bijlage 6 bij omgevingsplan quick scan natuur
Tekst van het document
Lichtenvoorde, Gemeentehuis Quick scan natuur Gemeente Oost Gelre
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling
4 juni 2025, projectnummer 230293.01
sab adviseurs in ruimtelijke ontwikkeling info@sab.nl - www.sab.nl In opdracht van: Contactpersoon:
Gemeente Oost-Gelre A.Grevers
Opsteller:
A.Mensinga
Velbezoek uitgevoerd door:
S.A.M. de Wringer
Collegiale toetser:
K. Konings
Datum oplevering: Projectnummer: Foto voorblad:
4 juni 2025 230293.01 Oude postkantoor, gemaakt door SAB
Kwaliteit van het ecologisch onderzoek en het geleverde product staan bij SAB hoog in het vaandel. Mede daarom zijn wij aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus (NGB); de brancheorganisatie voor groene adviesbureaus. Om aan onze standaard te voldoen, wordt ecologisch onderzoek enkel uitgevoerd door deskundigen zoals bedoeld door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland en zoals is beschreven in artikel 7.197j, lid 2, onder a van de Omgevingsregeling. Ecologen in opleiding tot deskundige werken altijd onder begeleiding van een deskundige. Dat neemt niet weg dat ecologisch onderzoek altijd een momentopname is. De bescherming van Rode lijstsoorten en soorten van bijlage IX van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) onder de specifieke zorgplicht Omgevingswet (Ow) is nieuw. De concrete interpretatie van de beschreven onderzoekslast en invulling van te nemen maatregelen, is nu nog niet duidelijk. Dit zal door middel van jurisprudentie op termijn duidelijk(er) worden. Tot die tijd maken wij op basis van wat redelijkerwijs kan worden gevraagd een eigen inschatting van de onderzoekslast en te nemen maatregelen voor de betreffende soorten. Indien dit in de toekomst leidt tot onvolledigheden of onjuistheden in dit rapport, zijn wij hiervoor niet aansprakelijk te stellen.
SAB is niet aansprakelijk voor vervolgschade, alsmede schade die voortvloeit uit toepassing van de resultaten van de werkzaamheden, kaartmateriaal inclusief getoonde begrenzingen of andere gegevens verkregen van SAB. De opdrachtgever vrijwaart SAB voor aanspraken van derden in verband met deze toepassing. Disclaimer tekst Bij het samenstellen is de grootst mogelijke zorgvuldigheid nagestreefd. Toch kan de informatie in deze uitgave niet juist of onvolledig zijn. De Opdrachtgever is hiervoor niet aansprakelijk. Als u van mening bent dat er beeldmateriaal is gebruikt waarover u het beeldrecht heeft, neem dan contact op met de opdrachtgever via onze website of bovengenoemde adres. Copyright Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen, in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt worden in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch door fotokopieën of enig andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opdrachtgever.
Inhoudsopgave 1
2
3
4
5
Inleiding
3
1.1
Aanleiding
3
1.2
Besluitgebied
3
1.3
Leeswijzer
9
Beschermde gebieden
10
2.1
Natura 2000-gebieden
10
2.2
Natuurnetwerk Nederland
13
Beschermde soorten
15
3.1
Wettelijk kader
15
3.2
Aanwezigheid biotopen en soorten
16
3.3
Vogels
17
3.4
Planten
20
3.5
Grondgebonden zoogdieren
21
3.6
Vleermuizen
22
3.7
Reptielen
26
3.8
Amfibieën
27
3.9
Vissen
28
3.10
Insecten en andere ongewervelden
28
3.11
Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten
28
3.12
Specifieke zorgplicht
30
Beschermde houtopstanden
32
4.1
Wettelijk kader
32
4.2
Aanwezigheid
33
4.3
Effectbeoordeling en advies
33
Conclusie
35
5.1
Beschermde gebieden
35
5.2
Beschermde soorten
35
5.3
Beschermde houtopstanden
36
5.4
Vervolgstappen
36
Geraadpleegde bronnen Bijlage: Tabel soorten NDFF
1 Inleiding 1.1
Aanleiding In de kern van Lichtenvoorde is de Gemeente Oost Gelre voornemens een gebied bij het huidige Gemeentehuis te herontwikkelen. In deze transformatie zal de openbare ruimte opnieuw worden ingericht, zal het voormalige schoolgebouw een nieuwe, bredere maatschappelijke functie krijgen en zullen nieuwe woningen gerealiseerd worden. Hiertoe wordt het laagbouw en klein deel van de ‘hoogbouw’ van het oud-postkantoor gesloopt. Mogelijk worden er t.b.v. de ontwikkelingen ook bomen gekapt. Deze ruimtelijke ontwikkeling past niet binnen het huidige omgevingsplan. Hiervoor dient derhalve een ruimtelijke procedure te worden doorlopen en moet de haalbaarheid van het nieuwe plan worden aangetoond. Er dient daarom vanuit de ecologie onderzocht te worden of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. Voorliggende rapportage zet door middel van een quick scan natuur uiteen of met de ruimtelijke ontwikkeling sprake kan zijn van het verstoren van beschermde natuurgebieden en beschermde soorten en beschermde houtopstanden en of nader onderzoek hiernaar noodzakelijk is.
1.2
Besluitgebied
1.2.1
Huidige situatie Het besluitgebied bevindt zich in de kern van Lichtenvoorde (gemeente Oost Gelre, provincie Gelderland). De locatie ligt op een kruispunt van de oude invalswegen van Lichtenvoorde: Raadhuisstraat – Rapenburgsestraat en Varsseveldseweg – Essstraat. In de omgeving van Lichtenvoorde liggen agrarische gronden en het Korenburgerveen. In de wijdere omgeving liggen natuurgebieden als Willinks Weust en Bekendelle. De directe omgeving van het besluitgebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen. De Raadhuisstraat loopt door het besluitgebied. Ten westen van de Raadhuisstraat bevinden zich het oude postkantoor, het gemeentehuis en school. Hiervan wordt alleen de laagbouw van het oude postkantoor (hierna: deel A) en een gevel inclusief een klein gedeelte van het oude postkantoor (hierna: deel B) gesloopt. Ook worden mogelijk bomen in het besluitgebied gekapt. Ten noordoosten van de Raadhuisstraat bevindt zich een parkeerplaats met een strook lage vegetatie en bomen. In het zuiden grenst het besluitgebied aan de Varsseveldseweg. In het noorden grenst een deel van het besluitgebied aan de Middenachtenstraat en het andere deel aan woningen. Navolgende afbeeldingen geven de globale ligging van het besluitgebied weer.
3
Topografische kaart met de ligging van het besluitgebied (rood omkaderd) ten opzichte van de omgeving. Bron: Esri
Luchtfoto met de ligging van het besluitgebied (rood omkaderd). Bron: Esri
4
Te slopen gebouwen (geel en groen kader) in besluitgebied (rode kader). Geel: deel A, groen: deel B. Bron: Esri, Bewerking: SAB. Op 7 januari 2025 heeft een veldbezoek aan de locatie plaatsgevonden. Het besluitgebied bestaat uit gebouwen, parkeerterrein, strook lage vegetatie, bestrating en bomen zoals een oude treurbeuk en berk, zie laatste foto. Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de te slopen gebouwen en mogelijk te kappen bomen in het besluitgebied.
5
Te slopen laagbouw (deel A) van oud postkantoor
Te slopen deel B van oud postkantoor (rode kader)
6
Oud postkantoor
Parkeerplaats met bomen in achtergrond
7
Bomen achter parkeerplaats
1.2.2
Toekomstige situatie Het gebied rondom het gemeentehuis wordt herontwikkeld door gemeente Oost Gelre. In deze transformatie zal de openbare ruimte opnieuw worden ingericht, zal het voormalige schoolgebouw een nieuwe, bredere maatschappelijke functie krijgen en zullen nieuwe woningen gerealiseerd worden. Op zowel de locatie van het oude postkantoor als het parkeerplaats is de opdrachtgever voornemens woningen te ontwikkelen. Navolgende afbeelding geeft een impressie van de inrichting van het besluitgebied. Een schets of ontwerp van de nieuwbouwwoningen is op het moment van schrijven nog niet bekend.
