CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp bommelwereld toelichting bijlage 14 archeologisch onderzoek

Raadscommissie 8 februari 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Bommelwereld en ruimtelijk kwaliteitskader Bommelwereld14.195 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase Maarsevonder te Groenlo Gemeente Oost Gelre

KSP Archeologie

Colofon Versie Status KSP Rapport Auteur ISSN Foto’s en afbeeldingen Beheer en plaats documentatie Autorisatie Datum autorisatie

: : : : : : :

1.0 Niet beoordeeld door bevoegde overheid 20685 E.A. Schorn (senior KNA Prospector) 2542-7490 KSP Archeologie KSP Archeologie te Duiven

: :

S.M. Koeman (senior KNA Prospector) 18 mei 2020

www.ksparcheologie.nl | info@ksparcheologie.nl

Disclaimer Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook, zonder bronvermelding. KSP Archeologie aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit onderhavig onderzoek of de gegeven adviezen. KSP Archeologie beschikt over het Procescertificaat Archeologie dat is verleend op basis van de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 voor protocol 4002 ‘bureauonderzoek’. Wanneer de certificatie-eisen strijdig zijn met de eisen van de bevoegde overheid, dan gaat KSP Archeologie uit van de eisen van de bevoegde overheid omdat die sanctioneerbaar zijn.

KSP Archeologie

2

Inhoudsopgave Samenvatting 1 Inleiding 1.1 Onderzoekskader 1.2 Afbakening plan- en onderzoeksgebied 1.3 Overheidsbeleid 1.4 Toekomstige situatie 1.5 Onderzoeksdoel en vraagstellingen 2 Bureauonderzoek 2.1 Huidige situatie 2.2 Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens 2.3 Historische situatie en mogelijke verstoringen 2.4 Beschrijving van archeologische gegevens 2.5 Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden 2.6 Gespecificeerde archeologische verwachting 2.7 Conclusie en advies 3 Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase 3.1 Werkwijze 3.2 Veldsituatie 3.3 Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens 3.4 Archeologische indicatoren 3.5 Toetsing van de archeologische verwachting 4 Conclusie en advies 4.1 Conclusie 4.2 Beantwoording van de onderzoeksvragen 4.3 Selectieadvies Literatuur Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6

6 7 7 7 7 8 8 9 9 9 13 18 22 23 25 26 26 26 27 28 29 30 30 30 32 34

Geomorfologische kaart Bodemkaart Archeologische gegevens Boorpuntenkaart Boorbeschrijving Overzicht geologische en archeologische tijdvakken

Lijst van afbeeldingen Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster). 5 Figuur 2: Het plangebied op de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre (De Roode et al. 2008). 11 Figuur 3: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl). 12 Figuur 4: Het plangebied op de Hottingerkaart uit 1774-1794 (bron: Versfelt 2003). 15 Figuur 5: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl). 15 Figuur 6: Het plangebied op de kaart uit 1898, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl). 16 Figuur 7: Het plangebied op de topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl). 16 Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1966 (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1977 (bron: www.topotijdreis.nl). 17 Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 2005 (bron: www.topotijdreis.nl). 18 Figuur 11: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Groenlo (De Roode & Van den Berghe 2008). 22 Figuur 12: Het plangebied gezien vanaf het noorden (westzijde), gefotografeerd tegen het zuiden. 26 Figuur 13: Het weiland met op de achtergrond de grote rijstal en schuur gezien vanaf het noordoosten en gefotografeerd tegen het zuidwesten.

27 Figuur 14: Het weiland gezien vanaf het zuiden en gefotografeerd tegen noorden, met links de rijstal en in het midden bijgebouwen. 27

KSP Archeologie

3

Lijst van tabellen Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen, onderzoeks- en vondstmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl, tenzij anders vermeld). 19 Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied. 23

KSP Archeologie

4

Administratieve gegevens KSP Projectnummer Opdrachtgever Uitvoerder/projectleider Bevoegde overheid Deskundige namens bevoegde overheid Onderzoeksmelding Provincie Gemeente Toponiem Centrum-coördinaat Kadastrale gegevens

: : : : :

Periode uitvoering onderzoek

:

: : : : : :

20685 Rouwmaat Groep, Jeroen Nijenhuis KSP Archeologie, E.A. Schorn (senior KNA Prospector) Gemeente Oost-Gelre Regioarcheoloog van de Omgevingsdienst Achterhoek archeologie@odachterhoek.nl 4857996100 Gelderland Oost-Gelre Maarsevonder te Groenlo x: 240138 / y: 451075 Sectie A, nummers: 3859, 3860, 4130, 4462, 4615, 4616, 4741, 4816 (deels) en 4956 Mei 2020

Figuur 1: Het plangebied op de topografische kaart schaal 1:10.000 (bron: Kadaster).

KSP Archeologie

5

Samenvatting KSP Archeologie heeft een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Maarsevonder in Groenlo (gemeente Oost-Gelre). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van een hal. Het doel van het archeologische bureauonderzoek was het opstellen van een gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied. Op basis van de landschappelijke ligging op een dekzandrug voor de noordwestelijke helft en een ligging binnen een beekdalbodem voor de zuidoostelijke helft van het plangebied en het historisch kaartmateriaal, is aan de noordwestelijke helft van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het LaatPaleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd.

Voor de zuidoostelijke helft van het plangebied is zowel voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) een lage verwachting toegekend en een middelhoge verwachting voor bebouwingsresten (vooral aan de oostgrens). Vervolgens is deze verwachting getoetst door middel van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase. Uit het booronderzoek is gebleken dat binnen de noordelijk helft van het plangebied de dekzandrug door afgraving grotendeels is verdwenen. Alleen langs de westelijker rand is deze nog intact. Mogelijk is bij boring 6 (binnen de zuidelijke helft) ook nog sprake van verstoven dekzand. In deze drie boringen was de oorspronkelijke podzolbodem nog deels intact. Binnen de zuidelijke helft van het plangebied 9 (boring 1-8) is alleen in boring 3 en 5 een intacte Leek-/woudeerdgrond aangetroffen. Met uitzondering van boring 3 en 6 bestaat de bovenste deel van de bodem binnen de zuidelijke helft uit een minimaal 60 cm en maximaal 145 cm diep opgebracht dan wel verstoord pakket grond. Het grondwater binnen de noordelijke helft van het plangebied is aangetroffen vanaf 190 cm -mv en binnen de zuidelijke helft vanaf 130 cm -mv of bevindt zich voor beide delen dieper dan 200 cm -mv.

Op grond van de bevindingen uit het booronderzoek is de hoge verwachting voor de noordelijke helft van het plangebied voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) naar laag bijgesteld. De lage verwachting voor de zuidelijke helft voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) blijft gehandhaafd. De middelhoge verwachting voor de zuidelijke helft van het plangebied voor bebouwingsresten uit de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) tot en met de Nieuwe tijd is op grond van het booronderzoek bijgesteld naar laag en de lage verwachting voor de noordelijke helft blijft gehandhaafd. Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen binnen zowel de noordelijke (dekzandrug) als de zuidelijke helft (beekdalbodem) van het plangebied en de lage grondwaterstand binnen de beekdalbodem, waardoor er geen organische archeologische resten bewaard zijn gebleven en daarmee lage archeologische verwachting adviseert KSP Archeologie geen archeologisch vervolgonderzoek.

