CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp bommelwereld toelichting bijlage 8 voortoets stikstofdepositie

Gemeenteraad 22 februari 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Bommelwereld en ruimtelijk kwaliteitskader Bommelwereld4.776 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld Gemeente Oost Gelre

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

1

Gegevens over het plan: Plannaam: Datum: Projectnummer Buro SRO:

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld 30-03-2021 85.20.01

Gegevens projectbetrokkenen: Opdrachtgever:

Marveld recreatie

Gegevens Buro SRO: Projectleider Buro SRO: Bezoekadres vestiging Arnhem: Telefoon: E-mail: Internet:

Dhr Maarten Geerts Sweerts de Landasstraat 50 6814 DG te Arnhem 026 – 35 23 125 arnhem@buro-sro.nl www.Buro-SRO.nl

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

2

Inhoudsopgave Hoofdstuk 1

Inleiding ................................................................................................................................. 5

1.1

Doelstelling onderzoek .......................................................................................................................... 5

1.2

Projectbeschrijving ................................................................................................................................ 5

1.3

Maatgevende Natura 2000-gebieden.................................................................................................... 6

Hoofdstuk 2

Wettelijk kader ...................................................................................................................... 7

2.1

Landelijke wet- en regelgeving .............................................................................................................. 7

2.2

Voortoets ............................................................................................................................................... 7

2.3

Passende beoordeling ........................................................................................................................... 8

Hoofdstuk 3

Berekeningssystematiek ......................................................................................................... 9

3.1

Gebruikt rekenmodel............................................................................................................................. 9

3.2

Input rekenmodel .................................................................................................................................. 9

3.2.1 Huidig gebruik ........................................................................................................................................ 9 3.2.2 Toekomstig gebruik .............................................................................................................................. 11 3.2.3 Aanlegfase ............................................................................................................................................ 11 Hoofdstuk 4

Resultaten berekening .......................................................................................................... 14

4.1 Huidig gebruik ............................................................................................................................................. 14 4.2 Gebruiksfase ................................................................................................................................................ 17 4.3 Aanlegfase ................................................................................................................................................... 18 Hoofdstuk 5

Conclusies ............................................................................................................................. 21

Bijlagen

.............................................................................................................................................. 23

Bijlage 1: NOx emissie als gevolg van gasverbruik ............................................................................................ 25 Bijlage 2: Toelichting uitgangspunten aanlegfase ............................................................................................. 27 Bijlage 3: AERIUSberekening toekomstig gebruik ............................................................................................. 29 Bijlage 4: AERIUSberekening aanlegfase ........................................................................................................... 31

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

3

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

4

Hoofdstuk 1 1.1

Inleiding

Doelstelling onderzoek

Het voornemen bestaat om bij het verblijfsrecreatiepark Marveld aan de N18 in Groenlo de dagrecreatieve voorziening ‘Bommelwereld’ te realiseren. Hiervoor wordt het bestemmingsplan gewijzigd. Doel van dit onderzoek is toetsing van mogelijke (negatieve) effecten op Natura 2000-gebieden, als gevolg van de activiteiten die het bestemmingsplan mogelijk maakt, aan de Wet natuurbescherming. Ten behoeve van een voortoets in het kader van de Wet natuurbescherming is de toekomstige gewenste situatie gemodelleerd op basis van de aangeleverde gegevens door de opdrachtgever, ervaringscijfers en kengetallen. De depositie is op de omliggende Natura 2000-gebieden berekend en getoetst of het plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000gebieden. Voorliggende rapportage geeft een overzicht van de gehanteerde uitgangspunten en rekenmethodiek, de berekende resultaten en de conclusie.

1.2

Projectbeschrijving

Het plangebied is gelegen aan de N18 te Groenlo. Onderstaande afbeelding toont de ligging van het plangebied in de omgeving.

