bp brouwhuizen fase 2 toelichting
Tekst van het document
44
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2
Gebieden waar sprake is van een verhoogde milieubelasting kunnen een kleinere richtafstand rechtvaardigen. In voorliggend geval is sprake van een verhoogde milieubelasting door het nabijgelegen bedrijventerrein waar bedrijven tot milieucategorie 4.2 zijn toegestaan en de naastgelegen N18. Uit de uitgevoerde inventarisatie volgt dat de richtafstanden van diverse percelen in de omgeving van het plangebied reiken tot over de geprojecteerde bebouwing binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plan is sprake van functiemenging (waaronder wonen). De bedrijven zijn ingedeeld in de functiecategorieën A, B en C. Een nadere beschouwing van de directe omgeving van het plangebied leert dat de bedrijven geen belemmering zullen vormen voor de realisatie van het bouwplan. Verwezen wordt naar het akoestisch onderzoek industrielawaai en het geuronderzoek. Hierna zijn de richtafstanden behorende bij de gebiedstypen aangegeven. Milieucategorie
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied
1
10 m
0m
2
30 m
10 m
3.1
50 m
30 m
3.2
100 m
50 m
4.1
200 m
100 m
4.2
300 m
200 m
5.1
500 m
300 m
5.2
700 m
500 m
5.3
1.000 m
700 m
6
1.500 m
1.000 m
4.8.3
Situatie plangebied
4.8.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking).
4.8.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. Het voornemen ziet toe op het realiseren van 50 woningen. De functie 'wonen' is niet milieubelastend voor de omgeving. Er is geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat van omwonenden. 4.8.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies in de omgeving of dat de ontwikkeling leidt tot belemmeringen in de bedrijfsvoering van de bestaande functies. De dichtstbijzijnde milieubelastende functies in de omgeving betreffen de bedrijfsbestemmingen ten noorden en zuiden van het plangebied. Het dichtstbijzijnde milieubelastende functie betreft het VION
Toelichting (vastgesteld)
45
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 Slachthuis. Op basis van het gebiedstype 'gemengd gebied' geldt hiervoor een richtafstand van 200 meter (geur). Ten aanzien van het slachthuis is een geurnotitie opgesteld (Bijlage 10). In paragraaf 4.10 wordt hier nader op ingegaan. Daarnaast is voor het bedrijventerrein een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 5). In paragraaf 4.5 is hier nader op ingegaan. Ter plaatse van het plangebied is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. 4.8.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
4.9
Externe veiligheid
4.9.1
Wettelijk kader
Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.
Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. 4.9.2
Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid
De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten.
46
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2
4.9.3
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In afbeelding 4.3 is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode omlijning) en omgeving weergegeven.
Afbeelding 4.3: Uitsnede risicokaart externe veiligheid (Bron: Atlast leefomgeving) De provinciale weg N18 (Besluit en Regeling externe veiligheid transportrisico’s) Het plangebied ligt op een afstand van circa 90 meter van de provinciale weg N18. Deze weg heeft geen PR-plafond of plasbrandaandachtsgebied. Het GR-plafond bedraagt 9 m, gemeten vanaf het midden van de weg. Het plangebied ligt hiermee buiten het invloedsgebied van de weg Om te weten of ook een groepsrisico-berekening noodzakelijk is zijn eerst de vuistregels toegepast. Volgens de vuistregel in tabel 1-4 van het bijlagenrapport van het HART is bij een afstand van 90 meter tot de as van de weg en een vervoer van 870 GF3-transporten met een personendichtheid van meer dan 300 personen per hectare pas sprake van een groepsrisico dat hoger is dan 10% van de oriëntatiewaarde. In voorliggend geval geldt voor de N18 volgens Basisnet Weg een vervoershoeveelheid van 1000