KSP Archeologie

6

1

Inleiding

1.1

Onderzoekskader

In opdracht van de Rouwmaat Groep heeft KSP Archeologie een archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase (IVO-(O)verig); booronderzoek) uitgevoerd voor de locatie aan de Maarsevonder in Groenlo (gemeente Oost-Gelre). Het onderzoek is uitgevoerd voor de aanvraag van een bestemmingsplanwijziging voor de nieuwbouwplannen van een hal. Het onderzoek is uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn SIKB 4000 (versie 4.1) met bijbehorende protocollen (KNA 4.1) 4002 (bureauonderzoek bij landbodems) en 4003 (inventariserend veldonderzoek, overig) (www.sikb.nl) en de gemeentelijke eisen. Voor de in dit rapport gebruikte geologische en archeologische tijdsaanduidingen wordt verwezen naar Bijlage 6. 1.2

Afbakening plan- en onderzoeksgebied

Het plangebied is gelijk aan het onderzoeksgebied waarvoor het archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Het plangebied is ca. 2 ha groot en ligt aan de Maarsevonder in Groenlo (Figuur 1). Het terrein wordt in het westen begrensd door de N18 (Twenteroute), in het noorden door de straat Maarsevonder en in het oosten en zuiden door recreatiepark Marveld. 1.3

Overheidsbeleid

In 1992 heeft Nederland het Europese ‘Verdrag van Malta’ ondertekend. In het verdrag is de omgang met het Europees archeologisch erfgoed geregeld. Belangrijk daarin is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van archeologische waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. Het wettelijk kader voor de archeologische monumentenzorg is vastgelegd in de Erfgoedwet. Daarnaast hebben de verschillende overheden (het rijk, de provincie en de gemeentes) archeologiebeleid vastgelegd. Gemeenten houden bij de vaststelling van een bestemmingsplan of het verlenen van een vergunning altijd rekening met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden (Wet ruimtelijke ordening). Volgens het bestemmingsplan Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre (2018) van de gemeente Oost Gelre geldt voor een deel van het plangebied de dubbelbestemming Waarde – Archeologische verwachtingswaarde 1 en voor het grootste deel Waarde – Archeologische verwachtingswaarde 2. Voor de noordwesthoek van het plangebied geldt geen dubbelbestemming archeologie. Dit betekent dat bij bodemingrepen respectievelijk groter dan 100 m2 dan wel groter dan 2.500 m2 en in beide gevallen dieper dan 0,3 m archeologisch onderzoek nodig is.

Aangezien deze ondergrenzen bij de realisatie van de nieuwbouwplannen worden overschreden (zie paragraaf 1.4), is archeologisch noodzakelijk. In het kader van de bestemmingsplanwijziging en de grootte van het plangebied is voor het plangebied gekozen voor een standaard archeologisch vooronderzoek dat bestaat uit een bureauonderzoek gecombineerd met een verkennend booronderzoek.

KSP Archeologie

7

1.4

Toekomstige situatie

Binnen het plangebied zal op de zuidelijke helft een nieuwe hal worden gebouwd, waarvoor de bestaande bebouwing daar dient te worden gesloopt (Figuur 1). De hal krijgt een omvang van ca. 1 ha. Voor de nieuwbouw wordt de bodem waarschijnlijk tot een diepte van ca. 60 cm beneden maaiveld verstoord. De opbouw van de stal komt waarschijnlijk op een betonplaat te staan. Voor zover bekend is binnen het plangebied geen bodem- en/of grondwatersanering nodig in het kader van de milieuhygiëne. Het waterpeil c.q. bodempeil binnen het plangebied zal niet veranderen door de geplande bodemingrepen. 1.5

Onderzoeksdoel en vraagstellingen

Bureauonderzoek Het doel van het bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen het omschreven onderzoeksgebied. Het resultaat is een standaardrapport bureauonderzoek met een gespecificeerde archeologische verwachting en een advies. Op basis hiervan wordt vastgesteld of vervolgonderzoek nodig is en zo ja, welke strategie hierbij het beste gevolgd kan worden.

Inventariserend Veldonderzoek Het doel van het inventariserend veldonderzoek (IVO) (landbodems) is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek. Het gaat om gebiedsgericht onderzoek door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en of verwachte archeologische waarden in het onderzoeksgebied. Het resultaat van het IVO is een standaardrapport IVO-O met een waardering en een inhoudelijk (selectie)advies (buiten normen van tijd en geld). Aan de hand hiervan kan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) worden genomen. Indien er onvoldoende gegevens voor waardering en selectieadvies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. Er kan dan worden geadviseerd tot vervolgonderzoek of om af te zien van verder onderzoek. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Het inventariserend veldonderzoek kent drie fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Voor goed uitgevoerd archeologisch onderzoek is het niet altijd nodig om al deze fasen te doorlopen dat hangt af van de situatie. Dit onderzoek betreft een verkennend onderzoek.

De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap (bodemopbouw) die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Hiermee worden kansarme zones uitgesloten en kansrijke zones geselecteerd voor mogelijk vervolgonderzoek. Om de bovenstaande doelstelling te realiseren, zijn de volgende onderzoeksvragen opgesteld:  Wat is de opbouw van de ondergrond en is het bodemprofiel intact?  Wat is de specifieke archeologische verwachting van het plangebied op basis van het bureauonderzoek en wordt deze door het veldonderzoek bevestigd?  In hoeverre wordt het (potentiële) archeologische niveau bedreigd door de voorgenomen ontwikkeling van het gebied?

KSP Archeologie

8

2

Bureauonderzoek

2.1

Huidige situatie

Om de huidige situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Huidige topografische kaart (Figuur 1);  Luchtfoto uit 2019 (via PDOK);  Grondwatertrappen op de Bodemkaart schaal 1:50.000 versie 2006 (via geoplaza.vu.nl);  (Rijks)monumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl): geen bebouwing aanwezig;  Informatie van de opdrachtgever over het plangebied;  Informatie over ondergrondse tanks (www.bodemloket.nl);  Informatie over kabels en leidingen (KLIC-melding);  Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl). Het plangebied is momenteel in gebruik als landbouwgrond en is bebouwd met meerdere woningen/boerderijen met bij behorende opstallen en manege. De aanwezige bebouwing is door de gemeente (verwijzing gemeentelijke monumentenlijst) of het rijk (archis.cultureelerfgoed.nl) niet aangemerkt als historisch waardevol. Binnen het plangebied zijn voor zover bekend geen kelders of andere ondergrondse werken aanwezig (bijvoorbeeld funderingen of drainage). Rondom de bebouwing is verharding aanwezig (mogelijk asfalt en/of klinkers). Er is een ondergrondse tank in het noordelijk deel van het plangebied ter plekke van de Marhulzenweg 32/Maarsevonder 6 aanwezig (www.bodemloket.nl). Rondom de bebouwing liggen enkele kabels en leidingen (KLIC-melding).

De opstallen in het zuidelijk deel van het plangebied, die gesloopt gaan worden voor de nieuwbouw, zijn tot een diepte van 60 cm beneden maaiveld gefundeerd. Op de bodemkaart (Bijlage 2) staan de gemiddelde grondwaterstanden aangegeven door middel van zogenaamde grondwatertrappen (I t/m VII). Het plangebied wordt naar verwachting voor het grootste deel gekenmerkt door een diepe grondwaterstand (grondwatertrap VII) en voor een klein deel door een ondiepe grondwaterstand (grondwatertrap IIIb). Voor grondwatertrap VII betekent dit dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand dieper dan 80 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 160 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. Voor grondwatertrap IIIb betekent dit dat de gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 25-40 cm en de gemiddeld laagste grondwaterstand tussen 80-120 cm beneden maaiveld wordt aangetroffen. 2.2

Beschrijving van aardwetenschappelijke gegevens

Om het landschap ter plaatse en rondom het plangebied in kaart te brengen, zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Geologische overzichtskaart van Nederland schaal 1:600.000 (https://www.grondwatertools.nl/ geologische-overzichtskaart);  Geomorfologische kaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2019 (BRO 2020, Maas e.a. 2017);  Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000 versie 2018 (BRO 2019);  Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl, AHN3 grid 0,5 x 0,5 m); Het plangebied ligt op het Oost-Nederlandse plateau, waar ook afzettingen voorkomen die ouder zijn dan het Pleistoceen. Volgens de geologische kaart komen binnen het plangebied afzettingen voor uit het Tertiair (66 miljoen tot 2,6 miljoen jaar geleden), die bestaan uit zand, leem, lichte en matige zware klei behorend tot de Formatie van Breda (NITG-TNO 2000). In het Weichselien zijn deze afzettingen afgedekt door een laag dekzand (dunner dan 2,0 m).