Inrichting besluitgebied rondom gemeentehuis. D.d. 26 september 2024. Ruimtelijke Visie. Bron: SAB 8
1.3
Leeswijzer Het doel van deze quick scan is het toetsen van de beoogde ontwikkeling aan de wet- en regelgeving die voor natuur en ecologie geldt. De bescherming van natuur en ecologische waarden valt net als andere thema’s in de fysieke leefomgeving per 1 januari 2024 onder de Omgevingswet. In het stelsel van de Omgevingswet worden verschillende ‘activiteiten natuur’ onderscheiden die ieder aanleiding kunnen zijn voor het aanvragen van een omgevingsvergunning. Voor het project “Lichtenvoorde Gemeente Oost Gelre” worden in dit onderzoek de volgende activiteiten beoordeeld: − Natura 2000-activiteit; − Flora- en fauna-activiteit; − Vellen en beheren van houtopstanden. In hoeverre deze wet- en regelgeving voor het project gevolgen heeft wordt onderzocht in de hoofdstukken gebiedsbescherming (hoofdstuk 2) en soortenbescherming (hoofdstuk 3) en de bescherming van houtopstanden (hoofdstuk 4).
9
2 Beschermde gebieden Verschillende overheden kunnen beschermde gebieden aanwijzen ten behoeve van het behoud en bescherming van natuur. Dit heeft ook gevolgen voor het type bescherming die deze gebieden genieten. Ter uitvoering van de Europese Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijn zijn door de Minister Natura 2000-gebieden aangewezen, zie paragraaf 2.1. Verder kan de minister van LVVN bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen (artikel 2.44 lid 2 Omgevingswet). Ieder provinciaal bestuur geeft invulling aan het natuurbeleid voor zijn provincie. Dat betreft regels voor gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland en andere beschermde gebieden (artikel 2.44 Omgevingswet) maar ze zijn ook verantwoordelijk voor een belangrijk deel van de uitvoering van het rijksbeleid ten aanzien van Natura 2000gebieden binnen de grenzen van de betreffende provincie.
2.1
Natura 2000-gebieden
2.1.1
Wettelijk kader Bij de aanwijzing van een Natura 2000-gebied worden voor het gebied instandhoudingsdoelstellingen voor te beschermen soorten en/of habitats vastgesteld. Het is verboden om zonder vergunning werkzaamheden of activiteiten uit te voeren die significant negatieve gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. Voor Natura 2000-gebieden is dit uitgewerkt als een specifieke zorgplicht (artikel 11.6 Bal). Hiermee worden alle activiteiten verboden die iemand verricht waarvan die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat deze activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor de bescherming van natuur in het betreffende Natura 2000-gebied. Diegene is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken, of om die activiteit niet uit te voeren als dit redelijkerwijs mogelijk is. Dit houdt in dat diegene kennis moet nemen van de aanwezige natuurwaarden in het gebied. Daarna moet diegene nagaan of verslechterende of significant verstorende gevolgen worden uitgesloten. Als deze gevolgen niet zijn uit te sluiten, moeten hiervoor passende preventieve maatregelen getroffen worden. Er moet nagegaan worden of deze maatregelen werken. Als blijkt dat deze niet werken moet de activiteit gestaakt worden en moet de schade hersteld worden.
De gevoeligheid van soorten en habitattypen waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden is voor elk Nederlands Natura 2000-gebied samengevat in de ´Effectenindicator´ (Broekmeyer, M. E. A. et al. 2005). In de Effectenindicator worden 19 mogelijke storingsfactoren op soorten en habitats onderscheiden (zie onderstaand overzicht).
10
Mogelijke storingsfactoren op soorten en habitats
Behalve voor activiteiten die effect hebben op het fysieke areaal van een Natura 2000-gebied gaat het ook over activiteiten die in de omgeving van een Natura 2000-gebied plaatsvinden en die elders een effect kunnen hebben, zoals geluid, licht en stikstof; de zogenaamde externe werking. Plannen zoals het in dit rapport genoemde project kunnen met name door stikstofuitstoot een negatief effect hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied. Dit is omdat in de Nederlandse Natura 2000-gebieden veel natuurwaarden aanwezig zijn die gevoelig zijn voor en reeds overbelast zijn door uit de lucht neerdalend stikstof. Gegeven het feit dat stikstofemissie, in de vorm van stikstofoxiden (NOx) kan plaatsvinden bij gemotoriseerd verkeer, inzet van sloopwerktuigen, industrie en ook bij de verwarming van huizen, en/of ammoniak (NH3) bij met name veehouderij, is het wettelijk vereist deze emissies in beeld te brengen. In het geval mogelijk sprake is van een problematische stikstofdepositie in een Natura 2000-gebied ten gevolge van de geplande ruimtelijke ontwikkeling, moet een AERIUS-berekening uitgevoerd worden voor de werkzaamheden (aanlegfase) en toekomstig gebruik (gebruiksfase). Als daaruit volgt dat een plan of project mogelijk negatieve gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, vindt eerst een globale toetsing plaats: de voortoets.
Als uit de voortoets blijkt dat er zeker geen negatieve gevolgen zijn, dan kan het betreffende plan worden vastgesteld. Dit wordt door de Provincie beoordeeld of door een omgevingsdienst namens hen. Als de kans op significante gevolgen niet kan worden uitgesloten dan kan, conform artikel 16.53c van de Omgevingswet en artikel 8.74b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) een passende beoordeling worden gemaakt. Die beoordeling moet zekerheid geven dat het project de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. In dat geval kan vergunningverlening plaatsvinden (artikel 8.74b, Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)). Geeft die beoordeling deze zekerheid niet, dan kan vergunningverlening alleen plaatsvinden als aan alle volgende voorwaarden is voldaan: − er zijn geen reële alternatieven voor de activiteit; − er is sprake van een dwingende reden van groot openbaar belang; − er vindt natuurcompensatie plaats.
11
2.1.2
Ligging Het besluitgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Wel liggen in de wijdere omgeving verschillende Natura 2000-gebieden, zie onderstaande kaart. De drie dichtstbijzijnde zijn: − Korenburgerveen: 6 km; − Willinks Weust: 15 km; − Bekendelle: 10 km.
Globale ligging van het besluitgebied (rode cirkel) ten opzichte van Natura 2000-gebieden in de omgeving Bron: natura2000.nl Bewerking: SAB
2.1.3
Effectbeoordeling en advies Het projectgebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, dus oppervlakteverlies en versnippering van een Natura 2000-gebied zijn niet aan de orde. Het project heeft geen invloed op watersystemen. Daarmee zijn ook de storingsfactoren verzoeting, verzilting, verdroging, vernatting, verandering van stroomsnelheid of overstromingsfrequentie niet van toepassing. De ontwikkeling gaat niet gepaard met een dusdanige uitstoot van ecosysteem/gebiedsvreemde stoffen in de omgeving (stikstofverbindingen niet beschouwd) dat ze in het Natura 2000-gebied verontreinigingen veroorzaken omdat aangenomen wordt dat bij de realisatiefase aan alle daarvoor geldende milieunormen voldaan wordt. Omstandigheden die leiden tot een mogelijke verandering van dynamiek van substraat in een Natura 2000-gebied zijn niet aan de orde. Eventuele verandering in geluid, licht, verstoring door trillingen, optische verstoring en mechanische effecten ten gevolge van het voorliggende plan zullen uitdoven, geabsorbeerd worden en/of overstemd worden door het tussenliggend landelijk en stedelijk gebied, dan wel ten gevolge van de afstand, voordat dit het Natura 2000-gebied kan bereiken.
