Bp bommelwereld regels en toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Bommelwereld Gemeente Oost Gelre
bestemmingsplan Bommelwereld
2
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Inhoudsopgave
Toelichting niet gedefinieerd.
Fout! Bladwijzer
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding en doel 1.2 Ligging en begrenzing plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Milieueffectrapportage 1.5 Leeswijzer
6 6 6 7 8 8
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie 2.2 Nieuwe situatie
9 9 10
Hoofdstuk 3 Beleid 3.1 Internationaal niveau 3.2 Rijksbeleid 3.3 Provinciaal beleid 3.4 Regionaal beleid 3.5 Gemeentelijk beleid
15 15 16 18 21 22
Hoofdstuk 4 Uitvoeringsaspecten 4.1 Water 4.2 Bodem 4.3 Flora en Fauna 4.4 Cultuurhistorie en archeologie 4.5 Geluid 4.6 Bedrijven en milieuzonering 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Geur 4.9 Externe veiligheid 4.10 Verkeer en parkeren
24 24 25 25 27 28 29 30 31 32 37
Hoofdstuk 5 Juridische toelichting 5.1 Algemeen 5.2 Wijze van bestemmen
38 38 38
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Maatschappelijke itvoerbaarheid 6.2 Economische uitvoerbaarheid
39 39 39
Bijlagen bij de toelichting
41
Bijlage 1
Ruimtelijk kwaliteitskader
42
Bijlage 2
Achtergronden bij het plan
43
Bijlage 3
Inrichtingsplan
44
Bijlage 4
Verkennend bodemonderzoek
45
Bijlage 5
Nader bodemonderzoek
46
Bijlage 6
Aanvullend asbestonderzoek
47
Bijlage 7
Begroting sanering
48
Bijlage 8
Voortoets stikstofdepositie
49
Bijlage 9
Onderzoek geur
50
HEADELEMENT (vastgesteld)
3
bestemmingsplan Bommelwereld Bijlage 10
Quickscan Wet natuurbescherming
51
Bijlage 11
Ecologie_vervolgonderzoek
52
Bijlage 12
Ecologisch onderzoek noord
53
Bijlage 13
Nee, tenzij-toets
54
Bijlage 14
Archeologisch onderzoek
55
Bijlage 15
Onderzoek luchtkwaliteit
56
Bijlage 16
Onderzoek externe veiligheid
57
Bijlage 17
Akoestisch onderzoek
58
Bijlage 18
Akoestisch onderzoek stemgeluid
59
Bijlage 19
Memo parkeren en verkeer
60
Bijlage 20
Verkeersstudie
61
Bijlage 21
Aanmeldnotitie mer
62
Bijlage 22
Watertoets
63
Bijlage 23
Uitwerking watertoets
64
Regels
65
Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2
Inleidende regels Begrippen Wijze van meten
66 66 72
Hoofdstuk 2 Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Bestemmingsregels Natuur Recreatie - dagrecreatie Verkeer Wonen Waarde - Archeologisch waardevol gebied 2 Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 2 Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 3 Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 4 Leiding - Riool
73 73 74 77 78 82 83 84 85 86
Hoofdstuk 3 Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16
Algemene regels Anti-dubbeltelbepaling Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels
87 87 88 89 90 91
Hoofdstuk 4 Artikel 17 Artikel 18
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
92 92 93
Bijlagen bij de regels
95
Bijlage 1
Inrichtingsplan
96
Bijlage 2
Lijst aan huis verbonden bedrijven
97
Bijlage 3
Indicatieve bedrijvenlijst
98
4
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
HEADELEMENT (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Bommelwereld
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding en doel
De initiatiefnemer, Marveld Recreatie, heeft het voornemen om een dagrecreatieve voorziening te realiseren ten noorden van verblijfsrecreatiepark Marveld Recreatie in Groenlo. Deze ontwikkeling past niet in het geldende bestemmingsplan. Omdat het initiatief wel passend en gewenst is op de locatie, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
1.2
Ligging en begrenzing plangebied
Het plangebied is gelegen tussen de Twenteroute (N18) en de Groenlosche Slinge te Groenlo. De onderstaande afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Ligging en begrenzing plangebied (bron: openstreetmap.org)
6
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
1.3
Geldend bestemmingsplan
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre 2011', vastgesteld op 18 december 2012. Het plangebied heeft de enkelbestemmingen 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden', 'Detailhandel', 'Wonen', 'Sport - Manege' en de dubbelbestemmingen 'Leiding - Riool', 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1' en 'Waarde Archeologische verwachtingswaarde 2'. Daarnaast gelden ook de gebiedsaanduidingen 'overige zone - groene ontwikkelingszone' en 'overige zone - gelders natuur netwerk'. De onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de verbeelding van het bestemmingsplan weer. In het plangebied gelden tevens de volgende bestemmingsplannen: Facetbestemmingsplan parkeren, vastgesteld op 5 juni 2018. Buitengebied, Reparatieplan 2016, vastgesteld op 4 april 2017. Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre, vastgesteld op 15 juli 2014. Het 'Bestemmingsplan Buitengebied Oost Gelre' en de bovengenoemde reparatieplannen zijn voor de leesbaarheid samengevoegd en gepubliceerd in het 'Consolidatieplan Buitengebied Oost Gelre 2018. Dit plan heeft geen juridische status, maar geeft wel de geldende juridische regeling weer.
