CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp flierbos toelichting

Raadscommissie 18 juni 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan en beeldkwaliteitsplan ‘Flierbeek fase 3, Flierbos’ met bijbehorende grondexploitatie16.659 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.3

Bodem

Algemeen In het kader van een bestemmingsplanprocedure moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik.

28

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos

Toetsing Door Econsultancy is in november 2021 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd. De conclusie uit het onderzoek wordt hieronder kort behandeld. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "grootschalig onverdacht" (ONV-GR). Bij onverdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem niet verontreinigd is. Op basis van het “Tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecies” blijkt dat vooralsnog heel Nederland (voornamelijk de bovengrond) als “verdacht” wordt aangemerkt met betrekking tot de parametergroep PFAS. Dit betekent echter niet dat alle locaties per definitie verdacht zijn op PFAS bóven de toetsnorm. Verwacht wordt, dat er verspreid over de onderzoekslocatie gelijke gehalten aan PFAS voorkomen. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand. De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak grindig en/of zwak oerhoudend. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. In de bovengrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. In de ondergrond zijn eveneens geen verontreinigingen geconstateerd.

In het grondwater is plaatselijk in peilbuis 01 in eerste instantie lichte metaal verontreinigingen en een sterke verontreiniging met minerale olie aangetoond. De verhoogde gehaltes aan metalen in het grondwater zijn hoogstwaarschijnlijk te relateren aan regionaal verhoogde achtergrondwaardes. Omdat de minerale olie verontreiniging niet te herleiden is uit het vooronderzoek, er in de overige peilbuizen stroomopwaarts geen minerale olie is geconstateerd en er in de grond ook geen verontreinigingen zijn geconstateerd, heeft er een in duplo heranalyses van het grondwater plaatsgevonden. Uit de analyseresultaten blijkt nog slechts maximaal een lichte verontreiniging met minerale olie. Hiermee wordt volgens Econsultancy bevestigd dat er geen sprake is van een sterke verontreiniging met minerale olie. Deze parameters is mogelijk slechts ten hoogste als lichte verontreiniging aan te merken. Gelet op het regionale karakter van de lichte metaalverontreinigingen in het grondwater, de lichte verhoogde gehalte in minerale olie in het grondwater, en het ontbreken van verontreinigingen in de grond kan de onderzoekslocatie als "onverdacht" ten opzichte van haar omgeving worden beschouwd. Er bestaan volgens Econsultancy met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem geen belemmeringen voor de realisatie van woningbouw.

Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.4

Geluid

Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de geluidszone van (spoor)wegen en/of industrieterreinen worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de toevoeging van nieuwe geluidsgevoelige functies in de vorm van woningen. De nieuwe woningen liggen echter buiten de geluidzone van de omliggende wegen N18, de Veenweg en de Veengootweg. In de directe omgeving van het plangebied zijn uitsluitend 30 km/uur wegen aanwezig. Om die reden kan akoestisch onderzoek achterweg blijven. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

Toelichting (vastgesteld)

29

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos

4.5

Luchtkwaliteit

Algemeen De Wet luchtkwaliteit (verankerd in de Wet milieubeheer, hoofdstuk 5, titel 5.2) is een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd, kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio's om samen te werken aan een schonere lucht, waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Plannen die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft.

Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming. Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden, waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico's optreden. Toetsing Voorliggend bouwplan voorziet in de realisatie van circa 70 nieuwe woningen. Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan met minder dan 1.500 woningen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk. NIBM In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030.

De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. Beide typen scenario's laten in de toekomst een afname van de concentraties zien. Dit komt doordat bedrijven en het verkeer steeds schoner worden door technologische verbeteringen. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in het plangebied

30

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.6

Externe veiligheid

Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR) gehanteerd.

Het plaatsgebonden risico is de kans dat een persoon die zich gedurende een jaar onafgebroken onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico wordt per bedrijf en transportas vastgelegd in contouren. Er geldt een contour waarbinnen deze kans 1x10-6 (één op de miljoen) bedraagt. Het groepsrisico is een berekening van de kans dat een groep personen binnen een bepaald gebied overlijdt ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De oriëntatiewaarde geeft hierbij de indicatie van een aanvaardbaar groepsrisico. Indien een ontwikkeling is gepland in de nabijheid van een risicobron geldt afhankelijk van de ontwikkeling een verantwoordingsplicht voor het toelaten van gevoelige functies. Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) Voor bepaalde risicovolle bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen en Regeling externe veiligheid inrichtingen (Bevi en Revi). Hierin zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen wettelijk vastgelegd. Circulaire effectafstanden LPG-tankstations In de circulaire is de effectbenadering uitgewerkt voor LPG-tankstations. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten.

Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. Naast de circulaire blijft ook de toetsing aan het Bevi noodzakelijk. Transport van gevaarlijke stoffen (water, spoor, weg) Voor de beoordeling van de risico's vanwege transport van gevaarlijke stoffen geldt het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt en basisnet), met als uitvloeisel het zogeheten Basisnet en de bijbehorende regeling Basisnet.

