bp aaltenseweg 88 toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 vastgesteld
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Inhoudsopgave
Toelichting Hoofdstuk 1
5 Algemene gegevens bestemmingsplan
6
Hoofdstuk 2 Inleiding 2.1 Aanleiding 2.2 Ligging plangebied 2.3 Geldende bestemmingsplannen 2.4 Leeswijzer
7 7 7 8 9
Hoofdstuk 3 Bestaande en gewenste situatie 3.1 Bestaande situatie 3.2 Gewenste situatie 3.3 Landschapsplan
10 10 10 10
Hoofdstuk 4 Beleidskader 4.1 Internationaal niveau 4.2 Rijksbeleid 4.3 Provinciaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid
11 11 12 13 14
Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten 5.1 Archeologie en cultuurhistorie 5.2 Bedrijven en milieuzonering 5.3 Bodem 5.4 Externe veiligheid 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Luchtkwaliteit 5.8 Natuurbescherming 5.9 Verkeer en parkeren 5.10 Water
18 18 19 20 21 22 25 26 27 30 31
Hoofdstuk 6
Plantoetsing
34
Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving 7.1 Algemeen 7.2 Bestemmingsplan 7.3 Plansystematiek
37 37 37 37
Hoofdstuk 8 Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Haalbaarheid 8.2 Exploitatieplan 8.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
39 39 39 39
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Landschappelijk inpassingsplan Bijlage 2 Bouwkundig rapport Bijlage 3 Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 4 Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5 Quickscan natuurwaardenonderzoek
41 42 43 70 120 137
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
4
Inhoudsopgave (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Toelichting
Toelichting (vastgesteld)
5
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Hoofdstuk 1
Algemene gegevens bestemmingsplan
Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Vastgesteld Juni 2021 N. Weelink Afdeling Omgeving 0544 39 35 56
6
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Hoofdstuk 2 2.1
Inleiding
Aanleiding
Voor het perceel Aaltenseweg 88 Lichtenvoorde is een verzoek binnengekomen om de bestemming van het perceel te wijzigen van een agrarische functie naar een woonfunctie, in combinatie met woningsplitsing van de (voormalige) bedrijfswoning. Het college heeft positief gereageerd op dit verzoek en principemedewerking verleend. Het perceel wordt landschappelijk ingepast. In de geldende bestemmingsplannen voor het buitengebied is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor functieverandering naar wonen. Het ingediende plan voldoet niet aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid. Er komt namelijk een aanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarisch medegebruik' op het perceel. Het verzoek wordt wel getoetst naar analogie van de wijzigingsbevoegdheid. De herziening van het bestemmingsplan maakt de omzetting van een agrarisch bouwvlak naar een woonbestemming mogelijk.
2.2
Ligging plangebied
Het perceel Aaltenseweg 88 te Lichtenvoorde is gelegen in het buitengebied van de gemeente Oost Gelre ten zuidoosten van de bebouwde kom Lichtenvoorde. In de directe omgeving van het perceel zijn woningen gelegen alsmede nog in werking zijnde agrarische bedrijven. Het perceel is kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie O, nummer 376.
Omgeving plangebied
Toelichting (vastgesteld)
7
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Perceel Aaltenseweg 88
2.3
Geldende bestemmingsplannen
Het bestemmingsplan 'Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88' is een herziening van het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' vastgesteld door de gemeenteraad van Oost Gelre op 18 december 2012 met de daarbij bijbehorende Reparatieplannen 'Reparatieplan Buitengebied Oost Gelre', vastgesteld door de gemeenteraad van Oost Gelre op 15 juli 2014, en 'Buitengebied, Reparatieplan 2016', vastgesteld door de gemeenteraad van Oost Gelre op 4 april 2017. Voor het perceel geldt de bestemming 'Agrarisch met waarden - Landschapswaarden' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1'. Het perceel heeft een bouwvlak.
8
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
2.4
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 zijn de aanleiding en het doel van dit bestemmingsplan uiteengezet. In Hoofdstuk 3 van de toelichting worden de bestaande en gewenste situatie in het plangebied beschreven. Vervolgens worden in Hoofdstuk 4 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 5 gaat over de omgevingsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. Hoofdstuk 6 toetst het plan aan de wijzigingsbevoegdheid uit het geldende bestemmingsplan. Hoofdstuk 7 beschrijft de juridische opzet, waarbij de verbeelding en planregels worden besproken. Tot slot volgt in Hoofdstuk 8 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.
Toelichting (vastgesteld)
9
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Hoofdstuk 3
Bestaande en gewenste situatie
In dit hoofdstuk wordt de huidige en de gewenste situatie beschreven.
3.1
Bestaande situatie
Op het perceel is momenteel een agrarisch bedrijf met een bedrijfswoning aanwezig. De bestaande bebouwing bestaat uit de bedrijfswoning met achterhuis, twee ligboxstallen, een kapschuur en nog twee bijgebouwen. Op het perceel zijn ook enkele voeropslagen (sleufsilo en kuilvoeropslag) aanwezig.
3.2
Gewenste situatie
Voor de locatie is bekeken wat het toekomstperspectief is. Gezien de marktontwikkelingen is het perspectief als agrarisch bedrijf niet groot. Daarom willen de initiatiefnemers dat het achterhuis verbouwd wordt tot een zelfstandige woning. Door de splitsing van de bedrijfswoning wordt een extra woning gerealiseerd. De wens is dat het bedrijf hobbymatig wordt doorgezet. Hiervoor blijft een bijgebouw en een ligboxenstal bestaan. Het perceel krijgt de aanduiding 'specifieke vorm van wonen agrarisch medegebruik'. Voor de andere woning blijft de kapschuur staan als bijbehorend bouwwerk.