Toelichting (vastgesteld)
47
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 GF3-transporten. In het plangebied is sprake van een gemiddelde personendichtheid van 30 personen per hectare (totaal worden er 50 woningen op vier hectare gerealiseerd) en de afstand tot de weg bedraagt 90 meter. Over de N18 rijdt veel minder GF3-transport, dus het groepsrisico ligt ruim onder de 10% van de oriëntatiewaarde. Er is geen aanvullende berekening, noch een GRverantwoording nodig (artikel 7 lid 2 van de Beleidsregels EV). 4.9.4
Conclusie
Het aspect 'externe veiligheid' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.10
Geur
4.10.1 Wettelijk kader Bij de realisatie van gevoelige bestemmingen, zoals woningen, is het van belang dat er een goed woonen leefklimaat gewaarborgd wordt. Daarom moet rekening worden gehouden met geurcontouren van bijvoorbeeld bestaande veehouderijen, maar ook andere geurproducerende industriële bedrijven. Hiervoor bieden het Activiteitenbesluit en de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) een toetsingskader. De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt vanaf 1 januari 2007 het toetsingskader voor de milieuvergunning, als het gaat om geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij geeft normen voor de geurbelasting die een veehouderij mag veroorzaken op een geurgevoelig object (bijvoorbeeld een woning). De geurbelasting wordt berekend en getoetst met het verspreidingsmodel V-Stacks vergunning. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij. Voor dieren zonder geuremissiefactor gelden minimaal aan te houden afstanden. De Regeling geurhinder en veehouderij is gepubliceerd op 18 december 2006. Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 De gemeenteraad van Oost Gelre heeft bij besluit van 12 maart 2008 de Verordening geurhinder en veehouderij gemeente Oost Gelre 2008 vastgesteld. Deze verordening is op 28 maart 2008 in werking getreden.
Daarbij zijn de bebouwde kommen van Groenlo, Lievelde en Vragender aangewezen als gedeelte van het gemeentelijk grondgebied waarvoor een andere geurnorm van toepassing is. Op grond van de verordening gelden de volgende waarden als maximale waarde voor de geurbelasting van een veehouderij: bebouwde kom van Groenlo: 5 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Lievelde: 7 odour units per kubieke meter lucht; bebouwde kom van Vragender: 7 odour units per kubieke meter lucht 4.10.2 Situatie plangebied Het plangebied ligt in de bebouwde kom van Groenlo. Het dichtstbijzijnde agrarisch bedrijf bevindt zich op een afstand van ruim 400 m van het plangebied. Tussen het plangebied en dit agrarisch bedrijf bevinden zich bestaande geurgevoelige objecten, in de vorm van woningen. De voorgenomen ontwikkeling belemmerd daarmee geen nabijgelegen agrarische bedrijven en verwacht kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ten noorden van het plangebied bevindt zich het bedrijventerrein. Op bedrijventerrein zijn bedrijven tot en met milieucategorie 4.2 toegestaan. Op het bedrijventerrein is het slachthuis Vion gelegen, welke een geurbelasting kan veroorzaken op het plangebied. Door M-Tech is een geurnotitie geschreven die ingaat op de geurbelasting op het plangebied en de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling voor Vion.
Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste resultaten uit de notitie. De complete notitie is bijgevoegd in Bijlage 10. Uit het actuele geuronderzoek blijkt dat Vion voornemens is een deel van de inrichting te verbouwen. Er
48
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 wordt een dak met emissiepunten verhoogd, er worden verschillende afvoerpunten aangesloten op de schoorsteen, er worden enkele uitpandige opslagen verplaatst en bedrijfstijden veranderen. Dit heeft invloed op diverse geurbronnen en emissies. De beoogde situatie is doorgerekend in het onderzoek van 2021. In afbeelding 4.4 is de actuele 98-percentiel contour voor de beoogde situatie opgenomen, evenals de vergunde 0,55 ouE/m3 contour.
