CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bp bommelwereld toelichting bijlage 10 quickscan wet natuurbescherming

Raadscommissie 8 februari 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Bestemmingsplan Bommelwereld en ruimtelijk kwaliteitskader Bommelwereld12.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Quick scan natuur

Groenlo, Elshofweg 6

Recreatiepark Marveld

Datum: 21 mei 2020 Projectnummer: 190349.01

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2

Aanleiding Plangebied

3 3

2

Wettelijk kader

7

2.1 2.2 2.3

Gebiedsbescherming Soortenbescherming Bescherming houtopstanden

7 8 8

3

Onderzoeksmethode

10

3.1 3.2

Deskundigheid Werkwijze

10 10

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten

12

4.1 4.2 4.3

Ligging beschermde gebieden Aanwezigheid beschermde soorten Aanwezigheid houtopstanden

12 13 25

5

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject

26

5.1 5.2 5.3

Mogelijke effecten op beschermde gebieden Mogelijke effecten op beschermde soorten Mogelijke effecten op beschermde houtopstanden

26 26 31

6

Conclusie

33

Geraadpleegde bronnen Bijlage 1. Wettelijk kader

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Tussen de Maarsevonder en de Groenlose Slinge bevindt zich een terrein wat eigendom is van het recreatiepark Marveld. Op dit terrein zijn woningen, oude schuren en maïsvelden aanwezig. Het recreatiepark Marveld, aan de Elshofweg te Groenlo – provincie Gelderland, heeft het voornemen het recreatiepark uit te breiden met een dagrecreatieve voorziening inclusief bijbehorende parkeerterrein. Hiertoe moet het bestemmingsplan worden aangepast. Voor de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan is het noodzakelijk dat de haalbaarheid ervan wordt aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling mogelijk sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.

1.2

Plangebied

1.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de rand van Groenlo (gemeente Groenlo – provincie Gelderland, regio Achterhoek). De omgeving van Groenlo kenmerkt zich door agrarische gronden. In de nabijheid liggen natuurgebieden als de Zumpe, het Buskerbos en het Bönnink. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van de autoweg de N18 aan de westzijde van het plangebied. Nog voor de autoweg in het westen ligt de Maarsevonder, welke door het plangebied loopt. Direct ten oosten van het plangebied ligt de beek de Groenlose Slinge. Ten noorden buiten het plangebied is een tuincentrum en een woonhuis aanwezig. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich het bungalowpark van het recreatiepark Marveld. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het plangebied weer.

3

Topografische kaart met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd).Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Luchtfoto met de globale ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Op 8 mei 2020 is een veldbezoek uitgevoerd. Het plangebied bestaat uit een drie woonhuizen, twee grote opslagschuren welke vroeger in gebruik waren als paardenstallen en een aantal kleinere schuren bij de woningen. Verder zijn er drie maïsvelden aanwezig en één weide met voornamelijk paardenbloemen en smalle weegbree. Het plangebied is omringd door inheemse bomen en lage struiken. De maïsvelden en de weide zijn ook omringd door jonge bomen en lage struiken. Ten noordwesten van het plangebied bevindt zich een kleine bomengroep. In deze opstand staan veel hazelaars die zijn beheerd door middel van hakhoutbeheer. Ook staan wat grotere bomen waaronder eiken, es, berk en beuk. Ook kleinere boomsoorten als lijsterbes en vogelkers staan in deze houtopstand. Ondergroei is niet aanwezig. Langs de oostzijde van het plangebied loopt de Groenlose slinge, deze heeft aan de kant van het plangebied een natuurlijke oever welke begroeid is met riet. Dit riet loopt over in de boomopstand. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van het plangebied ten tijde van het veldbezoek.

4

1.2.2

Het maïsveld in het oosten.

De Groenlose Slinge.

De houtopstand in het oosten.

De opslagschuur in het zuiden.

Toekomstige situatie In de toekomstige situatie zal in het plangebied een voorziening voor dagrecreatie met landelijke uitstraling gerealiseerd zijn. De functie van deze voorziening zal vierdelig zijn, namelijk educatief, museaal, entertainment en theater/film. Deze functies zullen grotendeels overdekt plaatsvinden door het realiseren van een omvangrijke binnenruimte. Naast deze binnenruimte, zal een grote buitenspeeltuin gerealiseerd worden. Ook zal een parkeerplaats met ca. 400 parkeerplaatsen gerealiseerd worden. Hiertoe wordt de bestaande bebouwing en een groot deel van het aanwezige groen verwijderd. Zie onderstaande afbeelding voor de mogelijke toekomstsituatie van het plangebied. Het is nog niet volledig duidelijk of de bomen en struiken in het westen en oosten worden aangetast. Daarnaast is er mogelijk sprake dat een nevengeul van de Groenlose Slinge in het plangebied aangelegd wordt, waardoor een klein eilandje bestaat. In de quick scan zal hier rekening mee gehouden worden.

5

Schets van mogelijke toekomstsituatie. Bron: SAB.

6

2

Wettelijk kader Hieronder staat een samenvatting van het wettelijk kader. Een uitgebreide beschrijving staat in bijlage 1.

2.1

Gebiedsbescherming

2.1.1

Natura 2000-gebieden en bijzondere nationale natuurgebieden Op grond van de Wet natuurbescherming kunnen natuurgebieden of andere gebieden die belangrijk zijn voor flora en fauna, door de Minister worden aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn, de zogeheten Natura 2000-gebieden. Ook kan de Minister op grond van deze wet in enkele specifieke gevallen bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen. Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/ of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significant negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Als een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats, de voortoets. Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld, of geldt in het geval van een project geen vergunningplicht. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan moet, conform artikel 2.8 van de Wet natuurbescherming een passende beoordeling worden gemaakt.