3.3
Landschapsplan
De initiatiefnemers hebben een erf- en landschapsinpassingsplan gemaakt. Het plan is afgestemd op de landschappelijke kwaliteiten van de omgeving. Het plan is goedgekeurd door de landschapsdeskundige van de gemeente. Bij de beplanting is uitgegaan van inheemse soorten passend bij de abiotische omstandigheden, (Veldpodzolgrond grondwatertrap VI en enkeerdgrond grondwatertrap VII). De landschappelijke inpassing zal bestaan uit een houtsingel langs de weide-toegangspad, een boomgaard, bomen langs de (erftoegangs-) weg en als aanvulling op de bestaande rij zomereiken, en een haag om de boomgaard en tuinzone. Het inpassingsplan met het uitgewerkte beplantingsplan is opgenomen in Bijlage 1 van de toelichting.
10
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Hoofdstuk 4
Beleidskader
4.1
Internationaal niveau
4.1.1
Het verdrag van Valletta (Malta)
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen. De archeologische waarden zijn opgenomen als dubbelbestemming in het geldende bestemmingsplan. Hier zijn regels aan gesteld ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. In paragraaf 5.1 Archeologie en cultuurhistorie wordt dit nader toegelicht. 4.1.2
Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: De vervuiler betaalt De gebruiker betaalt Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water Resultaatsverplichting in 2015 Stroomgebiedsbenadering Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.
Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Een watertoets is beschreven in paragraaf 5.10 Water.
Conclusie beleid op internationaal niveau
Toelichting (vastgesteld)
11
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
De internationale regelgeving en/of de Europese regelgeving is geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk wil ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Het verstedelijkings- en landschapsbeleid laat het Rijk over aan provincies en gemeenten. De SVIR doet geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor het voorliggende plan. 4.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.
Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. De uitgangspunten van het Barro zijn bij het opstellen van dit bestemmingsplan betrokken. 4.2.3
Besluit ruimtelijke ordening
Ladder voor duurzame verstedelijk ing In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goed ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Vervolgens dient bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in eerste instantie gekeken te worden of er behoefte is aan nieuwe ruimte voor woningen. Als de behoefte voldoende is gemotiveerd, wordt gekeken of aan deze behoefte kan worden voldaan door het benutten van locaties voor herstructurering, intensivering of transformatie binnen bestaand stads- en dorpsgebied.
Als ook dat niet tot de mogelijkheden behoort, wordt – onder voorwaarden - aansluitend aan het bestaand stads- en dorpsgebied een locatie gezocht. Door de ladder voor duurzame verstedelijking toe te passen, wordt verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied geconcentreerd. Hiermee wordt de kwaliteit
12
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 van het bebouwde gebied behouden en versterkt.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling Onderhavige ontwikkeling betreft het toevoegen van een woning in het voormalige achterhuis, waarbij de agrarische bestemming komt te vervallen. In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Het betreft hier dus toevoeging van één woning op perceelsniveau. Bij een kleinschalige woningbouwontwikkeling is de ladder niet van toepassing. Waar de grens precies ligt, blijkt niet expliciet uit het Besluit ruimtelijk ordening. Op basis van jurisprudentie blijkt dat bij woningbouw in beginsel sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden (ABRvS 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724). Voorliggende ontwikkeling betreft dus het toevoegen van één woning op perceelsniveau. Hierbij is sprake van een dusdanige kleinschalige woningbouwontwikkeling dat hier geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Uit bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd dat de toevoeging van één extra woning op perceelsniveau niet wordt beschouwd als een stedelijke ontwikkeling zodat gesteld kan worden dat er geen sprake is van een duurzame verstedelijking.
Conclusie rijksbeleid Het rijksbeleid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling die dit bestemmingsplan mogelijk maakt.
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
Op 19 december 2018 hebben de Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Deze is in maart 2021 geactualiseerd. De provincie geeft in deze Omgevingsvisie aan bij te dragen aan gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met behulp van zeven onderwerpen (energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economische vestigingsklimaat en woon- en leefklimaat) wordt hier richting aan gegeven. In de visie worden 'gezond, veilig, schoon en welvarend' toegelicht: 1. gezond en veilig; Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. 2. schoon en welvarend; Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. In december 2018 hebben Provinciale Staten ook de Omgevingsverordening geactualiseerd.
In de Omgevingsverordening staan de regels die horen bij de Omgevingsvisie. De regels uit de Omgevingsverordening stellen de provinciale belangen veilig omdat bestemmingsplannen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen hieraan moeten voldoen. Het plangebied is gelegen in Nationaal Landschap (Winterswijk). Een bestemmingsplan voor gronden binnen een Nationaal landschap, maar buiten de Groene ontwikkelingszone, het Gelders natuurnetwerk
Toelichting (vastgesteld)
13
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 en de Nieuwe Hollandse Waterlinie, maakt alleen bestemmingen mogelijk die de kernkwaliteiten van een Nationaal Landschap niet aantasten. De voorgenomen ontwikkeling tast deze kernkwaliteiten niet aan. De bebouwing blijft hetzelfde en door sloop van agrarische bebouwing ontstaat openheid. In het landschapsplan (Bijlage 1) worden historische lijnen versterkt alsmede de kleinschaligheid die passend is in dit deel van het landschap.
