bp corsolocatie boschlaan toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde concept
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
3 3 3 4 5
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Nieuwe situatie
6 6 6
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Algemeen 3.2 Internationaal niveau 3.3 Rijksbeleid 3.4 Provinciaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid
8 8 8 10 14 15
Hoofdstuk 4 Onderzoeksresultaten 4.1 Watertoets 4.2 Bodem 4.3 Flora en Fauna 4.4 Cultuurhistorie en archeologie 4.5 Geluid 4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Geur 4.9 Externe veiligheid 4.10 Verkeer en parkeren 4.11 Milieueffectrapportage
18 18 19 21 23 25 26 27 28 29 32 33
Hoofdstuk 5 Juridisch planbeschrijving 5.1 Algemeen 5.2 Bestemmingsplan 5.3 Plansystematiek 5.4 Bestemmingsregelsregels
35 35 35 35 37
Hoofdstuk 6 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid
39 39 39
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2 Watertoets Bijlage 3 Bodemonderzoek Bijlage 4 Stikstofonderzoek Bijlage 5 Quickscan natuurtoets Bijlage 6 Memo nesteninspectie Bijlage 7 Archeologisch onderzoek Bijlage 8 Akoestisch onderzoek Bijlage 9 vormvrije m.e.r.-beoordeling
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
2
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
De Stichting Bloemencorso Lichtenvoorde is naarstig op zoek naar een locatie voor zeven corsogroepen die nu of in de nabije toekomst geen bouwlocatie meer hebben. De gemeente Oost Gelre is voornemens om in het buitengebied van Lichtenvoorde, ter plaatse van een agrarische weide naast de rioolwaterzuivering aan de Boschlaan, zeven hallen voor het bouwen van bloemencorsowagens te realiseren. Ter plaatse van het plangebied geldt het consolidatieplan 'Buitengebied Oost Gelre 2018'. Het huidige planologische regime staat de gewenste ontwikkeling niet toe. Om het plan mogelijk te maken is daarom een herziening van het bestemmingsplan nodig. Voorliggend document voorziet in de toelichting van het plan.
1.2
Ligging en begrenzing
Het plangebied bevindt zich buiten de bebouwde kom ten noorden van de kern Lichtenvoorde. De begrenzing van dit bestemmingsplan behelst de percelen die bekend staan als sectie N nummers 1907 en 1905. Deze percelen liggen ten noorden van de Europaweg. Aan de noordwestzijde grenst het plangebied aan de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Verder kenmerkt het gebied rondom het plangebied zich als een open agrarisch gebied. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied (rood omkaderd) in relatie tot de kern Lichtenvoorde (Bron: PDOK)
toelichting (concept)
3
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
Plangebied bij benadering rood omkaderd (Bron: PDOK)
1.3
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011', vastgesteld op 18 december 2012. Het plangebied heeft de enkelbestemming 'Agrarisch' en de dubbelbestemmingen 'Leiding - Riool', 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1' en 'Waarde Archeologische verwachtingswaarde 2'. De onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weer.
4
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
Geldend bestemmingsplan met daarop het plangebied bij benadering rood omkaderd (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
In het plangebied gelden tevens de volgende bestemmingsplannen: Facetbestemmingsplan parkeren, vastgesteld op 5 juni 2018. Buitengebied, Reparatieplan 2016, vastgesteld op 4 april 2017. Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre, vastgesteld op 15 juli 2014. Het 'Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre' en de bovengenoemde reparatieplannen zijn voor de leesbaarheid samengevoegd en gepubliceerd in het 'Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018. Dit plan heeft geen juridische status, maar geeft wel de geldende juridische regeling weer. Ten slotte zijn de archeologische verwachtingswaardes vastgelegd in het Parapluplan Archeologie, zoals vastgesteld op 22 februari 2022. Het realiseren van corsohallen is niet mogelijk binnen de geldende bestemmingen en daarmee strijdig met het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
1.4
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en nieuwe situatie van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante internationale, Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de economische haalbaarheid van het plan en de wijze waarop burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
toelichting (concept)
5
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Het plangebied bestaat in hoofdzaak uit agrarische velden c.q. weides. Een bomenrij markeert de noordelijke grens. De westzijde grenst aan een greppel welke grenst aan opgaande groenstructuren behorende bij het terrein van de rioolwaterzuivering. De overige zijnde grenzen aan agrarische percelen en een houtsingel. Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Europaweg. Er bevinden zich geen bouwwerken of verhardingen binnen de grenzen van het plangebied. Navolgende afbeeldingen tonen een impressie van de huidige situatie van het plangebied.
