CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

Bp bommelwereld toelichting bijlage 14 archeologisch onderzoek

Raadscommissie 9 februari 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Bommelwereld en ruimtelijk kwaliteitskader Bommelwereld14.195 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

3.3.1 Lithologie en geologie De natuurlijke ondergrond bestaat in de boringen 1 tot en met 8, gelegen binnen de zuidelijke helft van het plangebied, uit zwak tot matig siltig zeer fijn tot zeer grof zand al dan niet met verslagen plantenresten dat meestal scherp aanvoelt. Dit zand is geïnterpreteerd als beekzand behorend tot het Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel (De Mulder et al. 2003). Grond water is aangetroffen vanaf 130 cm -mv of bevindt zich dieper dan 200 cm -mv. In de boringen 1 en 3-7 is het zand afgedekt door een pakket zwak zandige tot uiterst siltige klei dan wel zwak kleiig tot sterk zandig

KSP Archeologie

27

veen, die ook tot de beekafzettingen dan wel beekopvulling worden gerekend. Uitzondering hierop vormt boring 6, waar de kleiige beekafzettingen zijn afgedekt door een matig fijn zandpakket waar soms iets grind in aanwezig is. Onduidelijk is of het hier om dekzand dan wel beekzand gaat. De bovengrond 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 8 bestaat uit een mengsel van zand dat is opgebracht en/of verstoord. Het opgebrachte/verstoorde pakket grond heeft een dikte 60-145 cm, met uitzondering van boring 6 waar het opgebrachte pakket slechts 35 cm dik is. De natuurlijke ondergrond, voor zover aangetroffen binnen 200 cm -mv, bestaat in de boringen 9-14, gelegen binnen de noordelijke helft van het plangebied, voornamelijk uit zwak siltig zeer fijn zand dat goed is afgerond en is geïnterpreteerd als dekzand behorend tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel. Grondwater is aangetroffen vanaf 190 cm -mv of bevindt zich dieper dan 200 cm mv. In boring 12 is vanaf 160 cm -mv zwak grindig en matig siltig zeer fijn zand aangetroffen dat is geïnterpreteerd als fluvioperiglaciaal zand behorend tot de Formatie van Boxtel. In boring 13 was de bodem tot een diepte van minimaal 200 cm -mv verstoord, gekenmerkt door een mengsel van verschillende zandlagen.

In de boringen 11, 12, en 14 was de natuurlijke ondergrond tot aan het maaiveld afgedekt door een opgebracht en verstoord pakket grond dat uit een mengsel van verschillende zandlagen bestond. In boring 9 reikte de natuurlijke ondergrond, die uit dekzand bestond tot aan het maaiveld en in boring 10 tot 70 cm -mv. De bovenste 70 cm bestond in boring 10 uit een opgebracht pakket zand. Uit de diepe verstoringen van de bodem in de boringen 11 tot en met 14 blijkt, dat in het verleden een groter deel van het plangebied is afgegraven dan op grond van het historisch kaartmateriaal werd vermoed (Figuur 7)(Bijlage 4, blauwe lijn). Waarschijnlijk is de noordelijke helft van het plangebied in het verleden vrijwel geheel afgegraven, met uitzondering van de strook langs de westelijke rand (boring 9 en 10). Later is de grond weer aangevuld en opgehoogd, waarbij de opvulling en ophoging een groter oppervlak besloeg dan aangegeven op de topografische kaart uit 1966 (Figuur 8)(Bijlage 4, oranje lijn).

3.3.2 Bodem Alleen in de boringen 3 en 5, gelegen binnen de zuidelijke helft van het plangebied waar beekafzettingen werden verwacht, is een Ap- dan wel Ahb-horizont aangetroffen die direct rust op de kleiige C-horizont. Deze bodems zijn geïnterpreteerd als een leek-/woudeergrond, zoals op grond van het bureauonderzoek werd verwacht. In de andere boringen 1, 2, 4, 7 en 8 was het bovenste deel van de bodem verstoord, waardoor er geen leek-/woudeergrond is aangetroffen. Uitzondering hierop betreft boring 6, waar het bovenste deel van de bodem uit een zandpakket bestond, waarvan het onduidelijk is of het dekzand betreft (mogelijk overstoven over de beekafzettingen). Hier is onder een dun opgebracht pakket grond een enkeerdgrond aangetroffen met een deels intacte podzolbodem. Deze bestaat uit een Aapb-horizont met daaronder een verploegde laag van de Aapb- met de Bhsb-horizont, die overgaat in de Bhs-horizont, die weer rust op het zand van de C-horizont. Van de boringen, gelegen binnen de noordelijke helft van het plangebied waar een dekzandrug werd verwacht, is alleen in de boringen 9 en 10 een bodem aangetroffen. De andere boringen waren tot grote diepte verstoord, zoals in paragraaf 3.3.1 is beschreven. In boring 9 bestaat de bodem uit een dunne Ap-horizont met daaronder een menglaag van de Ap- met de Bs-horizont die overgaat in de Bs-horizont, die rust op de C-horizont.