Ligging van het plangebied In het gebied zijn in de huidige situatie een tuincentrum, een manege en twee woningen aanwezig. Deze worden gesloopt om ruimte te maken voor het initiatief. Met het initiatief zal een indoor attractiepark van ca. 10.000 m2 worden gerealiseerd. Daarnaast wordt ca. 15.000 m2 aan nieuwe verharding aangelegd om de parkeerplaats en paden door het gebied te realiseren. Ten slotte zal de inrichting van de openbare ruimte worden aangepast, waarbij een nieuwe watergang zal worden gegraven en de grond voor de ingang van de indoor speeltuin zal worden verhoogd.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

5

Schetsontwerp toekomstige situatie

1.3

Maatgevende Natura 2000-gebieden

Voor het uitvoeren van de stikstofdepositieberekening moet rekening gehouden worden met Natura 2000gebieden. AERIUS toetst automatisch aan alle Natura 2000-gebieden in Nederland en aan nabijgelegen buitenlandse Natura 2000-gebieden. Het meest nabijgelegen en maatgevende Natura 2000-gebied voor dit project is het gebied Korenburgerveen. Deze ligt op een afstand van ca. 5 km van het project. Op de afbeelding hieronder zijn het plangebied en de betreffende Natura 2000-gebieden weergegeven.

Ligging plangebied in relatie tot de maatgevende Natura 2000-gebieden

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

6

Hoofdstuk 2 2.1

Wettelijk kader

Landelijke wet- en regelgeving

In het kader van de toets aan de Wet Natuurbescherming wordt bepaald of een project of plan (mogelijke) significant negatieve effecten veroorzaakt op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Voor plannen en projecten dient middels een voortoets, eventueel gevolgd door een passende beoordeling, getoetst te worden of het plan mogelijk significant negatieve effecten kan hebben op gevoelige habitattypen die gelegen zijn binnen omliggende Natura 2000-gebieden. De beoordeling van plannen, projecten en andere handelingen is uitgewerkt in paragraaf 2.3 van de Wet natuurbescherming. Met het verdwijnen van het Programma Aanpak Stikstof is de ontwikkelingsruimte en standaard grenswaarde voor projecten niet meer beschikbaar. Op 16 juni 2020 hebben provincies de geldende beleidsregels voor intern en extern salderen vastgesteld. Dit vormt het nieuwe beleid op basis waarvan de vergunningverlening binnen de Wet natuurbescherming met betrekking tot stikstofdepositie plaatsvindt.

2.2

Voortoets

Een voortoets heeft tot doel te onderzoeken of er sprake kan zijn van significante gevolgen voor beschermde Natura 2000 gebieden. De significantie van de gevolgen voor een gebied als gevolg van een plan worden afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. De instandhoudingsdoelstellingen zijn neergelegd in het aanwijzingsbesluit en zijn uitgewerkt in het beheerplan voor dat gebied. Wanneer een plan of project gevolgen heeft voor het gebied, maar de instandhoudingsdoelstellingen daarvan niet in gevaar brengt, zijn significante gevolgen uitgesloten. Bij de voortoets wordt bekeken of het bestemmingsplan afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben. In hoeverre stikstofdepositie voor significante gevolgen op Natura 2000-gebieden kan zorgen, wordt in eerste instantie bepaald door te bezien of de ontwikkelingen die het plan mogelijk maakt tot een toename van stikstofdepositie leiden. Hierbij mag een vergelijking worden gemaakt met het bestaande gebruik binnen het project zelf (intern salderen) of mag met het stoppen van een stikstofuitstotende activiteit elders worden gecompenseerd (extern salderen).

Van plannen die ten opzichte van de feitelijke situatie geen toename van de stikstofdepositie veroorzaken op Natura 2000-gebieden met stikstofgevoelige habitats waarvan de Kritische Depositie Waarde (KDW) wordt overschreden, zijn significante gevolgen met zekerheid uit te sluiten. In dat geval hoeft geen passende beoordeling te worden opgesteld. Wanneer sprake is van een berekende toename van stikstofdepositie kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol/ha/jr valt deze binnen de jaarlijkse fluctuatie van stikstofdepositie. Ecologische effecten van een dermate geringe toename zijn in het veld niet meer proefondervindelijk meetbaar, zeker niet op afstanden van meer dan 10 km. Bij een dergelijke geringe toename kan een aantasting van de natuurlijke kenmerken van stikstofgevoelige habitattypen met zekerheid worden uitgesloten. De hoeveelheid stikstofdepositie die met deze toename gepaard gaat heeft geen ecologische betekenis voor de betreffende vegetatie, omdat de hoeveelheid stikstof (N) plantenfysiologisch irrelevant is. Een dergelijke lage bijdrage is, in verhouding tot een achtergrondwaarde van 1.500 tot 2.000 mol N/ha/jaar, de in de bodem aanwezige voorraden van doorgaans meer dan enkele duizenden mol N/ha en de feitelijke stikstofbehoefte van de habitattypen, verwaarloosbaar.