2.1.2

Natuurnetwerk Nederland De Wet natuurbescherming draagt Gedeputeerde Staten op, om in hun provincie te zorgen voor een landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland. Voor dit netwerk geldt, op basis van het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (het Barro), een ‘nee, tenzij’-beschermingsregime. Het bestemmingsplan, of een omgevingsvergunning waarmee van het bestemmingsplan wordt afgeweken, maakt geen ontwikkelingen mogelijk die kunnen leiden tot een significante vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur, of tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van deze gebieden, tenzij er sprake is van groot openbaar belang, er geen reële alternatieven zijn, negatieve effecten zoveel mogelijk worden beperkt en overblijvende negatieve effecten worden gecompenseerd. Provincies dienen deze bescherming te regelen bij provinciale verordening. Daarnaast kunnen provincies bij provinciale verordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen. De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal.

De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren.

7

De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep. De provincie Gelderland vindt het verder van belang dat rustgebieden voor winterganzen geschikt blijven voor ganzen. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden. Ook zijn weidevogelgebieden aangewezen. De provincie wil hier een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels. Beschermde weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden liggen voornamelijk in de GO en voor het overige deel in het GNN.

2.2

Soortenbescherming De bescherming van dier- en plantensoorten is geregeld in de Wet natuurbescherming. Voor een aantal soorten is door middel van verboden een beschermingsregime opgenomen. Er is een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten, voor Habitatrichtlijnsoorten en voor andere soorten. Naast de beschermde plant- en diersoorten geldt voor al de in het wild levende soorten ook een zorgplicht. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Dit houdt onder meer in dat men negatieve gevolgen voor aanwezige soorten zoveel mogelijk beperkt door het nemen van alle maatregelen die redelijkerwijs kunnen worden verwacht. Provinciale Staten kunnen in een verordening een vrijstelling verlenen van de verboden van de wet. De provincie Gelderland heeft besloten voor een aantal algemeen voorkomende zoogdiersoorten en amfibieën een vrijstelling te verlenen, voor handelingen die men verricht in het kader van ruimtelijke inrichting en ontwikkeling en voor handelingen in het kader van bestendig beheer en onderhoud. Het betreft de soorten aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker.

Daarnaast zijn de verboden niet van toepassing op handelingen die men uitvoert in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling of bestendig beheer en onderhoud, wanneer men die handelingen uitvoert conform een goedgekeurde gedragscode. Tot slot kunnen Gedeputeerde Staten, wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat, onder bepaalde voorwaarde een ontheffing verlenen van de verboden.

2.3

Bescherming houtopstanden Het is verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie. Een houtopstand is hierbij gedefinieerd als een eenheid van bomen of struiken met een oppervlakte van ten minste 1.000 vier-

8

kante meter of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat. De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant. Bovenstaande bescherming geldt niet voor alle houtopstanden. De regels zijn onder meer niet van toepassing op houtopstanden op erven of in tuinen en op houtopstanden binnen de, bij besluit van de gemeenteraad, vastgelegde grenzen van de bebouwde kom. Ook voor het dunnen van een houtopstand gelden de regels niet.

9

3 3.1

Onderzoeksmethode Deskundigheid Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen. Onder een ecologisch deskundige verstaan we iemand met aantoonbare ervaring en kennis op het gebied van de ecologie van de betreffende soorten. Onze deskundigen voldoen aan de eisen van een ecologisch deskundige zoals de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland die stelt. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige.

3.2

Definitie product Het product wat in deze rapportage geleverd wordt is een “quick scan natuur”. Dit bestaat uit een “quickscan soorten” conform de begrippenlijst van het Netwerk Groene Bureaus (NGB, 2020), aangevuld met verkennende analyse op het gebied van gebiedsbescherming (Natura 2000-gebieden en Natuurnetwerk Nederland) en een verkennende analyse op het gebied van houtopstanden.

3.3

Werkwijze Voor het onderzoek werd een bureaustudie uitgevoerd en werd een veldbezoek aan de locatie gebracht. Als eerste werd voor het onderzoek, op basis van informatie van de opdrachtgever, het plangebied in beeld gebracht en werden de toekomstige ontwikkelingen beschreven. Vervolgens werd onderzocht welke beschermde plant- en diersoorten in de omgeving van het plangebied zijn te verwachten. Hiervoor werd de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 6 mei 2020, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar werden opgevraagd. Aanvullend hierbij is gebruik gemaakt van andere bronnen, als websites en verspreidingsatlassen. Bij deze bureaustudie werd ook de ligging van het plangebied ten opzichte van Natura 2000gebieden en gebieden die via de provinciale verordening zijn beschermd onderzocht. Hiervoor werd onder meer informatie van de website van de provincie geraadpleegd. Vervolgens werd een veldbezoek aan het plangebied en de directe omgeving ervan gebracht. Dit bezoek vond plaats op 8 mei 2020, bij droog, windstil onbewolkt weer en een temperatuur van circa 17 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de habitats ter plaatse en om de geschiktheid van het plangebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie.

Het eenmalige veldbezoek geeft een globaal beeld van aanwezige soorten en habitats op basis van een momentopname. Met de gegevens uit de bureaustudie en het veldbezoek is vervolgens een inschatting gemaakt van de mogelijke effecten op beschermde soorten en beschermde gebieden. Op basis van deze inschatting is een advies opgesteld met aanbevelingen voor ver-

10

volgstappen. Nadat het eerste conceptrapport gereed was, is dit beoordeeld op inhoud en vorm door een deskundig collega. Het commentaar is vervolgens besproken en verwerkt, om zo tot een eensluidend advies te komen.

11

4

Aanwezigheid beschermde gebieden en soorten In dit hoofdstuk beschrijven wij de ligging van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden en beschrijven we de kans op de aanwezigheid van beschermde soorten. In het volgende hoofdstuk volgt een beoordeling van de mogelijke effecten op beschermde gebieden en beschermde soorten ten gevolge van de ontwikkeling.

4.1

Ligging beschermde gebieden Ligging Natura 2000-gebied Het plangebied ligt niet in een gebied dat in het kader van de Wet natuurbescherming is aangewezen (zie navolgende afbeelding). Wel liggen Natura 2000-gebieden “Korenburgerveen”, “Bekendelle” en “Stelkampsveld” in de directe omgeving van Groenlo. Deze liggen respectievelijk 5; 11,5 en 12,9 kilometer van het plangebied verwijderd.