KSP Archeologie

9

Het landschap in dit gebied heeft zijn huidige vorm vooral tijdens de laatste twee ijstijden, het Saalien (ca. 150.000 jaar geleden) en het Weichselien (ca. 115.000 – 11.755 jaar geleden), gekregen (Berendsen 2005). In de diepere ondergrond van het plangebied ligt keileem. Dat is ontstaan in het Saalien toe het landijs de noordelijke helft van Nederland heeft bedekt. Het landijs heeft de sedimenten die eerder door de grote rivieren waren afgezet, opgestuwd en onder het ijs is keileem ontstaan. De keileem bestaat uit een mengsel van klei, zand en stenen, dat zeer sterk is samengedrukt door het gewicht van het landijs en wordt tot het Laagpakket van Gieten van de Formatie van Drente gerekend (De Mulder et al. 2003). Zowel ten noorden als ten zuiden van het plangebied ligt de keileem en ten oosten en ten noorden liggen de oude rivierafzettingen (Formatie van Sterksel) vrij dicht aan het oppervlak (NITG-TNO 2000). In het Weichselien is tijdens het Pleniglaciaal (ca. 75.000 – 15.700 jaar geleden) de bodem permanent bevroren geweest. Hierdoor is het sneeuwsmelt- en regenwater gedwongen over het oppervlak af te stromen waarbij zogenaamde fluvioperiglaciale afzettingen (ook wel sneeuwsmeltwaterafzettingen genoemd) zijn afgezet en dalen uitgesleten. Op deze manier is het dal, waar de huidige Slinge doorheen loopt, ontstaan (Bijlage 1, code R42).

In het dal liggen de fluvioperiglaciale afzettingen vrij dicht aan het oppervlak. Deze bestaan uit fijn en grof zand, soms met grind, leemlagen en plantenresten, en worden tot de Formatie van Boxtel gerekend (De Mulder e.a. 2003). De zuidoostelijke helft van het plangebied ligt binnen het dal van de Slinge (Bijlage 1, code R42). In de koudste en droogste perioden van het Weichselien, met name in het Laat-Pleniglaciaal (ca. 26.000 –15.700 jaar geleden) en Laat-Glaciaal (ca. 15.700 – 11.755 jaar geleden), is de vegetatie vrijwel verdwenen, waardoor op grote schaal verstuiving is opgetreden (Stouthamer et al. 2015). Hierbij is dekzand over de fluvioperiglaciale afzettingen afgezet. Dit (vaak lemige) zand is kalkloos, fijnkorrelig (150 – 210 μm), goed afgerond, goed gesorteerd en arm aan grind en wordt tot het Laagpakket van Wierden van de Formatie van Boxtel gerekend (Berendsen 2005). Het reliëf van de dekzanden wordt gekenmerkt door vlaktes, depressies en dekzandkopjes, afgewisseld met langgerekte ruggen. Volgens de geologische kaart is het dekzandpakket ter plaatse van het plangebied dunner dan 2 m (NITG-TNO 2000). Volgens de geomorfologische kaart bestaat de noordwestelijke helft van het plangebied grotendeels uit een dekzandrug (Bijlage 1, code B53).

Dit beeld komt ongeveer overeen met het beeld van de landschappenkaart (Figuur 2) en wordt weerspiegeld door het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN, Figuur 3). Op het AHN is te zien dat de noordwestelijke helft hoger ligt (lichtgroene kleur) ten opzichte van de lager gelegen zuidoostelijke helft (groenblauwe tot blauwe kleuren). De landschappelijk nog hoger gelegen delen (gele tot oranje kleuren), plateau-achtige terrasrest met dekzandruggen bevinden zich ten oosten van het plangebied (Bijlage 1, code F41 en B53). Ook is op het AHN een hoger gelegen ronde uitstulping (lichtgroene kleur) te zien aan de oostzijde van de noordwestelijke helft van het plangebied, die volgens de geomorfologische kaart in het beekdal ligt. Mogelijk is hier de grond vanwege de bebouwing opgehoogd. In het Holoceen (vanaf ca. 11.755 jaar geleden tot heden) is het klimaat warmer en vochtiger geworden en is het beekdal van de Slinge ontstaan, waarvan de zuidoostelijke helft van het plangebied onderdeel van uitmaakt. De beekafzettingen bestaan uit matig fijn tot zeer grof, soms grindhoudend zand en zwak zandige klei en leem (De Mulder et al. 2003). Het sediment kan zwak tot sterk humeus ontwikkeld zijn. Plaatselijk komen er veenlagen van enkele decimeters voor. Deze afzettingen behoren tot het Laagpakket van Singraven van de Formatie van Boxtel.

KSP Archeologie

10

Figuur 2: Het plangebied op de archeologische landschappenkaart van de gemeente Oost Gelre (De Roode et al. 2008).

KSP Archeologie

11

Figuur 3: Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand van Nederland (bron: www.ahn.nl).

Op basis van de bodemkaart worden in het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden en leek/woudeerdgronden verwacht (Bijlage 2, respectievelijk code zEZ21 en pRn59). De enkeerdgronden worden vooral op de dekzandrug binnen het plangebied verwacht en de leek/woudeerdgronden binnen het beekdal van de Slinge. De hoge zwarte enkeerdgronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond van meer dan 50 cm dik met daaronder de oorspronkelijke bodem. De humeuze bovengrond betreft op de hogere zandgronden vaak een plaggendek, ook wel esdek genoemd. Plaggendekken zijn ontstaan, doordat in OostNederland vanaf ca. de 16e eeuw op grote schaal het systeem van potstalbemesting is toegepast (Spek 2004). Plaggen worden met mest van het vee vermengd en op de akkers uitgespreid om de bodem vruchtbaarder te maken. In de loop van de tijd is een plaggendek op de oorspronkelijke bodem ontstaan. Doordat het plangebied zo dicht bij de stad ligt is waarschijnlijk ook stadsafval als bemesting opgebracht, waardoor er ook mestaardewerk te verwachten is. Op de hogere zandgronden vindt van nature het bodemvormende proces podzolering plaats. Bij podzolering worden kleine deeltjes, zoals ijzer, aluminium en humus uitgespoeld door infiltrerend regenwater. Dit proces wordt ook wel uitloging genoemd (De Bakker& Schelling 1989).

Deze deeltjes worden door het water naar beneden getransporteerd en spoelen daar in, zodat podzolgronden ontstaan. De veldpodzolgronden bestaan uit een donkere, humeuze bovengrond met daaronder de grijze E-horizont (uitspoelingshorizont). Onder de E-horizont ligt de (oranje)bruine B-horizont, waarin humus en ijzer is ingespoeld. De B-horizont gaat geleidelijk over in de (grijs)gele C-horizont. Door de landbewerking die binnen het plangebied heeft plaatsgevonden, zal de podzolgrond deels of geheel zijn opgenomen in de humeuze bovengrond.