Invloed op de populatiedynamiek en bewuste verandering van soortensamenstelling hoeft niet verder onderzocht te worden omdat ten gevolge van afstand en ongeschiktheid van het besluitgebied voor Natura 2000-soorten, er geen uitwisseling of beïnvloeding van individuen plaatsvindt tussen het besluitgebied en een Natura 2000-gebied ten gevolge van de ontwikkeling. 12
Verzuring en vermesting door stikstof uit de lucht zijn echter op voorhand niet uit te sluiten aangezien door de realisatie van het project, in de aanlegfase, door de inzet van vrachtwagens en machines stikstofverbindingen uitgestoten worden. Ook in de gebruiksfase kan een stikstofbelasting op omringede Natura 2000-gebieden aan de orde zijn, door de aanwezigheid van woningen en andere nieuwe inrichtingen. In AERIUS-calculator wordt de stikstofneerslag berekend ten gevolge van de beoogde ontwikkeling, over een gebied met een straal van 25 km. Aangezien binnen 25 km van het besluitgebied een Natura 2000-gebied aanwezig is, is het nodig om deze berekening te laten uitvoeren voor de aanlegfase en gebruiksfase. Indien significante effecten op instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden ten gevolge van de stikstofdepositie niet zijn uit te sluiten, is een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit noodzakelijk.
2.2
Natuurnetwerk Nederland
2.2.1
Wettelijk kader Gedeputeerde Staten zijn verantwoordelijk voor het landelijk ecologisch netwerk, genaamd Natuurnetwerk Nederland (artikel 2.31a, lid 1d Ow) in hun provincie en ze kunnen bij omgevingsverordening andere gebieden met bijzondere natuurwaarden beschermen, genaamd bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen (artikel 2.44, lid 5 Ow). De provincie Gelderland spreekt niet van Natuurnetwerk Nederland maar van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Binnen het GNN en de GO staat de bescherming van de kernkwaliteiten centraal. De kernkwaliteiten bestaan uit bestaande natuurwaarden, uit nog te ontwikkelen potentiële waarden en omgevingscondities. Per saldo moet elke ontwikkeling in het GNN een verbetering van de betreffende kernkwaliteiten opleveren. De GO heeft een dubbeldoelstelling. Er is ruimte voor economische ontwikkeling in combinatie met versterking van de ecologische samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. Door de samenhang met de aangrenzende en inliggende natuur van het GNN herbergt de GO ook kenmerkende natuurwaarden. Bij ruimtelijke ingrepen in de GO wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwvestiging, uitbreiding van bestaande bestemmingen en de schaal/omvang van de ingreep.
De provincie Gelderland vindt het verder van belang dat rustgebieden voor winterganzen geschikt blijven voor ganzen. De provincie stuurt daarom op het behoud van de openheid en de rust in deze gebieden. Ook zijn weidevogelgebieden aangewezen. De provincie wil hier een landbouwpraktijk stimuleren en in stand houden die rekening houdt met weidevogels. Beschermde weidevogelgebieden en ganzenfoerageergebieden liggen voornamelijk in de GO en voor het overige deel in het GNN.
13
Deze provinciale regels met betrekking tot natuurgebieden hebben geen externe werking. 2.2.2
Ligging Het besluitgebied ligt buiten Natuurnetwerk Nederland (zie navolgende afbeelding). Het besluitgebied maakt geen deel uit van het Gelders Natuurnetwerk of de Groene Ontwikkelingszone. Ook valt het besluitgebied niet in ganzenfoerageer- of weidevogelgebied.
Globale ligging van het besluitgebied (rood kader) ten opzichte van het Gelders Natuurnetwerk (donkergroen) en de Groene Ontwikkelingszone (lichtgroen). Bron: provincie Gelderland
2.2.3
Effectbeoordeling en advies Aangezien het besluitgebied niet in het NNN ligt, leidt de voorgenomen ingreep niet tot vermindering van de oppervlakte, kwaliteit of samenhang van de aanwezige natuur. De voorgenomen ingrepen zullen geen effect op de wezenlijke waarden en kenmerken van het GNN hebben. De bescherming van het GNN en GO staat de uitvoering van de plannen niet in de weg.
14
3 Beschermde soorten 3.1
Wettelijk kader
3.1.1
Beschermingsregimes Voor alle activiteiten in de leefomgeving is de specifieke zorgplicht aan de orde. In de context van deze quick scan betreft de specifieke zorgplicht alle van nature in Nederland levende wilde planten en dieren en gaat het over negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. Ingevolge de specifieke zorgplicht is degene die een activiteit verricht verplicht om: − In de eerste plaats alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van diegene kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. − Voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen: die gevolgen zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken. − Als die gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt: die activiteit achterwege te laten voor zover dat redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. De specifieke zorgplicht vraagt nadrukkelijk aandacht voor dieren en planten van bijlage II van de Habitatrichtlijn, van het beschermingsregime ‘andere soorten’ (Bijlage Bal) en soorten van rode lijsten1. Daarnaast is voor een aantal soorten door middel van verboden een beschermings-regime opgenomen. Er gelden aparte en strengere beschermingsregimes voor ‘vogelrichtlijnsoorten’ (artikel 11.37 t/m 11.40 Besluit activiteiten leefomgeving (Bal)), en voor ‘habitatrichtlijnsoorten’ (artikel 11.46 t/m 11.48 Bal), zie paragraaf 3.12.
Om na te gaan of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht of in de directe nabijheid van die locatie van beschermde soorten (11.27 sub 2a Bal) wordt in paragrafen 3.3 tot en met 3.10 beoordeeld welke van deze soorten mogelijk in het besluitgebied voor kunnen komen. Indien aanwezigheid van deze soorten niet op voorhand uitgesloten kan worden, eist de provincie meestal dat soortgericht nader onderzoek naar deze soorten moet plaatsvinden om aan te tonen dat de soort daadwerkelijk wel of niet aanwezig is. Deze onderzoekseisen zijn beschreven in paragraaf 3.11. Dit nader onderzoek valt buiten de scope van deze quick scan natuur. Voor soorten die niet onder de specifieke zorgplicht vallen, zoals uitheemse soorten, geldt wel nog de algemene zorgplicht (artikel 1.6 en 1.7 Omgevingswet). Daarnaast moet hoe dan ook voor ieder dier voorkomen worden dat het onnodig lijdt (artikel 11.28 Bal). Kortom ten allen tijden moet bij de uitvoering van werkzaamheden rekening worden gehouden met alle aanwezige dieren, ook als dat niet is voorzien.
1
Op de rode lijsten staan verdwenen, (ernstig) bedreigde, kwetsbare en gevoelige planten en dieren in Nederland. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) stelt de lijsten vast. Zie ook Besluit Rode lijsten flora en fauna: https://wetten.overheid.nl/BWBR0017434/2024-10-03
15
3.1.2
Omgevingsvergunning flora- en fauna activiteit Schadelijke handelingen die bij ruimtelijke ontwikkelingen aan de orde kunnen zijn, zijn het doden of verwonden van dieren, het verstoren of vernielen van nest- en verblijfplaatsen, of het verdwijnen van essentieel leefgebied wat lijdt tot aantasting van de functionaliteit van nest- en verblijfplaatsen. Indien uit het nader onderzoek blijkt dat een beschermde soort aanwezig is en een schadelijke handeling niet te voorkomen is, kan de provincie onder voorwaarden een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verlenen. In dat geval kan de voorziene ruimtelijke ontwikkeling uitgevoerd worden indien aan de voorschriften van de vergunning wordt voldaan en voldoende mitigerende maatregelen getroffen worden (artikel 8.74j t/m l, Bkl). Indien uit de quick scan blijkt dat een schadelijke handeling uitgesloten kan worden dan is de ruimtelijke ontwikkeling geen flora- en fauna activiteit en is voor dit onderdeel geen omgevingsvergunning nodig.