Globale ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natura 2000-gebieden. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Ligging Natuurnetwerk Nederland Het plangebied ligt binnen de Groene Ontwikkelingszone en net buiten het Gelders Natuurnetwerk (zie navolgende afbeelding). Deze Groene Ontwikkelingszone wordt gekenmerkt als een nat-droge verbindingszone. In nabije omgeving van het plangebied is geen aangewezen weidevogelleefgebied of ganzenfoerageergebied aanwezig.

12

Ligging van het plangebied (rood omkaderd) ten opzichte van Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen). Bron: Stichting Landschapsbeheer Gelderland. Bewerking: SAB.

4.2

Aanwezigheid beschermde soorten

4.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In het plangebied zijn gebouwen en groen aanwezig. Aan de rand van het plangebied is ook een beek aanwezig. Het plangebied vormt daarmee geschikt leefgebied voor in het wild levende planten en dieren.

4.2.2

Vogelrichtlijnsoorten Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als koekoek, tjiftjaf, zwartkop, ekster en merel. Dergelijke soorten kunnen in het plangebied tot broeden komen. In het plangebied is daarnaast een vogelnest in een es waargenomen. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten Naast de reguliere bescherming in het broedseizoen zijn er verschillende vogelsoorten van wie de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Zo zijn er soorten die het hele jaar gebruik maken van het nest. Daarnaast zijn er koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en daarin zeer honkvast zijn. Ook zijn er soorten die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die nauwelijks in staat zijn zelf een nest te maken. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten. Vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON 2002, vogel-

13

bescherming.nl, sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het plangebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond beschermd is, nestelen in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk) en in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil). Alle bomen zijn geïnspecteerd op aanwezige nesten van deze soorten. Er zijn geen nesten aangetroffen die potentieel van één van deze soorten is. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het plangebied verwacht. De steenuil is een honkvaste soort die het gehele jaar in een klein territorium van enkele honderden meters verblijft. Het jachtgebied bestaat uit open terrein met lage vegetatie. Nesten worden het gehele jaar ook als verblijfplaats gebruikt. Nestplaatsen bevinden zich op erven van burgerwoningen, bij boerderijen in agrarisch cultuurlandschap en aan dorpsranden. Nesten worden hier in boomholten, nestkasten of nauwe ruimten in gebouwen gemaakt. De soort broedt vanaf maart tot mei. De jongen vestigen zich op korte afstand van het ouderlijk territorium (SOVON, 2002, BIJ12, 2017d). Het plangebied biedt ideaal habitat voor de steenuil.

Dit vanwege het de aanwezigheid van meerdere kleine schuurtjes en het kleinschalige agrarische gebied met in de randzones foerageergebied. Het voorkomen van de steenuil in het plangebied kan dan ook niet uitgesloten worden. De grote gele kwikstaart is een soort waarvan het nest ook jaarrond is beschermd. De grote gele kwikstaart broedt en foerageert vrijwel uitsluitend aan de oevers van beken en rivieren, liefst met loofbos of loofbomen omzoomt. Dit habitat is aanwezig in het plangebied. Het kan dus niet uitgesloten worden dat de grote gele kwikstaart in het plangebied voorkomt. Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten in gebouwen De huismus en de gierzwaluw zijn vogelsoorten die jaarrond beschermd zijn en die hun nesten in gebouwen hebben. Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (golvende) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen herbergen hoge dichtheden aan huismussen (BIJ12 2017c). Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen.

Veel gebruikte nestlocaties zijn onder scheefliggende of kapotte dakpannen, onder nokpannen, in gaten en kieren onder de dakrand en bij dakkapellen, daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal enkele meters boven de grond te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie geschikt te zijn (BIJ12 2017b). In het plangebied zijn verschillende woonhuizen, schuren en stallen aanwezig welke onderzocht zijn op de aanwezigheid van geschikte nestlocaties van de huismus en de

14

gierzwaluw. Per gebouw verschilt de geschiktheid voor deze soorten. De geschiktheid van de verschillende gebouwen zal daarom apart uiteengezet worden. In onderstaande afbeelding zijn de huizen per kleur omkaderd en elk huis, schuur of stal heeft een nummer gekregen. In de volgende paragrafen zullen deze verschillende gebouwen besproken worden. Alle gebouwen liggen in het geschikte habitat voor huismussen. Groenvoorziening wordt namelijk afgewisseld door bebouwing. Dit gegeven zal niet verder herhaalt worden in de paragrafen.

Het plangebied (rood omkaderd) met daarin de verschillende gebouwen aangegeven door middel van een omkadering. Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

Gebouw 1 (groen omkaderd) Gebouw 1 gaat om een woonhuis met een open schuur. Dit woonhuis heeft een schuin dak met golvende dakpannen en overhangende nokpannen. Hierdoor biedt het woonhuis geschikte nestgelegenheid voor zowel de huismus als de gierzwaluw. De open schuur is echter ongeschikt, dit omdat het dak alleen bestaat uit golvende platen en dit geen isolatie biedt voor deze soorten. Het voorkomen van nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen bij gebouw 1 kan echter niet uitgesloten worden, vanwege de geschiktheid in het woonhuis. Gebouw 2 (roze omkaderd) Gebouw 2 is een grote oude stal die nu in gebruik is als opslagruimte voor het recreatiepark. De stal is opgetrokken uit een stenen muur en stalen platen en heeft een schuin dak, welke bestaat uit golvende platen zonder dakbeschot. Het gebouw is verder geïnspecteerd op kieren, maar deze waren niet aanwezig. Door de afwezigheid van geschikte verblijfplaatsen voor de huismussen en gierzwaluwen, kan het voorkomen van deze soorten in dit gebouw uitgesloten worden. Gebouw 3 (lichtblauw omkaderd) Gebouw 3 is vergelijkbaar met gebouw 2. Het gaat om een oude stal die nu in gebruik is voor opslag. De stal is opgetrokken uit houten wanden en heeft als dak golvende platen zonder dakbeschot. Het gebouw is verder geïnspecteerd op kieren n open ruimtes. Deze zijn niet aangetroffen, alsook geen sporen van één van de soorten.