Conclusie provinciaal beleid Een aantrekkelijke leefomgeving vergt een goede kwaliteit en beleving van natuur en landschap in Gelderland, een gezonde en veilige leefomgeving en een robuust bodem- en watersysteem. De provincie zet daarom in op het waarborgen en op het verder ontwikkelen van die kwaliteiten van Gelderland. Dit houdt onder meer in: ontwikkelen met kwaliteit, recht doen aan de ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten van de plek. Daarnaast moet de kwaliteit van het landschap behouden en versterkt worden. In Hoofdstuk 5 wordt hier nader op ingegaan.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Woonvisie Oost Gelre
De gemeenten in de Achterhoek hebben gezamenlijk een visie voor het woonbeleid vastgesteld. Een demografische ontwikkeling in deze regio is dat het aantal inwoners in de komende periode langzaam maar zeker afneemt. In de Regionale Woonvisie wordt ingespeeld op die bevolkingsdaling en afname van het aantal huishoudens. Concreet betekent dit voor iedere gemeente in de Achterhoek dat de aangegeven bouwvolumes in de gemeentelijke woonvisies naar beneden bijgesteld moeten worden. De gemeente Oost Gelre heeft een eigen woonvisie vastgesteld voor de periode 2016 - 2025 waarin de regionale woonvisie in is verweven. Deze is door de gemeenteraad vastgesteld op 20 september 2016. De woonvisie Oost Gelre is een kernachtige en toegankelijke visie. De visie is vormgegeven op basis van een drietal thema's: kwantiteit & kwaliteit, beschikbaarheid & betaalbaarheid en wonen met zorg en welzijn. Bij ieder thema is aangegeven wat wordt gezien als ontwikkelingen, wat er bereikt moet worden en wat hiervoor moet worden gedaan. Voorafgaand hieraan is ingegaan op de kwaliteiten van Oost Gelre, specifiek de verschillende kernen, en de maatschappelijke ontwikkelingen die het woonbeleid beïnvloeden. In een uitvoeringsprogramma is aangegeven welke activiteiten uit de woonvisie voortvloeien en wanneer en door wie deze worden uitgevoerd.
De ruimtelijke uitvoeringsmaatregelen zoals het stoplichtmodel, vijfsporenstrategie, sturingstabel en de richtlijnen voor nieuwe principeverzoeken zijn als bijlage bij het uitvoeringsprogramma gevoegd. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan is rekening gehouden met de vastgestelde woonvisie. 4.4.2
Herbouw boerderijen buitengebied
Op 18 januari 2019 is de beleidsnota 'Uitgangspunten herbouw boerderijen buitengebied' vastgesteld. In deze nota zijn de uitgangspunten beschreven om een voormalige boerderij geheel of gedeeltelijk te slopen en deze te herbouwen. De gemeente Oost Gelre maakt functieverandering van boerderijen naar woningen mogelijk. Daarbij is het mogelijk de volledige inhoud van de boerderij (inclusief bedrijfsgedeelte) in gebruik te nemen voor de woonfunctie. Ook is het mogelijk om bij grotere boerderijen (inhoud van tenminste 900 m3), deze te splitsen in twee woningen. De regelingen gaan uit van hergebruik van de bestaande boerderij. Voor (toekomstige) bewoners is het niet altijd mogelijk om hun woonwensen te realiseren binnen de bestaande boerderij. Zolang er geen sprake is van een monument is het mogelijk om de bestaande boerderij (gedeeltelijk) te slopen en een nieuwe woning op te richten. In de beleidsnota is aangegeven dat uit een bouwkundig onderzoek moet blijken dat verbouw van de voormalige boerderij niet mogelijk of wenselijk is. Een visueel onderzoek heeft uitgewezen dat de bouwkundige staat van het achterhuis dermate slecht is dat nieuwbouw de voorkeur heeft boven verbouw. Alle elementen van het achterhuis zijn in (heel) slechte staat. Daarbij heeft het gebruik van het achterhuis als stalruimte een aanslag gepleegd op de gebinten en draagconstructie in de boerderij.
Deze zijn niet meer te gebruiken voor een woning en moeten worden vervangen. Het rapport is
14
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 opgenomen in Bijlage 2 van de toelichting. De uitkomsten van het bouwkundige onderzoek zijn verwerkt in een visie op de gedeeltelijke herbouw van de boerderij: De bestaande boerderij wordt gedeeltelijk (achterhuis) herbouwd. Qua vorm en detaillering wordt aangesloten bij de karakteristieken van de cultuurhistorische omgeving. Voor de boerderij wordt gebruik gemaakt van streekeigen natuurlijke bouwmaterialen en ingetogen kleuren. De gevels zijn opgebouwd uit baksteen en het dak voorzien van dakpannen zoveel mogelijk afgestemd op de bestaande materialen van het voorhuis. Voor de deuren, overstekken, kozijnen etc. wordt gebruik gemaakt van hardhout. De gebruikte kleuren zijn ingetogen. Er wordt waar mogelijk aangesloten bij de bestaande boerderij. Het te herbouwen achterhuis wordt op exact dezelfde positie als het te slopen achterhuis gerealiseerd. De herbouw van het achterhuis, in combinatie met het landschappelijke inpassingsplan zorgt voor een versterking van de ruimtelijke kwaliteitswinst." 4.4.3
Welstandsbeleid Oost Gelre 2017
