binnen het plangebied maaiveldhoogtes tussen de 19,5 en 19,8 m +NAP gemeten. De oostelijk gelegen weg Het Brook heeft, ter hoogte van de voorgenomen ontsluiting van het plangebied een maaiveldhoogte van circa 19,9 m +NAP.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

9

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

3.3

Buro Ontwerp & Omgeving

Geohydrologische bodemopbouw De bodemopbouw is van belang omdat de textuur en samenstelling van de bodem bepaalt hoe makkelijk water kan infiltreren en hoe goed de bodem water vasthoudt. Uit de bodemkaart blijkt dat de originele bodem binnen plangebied bestaat uit een veldpodzolgrond welke is opgebouwd uit leemarm en zwak lemig fijn zand. Voor het bepalen van de opbouw van de bodem binnen het plangebied is het DINOloket geraad‐ pleegd. In tabel 2 is de geohydrologische bodemopbouw weergegeven. Tabel 2

Geohydrologische bodemopbouw (DINOloket)

Diepte (m‐mv)

Beschrijving

Formatie

0‐9,0 9,0‐12,5 12,5‐15,5 15,5‐16,5 16,6‐18,5 18,8‐23,0

Midden en fijn zand, weinig zandige klei Midden en grof zand, weinig zandige klei Midden en grof zand, weinig fijn zand en grind Midden en grof zand, weinig zandige klei Midden en fijn zand en schelpen Complexe eenheid bestaande uit afwisseling van midden zand, zandige klei en fijn zand Zandige klei en klei

Formatie van Boxtel Formatie van Kreftenheye Formatie van Urk Formatie van Waalre Formatie van Oosterhout Formatie van Oosterhout

23,0‐88,5

Formatie van Breda

Op basis van boorprofiel B41B0010 van TNO, circa 850 meter ten noordnoordoosten van het plangebied in de omgeving van het plangebied blijkt de bodem tot ca. 12 meter te bestaan uit zand uit de fijne categorie. 3.4

Uitgevoerd bodemonderzoek Voor het deelgebied ’t Flierbos is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitge‐ voerd1. Tijdens het veldwerk, uitgevoerd op 6 mei 2021, zijn in totaal 30 boringen geplaatst. Op basis van de boorprofielen van de boringen van het verkennend bodemonderzoek blijkt de bo‐ dem voornamelijk te bestaan uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak grindig en/of zwak oer‐ houdend.

3.5

Infiltratiecapaciteit bodem Op basis van de bodemopbouw kan een grove schatting gemaakt worden van de doorlatendheid van de bodem. Tabel 3 geeft de hydrologische bodemopbouw van diverse grondsoorten weer. Tevens is de classificatie van de doorlatendheid zoals weergegeven in het Cultuurtechnisch Vade‐ mecum opgenomen.

1

Verkennend bodemonderzoek Flierbeek fase 3 te Lichtenvoorde, 15483D.01, 10 november 2021

’t Flierbos te Lichtenvoorde

10

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Tabel 3 K‐waarden grondsoorten Grondsoort Doorlaatfactor min [m/dag] Zwak siltig klei <0,0001 Matig tot sterk siltig klei 0,0001 Sterk siltig klei 0,001 Zwak zandige tot sterk zandige 0,01 klei Kleiig en uiterst fijn zand 0,1

Doorlaatfactor max [m/dag]

Classificatie

Zeer slecht doorlatend 0,001 0,01 0,1 1,0

Zeer fijn tot matig fijn zand Matig grof tot zeer grof zand Uiterst grof zand en grind Kalkzandsteen

1,0 10 100 0,5

10 100 1000 5,0

Kleiig veen Veen

0,005 0,1

0,1 1,0

Slecht doorlatend 0,1‐0,5: matig doorlatend 0,5 ‐1,0: vrij goed doorlatend Goed doorlatend Zeer goed doorlatend 0,5 ‐1,0: vrij goed doorlatend 1,0‐5,0: goed doorlatend Slecht doorlatend 0,1‐0,5: matig doorlatend 0,5 ‐1,0: vrij goed doorlatend

Naast de mate van fijnheid van het aanwezige zand, is tevens de mate van organische stof in de bodem van belang voor de doorlaatfactor. Fijnere en meer humeuze zandfracties zijn slechter doorlatend dan grover zand en humusarme gronden. Ook de mate van siltigheid is van invloed op de doorlatendheid van de bodem. Meer siltige bodems zijn slechter doorlatend. Bodemlagen met een minimale doorlatendheid van 1,0 m/dag worden geschikt geacht voor infil‐ tratie van hemelwater. Op basis van de geohydrologische bodemopbouw en boorprofielen van de omgeving (fijn tot ma‐ tig fijn zand) is voor de bodem vanaf het maaiveld tot een diepte van circa 2 m‐mv een doorla‐ tendheid van 1 tot 10 m/dag te verwachten. Op basis van de boringen van het verkennend bo‐ demonderzoek wordt verwacht dat de humeuze bovengrond niet geschikt is voor infiltratie. Op 17 augustus 2022 is een doorlatendheidsonderzoek binnen het plangebied uitgevoerd. De resul‐ taten van het doorlatendheidsonderzoek zijn opgenomen in hoofdstuk 5.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

11

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

3.6

Buro Ontwerp & Omgeving

Grondwater Grondwaterstromingsrichting Op basis van de isohypsen van TNO blijkt dat het grondwater in noordwestelijk tot westelijke richting stroomt.

Afbeelding 4: Isohypsenlijnen (bron: grondwatertools)

Grondwaterstanden De grondwaterstand fluctueert gedurende het jaar. In de winter worden vaak de hoogste grond‐ waterstanden gemeten en de laagste standen worden in de zomer gemeten. De jaarlijkse variatie van de grondwaterstand op een locatie kan worden gekarakteriseerd door de gemiddeld hoogste (GHG) en gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG). Met de GHG kan worden bepaald of er bin‐ nen een plangebied mogelijkheden zijn voor infiltratie/waterberging. Daarnaast heeft de GHG invloed op het gebruik van het plangebied. Er dient afhankelijk van het gebruik een minimale afstand te zitten tussen het maaiveldniveau en de GHG. Deze ontwateringsdiepte moet vol‐ doende zijn om problemen met bijvoorbeeld draagkracht en natte kelders te voorkomen. In het kader van het bodemonderzoek zijn in 2021 5 peilbuizen geplaatst (peilbuis 01, 05. 13, 23 en 29). Hierbij is tijdens de plaatsing (6 mei 2021) en tijdens de grondwatermonstername (14 mei 2021) de stand van het grondwater opgenomen. In tabel 4 zijn de betreffende grondwaterstan‐ den weergegeven.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

12

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Tabel 4

Buro Ontwerp & Omgeving

Opgenomen grondwaterstanden uitgevoerd bodemonderzoek

Locatie

Nummer peilbuis

GWS plaatsing (m‐mv)

GWS bemonstering (m‐mv)

Noordwestkant

01

1,10

1,1

Noordoostkant

05

0,95

1,18

Midden

13

1,05

1,01

Zuidwestkant

23

1,05

0,98

Zuidoostkant

29

1,0

1,07

In de directe omgeving van het plangebied zijn geen grondwatermeetpunten beschikbaar. Om een inschatting van de GHG te kunnen maken zijn historische meetgegevens van grondwater‐ meetpunten uit het meetnet van TNO in de omgeving geïnterpoleerd naar het plangebied. In af‐ beelding 5 zijn de gebruikte grondwatermeetpunten van de gemeente weergegeven.