KSP Archeologie

12

Leek-/woudeerdgronden hebben een ca. 20 cm dikke donkere humushoudende bovengrond, die zeer humeus of humusrijk is en een roestig karakter heeft (Stichting voor bodemkartering 1979). Als onzuiverheden komen plaatselijk moerige bovengronden voor. Het zavel dan wel kleidek is meestal 4060 cm dik. De ondergrond bestaat meestal uit matig fijn of zeer fijn zand, dat dieper kalkrijk kan zijn. Het bodemprofiel is een zogenaamd A op C profiel, waarbij de C-horizont vanaf 40 dan wel 50 cm -mv wordt aangetroffen (Bakker & De schelling 1989). 2.3

Historische situatie en mogelijke verstoringen

Om de historische situatie en mogelijke verstoringen van de bodem in kaart te brengen zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Oude kadasterkaarten: kadastrale minuut en oorspronkelijk aanwijzende tafels 1811 – 1832 voor toenmalige eigenaar/gebruiker (beeldbank.cultureelerfgoed.nl);  Historische kaarten uit de afgelopen 300 jaar, Hottingerkaart (Versfelt 2003), Bonnebladen en topografische kaarten (www.topotijdreis.nl);  Historisch-landschappelijk informatiesysteem, Histland (Dirkx & Nieuwenhuizen 2013), geraadpleegd via archis.cultureelerfgoed.nl;  Cultuurhistorische regiobeschrijving provincie Gelderland (CultGIS/Haartsen 2009);  Archeologische en overige cultuurhistorische rapporten van onderzoek binnen het onderzoeksgebied: is niet van toepassing;  Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (www.ikme.nl): er wordt geen militair erfgoed verwacht;  V.1 & V.2 inslagen in Nederland (vergeltungswaffen.nl): geen inslagen bekend die voor een bodemverstoring gezorgd kunnen hebben;  Topografische kaart van Nederland (Figuur 1);  Informatie over de huidige bebouwing: Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG) (bagviewer kadaster.nl);  Bouw-/constructietekeningen van te slopen of te wijzingen historische bouwwerk: is niet van toepassing;  Gegevens van milieukundig bodemonderzoek (www.bodemloket.nl): zie paragraaf 2.1;  Luchtfoto uit 2019 (PDOK);  Geomorfologische kaart van

Nederland: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven;  Bodemkaart van Nederland, schaal 1:50.000: hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven;  Vergraven gronden project Alterra (Brouwer & Van der Werff 2012): hierop zijn geen bodemverstoringen t.p.v. het plangebied aangegeven;  Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN) (www.ahn.nl): hierop is een kunstmatige ophogingen te zien aan de oostzijde van de noordwestelijke helft van het plangebied (zie paragraaf 2.2.);  In het kader van dit onderzoek zijn geen archieven geraadpleegd omdat een gerichte vraagstelling ontbreekt. Hieronder volgt een beschrijving van het historische gebruik (bebouwing, landbouwgrond, historische wegen etc. Aard, omvang, diepteligging en locatie van (mogelijke) bodemverstoringen, bodemvervuilingen. Het plangebied ligt binnen de Gelderse regio De Graafschap (Haartsen 2009). De Graafschap (of de Achterhoek, zoals het gebied sinds ruim honderd jaar ook wel genoemd wordt) is een oud cultuurlandschap dat de overgang vormt tussen het rivierengebied van de Oude IJssel en de IJssel en het Oost-Nederlands plateau in het oosten, bij Winterswijk. Het plangebied ligt op de westelijke rand van het Oost-Nederlands plateau.

Op Histland (geraadpleegd via www.archis.nl) behoort het plangebied tot het landschapstype van de kampontginningen met plaatselijke essen, waarbij het landschap in de

KSP Archeologie

13

loop van de tijd matig is veranderd, waarbij de verandering vooral uit kavelvergroting bestaat. Het plangebied ligt ca. 350 m ten oosten van de middeleeuwse stadskern van Groenlo in het buitengebied. Voor de historische ontwikkeling is historisch kaartmateriaal geraadpleegd. Op de Hottingenkaart uit 1773-1794 (Figuur 4) is het noordelijke deel van het plangebied in gebruik als akker (steekt als puntvorm in het plangebied) en is het grootste deel van het plangebied onverkaveld en in gebruik als beekdalgrond. Aan de zuidoostzijde zijn enkel kleine gebouwtjes (rode stipjes, schuurtjes?) te zien. En direct ten oosten ligt de beek de Slinge , die een zeer kronkelig verloop heeft. Binnen de zuidelijke helft van het plangebied ligt van oost naar west een waterloop, die waarschijnlijk is aangelegd om water van de Slinge naar de stadsgracht van Groenlo te leiden. Direct ten noorden van het plangebied ligt de Marhulzenweg die naar het gehucht Marhulzen leidt, ten noordoosten van het plangebied. Deze weg is nu deels opgenomen in de straat Maarsevonder. Op het minuutplan uit het begin van de 19e eeuw (Figuur 5) is het plangebied grotendeels verkaveld. De gebouwtjes/schuurtjes aan de zuidoostzijde zijn niet meer aanwezig. De percelen 993 tot en met 999 zijn in gebruik als akker. De percelen 992, 993bis en 1149 zijn in gebruik als weiland en het perceel 1001 als tuin.

Ten opzichte van de Hottingerkaart is het areaal akkerland flink uitgebreid en beslaat nu een groot deel van het plangebied. Waarschijnlijk heeft men een deel van het lager gelegen gebied, dat te nat was, opgehoogd om te kunnen gebruiken als akkerland. De waterloop binnen de zuidelijke helft van het plangebied, die nog wel op de hottingerkaart te zien was, is niet meer aanwezig. Op de kaart uit ca. 1898 (Figuur 6) is goed het landschappelijk gebruik van het plangebied te zien. Wit is akker, groen is randbeplanting en lichtgroen is weiland. Het plangebied is onbebouwd. De perceelsindeling, zoals deze te zien was op het minuutplan zijn nu niet aangegeven. De percelen 998 en 999 van het minuutplan zijn nu in gebruik als groenstrook. Op deze kaart is te zien dat de waterloop, die op de Hottingerkaart van oost naar west door het zuidelijke deel van het plangebied liep, nu ten zuiden van het plangebied ligt. Op de kaart uit 1955 (Figuur 7) is het plangebied onbebouwd en komt de perceelsindeling weer grotendeels overeen met die op het minuutplan. Op deze kaart is te zien dat het perceel 996 van het minuutplan nu in gebruik is als groenstrook en dat het naastgelegen perceel 995 is afgegraven (te herkennen aan de naar binnen wijzende zaagtandjes). Ook een deel direct ten noorden van het plangebied is afgegraven. In beide gevallen waarschijnlijk voor zandwinning.

Op de kaart uit 1966 (Figuur 8) is het plangebied onbebouwd en is het afgegraven gedeelte binnen het plangebied op de kaart uit 1955 weer opgevuld en ophoogd, waarbij de ophoging zich in oostelijke richting uitstrekt tot in de percelen 994 en 993 van het minuutplan. Als naar het AHN (Figuur 3, uit 2008 tot heden) wordt gekeken, lijkt het erop, gezien de rechthoekige structuren binnen de groenblauw tot blauw gekleurde zuidelijke helft van het plangebied, dat hier mogelijk weer een deel van de ophoging is afgegraven. Op de kaart uit 1977 (Figuur 9) is binnen het plangebied bebouwing aanwezig. Volgens het kadaster stamt de bouwing uit de periode 1965-1970. Op de kaart uit 2005 (Figuur 10) is de bebouwing binnen het plangebied nog iets toegenomen. Voor de huidige situatie wordt verwezen naar Figuur 1, die wat bebouwing betreft overeenkomt met de kaart uit 2005. Het moment van voorkomen van de bebouwing op de topografische kaart kan soms sterk verschillen met de datering die het kadaster geeft voor de bebouwing. Bijvoorbeeld het huis Maarsevonder nummer 2 (links van de grote stal) stamt volgens het kadaster uit 1970, maar staat pas op de topografische kaart uit 2005. Ook de datering van de bebouwing door het kadaster is niet altijd betrouwbaar.

Bijvoorbeeld als het pand in 1970 is gebouwd en er vindt een verbouwing plaats in 2000 dan kan het zijn dat het gebouw in 2000 wordt gedateerd.