Het voorkomen van huismussen en/of gierzwaluwen in gebouw 3 kan dus uitgesloten worden.

15

Gebouw 4 (donkerblauw omkaderd) Gebouw 4 bestaat uit een woonhuis met een aantal stallen en schuren. Deze gebouwen zijn geïnspecteerd op kieren en ruimtes onder de dakpannen. De stallen zijn opgetrokken uit baksteen en hebben als dak golvende platen zonder dakbeschot. Deze gebouwen zijn dan ook niet geschikt voor huismus of gierzwaluw. Het woonhuis biedt echter wel geschikte nestlocaties voor zowel gierzwaluw en huismus. Dit omdat deze een schuin dak heeft met dakpannen, waartussen geschikte ruimtes aanwezig zijn. Het voorkomen van nestlocaties van huismussen en gierzwaluwen bij gebouw 4 kan dus niet uitgesloten worden. Gebouw 5 (oranje omkaderd) Gebouw 5 is een woonhuis met een houten schuur. De schuur is vanwege de afwezigheid van dakbeschot niet geschikt als nestlocatie voor huismussen en gierzwaluwen. Het woonhuis heeft echter wel geschikte ruimtes. Het woonhuis is opgetrokken uit steen en heeft een schuin dak met platte dakpannen en overhangende dakpannen. Deze overhangende dakpannen bieden ruimte voor huismussen en gierzwaluwen om te nestelen. Het voorkomen van huismussen en gierzwaluwen bij gebouw 5 kan dus niet uitgesloten worden. 4.2.3

Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Wet natuurbescherming betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in ZuidLimburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl). Volgens de verspreidingsgegevens van NDFF zijn geen beschermde plantensoorten aanwezig in het plangebied. In het plangebied is sprake van voedselrijke en regelmatig bewerkte grond. Planten die aangetroffen zijn, zijn bijvoorbeeld duizendblad, ooievaarsbek, smalle weegbree, paardenbloemen en koekoeksbloemen. Deze soorten geven aan dat de bodem voedselrijk is. Beschermde planten worden in een dergelijk biotoop niet verwacht.

4.2.4

Grondgebonden zoogdieren Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten zoogdieren een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de veldmuis of egel. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

16

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Deze beschermde grondgebonden zoogdieren komen voornamelijk voor in natuurlijkeof half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten, zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de bever, boommarter, bunzing, edelhert, eekhoorn, grote bosmuis, hermelijn, steenmarter, waterspitsmuis en wezel in de omgeving van het projectgebied voor. Bevers zijn knaagdieren die leven in en nabij het water, waar ze hun voedsel zoeken en hun schuilplaatsen maken. De bever heeft een voorkeur voor rustige rivieren en meren omzoomd door bossen met bomen als wilg en es. Bos op de oever is een vereiste, open of rotsige oevers worden vermeden. Als schuilplaats wordt een hol gegraven of een burcht van takken en modder gemaakt. Daarnaast gebruiken bevers regelmatig legers om de dag door te brengen.

Het leger van de bever is een plek met platgetrapte vegetatie of een kuiltje, soms bekleed met houtsnippers (zoogdiervereniging.nl). Het plangebied is doorzocht op knaagsporen en schuilplaatsen van de bever. Deze zijn niet aangetroffen. Bij regelmatig gebruik van het plangebied zijn dergelijke sporen zeer eenvoudig te vinden. Het voorkomen van de bever in het plangebied kan daarom op voorhand uitgesloten worden. De boommarter heeft een voorkeur voor oud (loof-)bos, maar is ook in andere typen bos te vinden. De soort komt soms ook in meer open terreinen voor, mits er voldoende bosjes en lijnvormige elementen in de omgeving zijn, zoals heggen en houtwallen. De boommarter komt slechts incidenteel voor in de nabijheid van gebouwen. Boommarters kiezen een rustplaats in boomholten, konijnen-, vossen of dassenholen, tussen boomwortels of onder takkenbossen. Nesten worden vaak in spechten- of eekhoornholen of inrottingsholen gemaakt (www.zoogdiervereniging.nl). Het plangebied is geïnspecteerd op holtes en konijnenholen. Holtes in bomen zijn niet aangetroffen. In het plangebied zijn wel een aantal konijnenholen aangetroffen, maar hier zat spinnenrag voor. Hieruit blijkt dat deze holen niet in gebruik zijn. De boommarter zal het gebied hooguit gebruiken om soms te foerageren, maar het gebied zal geen essentieel foerageergebied zijn.

Het voorkomen van essentieel leefgebied voor de boommarter in het plangebied kan dus uitgesloten worden. De bunzing heeft een voorkeur voor een kleinschalig landschap met voldoende schuilmogelijkheden en water in de nabijheid. De soort kan ook voorkomen in een bebouwde omgeving met veel groen en in open bossen. De bunzing maakt zijn schuilplaats in oude holen van konijn, mol, vos en das, maar ook steenhopen, holle bomen en boomwortels worden als schuilplaats gebruikt (Bouwens, 2017). Habitat van de bunzing is aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van de bunzing in het plangebied kan dan ook niet op voorhand uitgesloten worden.