Het betreft een podzolbodem, waar de E- en Bh-horizont ontbreken, die waarschijnlijk door verploeging zijn opgenomen in de C-horizont. In boring 10 bestaat de bodem onder een 70 cm dik opgebracht pakket grond uit een Aap-horizont met daaronder een menglaag van de Aapen Bh-horizont die overgaat in een Bhs-horizont die rust op het zand van de C-horizont. Het betreft een enkeerdgrond met daaronder een restant van de oorspronkelijke podzolbodem. 3.4

Archeologische indicatoren

Bij de controle van het opgeboorde bodemmateriaal zijn geen archeologische indicatoren aangetroffen die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Boring 3 en 4 zijn geplaatst op de plek waar op de Hottingerkaart (Figuur 4) uit het einde van de 18e eeuw enkele schuurtjes staan aangegeven Bijlage 4, roze lijn). Bij boring 4 bestond de bodem tot een diepte van 90 cm -mv uit een

KSP Archeologie

28

opgebracht dan wel een uit verstoord pakket grond. Mogelijk hangt de verstoring samen met het vermoedelijk houten schuurtje dat hier heeft gestaan. De baksteen kruimels in de bovenste 50 cm van de bodem hoeven niet te duiden op steenbouw van het schuurtje, omdat deze in de bovengrond van meerdere boringen (2, 5 en 6) binnen het weiland zijn aangetroffen. Waarschijnlijk is bij de bouw van de rijstal de grond uit de bouwput over het weiland verspreid. Bij boring 3 was de bodem intact en zijn er geen aanwijzingen gevonden dat er bebouwing heeft gestaan. Het booronderzoek had overigens een verkennend karakter. De afwezigheid van archeologische indicatoren zegt dan ook niets over de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is. 3.5

Toetsing van de archeologische verwachting

Binnen de noordelijk helft van het plangebied (boring 9-14) is de dekzandrug door afgraving grotendeels verdwenen. Alleen langs de westelijker rand is deze nog intact (boring 9 en 10). Mogelijk is bij boring 6 (binnen de zuidelijke helft) ook nog sprake van verstoven dekzand. In deze drie boringen was de oorspronkelijke podzolbodem nog deels intact. Binnen de zuidelijke helft van het plangebied 9 (boring 1-8) is alleen in boring 3 en 5 een intacte Leek-/woudeerdgrond aangetroffen. Met uitzondering van boring 3 en 6 bestaat de bovenste deel van de bodem binnen de zuidelijke helft uit een minimaal 60 cm en maximaal 145 cm diep opgebracht dan wel verstoord pakket grond. Het grondwater binnen de noordelijke helft van het plangebied is aangetroffen vanaf 190 cm -mv en binnen de zuidelijke helft vanaf 130 cm -mv of bevindt zich voor beide delen dieper dan 200 cm -mv. Vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe grondsporen, zoals haardkuilen, in de bovengrond van de oorspronkelijke podzolgrond. Aangezien de dekzandrug grotendeels is afgegraven en de podzolbodem in het niet afgegraven deels slechts deels intact is, wordt de kans klein geacht dat eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen nog aanwezig zijn.

De hoge verwachting uit het bureauonderzoek voor vuursteenvindplaatsen van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met Neolithicum wordt voor de noordelijke helft van het plangebied daarom naar laag bijgesteld. Het booronderzoek geeft geen aanleiding om de lage verwachting voor de zuidelijke helft bij te stellen. Gezien de diepe grondwaterstand binnen de zuidelijke helft zullen binnen de beekdalbodem geen organische archeologische resten bewaard zijn gebleven. Nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de C-horizont reiken. Aangezien het potentiële archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont binnen de noordelijke helft van het plangebied door afgraving grotendeels zijn verdwenen, wordt de kans klein geacht dat daar nog vindplaatsen aanwezig zijn. Daarom wordt de hoge archeologische verwachting uit het bureauonderzoek om archeologische resten uit de perioden Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) aan te treffen voor de noordelijke helft van het plangebied bijgesteld naar laag. Gezien de lage grondwaterstand in de zuidelijke helft van het plangebied zullen daar geen organische archeologische resten bewaard zijn gebleven.