De 12 provincies hebben daarom bepaald dat een project met alléén kleine tijdelijke deposities in de aanlegfase kleiner dan of gelijk aan 0,05 mol N/ha/jaar gedurende maximaal 2 jaar (of een equivalent hiervan) in beginsel niet vergunningplichtig is voor het aspect stikstofdepositie.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

7

In het geval uit de voortoets blijkt dat:  de ontwikkeling wel kan leiden tot een toename van stikstofdepositie op één of meer in het kader van Natura 2000 beschermde stikstofgevoelige habitat;  van deze habitats de KDW al wordt overschreden of door de toename van de stikstofdepositie kan worden overschreden; dient een volgende stap gezet te worden. Op dat moment wordt door middel van een ecologische voortoets onderzocht of ecologische significante effecten uitgesloten kunnen worden. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om kleine deposities en/of deposities voor een korte tijd. Mocht dat laatste ook niet het geval zijn dan is een passende beoordeling noodzakelijk.

2.3

Passende beoordeling

Wanneer een plan significante negatieve gevolgen kan hebben, moet het bestuursorgaan ingevolge de Wet natuurbescherming een passende beoordeling opstellen vóórdat het plan kan worden vastgesteld. Deze passende beoordeling moet de zekerheid geven dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende gebied niet worden aangetast. Het bestemmingsplan zal rekening moeten houden met de in het aanwijzingsbesluit voor het betrokken gebied vastgestelde instandhoudingsdoelstellingen en de wijze waarop deze zijn uitgewerkt in het voor het gebied vastgestelde beheerplan. Als het bevoegd gezag (in veel gevallen Provinciale Staten) op grond van de passende beoordeling niet de vereiste zekerheid heeft verkregen dat een plan de natuurlijke kenmerken niet zal aantasten, kan het plan in beginsel niet worden vastgesteld. Dat is alleen anders als er geen alternatieve oplossingen beschikbaar zijn, sprake is van dwingende redenen van openbaar belang en compenserende maatregelen worden getroffen, dan kan een plan toch worden vastgesteld.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

8

Hoofdstuk 3 3.1

Berekeningssystematiek

Gebruikt rekenmodel

In deze voortoets is gerekend met de AERIUS Calculator. De rekenkern van AERIUS wordt gevormd door het Operationeel Prioritaire Stoffen model (OPS) van het RIVM. Dit model berekent de verspreiding van stikstof door de lucht en de depositie. OPS houdt daarbij rekening met verschillende factoren die de verspreiding en depositie van stikstof beïnvloeden, bijvoorbeeld de windrichting en -kracht, de ruwheid van het terrein en de hoogte van de vegetatie. Voor wegverkeer wordt gebruikt gemaakt van Standaard Rekenmethode 2 (SRM2). Daarmee sluit AERIUS aan op de modellering in het Nationaal Samenwerkingsverband Luchtkwaliteit.

3.2

Input rekenmodel

Belangrijk voor elk rekenmodel is de kwaliteit van de input. In deze paragraaf wordt voor elk onderdeel de bijbehorende uitgangspunten beschreven en onderbouwd.

3.2.1 Huidig gebruik De provincie Gelderland heeft in haar Beleidsregels intern en extern salderen bepaald onder welke voorwaarden er intern gesaldeerd mag worden met het bestaande gebruik in het plangebied. In artikel 5 is beschreven dat er toestemming moet zijn voor de stikstofuitstoot veroorzakende activiteit in de referentiesituatie. In Artikel 1 sub g en sub l is bepaald wat er wordt verstaan onder de ‘referentiesituatie’ en onder ‘toestemming’. Onderstaand zijn deze regels opgenomen. Artikel 5 sub 1: Een activiteit mag alleen worden ingezet ten behoeve van intern salderen voor zover er een toestemming was voor de N-emissie veroorzakende activiteit in de referentiesituatie en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest of nog kan zijn tot het moment van intrekking of wijziging van de toestemming, zodat hervatting van de activiteit mogelijk was zonder dat daarvoor een natuurvergunning of omgevingsvergunning, onderdeel bouwen, is vereist. Artikel 1 sub g: referentiesituatie: toestemming als bedoeld in sub l, onder 1°, 3° en 4°, of bij gebrek daaraan een op de Europese referentiedatum aanwezige toestemming als bedoeld in sub m, onder 2° en 5° waarbij de laagst toegestane depositie vanaf de referentiedatum geldt; Artikel 1 sub l: toestemming: 1. onherroepelijke vigerende natuurvergunning; of 2.