17

Het edelhert komt in Nederland enkel nog voor op de Veluwe, de Oostvaardersplassen en het Weerterbos en leeft o.a. in open bossen, drogere loofbossen, heidevelden, vennen en moerassen. In de winter moet er gras binnen bereik zijn. Ook de aanwezigheid van drinkwater is belangrijk. Om te rusten maakt het edelhert van legers in dicht bladerdak van struiken of dicht op elkaar staande dennen (www.zoogdiervereniging.nl). In het plangebied is habitat, zoals bossen, heidevelden en moerassen, van het edelhert niet aanwezig. Het voorkomen van edelherten in het plangebied kan uitgesloten worden. De eekhoorn leeft in allerlei typen bos en is ook in tuinen of parken in de omgeving van bos aan te treffen mits daar voldoende voedsel beschikbaar is. Ze maken een bolvormig nest van takken en bladeren op minimaal 5 meter hoogte in de boom. Ook natuurlijke boomholtes, oude kraaien- of eksternesten, nestkasten of spechtenholen worden als nestlocatie gebruikt (zoogdiervereniging.nl). Het plangebied is geïnspecteerd op de aanwezigheid van eekhoornnesten in holen of nesten. Echter konden deze niet goed geïnspecteerd worden omdat veel blad aan de bomen zat. Het voorkomen van essentieel leefgebied voor de eekhoorn in het plangebied kan dan ook niet op voorhand uitgesloten worden. De grote bosmuis komt voor in allerlei biotopen, zolang er enige dekking is, zoals een lage begroeiing.

De soort komt onder meer voor in bossen, bosranden, parken, braakliggend land en niet te nat rietland. In natte terreinen, dichte grazige vegetatie of open weilanden komt de soort niet voor. De soort heeft een voorkeur voor oude, open eiken- en beukenbossen met een dichte struiklaag. De grote bosmuis is vooral ’s nachts actief en eet vooral zaden, noten en bessen. Nesten van de soort bevinden zich meestal ondergrond, onder wortelstronken of in holen. Habitat van de grote bosmuis komt voor in het plangebied. Het voorkomen van de grote bosmuis in het plangebied kan niet op voorhand uitgesloten worden. De hermelijn leeft in een kleinschalig landschap waar voldoende dekking en open water aanwezig is. De soort mijdt bossen en de bebouwde kom. Als verblijfplaats worden meestal oude mollen of konijnenholen gebruikt, maar de soort kan ook voorkomen in bijvoorbeeld holten in bomen, of houtstapels (Bouwens, 2017). Een gang of hol met een doorsnede van vijf centimeter is al groot genoeg om een hermelijn te huisvesten. In het plangebied is voldoende dekking en open water aanwezig. De hermelijn kan dus in het plangebied voorkomen. De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden.

Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). In het plangebied zijn meerdere mogelijke verblijfplaatsen aanwezig voor de steenmarter. Namelijk in het dichte struweel, in de puinhopen van steen en in de schuren en schuurtjes. Daarnaast is het plangebied één van de laatste stukjes ten westen van de beek, waardoor het mogelijk essentieel foerageergebied vormt. Het voorkomen van de steenmarter in het plangebied kan dan ook niet op voorhand uitgesloten worden.

18

De waterspitsmuis komt voor langs schoon niet te voedselrijk water met goed ontwikkelde watervegetatie en ruig begroeide oevers. Hij wordt aangetroffen langs beken, plassen, rivieren en sloten. Hij leeft binnen een straal van 500 meter langs het water op plaatsen waar voldoende schuilmogelijkheid aanwezig is. Het leefgebied van de waterspitsmuis loopt evenwijdig aan een oever. Mannetjes en vrouwtjes hebben elk hun eigen territorium (www.zoogdiervereniging.nl). Habitat van de waterspitsmuis, zoals beschreven, komt voor in het plangebied. De Groenlose Slinge is niet te voedselrijk met watervegetatie en heeft een ruig begroeide oever aan de westkant welke grenst aan het plangebied. Het voorkomen van de waterspitsmuis in het plangebied kan dan ook niet uitgesloten worden. De wezel is niet gebonden aan een bepaald landschapstype maar heeft een voorkeur voor een kleinschalig (cultuur-) landschap. Een vereiste is wel dat er voldoende dekking aanwezig is, bijvoorbeeld in de vorm van bosschages, houtstapels of heggen. De soort komt ook wel voor in een groene bebouwde omgeving. De soort mijdt natte gebieden. Als verblijfplaats gebruiken ze onder meer houtstapels, oude holen van muizen, ratten en konijnen (Bouwens, 2017). In het plangebied is beschreven habitat van de wezel aanwezig. Daarnaast zijn muizenholen aangetroffen, welke de wezel als verblijfplaats kunnen gebruiken.

Het voorkomen van de wezel in het plangebied kan dus niet uitgesloten worden. 4.2.5

Vleermuizen Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF komen de franjestaart, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis in de buurt van het plangebied voor. Daarnaast kan de baardvleermuis, bosvleermuis, Brandt’s vleermuis, meervleermuis en watervleermuis in de omgeving voorkomen aldus de verspreidingsgegevens van verspreidingsatlas.nl. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Wet natuurbescherming. Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). Boombewonende vleermuissoorten Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors.

Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn hardhout bomen als eik en beuk jonger dan 60 jaar en zachthout bomen jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos 2012). In het plangebied staan verschillende bomen. De volgende soorten bomen zijn aanwezig in het

19

plangebied; eik, es, beuk, berk, hazelaar, vogelkers en verschillende wilgen. Een aantal van deze bomen zijn beheert volgens de hakhout methode, wat ervoor zorgt dat de bomen jong en klein gehouden worden. De andere bomen zijn veelal jong en bevatten geen spechtholen, loshangend schors of andere holtes of spleten. Echter in het westen van het plangebied staan twee robinia’s. Robinia bomen zijn vanwege hun grillige bast snel geschikt voor boombewonende vleermuizen. Deze twee bomen stonden vlak bij de drukke snelweg en te midden van de twee bomen is een lantaarnpaal aanwezig. Door deze twee aanwijzingen zijn de bomen ongeschikt als verblijfplaats voor boombewonende vleermuizen. In het gehele plangebied zijn geen geschikte verblijfplaatsen voor boombewonende vleermuizen gevonden. Verblijfplaatsen van deze soorten vleermuizen worden daarom niet verwacht binnen het plangebied. Gebouwbewonende vleermuissoorten Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12 2017a, Dietz et al. 2011). De verschillende gebouwen zijn tijdens het veldbezoek geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte kieren, spleten en open stootvoegen. Direct rondom de verschillende gebouwen is veel geschikt foerageergebied aanwezig.