Op grond daarvan blijft de lage archeologische verwachting voor de zuidelijke helft van het plangebied gehandhaafd. De resultaten van het booronderzoek geven geen aanleiding om de lage verwachting voor resten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd voor de noordelijke helft van het plangebied bij te stellen. Op grond van het booronderzoek, waarbij een lage grondwaterstand is aangetroffen voor de zuidelijke helft van het plangebied, wordt de middelhoge verwachting voor houten bebouwingsresten (schuurtje) uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd naar laag bijgesteld.

KSP Archeologie

29

4

Conclusie en advies

4.1

Conclusie

Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een dekzandrug voor de noordwestelijke helft en een ligging binnen een beekdalbodem voor de zuidoostelijke helft van het plangebied en het historisch kaartmateriaal, is aan de noordwestelijke helft van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd. Voor de zuidoostelijke helft van het plangebied is zowel voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) een lage verwachting toegekend en een middelhoge verwachting voor bebouwingsresten (vooral aan de oostgrens). Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat binnen de noordelijk helft van het plangebied de dekzandrug door afgraving grotendeels is verdwenen. Alleen langs de westelijker rand is deze nog intact.

Mogelijk is bij boring 6 (binnen de zuidelijke helft) ook nog sprake van verstoven dekzand. In deze drie boringen was de oorspronkelijke podzolbodem nog deels intact. Binnen de zuidelijke helft van het plangebied 9 (boring 1-8) is alleen in boring 3 en 5 een intacte Leek-/woudeerdgrond aangetroffen. Met uitzondering van boring 3 en 6 bestaat de bovenste deel van de bodem binnen de zuidelijke helft uit een minimaal 60 cm en maximaal 145 cm diep opgebracht dan wel verstoord pakket grond. Het grondwater binnen de noordelijke helft van het plangebied is aangetroffen vanaf 190 cm -mv en binnen de zuidelijke helft vanaf 130 cm -mv of bevindt zich voor beide delen dieper dan 200 cm -mv. Op grond van de bevindingen uit het booronderzoek is de hoge verwachting voor de noordelijke helft van het plangebied voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De lage verwachting voor de zuidelijke helft voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) blijft gehandhaafd.

De middelhoge verwachting voor de zuidelijke helft van het plangebied voor bebouwingsresten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op grond van het booronderzoek bijgesteld naar laag en de lage verwachting voor de noordelijke helft blijft gehandhaafd. Tijdens een booronderzoek kan geen archeologische vindplaats worden aangetroffen, ten hoogste archeologische indicatoren die wijzen op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats. Een waardestelling conform protocol 4003, VS06 is dan ook niet van toepassing. 4.2

Beantwoording van de onderzoeksvragen 

Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact? De natuurlijke ondergrond bestaat in de boringen 1 tot en met 8, gelegen binnen de zuidelijke helft van het plangebied, uit zwak tot matig siltig zeer fijn tot zeer grof zand al dan niet met verslagen plantenresten dat meestal scherp aanvoelt. Dit zand is geïnterpreteerd als beekzand. Grond water is aangetroffen vanaf 130 cm -mv of bevindt zich dieper dan 200 cm -mv. In de boringen 1 en 3-7 is het zand afgedekt door een pakket zwak zandige tot uiterst siltige klei dan wel zwak kleiig tot sterk zandig veen, die ook tot de beekafzettingen dan wel beekopvulling worden gerekend. Uitzondering hierop vormt boring 6, waar de kleiige beekafzettingen zijn afgedekt door een matig fijn zandpakket waar soms iets grind in aanwezig is. Onduidelijk is of