Uitsnede van de vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
HEADELEMENT (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Bommelwereld Het realiseren van een dagrecreatieve voorziening is niet mogelijk binnen de geldende bestemmingen en daarmee strijdig met het geldende bestemmingsplan. Daarom is voorliggende herziening van het bestemmingsplan opgesteld.
1.4
Milieueffectrapportage
Voor activiteiten die belangrijke milieugevolgen kunnen hebben, is het verplicht een milieueffectrapportage (m.e.r.) uit te voeren en een Milieu Effect Rapport (MER) te maken. Hiermee krijgt het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming. De m.e.r. onderzoekt de milieugevolgen van een plan of een besluit en (milieuvriendelijker) alternatieven. Een plan of besluit is m.e.r.-plichtig in een van de volgende situaties: in het Besluit milieueffectrapportage, artikel 7.4 bijlagen C en D zijn activiteiten aangewezen waarvoor direct een m.e.r.-plicht geldt; een m.e.r.-plicht kan volgen uit een passende beoordeling in het kader van de Wet Natuurbescherming; op grond van de provinciale milieuverordening kunnen aanvullend op het Besluit m.e.r. activiteiten worden aangewezen waarvoor een m.e.r.-plicht geldt. M.e.r.-beoordeling Een aantal activiteiten op kleinere schaal zijn m.e.r.-beoordelingsplichtig als een indicatieve drempelwaarde uit bijlage D wordt overschreden. Ook als de drempelwaarden niet worden overschreven kan in overleg worden bekeken of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.beoordeling, omdat er mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Er kunnen twee uitkomsten zijn: als de conclusie is dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden hoeft er geen m.e.r.procedure te worden doorlopen.
Dit wordt in het betreffende plan of besluit gemotiveerd en moet ook formeel bekend worden gemaakt door het bevoegd gezag; als belangrijke nadelige milieugevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet er een m.e.r.procedure worden doorlopen. Planspecifiek Het onderhavige plan behelst de ontwikkeling van een dagrecreatieve voorziening met een bruto oppervlakte van circa 8 ha en verwacht bezoekersaantal van 100.000 personen per jaar. Daarmee blijft het ruim onder de drempel van een themapark met een oppervlakte van 25 hectare of meer (of 10 ha of meer in een gevoelig gebied) en/of 250.000 bezoekers per jaar, zoals genoemd in onderdeel D10, onder e, van de bijlage bij het Besluit m.e.r. Voor het plan is een aanmeldnotitite m.e.r. opgesteld (zie bijlage 21 bij de toelichting). Hieruit blijkt dat belangrijke milieugevolgen als gevolg van de ontwikkeling kunnen worden uitgesloten. Verder onderzoek in het kader van het Besluit milieueffectrapportage is niet nodig: het plan is niet m.e.r.plichtig.
1.5
Leeswijzer
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en nieuwe situatie van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante internationale, Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de economische haalbaarheid van het plan en de wijze waarop burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
8
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Hoofdstuk 2 2.1
Planbeschrijving
Huidige situatie
Het plangebied ligt tussen de Twenteroute / N18 en de Groenlose Slinge, direct ten oosten van de kern Groenlo. Ten oosten van de locatie ligt het buitengebied met voornamelijk agrarische gronden. Ten zuiden van het plangebied ligt verblijfsrecreatiepark Marveld Recreatie. Ten westen ligt, aan de overzijde van de N18, een bedrijventerrein. De onderstaande afbeelding toont een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied. In het zuidelijk deel van het plangebied staat een manege. In het noordelijk deel van de locatie is een tuincentrum gevestigd. Verdeeld over het plangebied staan vijf woningen. Dit betreft een bedrijfswoning bij de manege, twee burgerwoningen ten noorden daarvan, één burgerwoning in het midden van het plangebied en een bedrijfswoning bij het tuincentrum.
Luchtfoto van het plangebied (bron: Google maps)
HEADELEMENT (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Bommelwereld
2.2
Nieuwe situatie
De initiatiefnemer, Marveld Recreatie, heeft het voornemen om ten noorden van het verblijfsrecreatiepark Marveld Recreatie de dagrecreatieve voorziening 'Bommelwereld' te realiseren met als thema Olivier B. Bommel. De wens / noodzaak achter dit plan is mede ingegeven door ontwikkelingen in de recreatiemarkt: om als verblijfsrecreatiepark bezoekers te blijven trekken moet een meerwaarde geboden worden. De verwachting is dat de helft van het aantal bezoekers van Bommelwereld afkomstig is van het naastgelegen verblijfsrecreatiepark en de andere helft zal bestaan uit dagjesmensen. Per jaar worden circa 100.000 bezoekers verwacht. Bommelwereld wordt een indoor-attractiepark. Het meest in het oog springende onderdeel wordt het kasteel Bommelstein in het zuidelijk deel van het plangebied. In de verhalen van Olivier B. Bommel staat dit kasteel op een hoge heuvel tussen het Donkeren bomen bos en het Knark moeras. In het plangebied wordt het gebouw gerealiseerd op een aan te leggen heuvel met een hoogte van ± 10 tot 12 meter, direct aan de N18. Het "moeras" krijgt vorm door de meandering terug te brengen in dit deel van de Groenlose Slinge. Dit sluit ook aan op de ambitie om de Slinge verder te ontwikkelen als ecologische verbindingszone. Dit gebied wordt ingericht als een overgangsgebied tussen water en land met een goed ontwikkelde kruidlaag en helofyten.