Met het welstandsbeleid wordt richting gegeven aan gebouwen en het landschap in de gemeente Oost Gelre. Wat is belangrijk om te behouden of te beschermen en op welke plekken kunnen de burgers meer vrijheid van handelen krijgen? Deze keuze vormt de politieke component van het welstandsbeleid. De gemeenteraad heeft aangegeven meer "vrijheid" te willen en meer te willen "inspireren". Het beleid is gericht op deregulering: voor minder bouwaanvragen een welstandstoets gebaseerd op minder en duidelijkere regels. Op de vraag hoe eventueel welstandstoezicht zou moeten plaatsvinden, wordt hier al een voorlopig antwoord geformuleerd: niet door te omschrijven hoe het gebouw moet worden, maar door aan te geven waarop de beoordeling van het ontwerp gebaseerd moet worden. Het welstandsbeleid biedt concreet gereedschappen (handvatten) voor burgers, ondernemers en gemeente om samen aan de slag te gaan met nieuwe ruimtelijke initiatieven. Aan het welstandsbeleid is een Inspiratiedocument gekoppeld. Dit document vormt een belangrijke basis voor het welstandsbeleid,. In dit document zijn de kernkwaliteiten voor Oost Gelre beschreven. Deze kernkwaliteiten en kansen voor de kernen bieden aanknopingspunten ter inspiratie voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. 4.4.4
Geluidbeleid gemeente Oost Gelre
Geluid is een belangrijke bron van hinder en zelfs een mogelijk gevaar voor de volksgezondheid. Naar schatting een miljoen mensen in Nederland ondervinden ernstige hinder van geluid. Belangrijke bronnen zijn wegverkeer en in minder mate railverkeer en industrielawaai. Ook buren zijn belangrijke veroorzakers van geluidhinder. Het is daarom belangrijk om in het gemeentelijke geluidbeleid hinder ten gevolge van geluid te reduceren. Stilte (het ontbreken van hinderlijk geluid) is een belangrijke kernkwaliteit van de Achterhoek. Deze kwaliteit is het waard om beschermd te worden. Daarnaast is het een belangrijke gemeentelijke taak om ruimte te bieden aan (geluidproducerende) bedrijvigheid en verkeer. Een goede balans daartussen is de uitdaging van dit beleidsstuk. Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidbeleid ontwikkeld om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidaspect in bestemmingsplannen, vergunningen e.d. De Rijksoverheid treedt steeds verder terug om geluidzaken meer decentraal te laten regelen. De gemeente Oost Gelre grijpt deze kans om maatwerk te leveren: stilte beschermen waar mogelijk en geluidruimte te bieden waar nodig. Het gemeentelijk geluidbeleid is gebiedsgericht beleid.
Het gemeentelijk beleid is verdeeld in tien akoestisch relevante gebiedstypen, zoals natuur, agrarisch gebied, woonwijken, centra en industrieterrein. Voor elk gebied is vastgesteld welke akoestische streef-, grens- en plafondwaarden gelden. Bij nieuwe activiteiten dient een geluidbelasting tussen streef en grenswaarden te ontstaan, waarbij streefwaarden de norm zijn. Alleen akoestisch uitzonderlijke situaties geven mogelijkheden geluidbelastingen tussen grens- en plafondwaarden aan te houden. Kortom, hoe verder de geluidbelasting boven de streefwaarden komt des te belangrijker wordt een goede motivatie van deze afwijking. Doel is immers om een gekozen akoestisch leefklimaat te realiseren, indien nodig ten koste van nieuwe (te luidruchtige) activiteiten. Waar meer geluidruimte is gegeven, zijn dus ook meer activiteiten mogelijk.
Toelichting (vastgesteld)
15
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
4.4.5
Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014 - 2024
Het Rijk en de provincies leggen hun verkeer- en vervoersbeleid vast in een beleidsplan. Gemeenten zijn vrij in de manier waarop zij hun beleid vastleggen. Het is wel een verplichting om aan te geven hoe het verkeer- en vervoersbeleid in de gemeente wordt vormgegeven. Hiervoor heeft de gemeente Oost Gelre, in navolging van het Gemeentelijk Verkeer- en Vervoer Plan 2011-2015 (GVVP), het "Integraal verkeersprogramma Oost Gelre 2014-2024" vastgesteld. Het uitvoeringsprogramma heeft betrekking op de periode 2014-2018 en wordt geactualiseerd. Waar voorheen het GVVP zich vrijwel uitsluitend beperkte tot een aantal maatregelen die slechts betrekking hadden op de verkeersproblematiek, is nu gekozen voor een opzet die de oplossing van verkeers- en vervoersproblemen in een breder kader plaatst. De hernieuwde insteek voorziet in een integrale benadering van het verkeer in een landschappelijke en ruimtelijke omgeving. Verkeer is vaak een afgeleide van ruimtelijke ontwikkelingen. Vanuit deze integrale benadering zijn er ambities, aandachtspunten en beleidsprincipes in beeld gebracht. Dit leidt tot een concreet uitvoeringsprogramma om de komende jaren aan te werken. In het uitvoeringsprogramma is ruimte geboden voor het inbrengen van (lokale) aandachtspunten door burgers/belangengroepen. Deze zijn geïnventariseerd en vervolgens opgenomen in het uitvoeringsprogramma.
In paragraaf 5.9 wordt hier nader op ingegaan. 4.4.6
Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre
De gemeente Oost Gelre heeft een Inspiratiedocument Ruimte Oost Gelre opgesteld voor de kernen en buitengebied. Dit inspiratiedocument biedt een visie voor de toekomst van Oost Gelre door middel van het weergeven van de kwaliteiten. Het vormt een leidraad voor ruimtelijke ontwikkelingen. 4.4.7
Vigerend bestemmingsplan
Zie paragraaf 2.3 voor een beschrijving van het vigerende bestemmingsplan. 4.4.8
Landschapsontwikkelingsplan
Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap. Die visie in het LOP is in hoofdlijnen: 'Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort wat!'
In het Visiedeel van het landschapsontwikkelingsplan is aangegeven dat de Aaltenseweg 88 in het landschaps-ensemble 'Het dorp Lichtenvoorde' is gelegen.
Hierbij geldt het motto: "Vang de dynamiek in de dorpsranden op door elke ingreep in het landschap te verevenen met een kwaliteitsverbetering op de plek en de omgeving daarvan: voor wat hoort wat! Kies daarbij voor de verschillende kanten van Lichtenvoorde voor verschillende thema’s: Lichtenvoorde-Z: ‘beekdal door het dorp’".