3.1.3
Vrijstellingen van vergunningplicht Onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ vallen ook algemene diersoorten. Om te voorkomen dat hier onnodig veel nader onderzoek naar moet worden gedaan en vergunningen voor moeten worden aangevraagd, gelden bij ruimtelijke ontwikkelingen voor deze algemene soorten de schadelijke handelingen niet. De provincie heeft bepaald voor welke soorten dit geldt. Het gaat dan om de soorten: aardmuis, bosmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, woelrat, bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker en middelste groene kikker. Voor deze soorten geldt nadrukkelijk wel nog steeds de specifieke zorgplicht. Sommige provincies hebben niet alle schadelijke handelingen vrijgesteld of stellen aanvullende eisen. Zo geldt in de provincie Gelderland geen vrijstelling voor het doden van dieren (artikel 4.4, Regels Omgevingsverordening Gelderland). Daarnaast moet, indien sprake is van opzettelijk vangen, een gespecificeerd vangmiddel gebruikt worden (bijlage III bij Regels Omgevingsverordening Gelderland).
3.2
Aanwezigheid biotopen en soorten
3.2.1
Raadplegen verspreidingsgegevens Om een beeld te krijgen van de aanwezige soorten in het besluitgebied is de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd op 31 december 2024, waarbij waarnemingen van de afgelopen 10 jaar zijn opgevraagd. De volgende soorten zijn opgevraagd: − Vogelrichtlijnsoorten; − Habitatrichtlijnsoorten; − Soorten van het beschermingsregime ‘andere soorten’ (Bijlage IX Bal), zonder de provinciaal vrijgestelde soorten; − Rode lijstsoorten van de categorieën ernstig bedreigd, bedreigd, kwetsbaar en gevoelig.
16
Hiervoor is een straal van 1 km om het besluitgebied aangehouden. De soortenlijst hiervan is te vinden in de bijlage. Daarnaast is aanvullend ook verspreidingsatlas.nl geraadpleegd, waarbij wordt bepaald of het besluitgebied binnen het algehele verspreidingsgebied van de betreffende soort ligt. Verspreidingsgegevens van de bovengenoemde soorten zijn niet alomvattend. Derhalve wordt per soortgroep op basis van de aanwezige biotopen (zie ook paragraaf 3.2.2) nog bekeken of aanvullend soorten aanwezig kunnen zijn. 3.2.2
Aanwezige biotopen Naast de bureaustudie is ook een veldbezoek aan het besluitgebied en de directe omgeving gebracht. Dit bezoek vond plaats op 7 januari 2025, bij droog, halfbewolkt weer met een windkracht 3 Bft en een temperatuur van circa 3 graden Celsius. Doel van deze veldverkenning was om een indruk te krijgen van de biotopen ter plaatse en om de geschiktheid van het besluitgebied voor de verschillende soortgroepen te beoordelen. Het veldbezoek heeft niet de status van een volledige veldinventarisatie, maar geeft enkel een globaal beeld van aanwezige soorten, habitats en biotopen op basis van een momentopname. In het besluitgebied zijn de volgende biotopen aanwezig: − Gebouwen − Bomen − Parkeerplaats − Strook met lage vegetatie
3.3
Vogels
3.3.1
Vogelsoorten met jaarrond beschermde nesten (Provincie Gelderland, categorie 1 2) Er zijn verschillende vogelsoorten waarvan de nesten jaarrond worden beschermd. Deze jaarrond beschermde status is vanwege verschillende redenen. Hieronder wordt in meer detail beschreven of en in welke mate het gebied geschikt kan zijn voor de betreffende soorten.
3.3.1.1
Huismus Nesten van huismussen zijn te vinden in of tegen allerlei menselijke bebouwing: onder (met name golvende) dakpannen, in neststenen en in kieren en gaten in muren. In schuren, boerderijen en loodsen nestelen huismussen vaak op balkenconstructies in gebouwen. Ook zijn nesten te vinden achter regenpijpen bij al dan niet met klimop begroeide muren en in nestkasten. Soms maakt de huismus in holten van bomen of in dichte struiken een nest, maar dat gebeurt alleen als de hoeveelheid nestgelegenheid een beperkende factor binnen het leefgebied is terwijl er wel voldoende voedsel en schuilmogelijkheden aanwezig zijn. De habitat van de huismus moet voldoen aan een combinatie van een aantal belangrijke elementen, die ook nog eens binnen een straal van enkele meters (dekking bij voedselbronnen) tot enkele honderden meters (nestplek en voedselbronnen) van elkaar moeten liggen. De habitat 2 Conform Beleidsregels soortenbescherming Gelderland, art. 5 en bijlage 3
17
moet bestaan uit een combinatie van plekken voor nestgelegenheid, voedsel (voor volwassen en juveniele huismussen), dekking (stekelige struiken, groenblijvende struiken en klimplanten, coniferen, klimop), plekken voor stofbaden en drinkwater. Ontbreekt één van de onderdelen of liggen ze te ver van elkaar verwijderd, dan is de habitat niet meer geschikt. (BIJ12, 2023). Aanwezigheid In het besluitgebied staat het oude postkantoor. Deel A heeft een plat dak, in goede staat en niet omringd door groen. Het biedt geen nestmogelijkheden voor de huismus. Deel B heeft dakpannen waaronder de huismus een nestmogelijkheid heeft. In de omgeving zijn andere elementen aanwezig die tot de habitat van de huismus behoren. Zo zijn er o.a. in de Raadhuisstraat struiken aanwezig die dekkingsmogelijkheden bieden. Effectbeoordeling en advies In deel B van het gebouw kunnen huismussen een nest hebben. Dit deel wordt gesloopt, waardoor mogelijk nesten van de huismus verloren gaan. In dat geval is sprake van een schadelijke handeling en een vergunningsplicht. Nader onderzoek naar aanwezigheid van nestplaatsen van de huismus is derhalve noodzakelijk. 3.3.1.2
Gierzwaluw Gierzwaluwen broeden in Nederland in stedelijk gebied. Ze broeden in kolonies, onder daken en in gebouwen. Veel gebruikte nestlocaties zijn onder nok- en windveerpannen (er is dan vaak een goede aanvliegroute), onder scheefliggende of kapotte dakpannen, in gaten en kieren onder de dakrand, in dakgootbekisting en bij dakkapellen en daar waar het zink overloopt van de dakkapel naar de dakpannen. Daarnaast worden soms kunstmatige nestkasten of nestpannen, gaten in muren, gaten achter regenpijpen of ventilatieschachten als broedlocatie gebruikt. Nestlocaties dienen een vrije uitvliegroute op minimaal twee à drie meter boven de grond of ander onderliggend oppervlak te hebben. Daken dienen verder minimaal een hellingshoek van 45 graden te hebben om als nestlocatie midden op het dak geschikt te kunnen zijn. Het is dan voor de gierzwaluw mogelijk om in de vleugels te komen (BIJ12, 2023). Aanwezigheid In het besluitgebied wordt het oude postkantoor gesloopt. Deel A van het postkantoor heeft een laag plat dak. Deel B van het postkantoor is hoger en is bedekt met dakpannen. Deel A is te laag voor de gierzwaluw om een nest te hebben. Tevens zijn hier ook geen geschikte kieren of ruimtes in het dak aanwezig voor de gierzwaluw. In deel B zijn wel mogelijkheid tot goede aanvliegroute en kieren die toegang tot het dak kunnen geven.
Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen gaan mogelijk nesten van de gierzwaluw verloren, omdat mogelijk essentiële elementen hiervan in deel B van het oude postkantoor aanwezig zijn. Derhalve is nader onderzoek is noodzakelijk.