Toelichting (vastgesteld)

31

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos

Transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen Voor de beoordeling van de risico's van transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen geldt het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb en Revb). Naast de toetsing aan het plaatsgebonden risico en het groepsrisico is hierin vastgelegd dat aan weerszijden van een buisleiding een bebouwingsvrije afstand moet worden aangehouden voor beheer en onderhoud aan de buisleidingen. Toetsing Ten behoeve van de toetsing is de risicokaart geraadpleegd, waarvan een fragment in onderstaande afbeelding is weergegeven. Onderhavige ontwikkeling heeft betrekking op de realisatie van circa 70 woningen binnen bestaand stedelijk gebied. Met de ontwikkeling is sprake van nieuwe kwetsbare objecten. Het plangebied is geel gemarkeerd.

Ligging plangebied (gele vlak) t.o.v. risicobronnen in de directe nabijheid

In dit plangebied worden woningen mogelijk gemaakt. De mogelijk aanwezige personen in deze objecten lopen mogelijk risico om het slachtoffer te worden van ongevallen met gevaarlijke stoffen in de omgeving. Het plangebied maakt zelf geen risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen mogelijk en vormt daarmee geen risicobron. Rondom het plangebied bevinden zich een buisleiding (1100 meter) en een route voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg (500 meter). Buisleidingen (Hogedrukaardgasleiding N-569-80) Op ongeveer 1.100 meter ten westen van het plangebied bevindt zich een buisleiding (N-569-80). Deze hogedrukaardgasleiding valt onder het Bevb en kent een invloedsgebied van 75 meter (volgens de EV-Signaleringskaart. Het plangebied valt hier ruimschoots buiten en hiermee hoeft deze buisleiding niet nader onderzocht te worden. Basisnetroute weg (N18) Op ongeveer 500 meter van het plangebied ligt de N18. Dit is een basisnetroute die valt onder Bevt. Op basis van de Regeling basisnet vindt hierover vervoer van brandbare gassen (GF3) plaats. Het plangebied valt ruimschoots buiten de 200 meterzone en het invloedsgebied (1%-letaliteitszone van 355 meter2) van de N18. Om deze reden hoeft geen nader onderzoek naar de N18 te worden uitgevoerd.

32

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

4.7

Bedrijven en milieuzonering

Algemeen Indien door middel van een plan nieuwe, gevoelige functies of milieuhinderveroorzakende functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu binnen en buiten het plangebied mogelijk is. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van nieuwe gevoelige functies. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningen, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de aanbevolen richtafstanden met één stap worden verminderd.

De afstand wordt gemeten vanaf de grens van de locatie van de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies. Toetsing Het plangebied en haar omgeving maakt, gezien de aanwezige en toekomstige functies, deel uit van een 'rustige woonwijk'. In het gebied is geen sprake van een zodanige functiemenging of zodanig drukke wegen dat het omgevingstype gemengd gebied aan de orde is. Dat betekent dat de beoordeling plaats moet vinden op basis van de richtafstanden uit bijlage 1 van de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering. Hinderveroorzakende functies in het plangebied Binnen het plangebied bestaat geen mogelijkheid om functies toe te staan die eventueel milieuhinder veroorzaken. Om die reden is nader onderzoek hiernaar niet noodzakelijk. Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de woningen in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. In de directe nabijheid van het plangebied is aan de Varsseveldseweg 67B het bedrijf Koerntjes B.V. gevestigd. Andere bedrijven (inclusief veehouderijen) bevinden zich op zodanige afstand van de woningbouwlocatie dat op voorhand duidelijk is dat deze geen belemmeringen opleveren voor de ontwikkeling.

De navolgende tabel laat zien hoe de functies kunnen worden gecategoriseerd op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. De tabel toont de richtafstand per onderdeel (geur, stof, geluid en gevaar) en de bijbehorende milieucategorie. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning. De werkelijke afstand in onderstaande tabel is gemeten tot aan de rand van de woningbouwlocatie. Functie Overige groothandel in afval en schroot: b.o. > 1.000 m2

Geur 10

Stof

Geluid

Gevaar

Categorie 3.2

Werkelijke afstand

30

100

10

100

circa 35 m

De tabel laat zien dat de ontwikkeling plaatsvindt binnen de richtafstanden van het nabij gelegen bedrijf.

Toelichting (vastgesteld)

33

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos Om de ontwikkeling mogelijk te maken is nader onderzoek in de vorm van onderzoek industrielawaai noodzakelijk om aan te kunnen tonen dat het bedrijf niets in zijn bedrijfsvoering wordt gehinderd en er nabij de woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Onderzoek industrielawaai Door Adviesbureau Van der Boom is onderzocht welke geluidbelasting ontstaat op de nieuw te bouwen woningen in plan Flierbeek, fase 3 te Lichtenvoorde t.g.v. het naastgelegen bedrijf Koerntjes. In het akoestisch onderzoek wordt onderzocht of aan de eisen uit de VNG-brochure kan worden voldaan, zodat zowel een goed woon- en leefklimaat wordt gewaarborgd als voldoende akoestische ruimte resteert voor bedrijven. Het onderzoek is als Bijlage 4 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Langtijdgemiddelde Het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT t.g.v. alle activiteiten bij het bedrijf bedraagt in de immissiepunten1 – 3 bij het nieuwbouwplan hooguit 49 dB(A) overdag, 36 dB(A) in de avond en 11 dB(A) in de nacht en bij de bestaande woningen hooguit 48 dB(A) overdag, 39 dB(A) in de avond en 17 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richtwaarden in de punten 1-3 overdag met hooguit 4 dB(A) overschreden. Bij de bestaande woningen kan het bedrijf aan de eisen uit het Activiteitenbesluit voldoen. Maximale geluidbelasting De maximale geluidniveaus LAmax t.g.v.