KSP Archeologie

30

het hier om dekzand dan wel beekzand gaat. De bovengrond 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 8 bestaat uit een mengsel van zand dat is opgebracht en/of verstoord. Het opgebrachte/verstoorde pakket grond heeft een dikte 60-145 cm, met uitzondering van boring 6 waar het opgebrachte pakket slechts 35 cm dik is. De natuurlijke ondergrond, voor zover aangetroffen binnen 200 cm -mv, bestaat in de boringen 9-14, gelegen binnen de noordelijke helft van het plangebied, voornamelijk uit zwak siltig zeer fijn zand dat goed is afgerond en is geïnterpreteerd als dekzand. Grondwater is aangetroffen vanaf 190 cm -mv of bevindt zich dieper dan 200 cm -mv. In boring 12 is vanaf 160 cm -mv zwak grindig en matig siltig zeer fijn zand aangetroffen dat is geïnterpreteerd als fluvioperiglaciaal zand. In boring 13 was de bodem tot een diepte van minimaal 200 cm -mv verstoord, gekenmerkt door een mengsel van verschillende zandlagen. In de boringen 11, 12, en 14 was de natuurlijke ondergrond tot aan het maaiveld afgedekt door een opgebracht en verstoord pakket grond dat uit een mengsel van verschillende zandlagen bestond. In boring 9 reikte de natuurlijke ondergrond, die uit dekzand bestond tot aan het maaiveld en in boring 10 tot 70 cm -mv. De bovenste 70 cm bestond in boring 10 uit een opgebracht pakket zand.

Uit de diepe verstoringen van de bodem in de boringen 11 tot en met 14 blijkt, dat in het verleden een groter deel van het plangebied is afgegraven dan op grond van het historisch kaartmateriaal werd vermoed. Waarschijnlijk is de noordelijke helft van het plangebied in het verleden vrijwel geheel afgegraven, met uitzondering van de strook langs de westelijke rand. Later is de grond weer aangevuld en opgehoogd, waarbij de opvulling en ophoging een groter oppervlak besloeg dan aangegeven op de topografische kaart uit 1966 (Figuur 8). Alleen in de boringen 3 en 5, gelegen binnen de zuidelijke helft van het plangebied waar beekafzettingen werden verwacht, is een Ap- dan wel Ahb-horizont aangetroffen die direct rust op de kleiige C-horizont. Deze bodems zijn geïnterpreteerd als een leek-/woudeergrond. In de andere boringen 1, 2, 4, 7 en 8 was het bovenste deel van de bodem verstoord, waardoor er geen leek-/woudeergrond is aangetroffen. Uitzondering hierop betreft boring 6, waar het bovenste deel van de bodem uit een zandpakket bestond, waarvan het onduidelijk is of het dekzand betreft (mogelijk overstoven over de beekafzettingen). Hier is onder een dun opgebracht pakket grond een enkeerdgrond aangetroffen met een deels intacte podzolbodem.

Deze bestaat uit een Aapb-horizont met daaronder een verploegde laag van de Aapb- met de Bhsb-horizont, die overgaat in de Bhs-horizont, die weer rust op het zand van de C-horizont. Van de boringen, gelegen binnen de noordelijke helft van het plangebied waar een dekzandrug werd verwacht, is alleen in de boringen 9 en 10 een bodem aangetroffen. De andere boringen waren tot grote diepte verstoord, zoals in paragraaf 3.3.1 is beschreven. In boring 9 bestaat de bodem uit een dunne Ap-horizont met daaronder een menglaag van de Ap- met de Bs-horizont die overgaat in de Bs-horizont, die rust op de C-horizont. Het betreft een podzolbodem, waar de E- en Bh-horizont ontbreken, die waarschijnlijk door verploeging zijn opgenomen in de Chorizont. In boring 10 bestaat de bodem onder een 70 cm dik opgebracht pakket grond uit een Aap-horizont met daaronder een menglaag van de Aap- en Bh-horizont die overgaat in een Bhs-horizont die rust op het zand van de C-horizont. Het betreft een enkeerdgrond met daaronder een restant van de oorspronkelijke podzolbodem. 

Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd? Op basis van het bureauonderzoek was aan de noordwestelijke helft van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd. Voor de zuidoostelijke helft van het plangebied was zowel voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) een lage verwachting toegekend en een middelhoge verwachting voor

KSP Archeologie

31

bebouwingsresten (vooral aan de oostgrens). Het booronderzoek heeft uitgewezen dat binnen de noordelijk helft van het plangebied de dekzandrug door afgraving grotendeels is verdwenen. Alleen langs de westelijker rand is deze nog intact. Mogelijk is bij boring 6 (binnen de zuidelijke helft) ook nog sprake van verstoven dekzand. In deze drie boringen was de oorspronkelijke podzolbodem nog deels intact. Binnen de zuidelijke helft van het plangebied 9 (boring 1-8) is alleen in boring 3 en 5 een intacte Leek-/woudeerdgrond aangetroffen. Met uitzondering van boring 3 en 6 bestaat de bovenste deel van de bodem binnen de zuidelijke helft uit een minimaal 60 cm en maximaal 145 cm diep opgebracht dan wel verstoord pakket grond. Het grondwater binnen de noordelijke helft van het plangebied is aangetroffen vanaf 190 cm -mv en binnen de zuidelijke helft vanaf 130 cm -mv of bevindt zich voor beide delen dieper dan 200 cm -mv. Op grond van de bevindingen uit het booronderzoek is de hoge verwachting voor de noordelijke helft van het plangebied voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld.