18
3.3.1.3
Overige vogelsoorten Andere vogelsoorten waarvan het nest jaarrond is beschermd, nestelen op hoge gebouwen (slechtvalk), op richels van bergen of steengroeven en soms op oude roofvogelnesten (oehoe), langs stromende beken (grote gele kwikstaart), in hoge bomen in bos of boomgroepen (buizerd, roek, havik, sperwer, wespendief, zwarte wouw), in oude nesten van kraaien en roofvogels in boomgroepen (boomvalk), in oude nesten van kraaien en roofvogels in vooral naaldbomen (ransuil), in holtes in bomen en in gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (steenuil), in nissen van kerktorens of in andere toegankelijke gebouwen in kleinschalig agrarisch gebied (kerkuil) of op speciale nestpalen (ooievaar) (SOVON, 2002; vogelbescherming.nl; sovon.nl). Deze elementen zijn niet in het besluitgebied aanwezig. Nesten van deze vogelsoorten worden niet in het besluitgebied verwacht. Aanwezigheid Nesten van deze vogelsoorten zijn niet in het besluitgebied waargenomen in de bomen en op gebouwen, worden niet in het besluitgebied verwacht en vragen daarom geen nadere beoordeling. Ook in een straal van 75 meter rond het besluitgebied zijn deze omstandigheden niet waargenomen. De verstoringsvrije afstand tot een nest van roofvogels, in het broedseizoen is doorgaans 75 meter (BIJ12, 2017e).
Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op deze soorten te verwachten, omdat essentiële elementen hiervan in het besluitgebied niet aanwezig zijn. Nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
3.3.2
Vogelsoorten met mogelijk jaarrond beschermd nest (Provincie Gelderland, categorie 23) Voor een aantal soorten geldt dat de nesten enkel jaarrond beschermd zijn als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Er kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een situatie waar de huidige broedlocatie zal worden vernield en broedlocaties in de omgeving zeer schaars zijn. Een categorie 2-soort is dan niet flexibel genoeg om een andere broedlocatie te vinden. Aanwezigheid In het besluitgebied kunnen categorie-2 soorten aanwezig zijn zoals de zwarte kraai, boomkruiper en spreeuw. Er zijn geen nesten waargenomen, maar deze soorten zouden wel tot broeden komen in het besluitgebied. Effectbeoordeling en advies Met de ruimtelijke ontwikkelingen zijn geen negatieve effecten op categorie 2 soorten te verwachten, omdat er voldoende essentiële elementen, zoals broedlocaties, in de omgeving van het besluitgebied aanwezig zijn. Van zwaarwegende ecologische factoren is derhalve geen sprake, waardoor de nesten niet jaarrond
3 Conform Beleidsregels soortenbescherming Gelderland, art. 5 en bijlage 3
19
beschermd zijn. Wel dient nog steeds rekening gehouden te worden met broedende vogels zoals is beschreven in paragraaf 3.3.3. 3.3.3
Vogelsoorten met niet-jaarrond beschermde nesten Aanwezigheid Tijdens het veldbezoek zijn in het besluitgebied soorten met niet jaarrond beschermde nesten aangetroffen als houtduif en kauw. Dergelijke soorten kunnen mogelijk in het besluitgebied tot broeden komen, bijvoorbeeld bij de bomen naast de parkeerplaats. Effectbeoordeling en advies Als er bomen worden gekapt kunnen nesten van broedende vogels worden beschadigd of vernield, wat verboden is onder de Omgevingswet. De periode waarin de meeste vogelsoorten broeden, loopt globaal van half maart tot half augustus, maar ook broedgevallen buiten deze periode zijn beschermd. Om overtreding van de wet te voorkomen adviseren wij om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Ook zullen vogels in en direct rond het besluitgebied het bouwen van een nest afstemmen op de verstoring. Indien de werkzaamheden echt in de broedperiode gestart moeten worden, is nader onderzoek naar broedende vogels noodzakelijk. Kort voor de start van de werkzaamheden dient dan door een ecoloog met kennis van vogels door middel van één veldbezoek onderzocht te worden of broedende vogels in en direct rond het besluitgebied aanwezig zijn. Als deze niet aanwezig zijn, kunnen de werkzaamheden starten.
Als wel een broedende vogel aanwezig is, mogen de werkzaamheden niet starten. Er dient dan met een ecoloog met kennis van vogels naar een oplossing gezocht te worden.
3.4
Planten De vaatplanten die zijn beschermd middels de Omgevingswet betreffen veelal zeldzame soorten, waarvan de meeste Rode Lijst-soorten, met specifieke groeiplaatsen in met name stabiele en natuurlijke biotopen, zoals bossen, zeeduinen, kalkgraslanden, beekdalen, veengronden en moerassen. Ook is een aantal soorten beschermd die groeit op oude en verweerde muren en zijn enkele zeldzame akkerplanten beschermd. Een deel van de beschermde planten komt alleen voor in Zuid-Limburg. Veel soorten komen voornamelijk voor op kalkhoudende en voedselarme grond (Sparrius et al. 2012). Naast de beschermde vaatplanten zijn er twee mossoorten beschermd. Beide soorten zijn zeer zeldzaam. Tonghaarmuts is in Nederland gevonden in vochtige, jonge wilgenbossen en in jonge aanplant van zomereik. Geel schorpioenmos groeit op moskussens op venig substraat (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingsatlas.nl).
20
Het besluitgebied bestaat uit een gebouw, bomen, strook met lage vegetatie en parkeerplaatsen. De lage vegetatie bestaat uit soorten die op voedselrijke bodem groeien zoals zuring en verscheidene grassoorten. Beschermde plantensoorten komen hier niet voor. Tijdens het veldbezoek zijn ook geen aanwijzingen gevonden dat er bijzondere groeiplekken voor beschermde plantensoorten aanwezig zijn. Daarmee is de aanwezigheid van de beschermde plantsoorten in het besluitgebied op voorhand uitgesloten.
3.5
Grondgebonden zoogdieren Beschermde grondgebonden zoogdieren waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in natuurlijke- of half-natuurlijke habitats zoals bos, heide of kleinschalig agrarisch landschap. Een aantal soorten is zeer zeldzaam en komt alleen in Zuid-Limburg voor. Dit geldt voor hamster, hazelmuis, eikelmuis, molmuis, lynx en wilde kat. Ook de wolf is zeer zeldzaam. Andere soorten zoals bever, boommarter, das, eekhoorn, steenmarter, waterspitsmuis en wild zwijn komen algemener voor. Met name eekhoorn en steenmarter worden ook regelmatig in meer stedelijk gebied aangetroffen (Lange et al. 2003, verspreidingsatlas.nl).
Volgens de verspreidingsatlas.nl komen de das, bunzing, eekhoorn, wezel, steenmarter en boommarter in de omgeving van het besluitgebied voor. De aanwezigheid van de eekhoorn, wezel en boommarter in het besluitgebied kan op voorhand worden uitgesloten vanwege het volledig ontbreken van geschikt biotoop (boomgroepen en dekkingsmogelijkheden zoals houtstapels en takkenrillen). 3.5.1
Steenmarter De steenmarter leeft bij voorkeur in een kleinschalig, parkachtig landschap. De soort is met name aanwezig in de nabijheid van dorpen, boerderijen en ook steden. Elementen als groenstroken, heggen, bosjes en greppels zijn belangrijk voor het vinden van voedsel en als dekking. Binnen zijn leefgebied heeft de steenmarter vele schuilplaatsen, zoals boomholtes, takkenhopen, dicht struweel en ruimtes in bebouwing. Hier bewoont de soort bijvoorbeeld zolders, kruipruimtes of ruimtes in de spouw (www.zoogdiervereniging.nl). Aanwezigheid In de wijdere omgeving van het besluitgebied zijn elementen aanwezig die deel kunnen uitmaken van het leefgebied van de steenmarter. Er is geen mogelijkheid voor de steenmarter voor het hebben van een nest in het gebouw. Er zijn namelijk geen grote openingen aangetroffen in het pand.