alle activiteiten bedragen in de immissiepunten 1-3 bij het bouwplan hooguit 63 dB(A) overdag, 49 dB(A) in de avond en < 40 dB(A) in de nacht en bij de bestaande woningen hooguit 61 dB(A) overdag en 52 dB(A) in de avond en hooguit 44 dB(A) in de nacht. Daarmee worden de richtwaarden niet overschreden en kan het bedrijf bovendien bij de bestaande woningen voldoen aan de eisen uit het Activiteitenbesluit. De richtwaarden voor de langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus worden bij de nieuw te bouwen woningen mogelijk overschreden (afhankelijk van de exacte posities), overdag met hooguit 4 dB(A). Wanneer de woningen buiten de 45 dB(A)-contour worden geprojecteerd kan aan de richtwaarden worden voldaan en is dus sprake van een goed woon- en leefklimaat. Het bedrijf wordt dan niet beperkt aan haar bedrijfsvoering. Deze 45 dB(A)-contour is onderstaand weergegeven en is leidend voor de planvorming. Binnen deze contour kunnen geen nieuwe woningen worden gerealiseerd. De contour is door middel van een gebiedsaanduiding opgenomen op de verbeelding.

Ligging 45 dB(A) contour bedrijf Keurntjes B.V.

34

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat met het vastleggen van de 45 dB(A) en hier geluidgevoelige functies uit te sluiten in de regels, er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de gewenste ontwikkelingen in het plangebied.

4.8

Geur

Algemeen Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De raad heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden. Onderstaande geurnormen zijn van toepassing in de verordening.

Tabel geurnormen verordening geurhinder

De woningbouwlocatie wordt onderdeel van de bebouwde kom. In de omgeving van het onderzoeksgebied bevinden zich meerdere veehouderijen. De veehouderijen liggen echter op zodanige afstand en zijn van een zodanige aard en omvang dat ze geen belemmering vormen voor de ontwikkeling. Alleen het bedrijf op het adres Zilverbekendijk 10 in Aalten is wat dit betreft geurrelevant. De geurbelasting van dit bedrijf op de woningbouwlocatie is maximaal 1,3 odour units/m3. Daarmee wordt voldaan aan de geurnorm van 3 odour units/m3 en is sprake van een voor geur aanvaardbaar verblijfsklimaat. Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.9

Water

Beleid

Toelichting (vastgesteld)

35

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos

Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het plangebied ligt in het beheersgebied van het Waterschap Rijn en IJssel. In het Waterbeheerprogramma 2022-2027 van Waterschap Rijn en IJssel staat beschreven wat de doelen zijn voor de komende zes jaar in de Achterhoek en Liemers en hoe het waterschap deze wil halen. Naast het uitvoeren van kerntaken zijn het aanpassen van de leefomgeving aan de gevolgen van klimaatverandering en waterveiligheid de grootste prioriteiten. Ook een schone leefomgeving en de circulaire economie en energietransitie staan hoog op de agenda. Voor het waterbeheerprogramma zijn de werkzaamheden van het waterschap weergegeven in vier thema's. Klimaatrobuust gebied De ambitie is om richting 2050 wendbaar invulling te geven aan het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem. Dit wordt gedaan in combinatie met aanpassingen in gebruik en inrichting van de omgeving, zodat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer. Veilig gebied De bescherming tegen hoog water is een randvoorwaarde om veilig te kunnen wonen en werken in ons gebied. Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst.

Dat wordt gedaan door dagelijks beheer van de keringen en door continu inzicht in de keringen. Het beheer wordt op een duurzame wijze uitgevoerd en er wordt gewerkt aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken. De ambitie is dat de keringen van het waterschap in 2050 voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat daarbij wendbaar ingespeeld wordt op ontwikkelingen. Circulaire Economie en Energietransitie Het waterschap wil bij het uitvoeren van haar primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij wil zij in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin de taken klimaatneutraal worden uitgevoerd. Gezonde leefomgeving Het waterschap zorgt voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Het waterschap streeft ernaar dat het water in de leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Het doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert. Watertoets Het plangebied ligt in het beheersgebied van het waterschap Rijn en IJssel. Voor het doorlopen van de watertoets gebruikt dit waterschap de website www.dewatertoets.nl.