Te beschermen of op te poetsen parels: golvende hellingen van de plateaurand met uitzichtpunten de Hofbeek
16
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 de elzensingels in de westelijke ontginningen plekken om te verpozen eventueel met bankjes verschraalde bermen bij erf en typerende beplantingen Te stimuleren landschapselementen: hamelanen en vraaghagen op de hellingen boerenlanen in landgoederen; losse lanen met menging van eik en berk, zwarte els (nat) en es. Soms ook populier en wilg. diekpaden in de broekontginning: elzensingels, soms met pad overlopers in het westen kunnen bestaan uit openbare stroken langs kavelgrenzen met daarin elzensingels, elzenbroek of berkensingel, ook toe te pasen als beekbegeleidende beplanting. Voor de voorgenomen ontwikkelingen op het perceel is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het LOP alsmede de daarin genoemde parels en landschapselementen hebben de basis gevormd voor het opgestelde landschappelijk, voorzover van toepassing. Het opgestelde landschappelijk inpassingsplan is als bijlage bijgevoegd (Bijlage 1) .
Conclusie gemeentelijk beleid Het plan voldoet aan het gemeentelijk beleid. Dit is getoetst in Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 6.
Toelichting (vastgesteld)
17
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoeringsaspecten
Archeologie en cultuurhistorie
Archeologie Wettelijk kader Op 14 april 2020 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw archeologisch beleid vastgesteld met titel 'Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre, een actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtings- en beleidskaart'. De actualisatie betreft het bijwerken van de bestaande archeologische vindplaatsen-, verwachtings- en beleidskaart uit 2008 alsmede het bijwerken van de achterliggende databestanden met nieuwe/aanvullende archeologische, historische en landschappelijke gegevens en inzichten. De meest opvallende wijzigingen aan het kaartbeeld ten opzichte van het beleidskader uit 2008 is het toevoegen van historisch gezien belangrijke terreinen waarvan het op basis van historisch onderzoek zeer aannemelijk is dat zich hier archeologische en/of bouwhistorische resten bevinden of hebben bevonden. Daarnaast zijn in deze actualisatie wijzigingen opgenomen voor wat betreft de mate van oppervlakte waarbij een verkennend archeologisch onderzoek nodig is.
Situatie plangebied Ingevolge het geldende bestemmingsplan 'Buitengebied Oost Gelre 2011' zijn de gronden in het plangebied gelegen in de dubbelbestemming 'Waarde – archeologische verwachtingswaarde 1'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Bij bodemingrepen dieper dan 30 cm en een oppervlakte groter dan 100 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen op basis van nader onderzoek, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
Uitsnede beleidskaart
Ingevolge de beleidskaart behorende bij het nieuwe Archeologiebeleid is het perceel gelegen in 'Archeologisch Waardevol Gebied categorie 4' (bekende archeologische vindplaats met rondom attentiezone van 50 m): er wordt gestreven naar behoud in huidige staat en naar het vermijden van diepe bodemingrepen of bekende bodemverstoring . Indien behoud niet mogelijk is, dan geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm -Mv of dieper dan de bekende bodemverstoring en bij plangebieden groter dan 50 m2 vroegtijdig inventariserend archeologisch onderzoek vereist is, conform KNA en Norm Archeologisch Vooronderzoek gemeenten Regio Achterhoek (vigerende versies). In de regels is opgenomen dat er een vergunningplicht geldt voor werkzaamheden dieper dan 30 cm onder het maaiveld en voor een oppervlakte van meer dan 50 m2. Deze vergunningplicht geldt alleen wanneer gebouwen
18
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 maximaal 2,5 m uit de bestaande fundering worden vergroot. Het her te bouwen actherhuis komt op de bestaande fundering. Een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig.
Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). De intentie van het bevoegd gezag is gericht op behoud van bestaande traditionele boerderijen. De bestaande voormalige boerderij is niet aangemerkt als karakteristiek en/of monumentaal. Daarnaast is het achterhuis van deze voormalige boerderij jarenlang als stalruimte in gebruik geweest. Door dit gebruik is het achterhuis dermate aangetast dat hergebruik hiervan niet meer mogelijk is. Behoud van het achterhuis heeft dan ook geen meerwaarde voor de cultuurhistorie. De overige bouwwerken en gebouwen op het perceel hebben geen cultuur- of monumentale historische waarde.
Conclusie archeologie en cultuurhistorie De aspecten archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.
5.2
Bedrijven en milieuzonering
Wettelijk kader De VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel voor de beoordeling van de toelaatbaarheid van ruimtelijke ontwikkelingen bij en rondom bedrijven. De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.
Situatie plangebied In deze situatie is er sprake van een rustig buitengebied. In de omgeving van de aangevraagde ontwikkeling bevinden zich de in onderstaande tabel genoemde bedrijven. Onderstaande tabel toont per bedrijf de richtafstand per onderdeel (geur, stof, geluid en gevaar) en de bijbehorende milieucategorie. De richtafstanden gelden tussen de grens van de bedrijfsbestemming en de gevel van de woning. De werkelijke afstand in onderstaande tabel is ook op die manier gemeten.
Toelichting (vastgesteld)
19
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
De tabel laat zien dat de aangevraagde ontwikkeling plaatsvindt buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven. Ondanks het feit dat de voorgenomen ontwikkeling plaatsvindt buiten de richtafstand gelden voor de volgende bedrijven nog aanvullende overwegingen met betrekking tot het aspect geur, zie paragraaf 5.6 Geur.