21
Effectbeoordeling en advies De aanwezigheid van een nestplaats in het gebouw kan worden uitgesloten. De werkzaamheden hebben geen negatief effect op de soort. Derhalve is nader onderzoek naar de soort niet noodzakelijk.
3.6
Vleermuizen Vleermuizen zijn globaal op te delen in gebouwbewonende soorten zoals gewone dwergvleermuis en boombewonende soorten als rosse vleermuis en watervleermuis Daarnaast bestaan soorten die van beide elementen gebruikmaken. Daarbij is ook onderscheid te maken in zomer- en winterverblijfplaatsen van de verschillende soorten. Sommige soorten zoals de gewone dwergvleermuis verblijven het gehele jaar in gebouwen (spouwmuren, achter gevelbetimmeringen, etc.). Andere soorten als de rosse vleermuis verblijven jaarrond in bomen (in holten, holen en achter loshangend schors). De watervleermuis overwintert echter weer in bunkers, grotten en kelders en verblijft in de zomerperiode in boomholten (Dietz et al. 2011). Volgens de verspreidingsatlas.nl komen gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, laatvlieger, gewone grootoorvleermuis, rosse vleermuis, bosvleermuis in de buurt van het besluitgebied voor. Alle vleermuissoorten, alsmede hun verblijfplaatsen, essentiële foerageergebieden en vliegroutes zijn beschermd volgens de Omgevingswet.
3.6.1
Verblijfplaatsen Gebouwbewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats achter bijvoorbeeld gevelbetimmering, in spouwmuren, achter dakbeschot, achter luiken en in schoorstenen (BIJ12, 2024; Dietz et al. 2011). Boombewonende soorten worden gevonden in holten en spleten in bomen en achter loshangend schors. Bomen dienen hiervoor een zekere diameter en leeftijd te hebben. Zo hebben vleermuizen genoeg ruimte in de boom. Grofweg zijn loofboomsoorten als eik en beuk jonger dan 60 jaar en naaldboomsoorten jonger dan ongeveer 30 jaar voor een spechtenhol (waar boombewonende vleermuizen vaak gebruik van maken) nog niet geschikt (Zoogdiervereniging & Probos, 2012). Aanwezigheid gebouwbewonende vleermuissoorten In het besluitgebied is zijn meerdere gebouwen aanwezig. Alleen deel A en B van het postkantoor wordt gesloopt. Zowel deel A als deel B heeft kieren en gaten die toegang bieden voor de vleermuis tot het gebouw (zie navolgende afbeeldingen). Ook de gebouwen in de invloedssfeer van de werkzaamheden hebben geschikte kieren en gaten. De werkzaamheden kunnen ook een negatief effect hebben op vleermuizen als deze in de gebouwen in de invloedssfeer aanwezig zijn. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen is in deze gebouwen dan ook op voorhand niet uit te sluiten. 22
Geschikte boeilijst dak voor vleermuizen
Geschikte boeilijst voor vleermuizen
Aanwezigheid boombewonende vleermuissoorten In het besluitgebied staan verschillende bomen. Holtes, scheuren en ruimtes kunnen o.a. dienen als verblijfplaatsen voor vleermuissoorten. Er zijn geen holtes of scheuren waargenomen. Wel staan er twee bomen naast het parkeerterrein die begroeid door dichte klimplanten, zie navolgende afbeeldingen. De ruimtes achter de klimplanten kunnen dienen als verblijfplaats voor boombewonende
23
vleermuissoorten. Het is daarom niet op voorhand uitgesloten dat in het besluitgebied verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn.
Geschikte boom met klimplant voor boombewonende vleermuissoorten naast parkeerplaats
Geschikte boom met klimplant voor boombewonende vleermuissoorten naast parkeerplaats
24
Effectbeoordeling en advies De mogelijkheden voor de verschillende verblijffuncties voor gebouw- en boombewonende vleermuizen zijn per soort beoordeeld. Deze beoordeling is gebaseerd op de bekende verspreiding, de ecologie van de soort en de aangetroffen situatie. Met de sloop van delen van het oude postkantoor en het mogelijk kappen van de bomen met klimop gaan mogelijk verblijfplaatsen van verschillende vleermuissoorten verloren. De soorten en functies die niet zijn uit te sluiten en waarbij mogelijk een negatief effect optreedt, zijn samengevat in de navolgende tabel. Nader onderzoek naar deze soorten en functies zijn noodzakelijk. Vleermuissoorten en functies die wel of niet zijn uit te sluiten in het besluitgebied. “x”= functie is niet uit te sluiten, “-“ = functie is uit te sluiten, “?” = wel of niet uitsluiten is nog niet mogelijk. Vleermuissoort
Kraamverblijf
Zomerverblijf
Paarverblijf
Massawinter-
Winterverblijf
verblijf Gewone dwergvleermuis
x
x
x
-
x
Ruige dwergvleermuis
-
x
x
-
x
Gewone grootoorvleermuis
x
x
x
-
-
Laatvlieger
x
x
x
-
x
Rosse vleermuis
x
x
x
-
x
3.6.2
Essentieel foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied. Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen, waardoor ze de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is beschermd. Aanwezigheid In het besluitgebied zijn geen grote waterpartijen of weilanden aanwezig. Ook is het aantal bomen in het besluitgebied minimaal en zijn in de wijdere omgeving van het besluitgebied meer boomgroepen aanwezig. Daarmee is uitgesloten dat de bomen in het besluitgebied als essentieel foerageergebied kunnen dienen.
3.6.3
Essentiële vliegroutes Om zich van hun verblijfplaatsen naar hun foerageergebied te verplaatsen worden door een aantal soorten steeds dezelfde lijnvormige elementen gebruikt. Bijvoorbeeld de gewone dwergvleermuis gebruikt vaak bomenrijen waaraan het zich kan 25
oriënteren. Als een dergelijke route verdwijnt of onderbroken wordt, vervalt deze mogelijkheid om van verblijfplaats naar foerageergebied te komen. Vleermuizen moeten dan een alternatieve route zoeken. Als dit niet mogelijk is en als de vliegroute door veel vleermuizen wordt gebruikt, kan dit een groot negatief effect op de vleermuizenpopulatie in het gebied hebben (Limpens et al. 2004). Daarom zijn dergelijke vliegroutes beschermd. Aanwezigheid In het besluitgebied zijn geen groot aantal doorlopende groenstructuren aanwezig die potentiële verblijfplaatsen van binnen en buiten het besluitgebied verbindt met geschikte foerageergebieden voor vleermuizen. De aanwezigheid van een vliegroute kan daarom worden uitgesloten.
3.7
Reptielen Reptielen komen in ons land voornamelijk voor op de hogere zandgronden, in duin-, bos- of heidegebieden. De ringslang komt daarnaast ook voor in veengebieden en laat zich ook in meer stedelijk gebied zien. Deze soort komt vooral voor ten noorden van de grote rivieren. De muurhagedis is gebonden aan warme, stenige plekken en leeft in Nederland vooral in Maastricht en is daarnaast op verschillende plaatsen uitgezet. (Creemers en van Delft 2009). Volgens de verspreidingsatlas.nl komen de levendbarende hagedis in de omgeving van het besluitgebied voor.
3.7.1
Levendbarende hagedis Het habitat van de levendbarende hagedis bestaat uit vochtige gebieden zoals natte heiden, drogere delen van moerassen of veengebieden, duinen, open bossen en bosranden. Heide en hoogveen zijn een voorkeurshabitat. De soort wordt ook vaak in bermen, dijken en langs spoorlijnen aangetroffen welke van grote betekenis zijn voor de uitwisseling tussen populaties. Ook in half-natuurlijke graslanden en ruigten kan de soort gedijen. Open plekken om te zonnen zijn een voorwaarde voor vestiging. Winterverblijven bestaan uit vorstvrije plekken in zeggepollen, zandholen of onder boomstronken (Creemers & van Delft, 2009). Aanwezigheid In het besluitgebied bestaat uit gebouwen, parkeerplaatsen, een klein aantal bomen en een strook met lage vegetatie. Er zijn geen heide(achtige)gebieden aanwezig en ook geen ruigten of verruigde bermen. Er is daarom geen geschikt leefgebied voor de levendbarende hagedis in het besluitgebied aanwezig. Aanwezigheid van de soort in het besluitgebied kan daarom uitgesloten worden.