Het waterschap kijkt, op basis van de antwoorden die op de website worden ingevuld, of bij de ruimtelijke ontwikkeling voldoende rekening is gehouden met de waterhuishouding ter plaatse en geeft een wateradvies. Via de digitale watertoets is beoordeeld of en welke waterbelangen voor het initiatief relevant zijn. Voor dit initiatief is op 18 oktober 2022 de digitale watertoets doorlopen. Deze is als Bijlage 5 bijgevoegd. Op basis van de ingevulde digitale watertoets wordt door het waterschap geconcludeerd dat de ontwikkeling waterschapsbelangen raakt. Hiervoor wordt de normale procedure in gang gezet. Waterhuishoudkundige analyse In opdracht van de gemeente Oost Gelre is door Ontwerp & Omgeving een waterhuishoudkundige analyse opgesteld voor plangebied. De analyse is als Bijlage 6 bij dit bestemmingsplan gevoegd. De waterhuishoudkundige analyse dient als onderbouwing voor het aspect water bij dit bestemmingsplan en geeft een invulling aan voor de toekomstige inrichting voor hemelwater, huishoudelijk afvalwater en grond- en oppervlaktewater. Onderstaand zijn de voornaamste conclusies uit de analyse opgenomen.

36

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos De bodemopbouw binnen het plangebied uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig fijn zand bestaat. De bovengrond is bovendien zwak tot matig humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak grindig en/of zwak oerhoudend. Het maaiveld binnen het plangebied is gelegen op een hoogte van circa 19,5 tot 19,8 m +NAP. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied wordt ingeschat op circa 19,0 m +NAP. De infiltratie van hemelwater binnen het plangebied op basis van de beschikbare informatie als ‘kansrijk’ wordt bestempeld. Dit met uitzondering van de humeuze bovengrond. Op basis van het beleid van het Waterschap en de gemeente dient 145 m3 water geborgen te worden binnen het gebied van ProWonen, 230 m3 water geborgen dient te worden op eigen terrein en 800 m3 water geborgen dient te worden in de openbare ruimte. Ter plaatse van het perceel van ProWonen is een wadi voorzien waarin 72 m3 statische en 48 m3 dynamische berging plaats kan vinden. De overige 25 m3 hemelwater kan ondergronds worden geborgen. Ter plaatse van de overige uitgeefbare percelen zal de 230 m3 op eigen terrein geborgen worden. In het openbaar gebied is berging in het cunet van de hoofdontsluitingsweg en de parkeerplaatsen voorzien. Hierin kan 182 m3 berging plaatsvinden.

Tevens zijn 4 wadi’s voorzien waarin 536 m3 statische en 380 m3 dynamische berging plaats kan inden. Om voldoende drooglegging voor de wadi’s te realiseren dient het maaiveld op 19,8 m +NAP te liggen en dus opgehoogd te worden. Na de realisatie van de woningen rekening gehouden dient te worden met een piekbelasting in de DWA productie van naar inschatting circa 1,82 m3 per uur. Gezien de resultaten van onderhavige analyse worden er met de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied geen negatieve gevolgen verwacht voor de waterhuishouding ter plaatse. Er is in de openbare ruimte een bergingsoverschot van 298 m3. Het vrijkomende hemelwater op het terrein van ProWonen en het hemelwater van het overig eigen terrein dient op eigen terrein te worden geborgen. Voor het terrein ProWonen is hiervoor een wadi voorzien, echter dient er nog circa 25 m3 hemelwater ondergronds geborgen te worden. De berging op de overige uitgeefbare percelen zal waarschijnlijk ook overwegend ondergronds plaatsvinden Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van het voorgenomen initiatief.

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

Algemeen Op basis van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a, van het Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen worden getoetst, hoe er wordt omgegaan met de aspecten archeologie en cultuurhistorie. De bescherming van archeologische waarden is verankerd in de Erfgoedwet. Het belangrijkste doel van deze wet is de bescherming van de aanwezige en de te verwachten archeologische waarden door het reguleren van bodemverstorende activiteiten. Toetsing Archeologie Het plangebied ligt volgens het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' in een zone met de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologisch verwachtingsgebied 3'. Archeologisch onderzoek is noodzakelijk bij bodemingrepen groter dan 1.000 m² en dieper dan 30 cm-mv. Om deze reden is door Econsultancy in mei 2021 een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 7 bij dit bestemmingsplan. De conclusies van het onderzoek worden hieronder kort behandeld. Bureauonderzoek Op basis van het archeologisch bureauonderzoek heeft het plangebied al een lage verwachting op het

Toelichting (vastgesteld)

37

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos voorkomen van archeologische resten uit alle perioden vanaf het (Laat-)Paleolithicum. Het plangebied ligt namelijk binnen een dekzandvlakte en het gebied stond vroeger ook bekend onder de toponiem ’t Lichtenvoordse Veen, hetgeen een aanwijzing is voor zeer natte/moerasachtige omstandigheden. De verwachting is dan ook dat het plangebied weinig geschikt, zo niet ongeschikt zal zijn geweest als (tijdelijke) nederzettingslocatie. Ook reeds uitgevoerde archeologische onderzoeken binnen het onderzoeksgebied, voornamelijk prospectief onderzoek, hebben tot op heden niet geresulteerd in het aantreffen van aanwijzingen die duiden op de mogelijke aanwezigheid van archeologische vindplaatsen. Geraadpleegd historisch kaartmateriaal laat verder zien dat het plangebied voor langere tijd in gebruik is geweest als (nat) heidegebied en na grootschalige ontginning geheel in agrarisch gebruik is geweest (grasland). Verkennend booronderzoek De resultaten van het inventariserend veldonderzoek (IVO, verkennende fase) laten zien dat er binnen het plangebied geen diepgaande, grootschalige bodemverstorende ingrepen/vergravingen zijn uitgevoerd. Ten gevolge van alleen agrarisch gebruik (ploeg-/oogstwerkzaamheden) beperken bodemverstoringen zich tot de huidige bouwvoor. Het aanwezige bodemprofiel betreft echter wel een beekeerdgrond.

Duidelijk ontwikkelde podzolbodems zijn in géén van de boringen aangetroffen. Voor de grootschalige ontginningen zal sprake zijn geweest van zeer ondiepe grondwaterstanden, waarmee de ongeschiktheid als (tijdelijke) nederzettingslocatie wordt bevestigd. Selectieadvies Op grond van de resultaten van het bureau- en veldonderzoek adviseert Econsultancy om, ten aanzien van de geplande bodemingrepen, in het kader van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ), geen vervolgonderzoek te laten plaatsvinden. Het plangebied was in het verleden (voor de grootschalige ontginning) ongeschikt als (tijdelijke) nederzettingslocatie. Er is dan ook geen aanleiding om binnen het plangebied een archeologische vindplaats te verwachten. Cultuurhistorie In het kader van het Rijksbeleid Modernisering van de Monumentenzorg is het sinds 1 januari 2012 wettelijk verplicht om bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met cultuurhistorie. Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormt hiervoor de wettelijke basis. De ruimtelijke ordening krijgt zo een uitgesproken rol met betrekking tot het in stand houden/verbeteren van cultuurhistorische waarden. In en rond het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorisch waardevolle elementen, waardoor er geen sprake is van aantasting van cultuurhistorische waarden.

Conclusie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

4.11

Ecologie

Algemeen Bij elke ruimtelijke ontwikkeling moet, in het kader van de Wet natuurbescherming, in beeld worden gebracht of er sprake is van invloeden op natuurwaarden en beschermde soorten. Toetsing Door Econsultancy is in mei 2021 een quickscan natuurtoets uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 8 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Gebiedsbescherming Ruimtelijke ingrepen in of nabij Natura 2000-gebieden en beschermde natuurmonumenten zijn niet toegestaan wanneer deze significante negatieve effecten op de kernkwaliteiten veroorzaken. De onderzoekslocatie is niet gelegen binnen de grenzen, of in de directe nabijheid van een gebied dat aangewezen is als Natura 2000. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, het Korenburgerveen,

38

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos bevindt zich op circa 6 kilometer afstand ten oosten van de onderzoekslocatie. Gelet op de ligging van het plangebied en de omvang van de ontwikkeling, kan verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid op voorhand worden uitgesloten. Ook kunnen de mogelijk negatieve effecten als gevolg van stikstofdepositie gezien de afstand van 6 kilometer uitgesloten worden. De onderzoekslocatie maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabijgelegen gebied bevindt zich circa 350 meter ten zuidwesten van de onderzoekslocatie. Stikstofberekening Door NOX Advies is een Aerius-berekening uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 9 bij dit bestemmingsplan gevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat de emissie die als gevolg van het plan vrijkomt in zowel de bouw- als gebruiksfase leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. Enkele belangrijke worst-case uitgangspunten hierbij zijn dat er geen rekening is gehouden met een referentiesituatie en dat bij de inzet van mobiele werktuigen geen rekening is gehouden met het gebruik van AdBlue. Om die reden zijn significante gevolgen op Natura 2000-gebieden uit te sluiten en vormt het plan geen bedreiging voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

Een passende beoordeling is derhalve niet aan de orde. Soortenbescherming Bij een quickscan wordt in beeld gebracht of er (potentiële) vaste rust- of voortplantingsplaatsen aanwezig zijn van de soorten uit de verschillende beschermingsregimes. Vervolgens wordt beoordeeld of de voorgenomen ingreep verstorend kan zijn en of nader onderzoek noodzakelijk wordt geacht. Naar aanleiding van de quickscan kan ten aanzien van een aantal soorten het volgende worden geconcludeerd. Broedvogels Voor de algemene broedvogelsoorten die op de onderzoekslocatie zijn te verwachten geldt dat, indien het groen buiten het broedseizoen wordt verwijderd, er geen overtredingen plaats zullen vinden met betrekking tot deze soorten. Artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming (Het is verboden nesten te beschadigen, te vernielen of weg te nemen) is van toepassing. Vleermuizen Met de voorgenomen ingreep blijven de sloten en bomen, die net buiten de onderzoekslocatie zijn gelegen, volledig behouden. Indien bomen gekapt worden waarin zich boomholtes bevinden, is er geen sprake van aantasting van verblijfplaatsen van vleermuizen. Als dit het geval is dan zal aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn om de daadwerkelijke functie van de boomholtes voor vleermuizen vast te kunnen stellen.

Het gaat hierbij om de volgende vleermuissoorten: ruige dwergvleermuis, rosse vleermuis, meervleermuis, baardvleermuis, watervleermuis en gewone grootoorvleermuis De bomen en sloten rondom de onderzoekslocatie kunnen ook belangrijke foerageerfuncties voor vleermuizen hebben. Aantasting van een belangrijke vliegroute of foerageergebied zou in theorie kunnen leiden tot het niet meer kunnen functioneren van verblijfplaatsen in de directe omgeving, waardoor mogelijk sprake kan zijn van overtreding van de wet natuurbescherming. Om de functie van de bomen en sloten als potentiële vliegroute en foerageergebied te behouden, dienen hier geen werkzaamheden plaats te vinden en dient voldoende donkerte behouden te blijven. Dit betekent dat lichtuittreding zo veel mogelijk zal moeten worden voorkomen. Eekhoorn In de bomen rondom de onderzoekslocatie zijn zeer waarschijnlijk voortplantings- en winternesten van de eekhoorn aanwezig. Artikel 3.10 lid 1 van de Wet natuurbescherming (het is verboden soorten opzettelijk te doden of te vangen; het is verboden de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren opzettelijk te beschadigen of vernielen) is van toepassing. Wanneer de bomen in de directe omgeving van het nest behouden kunnen blijven, kan de mogelijke beschermde functie voor de eek-hoorn gehandhaafd blijven. In dat geval is er geen sprake van overtreding van de Wet

Toelichting (vastgesteld)

39

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos natuurbescherming en is aanvullend onderzoek naar de eekhoorn niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect ecologie vormt, indien bestaande bomen rondom het plangebied behouden blijven geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

4.12

Verkeer en parkeren

Algemeen Bij ruimtelijke plannen moet worden aangetoond dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de verkeer- en parkeersituatie ter plaatse. Toetsing Verkeer De ontwikkeling van het plangebied zal gepaard gaan met een toename van het aantal verkeersbewegingen van en naar het plangebied. Om deze toename te bepalen, is gebruik gemaakt van de kengetallen van het CROW. Bij de berekening van de toename van het aantal verkeersbewegingen is uitgegaan van het volgend aantal functies: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

25 keer huur, rijwoning, goedkoop 12 keer small house, midden (koop tussen/hoek) 6 keer koop, rijwoning, midden 4 keer koop, hoekwoning, midden 14 keer koop, twee-onder-een-kap, duur 8 keer koop, vrijstaand, duur

Het plangebied ligt in de categorie 'weinig stedelijk, rest bebouwde kom'. Hiervoor zijn door het CROW de volgende verkeersgeneratie aan toegeschreven: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Gemiddeld 5,6 per woning per etmaal Gemiddeld 7,4 per woning per etmaal Gemiddeld 7,4 per woning per etmaal Gemiddeld 7,4 per woning per etmaal Gemiddeld 7,8 per woning per etmaal Gemiddeld 8,2 per woning per etmaal

De totale toename van de verkeersgeneratie is (140 + 88,8 + 44,4 + 29,6 + 109,2 + 65,6 = 477,6) afgerond 478 verkeersbewegingen per etmaal. De nieuwe woningen worden door middel van een tweetal verkeerswegen ontsloten op de nieuwe hoofdontsluiting van de woonwijk De Bosweg. Deze nieuwe Bosweg takt uiteindelijk aan op Het Brook. Deze weg sluit aan op de Varsseveldseweg, welke op zijn beurt aansluit op de N18 (Europaweg). Via deze wegen zal het overgrote deel van de verkeersbewegingen worden afgewikkeld. De wegen zijn doorgaande wegen binnen de kern van Lichtenvoorde, en hebben dan ook voldoende capaciteit om de toename in het aantal verkeersbewegingen op te vangen. Parkeren Het aantal benodigde parkeerplaatsen wordt bepaald door de aard en omvang van de activiteit waarin het plan voorziet. Voor wat betreft het aantal te realiseren parkeerplaatsen voor de nieuwe woningen is uitgegaan van de Nota Parkeernormen van de gemeente Oost Gelre. Bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen is uitgegaan van het volgend aantal functies: 1. 2. 3. 4. 5.

40

25 keer huur, rijwoning, goedkoop 12 keer small house, midden (koop tussen/hoek) 6 keer koop, rijwoning, midden 4 keer koop, hoekwoning, midden 14 keer koop, twee-onder-een-kap, duur

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos 6. 8 keer koop, vrijstaand, duur Het plangebied ligt in de categorie 'weinig stedelijk, rest bebouwde kom'. Hiervoor zijn in de Nota Parkeernormen de volgende parkeerbehoefte aan toegeschreven: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Minimaal 1,6 parkeerplaats per woning Minimaal 2,0 parkeerplaats per woning minimaal 2,0 parkeerplaats per woning minimaal 2,2 parkeerplaats per woning minimaal 2,2 parkeerplaats per woning minimaal 2,3 parkeerplaats per woning

Het totaal aantal parkeerplaatsen op eigen terrein bedraagt minimaal (40 + 24 + 12 + 8,8 + 30,8 + 18,4 = 134) afgerond 133 parkeerplaatsen. In totaal worden er circa 135 parkeerplaatsen gerealiseerd, circa 45 op eigen erf en circa 90 in de openbare ruimte. Hiermee voldoet de ontwikkeling aan het aantal benodigde parkeerplaatsen. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

4.13

Kabels en leidingen

Algemeen In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van planologisch relevante kabels en leidingen. Toetsing In en om het plangebied zijn geen kabels en leidingen gelegen, die een juridisch- planologische bescherming genieten. Het plangebied valt niet samen met een zakelijk rechtstrook of een toetsingszone van een leiding, lijn of straalverbinding - gemeten uit het hart van een kabel, leiding of verbinding. Conclusie Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

4.14

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

Algemeen Conform artikel 3.1.6 van het Bro dient bij het opstellen van een bestemmingsplan dan wel ruimtelijke onderbouwing onderzoek te worden ingesteld naar de uitvoerbaarheid van het plan. Bij de uitvoering van een project kan in zijn algemeenheid onderscheid worden gemaakt tussen de economische uitvoerbaarheid en de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Bij het eerste gaat het om de kosten en andere economische aspecten die met de verwezenlijking van het plan samenhangen. Tevens is in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) geregeld dat in het kader van een bestemmingsplan of een omgevingsvergunning voor bepaalde bouwplannen de grondexploitatieregeling van toepassing is. Bij het tweede gaat het er om hoe de verwezenlijking door de maatschappij (overheid en burgers samen) wordt gedragen. De kosten voor het bouw- en woonrijp maken van de gronden komen voor de gemeente. Deze kosten worden gedekt voor de verkoop van de bouwkavels. De ontwikkelkosten voor de woningbouw komen voor rekening van een nader te bepalen bouwer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is. Maatschappelijke uitvoerbaarheid Tijdens de raadsvergadering op

Toelichting (vastgesteld)

21 september 2021 zijn de visies voor de woningbouwlocaties ’t

41

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos Flierbos, de drie vrijkomende schoollocaties en de Richterspoort in Lichtenvoorde door de gemeenteraad vastgesteld. De visie voor Flierbeek is vervolgens verder uitgewerkt in een concreet uitvoerbaar plan. Inwoners en anders geintresseerden konden zich aanmelden voor een nieuwsbrief om zo op de hoogte te worden gehouden van de voortgang in het project. Verder is op woensdag 1 november 2023 een informatieavond georganiseerd. Voor deze informatieavond zijn circa 400 uitnodigingen gestuurd naar omwonenden en degene die zich hadden aangemeld voor de nieuwsbrief. De informatieavond werd druk bezocht en over het algemeen was men lovend over het gepresenteerde plan. De vele vragen waren met name gericht op de mogelijkheden tot inschrijven op een woning in het plan, de verkoopprijzen van de bouwrijpe kavels, de mogelijkheden voor zelfbouw, maar ook op de aanwezige windmolens in de omgeving van de nieuwe woonwijk. Uiteindelijk is het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. Zie voor het procesverloop Hoofdstuk 6.

42

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos

Hoofdstuk 5

Juridische planaspecten

5.1

Algemeen

5.1.1

Wat is een bestemmingsplan

Het gemeentelijke bestemmingsplan is een middel waarmee functies aan gronden worden toegekend. Het gaat dus om het toekennen van gebruiksmogelijkheden. Vanuit de Wet ruimtelijke ordening volgt een belangrijk principe: het gaat om toelatingsplanologie. Het wordt de grondgebruiker (eigenaar, huurder etc.) toegestaan om de functie die het bestemmingsplan geeft uit te oefenen. Dit houdt in dat: 1. de grondgebruiker niet kan worden verplicht om een in het bestemmingsplan aangewezen bestemming ook daadwerkelijk te realiseren, en 2. de grondgebruiker geen andere functie mag uitoefenen in strijd met de gegeven bestemming (het overgangsrecht is hierbij mede van belang). Een afgeleide van de gebruiksregels in het bestemmingsplan zijn regels voor bebouwing (omgevingsvergunning voor het bouwen) en regels voor het verrichten van 'werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden' (omgevingsvergunning ten behoeve van het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden). Een bestemmingsplan regelt derhalve het toegestane gebruik van gronden (en de bouwwerken en gebouwen) en een bestemmingsplan kan daarbij regels geven voor: het bebouwen van de gronden; het verrichten van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden (aanleggen). Het bestemmingsplan is een belangrijk instrument voor het voeren van ruimtelijk beleid, maar het is zeker niet het enige instrument.

Andere ruimtelijke wetten en regels zoals de Woningwet, de Erfgoedwet, de Algemene Plaatselijke Verordening, de Wet milieubeheer en de bouwverordening zijn ook erg belangrijk voor het uitoefenen van het ruimtelijke beleid. 5.1.2

Bestemmen, dubbelbestemmen en aanduiden

Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming gronden hebben. Dit gebeurt via een bestemmingsvlak. Voor het op de verbeelding aangegeven bestemmingsvlak gelden de gebruiksmogelijkheden zoals die in de bijhorende regel worden gegeven. Die toegekende gebruiksmogelijkheden kunnen op twee manieren nader worden ingevuld: Via een dubbelbestemming Een dubbelbestemming is, zoals de naam al zegt, een bestemming die óók aan de gronden wordt toegekend. Voor gronden kunnen dus meerdere bestemmingen gelden. Er geldt altijd één 'enkel' bestemming (dat is dé bestemming) en soms geldt er een dubbelbestemming (soms zelfs meerdere). In de regel van de dubbelbestemming wordt omschreven wat er voor de onderliggende gronden geldt aan extra bepalingen in aanvulling, of ter beperking, van de mogelijkheden van de onderliggende bestemmingen. Via een aanduiding Een aanduiding is een teken op de verbeelding dat betrekking heeft op een vlak op die kaart. Via een aanduiding wordt in de regels 'iets' geregeld. Dat 'iets' kan betrekking hebben op extra mogelijkheden of extra beperkingen voor het gebruik en/of de bebouwing en/of het aanleggen van werken. Aanduidingen kunnen voorkomen in een bestemmingsregel, in meerdere bestemmingsregels en kunnen ook een eigen regel hebben. 5.1.3

Hoofdstukindeling van de regels

De regels zijn verdeeld over vier hoofdstukken:

Toelichting (vastgesteld)

43

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos 1. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). 2. Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de bepalingen van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsbepalingen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsbevoegdheden met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsbepalingen ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden.

Alleen zo is een volledig beeld te verkrijgen van hetgeen is geregeld. 3. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels en algemene afwijkingsregels. 4. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk zijn respectievelijk het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2

Dit bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels vormen tezamen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Tot slot is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. 5.2.1

Bijzonderheden in dit bestemmingsplan

In dit bestemmingsplan zijn de bestemmingen '', 'Groen', 'Tuin', 'Verkeer - Verblijfsgebied', 'Water' en 'Wonen' opgenomen.

'Groen' (Artikel 3) De bestemming 'Groen' wordt gelegd op de hoofdgroenstructuur en op grotere groenelementen. De nieuwe woonwijk kent een uitermate groene opzet met daarbinnen ook ruimte voor voedselbosjes. Om

44

Toelichting (vastgesteld)

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos die reden is gekozen om de groene elementen zoveel mogelijk binnen de groenbestemming te brengen. Binnen de bestemming 'Groen' zijn ook paden, water, recreatieve voorzieningen en speelvoorzieningen mogelijk. Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd, waarbij gebouwen niet zijn toegestaan.

'Tuin' (Artikel 4) Voor de woningen en voor zover noodzakelijk aan de zijkant van de (hoek-)woningen, is de bestemming 'Tuin' opgenomen. Hier is bouwen niet toegestaan, met uitzondering van erkers en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals erfafscheidingen.

'Verkeer - Verblijfsgebied' (Artikel 5) De verkeersstructuur en parkeerplaatsen worden voorzien van de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Uitsluitend bouwwerken ten dienste van de genoemde bestemming mogen worden gebouwd. Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen en straatmeubilair gelden dat de bouwhoogte maximaal 3 meter mag bedragen, en de maximale oppervlakte van de gebouwen maximaal 25 m2 mag bedragen.

Water (Artikel 6) De watergangen en waterpartijen zijn voorzien van de bestemming Water. Deze bestemming laat tevens extensieve dagrecreatie en waterberging toe. Gebouwen zijn niet toegestaan. Er mogen bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde gebouwd worden, waaronder bruggen, dammen en/of duikers, met inachtneming van de keur van het waterschap. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag ten hoogste 3 m bedragen en de bouwhoogte van een brug bedraagt maximaal 7 m.

'Wonen' (Artikel 7) De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woningen in diverse vormen. Dit betreft zowel vrijstaande, twee-aaneen als aaneengebouwde woningen. Ter plaatse vand e aanduiding small hous zijn small houses toegestaan. In de begripsbepalingen zijn deze nader geduid. Voor de plaatsing van small houses is in het bestemmingsplan nog de nodige vrijheid opgenomen. Aan huis verbonden beroepen zijn tevens toegestaan, met dien verstande dat maximaal 40% van de vloeroppervlakte van een woning mag worden gebruikt met een maximum van 50 m². De hoofdgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd, waarbij de maximale goot- en bouwhoogte staan aangegeven op de verbeelding. Tot slot zijn bijbehorende bouwwerken beperkt toegestaan. Verder is er binnen de bestemming een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het infiltreren van hemelwater op eigen terrein. Ook is voor een deel van het woonhof de aanduiding bijbehorende bouwwerken uitgesloten opgenomen. Dit om te voorkomen dat het binnenterrein wordt bebouwd. 5.2.2

Algemene regels

Naast de bestemmingen bevat het plan een aantal algemene regels over bijvoorbeeld begrippen, de wijze van meten, algemene afwijkingen en overgangsrecht. Deze min of meer standaardregels in bestemmingsplannen worden hier verder niet toegelicht. Wel is er een tweetal gebiedsaanduidingen opgenomen. Ten eerste 'geluidszone - industrie' om de geluidsruimte van het bedrijf ten noorden van het plangebied te waarborgen. En ten tweede 'overige zone - erfscheidingen uitgesloten' om de realisatie van erfscheidingen bij woningen te voorkomen.

Toelichting (vastgesteld)

45

bestemmingsplan Flierbeek, fase 3 Flierbos

Hoofdstuk 6

Procedure

Te zijner tijd worden in deze paragraaf of in een separate bijlage de resultaten van de procedure verwerkt.

46

Toelichting (vastgesteld)

bezoek Varsseveldseweg 2 7131 BJ Lichtenvoorde post Postbus 17 7130 AA Lichtenvoorde telefoon (0544) 39 35 35 fax (0544) 37 29 69 e-mail gemeente@oostgelre.nl internet www.oostgelre.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14248312/1