Sfeerimpressie kasteel Bommelstein en terrein (ontwerp: Van der Heijden architecten)
Het plangebied zal vanaf de noordzijde worden ontsloten via de Maarsevonder. Deze weg wordt langs het terrein heen geleid (o.a. voor logistiek verkeer) en heeft verderop een functie als fiets- en voetpad van/naar het recreatiepark Marveld. Op het noordelijk deel van het plangebied wordt het parkeerterrein aangelegd. Naast parkeergelegenheid voor Bommelwereld zal dit terrein ook een functie vervullen voor bezoekers van de Groenlose binnenstad. Vanaf het parkeerterrein gaat een slingerpad richting Bommelwereld. Het gehele terrein krijgt een groene inrichting met veel bomen dat zo refereert aan het Donkeren bomen bos, struiken, vaste planten en water. Dit is een sfeer die goed past bij de wereld van Olivier B. Bommel èn bij een andere inrichtingsdoelstelling, namelijk een zo goed mogelijke inpassing in de omgeving en een natuurinclusieve inrichting. Ook het parkeerterrein wordt groen en natuurinclusief ingericht. Onderstaande afbeelding laat een schematische weergave van de functionele indeling van het gebied zien.
10
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Schematische weergave van de toekomstige functies in het plangebied
Onderstaande afbeelding geeft het totaalplan weer zoals dat is uitgewerkt op basis van de principes die volgen uit de functionele indeling. Te zien is ook dat het parkeerterrein wat kleiner is geworden. Dat is gedaan om buiten het GNN-gebied te blijven (zie daartoe ook par. 3.3).
Totaalplan. Bron: Studio Nico Wissing
Wie meer wil weten over de ideeën en achtergronden van Bommelwereld en de wijze waarop het stedebouwkundige schetsontwerp is uitgedacht, wordt verwezen naar bijlage 1 van de toelichting. Daar is ook te zien op welke wijze het plan landschappelijk ingepast wordt in de omgeving en ook hoe het terrein, mede in relatie tot de omgeving, ingericht wordt.
HEADELEMENT (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Bommelwereld De onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie. Voor de volledige ontwerpende gedachten en toelichtingen wordt verwezen naar een drietal bijlagen: 1. Het ruimtelijke kwaliteitskader (bijlage 1 bij deze toelichting); 2. de achtergronden bij het plan (bijlage 2 bij deze toelichting); 3. het inrichtingsplan (bijlage 3 bij deze toelichting en ook als bijlage bij de regels opgenomen als onderdeel van een voorwaardelijke verplichting ter borging).
Impressie toekomstige situatie (bron: Studio Nico Wissing)
Impressie toekomstige situatie (bron: Studio Nico Wissing)
Om te borgen dat e.e.a. ook als zodanig aangelegd en vervolgens in stand wordt gehouden is hiertoe een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Om in te kunnen spelen op veranderende inzichten is tevens een afwijkingsbevoegdheid opgenomen.
Woningen in het plan In het planontwerp blijven twee van de huidige vijf woningen behouden: een woning in het zuidelijk deel van het plangebied, bij / naast het gebouw Bommelwereld. Dit wordt een bedrijfswoning, nodig voor toezicht op het gebouw en de terreinen. De bedrijfswoning bij het tuincentrum blijft wordt ingepast in het plan en wordt een gewone burgerwoning.
12
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld Beeldkwaliteit Voor het project zijn ook beeldkwaliteitskaders gemaakt. Enkele foto's daaruit zijn hiervoor weergegeven. Deze bepalingen inzake beeldkwaliteit maken onderdeel uit van het voornoemde stedenbouwkundige schetsontwerp en inrichtingsplan en is opgenomen in bijlage 1 bij de regels en wordt als aanvullend welstandsbeleid vastgesteld waarmee sturing op de gewenste architectuur zekergesteld wordt. Kasteel Bommelstein zal een markant gebouw worden. Dat komt enerzijds door het oppervlakte, alhoewel het vooral de bouwhoogte is die opvalt. In verband met de noodzakelijke vrije hoogte ín het gebouw van 18 m wordt het grootste deel van het gebouw maximaal 21 m hoog (deze 3 m extra boven voornoemde 18 m vrije hoogte is nodig in verband met de constructie, isolatie, afschot etc). Een klein stukje gebouw wordt weer wat hoger om het kasteel te vormen (23 m) met daarbij ook weer fraaie torens die daar bovenuit steken en zo een niet mis te verstaan accent vormen.