De lage verwachting voor de zuidelijke helft voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) blijft gehandhaafd. De middelhoge verwachting voor de zuidelijke helft van het plangebied voor bebouwingsresten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op grond van het booronderzoek bijgesteld naar laag en de lage verwachting voor de noordelijke helft blijft gehandhaafd. 

4.3

In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied? Aangezien de kans dat een vindplaats binnen het plangebied aanwezig is laag wordt ingeschat, vormen de voorgenomen graafwerkzaamheden geen bedreiging voor het archeologische bodemarchief. Ook blijkt dat binnen de zuidelijke helft, waar de nieuwbouw is gepland de grond grotendeels in opgebracht dan wel verstoord tot minimaal 60 cm -mv. Voor de nieuwbouw wordt de bodem waarschijnlijk tot een diepte van ca. 60 cm beneden maaiveld verstoord. De opbouw van de stal komt waarschijnlijk op een betonplaat te staan. Hierdoor wordt er geen nieuwe grond verstoord. Selectieadvies

Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen binnen zowel de noordelijke (dekzandrug) als de zuidelijke helft (beekdalbodem) van het plangebied en de lage grondwaterstand binnen de beekdalbodem, waardoor er geen organische archeologische resten bewaard zijn gebleven en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek. Bovenstaand advies vormt een zogenaamd selectieadvies. KSP Archeologie wijst erop dat dit selectieadvies nog niet betekent dat reeds bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen namelijk eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Oost Gelre), die vervolgens een selectiebesluit neemt. Het uitgevoerde onderzoek is op zorgvuldige wijze verricht volgens de algemeen gebruikelijke inzichten en methoden. Het onderzoek is erop gericht om de kans op het aantreffen dan wel vernietigen van archeologische waarden bij bouwwerkzaamheden in het plangebied te verkleinen. Aangezien het onderzoek is uitgevoerd door middel van een steekproef kan echter, op basis van de onderzoeksresultaten, de aan- of afwezigheid van eventuele archeologische waarden niet met zekerheid gegarandeerd worden.

Indien bij graafwerkzaamheden archeologische waarden worden aangetroffen, dienen deze conform de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de minister gemeld te worden. In de praktijk kan de vinder terecht bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (T 033 – 4217 456 of

KSP Archeologie

32

info@cultureelerfgoed.nl) zodat de vondst geregistreerd wordt in het centraal archeologisch informatiesysteem. Daarnaast wordt het advies gegeven om de vondst ook bij de gemeente te melden.

KSP Archeologie

33

Literatuur Boeken, rapporten en artikelen Bakker, H. de & Schelling, J. (1989). Systeem van de bodemclassificatie voor Nederland: de hogere niveaus. (Tweede druk bewerkt door Brus, D.J. & Wallenburg C. van) Centrum voor Landbouwpublikaties en Landbouwdocumentatie, Wageningen. Berendsen, H.J.A. (2005). Landschappelijk Nederland. Perspectief Uitgevers, Utrecht. Bergman, W.A., Emaus, A.A.G., Helmich, C. (2003). Inventariserend Veldonderzoek Tuincentrum Twenteroute te Groenlo. Synthegra, rapport 17136, Zelhem. Centraal College van Deskundigen Archeologie (2018). Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie, versie 4.1. Stichting voor Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Haar, L.J. van der, Vissinga, A., Vossen, I. (2011). OTB N18 Varsseveld-Enschede. Een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek (karterende fase). Oranjewoud, rapport 2009/143, Heerenveen. Haartsen, A. (2009). Ontgonnen Verleden. Regiobeschrijvingen provincie Gelderland. Bureau Lantschap. Holl, J. (2019). Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Marhulzenweg 14 te Groenlo. Econsultancy, rapport 9719.001, Zwolle. Kastelein, D. (2009). Plangebied Eschweg te Groenlo, gemeente Oost-Gelre; archeologisch vooronderzoek: een bureau- en inventariserend veldonderzoek. RAAP, Notitie 3247, Weesp. Koeman, S.M. (2016).

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase: Recreatiepark Marveld te Groenlo. Archeodienst, rapport 853, Zevenaar. Nederlands Normalisatie Instituut (1990). NEN-5104:1989 grondmonsters. Nederlands Normalisatie Instituut, Delft.