Bestaande situatie (Bron: Staring Advies)
2.2
Nieuwe situatie
Het plan maakt zeven corsohallen mogelijk, welke zijn beoogd aan de noordelijke zijde van het plangebied. De hallen zijn bedoeld als locatie waar zeven corsogroepen de wagens voor het jaarlijkse bloemencorso van Lichtenvoorde kunnen bouwen. Eén corsohal zal een oppervlakte hebben van 2 circa 450 m met een bouwhoogte van maximaal 9 meter. De totale oppervlakte van de hallen is 2 zodoende circa 3.150 m . De hallen zullen een sobere uitstraling krijgen. Het overige terrein bestaat uit manoeuvreruimte, welke verhard is met bij voorkeur gesloten verharding of klinkers. Het terrein van de hallen wordt omgeven door een geluidswal en/of een brede groenstrook. Dit geldt eveneens voor het terrein ten zuiden van de hallen. Hier is ruimte voor overloopparkeren. Het overige terrein binnen deze wal c.q. groenstrook kan worden benut ten behoeve van een groene inrichting.
6
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde De beoogde corsohallen zullen bereikbaar zijn via een aan te leggen weg die afgewikkeld zal worden op de Europaweg. Gezien het feit dat er grote wagens over deze toegangsweg moeten worden ontsloten is er een ruime toegangsweg nodig van 4,5 à 5 meter; obstakelvrij. Er komt geen verlichting langs de toegangsweg. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de toekomstige situatie weer:
Schetsontwerp beoogde ontwikkeling (Bron: gemeente Oost-Gelre)
toelichting (concept)
7
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Algemeen
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau zijn eveneens een groot aantal juridische en beleidskaders van toepassing op het plangebied.
3.2
Internationaal niveau
3.2.1
Vogelrichtlijn
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. 3.2.2
Habitatrichtlijn
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.
8
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
3.2.3
Het verdrag van Valletta (Malta)
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen. De waarden kunnen niet geheel naar eigen inzicht tegen andere aspecten worden afgewogen.
toelichting (concept)
9
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde 3.2.4
Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: De vervuiler betaalt De gebruiker betaalt Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water Resultaatsverplichting in 2015 Stroomgebiedsbenadering) Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.
Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen.
Conclusie De internationale regelgeving en/of de Europese regelgeving is geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
3.3
Rijksbeleid
3.3.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: a. ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; b. duurzaam economisch groeipotentieel; c. sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
10
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde Voorliggende ontwikkeling kent geen directe relatie met het gestelde in de NOVI. Er wordt ingezet op een toekomstbestendige voortzetting en veiligstelling van het bloemencorso in Lichtenvoorde: een evenement welke belangrijk is voor de identiteit van de kern en de gemeente. Daarmee wordt indirect bijgedragen aan het tweede afwegingsprincipe: de kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. 3.3.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.
Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen.
Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.3.3
Nationaal Waterprogramma 2022-2027
Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.
In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO2arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang.
toelichting (concept)
11
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico's in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie. Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio's en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water.
Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema's een centrale rol in dit waterprogramma: Kimaatadaptatie; Waterveiligheid; Zoetwater; Grondwater; Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma's en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda's Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma's de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda's onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI).
In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Voor een behandeling van het aspect water wordt verwezen naar paragraaf 4.1.
12
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde 3.3.4
Besluit ruimtelijke ordening
Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied.
Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling 2
Het plan omvat de realisatie van zeven corsohallen van in totaal circa 3.150 m te Lichtenvoorde. In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Het betreft in voorliggend plan hallen voor corsowagens. Op basis van jurisprudentie (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat bij ontwikkelingen anders dan woningen de ondergrens in 2 beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van 500 m ligt. Daarmee is een laddertoets nodig voor de voorliggende ontwikkeling. Een onderbouwing voor het plan heeft zodoende plaatsgevonden (welke als bijlage 1 is bijgevoegd bij deze toelichting). Door de economische verbetering van de afgelopen jaren hebben de corsogroepen, die nu onder andere nog te gast zijn op het industrieterrein, een probleem met permanente huisvesting. In totaal zijn er op dit moment zeven groepen zoekende naar een nieuwe locatie. De Stichting Bloemencorso Lichtenvoorde (SBL) heeft als grote wens, een plek waar meerdere groepen terecht kunnen, met als voorbeeld de bestaande eerste corsolocatie aan de Lievelderweg.
Uit ervaring van de SBL moeten we concluderen dat de realisatie van de eerste corsolocatie aan de Lievelderweg een zeer positieve invloed heeft gehad op het corso. De samenwerking en de sociale cohesie is daar erg goed. De kwaliteit van de corsowagens en het aantal vrijwilligers van de twee 'kleine' groepen is gestegen sinds zij op deze plek bouwen. Het corso is voor Lichtenvoorde een zeer belangrijk evenement en past ook uitstekend bij het profiel van Oost Gelre als kleurrijke evenementen gemeente. Het corso behoort tot het cultuurhistorisch erfgoed, vanuit dit perspectief is het beschikbaar houden van goede corsolocaties voor de verschillende groepen maatschappelijk zeer belangrijk. In de locatiestudie naar een nieuwe locatie staat beschreven dat de corsolocatie een fors ruimtegebruik met zich mee brengt. In de studie is het uitgangspunt, zorgvuldig omgaan met ruimtegebruik. In de beoordeling scoren locaties in het bestaand stedelijk gebied hoger dan een locatie die direct aan het bestaande stedelijk gebied grenzen of locaties die solitair in het buitengebied liggen. Het bouwen en ontmantelen van corsowagens dient ook niet te dichtbij van woningen gebeuren, omdat deze activiteit geluid produceert.
toelichting (concept)
13
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde Voor de ruimtevraag van de corsogroepen wordt uitgegaan van een corsohal van 15 meter breed en een lengte van 30 meter. Dit is vergelijkbaar met de corsohallen aan de Lievelderweg. Daarnaast moet er ruimte zijn aan de voorzijde, voor het draaien van de corsowagens. Ook moet er rekening gehouden worden met robuuste groeninpassing. Gezien de wens om meerdere corsogroepen bij elkaar te zetten, is er qua omvang van de locatie geen mogelijkheid om dit te realiseren op agrarisch leegstaand vastgoed. Voor een locatie voor 7 2 hallen, ingepast in de omgeving, is ca. 15.000 m nodig. Daarom is de beoogde ontwikkeling ongewenst in het bestaand stedelijke gebied. De beoogde locatie net buiten de kern Lichtenvoorde biedt voldoende ruimte voor de corsogroepen, waarborgt voldoende afstand tot de meest nabije woningen en biedt een toekomstbestendige voortzetting van het cultureel erfgoed van het bloemencorso.
Conclusie Voorliggend plan is in lijn met het rijksbeleid.
3.4
Provinciaal beleid
3.4.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. Gezond en veilig. Dat = een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat = voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat = aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend. Dat = een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema's: Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio.
Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt daarentegen ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. Deze verordening is voor de laatste versie vastgesteld op 1 februari 2022. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
14
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
Met het plan worden zeven corsohallen gerealiseerd net buiten de kern Lichtenvoorde. Het plan raakt geen speifieke provinciale belangen, zoals volgend uit de kaartlagen van de Omgevingsvisie en verordening. De provincie Gelderland heeft de gemeente in oktober 2020 ter kennis gegeven, dat ze ruimte wil bieden aan een goede culturele infrastructuur, waardoor cultuur voor een breed publiek in alle Gelderse streken te beleven is. "Onze gedeputeerden juichen daarom toe dat de gemeente Oost Gelre, aan de zuidzijde van de waterzuivering aan de Boschlaan in Lichtenvoorde, een goede accommodatie wil realiseren voor het Bloemencorso Lichtenvoorde."