Natuurinclusieve inrichting Het thema van Bommelwereld leent zich goed voor een natuurinclusieve inrichting die ook goed past bij de landschappelijke en ecologische inpassing in de omgeving. De leefwereld van Olivier B. Bommel en Tom Poes is er namelijk eentje die alles behalve 'aangeharkt' is. De leefwereld is er een van een wilde, soms zelfs ietwat donkere, natuur. Denk bijvoorbeeld aan het Knarkenmoeras, het Donkere Bomen Bos en de Zwarte Bergen. Vanaf het park zal dan, bijvoorbeeld, de op de historische kaarten nog zichtbare Galgenbult mede betrokken worden met verhalen en de inrichting van het park zal natuurlijk en wild zijn. De inpassing van de Groenlose Slinge met een meanderend karakter, met bredere uitstroomgebieden en met moeras–plas-dras gebieden wordt daarom niet alleen vanuit de beleidsachtergrond ingepast maar veeleer vanuit de realisatie van de juiste ervaring. De inpassing van de ecologische doelstellingen vanuit het Gelders Natuur Netwerk (GNN) vanuit het model 'Winde' waarbij het water de verbinder is middels de Groenlose Slinge als een natte verbindingszone wordt zo vorm gegeven. De aansluitende lage kruidenvegetatie samen met de droge verbinding (bosplantsoen en bomen) geeft invulling aan het model 'Kamsalamander'.
Bij de inrichting van het park staat klimaatbestendigheid, duurzaamheid en het versterken van de biodiversiteit voorop. Dat krijgt invulling door: Natuurvriendelijke oevers - plas dras - en moeras Inheems bosplantsoen en bomen Bloemrijke en schraal grasland / ruig gras Houtrillen Insectenhotels Nestkasten voor de steenuil, vleermuis, huismus specht, de grote gele kwikstaart e.a. HWA infiltratie op eigen terrein Toepassen van veel halfverharding zoals Achterhoeks Padvast
HEADELEMENT (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Bommelwereld
Asfalt op een natuurlijke wijze (grasfalt) Goede gezonden verdeling van groen en grijs terreinindeling Werken met een gesloten grondbalans Verlichting die diervriendelijk en dynamisch is Borging voor kwaliteit en duurzaamheid Honden aan de lijn zone (kwetsbare flora en fauna) Werken volgens de richtlijnen van NL Green Label
Voor meer informatie over het ontwerp wordt verwezen naar de al eerder genoemde drie bijlagen: 1. Het ruimtelijke kwaliteitskader (bijlage 1 bij deze toelichting); 2. de achtergronden bij het plan (bijlage 2 bij deze toelichting); 3. het inrichtingsplan (bijlage 3 bij deze toelichting en ook als bijlage bij de regels opgenomen als onderdeel van een voorwaardelijke verplichting ter borging).
14
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
Hoofdstuk 3
Beleid
3.1
Internationaal niveau
3.1.1
Vogelrichtlijn
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. 3.1.2
Habitatrichtlijn
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn. 3.1.3
Het verdrag van Valletta (Malta)
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen. Ter bescherming van de archeologische waarden heeft de gemeente Oost Gelre een beleidsnota met -kaarten vastgesteld en deze doorvertaald en opgenomen in de geldende bestemmingsplannen. Hier wordt op ingegaan in paragraaf 4.4 Cultuurhistorie en archeologie.
HEADELEMENT (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Bommelwereld 3.1.4
Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: De vervuiler betaalt De gebruiker betaalt Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water Resultaatsverplichting in 2015 Stroomgebiedsbenadering Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.
Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Op het aspect water wordt nader ingegaan in paragraaf 4.1 Water.
Conclusie Voorliggend plan past binnen het beleid dat op internationaal niveau is vastgelegd.
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk wil ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Het verstedelijkings- en landschapsbeleid laat het Rijk over aan provincies en gemeenten.
De SVIR doet geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor het voorliggende plan. 3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau.
16
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's. Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. 3.2.3
Besluit ruimtelijke ordening
Ladder voor duurzame verstedelijking In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen of een nieuwe functie. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied.
Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling Met voorliggend plan wordt een dagrecreatieve voorziening gerealiseerd. Hieronder wordt het plan onderbouwd aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking. 1. Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling? Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een gebouw met een oppervlakte groter dan 500 m², dit als een stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt. Voorliggend plan voorziet in de ontwikkeling van een dagrecreatieve voorziening met een omvang die duidelijk groter is. Daarmee is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. 2. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling? De Achterhoek is een regio met een sterke vrijetijdssector. In 2019 werden ruim 3,3 miljoen toeristische overnachtingen doorgebracht in de Achterhoek. Sinds 2006 werken de gemeenten Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Oost-Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk intensief samen aan toerisme en recreatie. Samen hebben zij de ambitie om toerisme en recreatie verder te ontwikkelen in omvang, kwaliteit en veelzijdigheid en daarmee de leefbaarheid en regionale
HEADELEMENT (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Bommelwereld economie van de Achterhoek te vergroten. Volgens 'Vrijetijdsagenda Achterhoek 2020-2030' (opgesteld door de acht gemeenten, zie ook paragraaf 3.4.1) heeft de Achterhoek meer aansprekende (slechtweer-)voorzieningen en publiekstrekkers nodig. Voorzieningen dragen bij aan de zichtbaarheid en aantrekkingskracht van de regio. Ook eigen inwoners profiteren daarvan. In de Vrijetijdsagenda wordt tevens benoemd dat dagtoerisme en verblijfstoerisme steeds meer naar elkaar toegroeien. Met een dagrecreatieve voorziening als Bommelwereld wordt een nieuwe publiekstrekker in de regio gerealiseerd. Daarmee voorziet het plan in de actuele behoefte die er in de regio is. 3. Kan binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte worden voorzien? Voor een dagrecreatieve functie van deze omvang is een (vrijkomende) locatie binnen bestaand stedelijk gebied niet de meest voor de hand liggende invulling. Dergelijke locaties komen eerder in aanmerking voor woningbouw, bedrijvigheid of andere stedelijke voorzieningen. De beoogde locatie van voorliggend plan ligt aan de rand van de kern Groenlo. Het is een duidelijk afgebakend gebied, ingeklemd tussen de N18, de Groenlose Slinge en het vakantiepark Marveld Recreatie. Het is een typisch kernrandgebied met een voormalige manege en een tuincentrum. Deze zullen door onderhavige ontwikkeling verdwijnen.
Het realiseren van een dagrecreatieve voorziening past ook goed in de kernrandzone. Het terrein is goed ontsloten via de provinciale weg N18. Met de ligging naast het vakantiepark kunnen de functies (dagrecreatie en verblijfsrecreatie) elkaar versterken.
Conclusie Voorliggend initiatief is passend binnen het Rijksbeleid.
3.3
Provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze is op 19 december 2018 geactualiseerd op basis van de nieuwe omgevingsvisie. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen.
Omgevingsvisie Gaaf Gelderland De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat: Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten; Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid; Een voortvarend en innovatief circulair beleid; Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit; Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag; Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat; Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Het realiseren van een dagrecreatieve voorziening als trekker draagt bij aan de ambitie uit de
18
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld Omgevingsvisie voor een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat.
Omgevingsverordening De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. Planaanpassing In de voorbereiding op dit plan was de idee om tevens een deel van het GNN op te nemen in de ontwikkeling. In de bijlagen is daar ook nog rekening mee gehouden, maar omwille van de implicaties is er voor gekozen het plan toch geheel buiten de GNN te laten vallen. Voorliggend plan heeft daarmee geen negatief effect op dit GNN. Zie verder ook paragraaf 4.3. M.b.t. de uitvoerbaarheid heeft dit verder geen effect, het enige effect is dat buiten GNN gebleven wordt.
Groene Ontwikkelingszone Het plangebied ligt voor een groot deel in de Groene Ontwikkelingszone (GO, lichtgroen op de volgende kaart). De Groene Ontwikkelingszone heeft een dubbele doelstelling: er is ruimte voor verdere economische ontwikkeling in combinatie met een versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden (art. 2.52 van de Omgevingsverordening).
HEADELEMENT (vastgesteld)
19
bestemmingsplan Bommelwereld
Bron: geoportaal provincie Gelderland
Vanwege de ligging in de GO is het noodzakelijk om de effecten van de ontwikkeling op de kernkwaliteiten, de oppervlakte en de samenhang te onderzoeken. Een ruimtelijk initiatief kan doorgaan als er geen negatieve gevolgen zijn voor de kernkwaliteiten, oppervlakte of samenhang van het natuurnetwerk (art. 2.39). Dit is ook het geval als eventuele negatieve gevolgen voor de kernkwaliteiten of samenhang volledig worden gemitigeerd op dezelfde locatie en het oppervlakteverlies wordt gecompenseerd (overeenkomstig art. 2.50 en 2.51 van de verordening).
Kernkwaliteiten en ontwikkelingsdoelen De ontwikkeldoelen voor de GO zijn voor de verschillende deelgebieden uitgewerkt. Het plangebied en omgeving is gelegen in deelgebied 184 "Zwolle - Meddo". Dit deelgebied behoort tot het overwegend kleinschalige kampenlandschap op het Oost-Nederlands plateau. Voor dit (grote) deelgebied zijn diverse kernkwaliteiten beschreven waarbij voor onderhavig project de ecologische verbindingszone van de Groenlose Slinge centraal staat. De ontwikkelmodellen "kamsalamander" en "winde" bieden bij ontwikkelingen een houvast. De huidige inrichting / wijze van functioneren verandert flink indien gekeken wordt naar de functies: een tuincentrum en een manege gaan weg en er komt een dagrecreatieve functie terug, in combinatie met een groene en landschappelijke inrichting. Door de wijze waarop de inrichting uitgevoerd wordt krijgt de natuurdoelstelling van de GO wél duidelijk invulling.