26
3.8
Amfibieën Beschermde amfibieën waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, komen voornamelijk voor in en nabij vennen, poelen en slootjes, met helder en schoon water, in heide-, veen- en bosgebied en in de uiterwaarden. De rugstreeppad is ook in de duinen aanwezig. De geelbuikvuurpad, vuursalamander en vroedmeesterpad worden bijna uitsluitend in Zuid-Limburg aangetroffen (Creemers en van Delft 2009, verspreidingsatlas.nl). Volgens de NDFF-gegevens en verspreidingsatlas.nl komen geen beschermde soorten in de omgeving van het besluitgebied voor. Ook zijn er geen geschikte biotopen aanwezig in het besluitgebied. Wel kan op braakliggend terrein de rugstreeppad zich vestigen..
3.8.1
Rugstreeppad De rugstreeppad is een bewoner van zandige terreinen met een hoge dynamiek zoals duinen, uiterwaarden, opgespoten terreinen, heidevelden en akkers. Ook komt de soort op minder natuurlijke terreinen voor, zoals braakliggende terreinen of bouwlocaties. Deze soort is een echte pionier die zich ingraaft in kaal braakliggend terrein en haar eitjes legt in ondiepe kale poeltjes en plassen, maar ook slootjes en vennen kunnen geschikt leefgebied zijn. De dieren verlaten half maart de winterverblijfplaats. Voortplanting begint half april en kan doorgaan tot in augustus. Mannetjes verblijven de gehele voortplantingsperiode in het water. Vrouwtjes daarentegen verlaten na de eierafzet het water weer. De rugstreeppad overwintert op het land, de dieren hebben eind oktober allemaal het water weer verlaten (Creemers & van Delft, 2009). Aanwezigheid Op het moment is het uitgesloten dat de rugstreeppad in het besluitgebied voorkomt omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Aanwezigheid kan in de huidige situatie van het besluitgebied derhalve op voorhand worden uitgesloten. Effectbeoordeling en advies De rugstreeppad komt nu niet voor in het besluitgebied. Als het besluitgebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het besluitgebied zal vestigen.
Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen.
27
3.9
Vissen De beschermde vissoorten zijn veelal zeldzaam voorkomende soorten gebonden aan helder, stromend water van beekjes of rivieren. Een uitzondering hierop is de grote modderkruiper die vooral leeft in langzaam stromend water van sloten, vennen of plassen. De soort komt daar voor op plekken met veel onderwatervegetatie en een goed ontwikkelde waterbodem (Janssen en Schamineé 2004, verspreidingatlas.nl). In het besluitgebied zijn geen waterpartijen aanwezig. Daarmee is de aanwezigheid van vissen op voorhand uitgesloten.
3.10
Insecten en andere ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden zijn veelal zeldzaam en eisen een specifiek habitat. Beschermde vlindersoorten komen vooral voor in kruidenrijke en soortenrijke graslanden, heiden, venen en (vochtig) bos (Bos et al. 2006, vlinderstichting.nl). Beschermde libellensoorten leven met name in veengebieden, nabij beekjes of rivieren en bij vennen op de hogere zandgronden (Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie 2002). Beschermde keversoorten zijn gebonden aan oude, rottende bomen in bosgebieden of komen zeldzaam voor in (groter) permanent, helder open water van goede kwaliteit op veengrond (eis-nederland.nl, Janssen en Schamineé, 2004). De Europese rivierkreeft is in ons land nog maar van één plek bekend, op landgoed Warnsborn bij Arnhem. De Bataafse stroommossel is uit ons land verdwenen en de platte schijfhoren komt lokaal voor in laagveengebieden en het rivierengebied, in helder, stilstaand of zeer zwak stromend water met rijke plantengroei, in zowel meren, sloten als plassen (anemoon.org, verspreidingsatlas.nl). Volgens de verspreidingsatlas.nl komen de bruin blauwtje (‘rode lijst’), grote vos (‘andere soorten’), kleine parelmoervlinder (‘rode lijst’), kleine ijsvogelvlinder (‘andere soorten’), grote weerschijnvlinder (‘andere soorten’), weidebij (‘rode lijst’) in de omgeving van het besluitgebied voor.
In het besluitgebied zijn geen biotopen aanwezig waar de soorten aanwezig kunnen zijn (o.a. schraal akkerland of bosranden).
3.11
Aanvullend onderzoek naar beschermde soorten In deze paragraaf is beschreven hoe het nader onderzoek naar de soorten waarvoor dit nodig is, globaal zal worden uitgevoerd. Voor veel beschermde plant- en diersoorten zijn protocollen opgesteld waarin beschreven staat waar het nader soortgericht onderzoek aan moet voldoen om aan- of afwezigheid van de betreffende soort aan te kunnen tonen. Wij werken, indien voorhanden, volgens deze protocollen.
28
3.11.1
Huismus De huismus is een vogelrichtlijnsoort. Het nader onderzoek naar deze soort dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen zoals verwoord in het Kennisdocument huismus (BIJ12, 2023). Het onderzoek dient plaats te vinden door middel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of door middel van drie gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni, waarbij één veldbezoek in de periode 1 april tot en met 15 mei plaatsvindt. De inventarisaties dienen onder goede weersomstandigheden plaats te vinden, op geluidsluwe momenten, in de ochtend vanaf minimaal één à twee uur na zonsopkomst en met een tussenperiode van minimaal 10 dagen.
3.11.2
Gierzwaluw De gierzwaluw is een vogelrichtlijnsoort. Het nader onderzoek hiernaar dient volgens het Kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2023) plaats te vinden. Drie inventarisaties met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen vinden plaats. Dit dient te gebeuren in de periode 1 juni tot en met 15 juli, waarvan minimaal één inventarisatie tussen 20 juni en 7 juli. De onderzoekstijd is van anderhalf uur voor zonsondergang tot een half uur na zonsondergang, tijdens goede inventarisatieomstandigheden.
3.11.3
Vleermuizen Vleermuizen zijn habitatrichtlijnsoorten. Het nader onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen dient plaats te vinden volgens bepaalde richtlijnen, zoals verwoord in het vleermuisprotocol 2021 (Netwerk Groene Bureaus, Gegevensautoriteit Natuur). Het vleermuisprotocol stelt vast dat vijf veldbezoeken uitgevoerd dienen te worden. Drie daarvan dienen plaats te vinden in de periode van 15 mei tot en met 15 juli met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. De andere twee veldbezoeken dienen tussen 15 augustus en 30 september plaats te vinden, ook met een tussenperiode van minimaal 20 dagen. Tijdens deze veldbezoeken zal gebruik worden gemaakt van een batdetector of batlogger. Dit zijn apparaten waarmee de onhoorbare ultrasone geluiden van vleermuizen worden opgevangen en vertaald in voor mensen hoorbare geluiden. Door het uitvoeren van vijf veldbezoeken kan met voldoende juridische zekerheid aannemelijk worden gemaakt of vleermuizen wel of niet aanwezig zijn in het besluitgebied.
3.11.4
Overzicht onderzoeksperiodes Navolgend overzicht geeft de onderzoeksperiodes van alle te onderzoeken soorten weer.