Afbeelding 5: Locaties grondwatermeetpunten TNO

In onderstaande tabel 5 zijn de (statistisch) berekende grondwaterstanden weergegeven. Tabel 5

Gegevens grondwaterstanden

Aanduiding buis

Afstand tot plangebied (m + windrichting)

Meetperiode

GHG (m +NAP) 90‐percentiel

G‐gemiddeld (m +NAP)

GLG (m +NAP) 10‐percentiel

B41B0499 B41B0498 B41B0500 B41B0533 B41B0477 B41B0518

260 75 710 225 1.500 2.160

20‐06‐2017 t/m 30‐09‐2020 20‐06‐2017 t/m 30‐09‐2020 20‐06‐2017 t/m 30‐09‐2020 07‐07‐2017 t/m 30‐09‐2020 16‐05‐2012 t/m 19‐09‐2017 29‐06‐2017 t/m 30‐09‐2020

18,9 18,7 19,1 19,1 18,9 18,7

18,5 18,4 18,5 18,5 18,4 17,9

18,0 17,9 18,0 18,0 17,9 17,3

’t Flierbos te Lichtenvoorde

noordoost Zuidoost noordnoordoost noord westzuidwest west

13

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Op basis van de gegevens van de grondwatermeetpunten als ook de grondwaterstromingsrich‐ ting wordt voor het plangebied een GHG ingeschat van 19,0 m +NAP (circa 0,5 m‐mv). Grondwateronttrekking Het plangebied bevindt zich niet in een grondwaterwingebied of boringsvrije zone. Eventuele andere (industriële) onttrekkingen grondwater in de omgeving zijn niet bekend. 3.7

Peilbeheer Het plangebied bevindt zich binnen stroomgebied ‘Baaksebeek’. In het beheersgebied van de Baakse Beek zijn geen peilbesluiten van toepassing maar een maximum streefpeil. Bij aanhou‐ dende droogte zakt in veel gebieden de grondwaterstand weg tot onder het stuwpeil of tot de waterbodem. In sommige watergangen kan dit leiden tot droogval.

3.8

Oppervlaktewater Voor het bepalen van de aanwezige watergangen op de planlocatie en in de directe omgeving is de leggerkaart van waterschap Rijn en IJssel geraadpleegd. In afbeelding 6 is een uitsnede van de leggerkaart weergegeven.

Afbeelding 6: Legger waterschap Rijn en IJssel

’t Flierbos te Lichtenvoorde

14

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Ten noorden en oosten van het plangebied ligt de Flierbeek (code VEG16.000). De Flierbeek wa‐ tert in zuidwestelijk richting af op de Veengoot die het water verder afvoert in noordwestelijke richting. Stroomafwaarts van het plangebied bevindt zich een duiker in de Flierbeek (Duiker: DR74140247, breedte/diam. : 2,00 m, inw. hoogte a1: 1,50 m, BOK instroom en uitstroom: 17,35 m +NAP). Aan de noordkant van het plangebied staat de Flierbeek middels een duiker (DR 74140249, rond 0,8 meter, BOK instroom en uitstroom: 17,30 m +NAP) in verbinding met de oostelijk gelegen waterpartij. Deze waterpartij watert via een stuw (code ST74140196, verdere gegevens ontbre‐ ken) af in de Flierbeek. Langs de west‐ en zuidkant van het plangebied is een watergang (greppel) aanwezig welke niet in beheer is bij het Waterschap. Deze watergang staat volgens de legger middels een duiker in de noordwestelijke hoek van het plangebied in verbinding met de Flierbeek (b.o.k. instroom en uit‐ stroom 17,66 m +NAP). Echter is deze duiker in het veld en bij de inmeting niet waargenomen. Aan de noordkant van het plangebied zijn nog 2 duikers aangegeven op de legger, welke vanaf de Flierbeek richting het plangebied liggen (b.o.k. instroom en uitstroom 17,64 m +NAP aan de west‐ kant en 17,36 m +NAP aan de oostkant). Ook deze zijn niet in het veld waargenomen.

Ter plaatse van het dammetje aan de noordoostkant van het plangebied is eveneens een duiker aanwezig (b.o.k. instroom en uitstroom 17,30 m +NAP) Het leidingvak van de Flierbeek dat ten noorden van het plangebied is gesitueerd heeft een talud van 1:1,5, een bovenstroomse bodemhoogte van 17,42 m +NAP (oostkant) en een beneden‐ stroomse bodemhoogte van 17,37 m +NAP (westkant). Het leidingvak van de Flierbeek dat ten oosten van het plangebied is gesitueerd heeft een bovenstroomse bodemhoogte van 17,7 m +NAP (oostkant buiten plangebied) en een benedenstroomse bodemhoogte van 17,3 m +NAP (noordkant). Het water in de Flierbeek en Veengoot wordt gestuwd door diverse stuwen, zoals aangegeven in onderstaande afbeelding. De stuw ST41020020, gesitueerd in de Veengoot ter hoogte van de Rector Hulshofstraat, is de eerste stuw stroomafwaarts van het plangebied. De streefpeilen bij deze stuw bedragen 18,2 m +NAP (winterpeil) en 18,3 m +NAP (zomerpeil).