20
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld Op de eerste plaats gebeurt dit bij de Groenlose Slinge, waar de meandering wordt teruggebracht en de huidige oever wordt ingericht tot een duidelijk natuurvriendelijke variant. Daarmee wordt invulling gegeven aan de gewenste ecologische verbindingszone. Daarnaast wordt de ecologische kwaliteit van het terrein als geheel versterkt door het natuurinclusieve ontwerp van het parkeerterrein en de overige terreindelen waar bezoekers komen (zie paragraaf 2.2 van dit bestemmingsplan en de bijlagen waarin het ontwerp is te zien). Het plangebied ligt tevens in het Nationaal Landschap Winterswijk. Dit is een kleinschalig, organisch gegroeid halfopen landschap met een afwisseling van bosjes, houtwallen, landbouwgrond, lanen, beken en boerderijen, ten oosten van Winterswijk kleinschaliger dan ten westen ervan. In artikel 2.56 van de Omgevingsverordening is opgenomen dat ruimtelijke ontwikkelingen geen afbreuk mogen doen aan de kernkwaliteiten van dit specifieke deel van het Nationaal Landschap. Door een goed ontwerp en een goede landschappelijke inpassing is het zelfs mogelijk om een bijdrage aan de kernkwaliteiten te leveren.
Eén van de kernkwaliteiten van dit landschap zijn de meanderende beken in smalle dalen als doorgaande structuren, met natuurlijke begroeiing (elzen en essen) in halfopen landschap; De structuur van beken en beekjes die samenstromen in de Groenlose Slinge en de Bovenslinge wordt bepaald door de ondergrond en menselijke activiteit. Langs de bekend zijn veel kleine tot middelgrote (loof)bossen gelegen. Op hogere plaatsen langs de beken is het natuurlijke reliëf opgehoogd met esdekken. De wijze waarop voorliggend project ontwikkeld wordt, zie de voorstaande teksten in deze paragraaf, maken dat ook invulling gegeven wordt aan een aantal doelstellingen die samenhangen met de doelstelling voor het Nationaal Landschap Winterswijk. De ligging van Bommelwereld aan de oostzijde van Groenlo naast een bedrijventerrein, naast Marveld en naast de N18 is om meerdere redenen ook gunstig en door ligging naast de Groenlose Slinge kan ook goed invulling gegeven worden aan die doestellingen. Om het landschappelijke effect op het landschap, gezien vanuit het oosten, te verzachten wordt het gebouw Bommelwereld zo goed mogelijk ingepast in het landschap. Dit laatste is, gezien alle overige positieve aspecten van dit project, een goede oplossing.
Nee-tenzij toets Omwille van de ligging van het plangebied in GO* is een "Nee, tenzij-toets" opgesteld. Deze toets is als bijlage 13. In deze toets komen alle door de provincie benoemde aspecten welke behoren bij het GO beleid aan bod. Uit deze toets volgt dat er geen significant negatieve effecten optreden ten aanzien van de kernkwaliteiten van het GO en dat voorliggend bestemmingsplan derhalve uitvoerbaar is.
*: In de voorbereiding op dit plan was de idee om tevens een deel van het GNN op te nemen in de ontwikkeling. In de bijlagen is daar ook nog rekening mee gehouden, maar omwille van de implicaties is er voor gekozen het plan toch geheel buiten de GNN te laten vallen. Voorliggend plan heeft daarmee geen negatief effect op dit GNN. Zie verder ook paragraaf 4.3.
3.4
Regionaal beleid
3.4.1
Vrijetijdsagenda Achterhoek 2020-2030
De acht samenwerkende Achterhoekse gemeenten - Aalten, Berkelland, Bronckhorst, Doetinchem, Lochem, Oost-Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk – hebben de ambitie om de vrijetijdssector in de Achterhoek verder te ontwikkelen. Daarmee leveren ze een belangrijke bijdrage aan de Achterhoekse economie en maatschappelijke opgaven, zoals instandhouding van voorzieningen, werkgelegenheid creëren en jongeren aan de Achterhoek binden. Om dat te realiseren zetten ze de komende jaren op de volgende speerpunten in, met ondersteuning van de provincie Gelderland: Aanbodontwikkeling; de beleefbaarheid van de Achterhoek vergroten. Vitaliteit verblijfsrecreatie op peil houden en verbeteren. Werken aan een onderscheidend profiel.
HEADELEMENT (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Bommelwereld
Gastvrijheid in de regio bevorderen. Positie vrijetijdssector versterken; verbindingen met andere sectoren intensiveren.
Wat betreft aanbodontwikkeling heeft de Achterhoek voldoende aansprekende (slecht weer) voorzieningen en publiekstrekkers nodig. Voorzieningen dragen bij aan de zichtbaarheid en aantrekkingskracht van de regio. In de Vrijetijdsagenda wordt tevens benoemd dat dagtoerisme en verblijfstoerisme steeds meer naar elkaar toe groeien. Met een dagrecreatieve voorziening als Bommelwereld, naast een verblijfsrecreatiepark, wordt een nieuwe publiekstrekker in de regio gerealiseerd. Uit de Vrijetijdsagenda blijkt dat hier behoefte aan is. Het plan sluit daarmee aan bij de Vrijetijdsagenda Achterhoek 2020-2030.