Dit vergroot de kans op het voorkomen verblijfplaatsen van vleermuizen in de gebouwen. In de verschillende gebouwen zijn geschikte ruimtes gevonden voor verblijfplaatsen voor gebouwbewonende vleermuizen. Dit gaat om ruimtes tussen kieren, ruimtes achter houten betimmering en ruimtes tussen scheuren in muren. In onderstaande afbeelding staat weergegeven in welke gebouwen geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen aanwezig kunnen zijn. Vanwege de mogelijk geschikte verblijfplaatsen en de foerageerplekken in de nabijheid, kan de aanwezigheid van verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet op voorhand worden uitgesloten.

Kaart van het plangebied (rood omkaderd) waarop staat aangegeven welke gebouwen geschikt zijn voor vleermuizen (groen omkaderd gebouwen) en welke gebouwen niet geschikt zijn (zwart omkaderde gebouwen). Bron: PDOK. Bewerking: SAB.

De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor boom- en gebouwbewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de

20

bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten zijn samengevat in de navolgende tabel. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het plangebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten. Vleermuissoort

Kraamverblijf

Zomerverblijf

Paarverblijf

Winterverblijf

Baardvleermuis

-

-

-

-

Bosvleermuis

-

-

-

-

Brandt’s vleermuis

-

X

-

-

Franjestaart

-

-

-

-

Gewone dwergvleermuis

X

X

X

X

Gewone grootoorvleermuis

X

X

-

-

Laatvlieger

X

X

X

-

Meervleermuis

X

X

X

-

Rosse vleermuis

-

-

-

-

Ruige dwergvleermuis

-

-

X

X

Watervleermuis

-

-

-

-

Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. In het plangebied is veel groen aanwezig en een watergang. Dit biedt geschikt foerageergebied voor vleermuizen. Wanneer dit foerageergebied zal verdwijnen, zullen de eventueel aanwezige verblijfplaatsen in en rondom het plangebied ongeschikt kunnen worden en zijn de vleermuizen genoodzaakt deze te verlaten. In de omgeving van het plangebied is niet direct veel foerageergebied aanwezig. Essentieel foerageergebied is dus mogelijk aanwezig in het plangebied.

Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Aan de oostkant van het plangebied bevindt zich een bomenrij naast een 21

watergang. Deze bomenrij loopt door tot buiten het plangebied, dus van een doorlopende groenstructuur in het plangebied is sprake. Daarom is het niet uit te sluiten dat de bomen in het plangebied onderdeel uitmaken van een essentiële vliegroute voor vleermuizen. 4.2.6

Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de hazelworm en levendbarende hagedis in de buurt van het plangebied voor. De hazelworm leeft in bossen, bosranden, houtwallen en heide maar ook in parken en tuinen in een bosrijke omgeving. De soort wordt het meest in de randzone van heideen bosterreinen aangetroffen. Het leefgebied bestaat uit enigszins vochtige, met dichte vegetatie bedekte gebieden. Ook in kleinschalig cultuurlandschap kan de soort worden aangetroffen. Hazelwormen leven deels ondergronds, onder blad of onder heidestruiken. Het winterhabitat van hazelwormen bestaat uit oude holen (konijnen) en composthopen (Creemers & van Delft, 2009). De hazelworm is zeer gevoelig voor versnippering. Het plangebied is niet aangesloten aan een groot bos- of heidegebied en daarnaast blijkt uit de gegevens van NDFF dat zich in de directe omgeving van het plangebied geen populatie van de hazelworm bevindt.

Het voorkomen van de hazelworm in het plangebied kan dan ook op voorhand uitgesloten worden. Het habitat van de levendbarende hagedis bestaat uit vochtige gebieden zoals natte heiden, drogere delen van moerassen of veengebieden, duinen, open bossen en bosranden. Heide en hoogveen zijn een voorkeurshabitat. De soort wordt ook vaak in bermen, dijken en langs spoorlijnen aangetroffen welke van grote betekenis zijn voor de uitwisseling tussen populaties. Ook in half-natuurlijke graslanden en ruigten kan de soort gedijen. Open plekken om te zonnen zijn een voorwaarde voor vestiging. Winterverblijven bestaan uit vorstvrije plekken in zeggepollen, zandholen of onder boomstronken (Creemers & van Delft, 2009). Bovengenoemd habitat voor de levendbarende hagedis is niet aanwezig in het plangebied. Er is geen sprake van veengebied, moerasachtige delen of heidegebied. Het voorkomen van de levendbarende hagedis in het plangebied kan uitgesloten worden.

4.2.7

Amfibieën Aanwezigheid soorten waarvoor een provinciale vrijstelling geldt Zoals beschreven in paragraaf 2.2, geldt voor een aantal meer algemeen voorkomende beschermde soorten amfibieën een provinciale vrijstelling van de verboden in de wet. Het is goed mogelijk dat in of nabij het plangebied deze soorten voorkomen, zoals de bruine kikker of gewone pad. Deze soorten komen wijdverspreid voor en stellen geen hoge eisen aan hun omgeving.

22

Aanwezigheid soorten waarvoor geen vrijstelling geldt Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens verspreidingsgegevens van de NDFF en verspreidingsatlas.nl komen de boomkikker, heikikker, kamsalamander, knoflookpad en poelkikker in de buurt van het plangebied voor. De meeste amfibieën komen niet voor in wateren waar vis in aanwezig is. De Groenlose Slinge is een beek waar vis in voorkomt. Hierdoor kan het voorkomen van beschermde amfibiesoorten veelal op voorhand uitgesloten worden. De soorten boomkikker, heikikker, kamsalamander en knoflookpad zullen niet voorkomen in wateren waar vissen voorkomen en kunnen dus op voorhand uitgesloten worden. De poelkikker leeft rond onbeschaduwde vennen, poelen en watergangen in hoogveengebieden en in uiterwaarden. De soort is kritisch wat betreft de waterkwaliteit dat voedselarm en schoon moet zijn. De dieren kunnen grote afstanden afleggen en kunnen op grote afstanden van het water worden gevonden.