’t Flierbos te Lichtenvoorde

15

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Stuw: ST74150020 Streefpeil: 18,20/18,30 m +NAP

Stuw: ST7414096 Streefpeil: onbekend

Stuw: ST74140193 Streefpeil: 18,97 m +NAP

Plangebied Stuw: ST74170001 Streefpeil: 18,50 m +NAP

Afbeelding 7: Stuwen in omgeving plangebied (Legger waterschap Rijn en IJssel)

De waterstanden bij een bui T10 en een bui T100 zijn belangrijker dan het streefpeil van ST41020020. De waterstand bij een bui T100 is onder andere belangrijk voor een ontwikkeling in het stedelijk gebied. Bij een bui T=10 is de verwachte waterstand in de Flierbeek ter hoogte van het plangebied circa 18,88 tot 18,9 m + NAP. Bij een bui T=100 is dit circa 19,13 tot 19,16 m + NAP. Keurzone Langs de Flierbeek liggen verschillende beschermingszones, aangegeven in afbeelding 8. Aan de oostzijde van het plangebied (paarse lijn) ligt, aan de zijde van het plangebied, een beschermings‐ zone tot 0,50 meter uit de insteek (snijlijn van maaiveld en talud watergang). Bebouwing, beplan‐ ting, aanleg wadi’s etc. is mogelijk tot 0,50 m uit de insteek van dit talud. Aan de noordzijde van het plangebied (rode lijn) ligt aan, de zijde van het plangebied, een be‐ schermingszone tot 5,00 meter uit de insteek van de watergang. Alle werkzaamheden en activi‐ teiten binnen deze zone zijn vergunning plichtig. Omdat het onderhoud aan de Flierbeek wordt uitgevoerd vanaf de rechterzijde (stroomafwaarts gezien, zie groene lijn in onderstaande afbeel‐ ding) kan voor de aanleg van bebouwing, beplanting, wadi’s etc. een watervergunning worden verleend, voor zover deze niet dichter dan 1,0 m. uit de insteek worden aangebracht.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

16

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Afbeelding 8: Beschermingszones

Voor het lozen van hemelwater en het aanbrengen van een lozingsconstructie op de Flierbeek, is afhankelijk van de hoeveelheid te lozen water een melding of watervergunning nodig. 3.9

Klimaatatlas Oost Gelre De gemeente Oost Gelre heeft in samenwerking met Waterschap Rijn en IJssel een klimaatatlas opgesteld. De klimaatatlas maakt duidelijk op welke klimaateffecten we ons moeten instellen. Een extreme regenbui kan wateroverlast veroorzaken. Op de kaarten in afbeelding 9 en 10 is het risico van wateroverlast in beeld gebracht voor een klimaatbui met respectievelijk een kans van eens per 100 jaar (70 mm in 1 uur) en eens per 1.000 jaar (160 mm in 2 uur). Op de kaarten is te zien dat het plangebied gevoelig is voor wateroverlast als gevolg van extreme neerslag. Bij een bui van 70 mm in 1 uur is Het Brook onbegaanbaar, op het maaiveld van het plangebied is plaatselijk 5 tot 10 cm water aanwezig. Het Veen blijft bij beide klimaatbuien be‐ gaanbaar. Bij een bui van 160 mm in 1 uur is op het gehele maaiveld van het plangebied water aanwezig.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

17

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Afbeelding 9: Wateroverlast 70 mm in 1 uur (Klimaatatlas Oost Gelre)

Afbeelding 10: Wateroverlast 160 mm in 2 uur (Klimaatatlas Oost Gelre)

3.10 Hemelwater en vuilwater Het plangebied is in de huidige situatie niet aangesloten op de riolering. In het gedeelte van Het Brook dat ten oosten van het plangebied is gelegen, is enkel een hemelwaterriool aanwezig (PVC met een diameter van 250 mm). Ten noorden van het plangebied, ter plaatse van zowel Het Brook als het Veen, bevindt zich een gescheiden rioolstelsel. De DWA riolering onder Het Brook betreft PVC met een diameter van 300 mm, het HWA riool betreft beton met een diameter van 600 mm.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

18

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Onder Het Veen is een vuilwaterriool van PVC met een diameter van 160 mm en een hemelwa‐ terriool van PVC met een diameter van 300 mm aanwezig. Onder de wegen in deelgebied Flierbeek fase 2 is eveneens een gescheiden rioolstelsel gelegen. 3.11 Kabels en leidingen Op basis van de KLIC‐melding van het Kadaster, zoals weergegeven in onderstaande figuur, zijn geen kabels en leidingen binnen het plangebied aanwezig.

Afbeelding 11: KLIC‐kaart (Kadaster)

’t Flierbos te Lichtenvoorde

19

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

4

RELEVANT BELEID

4.1

Waterschap Rijn en IJssel Ruimte maken voor water, in plaats van ruimte onttrekken aan water, is de kern van het water‐ beleid voor de 21e eeuw. Het is essentieel dat het aspect water vanaf de start van de ontwikkeling van een ruimtelijk plan goed aan de orde komt. Elke ruimtelijke ontwikkeling biedt de kans om de wateraspecten integraal mee te nemen, zodat de doelstellingen van het plan optimaal gerea‐ liseerd kunnen worden, zonder dat dit nadelen heeft voor de omgeving, zoals verdroging of wa‐ teroverlast. Het waterschap heeft een document opgesteld (Uitgangspunten voor waterneutraal bouwen, juni 2021) waarin toegelicht wordt op welke manier ze om willen gaan met de kwantitatieve as‐ pecten van het waterbeheer bij stedelijke ontwikkelingen, zodat deze ontwikkelingen waterneu‐ traal kunnen plaatsvinden (waterneutraal bouwen). Daarbij is er in het bijzonder aandacht voor situaties met extreme hoeveelheden neerslag en situaties van droogte. Doelen zijn, wateroverlast voorkomen, verdroging voorkomen en schoon water schoonhouden door regenwater te scheiden van afvalwater en hemelwater dat afstroomt via daken en wegen via een bodempassage en niet rechtstreeks te laten afstromen naar het oppervlaktewater. Uitgangspunten zijn waterneutraal en klimaatrobuust bouwen.

Om waterneutraliteit te bereiken zijn er bij ontwikkelingen, waarbij er sprake is van een toename van verhard oppervlak door gebouwen én bestratingen, maatregelen nodig om voldoende water te kunnen vasthouden of bergen binnen het plangebied. Bij een nieuwe ontwikkeling (van onver‐ hard naar verhard) kan als vuistregel genoemd worden dat van de maatregelen om voldoende water vast te kunnen houden, ca. 90% van de compensatie nodig is om waterneutraal te blijven en ca. 10% om daarbij ook klimaatrobuust te zijn. In ruimtelijke plannen met een toename van verharding zijn infiltratie‐ of waterbergende voor‐ zieningen nodig om het plan waterneutraal te maken. Aan de benodigde maatregelen voor wa‐ terneutraliteit en het rekening houden met klimaatverandering (klimaatrobuustheid) worden voorwaarden gesteld welke afhankelijk zijn van het gebied en het type ontwikkeling. Onderhavige ontwikkeling betreft een stedelijke ontwikkeling waarbij in de huidige situatie geen verharding aanwezig is. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie betreft circa 15.813 m2.