Conclusie Voorliggend plan is in lijn met het provinciaal beleid.
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Welstandsbeleid Oost Gelre 2017
Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren". Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven. Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
Het plangebied bevindt zich in het essenlandschap. Het Welstandsbeleid geeft de volgende aandachtspunten mee voor nieuwe initiatieven: Om de es een gordel van kleinschalige afwisseling van wonen, landbouw, recreatie- en andere bedrijvigheid, daaromheen een overgang naar de agrarisch gebruikte ontginningen; Bolle ligging van de gronden; Kleinschalig en kronkelende wegen; Hollewegen met steilranden, eikensingels en bosjes; Relatief veel zandpaden; Houtsingels / bosschages bij onregelmatige compacte erven. De bebouwing dient te voldoen aan bepaalde randvoorwaarden: Materiaal in samenhang met de bestaande bebouwing
toelichting (concept)
15
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
Bij grootschalige gebouwen wordt aandacht besteed aan het visueel verkleinen ervan ( geleding bouwmassa’s) Toepassing van damwand bij agrarische –bedrijfsbebouwing bij voorkeur in een donkere (antraciet of groen) kleurstelling (bij serrestallen donkere kleurstelling gebruiken) Geen glimmende materialen: gevel- en dakplaten zijn voorzien van profilering Buitenopslag een zo verscholen mogelijke ligging. Bijvoorbeeld achter een beplantingsstrook Rustige gedekte kleuren op grote vlakken, geen sterk met de omgeving contrasterende kleuren
Het plan tast de kernwaarden van het essenlandschap niet aan. Met name van belang in voorliggend geval is het visueel verkleinen van de grootschalige bebouwing. Dit wordt met name bereikt door toepassing van wallen en/of een bredere groenstrook. Met de nadere uitwerking van de gebouwen wordt rekening gehouden met het gereedschap uit het Welstandsbeleid. 3.5.2
Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre
De gemeente Oost Gelre heeft een Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen. De planlocatie behoort niet specifiek tot een bepaalde zone, maar bevindt zich nabij de recreatieve zone Oost Gelre. In dit beleidsstuk wordt meerdere keren teruggevallen op het evenementenbeleid. Het bloemencorso speelt hierin een grote rol, als zijnde cultureel erfgoed van de gemeente. Met dit plan wordt toekomstbestendige ruimte geboden voor het bouwen en ontmantelen van de wagens, waarmee een duurzame voortzetting van het evenement kan worden mogelijk gemaakt. 3.5.3
Evenementenbeleid
In Oost Gelre is evenementenbeleid (2008 en 2011) vastgesteld. In het beleid wordt aangegeven hoe evenementen georganiseerd moeten worden. Het doel is de veiligheid te waarborgen en overlast te voorkomen. Het bloemencorso is een evenement van categorie 3: bijzondere evenementen. Dit zijn evenementen met een hoger geluidproductieplafond dan kleinere elementen. Aan onder andere het bloemencorso wordt het stempel 'volksfeest' gegeven. Ze zijn belangrijk voor de sociale cohesie en de leefbaarheid in met name de kleine kernen. Het in stand houden van deze evenementen wordt gezien als een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Met de voorliggende ontwikkeling wordt ervoor zorg gedragen dat er een toekomstbestendige ruimte wordt geboden aan de corsogroepen om hun wagens op te bouwen en te ontmantelen. Zodoende wordt nadrukkelijk bijgedragen aan het in stand houden van het evenement. 3.5.4
Geluidsbeleid gemeente Oost Gelre
Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk. Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidbeleid ontwikkeld om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidaspect in bestemmingsplannen, vergunningen e.d. De Rijksoverheid treedt steeds verder terug om geluidzaken meer decentraal te laten regelen. De gemeente Oost Gelre grijpt deze kans om maatwerk te leveren: stilte beschermen waar mogelijk en geluidruimte te bieden waar nodig.