KSP Archeologie

14

Figuur 4: Het plangebied op de Hottingerkaart uit 1774-1794 (bron: Versfelt 2003).

Figuur 5: Het plangebied op de kadastrale minuut uit het begin van de 19e eeuw (bron: beeldbank.cultureelerfgoed.nl).

KSP Archeologie

15

Figuur 6: Het plangebied op de kaart uit 1898, Bonneblad (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 7: Het plangebied op de topografische kaart uit 1955 (bron: www.topotijdreis.nl).

KSP Archeologie

16

Figuur 8: Het plangebied op de topografische kaart uit 1966 (bron: www.topotijdreis.nl).

Figuur 9: Het plangebied op de topografische kaart uit 1977 (bron: www.topotijdreis.nl).

KSP Archeologie

17

Figuur 10: Het plangebied op de topografische kaart uit 2005 (bron: www.topotijdreis.nl).

Uit het onderzoek is gebleken dat een deel van het plangebied is afgegraven en later weer is opgevuld en opgehoogd, waarbij de ophoging een groter deel besloeg dan de eerder uitgevoerde opgraving. Een groot deel van de ophoging is binnen de zuidelijke helft van het plangebied mogelijk weer verwijderd. De huidige bebouwing van de opstallen binnen de zuidelijke helft van het plangebied is op een plaatfundering gebouwd, waardoor de hele bouwput tot ca. 0,6 m –mv is verstoord. 2.4

Beschrijving van archeologische gegevens

Om een beeld te krijgen van de archeologische gegevens, zijn de volgende bronnen geraadpleegd:  Archeologische Monumenten Kaart (AMK) (via archis.cultureelerfgoed.nl);  Beschermde archeologische Rijksmonumenten (via archis.cultureelerfgoed.nl);  Archeologische onderzoeken en vondstlocaties uit het Archeologisch Informatiesysteem (Archis) (archis.cultureelerfgoed.nl);1  Digitaal Archief (DANS) Rapporten en onderzoeksgegevens van archeologisch onderzoek (https://easy.dans.knaw.nl/);  Historische kaarten (zie paragraaf 2.3);  Gemeentelijke archeologische beleidskaart (De Roode & Van den Berghe 2008). Binnen het plangebied zijn geen archeologische monumenten (AMK-terreinen), onderzoeksmeldingen en vondstmeldingen aanwezig. In een straal van 500 m rondom het plangebied is één AMK-terrein en zijn meerdere onderzoeksmeldingen en vondstlocaties gemeld (Tabel 1, Bijlage 3). Aangezien het Archeologische onderzoeken die worden uitgevoerd, worden verplicht aangemeld en krijgen vervolgens een onderzoeksmeldingsnummer. Ook worden vondstlocaties gemeld. Onderzoeken worden na afronding afgemeld, waarbij het rapport digitaal wordt gedeponeerd. Onderzoeksmeldingen van bureauonderzoeken die nog niet afgemeld waren in mei 2015 hebben automatische de status ‘afgemeld’ gekregen, waardoor rapporten ontbreken. 1

KSP Archeologie

18

plangebied in het buitengebied van Groenlo ligt worden de onderzoeks- en vondstmeldingen binnen de historische kern van Groenlo (AMK-terrein 13210) buiten beschouwing gelaten. AMK-terrein

Locatie en ligging

Aard terrein/waarde

Datering

13210

Centrum Groenlo, op 325 m ten W

Stad, terrein van archeologische waarde

ME-NT

Onderzoeks/vondstmelding

Locatie en ligging

Type onderzoek

Aard vondstlocatie/resultaten

Datering

2016749100

Groenlo, op 130 m ten N

Veldkartering 1989 door particulier

Geen gegevens in Archis

Onbekend

2053903100

Tuincentrum Twenteroute, op 275 m ten N

Bureau- en booronderzoek 2003 door Synthegra

Zie tekst

n.v.t.

2079840100

Winterswijk, op 50 m ten O

Bureau- en booronderzoek 2007 door RAAP

Zie tekst

n.v.t.

2144048100

Groenlo, percelen bovenstrooms N18, op 470 m ten N

Bureau- en booronderzoek 2007 door RAAP

Geen gegevens in Archis en DANS

Onbekend

2253196100

Eschweg, op 410 m ten NW

Bureau- en booronderzoek 2009 door RAAP

Zie tekst

n.v.t.

2259547100

Groenlo, op 300 m ten W

Bureau- en booronderzoek 2007 door Synthegra

Geen gegevens in Archis en DANS

Onbekend

2265849100

N18 VarsseveldEnschede, 0p 10 m ten W

Bureau- en booronderzoek 2007 door Oranjewoud (Van der Haar et al. 2011)

Niet direct relevant voor huidige plangebied

n.v.t.

2358578100

N18 Groenlo, op 360 m ten N

Proefsleuven 2012 door Oranjewoud

Zie tekst

IJZM

2358586100

Eibergseweg, op 480 m ten N

Proefsleuven 2012 door Oranjewoud

Zie tekst. Sporen. Vuursteen vondsten.

NT PALEOLNEO

3995020100

Recreatiepark Marveld, op 300 m ten ZO

Bureau- en booronderzoek 2016 door Archeodienst

Zie tekst

n.v.t.

4025119100

Op 0 m ten W

Archeologische begeleiding 2016 door Vestigia

Tijdens de begeleidingen zijn geen archeologische waarnemingen gedaan. Rapport nog niet in Archis.

n.v.t.

4704604100

Marhulzerweg 14, op 310 m ten NW

Bureau- en booronderzoek 2019 door Econsultancy

Zie tekst

n.v.t.

2919608100

Spoorstraat, op 410 m ten ZW

Niet Archeologisch 1998 metaaldetector

Bronzen gesp

MEV

Marveld, op 500 m ten Indirect: uit archief 1996 Locatie havezathe Marveld NT ZO (Nuijten 1996) Tabel 1: Overzicht van de AMK-terreinen, onderzoeks- en vondstmeldingen binnen een straal van 500 m rondom het plangebied (bron: archis.cultureelerfgoed.nl, tenzij anders vermeld). 2957379100

AMK-terrein 13210 (Centrum Groenlo) Terrein met daarin de middeleeuwse stadsresten van Groenlo. Oudste vermelding in 1188 als Gronlo. In 1236 komt de hof Groenlo in handen van graaf Otto II van Gelre; in 1246 is voor het eerst sprake van een parochie. In 1251 wordt er in bronnen gerept van burgers, in 1265 is voor het eerst sprake van een schepenbestuur. Toch dateert Groenlo's stadsrecht (het Zuthfense) van 1277. Mogelijk verkreeg de nederzetting al eerder stedelijke rechten. De stad is waarschijnlijk onder Reinoud III (1327-1343) ommuurd; van 1548 tot 1555 omvest. Onderzoeksmelding 2053903100 (Tuincentrum Twenteroute, Bergman et al. 2003) De eerste 90 tot 110 cm van het profiel zijn sterk verstoord. Er is veel recent puin aangetroffen in de boorkernen. Uit de bureaustudie, paragraaf 3.2, is gebleken dat de onderzoekslocatie is gesitueerd op een enkeerdgrond of op een beekeerdgrond. Een kenmerk van een beekeerdgrond is dat het een

KSP Archeologie

19

roestige laag op geringe diepte heeft. Deze roestige laag is in boring 1, 3, en 5 aangetroffen op een diepte van ongeveer 1 meter onder maaiveld. Hoewel het bodemprofiel niet meer intact is en het oorspronkelijke bodemtype daardoor eigenlijk niet meer te determineren is, is de aanwezigheid van de roestige laag toch een aanwijzing dat hier oorspronkelijk een beekeerdgrond heeft gezeten. In het gezeefde sediment zijn geen archeologische indicatoren zoals vuursteen of aardewerk gevonden. Op het moedermateriaal dat bestaat uit zeer grof geelbruin tot lichtbruin zand zijn geen sporen aangetroffen die duiden op voormalige bebouwing.