Afbeelding 4.4 geurcontouren 98-percentiel voor beoogde situatie en vergunde situatie (geuronderzoek 2021) Uit de contouren blijkt dat de beoogde situatie leidt tot een verbetering van de geursituatie ten opzichte van de vergunde situatie. Conform het Provinciaal geurbeleid mag de 1,5 ouE/m3 geurcontour (grenswaarde) niet over objecten van categorie A “wonen” vallen. Uit bovenstaande afbeelding valt af te leiden dat het beoogde woningbouwplan buiten deze 1,5 ouE/m3 contour valt. Ook valt de 0,5 ouE/m3 contour (richtwaarde) niet over het woningbouwplan. Daarmee wordt ter plaatse van het woningbouwplan ruim voldaan aan de toetsingswaarden conform Provinciaal geurbeleid. De 0,55 ouE/m3 contour voor de beoogde situatie (blauwe lijn) verbetert ten opzichte van de vergunde situatie (zwarte lijn). In de nieuwe situatie valt deze contour niet meer over het beoogde woningbouwplan. Deze 0,55 ouE/m3 contour is in de vigerende vergunning opgenomen als toetsingskader. In het kader van een milieuneutrale wijziging blijft dit voorschrift behouden, echter kan de contour teruggebracht worden naar de blauwe lijn, zoals die is berekend in het actuele onderzoek, daar dit een goedgekeurd geuronderzoek betreft. Hierin is immers de representatieve bedrijfssituatie
Toelichting (vastgesteld)
49
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 voor de nieuwe vergunde situatie in beeld gebracht met bijbehorende emissies, waarin rekening is gehouden met voorgenomen veranderingen binnen de inrichting In aanvulling op bovenstaande is in het “Bestemmingsplan Bedrijventerreinen Oost Gelre” de regel opgenomen dat bedrijven ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 4.2' met een hindercontour voor geur en stof groter dan 200 meter niet zijn toegestaan ten zuiden van de weg Den Sliem. In het kader van de omgekeerde werking, betekent dit tevens dat binnen een afstand van 200 meter tot een dergelijk bedrijf geen woningen aanwezig zouden mogen zijn. Deze afstandsregel vormt daarmee een belemmering voor het woningbouwplan volgens de omgekeerde werking. De kortste afstand van de inrichting van Vion tot het woningbouwplan bedraagt circa 130 meter. Echter toont het geuronderzoek aan dat de geurcontour veel kleiner is dan 200 meter en niet over het woningbouwplan heen valt. Doordat ter plaatse van het woningbouwplan voldaan wordt aan de toetsingswaarden conform het Provinciaal geurbeleid en het plan buiten de huidige 0,55 ouE/m3 geurcontour is gelegen, kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het woningbouwplan het aspect geur vanwege de activiteiten van Vion geen belemmering zal vormen. Daarmee is er sprake van een aanvaardbaar geurhinderniveau.
4.10.3 Conclusie Het aspect geur vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
4.11
Verkeer en parkeren
4.11.1 Inleiding Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. Veelal wordt bij nieuwe ontwikkelingen het gemiddelde gehanteerd. 4.11.2 Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre De gemeente Oost Gelre beschikt over een eigen Nota Parkeernormen. De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma. In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen.
Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd. Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen. De basis voor deze Nota Parkeernormen is het ASVV 2012 (Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom) en publicatie 317 'Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering' van CROW - het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte. Op basis van het autobezit in Oost Gelre is ervoor gekozen om de gemiddelde CROW-parkeerkencijfers als uitgangspunt te hanteren. Bij de toekomstige werkwijze bij het aanvragen van een 50
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 omgevingsvergunning wordt de gemiddelde norm gehanteerd voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen. De normen zijn opgenomen in de nota. De parkeernormen zijn opgenomen per functie, onderverdeeld naar de stedelijke zones: centrum Groenlo en Lichtenvoorde, schil rond centrum Groenlo en Lichtenvoorde, rest bebouwde kom (overige gebieden binnen de bebouwde kom van Groenlo en Lichtenvoorde evenals de kernen Zieuwent, Mariënvelde, Harreveld, Vragender en Lievelde) en buitengebied. In de normering is rekening gehouden met een aandeel van bezoekers van 0,3 parkeerplaatsen per woning. In de nota zijn ook richtlijnen gegeven voor bijvoorbeeld maatvoering van de parkeerplaatsen en de locatie van de parkeerplaatsen. Verder is een ontheffingsmogelijkheid opgenomen. 4.11.3 Uitgangspunten In voorliggend geval is voor het aspect parkeren aangesloten bij de uitgangspunten van de Nota Parkeernormen Oost Gelre. Voor het aspect verkeersgeneratie is aangesloten bij de meest recente publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd. Verstedelijkingsgraad: Weinig stedelijk (bron Nota Parkeernormen Oost Gelre); Stedelijke zone: Rest bebouwde kom. 4.11.4 Situatie plangebied 4.11.4.1
Parkeren
Voorgenomen ontwikkeling gaat uit van een herontwikkeling naar woningbouw. In totaal worden er 50 woningen gerealiseerd. Hieronder is een overzicht opgenomen van de parkeerbehoefte in de gewenste situatie. Functie
Parkeernorm
Aantal
Parkeerbehoefte
Koop, vrijstaand
2,3
9
20,7
Koop, twee-onder-een-kap
2,2
10
22
Koop, tussen/hoek
2,0
12
24
Koop, etage, midden
1,9
13
24,7
Kleine eenpersoonswoning
0,7
6
4,2
Totaal
95,6
Voor de small houses zijn in de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre geen kencijfers opgenomen. Daarom is aangesloten bij de CROW-uitgave 'Toekomstbestendig parkeren' publicatie 381 (december 2018). In het bestemmingsplan is conform het facetbestemmingsplan parkeren uit 2018 een parkeerregeling opgenomen, waarin wordt verwezen naar de gemeentelijke Parkeernota of een rechtsopvolger daarvan. Expliciet is aangegeven dat ook een rechtsopvolger het kader kan vormen. Als de Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre wordt aangepast, dan vormt de opvolger daarvan het nieuwe toetsingskader. Uitgangspunt is parkeren op eigen terrein. Voor de vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen in het plangebied is dit mogelijk. Enkele woningen, met name tussenwoningen, small-house woningen en appartementen, hebben geen gelegenheid om op eigen terrein te parkeren. Hiervoor is parkeren in het openbaar gebied toegestaan. Binnen het plangebied worden hier voldoende parkeerplaatsen voor gerealiseerd om te kunnen voldoen aan de normen zoals opgenomen in de hierboven aangegeven Nota parkeernormen.
Toelichting (vastgesteld)
51
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2
4.11.4.2
Verkeersgeneratie en ontsluiting
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is uitgegaan van het gemiddelde. In voorliggend geval heeft het voornemen betrekking op 50 woningen. Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het project het volgende beeld: Functie
Verkeersgeneratie per Aantal woningtype per weekdag (gemiddelde)
Totaal aantal verkeersbewegingen per weekdag (gemiddelde)
Koop, vrijstaand
8,2
9
73,8
Koop, twee-onder-een-kap
7,8
10
78
Koop, tussen/hoek
7,4
12
88,8
Koop, etage, midden
6,0
13
78
Kamerverhuur, zelfstandig
2,1
6
12,6
Totaal
331,2
De totale verkeersgeneratie voor de voorgenomen ontwikkeling komt afgerond neer op gemiddeld 332 (afgerond) verkeersbewegingen per weekdagetmaal. De nieuw te realiseren woningen worden ontsloten op de Brouwhuis en Eibergseweg. Deze wegen zijn van voldoende omvang om deze verkeersgeneratie af te wikkelen.
4.11.5 Conclusie Geconcludeerd wordt dat de aspecten parkeren, verkeersgeneratie en ontsluiting geen belemmeringen opleveren als gevolg van voorliggend voornemen.