Conclusie bedrijven en milieuzonering De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats buiten de richtafstanden van omliggende bedrijven. De richtafstand voor het onderdeel geur is hierbij niet meegenomen, omdat voor dit onderdeel een wettelijke afstand geldt. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan die afstand. De ontwikkeling werkt daarom niet belemmerend voor deze bedrijven. Ook het woon- en leefklimaat ter plaatse van de ontwikkeling is hierbij niet in het geding. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.3
Bodem
Wettelijk kader Bij een bestemmingsplanprocedure geldt een verplichting om te toetsen of de bodemkwaliteit past bij de gevraagde ontwikkeling. De Omgevingsdienst Achterhoek voert een bodeminventarisatie uit om in beeld te brengen wat de lokale bodemkwaliteit is. Op basis van de inventarisatie moet aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd moet worden of zijn er maatregelen nodig om de bodemsituatie te verbeteren. Bij de verbouw naar een woon- of verblijfsruimte schrijft de Bouwverordening/Woningwet voor dat bodemonderzoek verricht moet worden. Er moet dan verplicht getoetst worden of de bodemkwaliteit voldoet aan de wettelijke normen die gelden voor de gebruiksfunctie wonen.
Situatie plangebied Om in beeld te brengen of ter plaatse van Aaltenseweg 88 Lichtenvoorde mogelijk sprake is van een afwijkende bodemkwaliteit, is een inventarisatie uitgevoerd. Daaruit volgende deze bevindingen: Op het perceel is een agrarisch bedrijf aanwezig (dat wordt beëindigd). Het milieudossier is niet ingezien, maar in het bodeminformatiesysteem is als HBB aangetekend: een ondergrondse dieseltank, pompinstallatie en een bovengrondse brandstoftank; Volgens het tankbestand is op het perceel een ondergrondse HBO-tank aanwezig geweest. Deze zou gesaneerd zijn en hiervan zou een saneringscertificaat beschikbaar zijn. De saneringswijze is niet bekend. Waarschijnlijk is de (voormalige) ligging van de HBO-tank uit het milieudossier te herleiden; Op het perceel is, voor zover bekend, niet eerder bodemonderzoek verricht; Voor het perceel is geen melding voor het toepassen of opslaan van grond bekend; Als gevolg van een mogelijk aanwezige erfverharding van puin of het (voormalig) gebruik van asbesthoudend bouwmateriaal heeft het perceel een hoge asbest(bodem)verdenking. Een bureau kan ter plaatse beoordelen of deze verdenking terecht is. Uit de beschikbare luchtfoto’s en de asbestdakenkaart blijkt dat één of meerdere van de panden waarschijnlijk voorzien zijn van asbesthoudende dakbedekking.
Door afwatering of erosie kan een asbestverontreiniging in de onderliggende bodem ontstaan zijn; Op oude luchtfoto’s (>2008) zijn soms wat (tijdelijke) depots met – waarschijnlijk – opslag van grond en zand zichtbaar; Op historisch kaartmateriaal (http://www.topotijdreis.nl/) zijn geen bijzonderheden of bodemverstoringen zichtbaar. Uit de bodeminventarisatie blijkt dat ter plaatse Aaltenseweg 88 in Lichtenvoorde sprake is (geweest) van diverse bodembedreigende activiteiten. Daarom is aanvullend onderzoek uitgevoerd. Uit de resultaten kan het volgende geconcludeerd worden:
20
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 de bodem op de locatie bevat zintuiglijk geen afwijkende waarnemingen; in zowel de boven- als de ondergrond zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen; het grondwater is matig verontreinigd met barium. Waarschijnlijk hebben deze gehalten een natuurlijke oorsprong. Het bodemrapport is bijgevoegd in Bijlage 3 van de toelichting. Het bodemonderzoek voldoet aan de gestelde kwaliteitseisen.
Conclusie bodem Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het beoogde gebruik. Het onttrekken van grondwater voor eigen gebruik wordt ontraden.
Algemeen Ten behoeve van de verwerking van vrijkomende grond buiten de onderzoekslocatie wordt verwezen naar de uitgangspunten van het Besluit Bodemkwaliteit (Bbk). Aandachtspunt hierbij is de eventuele verplichting voor aanvullende analyse op PFAS-verbindingen ; Wanneer tijdens graafwerkzaamheden waarnemingen worden gedaan die op een verontreiniging wijzen, dan moet het werk direct gestopt worden en moet met de Omgevingsdienst worden overlegd; Bij de oprichting, verandering of beëindiging van een inrichting kan sprake zijn van een verplichting voor een nul- of eindsituatieonderzoek. De beoordeling hiervan vindt plaats bij het indienen van een melding in het kader van het Activiteitenbesluit of het aanvragen van een omgevingsvergunning milieu.
5.4
Externe veiligheid
Wettelijk kader Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.
Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is; Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen
Toelichting (vastgesteld)
21
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.
Situatie plangebied Zoals op onderstaande afbeelding te zien is, zijn in de directe omgeving van de voorgenomen planontwikkeling geen bedrijven en/of vinden activiteiten plaats die een risico vormen voor deze ontwikkelingen. Omgekeerd vinden bij de voorgenomen planontwikkeling geen activiteiten plaats die een risico vormen voor de directe omgeving. In de omgeving is geen route en/of opslag voor gevaarlijke stoffen aanwezig.
Uisnede kaartviewer Risicokaart
Conclusie externe veiligheid Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.5
Geluid
Wettelijk kader Voor de beoordeling van het onderwerp geluid gelden bij ruimtelijke besluiten de volgende uitgangspunten: 1. voldoen aan de normen uit de Wet geluidhinder (geluidzones rondom wegen, spoorwegen en industrieterreinen); 2. het niet belemmeren van bedrijven in de omgeving; 3. het garanderen van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat; 4. voldoen aan de eisen uit gemeentelijk geluidbeleid. 1. Wet geluidhinder
22
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen voor geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. De Wgh kent drie geluidbronnen waarvoor geluidzones gelden: railverkeerslawaai; wegverkeerslawaai; industrielawaai. Wanneer een ontwikkeling in een zone valt zoals aangegeven in de Wgh, moet akoestisch onderzoek aantonen dat aan de grenswaarden in deze wet wordt voldaan. Wordt niet voldaan aan deze grenswaarden, dan kunnen onder voorwaarden hogere grenswaarden vastgesteld worden. Hierbij wordt een procedure doorlopen die aan de eisen van de Wgh moet voldoen.