Onderzoeksmelding 2079840100 (Winterswijk, Thanos 1997) Het betreft een booronderzoek en proefsleuven uitgevoerd door RAAP in het kader van de ruilverkaveling. Er zijn vijftien vindplaatsen ontdekt. Veertien uit de prehistorie en/ of Middeleeuwen, één alleen Middeleeuwen. Eén vindplaats is grotendeels opgegraven, voor de rest geldt behoud in-situ. Niet direct relevant voor huidig onderzoek. Onderzoeksmelding 2253196100 (Eschweg, Kastelein 2009) De in het plangebied verwachte hoge zwarte enkeerdgrond is niet aangetroffen. In alle boringen is onder een donkerbruingrijze, matig humeuze bouwvoor en een bruingrijze, recente ophogingslaag een verstoord pakket aangetroffen. Dit pakket kenmerkt zich door grote brokken geel zand die afkomstig zijn uit de natuurlijke ondergrond van het gebied. De verstoring bereikt een diepte variërend tussen 1,0 en 1,6 m -mv en bevat onder meer recent glas en bouwpuin. Onder deze verstoring is in boring 2 dekzand aangetroffen. In boring 5 is waargenomen dat de recente verstoring abrupt overgaat in verspoeld dekzand. Voor het overige bestaat de natuurlijke ondergrond uit matig grof, scherp aanvoelend beddingzand. Waarschijnlijk betreft het afzettingen van een voorloper van de nabijgelegen Slinge of om pleistocene smeltwaterafzettingen.

Op basis van de onderzoeksresultaten kan worden geconcludeerd dat bij toekomstige woningbouw in het plangebied aan de Eschweg 23 te Groenlo geen archeologische resten zullen worden verstoord. De bodem is verstoord tot diep in de natuurlijke Chorizont. Onderzoeksmelding 2358578100 (N18, Vissinga et al. 2013) In het vooronderzoek door middel van boringen was ter plaatse van vindplaats 9 over het algemeen een esdek aanwezig, met plaatselijk een verstoorde laag tussen de bouwvoor en de onderliggende Chorizont. Uit de gedocumenteerde profielen is dit beeld bevestigd. De bodemopbouw binnen het plangebied bestaat uit een zwak silte, zwak humeuze bouwvoor waaronder een zwak humeus, donkerbruin grijs plaggendek aanwezig is. Op een diepte van ca. 0,8 m - mv is de C-horizont aanwezig. Deze bestaat uit zwak lemig, zwak siltig, licht bruingeel zeer fijn zand. Vindplaats met sporen en vondsten uit de Midden-IJzertijd. Onderzoeksmelding 2358586100 (N18, Vissinga et al. 2013) Binnen het plateauachtige terras naast vindplaats 11 doorsnijdt een oost-west georiënteerd droog dal het tracé van de N18. Het dal, eens een stromende beek, was in het verleden een aantrekkelijke woonlocatie. Met de vorming van het terras door het landijs is veel grindig materiaal aangevoerd. Dit bleek zowel tijdens het booronderzoek als tijdens het proefsleuvenonderzoek.

De boorpofielen uit het vooronderzoek lieten een AC-profiel zien. In sommige boringen bleek de bouwvoor verstoord op de CProjectnr. 246533.02 juli 2013, revisie 03 blad 148 van 199 horizont te liggen, of was er tussen de bouwvoor en de C-horizont nog een verrommelde laag aanwezig. In slechts zes boringen werd een deels intact podzolprofiel waargenomen. Dit beeld werd tijdens het proefsleuvenonderzoek bevestigd: de bodem bleek grotendeels afgegraven tot in de C-horizont. Er was sprake van een scherpe overgang van de dunne bouwvoor en de C-horizont van zeer fijn, zwak siltig zand. Binnen het plangebied zijn weliswaar geen aanwijzingen aangetroffen voor het verwachte urnenveld, maar wel is sprake van een (ontginnings)greppel, karrensporen en een aantal paalkuilen. Het karrenspoor loopt duidelijk in de richting van Groenlo, maar is op historisch kaartmateriaal niet terug te zien. De sporen zijn goed geconserveerd maar bevatten geen dateerbaar vondstmateriaal. Het binnen de vindplaats aangetroffen vuursteen kon

KSP Archeologie

20

worden gedateerd op 'steentijd onbepaald' en het keramiek stamt uit de periode nieuwe tijd A tot en met nieuwe tijd C. De vondsten zijn echter gedaan tijdens de aanleg van het vlak en geven geen datering van de aangetroffen vindplaats. Vanwege het verstoorde bodemprofiel (geen podzolprofiel) wordt de kans klein geacht dat binnen het plangebied een intacte vuursteenvindplaats uit deze periode aanwezig is.

Onderzoeksmelding 3995020100 (recreatiepark Marveld, Koeman 2016) Ter plaatse van boring 12 bestaat de natuurlijke ondergrond uit een grijze, sterk zandige kleilaag met daaronder zwak siltig, zeer fijn zand waarin humeuze banden zijn ontwikkeld. Vanwege deze kenmerken, de stratigrafische positie en de landschappelijke ligging zijn beide lagen geïnterpreteerd als beekafzettingen (Laagpakket van Singraven, Formatie van Boxtel). Dit is de enige plaats waar duidelijke beekafzettingen zijn aangetroffen. Er is dus geen sprake (meer) van een afdekkende holocene deklaag. In het algemeen bestaat de natuurlijke ondergrond namelijk uit zwak siltig, zeer fijn zand dat goed is gesorteerd en afgerond aanvoelt. Dit zand kan zijn afgezet door de beek maar kan op basis van de textuur ook dekzand zijn. Of een combinatie van beiden waarbij het zand oorspronkelijk als dekzand is afgezet en vervolgens geërodeerd en opnieuw afgezet door de beek. Ter plaatse van boring 14 is onder een zwak siltige dekzandlaag tussen 75 en 90 cm beneden maaiveld een laag lemig zand aangetroffen met daaronder zwak siltig, matig fijn zand dat matig is gesorteerd en scherp aanvoelt. Deze afzettingen zijn geïnterpreteerd als fluvioperiglaciale afzettingen.

Dit laat zien dat de dekzandlaag relatief dun is waardoor geen sprake is van een hoge dekzandrug maar eerder van een hogere welving of dat de oorspronkelijke rug is afgegraven. In het noordelijke deel van het plangebied zijn geen natuurlijke bodemhorizonten aangetroffen van de leek-/woudeerdgronden zoals die werden verwacht. In het zuidelijke deel van het plangebied komen volgens de bodemkaart hoge zwarte enkeerdgronden voor die worden gekenmerkt door een antropogene bodemhorizont (humeuze laag) van meer dan 50 cm dik. In de boringen 9 en 14 is inderdaad een donkerbruine, humeuze bovengrond aangetroffen (Aaphorizont) die 50 – 60 cm dik is. Ter plaatse van boring 10 is de bovengrond voor de classificatie als enkeerdgrond 10 cm te dun maar het uiterlijk van de bovengrond is vergelijkbaar met de boringen 9 en 14. In boring 14 is onder de humeuze bovengrond tussen 50 – 55 cm een licht oranjebruine laag aangetroffen die op basis van de kleur is geïnterpreteerd als een BC-horizont. Dit zou de overgangslaag geweest kunnen zijn geweest van de oorspronkelijke podzolbodem naar de C-horizont. Restanten van een podzolbodem zijn overigens niet in het plangebied aangetroffen. De aanwezigheid van een BChorizont impliceert dat een eventuele ontgraving of egalisatie binnen het zuidelijke deel van het plangebied beperkt is geweest of in zijn geheel niet heeft plaatsgevonden.