onherroepelijke vigerende vergunning dan wel geldende melding op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht onderdeel milieu, de Wet milieubeheer of de Hinderwet; of 3. een activiteit waarvoor geen natuurvergunning nodig was, maar die wel voldoet aan artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming; of 4. een activiteit die onder artikel 9.4, achtste lid van de Wet valt; of 5. een activiteit die op de Europese referentiedatum was toegestaan en die sindsdien onafgebroken aanwezig is geweest; Voor het berekenen van de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling op de beschermde natuurgebieden is het noodzakelijk het bestaande en toegestane gebruik te modeleren. Hiervoor geldt als peildatum de datum van het definitieve aanwijzingsbesluit van het desbetreffende Natura 2000-gebied of diens voorganger Vogelrichtlijngebied of Habitatrichtlijngebied. In navolgende tabel is voor elk natuurgebied dat relevant is voor deze voortoets stikstofdepositie het vaststellingsbesluit gegeven.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

9

Naam gebied Afstand tot het plangebied Korenburgerveen 5,0 km Buursezand en Haaksbergerveen 11,5 km Bekendelle 11,5 km Witte veen 19,0 km Maatgevende Natura 2000 gebieden

Datum aanwijzing 07-12-2004 07-12-2004 07-12-2004 07-12-2004

Van bovenstaande gebieden wordt in dit rapport in beeld gebracht wat de bijdrage van de voorgenomen ontwikkeling is op de stikstofdepositie. Gasverwarming In het plangebied zijn vier functies aanwezig die zullen verdwijnen als gevolg van het initiatief, een tuincentrum, een manege en twee woningen. Op basis van de gegevens voor het gasverbruik van de bestaande functies in 2019 en 2020 is de emissie NOx per jaar van deze berekend. Deze berekening is opgenomen in bijlage 1. Dit leidt tot de volgende stikstofemissie per bron Bron Manege Tuincentrum Woning Maarsevonder 1 Woning Maarsevonder 2

Gasverbruik in m3 119 46.823 859 2961

NOx emissie (kg/j) 0,0962115 37,8563955 0,6945015 2,3939685

Manege In het plangebied is aan de Maarsevonder 2 een manege aanwezig, waar 32 paarden worden gehouden. De emissie NH3 van deze dieren is ingevoerd in het model op basis van de RAV code. Voor volwassen paarden is dit de code K1.100. Verkeersbewegingen In deze berekening worden de verkeersbewegingen van de vier genoemde functies opgenomen. Voor het initiatief is de ‘Memo parkeren en verkeer Bommelwereld’ opgesteld, waarin onder andere het verwachte aantal verkeersbewegingen is berekend. In deze voortoets worden de gegevens uit deze memo overgenomen. Voor de manege wordt uitgegaan van 96 verkeersbewegingen per dag, waarvan 86 bestaan uit licht verkeer en 10 uit middelzwaar verkeer. Voor het tuincentrum worden 532 verkeersbewegingen per dag opgenomen, waaronder 478 lichte verkeersbewegingen, 44 middelzware verkeersbewegingen en 10 zware verkeersbewegingen. Voor de twee woningen zijn bij iedere woning 8,2 verkeersbewegingen van licht verkeer per dag opgenomen. Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de woning tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeer. In dit geval gaan de verkeersbewegingen op in het algemene verkeer op de Maarsevonder op het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen.

De functie van het plangebied is gebaseerd op de opgave van de initiatiefnemer en gecontroleerd met behulp van luchtfoto’s en indien van toepassing de aanwezige vergunningen. Waar geen uitstootgegevens beschikbaar waren is aansluiting gezocht bij de input die ook gebruikt is voor het rekenmodel AERIUS.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