A2. Onverhard  verhard (toekomstige) bebouwde kom Een stedelijke ontwikkeling in de (toekomstige) bebouwde kom, zoals de bouw van een woonwijk of bedrijventerrein, moet waterneutraal zijn. Om wateroverlast te voorkomen, wordt als uit‐ gangspunt gehanteerd, dat een bui, die ca. eens per 100 jaar voorkomt (bui T100), in het plange‐ bied wordt geborgen en vertraagd wordt afgevoerd naar het grond‐ en/of oppervlaktewater. Hierbij wordt rekening gehouden met klimaatontwikkeling door de bui met 10% te vergroten (kli‐ maatrobuust, bui T100+10%). ’t Flierbos te Lichtenvoorde

20

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

De bergingseis welke hierbij van toepassing is betreft 80 mm voor de toename aan verharding. De benodigde waterbergingscompensatie wordt als volgt berekend: Aantal m3 berging = 80 mm × oppervlak (m2) toename verharding. Door het waterschap is aangegeven dat er niet gedraineerd mag worden ten behoeve van wo‐ ningbouw. Indien niet voldaan wordt aan de ontwateringseisen dient het bouwpeil verhoogd te worden. 4.2

Gemeente Oost Gelre Het beleid van de gemeente Oost Gelre sluit aan bij dat van het waterschap. Door de gemeente is aangegeven dat uitgegaan dient te worden van 80 mm berging. Voor de niet openbare percelen (eigen terrein) geldt dat hiervan 40 mm op het eigen terrein verwerkt dient te worden en 40 mm afgewenteld mag worden op de openbare ruimte. Hiervoor mag gerekend worden met gemid‐ deld 40% verhard oppervlak op eigen terrein.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

21

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

5

DOORLATENDHEIDSONDERZOEK

5.1

Onderzoekstrategie Het onderzoek is er op gericht om de doorlatendheid van de onverzadigde zone te bepalen. Om te bepalen of de bodem ter plaatse geschikt is voor de infiltratie, is de doorlatendheid van de bodem ter plaatse van het plangebied bepaald.

5.2

Uitgevoerde werkzaamheden De veldwerkzaamheden zijn uitgevoerd op 17 augustus 2022. Om de bodemlagen zintuiglijk te beoordelen zijn 5 boringen tot 4 m‐mv geplaatst (nr. 01 t/m 05). Tevens zijn 4 doorlatendheids‐ metingen verricht (INF 1 t/m INF4). De doorlatendheidsmetingen zijn uitgevoerd conform de ‘Contant Head’‐ methode. Hierbij is ge‐ bruik gemaakt van het meetinstrument ‘Aardvark Permeameter’. Allereerst wordt een boorgat gemaakt tot de gewenste infiltratiediepte. In het boorgat wordt een drukmeter geplaatst. Vervol‐ gens wordt constant water toegevoegd tot de grond rondom de drukmeter verzadigd is. De hoe‐ veelheid toegevoegd water komt overeen met de hoeveelheid water dat infiltreert in de bodem. De onderzochte trajecten van de doorlatendheidsmetingen in de onverzadigde zone zijn bepaald op basis van de bodemopbouw en de actuele grondwaterstand zoals deze zijn waargenomen tij‐ dens het veldonderzoek op 17 augustus. De bodemlagen en trajecten zijn zo gekozen dat een representatief beeld wordt verkregen. De doorlatendheidsmetingen zijn in duplo uitgevoerd. Tabel 6 geeft een overzicht van de meetlocaties en de onderzochte bodemlagen. De tekening met de meetpunten en de boorprofielen zijn weergegeven in bijlage 3 en 4. Tabel 6 Meting

Overzicht meetlocaties k‐waardemetingen onverzadigde zone Datum

Onderzocht traject (m ‐mv)

Textuur

INF1

17 augustus 2022

0,49 – 0,56

Zand, matig grof, zwak siltig

INF2

17 augustus 2022

0,89 – 0,96

Zand, matig grof, zwak siltig

INF3

17 augustus 2022

0,48 – 0,55

Zand, matig grof, zwak siltig

INF4

17 augustus 2022

0,89 – 0,96

Zand, matig grof, zwak siltig

In de boorgaten is een grondwaterstand aangetroffen op circa 1,7 m‐mv. Opgemerkt dient te worden dat de gemeten grondwaterstanden momentopnamen zijn en met enige voorzichtigheid gehanteerd dienen te worden.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

22

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

5.3

Buro Ontwerp & Omgeving

Toetsingskader t.b.v. infiltratie De resultaten van de doorlatendheidsmetingen in de onverzadigde zone zijn geclassificeerd op basis van de onderstaande tabel (bron: Cultuurtechnisch Vademecum). Tabel 7

Classificatie doorlatendheid

K‐waarde (m/dag)

Classificatie

< 0,01

Zeer slecht doorlatend

0,01 ‐ 0,1

Slecht doorlatend

0,1 ‐ 0,5

Matig doorlatend

0,5 ‐ 1,0

Vrij goed doorlatend

1,0 ‐ 10

Goed doorlatend

> 10

Zeer goed doorlatend

De haalbaarheid van hemelwaterinfiltratie is afhankelijk van de doorlatendheid van de bodem en aan‐/afwezigheid van storende lagen (klei/leem/sterk siltig zand). Volgens de leidraad riolering module C2510 ‘Doorlatendheidsonderzoek voor infiltratie en drai‐ nage’ is het niet wenselijk om hemelwater te infiltreren via een voorziening aan het maaiveld wanneer sprake is van k‐waarden kleiner dan 0,2 m/dag. Op basis van praktijkervaring wordt uit‐ gegaan van een minimale doorlatendheid van 0,5 m/dag waarbij op de gemeten waarde een vei‐ ligheidsfactor van 0,5 wordt gehanteerd. 5.4

Resultaten doorlatendheidsmetingen Tabel 8 geeft een overzicht van de onderzoeksresultaten. De rekensheets van de uitgevoerde onderzoeken zijn opgenomen in bijlage 5. Tabel 8 Meting INF1a

Onderzoeksresultaten doorlatendheid onverzadigde zone Onderzocht traject in m‐mv

Textuur

0,49 – 0,56

Zand, matig grof, zwak siltig

INF1b INF2a

0,89 – 0,96

Zand, matig grof, zwak siltig

INF2b INF3a

0,48 – 0,55

Zand, matig grof, zwak siltig

0,89 – 0,96

Zand, matig grof, zwak siltig

INF3b INF4a INF4b

K‐waarde (m/dag)