Onderzoeksmelding 4704604100 (Marhulzenweg 14, Holl 2019) Tijdens het booronderzoek is vastgesteld dat de natuurlijke ondergrond uit lichtgrijs, slecht gesorteerd zand bestaat. Dit betreft een pakket verspoeld dekzand, dat vaak voorkomt in lager gelegen delen van het dekzandgebied. De top van het dekzand bevindt zich op 90 à 140 cm –mv. Hierboven bevinden zich vlekkerige lagen waarin vaak (recente) puinfragmenten aanwezig zijn. Onderin dit verstoorde pakket zijn vaak resten van de oorspronkelijke C-horizont te herkennen, wat erop duidt dat hier geen sprake is van een ophogingspakket, maar eerder een verstoord pakket, vermoedelijk gerelateerd aan de bouw van het huidige woonhuis en het woonhuis van het naastgelegen perceel. Aangezien de bodem diep verstoord is (tot minstens 90 cm –mv) en zich hieronder verspoeld dekzand bevindt, vaak kenmerkend voor zones met ongunstige bewoningsomstandigheden, wordt de kans op behoudenswaardige archeologische vindplaatsen in het plangebied klein geacht. Uit de onderzoeksmeldingen komt naar voren dat eventuele vindplaatsen zich op de dekzandruggen bevinden en dat binnen de lager gelegen delen van het beekdal zowel fijn- als grofzandige afzettingen voorkomen al dan niet afgedekt door leem dan wel klei.

Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart, die is gebaseerd op de archeologische landschappenkaart (Figuur 2), is aan de dekzandrug een hoge verwachting (AWV categorie 6) en aan de

KSP Archeologie

21

beekdalbodem en dekzandlaagte een lage verwachting (AWV categorie 9) toegekend. Aan de noordwestpunt met een dekzandwelving is een middelhoge verwachting (AWV categorie 8) toegekend (Figuur 11). De noordwestpunt heeft op het bestemmingsplan geen archeologische verwachtingswaarde (zie paragraaf 1.3).

Figuur 11: Het plangebied op de archeologische beleidskaart van de gemeente Groenlo (De Roode & Van den Berghe 2008).

2.5

Beschrijving van de ondergrondse bouwhistorische waarden

Hoewel het plangebied momenteel deels bebouwd is, zijn geen (ondergrondse) bouwhistorische resten binnen het plangebied bekend (paragraaf 2.1). Op basis van de monumentenlijsten (paragraaf 2.1) zijn binnen het plangebied geen (ondergrondse) bouwhistorische resten aanwezig. Op grond van het

KSP Archeologie

22

historisch kaartmateriaal (paragraaf 2.3), zouden eventueel langs de oostrand van het plangebied nog bouwhistorische resten van enkele schuurtjes aanwezig kunnen zijn. Op grond van de archeologische gegevens (paragraaf 2.4) worden geen bouwhistorische resten verwacht. 2.6

Gespecificeerde archeologische verwachting

Op de gemeentelijke archeologische beleidskaart is aan het plangebied een deels een hoge, deels een middelhoge en deels een lage archeologische verwachting toegekend (Figuur 11). Op basis van de gegevens uit het bureauonderzoek (paragraaf 2.1 t/m 2.5) is voor het plangebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (samengevat in Tabel 2). Deze verwachting zal in de onderstaande tekst worden toegelicht. Periode

LaatPaleolithicum – Neolithicum

Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw)

Landschap Dekzandrug noordwestelijke helft Beekdalbodem zuidoostelijke helft Dekzandrug noordwestelijke helft Beekdalbodem zuidoostelijke helft

Verwachting Hoog

Laag

Hoog

Laag

Verwachte kenmerken vindplaats Bewoningssporen, tijdelijke kampementen, vuursteen artefacten, haardkuilen Nederzetting: cultuurlaag, (paal)kuilen, greppels, fragmenten aardewerk, natuursteen, gebruiksvoorwerpen Begravingsresten: kringgreppel, fragmenten aardewerk (urn), verbrande botresten

Dekzandrug noordwestelijke Laag Huisplaats: cultuurlaag, (paal)kuilen, helft greppels, bakstenen, fragmenten Beekdalbodem aardewerk, gebruiksvoorwerpen zuidoostelijke Middelhoog helft Tabel 2: Specifieke archeologische verwachting per periode voor het plangebied. Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw)– Nieuwe tijd

Diepteligging sporen Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) Onder de leek/Woudeerdgronden vanaf 20-60 cm -mv Onder het plaggendek vanaf de top van de podzolbodem (vanaf ca. 50 cm -mv) tot in de C-horizont Onder de leek/Woudeerdgronden vanaf 20-60 cm -mv

Onder de bovengrond (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de C-horizont

Het landschap heeft met name voor de prehistorische mens een belangrijke rol gespeeld in de keuze voor een bewoningslocatie. De noordwestelijke helft van het plangebied ligt op een dekzandrug en de zuidoostelijke helft ligt binnen een beekdalbodem. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het plangebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het Laat-Paleolithicum tot en met de Nieuwe tijd. Jager-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum kozen als woon- en verblijfplaats vaak voor de hoger liggende terreingedeelten in het landschap, bij voorkeur in de buurt van open water zoals een beekdal of vennetje. Water was een belangrijk gegeven, niet alleen voor het lessen van de dorst. Nabij water heerst er ook een grotere biodiversiteit wat de jacht en het verzamelen van plantaardig voedsel vergemakkelijkt. Archeologische vindplaatsen uit deze periode komen dus met name voor op overgangen van nat naar droog (de zogenaamde gradiëntzones). Aangezien de noordwestelijke helft van het plangebied op een dekzandrug langs een beekdal ligt, is aan dit deel van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum.

Aangezien de zuidwestelijke helft van het plangebied binnen een beekdalbodem ligt, is aan dit deel van het plangebied een lage verwachting toegekend voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum. Noordwestelijke helft plangebied 1. Datering: Laat-Paleolithicum - Neolithicum 2. Complextype: kampement/vuursteenvindplaats 3. Omvang: een paar vierkantenmeter (klein) tot enkele honderden vierkantenmeters (groot)

KSP Archeologie

23

4.

5.

6. 7. 8.

Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). Eventuele diepere grondsporen zoals haardkuilen kunnen tot in het dekzand (C-horizont) reiken. Gaafheid en conservering: door het historisch landgebruik als bouwland vanaf minimaal de 16e eeuw is de kans groot dat de oorspronkelijke bodem geheel is opgenomen in het plaggendek. De kans dat een intacte vuursteenvindplaats aanwezig is wordt daarom klein geacht. Wel kan de aanwezigheid van een vuursteenvindplaats worden aangetoond op basis van concentraties van fragmenten vuursteen in het plaggendek en/of in de onderliggende bodem. Locatie: noordwestelijke helft plangebied. Uiterlijke kenmerken: Vuursteenvindplaatsen worden gekenmerkt door een vuursteenspreiding (artefacten, afslagen e.d.) en eventueel sporen in de vorm van ondiepe haardkuilen. Mogelijke verstoringen: vuursteenvindplaatsen zijn kwetsbaar voor bodemingrepen omdat ze zich in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem bevinden. Door landbewerking kan het archeologische vondstenniveau geheel zijn opgenomen in het plaggendek. Ook kan door afgraving (Figuur 7) van een deel van de dekzandrug een deel van een eventueel aanwezig vindplaats zijn verdwenen.