NL, Classificatie van onverharde

NITG-TNO (2000). Geologische Kaart van Nederland, schaal 1:50.000, blad 34 Oost/35 Enschede Oost/Glanerbrug. Utrecht. Nuijten, I.M.C. (1996). Historisch onderzoek naar de havezathe Marveld. RAAP, rapport 192, Amsterdam. Roode, F. de, Berghe, K.J. van de (2008). Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre; Deel 1: startnota archeologische monumentenzorg; Deel 2: toelichting op de archeologische landschappen- en beleidskaart. RAAP-rapport 1757, Weesp. Spek, T. (2004). Het Drentse esdorpen landschap: een historisch geografische studie. Uitgeverij Matrijs, Utrecht. Stichting voor Bodemkartering (Stiboka, 1979). Bodemkaart van Nederland schaal 1:50.000. Blad 34 West en Oost Enschede en Blad 35 Glanerbrug. Wageningen. Stouthamer, E., Cohen, K.M. & Hoek, W.Z. (2015). De vorming van het land: geologie en geomorfologie. Perspectief Uitgevers, Utrecht.

KSP Archeologie

34

Thanos, C.S.I. (1998). Ruilverkaveling Winterswijk-West, archeologische begeleiding kavelaanvaardingswerken fase 2. RAAP-rapport 364. Vissinga, A., Haar, L.J. van der (2013). Proefsleuvenonderzoek TB N18. Een weg door tijd en landschap. Oranjewoud, rapport 2012/102, Heerenveen.

Kaartmateriaal Actueel Hoogtebestand van Nederland (2008 – heden). AHN3, grid 0,5 x 0,5m: www.ahn.nl en de ruwe data via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/ahn3/extract/ Archeologische Monumenten Kaart (2014). Geraadpleegd via https://zoeken.cultureelerfgoed.nl. Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG): https://bagviewer.kadaster.nl Basisregistratie Grootschalige Topografie via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Basisregistratie Topografie Achtergrondkaarten (BRT-A) via WMTS-server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/tiles/service/wmts?request=GetCapabilities&service=WMTS Bestemmingsplan: www.ruimtelijkeplannen.nl Bodemkwaliteit: www.bodemloket.nl Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (gepubliceerd in de Basis Registratie Ondergrond december 2019). Wageningen Environmental Research. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/bro-bodemkaart/atom/v1_0/bro-bodemkaart.xml. Bonnebladen en Topografische kaarten van Nederland schaal 1:25.000: www.topotijdreis.nl (Kadaster). Brouwer, F. & M.M. van der Werff, (2012). Vergraven gronden: Inventarisatie van ‘diepe’ grondbewerkingen, ophogingen en afgravingen. Wageningen, Alterra, Alterra-rapport 2336.

Digitale Kadastrale kaart van Nederland v4 via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/kadastralekaart/wms/v4_0?service=WMS&version=1.3.0&request=GetCapabilities Dirks, G.H.P. & Nieuwenhuizen, W. (2013). HISTLAND: historisch-landschappelijk informatiesysteem. Wageningen, Wettelijke Onderzoekstaken Natuur & Milieu, WOt-werkdocument 331. Geologische overzichtskaart van Nederland, schaal 1:600.000. Geraadpleegd via https://www.grondwatertools.nl/geologische-overzichtskaart. Referentie: Mulder, E.F.J. de, Geluk, M.C., Ritsma, I.L., Westerhof, W.E. & Wong, T.E. (2003). De ondergrond van Nederland. Wolters-Noordhoff, Groningen/Houten. Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (gepubliceerd in de BasisRegistratie Ondergrond maart 2020). Alterra, Wageningen UR. Geraadpleegd via https://geodata.nationaalgeoregister.nl/bzk/brogmm/atom/v1_0/index.xmlLegenda: Maas, G. J., S. P. J. v. Delft & A. H. Heidema. (2017). "Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50 000 (2017)." http://legendageomorfologie.wur.nl/. Wageningen, Wageningen Environmental Research.