4.12
Besluit Milieueffectrapportage
4.12.1 Wettelijk kader De milieueffectrapportage is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in de integrale ruimtelijke afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: 1. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is; 2. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-plichtig zijn indien sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit de onderdelen C en D overschrijden en waarbij het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 3 (plannen). 3. Een bestemmingsplan kan m.e.r.-(beoordelings)plichtig zijn indien het bestemmingsplan wordt genoemd in kolom 4 (besluiten) en er sprake is van activiteiten en gevallen die de drempelwaarden uit onderdeel C en D overschrijden. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel C is in dit geval sprake van een m.e.r.-plicht. Bij een overschrijding van de drempelwaarden uit onderdeel D is het plan m.e.r.-beoordelingsplichtig. Op 1 april 2011 is het gewijzigde Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Een belangrijke wijziging betreft het indicatief maken van de drempelwaarden in onderdeel D van de bijlage bij het 52
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 Besluit milieueffectrapportage. Concreet betekent dit dat, ook wanneer ontwikkelingen onder de in bijlage D opgenomen drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er nog steeds van moet vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben, de zogenaamde 'vergewisplicht'. Het komt er op neer dat voor bestemmingsplan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen in onderdeel D en beneden de drempelwaarden vallen, een toets moet worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r.-beoordeling gehanteerd. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.(-beoordeling) plaatsvinden. 4.12.2 Situatie plangebied Artikel 2.8 van de Wet Natuurbescherming Het plangebied ligt op enige afstand van Natura 2000-gebied (ca. 5,8 kilometer). Uit de stikstofberekening (Bijlage 6) is gebleken dat de ontwikkeling niet leidt tot een toename van stikstofdepositie. Van een aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied is geen sprake.
Een passende beoordeling op basis van artikel 2.8 lid 1 van de Wet Natuurbescherming is in verband met deze ontwikkeling dan ook niet noodzakelijk. Er is daarom geen sprake van een m.e.r.-plicht op basis van artikel 7.2a van de Wet milieubeheer. Drempelwaarden Besluit m.e.r. Dit bestemmingsplan voorziet in de planologische kaders voor een herontwikkeling van het plangebied tot woonlocatie en voldoet daarmee aan de definitie van een ‘besluit’ als bedoeld in het Besluit m.e.r. Dit betekent dat dit bestemmingsplan m.e.r.-(beoordelings)plichtig is indien activiteiten worden mogelijk gemaakt die genoemd worden in onderdeel C of D van het Besluit m.e.r. en de daarin opgenomen drempelwaarden overschrijden. In dit geval is sprake van een ontwikkeling die niet wordt genoemd in onderdeel C van het Besluit m.e.r. en is daarom niet direct m.e.r.-plichtig. De beoogde ontwikkeling is opgenomen in de D-lijst van het Besluit milieueffectrapportage, namelijk: “De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen”. In voorliggend geval is sprake van de realisatie van in totaal 50 nieuwe woningen met bijbehorende voorzieningen. Hiermee blijft de ontwikkeling ruim onder de drempelwaarde van 2.000 woningen.
Echter, zoals ook in het voorgaande aangegeven, dient ook wanneer ontwikkelingen onder drempelwaarden blijven, het bevoegd gezag zich er van te vergewissen of activiteiten geen aanzienlijke milieugevolgen kunnen hebben. Gelet op de aard- en omvang van de voorgenomen ontwikkeling is het de vraag om er sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' als bedoeld in onderdeel D 11.2 van het Bestluit milieueffectrapportage. Uit jurisprudentie (ABRvS 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:694) volgt dat het antwoord op deze vraag afhankelijk is van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als de aard en de omvang van de voorziene ontwikkeling moet worden beoordeeld of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Niet relevant is of per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kunnen ontstaan. Voor de ontwikkeling is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. Uit deze aanmeldnotitie is gebleken dat ten gevolge van het plan geen significant negatieve effecten op de omgeving zullen optreden. Voor een uitgebreide beschrijving van de milieueffecten wordt verwezen naar de aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling, opgenomen in Bijlage 11 van deze toelichting. Het doorlopen van een m.e.r.-procedure is niet nodig.