Conclusie Het initiatief is passend binnen het provinciale en regionale beleid.
3.5
Gemeentelijk beleid
3.5.1
Welstandsbeleid Oost Gelre 2017
Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen. Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren". Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven. Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.
De welstandsnota biedt niet voldoende houvast om straks, bij de omgevingsvergunningverlening voor het bouwen, via het publieke recht te sturen op de architectuur en daarom zijn beeldkwaliteitkaders gemaakt dat als aanvullend welstandbeleid wordt vastgesteld: zie bijlage 1. 3.5.2
Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre
De gemeente Oost Gelre heeft een Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen.
In het Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre wordt de aanwezigheid van enkele grotere recreatieve trekkers, zoals bijvoorbeeld Marveld Recreatie, als sterke kernkwaliteit van de gemeente genoemd. Als kans wordt het ruimte bieden aan de bestaande recreatieve trekkers en/of ruimte bieden aan nieuwe trekkers genoemd. Het mogelijk maken van een dagrecreatieve voorziening met voorliggend plan sluit hierbij aan.
22
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld 3.5.3
Geluidbeleid gemeente Oost Gelre
Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van het geluidbeleid. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad het nieuwe 'Geluidbeleid Oost Gelre' vastgesteld. Met dit beleid worden de uitgangspunten en de normen van het Activiteitenbesluit als basis genomen voor het bepalen van de geluidsnormen. Uitzondering hierop zijn agrarische bedrijven. Het Activiteitenbesluit kent wat betreft geluidnormering maar twee gebiedstypes (bedrijventerrein en al het overige) met twee bedrijfstypes (agrarisch en tankstations) als uitzondering.
Dit staat in schril contrast met het 'oude' geluidbeleid van Oost Gelre waarin negen verschillende gebiedstypes en vele (streef-, grens- en plafond) waarden werden aangeduid. Het Activiteitenbesluit is nu voor het overgrote deel van de bedrijven van toepassing. Het aspect geluid wordt nader beschreven in paragraaf 4.5. 3.5.4
Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024
In het verkeersprogramma is het gemeentelijk verkeer- en vervoersbeleid vastgesteld. In dit verkeersprogramma is gekozen voor een bredere insteek dan alleen een verkeerskundige insteek. De nieuwe insteek gaat uit van een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Vanuit deze integrale benadering zijn ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht.
Om de verkeerskundige gevolgen van het plan in beeld te brengen is een verkeersstudie uitgevoerd. In de paragraaf 4.10 Verkeer en parkeren wordt nader ingegaan op dit aspect. Uit de berekeningen in de studie blijkt dat de verkeersafwikkeling op de naijgelegen kruispunten en wegen veilig en zonder congestie (vertraging) kan gebeuren. De voorgenomen ontsluitingsstructuur van Bommelwereld leidt niet tot problemen qua zicht of het een veilige afwikkeling van het verkeer.
HEADELEMENT (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Bommelwereld
Hoofdstuk 4 4.1
Uitvoeringsaspecten
Water
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd: vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd. schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten.
Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Watertoets De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen: de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
24
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld
de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.
Planspecifiek Het plan leidt, ondanks dat er de nodige bebouwing waaronder een tuincentrum verdwijnt met daarbij de nodige bestrating, tot een toename van het verhard oppervlak in het gebied. Deze toename wordt in het plan gecompenseerd door de keuze voor halfverharding en de aanleg van een waterpartij. De wandel- en fietspaden en het parkeergedeelte worden uitgevoerd in een open, waterdoorlatende verharding en het regenwater dat op bebouwing valt wordt afgekoppeld en vertraagt richting de Groenlose Slinge afgevoerd. Daarnaast wordt met het plan ook meer ruimte voor water gecreëerd door de aanleg van een meander in de Groenlose Slinge en aanleg van moeras. Voor dit plan is met voorstaande gegevens de digitale watertoets doorlopen. Het resultaat daarvan is te vinden in bijlage 22. Hieruit komt, logischerwijze, naar voren dat overleg met het waterschap nodig is. Dat overleg heeft in de voorbereiding op de totstandkoming van dit plan veelvuldig plaatsgehad waarbij mede een uitwerking van de plannen, zie bijlage 23, als basis diende. Het waterschap heeft laten weten zich in deze plannen te kunnen vinden. Gelet op bovenstaande is duidelijk dat dit bestemmingsplan uitvoerbaar is op het vlak van water.