De poelkikker overwintert op het land waar hij zichzelf ingraaft of gebruik maakt van muizenholletjes, houtstronken of stenen. De overwinteringsplaatsen liggen afhankelijk van het landschapstype binnen de 100 à 200 meter van het water (Creemers & van Delft, 2009, Goverse et al. 2015). Habitat van de poelkikker, zoals watergangen in hoogveengebieden en in uiterwaarden, is niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van de poelkikker en andere beschermde amfibieën kan op voorhand uitgesloten worden. 4.2.8

Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). Volgens de verspreidingsgegevens van NDFF en de verspreidingsatlas komt de grote modderkruiper in de buurt van het plangebied voor. Langs het plangebied stroomt de Groenlose Slinge. De Groenlose Slinge is een beek met langzaam stromend water. Uit het uitgevoerde onderzoek blijkt dat een sliblaag aanwezig is in deze beek. Het leefgebied vormt hierdoor geschikt habitat voor de grote modderkruiper. Het voorkomen van de grote modderkruiper in het plangebied kan dus niet uitgesloten worden. Indien werkzaamheden plaats gaan vinden in de beek, wordt de grote modderkruiper mogelijk verstoord. De aanwezigheid van andere beschermde vissoorten kan op voorhand uitgesloten worden.

23

4.2.9

Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl).

Volgens de verspreidingsgegevens van NDFF komen de dagvlinders grote vos, grote weerschijnvlinder, iepenpage, kleine ijsvogelvlinder en veldparelmoervlinder; de nachtvlinder teunisbloempijlstaart; en de libellen beekrombout, bosbeekjuffer, gevlekte witsnuitlibel en sierlijke witsnuitlibel in de omgeving van het plangebied voor. Dagvlinders en nachtvlinders zijn voor hun overleving afhankelijk van waardplanten om hun eieren op te leggen. Van de vlindersoorten die in de omgeving voor kunnen komen, behalve van de veldparelmoervlinder, zijn de waardplanten niet aangetroffen. De veldparelmoervlinder is echter erg zeldzaam en een zwervende vlinder. De waardplant van de veldparelmoervlinder is de veel voorkomende smalle weegbree. Volgens de verspreidingsgegevens van de veldparelmoervlinder, is er geen populatie van deze vlindersoort aanwezig in of in de buurt van het plangebied. Het voorkomen van de veldparelmoervlinder, alsook de andere beschermde vlindersoorten, in het plangebied kan dan ook uitgesloten worden. Het mogelijk voorkomen van de verschillende libellensoorten in het plangebied wordt hieronder besproken. De beekrombout komt voor bij traagstromde beken met een sliblaag. Vaak zijn grote delen van de oever rijkbegroeid en is het landschap in de omgeving kleinschalig met bosjes, houtwallen, hooilanden, heidevelden en ruigten.

De Groenlose Slinge is een beek die langzaam stroomt en waarin een sliblaag aanwezig is. Echter is specifieke habitat van de beekrombout zoals beschreven niet of nauwelijks aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van de beekrombout in het plangebied kan dan ook uitgesloten worden. De bosbeekjuffer komt voor bij de bovenlopen van beschaduwde, koele, zuurstofrijke beken. De beken zijn grotendeels beschaduwd en zijn arm aan waterplanten. De oevers zijn begroeid met bomen, struiken en ruigtekruiden die door de soort als zitplaats worden gebruikt. Habitat van de bosbeekjuffer zoals hierboven beschreven komt maar deels voor en in klein oppervlakte voor in het plangebied. Het is daarom redelijkerwijs uit te sluiten dat essentieel leefgebied van de bosbeekjuffer verloren gaat door de voorgenomen plannen.

24

Gevlekte witsnuitlibellen zijn vooral te vinden bij verlandingszones van laagveenmoerassen. Daarnaast komt deze soort ook voor in bosplassen en verlandingszones van hoogveen- en heidevennen op de hoge zandgronden en randzones van hoogveen. Het water waar deze soort voorkomt is helder, ondiep (minder dan 1 meter), matig voedselrijk en beschut gelegen. Vegetatieloze en dichtgegroeide wateren worden gemeden. Habitat van de gevlekte witsnuitlibel zoals hierboven beschreven is niet aanwezig in het plangebied. Het voorkomen van de gevlekte witsnuitlibel in het plangebied kan dan ook op voorhand uitgesloten worden. De sierlijke witsnuitlibel komt voor in schone, vegetatierijke vennen, plassen en dode rivierarmen. De sierlijke witsnuitlibel is erg zeldzaam en volgens de verspreidingsgegevens van de witsnuitlibel komt er geen populatie van deze soort in de omgeving van het plangebied voor. Omdat habitat en populaties van de sierlijke witsnuitlibel niet aanwezig zijn in of rondom het plangebied, kan het voorkomen hiervan uitgesloten worden.

4.3

Aanwezigheid houtopstanden In het plangebied is een houtopstand aanwezig. Aan de zuidwestkant van het plangebied staat een bomenrij die doorloopt tot buiten het gebied die meer dan 20 bomen omvat. Aan de oostkant langs de Groenlose Slinge is ook een bomenrij aanwezig die meer dan 20 bomen omvat. Nog onduidelijk is of deze houtopstanden verwijderd zullen worden met de geplande ontwikkelingen.

25

5 5.1

Effectbeoordeling en advies vervolgtraject Mogelijke effecten op beschermde gebieden Natura 2000 Uit voorliggend onderzoek blijkt dat Natura 2000-gebieden “Korenburgerveen”, “Bekendelle” en “Stelkampsveld” in de omgeving van het plangebied liggen. Deze liggen respectievelijk 5; 11,5 en 12,9 kilometer van het plangebied verwijderd. Met de geplande ruimtelijke ontwikkelingen is een toename in stikstofuitstoot in het plangebied te verwachten (Rijksoverheid, 2020). Om te onderzoeken of negatieve effecten door stikstofdepositie te verwachten zijn op de Natura 2000-gebieden, adviseren wij nader onderzoek in de vorm van een AERIUS-berekening uit te voeren. Andere verstoringen als gevolg van de ontwikkeling zijn op voorhand uit te sluiten, zoals verstoring van instandhoudingsdoelstellingen van geluid. Nederlandse Natuurnetwerk Uit voorliggend onderzoek blijkt dat het plangebied in een deel van de Groene Ontwikkelingszone van Gelderland ligt en daarnaast ligt deze tegen een deel van het GNN aan. De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. De provincie Gelderland hanteert bij nieuwe bestemmingsplannen in het GO waarbij meer dan 30% van het gebied zijn ecologische waarde verliest het ‘nee, tenzij-principe’.