Toelichting (vastgesteld)
53
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2
4.12.3 Conclusie De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan MER noodzakelijk maakt.
54
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische toelichting
Inleiding
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van het bestemmingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
5.2
Opzet van de regels
5.2.1
Algemeen
In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) die op 1 juli 2008 in werking is getreden, is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De digitaliseringsverplichting geldt vanaf 1 januari 2010. In de ministeriële Regeling standaarden ruimtelijke ordening is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen. Naast de SVBP zijn ook het Informatiemodel Ruimtelijke Ordening en de Standaard Toegankelijkheid Ruimtelijke Instrumenten normerend bij het vastleggen en beschikbaar stellen van bestemmingsplannen. De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van het bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012. De planologisch-juridische regeling in dit bestemmingsplan sluit zoveel mogelijk aan bij andere recente bestemmingsplannen van de gemeente Oost Gelre. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Inleidende regels; Bestemmingsregels; Algemene regels; Overgangs- en slotregels. 5.2.2
Inleidende regels
Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: Begrippen (Artikel 1) In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen. Hiermee is een eenduidige interpretatie van deze begrippen vastgelegd. Wijze van meten (Artikel 2) Dit artikel geeft op een eenduidige manier aan op welke wijze afstanden, dakhellingen en oppervlakten moeten worden gemeten en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. 5.2.3
Bestemmingsregels
Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de in het plangebied voorkomende bestemmingen. De regels zijn onderverdeeld in:
Toelichting (vastgesteld)
55
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2
Bestemmingsomschrijving: Hierin is de omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan binnen deze bestemming opgenomen. Hierbij gaat het in beginsel om een beschrijving van de aan de grond toegekende functies. Bouwregels: In deze regels zijn eisen opgenomen waaraan de binnen de bestemming voorkomende bebouwing aan moet voldoen. Waar en met welke maatvoering mag worden gebouwd is hierin vastgelegd. Afwijken van de bouwregels (indien van toepassing): Op basis van deze regels hebben burgemeester en wethouders de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van de bouwregels in het plan. Nadere eisen (indien van toepassing): In de nadere eisen is bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van het elders het betreffende artikel bepaalde, nadere eisen kunnen stellen aan bebouwing. 5.2.4
Algemene regels
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: Anti-dubbeltelregel (Artikel 9) Deze regel is opgenomen om een ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen. Deze verdichting kan zich bijvoorbeeld voordoen, indien een perceel of een gedeelte daarvan, meer dan één keer betrokken wordt bij de berekening van een maximaal bebouwingspercentage. Algemene bouwregels (Artikel 10) In dit artikel worden de algemene bouwregels beschreven inzake ondergronds bouwen, het overschrijden van bouwgrenzen en afwijkingsbevoegdheden. Algemene gebruiksregels (Artikel 11) In dit artikel worden het verboden gebruik in dit bestemmingsplan geregeld. Algemene afwijkingsregels (Artikel 12) In dit artikel worden de algemene afwijkingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om op ondergeschikte punten van de regels in het bestemmingsplan af te wijken. Algemene wijzigingsregels (Artikel 13) In dit artikel worden de algemene wijzigingsregels beschreven. Deze regels maken het mogelijk om het plan in geringe mate aan te passen. Het gaat hierbij om bestemmings- of bouwgrenzen of het bouwen van gebouwen van openbaar nut. Parkeerregelgeving (Artikel 14) In dit artikel is regelgeving opgenomen omtrent parkeren conform de nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre, dan wel haar rechtsopvolger. 5.2.5
Overgangs- en slotregels
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangs- en slotregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan. In de slotregel wordt aangegeven hoe het bestemmingsplan wordt genoemd.
56
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2
5.3
Verantwoording van de regels
Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld. 'Groen-1' (Artikel 3) Deze bestemming is toegekend aan de openbare gronden in het plangebied.De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor groenvoorzieningen, waterlopen, waterberging en waterinfiltratievoorzieningen. De bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 3 m bedragen. In het geval dat er sprake is van het bouwen van bouwwerken, geen gebouw zijnde. 'Tuin' (Artikel 4) De gronden tussen de bouwvlakken en de verkeersbestemming zijn bestemd als 'Tuin'.