16
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde Het gemeentelijk geluidbeleid is gebiedsgericht beleid. Het gemeentelijk beleid is verdeeld in 10 akoestisch relevante gebiedstypen, zoals natuur, agrarisch gebied, woonwijken, centra en industrieterrein. Voor elk gebied is vastgesteld welke akoestische streef-, grens- en plafondwaarden gelden. Bij nieuwe activiteiten dient een geluidbelasting tussen streef en grenswaarden te ontstaan, waarbij streefwaarden de norm zijn. Alleen akoestisch uitzonderlijke situaties geven mogelijkheden geluidbelastingen tussen grens- en plafondwaarden aan te houden. Kortom, hoe verder de geluidbelasting boven de streefwaarden komt des te belangrijker wordt een goede motivatie van deze afwijking. Doel is immers om een gekozen akoestisch leefklimaat te realiseren, indien nodig ten koste van nieuwe (te luidruchtige) activiteiten. Waar meer geluidruimte is gegeven, zijn dus ook meer activiteiten mogelijk.
Voor een toetsing aan het aspect geluid wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 4.5.Hieruit volgt dat het aspect geluid geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 3.5.5
Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024
Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst. De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma (hoofdstuk 6) is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen.
Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma. Voor een toetsing aan het aspect verkeer wordt kortheidshalve verwezen naar de paragraaf 4.10. Hieruit volgt dat een nadere beschouwing niet nodig is.
Conclusie Voorliggend plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.
toelichting (concept)
17
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
Hoofdstuk 4 4.1
Onderzoeksresultaten
Watertoets
Wettelijk kader Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
18
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan. Toetsing Om de waterhuishoudkundige gevolgen van het plan in beeld te brengen is gebruik gemaakt van de digitale watertoets. Deze Watertoets is als bijlage 2 van deze toelichting terug te vinden. Daaruit blijkt dat het plan de normale procedure volgt. De initiatiefnemer dient in gesprek te gaan met het waterschap. Er zijn een paar aandachtspunten die belangrijk zijn: Het plangebied raakt de zonering van een persleiding, die het afvalwater naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie transporteert.
De grootte van deze zone is verschillend per persleiding en moet in de verbeelding van het bestemmingsplan opgenomen worden. Hieraan is vervolg gegeven; Er dient overleg plaats te vinden over de drainage en de manier om water af te voeren van het plangebied; Er dient te alle tijden verontreiniging van oppervlaktewater te worden voorkomen; Hemelwater wordt zo min mogelijk afgevoerd naar de afvalwaterzuivering. De afwatering zal plaatsvinden via de bestaande sloten.
Conclusie Met inachtneming van de voorzorgsmaatregelen, vormt het aspect water geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.2
Bodem
Wettelijk kader Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig. Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek.
toelichting (concept)
19
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde Toetsing In het kader van de onderzoeksplicht dient onder andere de bodemgesteldheid in het plangebied in kaart te worden gebracht. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Voor voorliggend plan is een verkennend asbest- en bodemonderzoek uitgevoerd (bijlage 3 van deze toelichting). Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: tijdens de veldwerkzaamheden zijn geen zintuiglijke afwijkingen in de bodem waargenomen; in de meest verdachte laag (slib) ter plaatse van de gedempte sloot zijn verhoogde gehalten arseen, cadmium en molybdeen aangetoond boven de achtergrondwaarde; in de bovengrond (klei) van grondmengmonster MMBG01, samengesteld op het noordelijk terreindeel, is een verhoogd gehalte arseen aangetoond boven de interventiewaarde en een verhoogd gehalte cadmium aangetoond boven de achtergrondwaarde.