KSP Archeologie

35

Grondwatertrappenkaart van de bodemkaart 1:50.000 versie tot 2006: http://geoplaza.vu.nl/ data/dataset/bodemkaart-van-nederland/resource/2398cef7-957e-4ba5-b218-08ac275d72fb. Indicatieve Kaart Militair Erfgoed: www.ikme.nl KLIC-meldingen via www.kadaster.nl Luchtfoto Beeldmateriaal / PDOK 25 cm RGB via WMTS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/luchtfoto/rgb/wmts?request=GetCapabilities&service=wmt s Kadastrale kaarten 1811-1832. http://beeldbank.cultureelerfgoed.nl Rijksmonumenten (2019): Geraadpleegd via openbaar/wfs

WFS server: https://data.geo.cultureelerfgoed.nl/

Topografische kaart van Nederland schaal 1:25.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top25raster/wms?request=GetCapabilities&service=wms. Kadaster. Topografische kaart van Nederland schaal 1:10.000 (rasterbestand) via WMS server: https://geodata.nationaalgeoregister.nl/top10nlv2/wms?request=GetCapabilities&service=wms V.1 & V.2 inslagen in Nederland: vergeltungswaffen.nl Versfelt, H.J. (2003). De Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland: 1773-1794. Heveskes Uitgevers, Groningen.

KSP Archeologie

36

Bijlage 1

KSP Archeologie

Geomorfologische kaart

Bijlage 2

KSP Archeologie

Bodemkaart

Bijlage 3

KSP Archeologie

Archeologische gegevens

Bijlage 4

KSP Archeologie

Boorpuntenkaart

KSP Archeologie

Bijlage 5 Boorbeschrijvingen

Y (m RD)

Z (m+NAP) via AHN3

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

enkele grote grindjes

X

mengsel, opgebracht

brgr/wigr

Fe3 met concreties

X?/Ap?

verstoord?

brgr/gr

C

beekafzetting

gr

Fe3 GW op 150 cm, verslagen plantenresten

C

beekafzetting

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

h2

drgr

Fe3, puin bovenin

Ap

h1

brgr/gr

Fe3

X

Z2s1

orgr

130

Z2s1

gr

Fe3 C GW op 130 cm, reductie vanaf 120cm C

mogelijk opgebracht mengsel, verstoord / opgebracht scherp zand, beekafzetting

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

3 weiland met brandnetels

40

Z2s2

h1

brgr

Fe3

Ap

kleiig

105

Kz2/Ks4

h1

gr

beekafzetting

140

Z4s1/Z5s1

h1

gr

Fe3 C GW op 110 cm, reductie vanaf 120 cm, verslagen plr h C

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Opmerkingen

4 weiland met brandnetels

50

Z2s1

h2

dbrgr

Fe3, baksteenkruimels bovenin Ap/X

90

Z2s1

ge/dbrgr

Fe3

X

mogelijk opgebracht mengsel, verstoord / opgebracht

115

Z2s3

orgr

Fe3

C

kleiig, beekafzetting

140

Ks4

orgr

Fe3 met concreties

C

beekafzetting

150

Ks4

dgr

Fe3

C

beekafzetting

170

Z2s1

gr

Fe2, verslagen plr h

C

beekafzetting

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

5

35

Z2s1

h2

brgr

Fe3, baksteenkruimels

Ap/X

weiland

60

Z2s1/Z2s3

brgr/gr

Fe3

X

mogelijk opgebracht mengsel, verstoord / opgebracht

80

Z3s2

dbrgr/gr

Fe3, houtresten

Ahb

kleiig, beekafzetting

115

Kz1/Ks4

lbrgr

Fe3 met concreties

C

160

Z2s1

lgr

Fe2

C

beekafzetting scherp zand, beekafzetting

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

6

35

Z3s1

h1

brgr

Fe3, baksteenkruimels

Ap/X

opgebracht

weiland

70

Z3s1

h2

dbrgr

80

Z3s1

dbrgr/lbrgr

Fe3

Aapb/Bhs

verploegd

95

Z3s1g1

lbrgr

Fe3

Bhs

verstoven dekzand?

115

Z3s1

gegr

Fe3

C

verstoven dekzand?

130

Z3s1

orgr

Fe3

C

verstoven dekzand?