29
Overzicht van onderzoeksperiodes van de te onderzoeken soort(groep)en Optimale onderzoeksperiode donkerblauw Suboptimale onderzoeksperiode lichtblauw Soortgroep
Jan
Feb
Mrt
Apr
Mei
Jun
Jul
Aug
Sep
Okt
Nov
Dec
Vleermuizen Gierzwaluwen Huismus
3.12
Specifieke zorgplicht Volgens de analyse van de verspreidingsgegevens van de NDFF (bijlage 2) komen ook soorten voor die enkel onder de specifieke zorgplicht vallen en niet onder een strenger beschermingsregime. Het betreft soorten die: − enkel onder bijlage II van de Habitatrichtlijn vallen, − op een rode lijst staan, maar enkel onder de specifieke zorgplicht zijn beschermd, − enkel onder het beschermingsregime ‘andere soorten’ vallen en niet vrijgesteld zijn van de schadelijke handelingen. Op basis van het uitgevoerde veldbezoek kan geconcludeerd worden dat de kwaliteit van de aanwezige biotopen voor rode lijst-soorten, bijlage-II-soorten en andere soorten laag is. Derhalve kan worden aangenomen dat dergelijke soorten niet in het besluitgebied voorkomen. Ten slotte kunnen (onverwacht) algemene soorten uit de volgende soortgroepen potentieel voorkomen in het besluitgebied: vogels en grondgebonden zoogdieren. Zoals beschreven in 3.1.1 geldt de specifieke zorgplicht voor alle van nature in Nederland levende wilde planten en dieren en gaat het over negatieve gevolgen voor de biodiversiteit. Om voldoende invulling te geven aan de specifieke zorgplicht adviseren wij de volgende maatregelen uit te voeren: − Voorafgaande aan de werkzaamheden hoog gras naast en rondom de parkeerplaats kort te maaien zodat het besluitgebied ongeschikt wordt gemaakt voor o.a. zoogdieren.
Hierbij wordt zorgvuldig en op een laag tempo gewerkt en het maaisel dient uit het besluitgebied afgevoerd te worden. Schakel hiervoor indien nodig een gecertificeerd (Kleurkeur) bermbeheerder in. − Het verwijderen van dieren van de bouwplaats als er gerede kans is dat ze beschadigd zullen raken. Als daarvoor dieren van de lijst vrijgestelde soorten opzettelijk gevangen moeten worden, zijn in de provincie Gelderland gespecificeerde vangmiddelen voorgeschreven (bijlage bij artikel 4.4 Omgevingsverordening Gelderland). − Werkzaamheden in één richting uit te voeren en van binnen naar buiten zodat eventueel en onbedoeld aanwezige dieren niet ingesloten worden en de mogelijkheid hebben om te vluchten. 30
− Het verwijderen van bomen en hogere vegetatie dient buiten het broedseizoen van vogels (globaal van half maart tot en met half juli) plaats te vinden. Raadpleeg hiervoor indien nodig een ecologisch deskundige. − De werkzaamheden worden, indien mogelijk, zo trillings- en geluidsarm mogelijk uitgevoerd om verstoring van dier- en vogelsoorten te voorkomen; − Vermijd onnodige verstoring van dieren door het gebruik van licht door bij het gebruik van verlichting te kiezen voor armaturen die weinig strooilicht veroorzaken en te voorkomen dat deze uitstralen en/of gericht worden op opgaand groen en/of bebouwing; − Bomen en beplantingen die behouden blijven in het besluitgebied te markeren en voldoende beschermen zodat ze niet beschadigd raken gedurende de werkzaamheden. Als bovengenoemde maatregelen niet genomen kunnen worden, dient een deskundig ecoloog geraadpleegd te worden hierover.
31
4 Beschermde houtopstanden 4.1
Wettelijk kader Naast de regels voor houtopstanden van het rijk in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) kunnen ook provincies en gemeenten regels opstellen ten aanzien van houtopstanden. Daarbij maken de verschillende overheden ook onderscheid in wat wordt verstaan onder een houtopstand. Rijks- en provinciale regels hebben betrekking op houtopstanden vanaf een oppervlakte van 1.000 m 2, of in het geval van een rijbeplanting die uit minimaal 20 bomen bestaat. In gemeentelijke regels worden onder houtopstanden ook individuele bomen en struiken verstaan, meestal vanaf een bepaalde afmeting. Voor bomen en struiken binnen de bebouwingscontour houtkap en op erven en tuinen stellen rijk en provincie geen regels, de gemeente kan hier wel regels voor opstellen. De bebouwingscontour houtkap wordt door de gemeente vastgesteld en komt meestal overeen met de grens van de bebouwde kom. Ook voor typen houtopstanden waarvoor rijk- en provincie geen regels opstellen kan een gemeente regels opnemen in het omgevingsplan dus ook in het buitengebied, buiten de bebouwingscontour houtkap.
4.1.1
Rijksregels Volgens de regels van het Bal over houtopstanden (afdeling 11.3 van het Bal) is het verboden houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, zonder voorafgaande melding bij de provincie (artikel 11.126 Bal). De wet schrijft verder voor dat wanneer een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, de grond binnen drie jaar moet worden herbeplant (artikel 11.129 Bal). Ook geeft het Bal een beschrijving van situaties die niet onder deze bepalingen vallen, het gaat daarbij o.a. om bomen en struiken die specifiek voor het oogsten van fruit, noten of vruchten worden geteeld.
4.1.2
Provinciale regels De provincie Gelderland heeft in haar omgevingsverordening aanvullende regels gesteld omtrent meldingen voor het vellen van houtopstanden, nadere invulling voorwaarden kapverbod, nadere invulling bosbouwkundig verantwoord herbeplanten en meldplicht aanleg en onderhoud brandgang.
4.1.3
Gemeentelijke regels De gemeente Oost Gelre heeft nog geen omgevingsplan vastgesteld. Vooralsnog zijn de regels over houtopstanden in de Algemene Plaatselijke Verordening Oost Gelre van toepassing. In deze APV wordt voor houtopstanden de bebouwde kom gehanteerd maar niet zoals omschreven is in de Wet natuurbescherming of met de vereiste formuleringen. Zolang het Omgevingsplan geen bebouwingscontour houtkap aanwijst gelden provinciale- en rijksregels ten aanzien van houtopstanden ook binnen de bebouwde kom.
32
Volgens de APV van Oost Gelre is het verboden om zonder vergunning van het college van B&W bomen te vellen die zijn opgenomen in een vastgestelde lijst met bijzondere houtopstanden. Op deze “lijst bijzondere bomen” staan bomen die een bijzondere status hebben omdat ze beeldbepalend zijn, cultuurhistorische-, dendrologische of natuurwaarde hebben, dan wel op een markante plek staan. Voor deze bomen geldt een het plant-/instandhoudingsplicht. Een bijzondere bomen mag nooit zo maar geveld worden. Hiervoor is altijd een omgevingsvergunning nodig.
4.2
Aanwezigheid In het besluitgebied is één bijzondere boom aanwezig zie paarse stip in onderstaande uitsnede uit de gemeentelijke kaart bijzondere bomen. Het betreft een monumentale treurbeuk van 15-18 m hoog, de gemeente is eigenaar van deze boom. De conditie van deze beuk is slecht, in het verleden is deze boom al eens geholpen met ondersteunende draden. Delen van de kroon zijn afgestorven. Gezien droogtes van 2018, 2019, 2022 en voorjaar 2025 die de boom doorstaan heeft en de actuele scheutgroei, dan is deze boom nog wel vitaal. Hij staat naast een parkeerplaats in openbaar en toegankelijk gebied wat ook gevaarlijke situaties kan opleveren. Door de jaarlijkse boomveiligheidscontroles en het uitvoeren van geadviseerde maatregelen zijn deze risico’s onder controle.
https://experience.arcgis.com/experience/b4fd2aba0be84cda8f3b77f65d8d461c/
4.3
Effectbeoordeling en advies In het besluitgebied bevindt zich een monumentale beuk waarvoor een vergunningplicht geldt. De conditie van deze boom is slecht, de toekomstverwachting is met 5 tot 15 jaar laag en de locatie voor deze afstervende boom is ongelukkig vanwege de kans op ongelukken. De boom wordt momenteel jaarlijks door een 33