De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, in- en uitritten en uitbouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 'Verkeer - Verblijfsgebied' (Artikel 5) De ontsluitingsweg en parkeervoorzieningen in het plangebied hebben deze bestemming gekregen. De aangewezen gronden zijn bestemd voor hoofdzakelijk wegen, straten en pleinen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen en fietsenstallingen. 'Leiding - Hoogspanning' (Artikel 7) Ten oosten van het plangebied loopt een trace met elektriciteitskabels, hiervoor is een dubbelbestemming opgenomen. De voor 'Leiding - Hoogspanning' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van hoogspanningsleidingen. 'Leiding - Riool' (Artikel 8) In het noorden van het plangebied loopt een persleiding van het waterschap. Ter bescherming van deze waterleiding is de bestemming 'Leiding - Riool' opgenomen. De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg en instandhouding van rioolleidingen. 'Wonen-1' (Artikel 6) Ter plaatse van de woonpercelen is de bestemming 'Wonen-1' opgenomen.
Gronden met deze bestemming zijn onder meer bestemd voor het wonen en tevens voor het uitoefenen van een aan huis gebonden beroep met daarbij behorende tuinen en erven, voorzieningen van algemeen nut, parkeervoorzieningen, waterlopen en waterpartijen en gebouwen, geen gebouwen zijnde. Ten aanzien van de bouwregels is onderscheid gemaakt tussen hoofdgebouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde. Hoofdgebouwen dienen binnen een bouwvlak te worden gebouwd. Middels een aanduiding is aangegeven of er een vrijstaande, twee-aaneen, aaneengebouwde of gestapelde woning mag worden
Toelichting (vastgesteld)
57
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 gebouwd.
58
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2
Hoofdstuk 6
Uitvoerbaarheid
6.1
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
6.1.1
Algemeen
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Ter voldoening hieraan wordt het concept-ontwerpbestemmingsplan toegestuurd aan de vooroverlegpartners. Hieronder worden de reacties uit het vooroverleg weergegeven. 6.1.2
Provincie Gelderland
In dit geval gaat het om een ontwikkeling met een provinciaal belang. Op basis van artikel 2.2 van de provinciale omgevingsverordening, instructieregel bestemmingsplan doorwerking regionale woonagenda, moet een bestemmingsplan dat nieuwe woningen mogelijk maakt voldoen aan de regionale woonagenda. In deze woonagenda is opgenomen dat ontwikkelingen met meer dan 20 woningen moeten voldoen aan de regeling. Bij afwijken moet dit afgestemd worden en volgt er een zorgvuldige onderbouwing. In paragraaf 3.4 is reeds onderbouwd hoe en waarom afgeweken wordt van de regionale woonagenda en daarmee artikel 2.2 van de provinciale omgevingsverordening. In deze paragraaf wordt een zorgvuldige onderbouwing gegeven, waarmee aangetoond wordt dat de voorgenomen ontwikkeling geen provinciale belangen schaadt. 6.1.3
Waterschap Rijn en IJssel
Het waterschap Rijn en IJssel is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording hiervan heeft er toe geleid dat de zogenaamde 'normale procedure' van toepassing is. Op basis van de locatie en gegeven antwoorden blijkt dat waterschapsbelangen worden geraakt. De bij het plan behorende watertoetsresultaat is opgenomen in Bijlage 4 bij deze toelichting. De plannen zijn nadien besproken met het waterschap. In dit geval is specifiek voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling een uitgebreide waterparagraaf opgesteld waarin nadrukkelijk wordt ingegaan op de wateraspecten. Voor de volledige waterparagraaf wordt verwezen naar 4.3 bij de toelichting. 6.1.4