Classificatie

3,36

Goed doorlatend

3,17

Goed doorlatend

2,67

Goed doorlatend

2,25

Goed doorlatend

2,93

Goed doorlatend

2,74

Goed doorlatend

8,18

Goed doorlatend

7,56

Goed doorlatend

Uit de geplaatste handboringen blijkt dat de bovengrond matig humeus is. Infiltratie in deze bo‐ demlaag wordt als niet kansrijk beschouwd. Het matig grove, zwak siltige zand uit de ondergrond wordt wel als kansrijk voor infiltratie beschouwd. ’t Flierbos te Lichtenvoorde

23

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Uit de, in deze bodemlaag, uitgevoerd doorlatendheidsmetingen blijkt dat de doorlatendheid van deze bodemlaag tussen de circa 2,3 en 8,2 m/dag is gelegen. Deze bodem is goed doorlatend en geschikt voor infiltratie. Geadviseerd wordt om uit te gaan van een gemiddelde k‐waarde van circa 4 m/dag. Ook na toepassing van de veiligheidsfactor van 0,5 wordt de infiltratie van hemel‐ water binnen het plangebied als ‘kansrijk’ ingeschat.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

24

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

6

WATERHUISHOUDKUNDIGE CONSEQUENTIES EN UITGANGSPUNTEN

6.1

Algemeen In dit hoofdstuk worden de consequenties van de voorgenomen ontwikkeling voor de waterhuis‐ houding behandeld. Daarnaast wordt ingegaan op de waterhuishoudkundige uitgangspunten voor de ontwikkeling.

6.2

Uitgangspunten In onderstaande tabel worden de uitgangspunten die van toepassing zijn op de waterhuishouding in het plangebied weergegeven. Tabel 9

Uitgangspunten

Maaiveldhoogte Infiltratiecapaciteit

Uitgangspunt 19,5 tot 19,8 m +NAP Bovengrond: humeus en niet geschikt geacht Ondergrond, 2,25 tot 8,18 19,0* 14.694 80 80 40 40

eenheid m +NAP

m/dag GHG m + NAP Verhard oppervlakte na ontwikkeling m2 Bergingseis verhard opp. openbare ruimte mm Bergingseis verhard opp. eigen terrein Mm Mm  Te bergen in openbare ruimte Mm  Te bergen op eigen terrein Hoofdwegen 0,9‐1,1 m ‐mv Secundaire wegen 0,7 m ‐mv Nieuwe bebouwing zonder 0,3 m ‐mv kruipruimte** Ontwatering Nieuwe bebouwing met 0,7 m ‐mv kruipruimte Tuinen, openbaar groen 0,5 m ‐mv Bodem wadi 0,3 m ‐mv Droogleggingseis 1‐1,2 m ‐mv * vastgesteld op basis van literatuuronderzoek ** Het waterschap gaat uit van een vloerpeil (drempelpeil) van minimaal 0,30 m boven maaiveld

6.3

Bron Onderhavige analyse Onderhavige analyse Onderhavige analyse Onderhavige analyse Onderhavige analyse Waterschap Gemeente

Waterschap Waterschap Waterschap Waterschap Waterschap Algemeen Algemeen

Weg‐ en vloerpeilen Ontwateringsdiepte In het stedelijk gebied is het waterbeheer voor gericht op het voorkomen van wateroverlast, om‐ dat hoge grondwaterstanden natte kruipruimten en vochtproblemen in huis kunnen opleveren. De ontwateringsdiepte is afhankelijk van het type stedelijk gebied. In tabel 9 staan de gehan‐ teerde richtlijnen voor de ontwateringsdiepte.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

25

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Afbeelding 12: Ontwatering en drooglegging (bron: GRP gemeente Doetinchem)

Uitgaande van een GHG van 19,0 m +NAP dient het toekomstige maaiveld op circa 19,5 m +NAP te liggen en de wegen en bouwpeilen (met kruipruimte) dienen op circa 19,7 m +NAP te liggen. Het huidige maaiveld is gelegen op 19,5 tot 19,7 m +NAP. Hiermee wordt voldaan aan de ontwa‐ teringseis. De bodem van de wadi’s liggen op 0,5 m‐mv en dienen een ontwatering te hebben van 0,3 meter. Het maaiveld dient zich dan, uitgaande van een GHG van 19,0 m +NAP, op 19,8 m +NAP te bevin‐ den en zal derhalve opgehoogd moeten worden. Het vloerpeil (drempelpeil) van de bebouwing dient minimaal 0,30 m boven de as van de weg aangelegd te worden. Hiermee wordt voorkomen dat water de woning binnenstroomt als er bij heftige buien water‐op‐straat staat. Drooglegging Nabij het plangebied bevindt zich de Flierbeek. Deze heeft een streefpeil van 18,20 en 18,30 m +NAP. Bij de huidige maaiveldhoogte tussen de 19,5 tot 19,8 m +NAP is er voldoende droogleg‐ ging.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

26

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

6.4

Buro Ontwerp & Omgeving

Bergingsopgave De bergingseis betreft 80 mm. Voor de niet openbare percelen (eigen terrein) geldt dat hiervan 40 mm op het eigen terrein verwerkt dient te worden en 40 mm afgewenteld mag worden op de openbare ruimte. Voor het eigen terrein is onderscheidt gemaakt tussen het deel dat eigendom wordt van ProWonen en de overige percelen. Tabel 10

Benodigde berging Openbaar terrein 5.320 426

Verhard oppervlak (m2) Te bergen in openbare ruimte (80 mm)(m3) Te bergen in openbare ruimte (40 mm)(m3) Te bergen op eigen perceel (40 mm)(m3) Totaal bergingsopgave te realiseren in openbare ruimte (m3) Totaal bergingsopgave te realiseren op terrein Pro‐ Wonen (m3) Totaal bergingsopgave te realiseren op overig eigen terrein (m3)

6.5

Eigen terrein ProWonen 3.613

Eigen terrein overig 5.761

145 145

230 230

800 145 230

Realisatie berging

6.5.1 Realisatie berging eigen terrein ProWonen Binnen het gebied dat eigendom wordt van ProWonen dient 145 m3 hemelwater geborgen te worden. Om de bergingsopgave te verminderen is er reeds vanuit gegaan dat de paden middels een half‐ verharding worden verhard. Hierdoor zijn deze, conform de uitgangspunten van het Waterschap Rijn en IJssel, maar voor 70% als verhard oppervlak meegerekend. Daarnaast is centraal op het terrein een wadi voorzien (A). De wadi welke is ingetekend in het ontwerp (wanden talud 1:3) kan, statisch, circa 72 m3 water bergen, zie tabel 3. Tabel 11

Uitgangspunten en globale berekening statische berging in wadi gebied ProWonen

A

Wadi, optie talud 1:3

Diepte wadi’s (m1)