4.2
Bodem
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodem- en asbestonderzoek (17 juni 2020), een nader bodemonderzoek (25 mei 2021) en een aanvullend asbestonderzoek uitgevoerd (27 oktober 2021). De onderzoeksrapporten zijn toegevoegd als bijlagen 4, 5 en 6. Uit deze rapportages komt naar voren dat, op één plek na, de bodem geschikt is voor de beoogde functies. Uit de onderzoeken volgt dat deze plek, met een omvang van circa 42 m2 tot een diepte van 0,4 m, sterk vervuild is met PAK. Er dient derhalve minstens ± 17 m3 (42 x 0,4) te worden gesaneerd. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van een ernstig geval van bodemverontreiniging in de zin van de Wet Bodembescherming (< 25 m³). In bijlage 7 is een begroting van de sanering toegevoegd. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ontwikkeling voldoende financiële middelen opbrengt om de sanering mee te kunnen bekostigen. Daarmee kan geconcludeerd worden dat het bestemmingsplan uitvoerbaar is. In het kader van de bodemwetgeving mag hier pas gewerkt worden nádat een (goedgekeurd) Plan van Aanpak / saneringsplan aanwezig is. Ter (dubbele) zekerstelling is hiertoe in dit bestemmingsplan tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels.
4.3
Flora en Fauna
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 0101-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
HEADELEMENT (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Bommelwereld Gebiedsbescherming In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied. Soortenbescherming Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Gebiedsbescherming In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Korenburgerveen'. Dit gebied ligt op circa 5 kilometer afstand van het plangebied. Door de omvang van de ontwikkeling (realiseren dagrecreatieve voorziening) en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten, zoals licht en geluid, worden uitgesloten. Om het effect van stikstofuitstoot door het plan te bepalen is een voortoets stikstofdepositie uitgevoerd (zie bijlage 8). Hieruit blijkt dat als gevolg van de ontwikkelingen in het plangebied de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden zowel in de gebruiksfase als in de aanlegfase niet toeneemt ten opzichte van het huidige gebruik. Er is dus geen sprake van mogelijke negatieve effecten op beschermde Natura 2000-gebieden. Het aanvragen van een Wnb-vergunning is daarom niet nodig voor dit project. Voor wat betreft de gebiedsbescherming vanuit het provinciale beleid wordt verwezen naar paragraaf 3.3.
Soortenbescherming In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 10.Uit dit onderzoek komt naar voren dat het plangebied (potentieel) geschikt is voor diverse beschermde soorten. Dat is de reden geweest om een aanvullend onderzoek op het -eventueel- voorkomen van deze soorten te onderzoeken als ook hoe het beste mitigerende maatregelen getroffen kunnen worden ten behoeve van deze soorten. Dit aanvullende onderzoek is in bijlage 11 te vinden. Uit dat onderzoek komt naar voren dat diverse groenstructuren op de planlocatie van belang zijn voor de steenmarter, bunzing, grote bosmuis, rode eekhoorn en vleermuizen. Tevens wordt ook geconcludeerd dat door middel van inrichting van het nieuwe terrein en de wijze waarop de gebouwen natuurvriendelijk worden gebouwd goed gemitigeerd kan worden. Voor één schuur is duidelijk dat, doordat deze een vaste rustplaats is van een
26
HEADELEMENT (vastgesteld)
bestemmingsplan Bommelwereld steenmarter dat een ontheffing van de Wet natuurbescherming voor nodig is. Voornoemd aanvullend onderzoek (bijlage 11) gaat verder op de quickscan (bijlage 10). Daarmee valt de Intratuin en de gronden daaromheen buiten het aanvullende onderzoek. Voor deze gronden is daarom separaat onderzocht of er mogelijk soorten voorkomen welke beschermd zijn: zie bijlage 12. Gezien de ecologische bevindingen in relatie tot het beoogde plan en de wijze waarop dit uitgevoerd kan worden is er evenwel geen reden aan te nemen dat benodigde mitigerende maatregelen en / of ontheffingen niet gerealiseerd danwel verkregen kunnen worden: voorliggend bestemmingsplan is dan ook uitvoerbaar in de zin van de Wro.
4.4
Cultuurhistorie en archeologie
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente. Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek Cultuurhistorie In het plangebied zijn in de huidige situatie een manege, een tuincentrum en enkele woningen gevestigd. In en rondom het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig waar het plan een effect op kan hebben.
HEADELEMENT (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Bommelwereld Archeologie Voor onderhavig plan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd op de locatie waar het gebouw van de dagrecreatieve voorziening komt. Het onderzoeksrapport is toegevoegd als bijlage 14. Op grond van de aangetroffen bodemverstoringen en de lage grondwaterstand, waardoor er geen organische archeologische resten bewaard zijn gebleven en daarmee lage archeologische verwachting, is een archeologisch vervolgonderzoek niet nodig. Voor het onderzochte deel van het plangebied worden de archeologische dubbelbestemmingen daarom niet overgenomen. Voor het overige deel van het plangebied worden de dubbelbestemmingen wel overgenomen ter bescherming van eventueel aanwezige archeologische waarden. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect cultuurhistorie en archeologie.
4.5
Geluid
4.5.1
Normen Wet geluidhinder
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd: woningen; geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven; geluidgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen). Het beschermen van deze geluidgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. 4.5.2
Belemmering bedrijfsvoering
Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Bedrijven moeten ten aanzien van deze objecten voldoen aan geluidsnormen. Het realiseren van geluidsgevoelige objecten dichter naar de bedrijven kan een beperking voor de bedrijven betekenen. 4.5.3