2. Belemmering bedrijfsvoering Door een ruimtelijke ontwikkeling kunnen geluidgevoelige objecten dichter naar bedrijven toe komen. Bedrijven moeten ten aanzien van deze objecten voldoen aan geluidnormen. Het realiseren van geluidgevoelige objecten dichter naar de bedrijven kan een beperking voor de bedrijven betekenen. Of deze beperking ook leidt tot directe gevolgen voor de bedrijfsvoering, dient te worden vastgesteld. In dergelijke gevallen is akoestisch nodig om te onderzoeken welke geluidbelasting het bedrijf op het plangebied heeft. Blijkt uit het onderzoek dat de bedrijven ook in de nieuwe situatie kunnen voldoen aan de gestelde geluidnormen, dan is in feite voldaan aan dit punt. Voor de beoordeling kunnen verschillende toetsingskaders van toepassing zijn: de geluidvoorschriften van de geldende vergunning van een bedrijf in de omgeving; de geluidbepalingen van het Activiteitenbesluit; het geluidbeleid van de gemeente; de handreiking industrielawaai en vergunningverlening. 3. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat Afgewogen moet worden of er in en om de geluidgevoelige objecten een aanvaardbaar woon-en leefklimaat blijft gegarandeerd. Dit aspect speelt wanneer geluidgevoelige objecten en geluid producerende objecten als bedrijven en wegen in elkaars nabijheid worden gerealiseerd.
Om hierover een goed oordeel te kunnen vormen dient te worden bepaald wanneer sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wanneer een gemeente geluidbeleid heeft vastgesteld kunnen daarin geluidnormen zijn opgenomen. Voor rail- en wegverkeerslawaai kan aansluiting worden gezocht bij de normen in de Wgh. Ook als er sprake is van een industrieterrein in of rond een plangebied kent de Wgh normen. Voor het overige lawaai van bedrijven kennen de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Activiteitenbesluit en de Handleiding Industrielawaai en vergunningverlening regels en normen. Uit vaste jurisprudentie blijkt dat bij ruimtelijke plannen verder moet worden gekeken dan de normen uit de diverse wetten. De VNG-publicatie "bedrijven en milieuzonering" is hiervoor een hulpmiddel. Wanneer aan de richtafstanden van deze publicatie wordt voldaan is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Wordt niet voldaan aan de richtafstanden dan dient de situatie akoestisch te worden bepaald en afgewogen.
Bij de afweging of een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ook in een nieuwe situatie aanwezig blijft, moet worden betrokken: de aard van het plan; de bestaande aard van de omgeving en/of het referentieniveau van het achtergrondgeluid; de verandering in geluidsbelasting die de nieuwe situatie voortbrengt; de geluidbelasting op de woning of het geluidgevoelige object in de nieuwe situatie; cumulatie van verschillende geluidsbronnen; de geluidnormen die eventueel worden opgelegd aan omliggende bedrijven. Een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan gelden voor het te realiseren plan, maar geldt ook voor de omgeving van het plan.
4. Geluidbeleid
Toelichting (vastgesteld)
23
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
De gemeente Oost Gelre heeft geluidbeleid. Het nieuwe beleid sluit aan bij het Activiteitenbesluit en de VNG-publicatie "bedrijven en milieuzonering".
Situatie plangebied 1. Wet geluidhinder Het gaat om: omzetten van de agrarische bestemming naar woonbestemming (bestaande woning) en een nieuwe woning in het achterhuis. De Wgh maakt geen onderscheid in een woning van een derde en een (agrarische) bedrijfswoning. Toets aan de Wgh is dan noodzakelijk. In de omgeving van het plan bevindt zich geen spoorweg en geen gezoneerd industrieterrein. Het onderdeel railverkeerslawaai en het onderdeel industrielawaai van de Wgh zijn niet van toepassing. Wegen hebben een wettelijke zone op basis van de Wgh. Woonerven en wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur hebben geen wettelijke geluidzone.
Voor woningen en andere geluidgevoelige gebouwen binnen een zone geldt een voorkeurswaarde van ten hoogste 48 dB. Bij het niet kunnen voldoen aan deze grenswaarde bestaat onder voorwaarden de mogelijkheid hogere grenswaarden vast te stellen. Het College van Burgemeester en Wethouders is hiervoor bevoegd.
De locatie bevindt zich in buitenstedelijk gebied en binnen de wettelijke geluidzone. Het is in deze situatie van belang welke procedure gevolgd gaat worden. Voor de bestaande woning geldt: Het functioneel omzetten van een agrarische bestemming (bedrijfswoning) naar een woonbestemming (burgerwoning), al dan niet met agrarisch medegebruik, vereist meestal geen toets op grond van de Wgh. Dat geldt alleen als de wijziging via het bestemmingsplan wordt gerealiseerd. Op basis van art. 76 lid 3 Wgh hoeft de geluidsbelasting van een aanwezige weg (waar geen wijzigingen optreden) op bestaande woningen niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Hieronder valt het omzetten van een agrarische bedrijfswoning naar een (burger)woning. Wordt de bestemmingswijziging via een omgevingsvergunning voor een ruime afwijking van het bestemmingsplan (art. 2.12 lid 1 sub a onder 3° Wabo) gerealiseerd, dan moet wel toetsing aan de grenswaarden plaatsvinden. Art. 76a Wgh kent geen lid dat vergelijkbaar is met art. 76 lid 3 Wgh waarin bestaande situaties niet getoetst hoeven te worden. Voor de "nieuwe" burgerwoning geldt namelijk een hoger beschermingsniveau dan voor de agrarische bedrijfswoning (bron: Infomil dd 13/8/2018). Voor de verbouw van de deel tot woning geldt: Dit wordt een zelfstandige nieuwe woning. Toets aan de Wgh is nodig. Hiervoor is een onderzoek uitgevoerd.