10

3.2.2 Toekomstig gebruik Verkeersbewegingen Met betrekking tot het beoogde plan is het van belang te kijken naar de verwachte toename van het aantal verkeersbewegingen. opgenomen. Voor het initiatief is de ‘Memo parkeren en verkeer Bommelwereld’ opgesteld, waarin onder andere het verwachte aantal verkeersbewegingen is berekend. In deze voortoets worden de gegevens uit deze memo overgenomen. In deze memo wordt een worst case scenario genoemd van 584 bezoekers per dag. Daarnaast wordt aangenomen dat dagelijks gemiddeld 10 medewerkers met de auto naar de indoorspeeltuin reizen, wat 20 extra verkeersbewegingen veroorzaakt, voor een totaal van 604 verkeersbewegingen per dag. Deze verkeersbewegingen bestaan geheel uit licht verkeer. Daarnaast wordt het indoor attractiepark regelmatig bevoorraad. Dit leidt tot 8 lichte verkeersbewegingen per dag en 2 zware verkeersbeweging per dag. Ten slotte wordt in de memo rekening gehouden met onverwachte bezoekers van het attractiepark en bezoekers van de nabije binnenstad die gebruik maken van deze parkeerplaats. Hiervoor wordt rekening gehouden met 138 lichte verkeersbeweegingen per dag. In deze voortoets wordt rekening gehouden met het worst case scenario, en wordt 100% van deze verkeersbewegingen meegenomen in de verwachte verkeersbewegingen per dag.

Dit leidt tot een totale verkeersgeneratie van 850 lichte verkeersbewegingen en 2 zware verkeersbewegingen. Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de woning tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeer. In dit geval gaan de verkeersbewegingen op in het algemene verkeer op de Maarsevonder op het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen. Overige bronnen Het indoor attractiepark zal met gas worden verwarmt. Voor het pand is berekend dat jaarlijks 56.269 m3 gas zal worden verbruikt om deze te verwarmen. Op basis van dit gasverbruik is de stikstofuitstoot berekend (zie bijlage 1). Uit deze berekening volgt dat de verwarming van het pand zorgt voor een uitstoot NOx van 45,5 kg/j. Deze uitstoot is op de locatie van het pand ingevoerd in het model, zowel in de bestaande als de toekomstige situatie.

3.2.3 Aanlegfase Naast het toekomstig gebruik is ook de stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase van het project van belang. Bij de realisatie van het initiatief zijn gedurende korte tijd werktuigen en machines van de bouwer in het plangebied aanwezig. Ook de verkeersbewegingen van de werklieden van en naar de bouwplaats geven een korte toename van stikstof emissie. Van een deel van de machines (handgereedschap, snelbouwkranen, liften) wordt ervan uit gegaan dat deze elektrisch zijn en dus geen stikstofuitstoot veroorzaken. Voor de daadwerkelijke aanleg is nog geen bestek gemaakt. Daarom is er op basis van vergelijkbare projecten en ervaringen elders een zo goed mogelijke raming gemaakt van de activiteiten die zorgen voor stikstofuitstoot tijdens de aanlegfase. In deze berekening is ervan uitgegaan dat de aanlegfase van het project maximaal 2 jaar duurt. Mobiele werktuigen Er zijn mobiele werktuigen nodig voor het realiseren van het initiatief. Voor het invoeren van de mobiele werktuigen is een inschatting gemaakt van de STAGE klassen van de werktuigen, het brandstofverbruik, het aantal uren dat een werktuig stationair draait en de cilinderinhoud, waarmee de uitstoot NOx en NH3 door AERIUS is bepaald. Het brandstofverbruik is bepaald op basis van een inschatting van het totale aantal draaiuren (belast en stationair) van het werktuig.

De uitstoot van de mobiele werktuigen wordt in AERIUS als een vlakbron ingetekend, op de locatie van de werkzaamheden. De overige machines zoals vrachtwagens voor de aan- en afvoer van materieel vallen onder de verkeersbewegingen.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

11

Onderstaande tabel toont de ingevoerde mobiele werktuigen. In bijlage 2 is toegelicht hoe tot onderstaande uitgangspunten is gekomen. Type werktuig

STAGE klasse

Mobiele STAGE IV, 75 <= kW < 130, graafmachine bouwjaar 2015 (Diesel) Ruw terrein STAGE IIIb, 56 <= kW <75, heftruck Bouwjaar 2012 (Diesel) Mobiele werktuigen sloop Type werktuig

STAGE klasse

Graafmachine

STAGE IV, 130 <= kW < 300, Bouwjaar 2014 (Diesel) Dumper STAGE IV, 130 <= kW < 300, Bouwjaar 2014 (Diesel) Laadschop STAGE IV, 130 <= kW < 300, Bouwjaar 2014 (Diesel) Mobiele werktuigen bouwrijp maken Type werktuig