0,5

Talud

1:3

Berging (m1)

0,3

Oppervlakte bodem (m2)

189

Berging op bodem (m3)

57

Oppervlakte talud (m2)

98

Berging in talud (m3)

15

Totale statische berging(m3)

72

Tijdens de bui zal echter ook al een deel van de neerslag infiltreren, dynamische berging, waar‐ door de inhoud van de wadi in overleg met Waterschap Rijn en IJssel verkleind kan worden.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

27

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

De dynamische berging is afhankelijk van het infiltrerend oppervlak, de infiltratiecapaciteit en de infiltratieduur. Tabel 12

Dynamische berging in wadi gebied ProWonen

Gehanteerde k‐waarde (m/dag)

Infiltratiecapaci‐ teit in mm/uur*(A) 20

0,5*(A) *(A) *(B) *(C)

Opp. bodem voorziening (m2) *(B)

Opp. infiltrerend talud (m2)*(B)

Infiltratieduur (uur) *(C)

Totaal volume infiltratie (m3)

189

13

12

48

Er is vooralsnog vanuit gegaan dat sprake is van een graswadi waarbij de doorlatendheid wordt beperkt door de toplaag, deze bedraagt bij een graswadi 0,5 m/dag. Het oppervlak van de vlakke bodem en de taluds bepaald de grootte van het infiltratie oppervlak. Voor de taluds is uitge gaan van 40% van het oppervlak beneden het overloopniveau (0,3 m+ bodem wadi). Door het waterschap is aangegeven dat dit standaard maximaal 12 uur betreft in verband met de afnemende infiltratie door verzadiging van de bodem

De totale berging in de wadi (statisch en dynamisch) bedraagt 120 m3 waardoor hemelwater in alleen de wadi niet voldoet aan de bergingseis van 40 mm. Het hemelwater dat niet in de wadi kan worden geborgen kan in ondergronds in bijvoorbeeld infiltratiekratjes worden geborgen. 6.5.2 Realisatie berging eigen terrein Op de overige eigen percelen dient, op basis van de aangenomen verharding, 230 m3 hemelwater geborgen te worden. Deze berging kan verminderd worden door het aanbrengen van waterdoor‐ latende of waterpasserende bestrating. Hier kan op dit moment echter niet vanuit worden ge‐ gaan. Het bergen van hemelwater in infiltratiekratten op eigen terrein is een optie. 6.5.3 Realisatie berging openbaar gebied Binnen het openbaar gebied dient minimaal 801 m3 hemelwater geborgen te worden. Om de bergingsopgave te verminderen is er reeds vanuit gegaan dat parkeerplaatsen, wegen en paden in het openbare gebied middels een waterdoorlatende of waterpasserende verharding worden verhard. Hierdoor zijn deze, conform de uitgangspunten van het Waterschap Rijn en IJs‐ sel, maar voor 70% als verhard oppervlak meegerekend. Verder zal berging in het cunet onder de hoofdontsluiting (entree wijk en de weg van west naar oost) plaatsvinden (oppervlakte 1.165 m2) en zal berging in het cunet onder de parkeerplaatsen (oppervlakte 1.110 m2) plaatsvinden.

Middels het aanbrengen van een drainerend zand kan hemelwater geborgen worden. Uitgaande van een laag van 50 cm zand onder de hoofdontsluitingsweg (oppervlakte 1.165 m2) bedraagt de (maximale) bergingscapaciteit circa 175 m3, uitgaande van een verzadigingsgraad van ongeveer 30 % van het drainzand. Deze hoeveelheid hemelwater moet het cunet echter wel kunnen berei‐ ken. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat alleen het hemelwater dat ter plaatse van de hoofd‐ ontsluitingsweg zelf valt, het cunet kan bereiken. ’t Flierbos te Lichtenvoorde

28

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Op basis van de oppervlakte van dit deel van de ontsluitingsweg en de bergingseis betreft dit circa 93 m3. In de civieltechnische uitwerking kan er voor gekozen worden om nog een deel van de overige verharding te laten afstromen naar deze weg waardoor er meer hemelwaterberging plaats kan vinden. Uitgaande van een laag van 30 cm zand onder de parkeerplaatsen (oppervlakte 1.110 m2) be‐ draagt de (maximale) bergingscapaciteit circa 100 m3, uitgaande van een verzadigingsgraad van ongeveer 30 % van het drainzand. Deze hoeveelheid hemelwater moet het cunet echter wel kun‐ nen bereiken. Vooralsnog wordt er vanuit gegaan dat alleen het hemelwater dat ter plaatse van de parkeerplaatsen zelf valt, het cunet kan bereiken, dit betreft op basis van de oppervlakte en de bergingseis circa 89 m3. In de civieltechnische uitwerking kan eventueel nog een deel van de overige verharding afstromen richting deze parkeerplaatsen waardoor meer hemelwaterberging plaatsvindt. Tabel 13

Uitgangspunten en berekening berging in cunet

Locatie

Oppervlakte (m2)

Zandbed in m3

Percentage ber‐ ging in zandbed

Berging moge‐ lijk in m3

Bui in mm

Max. berging obv opper‐ vlakte en bui

Hoofdontsluiting Parkeerplaatsen Totaal

1.165 1.110

0,5 0,3

30% 30%

175 100 275

80 80

93 89 182

De overige 619 m3 te bergen hemelwater kan geborgen worden in de 4 wadi’s (B, C, D en E) welke binnen het plangebied zijn voorzien om het water te bergen en te infiltreren in de bodem. Op basis van het doorlatendheidsonderzoek is infiltratie in de ondergrond goed mogelijk. De aanleg van de wadi’s resulteert bij een bergingsdiepte van 0,3 meter in een berging van circa 536 m3. Aanbevolen wordt de wadi’s te voorzien van een drain en onderling te verbinden zodat een robuust systeem wordt gerealiseerd. De noodoverloop van de wadi’s kan plaatsvinden op de Flierbeek. In onderstaande tabel is de berging in de wadi’s weergegeven. Tabel 14

Uitgangspunten en globale berekening berging in wadi’s Wadi B Wadi C Wadi D Diepte wadi’s (m1) 0,5 0,5 0,5 Talud 1:3 1:3 1:3 Berging (m1) 0,3 0,3 0,3 Oppervlakte bodem (m2) 404 212 408 Berging op bodem (m3) 121 64 122 2 Oppervlakte talud (m ) 256 101 95 Berging in talud (m3) 38 15 14 Totale berging(m3) 159 79 136