De conclusie van het rapport is dat de geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai ter plaatse van de nieuwe woonbestemming zal voldoen aan de voorkeursgrenswaarde uit de Wgh. Er zijn geen verdere procedures in het kader van de Wgh nodig. Het akoestisch onderzoeksrapport is bijgevoegd in Bijlage 4 van de toelichting. Het akoestisch
24
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 onderzoek is voldoende representatief en betrouwbaar.
2. Belemmering bedrijfsvoering De locatie wijzigt naar een woonbestemming. Het achterhuis wordt een nieuwe woning. Formeel moet dan onderzocht worden of de omliggende bedrijven belemmerd kunnen worden. Hiervoor gelden meerdere milieu-aspecten waaraan getoetst moet worden. 5.2 Bedrijven en milieuzonering.
3. Aanvaardbaar woon- en leefklimaat De locatie wijzigt naar een woonbestemming. Het achterhuis wordt een nieuwe woning. Formeel moet dan onderzocht worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Hiervoor gelden meerdere milieu-aspecten waaraan getoetst moet worden. Zie hiervoor paragraaf 5.2 Bedrijven en milieuzonering.
4. Geluidbeleid Zie paragraaf 5.2 Bedrijven en milieuzonering.
Conclusie geluid Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
5.6
Geur
Wettelijk kader De vier omliggende bedrijven meldingsplichtige veehouderijen vallen volledig onder de regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. De afstand voor het onderdeel geur uit tabel de richtafstanden tabel in paragraaf 5.2.
Situatie plangebied De voorgenomen ontwikkeling vindt plaats buiten de bebouwde kom. In dit geval is sprake van het realiseren van woning (woningsplitsing) in samenhang met beëindiging van de veehouderij. Dan geldt alleen een minimumafstand tot andere veehouderijen. Deze afstand is 50 meter voor een woning of ander geurgevoelig object buiten de bebouwde kom. Verdere berekeningen kunnen onder de volgende voorwaarden achterwege blijven: de woning is op of na 19 maart 2000 gebouwd; de woning ligt op een kavel, dat op 19 maart 2000 in gebruik was als veehouderij; de woning is gebouwd in samenhang met het geheel of gedeeltelijk buiten werking stellen van de veehouderij; de woning is gebouwd in samenhang met de sloop van de bedrijfsgebouwen die onderdeel hebben uitgemaakt van de veehouderij. De nieuwe woning (woningsplitsing) op de locatie Aaltenseweg 88 voldoet aan bovenstaande voorwaarden. Het is daarom voldoende om te toetsen aan de voor deze situatie geldende minimumafstand van 50 meter. De nieuwe woning (woningsplitsing) blijkt aan deze afstand te voldoen. De afstandsmeting vindt plaats tussen de grens van de agrarisch bouwvlakken en de gevel van de woning. Een verdere geurberekening is niet nodig, omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in de uitspraken van de Raad van State.
Voor andere agrarische bedrijfsactiviteiten dan het huisvesten van dieren geldt meestal een minimumafstand van 50 meter. Het gaat hierbij om de opslag van mest, de opslag van vaste bijvoermiddelen en een composteringshoop. Die activiteiten zijn overal binnen het agrarisch bouwvlak Toelichting (vastgesteld)
25
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88 toegestaan. Voor een mestbassin met een oppervlakte van 350 m2 of meer geldt een minimumafstand van 100 meter (artikel 3.51 Activiteitenbesluit) Omliggende veehouderijen bevinden zich op meer dan 100 meter van de voorgenomen ontwikkeling. Het te realiseren geurgevoelige object voldoet aan de vereiste minimumafstand.
Conclusie geur Het aspect geur vormt geen belemmering voor voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Luchtkwaliteit
Wettelijk kader Paragraaf 5.2 (Luchtkwaliteitseisen) van de Wet milieubeheer (Wm), bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Op 1 augustus 2009 is het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) in werking getreden. Op grond van artikel 5.16 Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen hebben voor de luchtkwaliteit uitoefenen indien: de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2) de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar
programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het Besluit niet in betekende mate is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (=1,2 µg/m3); meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen. Situatie plangebied Dit bestemmingsplan heeft betrekking op het omschakelen van een agrarisch bedrijf naar een woonfunctie. Er komt één nieuwe woning bij. De verkeersbewegingen van de nieuwe functie zijn minder zwaar dan bij een functionerend agrarisch bedrijf is te verwachten. Een nadere toets aan dit thema is dan ook niet noodzakelijk. Een nader onderzoek naar luchtkwaliteit is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie luchtkwaliteit Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
26
Toelichting (vastgesteld)
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
5.8
Natuurbescherming
Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort.
Gebiedsbescherming Voor onderhavig plangebied is de volgende wet- en regelgeving op het gebied van gebiedsbescherming relevant: de Wnb en de provinciale structuurvisie en verordening. Van deze laatst genoemde groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland.
De GNN en GO kent formeel geen externe werking.
Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.
Toelichting (vastgesteld)
27
bestemmingsplan Functieverandering naar wonen, Aaltenseweg 88
Ligging Natura 2000-gebieden binnen de gemeente en in de omgeving, bron http://natura2000.eea.europa.eu/
Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4) dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11).