STAGE klasse

Laadschop

STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel) Graafmachine STAGE IV, 56 <= kW <75, Bouwjaar 2015 (Diesel) Hijskraan STAGE IV, 130 <= kW < 300, Bouwjaar 2014 (Diesel) Ruw terrein STAGE IV, 56 <= kW <75, heftruck Bouwjaar 2012 (Diesel) Betonstorter STAGE IV, 130 <= kW < 300, bouwjaar 2014 (Diesel) Mobiele werktuigen bouw Type werktuig

STAGE klasse

Laadschop

STAGE IIIb, 37 <= kW < 56, Bouwjaar 2013(Diesel) Ruw terrein STAGE IV, 75 <= kW < 130, heftruck bouwjaar 2015 (Diesel) Trilplaat/stamper STAGE V, < 18 kW, bouwjaar 2019 (Diesel) Mobiele werktuigen verharding Type werktuig

STAGE klasse

Laadschop

STAGE IIIb, 37 <= kW < 56, bouwjaar 2013 (Diesel) Ruw terrein STAGE IV, 56 <= kW <75, heftruck Bouwjaar 2012 (Diesel) Graafmachine STAGE IV, 75 <= kW < 130, bouwjaar 2015 (Diesel) Mobiele werktuigen aanleg openbaar gebied

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

Brandstofverbruik (l/j) 4280

Aantal uren stationair draaien 72

Cilinderinhoud

1556

42

2,5

Brandstofverbruik (l/j) 1054

Aantal uren stationair draaien 9

Cilinderinhoud

2265

18

10,75

1689

18

10

Brandstofverbruik (l/j) 688

Aantal uren stationair draaien 14

Cilinderinhoud

785

22

3

1687

14

10

5251

142

3

1687

14

10

Brandstofverbruik (l/j) 446

Aantal uren stationair draaien 18

Cilinderinhoud

2839

39

5

86

20

0,5

Brandstofverbruik (l/j) 743

Aantal uren stationair draaien 30

Cilinderinhoud

2431

66

3

2675

45

5

5

10

5

2,5

2,5

12

Verkeersbewegingen Tijdens de aanlegfase zal er sprake zijn van verkeersbewegingen door de werklieden die met de bouw van het initiatief bezig zijn. Bij de gemaakte inschatting van het aantal verkeersbewegingen van licht verkeer is er rekening mee gehouden dat werklieden met werkbusjes arriveren, waarbij er meerdere werklieden in één werkbus zitten. Daarnaast zorgen de aan- en afvoer van materiaal en de mobiele werktuigen voor verkeersbewegingen door middelzwaar en zwaar vrachtverkeer. De schatting van de verkeersbewegingen in de aanlegfase is weergegeven in onderstaande tabel. Type verkeer

Sloop (p.j.)

Licht Middel zwaar Zwaar

180 0 120

Bouwrijp maken en bouw (p.j.) 608 48 334

Aanleg open ruimte (p.j.) 100 26 150

Aanleg verharding (p.j.) 60 16 90

Gem. aantal per jaar 948 90 694

Verkeersbewegingen worden in AERIUS als lijnbronnen weergegeven. Deze lijnbronnen worden ingetekend van de woning tot het punt waar de verkeersbewegingen opgaan in het algemene verkeer. In dit geval gaan de verkeersbewegingen op in het algemene verkeer op de Maarsevonder op het punt waar het verkeer op snelheid is gekomen.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

13

Hoofdstuk 4

Resultaten berekening

4.1 Huidig gebruik In het model is de huidige situatie ingevoerd. Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het huidig gebruik. Bron 1 betreft de stalemissies van de manege. Bron 2 t/m 5 betreft de gasverwarming van de bestaande functies. En bron 6 t/m 9 betreffen de verkeersbewegingen van en naar de verschillende functies.

Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS huidig gebruik Stalemissies Uit de berekening blijkt dat de stalemissie van de manege 160 kg/j aan NH3 bedraagt.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

14

Verwarming bebouwing Conform de berekening in paragraaf 3.2.1. is in de berekening ter plaatse van de bestaande panden de volgende uitstoot aan NOx ingevoerd. Bron Manege Tuincentrum Woning Maarsevonder 1 Woning Maarsevonder 2

NOx emissie (kg/j) 0,1 37,9 0,7 2,4

Emissies door verkeersbewegingen Uit de berekening volgt dat door de huidige verkeersbewegingen (conform paragraaf 3.2.1) de uitstoot van NOx 18,23 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 minder dan 1 kg/j.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

15

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

16

4.2 Gebruiksfase In het model is de beoogde situatie ingevoerd. Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief. Bron 1 betreft de verwarming van het pand. Bron 2 betreft de verkeersbewegingen van en naar het plangebied.

Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS gebruiksfase Verwarming pand Conform de berekening in paragraaf 3.2.2. is in de berekening ter plaatse van het nieuwe pand een uitstoot van 45,5 kg/j aan NOx ingevoerd. Toename emissies door verkeersbewegingen Uit de berekening volgt dat door het toekomstig aantal verkeersbewegingen (conform paragraaf 3.2.2) de uitstoot van NOx 26,39 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 2,48 kg/j.

Stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Vergeleken met het huidig gebruik leidt het toekomstig gebruik van het plangebied niet tot een toename van de stikstofdepositie groter dan 0,00 mol per hectare per jaar op Natura 2000-gebieden.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

17

4.3 Aanlegfase Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed zijn op de stikstofdepositie van het initiatief tijdens de aanlegfase. Bron 1 t/m 3 betreft de mobiele werktuigen en bron 4 betreft de verkeersbewegingen.

Afbeelding ingevoerde bronnen AERIUS aanlegfase Toename emissies door mobiele werktuigen Uit navolgende tabellen volgt dat door de mobiele werktuigen in de aanlegfase (conform paragraaf 3.2.3) de uitstoot van NOx 142,48 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 minder dan 1 kg/j.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

18

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

19

Toename emissies door verkeersbewegingen Uit navolgende tabellen volgt dat door de verkeersbewegingen in de aanlegfase (conform paragraaf 3.2.2) de uitstoot van NOx 1,43 kg/j bedraagt en de uitstoot van NH3 minder dan 1 kg/j.

Stikstofdepositie de Natura 2000-gebieden De uitstoot van NOx als gevolg van de mobiele werktuigen en de verkeersbewegingen in de aanlegfase zorgt niet voor een bijdrage hoger dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebieden ten opzichte van het huidig gebruik.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

20

Hoofdstuk 5

Conclusies

De berekening ten behoeve van de Wet natuurbescherming is uitgevoerd in het kader van een aanpassing van de bestemming. Het plan voorziet in de aanleg en het gebruik van de dagrecreatieve voorziening Bommelwereld aan de N18, nabij het verblijfsrecreatiepark Marveld Toekomstig gebruik Als gevolg van deze ontwikkeling neemt de emissie NOx toe met 12,57 kg/j ten opzichte van het bestaand gebruik, en neemt de emissie NH3 af met 158,51 kg/j. Het toekomstig gebruik van het initiatief veroorzaakt op de Natura 2000-gebieden geen bijdrage aan stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j, en leidt tot een reductie van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Korenburgerveen, Buurserzand en Haaksbergerveen, Witte Veen, Bekendelle en Willinks Weust. Aanlegfase In de aanlegfase van het initiatief neemt de emissie NOx toe met 84,58 kg/j ten opzichte van het bestaand gebruik, en neemt de emissie NH3 af met 160,70 kg/j. De aanleg van het initiatief veroorzaakt op Natura 2000gebieden op basis van de inschatting van de werkzaamheden geen bijdrage aan stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/j, en leidt tot een reductie van stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden Korenburgerveen, Buurserzand en Haaksbergerveen, Witte Veen en Bekendelle.

Eindconclusie Als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied waarvoor de berekeningen zijn uitgevoerd neemt de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toe ten opzichte van het huidige gebruik. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

21

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

22

Bijlagen

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

23

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

24

Bijlage 1: NOx emissie als gevolg van gasverbruik De NOx -emissie op jaarbasis wordt berekend met behulp van de volgende vergelijking:

Waarin: Fs = Droog rookgasdebiet onder standaard condities [Nm 3 /jaar] CNOx = NOx-concentratie onder standaard condities [mg/Nm3] Voor de emissieconcentratie NOx wordt aangesloten bij de emissiegrenswaarde voor stookinstallaties conform het Activiteitenbesluit, CNOx = 70 mg/Nm3. Om het droog rookgasdebiet (Fs) te berekenen worden onderstaande formules gebruikt. 1 mol CH4 leidt tot 10,5 mol rookgas. De molaire massa van CH4 is 16 g/mol. Bij verbranden van 1kg CH4 wordt (1*1000)/16=62,5 mol CH4 verbrand. De totale molmassa voor en na de streep is 62,5 mol CH4 * 10,5 mol rookgas/mol CH4 = 656 mol. Hiervan is een gedeelte water (H2O), te weten (2/10,5)*656=125 mol. 656125=531 mol droog rookgas. Volume berekening: P*V = nRT, dus V=nRT/P waarin R=8,314472 J.K-1mol-1, P=101.325 kPA, T=273 Kelvin en n=aantal mol, leidt tot 11.894 liter oftwel 11,9 Nm3 rookgas per kg CH4. Per m3 aardgas ontstaat dus 11,9*0,83 kg/m3 (dichtheid aardgas)=9,9 m3 rookgas. Bij 3 % O2 in het luchtverbruik bedraagt het rookgasdebiet per kuub aardgas 9,9*(21/(21-3)=11,55 Nm3 Deze formule leidt tot de volgende berekeningen van de stikstofemissie in kg/j. Huidig gebruik Bron Manege

Brandstoftype Brandstofverbruik Rookgasdebiet CNOx (Nm3/j) (Nm3/j) (mg/Nm3) Aardgas 119 1374,45 70

NOx emissie (kg/j) 0,0962115

Tuincentrum

Aardgas

46.823

540805,65

70

37,8563955

Woning Maarsevonder 1 Aardgas

859

9921,45

70

0,6945015

Woning Maarsevonder 2 Aardgas

2961

34199,55

70

2,3939685

Bron Indoor attractiepark

Brandstoftype Brandstofverbruik Rookgasdebiet CNOx (Nm3/j) (Nm3/j) (mg/Nm3) Aardgas 56269 649906,95 70

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

NOx emissie (kg/j) 45,4934865

25

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

26

Bijlage 2: Toelichting uitgangspunten aanlegfase Onderstaand is toegelicht hoe is gekomen tot de uitgangspunten voor het modelleren van de aanlegfase. STAGE klasse De stageklassen betreffen emissienormen voor mobiele werktuigen en zijn afhankelijk van het bouwjaar en het vermogen van het mobiele werktuig. Bij de emissieberekening op basis van brandstofverbruik per stageklasse, rekent AERIUS met categorieën stageklassen en emissiefactoren die betrekking hebben op dieselmotoren en zijn overgenomen uit het Emissiemodel Mobiele Machines (TNO-rapport 2009). Voor elk werk wordt door een bouwer normaal gesproken een machine ingezet met het laagste vermogen dat werkbaar is voor de uitvoering. Dit omdat machines met een hoger vermogen meer brandstofverbruik hebben. Bij de selectie van het vermogen is dan ook gekozen voor een gemiddeld vermogen passend bij het werk. Voor wat betreft het bouwjaar is gekeken naar de gemiddelde levensduur van de gebruikte werktuigen. Hierbij is aangesloten bij de mediane levensduur (TNO-rapport 2009) van de betreffende werktuigen, afgerond op hele jaren. Het jaar van uitvoering minus de levensduur geeft een goede raming van het gemiddelde bouwjaar van de gebruikte machines. Als de initiatiefnemer heeft aangegeven oudere of nieuwere mobiele werktuigen te gebruiken, is van de door de initiatiefnemer opgegeven bouwjaren uitgegaan.

Brandstofverbruik Om het brandstofgebruik (Diesel) per jaar te schatten is aangesloten bij de formule die is opgenomen in het TNO rapport 2020 R11528. De formule is als volgt: Brandstofverbruik [liters] = 0,245 * arbeid [kWh] + (0,52 + 0,0034 * maximaal vermogen [kW]) * draaiuren [h] Stationair draaien Er is sprake van stationair / op lage last draaien als het vermogen minder dan is dan 10% van het maximale vermogen. Dit is de motorbelasting op moment dat de machine is ingeschakeld en mogelijk systemen verwarmt of op druk houdt, maar geen werk verricht. Voor het aantal uren stationair draaien is uitgegaan van percentage dat gemiddeld geldt voor het mobiele werktuig. Cilinderinhoud Voor het bepalen van de cilinderinhoud is uitgegaan van een cilinderinhoud van 1 liter per 20 kW vermogen.

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

27

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

28

Bijlage 3: AERIUSberekening toekomstig gebruik

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

29

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

30

Bijlage 4: AERIUSberekening aanlegfase

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

31

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

32

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

33

Voortoets stikstofdepositie Bommelwereld

34

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11175360/1