’t Flierbos te Lichtenvoorde

29

Wadi E 0,5 1:3 0,3 488 146 107 16 162

Wadi Totaal 0,5 1:3 0,3 1.512 453 559 83 536

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

De dynamische berging is afhankelijk van het infiltrerend oppervlak, de infiltratiecapaciteit en de infiltratieduur. Tabel 15

Dynamische berging in wadi’s openbaar terrein

Wadi

Gehanteerde k‐waarde (m/dag) 0,5*(A)

Infiltratiecapaci‐ teit in mm/uur*(A) 20

B

404

35

12

105

C

0,5*(A)

20

212

14

12

54

D

0,5*(A)

20

408

13

12

101

E

0,5*(A)

20

488

14

12

120

0,5*(A)

20

1.512

76

12

380

Totaal *(A) *(B) *(C)

Opp. bodem voorziening (m2) *(B)

Opp. infiltrerend talud (m2)*(B)

Infiltratieduur (uur) *(C)

Totaal volume infiltratie (m3)

Er is vooralsnog vanuit gegaan dat sprake is van een graswadi waarbij de doorlatendheid wordt beperkt door de toplaag, deze bedraagt bij een graswadi 0,5 m/dag. Het oppervlak van de vlakke bodem en de taluds bepaald de grootte van het infiltratie oppervlak. Voor de taluds is uitge gaan van 40% van het oppervlak beneden het overloopniveau (0,3 m+ bodem wadi). Door het waterschap is aangegeven dat dit standaard maximaal 12 uur betreft in verband met de afnemende infiltratie door verzadiging van de bodem

De totale berging in de wadi’s (statisch en dynamisch) bedraagt 916 m3. 6.5.4 Samevatting realisatie berging In onderstaande tabel is een samenvatting van de beoogde hemelwaterberging weergegeven. Tabel 16

Samenvatting beoogde berging Openbaar terrein

Eigen terrein ProWonen

Eigen terrein overig

Totaal

Bergingsopgave (m3)

800

145

230

1.175

Berging in wadi (dyna‐ misch en statisch)

916

120

Berging in cunet hoofdweg

93

93

Berging in cunet par‐ keerplaatsen

89

89

Totale berging(m3)

1.098

120

230

1.218

Saldo

+298

‐25

‐230

+43

1.036

Uit de berekeningen blijkt dat middels het toepassen van waterdoorlatende verharding, halfver‐ harding, een waterbergend cunet onder de hoofdweg en parkeerplaatsen en het realiseren van 4 wadi’s ruim voldoende waterberging wordt gerealiseerd in de openbare ruimte. Ter plaatse van het terrein van ProWonen wordt een wadi gerealiseerd. Deze kan niet al het he‐ melwater geborgen worden. Het tekort van circa 25 m3 kan ondergronds worden geborgen. Ter plaatse van de uitgeefbare percelen zal per perceel een hemelwaterberging gerealiseerd die‐ nen te worden. Het totaal te bergen volume hemelwater is berekend op 230 m3.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

30

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Uit bovenstaande blijkt dat in de openbare ruimte een positief bergingssaldo is van 298 m3. 6.6

Vuilwater In overleg met de gemeente zal bekeken moeten worden of en hoe de te realiseren woningen op het bestaande rioolsysteem aangesloten kunnen worden. De toename van de DWA (droogweer‐ afvoer) wordt bepaald door de piekafvoer en het (gemiddeld) aantal bewoners.  

Piekafvoer afvalwater: 10 liter per uur en 120 liter per dag per inwoner (alleen overdag wordt berekend); Gemiddelde bezetting per woning: 2,2 inwoners.

De verwachtte toename in het DWA bij een piekbelasting betreft circa: Aantal woningen x 2,2 inwoner/woning x 0,012 m³/uur/inw. In de nieuwe situatie zullen binnen het plangebied 69 woningen gerealiseerd worden. De DWA piekafvoer bedraagt dan naar inschatting circa 1,82 m3 per dag.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

31

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

7

SAMENVATTING, CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN

7.1

Samenvatting en conclusies De initiatiefnemer is voornemens om het plangebied ’t Flierbos te Lichtenvoorde te herontwik‐ kelen. Voor de benodigde wijziging van het bestemmingsplan is een analyse van de waterhuis‐ houding uitgevoerd. Uit de analyse blijkt dat:  De bodemopbouw binnen het plangebied uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand bestaat. De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak grindig en/of zwak oerhoudend;  Het maaiveld binnen het plangebied is gelegen op een hoogte van circa 19,5 tot 19,8 m +NAP;  De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied wordt ingeschat op circa 19,0 m +NAP;  De infiltratie van hemelwater binnen het plangebied op basis van de beschikbare informatie als ‘kansrijk’ wordt bestempeld. Dit met uitzondering van de humeuze bovengrond;  Op basis van het beleid van het Waterschap en de gemeente 145 m3 water geborgen dient te worden binnen het gebied van ProWonen, 230 m3 water geborgen dient te worden op eigen terrein en 800 m3 water geborgen dient te worden in de openbare ruimte;  Ter plaatse van het perceel van ProWonen is een wadi voorzien waarin 72 m3 statische en 48 m3 dynamische berging plaats kan vinden.

De overige 25 m3 hemelwater kan ondergronds worden geborgen;  Ter plaatse van de overige uitgeefbare percelen zal de 230 m3 op eigen terrein geborgen wor‐ den;  In het openbaar gebied is berging in het cunet van de hoofdontsluitingsweg en de parkeer‐ plaatsen voorzien. Hierin kan 182 m3 berging plaatsvinden. Tevens zijn 4 wadi’s voorzien waarin 536 m3 statische en 380 m3 dynamische berging plaats kan inden;  Om voldoende drooglegging voor de wadi’s te realiseren dient het maaiveld op 19,8 m +NAP te liggen en dus opgehoogd te worden;  Na de realisatie van de woningen rekening gehouden dient te worden met een piekbelasting in de DWA productie van naar inschatting circa 1,82 m3 per uur.