Zienswijzen
In het kader van het vaststellen van een bestemmingsplan heeft het ontwerpbestemmingsplan “Brouwhuizen fase 2” met ontwerpbesluit hogere grenswaarde en het ontwerp beeldkwaliteitsplan van 7 juli 2023 tot en met 17 augustus 2023 voor een ieder ter inzage gelegen. Naar aanleiding van het ter inzage leggen van de stukken zijn twee zienswijzen ontvangen. Deze zienswijzen zijn binnen de gestelde termijn (ontvankelijkheidstoets) ingediend. Er zijn twee zienswijzen ingediend. In de zienswijzennota in Bijlage 12 worden de zienswijzen behandeld. In Bijlage 12 wordt ook ingegaan op de ambtshalve aanpassingen en aanpassingen naar aanleiding van de zienswijzen. Hierna worden kort de wijzigen naar aanleiding van de zienswijze beschreven en de ambtshalve wijzigingen. Naar aanleiding van de zienswijzen is de planverbeelding gewijzigd en is artikel 7 'Leiding Hoogspanning gewijzigd. Naast de aanvullingen die plaatsvinden op basis van de zienswijzen, worden ook ambtshalve wijzigingen doorgevoerd. De wijzigingen hebben betrekking op hoofdstuk 3 van de toelichting, specifiek 3.3.2, het regionale beleid en gemeentelijk beleid. Verder is de stikstofberekening geactualiseerd. Tot slot zijn enkele regels gewijzigd wegen onvolledigheden of discrepanties. De
Toelichting (vastgesteld)
59
bestemmingsplan Brouwhuizen fase 2 wijzingen in de regels worden hieronder per algemeen artikel genoemd. Artikel 1, Begrippen: 1. artikel 1.35 ‘Onderbouw’ geschrapt; Artikel 2, Wijze van meten: 1. artikel 2.2 ‘de (bouw)hoogte van een bouwwerk’: aangepast zodat schijnkappen met een maximum van 2 meter niet meer een ondergeschikt bouwdeel zijn; Artikel 3, Groen – 1: 1. artikel 3.2.3 ‘Bouwwerken, geen gebouwen zijnde’: aangepast zodat er een beter onderscheid is tussen speeltoestellen en zaken als verlichtingsmasten, vlaggenmasten, ballenvangers, et cetera; Artikel 4, Tuin: 1. artikel 4.2.1 ‘Algemeen’: uitgebreid met verplichte toetsing van bouwwerken aan het beeldkwaliteitsplan; 2. artikel 4.2.2 ‘Bouwen uitbouwen’: toegevoegd, zodat ook erkers en dergelijke constructies mogelijk zijn bij woningen grenzend aan een tuinbestemming; 3. artikel 4.3.1 onder a. ‘Bouwen overkapping’: in overeenstemming gebracht met de regeling onder Wonen, artikel 6.2.3 onder c.; 4. artikel 4.3.1 onder c. ‘Bouwen overkapping’: aangepast zodat deze meer in overeenstemming is met de soortgelijke regeling welke geldt onder Wonen, artikel 6.2.3 onder e.; Artikel 6, Wonen – 1: 1. artikel 6.2.1 ‘Algemeen’ uitgebreid met verplichte toetsing van bouwwerken aan het beeldkwaliteitsplan; 2. artikel 6.2.3 onder e. ‘Bijbehorende bouwwerken’ is aangepast zodat deze beter leesbaar is.; Algemeen: 1.
tot slot zijn wijzigingen in nummering van artikelen en verwijzingen naar artikelen doorgevoerd voor zover voorgaande wijzigingen hier invloed op hadden. Het bestemmingsplan wordt gewijzigd vastgesteld.
6.2
Economische uitvoerbaarheid
Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is.
60
Toelichting (vastgesteld)
bezoek Varsseveldseweg 2 7131 BJ Lichtenvoorde post Postbus 17 7130 AA Lichtenvoorde telefoon (0544) 39 35 35 fax (0544) 37 29 69 e-mail gemeente@oostgelre.nl internet www.oostgelre.nl