Nieuwe ontwikkelingen binnen het GO zijn niet toegestaan wanneer zij kunnen leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN, tenzij deze voldoet aan enkele randvoorwaarden. Het dient dan te gaan om een ontwikkeling van groot openbaar belang, er mogen geen reële alternatieven zijn en de negatieve effecten moeten zoveel mogelijk worden beperkt. De overblijvende effecten moeten verder gecompenseerd worden door realisatie van nieuwe natuur elders. Om uit te zoeken of de voorgenomen ontwikkeling kan leiden tot een significante aantasting van het GNN, adviseren wij om een zogeheten ‘nee, tenzij-onderzoek’ op te stellen. Mocht blijken dat de ontwikkeling niet leidt tot een significante aantasting, dan vormt de ligging binnen het GO geen knelpunt voor het plan. Mocht er wel sprake zijn van een significante aantasting, dan dient uitgezocht te worden of de ontwikkeling kan voldoen aan de hier boven beschreven randvoorwaarden waaronder ontwikkelingen binnen het GO toch mogelijk zijn.

5.2

Mogelijke effecten op beschermde soorten

5.2.1

Zorgplicht, voor alle in het wild levende dieren en planten In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren voorkomen. Bij de ruimtelijke ontwikkeling zouden deze planten en dieren kunnen worden gedood. Voor al de in het wild levende soorten geldt de zorgplicht van de Wet natuurbescherming. Dit houdt in elk geval in dat iedereen die weet dat hij schade aan natuur gaat veroorzaken door een bepaalde handeling, hij deze handeling daarom niet uitvoert, of maatregelen neemt om schade aan de natuur door de handeling zoveel mo-

26

gelijk te voorkomen. Probeer bijvoorbeeld bij de ruimtelijke ingreep zoveel mogelijk bomen, struiken en overig groen te behouden. Werken buiten de winterperiode voorkomt dat dieren die in winterrust zijn verstoord of gedood worden. Wanneer verlichting wordt geplaatst, probeer uitstraling van licht naar de omgeving zoveel mogelijk te beperken, om verstoring van diersoorten te voorkomen. Dit kan bijvoorbeeld door verlichting te beperken tot die plekken waar licht noodzakelijk is, lage en gericht armaturen te gebruiken in plaats van rondstralende armaturen en lampen goed te richten.

Om verstoring van dieren door straatverlichting en andere vormen van verlichting tot een minimum te beperken, dienen lichtbundels zo veel mogelijk naar beneden te worden gericht.

5.2.2

Vogels Uit voorliggend onderzoek blijkt verder dat in en direct rond het plangebied vogels aanwezig zijn en ook kunnen broeden. Voor deze vogels geldt artikel 3.1 van de Wet natuurbescherming, die het onder meer verbiedt vogels te doden, te vangen of in gebruik zijnde nesten van vogels te beschadigen of te vernielen. Bij de geplande ontwikkeling zouden nesten van broedende vogels kunnen worden beschadigd, wat verboden is onder de Wet natuurbescherming. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn gewoon beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij u om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het plangebied geen nest bouwen, omdat te veel verstoring aanwezig is. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het plangebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten.

Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden. Vanwege het grote aantal mogelijkheden voor vogels om in het plangebied te broeden, en de aanwijzingen dat het dit jaar ook gebeurd, wordt dit plan van aanpak niet aangeraden en wordt geadviseerd het groen buiten het broedseizoen te verwijderen.

27

Jaarrond beschermde nesten Naast soorten waarvan het nest alleen in de broedtijd beschermd is, zijn mogelijk ook soorten aanwezig waarvan het nest jaarrond is beschermd. Dit betreft de soorten huismus, gierzwaluw, steenuil en gele kwikstaart. Met de geplande werkzaamheden gaan deze mogelijke nesten en/of essentieel leefgebied waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van vogels. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aanof afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Overige vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd zijn niet in het plangebied of de omgeving aanwezig. 5.2.3

Overige beschermde soorten Soorten waarvoor provinciale vrijstelling geldt In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Dit betreft bijvoorbeeld de soorten bruine kikker en gewone pad. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Wel geldt ook voor deze soorten altijd de eerder beschreven zorgplicht. Soorten, waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt Door het uitgevoerde onderzoek is duidelijk geworden dat enkele essentiële elementen, van soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, niet op voorhand kunnen worden uitgesloten in het plangebied. Het betreft verblijfplaatsen van vleermuizen (Brandt’s vleermuis, gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, ruige dwergvleermuis), eekhoorn, steenmarter, bunzing, hermelijn, wezel, grote bosmuis, waterspitsmuis en (optioneel) grote modderkruiper. Al deze soorten zijn habitatrichtlijnsoorten, waarvoor de verboden van artikel 3.5 van de Wet natuurbescherming gelden. Daarmee is het onder meer verboden deze soorten te doden of rust- of verblijfplaatsen te beschadigen.

Met de geplande werkzaamheden gaan eventueel aanwezige verblijfplaatsen waarschijnlijk verloren. Ook is kans aanwezig op het verwonden of doden van deze dieren. In beide gevallen is sprake van overtreding van de Wet natuurbescherming. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen of essentieel leefgebied aanwezig blijkt, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Andere soorten waarvoor de provinciale vrijstelling niet geldt, zijn niet in of nabij het plangebied aanwezig. Negatieve effecten op die soorten zijn dan ook niet te verwachten en nader onderzoek naar die soorten is dan ook niet nodig.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11086390/1