Vanaf het Neolithicum ontstaan in onze streken de eerste landbouwculturen die gekenmerkt worden door sedentaire nederzettingen. In de beginperiode combineert men akkerbouw met het jagen en verzamelen, maar geleidelijk stapt men over naar akkerbouw en veeteelt. In de periode vanaf het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) heeft men een voorkeur voor hoger en droger gelegen gebieden, die geschikt waren voor akkerbouw. Aangezien de noordwestelijke helft van het plangebied op een dekzandrug langs een beekdal ligt, is aan dit deel van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Aangezien de zuidwestelijke helft van het plangebied binnen een beekdalbodem ligt, is aan dit deel van het plangebied een lage verwachting toegekend voor vindplaatsen uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw). Noordwestelijke helft plangebied 1. Datering: Neolithicum – Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) 2. Complextype: vindplaatsen vanaf het Neolithicum bestaan uit nederzettingssporen en/of sporen van begravingen. 3. Omvang: nederzettingsterreinen of grafvelden/begravingen variëren in grootte van enkele honderden tot duizenden vierkante meters en kunnen zich soms over meerdere hectaren uitstrekken. 4.

Diepteligging: het potentiële archeologische niveau ligt onder het plaggendek in de top van de oorspronkelijke (podzol)bodem (vanaf ca. 50 cm -mv). De (diepere) grondsporen reiken tot in het dekzand (C-horizont). 5. Gaafheid en conservering: het archeologische sporenniveau in de top van de C-horizont zal naar verwachting goed zijn beschermd door het plaggendek dat vanaf de 16e eeuw is opgebracht. Wel zal (een deel van) het vondstniveau in de onderzijde van het plaggendek zijn opgenomen. 6. Locatie: noordwestelijke helft plangebied. 7. Uiterlijke kenmerken: De nederzettingen worden gekenmerkt door permanente woningen die vaak diep in de grond gefundeerd waren. Waterputten werden gegraven voor de watervoorziening terwijl in en nabij de nederzetting afvalkuilen werden gegraven om afval te begraven. Naast nederzettingsresten kunnen ook begravingen voorkomen. Restanten hiervan kunnen bestaan uit kringgreppels, fragmenten aardewerk (urnen), crematieresten, inhumaties e.d. De sporen kunnen diep in de bodem reiken. Vondstmateriaal van de nederzetting kan door landbewerking in het bovenliggende plaggendek terecht zijn gekomen. 8. Mogelijke verstoringen: de kans dat het archeologische sporenniveau in de top van de Chorizont is verstoord, wordt klein geacht met uitzondering van de afgegraven delen. De

KSP Archeologie

24

verzamelde gegevens in het bureauonderzoek geven aanwijzingen voor diepe (recente) bodemverstoringen voor een deel van het noordwestelijke deel van het plangebied (Figuur 7). Vanaf de Late Middeleeuwen verandert het bewoningspatroon. Bewoning concentreert zich in dorpen, steden en bewoningsclusters. Rondom deze dorpen ligt het landbouwareaal dat instaat voor de voedselvoorziening van de inwoners. In deze periode is de landschappelijke ligging van het gebied niet meer doorslaggevend voor de locatiekeuze. Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat het plangebied buiten de historische stadskern van Groenlo ligt. Op de kaart uit het einde van de 18e eeuw (Figuur 4) is langs de oostelijke rand bebouwing te zien in de vorm van enkele schuurtjes. Op basis hiervan is aan de zuidoostelijke helft van het plangebied een middelhoge verwachting toegekend voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd. Binnen de noordwestelijke helft van het plangebied worden geen bebouwingsresten verwacht, vandaar dat aan dit deel een lage verwachting is toegekend voor de perioden Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd. Zuidoostelijke helft plangebied 1. Datering: Huisplaats (waarschijnlijk schuur) dateert vermoedelijk uit de Nieuwe tijd (13e – 18e eeuw). 2. Complextype: Nederzetting (huisplaats) 3.

Omvang: de huisplaats heeft op basis van historisch kaartmateriaal een oppervlakte van enkele tientallen m2. 4. Diepteligging: het leesbare sporenniveau wordt onder de bovengrond verwacht (vanaf ca. 30 cm -mv) tot diep in de bodem. 5. Gaafheid en conservering: omdat de archeologische resten voor de huisplaats (schuur) naar verwachting uit houtbouw bestaat, zal de gaafheid en conservering minder goed zijn mits de funderingen niet zijn verwijderd. 6. Locatie: langs de oostgrens van de zuidoostelijke helft van het plangebied. 7. Uiterlijke kenmerken: ter plaatse van de schuur kunnen plankenresten, paalkuilen en mogelijk ophogingslagen aanwezig zijn. Daarnaast kan vondstmateriaal aanwezig zijn in de vorm van fragmenten aardewerk, fragmenten metaal, gebruiksvoorwerpen e.d. 8. Mogelijke verstoringen: de huisplaats/schuur kan zijn aangetast/verdwenen door sloopwerkzaamheden en latere ploegwerkzaamheden. 2.7

Conclusie en advies

Op basis van de landschappelijke ligging op een dekzandrug voor de noordwestelijke helft en een ligging binnen een beekdalbodem voor de zuidoostelijke helft van het plangebied en het historisch kaartmateriaal, is aan de noordwestelijke helft van het plangebied een hoge verwachting toegekend voor zowel vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) en een lage verwachting voor bebouwingsresten vanaf de Late Middeleeuwen (vanaf de 13e eeuw) en de Nieuwe tijd. Voor de zuidoostelijke helft van het plangebied is zowel voor vuursteenvindplaatsen uit het Laat-Paleolithicum tot en met het Neolithicum als voor nederzettingsresten uit het Neolithicum tot en met de Volle Middeleeuwen (tot in de 13e eeuw) een lage verwachting toegekend en een middelhoge verwachting voor bebouwingsresten (vooral aan de oostgrens). Het advies is om de opgestelde specifieke verwachting te toetsen door middel van een Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase. Met dit onderzoek wordt de bodemopbouw in kaart gebracht en wordt de intactheid van de bodem en het potentiële archeologische niveau vastgesteld.

KSP Archeologie

25

3

Inventariserend Veldonderzoek, verkennende fase

3.1

Werkwijze

Op basis van de opgestelde specifieke archeologische verwachting en de mogelijk aanwezige bodemverstoring is een verkennend booronderzoek uitgevoerd. Voor het verkennende booronderzoek is uitgegaan van een boordichtheid van 6 boringen per hectare. Aangezien het plangebied een oppervlakte heeft van ca. 2 hectare, zijn er 14 boringen gezet (Bijlage 4). Vanwege de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het plangebied verdeeld. De exacte boorlocaties zijn ingemeten met een meetlint. De hoogteligging van de boringen ten opzichte van NAP is geschat op basis van het AHN. De boringen zijn geplaatst met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 20 cm in de C-horizont of doorgezet tot maximaal 2,0 m beneden maaiveld. Het opgeboorde sediment is met de hand verbrokkeld en versneden en met het blote oog geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren zoals houtskool, vuursteen en aardewerk. De boringen zijn beschreven conform de NEN 5104 en de bodemclassificatie volgens De Bakker & Schelling (1989) (Bijlage 5). 3.2

Veldsituatie

Het zuidoostelijke deel (boring 1-8) van het plangebied (beekdalbodem) ligt wat lager (50 tot 80 cm) dan het noordwestelijke deel (dekzandrug, boring 9-14), hoewel binnen het zuidoostelijke deel ook lokale hoogteverschillen aanwezig zijn. Het hoogteverschil tussen beide delen verloopt geleidelijk, waardoor er voor het noordwestelijke deel nauwelijks gesproken kan worden van een dekzandrug. Onderstaande foto’s geven een indruk van het plangebied.

Figuur 12: Het plangebied gezien vanaf het noorden (westzijde), gefotografeerd tegen het zuiden.

KSP Archeologie

26

Figuur 13: Het weiland met op de achtergrond de grote rijstal en schuur gezien vanaf het noordoosten en gefotografeerd tegen het zuidwesten.

Figuur 14: Het weiland gezien vanaf het zuiden en gefotografeerd tegen noorden, met links de rijstal en in het midden bijgebouwen.

3.3

Beschrijving en interpretatie van de boorgegevens

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11086396/1