7.2 Conclusie en aanbevelingen Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Er is in de openbare ruimte een bergingsoverschot van 298 m3. Het vrijkomende hemelwater op het terrein van ProWonen en het hemelwater van het overig eigen terrein dient op eigen terrein te worden geborgen. Voor het terrein ProWonen is hiervoor een wadi voorzien, echter dient er nog circa 25 m3 hemelwater ondergronds geborgen te worden. De berging op de overige uitgeef‐ bare percelen zal waarschijnlijk ook overwegend ondergronds plaatsvinden.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

32

3746.01

Waterhuishoudkundige analyse

Buro Ontwerp & Omgeving

Er kan overwogen worden het hemelwater dat niet in de wadi van ProWonen past en het hemel‐ water van de overige uitgeefbare percelen ook in de voorziene wadi’s in de openbare ruimte te bergen. Hiervoor is voldoende capaciteit aanwezig. Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ont‐ wikkeling. De uiteindelijke wijze van berging dient afgestemd te worden met Waterschap Rijn en IJssel. Het hemelwatersysteem dient in een latere fase verder gedimensioneerd te worden. De GHG binnen het plangebied is ingeschat op basis van literatuur. Om een meer betrouwbare GHG te verkrijgen kan een grondwatermeetnet gerealiseerd worden. Op basis van een GHG van 19 m +NAP, de ontwateringseisen en de ontwateringsdiepte van de wadi’s dient het maaiveld (plaatselijk) opgehoogd te worden. Daarnaast wordt aanbevolen het vloerpeil 0,3 meter hoger te realiseren dan de wegen. Hierbij wordt bij extreme neerslag waterschade aan de bebouwing voorkomen. In overleg met de gemeente moet tevens bepaald worden hoe en waar het vuilwater geloosd kan worden. Het hemelwatersysteem dient in een latere fase verder gedimensioneerd en civieltech‐ nisch uitgewerkt te worden.

’t Flierbos te Lichtenvoorde

33

3746.01

Bijlagen

Bijlage 1 Regionale ligging en kadastrale kaart plangebied

Regionale Ligging

Bron: https://www.pdok.nl/viewer/

Hier bevindt zich het plangebied

Kadastrale kaart

Uw referentie: 3746.01

Deze kaart is noordgericht

12345 25

Schaal 1: 2300

Perceelnummer Huisnummer Vastgestelde kadastrale grens Voorlopige kadastrale grens Administratieve kadastrale grens

Kadastrale gemeente Sectie Perceel

Lichtenvoorde O 1349

Bebouwing Voor een eensluidend uittreksel, geleverd op 13 oktober 2022 De bewaarder van het kadaster en de openbare registers

Aan dit uittreksel kunnen geen betrouwbare maten worden ontleend. De Dienst voor het kadaster en de openbare registers behoudt zich de intellectuele eigendomsrechten voor, waaronder het auteursrecht en het databankenrecht.

Bijlage 2 Uitgevoerde watertoets

Aanvraagformulier Aanvraag ingediend op 18-10-2022 12:12

Normale procedure in Waterschap Rijn en IJssel ALGEMENE INFORMATIE e-mail: m.teus ink@ontwerpenomgeving.nl aanvraagnummer: 00007508 naam aanvraag: Normale procedure bevoegd gezag: Waters chap Rijn en IJs s el

OP BASIS VAN ONDERSTAANDE LOCATIE

18-10-2022

P agina 1 van 10

Aanvraagformulier

Aanvraagformulier VRAGEN EN ANTWOORDEN UIT DE AANVRAAG 1.

Wat is uw naam? Marieke Teus ink

2.

Wat is uw emailadres ? Marieke Teus ink

3.

Wat is uw telefoonnummer? Marieke Teus ink

4.

Doet u een aanvraag namens uzelf? Nee

5.

Namens wie vraagt u een watertoets aan? Gemeente Oos t Gelre

6.

Wat is het emailadres van de initiatiefnemer? a.s paargaarden@oos tgelre.nl

7.

Wat is het telefoonnummer van de initiatiefnemer? 0544-3935353

8.

Is er contact gewees t met de gemeente? Ja

9.

Geef hier de naam van de contactpers oon van de gemeente. A. Spaargaarden

10.

Wat is het emailadres van de contactpers oon? a.s paargaarden@oos tgelre.nl

11.

Wat is de naam van het plan? Flierbos

12.

Geef een korte oms chrijving van het plan. De locatie betreft een agraris ch perceel. De toekoms tige inrichting voorziet in de realis atie van circa 77 woningen, voor divers e doelgroepen in een bos rijke omgeving. In de toekoms tige s ituatie wordt circa 17.377 m2 verhard. Voor een deel wordt halfverharding gebruikt, deze is in de verhardings berekening meegerekend als 70% verhard.

13.

Wat is de toename aan verharding (bes trating en bebouwing) binnen het plangebied in m2?

18-10-2022

P agina 2 van 10

Aanvraagformulier

Aanvraagformulier 17377 14.

Wat is het adres van het plan? Het plangebied betreft de toekoms tige ontwikkeling van de derde fas e van de ontwikkeling van de woonwijk Flierbeek te Lichtenvoorde. Deze derde fas e van de woonwijk krijgt de naam ’t Flierbos . Het plangebied ligt aan de rand van het zuidwes telijk deel van de bebouwde kom van Lichten-voorde.

15.

Wilt u een bijlage toevoegen van het plan? Nee

18-10-2022

P agina 3 van 10

Aanvraagformulier

Aanvraagformulier OP BASIS VAN DE GEGEVEN ANTWOORDEN IN DE CHECK IS ONDERSTAANDE NODIG: 1.

normale procedure

2.

Advies beheer en onderhoud van oppervlaktewater

3.

Advies klimaatadaptie

4.

Advies kwaliteit oppervlaktewater

5.

Advies afvalwaterketen

6.

Advies grondwaterbeheer

DETAILS 1.

normale procedure Op bas is van uw locatie en gegeven antwoorden blijkt dat u waters chaps belangen raakt.

Wat moet ik doen? Gebruik als tublieft de knop ""DIRECT AANVRAGEN"" om een advies aan te vragen bij het waters chap. Hiervoor is een eenmalige regis tratie benodigd. In een s tartoverleg kan gezamenlijk bepaald worden welke wateras pecten een rol s pelen en tot welk detailniveau deze uitgewerkt dienen te worden. Dit kan ook betekenen dat er een waterhuis houdkundig plan, een geohydrologis ch onderzoek of een uitgebreide analys e van het huidige waters ys teem noodzakelijk is . Gezamenlijk wordt er invulling gegeven aan de wateras pecten. Als er overeens temming is over de inhoud van de waterparagraaf kan u de teks t opnemen in de toelichting van het ruimtelijk plan. U kunt ook contact opnemen via info@wrij.nl of met onze advis eurs : Marieke Brouwer-te Molder (m.brouwer@wrij.nl) voor de gemeenten: Deventer, Rijs s en-Holten, Hof van Twente, Haaks bergen, Z utphen, Lochem, Berkelland, Winters wijk. Jan van der Schoot (j.vanders choot@wrij.nl) voor de gemeenten: Does burg, Bronckhors t, Oos t Gelre, Oude IJs s els treek, Doetinchem, Aalten. Henk Meulenveld (h.meulenveld@wrij.nl) voor de gemeenten: Arnhem, Rozendaal, 18-10-2022

P agina 4 van 10

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14310766/1