175

Ks2

brgr

Fe3

C

beekafzetting

190

Vz1

zwbr

reductie

C

200

Z3s1

h1

gr

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

7

80

Z3s1

h1

dbrgr/ge/gr

groenstrook

90

Vz3

zwbr

C

100

Vz3/Vk1

zwbr/dbrgr

C

140

Z2s1

gr

Projectnummer

: 20685

Project

: Maarsevonder te Groenlo

Boring

Datum

: 12 -05-2020

Beschrijver

: Erik Schorn

Type grond

: Zand

Boordiameter

: Edelman 7 cm

Bijzonderheden

: Geen

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

1

70

Z2s1/Kz1

h1

orbr/gr

weiland

110

Z2s1

130

K/Z

150

Z4s1

Boring

Diepte in cm

Textuur

2

40

Z3s1

weiland

65

Z3s2

90

h1

h1

X (m RD)

Horizont

Vondsten

Vondsten

beekafzetting Vondsten

beekafzetting Vondsten

Vondsten

Vondsten

Aapb

C

scherp zand, beekafzetting

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

Fe3, baksteenkruimels

X

verstoord/opgebracht

reductie, plr, GW op 140 cm

Pagina 1 van 2

C

scherp zand, beekafzetting

Vondsten

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

X

Boring

Diepte in cm

Textuur

8

10

X

bestrating

35

Z4s1

145

Z3s2

160

Z2s2

Boring

Diepte in cm

Textuur

9

20

Z2s1

tuin

35

Z2s1

50

Z2s1

90

Z2s1

Boring

Diepte in cm

Textuur

10

25

Z3s1

groenstrook

70

Z2s1

115

Z2s1

h3

125

Z2s1

h2

zw/lbrgr

Aap/Bh

verploegd, dekzand

135

Z2s1

h1

lbrgr

Fe2

Bhs

dekzand

140

Z2s3

lgegr

Fe3

C

160

Lz3

lgr

Fe3

C

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

11

65

Z3s1

h1

dbrgr/or/gegr bs1

X

Opmerkingen mengsel, verstoord, waarschijnlijk opgebracht

paardenrijbak

100

Z2s1

lgr

Fe2

C

goed afgerond, dekzand

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

12

40

Z3s1

h2

brgr

grindbijmenging

Ah/X

tuinaarde, opgebracht

tuin, grasveld

160

Z3s1

h1

brgr/lgr

Fe2

X

mengsel, opgebracht

180

Z2s2g1

lgegr

Fe3

C

fluvioperiglaciaal?

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

13

175

Z3s1

h2

dbrgr/gegr/gr bs1, stukje blik op 70 cm

X

mengsel, opgebracht

tuin, grasveld

200

Z3s1Lz3

h1

brgr/orgr

Fe3, GW op 190 cm

X

mengsel, opgebracht

Boring

Diepte in cm

Textuur

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

14

70

Z2s1

h2

brgr/lgr

X

mengsel, opgebracht

tuin, grasveld

105

Z3s1

h2

br

bs3

X

opgebracht

160

Z3s1

h1

brgr/orge

Fe3

X

mengsel, opgebracht

190

Z3s1/Lz3

h1

brgr/orge

Fe3

X

mengsel, verstoord

200

Z2s1

lgr

Fe2, GW op 200 cm

C

goed afgerond, dekzand

X

klinker bestratingszand / ophoogzand

zwgr

bs1, GW op 140 cm

X

verstoord, opvulling?

gr

reductie

C

beekafzetting?

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

h2

dbrgr

h2

dbrgr/orge

Fe3

Ap/Bs

orge

Fe3

Bs

lgegr

Fe3/Fe2

C

goed afgerond, dekzand

Humus

Kleur

Bijzondere bestanddelen

Horizont

Opmerkingen

h2

dbrgr

bs2, pu2, kiezels

Ap/X

opgebracht

grgr

Fe3

X

opgebracht

zw

baksteenspikkels

Aap

gr/brgr h2

Boring

X (m RD)

Y (m RD)

Z (m+NAP)

1

240.158

450.999

23,11

2

240.194

451.015

23,03

3

240.200

451.047

22,93

4

240.183

451.065

23,27

5

240.171

451.035

23,38

6

240.146

451.057

23,43

7

240.106

450.996

23,14

8

240.101

451.046

23,68

9

240.094

451.071

23,99

10

240.067

451.136

23,86

11

240.102

451.117

23,78

12

240.129

451.128

24,07

13

240.123

451.077

23,93

14

240.152

451.137

23,82

Vondsten

Vondsten

Ap

via AHN3

Pagina 2 van 2

verploegd

Vondsten

met zandbandjes, fluvioperiglaciaal? Vondsten

Vondsten

Vondsten

Vondsten

KSP Archeologie

Bijlage 6

Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Samengesteld door E.A. Schorn (BAAC) naar aanleiding van de publicatie: De steentijd van Nederland (2005). Onder redactie van: Jos Deeben, Erik Drenth, Marie-France van Oorsouw en Leo Verhart.

KSP Archeologie

KSP Archeologie

Archeologische periodes volgens het Archeologisch Basis Register Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

KSP Archeologie

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11169562/1