Na uitsplitsing van dit mengmonster zijn in alle drie separate grondmonsters sterk verhoogde gehalten arseen aangetoond; in de bovengrond (zand) van grondmengmonster MMBG02, samengesteld van het noordelijk terreindeel, zijn verhoogde gehalten arseen en chroom aangetoond boven de tussenwaarde. Na uitsplitsing van dit grondmengmonster zijn matige en sterke verhoogde gehalten arseen aangetoond. De parameter chroom is sterk verhoogd aangetoond in boring 05-1 en PB02-1. In de overige boringen zijn licht verhoogde gehalten chroom aangetoond; in de bovengrond (zand) van grondmengmonster MMBG03, samengesteld van het overige terreindeel, is een verhoogd gehalte arseen aangetoond boven de achtergrondwaarde; organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB’s) zijn analytisch niet aangetoond in de bovengrond; in de ondergrond (zand) van grondmengmonster MMOG04, samengesteld van het overige terreindeel, zijn geen verhoogde gehalten aangetoond boven de achtergrondwaarde; in de ondergrond (zand) van grondmengmonster MMOG05 is een verhoogd gehalte arseen aangetoond boven de interventiewaarde. De overige parameters zijn niet verhoogd aangetoond. Na uitsplitsing van dit grondmengmonster op de parameter arseen is in boring 06-2 een sterk verhoogd gehalte aangetoond en in boring PB02-2 een matig verhoogd gehalte.
In de overige boringen zijn geen verhoogde gehalten arseen aangetoond boven de achtergrondwaarde. in het grondwater zijn verhoogde gehalten barium, naftaleen, nikkel en chroom aangetoond boven de streefwaarde. De overige geanalyseerde parameters zijn niet verhoogd aangetoond. Gezien de aanwezigheid van sterk verhoogde gehalten arseen en chroom op de locatie zal nader onderzoek plaatsvinden naar de verontreinigingen in horizontale richting om zo een actueel beeld te krijgen van de aanwezigheid van de verontreinigingen met arseen en chroom. Dit nader onderzoek zal in een later stadium plaatsvinden. Aangezien een corsohal geen hindergevoelige functie is kan bij voorbaat worden gesteld dat de verontreiniging geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan. De specifieke saneringsmaatregelen die genomen zullen worden, worden vervat in een BUS-melding, welke aan het bevoegd gezag wordt gemeld.
Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
20
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
4.3
Flora en Fauna
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland.
De GNN en GO kent formeel geen externe werking. Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.
toelichting (concept)
21
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde
Afbeelding Ligging Natura 2000-gebieden binnen de gemeente en in de omgeving, bron http://natura2000.eea.europa.eu/
Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4) dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.103.11). Toetsing Gebiedsbescherming Het besluitgebied ligt op circa 5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied Korenburgerveen. Er is voorzien in een stikstofberekening (welke als bijlage 4 is bijgevoegd bij deze toelichting). Uit de uitgevoerde berekening van de gebruiksfase blijkt dat er geen resultaten zijn boven de 0,00 mol/ha/j. Daarmee kunnen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd.
22
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde Het gebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland of belangrijk weidevogelgebied. Gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden is op voorhand uit te sluiten dat provinciale bescherming de uitvoering van het plan in de weg staat. Nadere onderzoek hiernaar wordt niet noodzakelijk geacht.
Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan natuurtoets uitgevoerd (welke als bijlage 5 is bijgevoegd bij deze toelichting). In het rapport staat aangegeven dat verstoring van een mogelijke nestlocatie van jaarrond beschermde vogelsoorten als boomvalk, buizerd, ransuil en sperwer, door de werkzaamheden in de bouwfase en eventueel bij de ingebruikname van de corsolocatie niet uit te sluiten is. In dat kader is voorzien in een aanvullend roofvogelonderzoek (welke als bijlage 6 is toegevoegd bij deze toelichting). Op basis van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: Op het naastgelegen terrein (RWZI aan de Boschlaan) is een nestlocatie van de buizerd aanwezig. Het realiseren en de ingebruikneming van de corsolocatie heeft geen negatieve gevolgen voor het functioneren van deze vaste rust- en verblijfplaats (nestlocatie). Daarnaast is geen sprake van verstoring van essentieel foerageergebied of de functionele omgeving van vaste rust- en verblijfplaatsen van de buizerd. Daarmee is geen sprake van overtreding van onder de Wet natuurbescherming geformuleerde verbodsbepalingen. Het aanvragen van een ontheffing voor de buizerd en het nemen van maatregelen ten gevolge van het realiseren en ingebruikneming van de corsolocatie is dan ook niet aan de orde.
Voor de boomvalk, ransuil en sperwer bevinden zich geen vaste rust- en verblijfplaatsen in het onderzoeksgebied. De geplande ontwikkeling heeft geen negatief effect op deze soorten. Door het uitvoeren van mitigerende maatregelen en de aanwezigheid van ruim voldoende alternatief foerageergebied in de directe omgeving van het plangebied hebben de voorgenomen werkzaamheden en de activiteiten geen significant negatief effect op vleermuizen. Er is dan ook geen sprake van een overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming voor deze soortgroep. Het aanvragen van een ontheffing voor vleermuizen is niet noodzakelijk.
Conclusie PM
4.4
Cultuurhistorie en archeologie
4.4.1
archeologie
Wettelijk kader De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving gaat over naar de Omgevingswet, wanneer deze naar verwachting in 2022 in werking treedt. Vooruitlopend op de datum van ingang van de Omgevingswet zijn deze artikelen te vinden in het Overgangsrecht in de Erfgoedwet, waar ze ongewijzigd van toepassing blijven zolang de Omgevingswet nog niet van kracht is. De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
toelichting (concept)
23
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient direct door te werken in het bestemmingsplan. Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld.
Toetsing
Uitsnede archeologische beleidsadvieskaart Oost Gelre met het plangebied blauw omkaderd Bron: archeologisch onderzoek RAAP
Uit de kaart blijkt dat deel van het plangebied twee archeologische waardes kent: hoge verwachting, waarschijnlijk goede conservering hoge verwachting, mogelijk goede conservering
24
toelichting (concept)
bestemmingsplan Bestemmingsplan Corsolocaties, Lichtenvoorde Een archeologisch onderzoek werd derhalve uitgevoerd (welke als bijlage 7 is bijgevoegd bij deze toelichting). Daaruit blijkt dat het plangebied relatief laag in het landschap ligt. Het heeft een bodemopbouw die kenmerkend is voor natte omstandigheden. In een groot deel van het plangebied is een bodemverstoring tot in de C horizont waargenomen. Hoewel de bodemopbouw in de noordwesthoek redelijk intact is (B- en/of B Chorizont van een laarpodzol in drie boringen), is de ondergrond in deze zone naar verwachting al grotendeels verstoord bij de aanleg van de warmtekabel, de werkzaamheden van de ruilverkaveling en het kanaliseren van de Hofbeek. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek kan de archeologische verwachting worden bijgesteld naar ‘laag’ voor alle perioden voor het gehele plangebied. Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied naar verwachting geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. 4.4.2
Cultuurhistorie
Wettelijk kader Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij de realisatie van ruimtelijke ontwikkelingen.
Toetsing In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen cultuurhistorische structuren aanwezig. Ook monumentale en/of rijksmonumenten zijn niet aanwezig. Zodoende zijn deze aspecten geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. Voorliggend plan draagt bij aan het versterken van de curltuurhistorie. De Corsocultuur staat namelijk sinds 16 decembre 2021 op de representatieve Lijst van het Immaterieel Cultuur Erfgoed van de Mensheid van UNESCO. Daarnaast staat het Bloemencorso Lichtenvoorde in de Inventaris Immaterieel Erfgoed Nederland. Die status verplicht om iedere twee jaar een borgingsplan op te stellen waarin wordt aangegeven wat wordt gedaan om het erfgoed voor de toekomst te behouden. Voorliggend plan draagt nadrukkelijk bij aan het toekomstbestendig houden van het Bloemencorso Lichtenvoorde door ruimte te bieden aan zeven corsogroepen voor hun werkzaamheden. Zodoende wordt bijgedragen aan het behoud van het immaterieel erfgoed.
Conclusie De aspecten cultuurhistorie en archeologie vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.5
Geluid
Wettelijk kader In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen. Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidsbeleid ontwikkeld, om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke.