CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 5 mer-beoordelingsnotitie 2022

Gemeenteraad 5 maart 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Oude Borculoseweg 5 te Groenlo12.912 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

;g!' 1MEePS / FarmConsult the total feed

business

MER-BEOORDELINGSNOTITIE

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

INITIATIEFNEMER

Ottink Vleeskalveren en Mestverwerking B.V. Broekweg 8 7255 KP Hengelo LOCATIE

BEDRIJF

Oude Borculoseweg 5 7141

JA Groenlo

Îg__lzne{s FarmConsult

MER-BEOORDELINGSNOTITIE

Initiatieflocatie:

Oude Borculoseweg 5 7141

JA Groenlo

Initiatiefnemer:

Ottink Vleeskalveren en Mestverwerking B.V.

Adviseur/contact:

FarmConsult Postbus 91

(geanonimiseerd) e | Vestigingsnummer: (geanonimiseerd) Kvk nummer:

7240

AB

Lochem

farmconsult@forfarmers.eu

Projectleider

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Opsteller

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) Datum:

oktober 2018

Aanvulling juli 2022

Disclaîmer:

FarmConsult aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvioeiend uit het gebruik van resultaten van dît

rapport of de toepassing van adviezen.

;g_!:m?[S FarmConsult

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE

1

…

van afvalstoffen

onpdNDwL

3.5 Verontreiniging en hinder

-10

3.6 Risico's zware ongevallen en/of rampen

-10

PROJECTGEGEVENS 1.1 Locatie … 1.2 Activiteit …

2

M.E.R.-BEOORDELING

…

2.1 Besluit milieueffectrapportage … 2.2 M.e.r-beoordeling … 2.3 Selectiecriteria…

2.4 Procedure (vormrije) m.e.r.-beoordeling. 3

KENMERKEN

VAN

HET

PROJECT..

3.1 Algemeen en omvang gehele project.

3.2 Cumulatie met andere projecten en/of goedgekeurde ontwikkelingen . 3.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen … 3.4 Productie

3.7 Risico's voor de menselijke gezondheid.. 4

WAARSCHIJNLIJK

AANZIENLIJKE

MILIEUEFFECTEN

4.1 Ammoniak 4.1.1 Emissies … 4.1.2 Wet

ammoniak

en veehouderi

4.1.3 Directe ammoniakschade..

4.1.4 Besluit emissiearme huisvesting 4.2 Geur.. 4.2.1

Emissies

4.2.2 Afstanden

…

…

4.2.3 Voorgrondbelasting (individuele geurhinder). 4.2.4 Achtergrondbelasting (cumulatieve geurhinder). 4.3 Fijnstof. 4.3.1 Emissies PM10

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

;g_l:me FarmConsult 4.3.2 Concentraties PM10 …

4.3.3 Zeer fijn stof PM2… 4.4 Geluid

…

4.5 Volksgezondheid . 4.5.1 Wetgeving en onderzoek . 4.5.2

Zoönosen

…

4.5.3 Maatregelen op bedrijfsniveau … 4.5.4 Endotoxinen 4.6 Bodem

…

.

4.7 Water.

4.8 Energie. 4.9 Natuur

.

4.9.1 Natura2000 gebieden 4.9.2 Flora en fauna… 4.9.3 Natuurnetwerk.

4.10 Landschap. 5

CONCLUSIES.

BIJLAGEN

…

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

2

fiarGIMETS - / Farmconsut

1

PROJECTGEGEVENS

1.1 Locatie

De activiteit vindt plaats op de locatie Oude Borculoseweg 5 te Groenlo, kadastraal bekende gemeente Oost Gelre, sectie F nummer 175

De locatie ligt in het buitengebied van Groenlo. Op deze locatie wordt een bestaande veehouderij

met

mestverwerkingsinstallatie geëxploiteerd. Figuur 1.1: luchtfoto ligging inrichting

De locatie is gelegen in het buitengebied van Groenlo in de gemeente Oost Gelre. Het bedrijf ligt in het buitengebied, maar het industrieterrein van Groenlo ligt slechts op een afstand van zo'’n 75 meter vanaf het

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

Îg_[me{s FarmConsult bedrijf. De meest dicht bij gelegen woonbebouwing (De Woerd 8) binnen de bebouwde kom van Groenlo is gelegen op een afstand van zo'n 358 meter vanaf inrichtingsgrens. De meest nabijgelegen agrarische bedrijfswoning (Oude Burculoseweg 7) is gelegen op een afstand van zo'n 25 meter vanaf de inrichtingsgrens. De meest nabijgelegen burgerwoning (Vrakkinkweg 1a) in het buitengebied ligt op een afstand van 260 meter vanaf de inrichtingsgrens. Het meest nabijgelegen zeer kwetsbare gebied in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij(Wav) is gelegen op een afstand van zo’n 2.735 meter vanaf het bedrijf. Het meest nabijgelegen Natura 2000 gebied

betreft het gebied Zwilbrockervenn wat is gelegen op een afstand van 4.874 meter van het bedrijf. Het Gelders Natuur Netwerk(GNN) ligt ten zuiden van het bedrijfop een op een afstand van 235 meter vanaf de mesteverwerkingsinstallatie. De locatie ligt niet in, of in de buurt van, een waterwingebied of een stiltegebied. Het bestaande en goedgekeurde grondgebruik van de locatie betreft agrarisch gebruik. De ligging van de locatie t.0.v. specífieke typen gebieden:

« «

de [ocatie ligt niet in de nabijheid van wetlands, oeverformaties en/of riviermondingen; de locatie ligt niet in een kustgebied en maritiem milieu;

. «

de locatie ligt niet in een berg- en bosgebied. De locatie ligt op ca. 4.874 m van het dichtstbijgelegen bosgebied. de locatie ligt niet in of nabij een natuureservaat en/of —park.

.

de |ocatie ligt niet in een landschap en/of plaats van historisch, cultureel of archeologisch belang.

1.2 Activiteit

De voorgenomen activiteit betreft de oprichting, wijziging of uitbreiding van een verwijdering van afval (onderdeel D18.1 van de bijlage Besluit milieueffectrapportage).

installatie

voor

de

De voorgenomen activiteit heeft betrekking op het plaatsen van een hygiënisatie-unit, warmtewisselaar en een luchtwasser als nageschakelde technieken op het bestaande proces(mestverwerkingsinstallatie). Door deze hygienisatie wordt het eindproduct verbeterd en wordt deze exportwaardig. De afzet van dit product zal hierdoor gemakkelijker verlopen. Door de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mogen er geen Wet Natuurbeschermingsvergunning meer afgegeven worden met toename van depositie, Hierdoor moest het plan ingrijpend aangepast worden. Met als resultaat dat er minder dieren gehouden zullen worden en dat het proces van de MVI is aangepast waardoor er minder emissie vrijkomt. Vervolgens wordt er nog extra

erfverharding aangelegd naast stal 5 om mestverwerkingsinstallatie toegankelijk te houden.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

4

Ìä„‚,‚‚;‚;ÊË PS / FarmConsult 2

M.E.R.-BEOORDELING

2.1 Besluit milieueffectrapportage De m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit, die genoemd staat in onderdeel D van het Besluit m.e.r., mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen

kunnen optreden. De m.e.r.-beoordeling is alleen aan de orde bij besluiten. Het bevoegd beslissen of bij de voorbereiding van het te nemen besluit een m.e.r.(beoordeling) nodig is.

gezag

moet

In onderdeel D, kolom 1 van het Besluit m.e.r. staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt; voor mestverwerking is dit D18.1 ‘De oprichting, wi ing of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D18.3, D18.6 of D18.7. Dit geldt voor een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Voor een veehouderij is dit D14 ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken,

mesten of houden van dieren’, In onderdeel D14 kolom 2 staan bij deze activiteit gevallen (drempelwaarden) genoemd. Onder deze drempels moet een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uitgevoerd worden. D14: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1°, 40.000 stuks pluimvee (Ravl cat. E‚ F, G en J), I2°, 2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3), 13° 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft),

|4°. 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1), 5, 5000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3), I6°. 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dek leeftijd (Rav cat. I.1 en L.2), I7°, 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2), |8°. 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3), |9° 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A |2 en A 3), 110°.1200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7),

11°, 2000 stuks schapen of geïten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3), 12°. 100 stuks paarden of pony's (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok ionger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en K.4), 13° 1000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3).

De voorgenomen activiteit ziet toe op het oprichten, wijzigingen of uitbreiden van een installatie voor het verwijderen van afval, anders dan bedoeld onder D18.3, D18.6 of D18.7.

De voorgenomen activiteit ziet niet toe op het oprichten, wijzigingen of uitbreiden van een installatie voor het houden

van dieren.

Ter voorbereiding van de aanvraag om een omgevingsvergunning is onderhavige m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

5

Îg_[me{s FarmConsult 2.2 M.e,r.-beoordeling Bij een m.e.r.-beoordeling moet de volgende informatie verstrekt worden: 1. Een beschrijving van het project, met in het bijzonder: a) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en, voor zover relevant, van sloopwerken;

b) een beschrijving van de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn. 2. Een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project. 3. Een beschrijving - voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is - van waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen, indien van toepassing;

b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. 4. Voor zover relevant wordt rekening gehouden met de criteria van bijlage II (Richtlijn 2014/52/EU) bij

het verzamelen van de informatie overeenkomstig de punten 1 tot en met 3. Onderhavige (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsnotitie voorziet in voorgaande informatie, voor zover relevant voor de specifieke activiteit.

2.3 Selectiecriteria De criteria voor de m.e.r.-beoordeling

staan opgenomen

in Bijlage II van

de Europese

m.e.r.-richtlijn

(2014/52/EU). Bij de beslissing of voor het project wel of geen m.e.r. nodig is houdt het bevoegd gezag rekening met deze criteria. 1. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

a) b)

de omvang en het ontwerp van het gehele project; de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten;

c)

gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit;

d)

de productie van afvalstoffen;

e) f)

verontreiniging en hinder; risico van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis;

g)

de risico's voor de menselijke gezondheid luchtvervuiling).

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

(bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging

of

Îg_[me{s FarmConsult 2. Locatie van het project De kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in aanmerking worden genomen, en met name: a) het bestaande en goedgekeurde grondgebruik; b) de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;

©_

het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: i _ wetlands, oeverformaties, riviermondingen; ï. ïi. iv. v.

_ _ _ _

kustgebieden en het maritieme milieu; berg- en bosgebieden; natuurreservaten en —parken; gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd;

Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG

en

Richtlijn 2009/147/EG;

vi.

Viil.

_ gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen; gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

3. Soort en kenmerken van het potentiële effect

De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project moeten, in samenhang met de criteria onder punt 1 en 2, in aanmerking worden genomen, met inachtneming van: a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b) de aard van het effect; <) het grensoverschrijdende karakter van het effect; d) e) f)

de intensiteit en complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect;

g) h)

de cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

2.4 Procedure (vormvrije) m.e.r.-beoordeling De procedure is opgenomen in art. 7.16 tot en met 7.20 Wet milieubeheer. Voor elke aanvraag waarbij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet:

« «

doo de initiatiefnemer een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsnotitie worden opgesteld. het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft bij een

e

(vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. de initiatiefnemer het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

7

Îg_[me{s FarmConsult 3

KENMERKEN

VAN

HET

PROJECT

3.1 Algemeen en omvang gehele project Vigerende vergunning De inrichting beschikt over een rechtsgeldige omgevingsvergunning voor het oprichten, veranderen en/of in

werking hebben van een inrichting ex art. 2.1 lid 1 onder e Wabo (revisie kenmerk 2785 verleend op 17 oktober 2005, verandering kenmerk Wabo

11.0470 en verandering kenmerk OLO 1703339, verleend op 21

december 2015). De vigerende omgevingsvergunning is onherroepelijk en heeft betrekking op het houden van

2154

vleeskalveren

tot

circa

8

maanden(Rav

A4.100)

en

op

het

in

werking

hebben

van

een

mestverwerkingsinstallatie met een capaciteit van 36.000 m3.

Feitelijke situatie

De feitelijke situatie voor de kalverhouderij is in overeenstemming met de verleende vergunning van 17 oktober 2005. De feitelijke situatie voor de mestverwerkingsinstallatie is in overeenstemming met de veranderingsvergunning

van

21

december

2015.

Er

is

in

werkelijkheid

(Activiteitenbesluitmelding 15 september 2016) en een hygiënisatie-unit aanwezig.

al

een

kachel

Hiervoor is echter nog

geen bouwvergunning verleend.

Voorgenomen situatie

Het voornemen

heeft betrekking op het wijzigen van de mestverwerkingsinstallatie

met nageschakelde

technieken in de vorm van het plaatsen van een hygiënisatie-unit, warmtewisselaar en een luchtwasser. Doel van de mestverwerkingsinstallatie is om het mestoverschot in oost Nederland omlaag te brengen door het terugwinnen van mineralen om deze elders in te kunnen inzetten. Het aantal te houden dieren neemt af. Er is geen sprake van het vergroten van installatie.

Zie ook het bedrijfsontwikkelingsplan, de situatieschets en de plattegrondtekening in de bijlagen.

3.2 Cumulatie met andere projecten en/of goedgekeurde ontwikkelingen In de omgeving bevinden zich een intensieve en grondgebonden veehouderij, waardoor cumulatie met andere veehouderijen kan optreden. De woning van de dichtstbijgelegen veehouderij ligt op ca. 25 m afstand van de inrichtingsgrens. In de omgeving zijn naast de bestaande veehouderij goedgekeurde, maar nog niet gerealiseerde ontwikkelingen aanwezig. In hoofdstuk 4 wordt bij de verschillende ‘waarschijnlijk aanzienlijke

milieueffecten’ afzonderlijk ingegaan op de mogelijk cumulatieve effecten.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

8

Îg_[me{s FarmConsult 3.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen De natuurlijke hulpbronnen op aarde, in het bijzonder fossiele brandstoffen, vormen een basis voor alle menselijke activiteiten, en daarmee ook voor welvaart en welzijn. Om voor toekomstige generaties de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen te garanderen, is een duurzaam voorraadbeheer noodzakelijk. Natuurlijke hulpbronnen kunnen ingedeeld worden in: 1. niet-vernieuwbare en vernieuwbare grondstofvoorraden 2. milieuvoorraden (schoon water, schone lucht, ruimte)

3.

biodiversiteit (rijkdom van de natuur waaronder flora, fauna en habitats).

Niet-vernieuwbare grondstofvoorraden (zoals fossiele brandstoffen) worden niet of nauwelijks bij gevormd en zullen bij voortdurende winning ooit opraken. De vernieuwbare grondstofvoorraden worden door natuurlijke processen aangevuld, en zullen als de winning en aanwas op elkaar afgestemd zijn, tot in lengte

van dagen beschikbaar blijven. Binnen de inrichting wordt houtpellets verbruikt voor de verwarming van de stallen en de melk. Elektra wordt verbruikt voor met name de verlichting, ventilatie, voerinstallatie en de MVI. Door de toepassing van energiebesparende maatregelen en monitoring van het verbruik wordt zo spaarzaam mogelijk omgegaan met het energieverbruik. Binnen de inrichting wordt verder dieselolie verbruikt. Verder wordt er grond- en/of leidingwater verbruikt, onder andere als drinkwater voor de dieren en voor reinigingsdoeleinden. Door de toepassing van waterbesparende maatregelen en monitoring wordt zo

spaarzaam mogelijk omgegaan met het waterverbruik. Voor de mestverwerkingsinstallatie wordt elektriciteit verbruikt om de installatie, zoals bijvoorbeeld pompen, ventilatoren e.d. te laten draaien. Tevens worden er houtpellets verbrand in een houtkachel om de mest te verwarmen tot minimaal 70 graden. Daarnaast wordt de warmte die de kachel levert gebruikt om de kalvermelk op te warmen. In het voornemen worden waar mogelijk emissiereducerende en bodembeschermende maatregelen getroffen om te zorgen dat het project geen nadelige effecten heeft op milieuvoorraden en biodiversiteit.

3.4 Productie van

afvalstoffen

Binnen de inrichting komen afvalstoffen vrij, met name kadavers, restafvalstoffen, verpakkingsmateriaal, papier, plastic, GFT, klein chemisch afval en restanten medicijnen. Deze afvalstoffen worden via verschillende erkende inzamelaars afgevoerd. Daarnaast komt binnen de inrichting bedrijfsafvalwater vrij, hetgeen wordt opgevangen in de mestput. Het betreft hier reinigingswater afkomstig van het reinigen van de stallen. Dit wordt samen met de mest door de verwerkingsinstallatie gevoerd.

Uit het mestverwerkingsproces ontstaat een vaste fractie die als meststof gebruikt wordt. Tevens onstaat er een afvalwaterstroom (effluent) welke, conform de huidige vergunning, op de riolering wordt geloosd. Er wordt geen verontreinigd afgekoppeld en afgevoerd.

(afval)water geloosd

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

op

het oppervlaktewater.

Schoon

hemelwater

wordt

9

Îg_[me{s FarmConsult 3.5 Verontreiniging en hinder In het voornemen is sprake van emissies van met name ammoniak, geur, fijnstof, geluid, endotoxinen en vinden bodembedreigende activiteiten plaats. Hierdoor kan milieuhinder veroorzaakt worden. De emissies worden beperkt door het treffen van maatregelen. In hoofdstuk 4 worden deze aspecten en maatregelen nader uitgewerkt.

3.6 Risico's zware ongevallen en/of rampen Hieronder wordt begrepen risico's van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis. De locatie ligt niet in de risicozone van buisleidingen of hoogspanningsleidingen. Calamiteiten

Het bedrijf is zodanig

ingericht dat het zo optimaal mogelijk kan functioneren.

Toch

kunnen

binnen de

inrichting onvoorziene situaties of calamiteiten ontstaan, zoals stroomstoringen of brand. Binnen de inrichting zijn de nodige veiligheidsvoorzieningen getroffen om een calamiteit en een hierdoor optredende bijzondere milieubelasting, te voorkomen dan wel te beperken. Zo is een alarminstallatie aanwezig die de ondernemer waarschuwt bij calamiteiten.

3.7 Risico's voor de menselijke gezondheid Bij een veehouderij betreft dit met name emissies van ammoniak, geur, fijnstof, geluid en endotoxinen, maar ook zoönosen en water- en bodemvervuiling. De emissies worden onder andere beperkt door de toepassing van emissiereducerende technieken, een hoge gezondheidsstatus van de veestapel en door (hygiëne)maatregelen op het bedrijf, de toepassing van bodembeschermende maatregelen en opvang van verontreinigd (afval)water. In hoofdstuk 4 wordt (de beperking van) deze risico's nader uitgewerkt.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

10

z

PS / FarmConsult

4

_WAARSCHIJNLIJK

AANZIENLIJKE

MILIEUEFFECTEN

Op basis van de kenmerken van het gehele project en de locatie zijn in dit hoofdstuk de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten uitgewerkt. Daar waar wettelijke normen gesteld worden zijn deze betrokken, aangezien het voldoen aan wettelijke normen een indicatie is dat er geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu.

4.1 Ammoniak

4.1.1

De

Emissies

ammoniakemissie

van

het voornemen

bedraagt

8.963,4

kg

NH;/jaar en

1.751,5

kg

NOx/jaar.

De

vigerende omgevingsvergunning ziet toe op een ammoniakemissie van 9.037.1 kg NH:/jaar en 738,5 kg NOx/jaar. Met behulp van het berekeningsprogramma AERIUS is de depositie berekent. In het voornemen blijft de depositie gelijk of neemt af (op de dichtst bijgelegen Natura 2000 gebieden)ten opzichte van de vigerende vergunningen. 4.1.2 Wet ammoniak en veehouderij

De locatie ligt niet in een Wav-gebied of een zone van 250 meter daaromheen. Het dichtstbijzijnde Wavgebied dat is aangewezen ligt op ca. 2735 meter, zie navolgend figuur. De Wet ammoniak en veehouderij geeft geen beperkingen voor deze locatie. Figuur 4.1 Ligging zeer kwetsbare gebieden (Wav)

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

11

@ËIS / FarmConsult 4.1.3

Directe

ammoniakschade

Het effect van de ammoniakemissie op gevoelige planten in de directe omgeving van stallen wordt beoordeeld aan de hand van het rapport “Stallucht en planten” dat in 1981 is opgesteld door het Instituut

voor Plantenziektekundig Onderzoek (IPO). Dit rapport is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniakschade veroorzaakt door ammoniakemissie bij intensieve varkens- en pluimveehouderijen op gevoelige gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt, boomteelt). Andere gewasgroepen lopen een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie blijkt dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend. Van directe ammoniakschade bij gevoelige gewassen is geen sprake aangezien binnen 50/25 meter rondom de locatie geen gevoelige gewasgroepen aanwezig zijn.

4.1.4 Besluit emissiearme huisvesting Het besluit emissiearme huisvesting heeft

tot

doel

de

emissie

van

ammoniak

en

van

fijnstof

uit

dierenverblijven zoveel mogelijk te beperken door de emissie vanuit dierenverblijven aan een maximum te binden (maximale emissiewaarden). Het besluit bevat maximale emissiewaarden voor ammoniak (voor melkvee, vleeskalveren, varkens, kippen

en vleeskalkoenen) en fijnstof (kippen, vleeskalkoenen en vleeseenden). Alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. Bijlage 1 van het besluit geeft drie maximale emissiewaarden voor ammoniak: kolom A, B en C. De maximale waarden worden gefaseerd aangescherpt. Welke maximale emissiewaarde geldt (kolom A, B of C) hangt af van de datum van oprichting (bouw) van het dierenverblijf waar het huisvestingssysteem in zit. Een huisvestingssysteem is een gedeelte van een dierenverblijf waar dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden. Een dierenverblijf is een ruimte waar dieren worden gehouden indeling gelden enkele uitzonderingen.

(stal). Op deze

In tabel 4.2 zijn de ammoniakemissiefactoren van de voorgenomen huisvesting in de onderscheidenlijke stallen en de maximale emissiefactoren voor de betreffende diercategorieën aangegeven. Hieruit volgt dat de huisvestingssystemen voldoen aan de maximale emissiewaarden voor ammoniak. De voorgenomen activiteit voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting. Tabel 4.2: Emissiefactoren

(Rav)

Maximale

en

emissiewaarde

Beh

en maximale emissiewaarden

emissiefactor

(Beh)

voornemen

Rav ammoniak

wer [ 1 | 4100 [orenge nisesgssntenen

a

r | 2 | A 4100 |oergenasessngsostenen

Sg)||

wr | 3 | 4 4100 |ovenge usvestngsostemen

vsaen)

a N w [ s | 42100 |orene musessngssenen

e | vesaen]|

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

24

9

15

35

.

42

35

15

10 0

15 1

15 1

12

Îg_[me{s FarmConsult 4.2 Geur

4.2.1

Emissies

De vergunde geuremissie uit de stallen bedraagt 76.682 OUs/sec. Door het houden van minder dieren neemt de geuremissie af naar 75.614 OUE/sec. Voor de mestverwerkingsinstallatie is een geurrapport bestaande en de nieuwe geursituatie in beeld gebracht.

opgesteld

door

BuroBlauw.

In dit rapport

is de

De emissie van de nieuwe bronnen bedraagt ca. 40.248 Moue/jaar. De emissie van de bestaande en de nieuwe bron gezamenlijk bedraagt ca. 93.287 Moue/jaar. De emissie in de vigerende situatie bedraagt ca. 100.242 Moue/jaar. De berekende geurconcentratie ter hoogte van geurgevoelige objecten in de gebiedscategorie A, als gevolg van bestaande en nieuwe bronnen gezamenlijk, bedraagt maximaal 0,2

Oue/m

als 98 percentielwaarde. De belasting als gevolg van nieuwe bronnen bedraagt maximaal 0,0 Oue/m?

als 98 percentielwaarde.

Daarmee

wordt voldaan

aan

het acceptabel geurhinderniveau voor een

minder

hinderlijke geur. De berekende geurconcentratie ter hoogte van geurgevoelige objecten in de gebiedscategorie B, als gevolg

van bestaande en nieuwe bronnen gezamenlijk, bedraagt maximaal 0,9 Oue /m? als 98 percentielwaarde. De belasting als gevolg van nieuwe bronnen bedraagt maximaal 0,1 Oue /m3 als 98 percentielwaarde. Daarmee wordt voldaan aan het acceptabel geurhinderniveau voor een minder hinderlijke geur. Voor meer

informatie m.b.t. de geuremissie van de mestverwerkingsinstallatie

wordt verwezen

naar het

geurrapport(BL2020.10750.01_V04) in de bijlage. Het voornemen leidt ten opzichte van de vergunde situatie tot een afname van de geuremissie. 4.2.2 Afstanden

In de omgeving liggen enkele geurgevoelige objecten (afstand van dichtsbij gelegen emissiepunt): - _ Vrakkinkweg 14; afstand 268 m (van eerste emissiepunt tot hoek woning) Den Sliem 100; afstand 120 m(van eerste emissiepunt tot hoek Loods)

Aan de wettelijke vaste afstanden van de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan. Voor industriële bronnen gelden geen vaste afstanden, maar uit het geurrapport blijkt dat op geurgevoelige objecten kan worden voldaan aan het acceptabel geurhinderniveau voor een minder hinderlijke geur. 4.2.3 Voorgrondbelasting (individuele geurhinder) De beoordeling van individuele geurhinder (voorgrondbelasting) van de veehouderij vindt plaats aan de hand

van de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening. Onderhavige bevoegde gemeente heeft een geurverordening vastgesteld, waardoor de geurnormen uit deze verordening leidend zijn. De geurbelasting getoetst aan de geurverordening.

vanuit de stallen van de inrichting

naar de omgeving

De voorgrondbelasting is berekend met het verspreidingsmodel V-stacks vergunning. zijn de berekeningsresultaten weergegeven.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

wordt

In navolgende tabel

13

fi__qr_p_el_s / Famconsat Tabel 4.4a: Berekende voorgrondbelasting voornemen (V-stacks vergunning) Vigerend Gemaakt op: 2022-05-17 15:09:36 Naam van het bedrijf: Ottink OBweg 5 Groenlo vigerend Berekende ruwheid: 0,272 m Brongegevens:

6 _ [ Vrakinkweg 1a

239028

|

452076|

140

7__

[Vradinweg3

238679

|

452027|

140

46

8_

| Vrakkinkweg 33

23880

|

452162|

140

41

[Vrakknkwegs

39

9

_

30

meen

|

4s2239|

140

10

| HerBik47

2901

|

41904

50

39

11

_ | Den Siem 100

29453

|

4s2110]

50

179

12

_ | DenStiem

29571

|

s2218]

50

146

13

_ | Den Siem 83 Kaak

meer

|

425%4]

50

75

14

_[Zuidgang 1a

239554

|

452770]

50

56

15

_|[Densiems3 HaRouw

_239398

|

4s2592|

_50

92

83 wpl Rou

|

16

| DeBeekt

239439

|

as18|

50

49

17

| Debleek3

29483

|

41e7|

50

46

m

|

a1794]

50

42

239300

|

4s2351|

1000

E

239325

|

4s2385|

1000

24

18

|DeBeek 10

19

_ | Oude Boreuoseweg 7

20

|OudeBoruioseweg?a

|

beoogd Gemaakt op: 2022-05-19

17:27:03

Naam van het bedrijf: Ottink OBweg 5 Groenlo 2022-05 Berekende ruwheid: 0,272 m

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

14

finîels / FarmConsult k

29028

|

452076|

140

7

238879

|

452027|

140

8

23880

|

452162|

140

9 _ | VrakknkwegS

2881

|

4s2239|

140

10

| HerBik47

20

|

4s1904]

50

11 _ | Den Siem 100

239453

|

4s2110]

50

12

239571

|

s2218]

50

13 _ | Den Stiem 83 Kaak

mser

|

4250%4]

50

14

| Zuidgang1a

2955

|

4s2720]

50

15

|[Densiems3

_239398

|

4s2592|

_50

16

| DeBeekt

239439

|

4s184|

50

17

| Debleek3

29483

|

as187|

50

18

|DeBeek10

o

|

4179%4]

50

239300

|

452351|

1000

239325

|

+2385|

1000

_ | DenStiem 83 wpl Rou

HaRouw

19

_ | Oude Boreuoseweg 7

20

[OudeBoruoseweg7a

|

|

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

15

FarmConsult

Geur Ievoe Ie locaties aallvraal Versus veiun 6

[Vrakkinkw eg 14

239028]

452076

14

8

79

7

\Vrakkinkw eg 3

238879|

452027

14

48

48

8

|Vrakkinkw eg 3a

238830] 452162

14

44

41

9

\Vrakkinkweg 5

238811|

452239

14

39

39

|HetBik47

238901|

451904

5

39

39

10

_

11

_

|Den Slem

100

239453|

452110

5

179

178

12

_

|DenSlem

93 w p! Rou

239571|

452218

5

146

145

13

_

|Den Siiem 83 Kaak

239627|

452504

5

15

74

|Zuidgang ta

239554|

452720

5

56

55

_

|DenStiemg3

239398|

452592

5

92

9

14 15

Hat Rouw

16

|DeBleek1

239439|

451834

5

49

49

17

|Debleek3

239493|

451827

5

468

46

|DeBleek10

239381|

451794

5

42

41

|oude Borculosew eg 7

239300|

452351

|

100

278

267

239325|

452385

|

100

244

237

18

19 20

_

|OudeBorculoseweg7?a

|

Uit de resultaten volgt dat er voor de veehouderij-tak sprake is van een overbelaste situatie (=overschrijding van de geurnorm). Echter het aantal dieren blijft gelijk en er wordt een na geschakelde techniek toegepast, waardoor de geuremissie afneemt. Daarnaast neemt de geurbelasting af t.0.v. de vigerende situatie. Op basis van Artikel 3.3 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kan de vergunning verleend worden, Naast de veehouderij wordt geur geëmitteerd vanuit industriële bronnen, die verband houden met mest verwerkende activiteiten. BuroBlauw heeft hiervoor een verspreidingsberekeningen uitgevoerd voor geur.

De aangevraagde wijzigingen leiden tot een reductie in geuremissies afkomstig van de industriële bronnen. Geur afkomstig van bestaande en nieuwe industriële bronnen voldoen daarbij aan het aanvaardbaar geurhinderniveau uit de provinciale Beleidsregel geur. (zie onderzoek BuroBlauw toetsing geuremissies, hoofdstuk 5.2 Resultaten nieuw en bestaand gezamenlijk) Tevens is door BuroBlauw een berekening uitgevoerd om de cumulatieve geurbelasting in de vigerende en aangevraagde situatie in kaart te brengen. Dit is de gezamenlijke geurbelasting als gevolg van de dierverblijven en industriële bronnen. Uit deze berekening valt op te maken dat de geurbelasting in de

aangevraagde situatie afneemt. (zie onderzoek BuroBlauw toetsing geuremissies, hoofdstuk 5.4 cumulatieve geurbelasting vigerend en aanvraag) 4.2.4 Achtergrondbelasting (cumulatieve geurhinder) De achtergrondbelasting van geur wordt bepaald door de cumulatie van geuremissies. Dit is de

geurbelasting ten gevolge van de verschillende veehouderijen in de omgeving (met dieren waarvoor geuremissiefactoren vastgesteld zijn) bij elkaar opgeteld. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder indien de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

16

Îg_[me{s FarmConsult Toetsingskader

De gemeente Oost Gelre heeft een Verordening geurhinder en veehouderij opgesteld. Deze verordening heeft echter geen streefwaarden of geurnormen voor de achtergrondbelasting vastgesteld. Een acceptabel geurhinderniveau voor industriële bronnen is op gemeentelijk niveau niet vast gelegd in een verordening en beleidsregel. Voor de bepaling van het aanvaardbaar geurhinderniveau is daarom gekeken naar de Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland gepubliceerd op 9 maart 2017. Echter deze beleidsregels bevatten ook geen streefwaarden of geurnormen voor de achtergrondbelasting.

De veehouderij activiteit op het bedrijf Ottink blijft ongewijzigd op het plaatsen van de luchtwasser na. Hierdoor neem de geuremissie vanuit de veehouderij af en blijft gelijk op een gevoelig object. De mestverwerking wordt voorzien van nageschakelde technieken. In het geuronderzoek van BuroBlauw is de cumulatieve belasting (veehouderij + “industriële bronnen mestverwerking”) uitgewerkt. Door de geurmaatregelen bij de mestverwerking neemt de geuremissie vanuit het bedrijf in totaal af. Door deze afname kan gesteld worden dat vanuit het bedrijf Ottink de bijdrage aan de cumulatieve geuremissie ook

zal afnemen. Hiermee wordt in de voorgenomen situatie ten aanzien van de achtergrondbelasting van geur voldaan aan de geurnorming. Verdere toetsing aan de achtergrondbelasting is voor deze situatie dan ook niet nodig.

4.3 Fijnstof

De PM10-emissie vanuit de MVI van voornemen bedraagt 1.868 4.3.2 Concentraties

kgr/jaar.

PM10

Op grond van gevalideerde meetresultaten uit achtergrondconcentratie bepaald. De jaargemiddelde

het Landelijk Meetnet achtergrondconcentraties

Luchtkwaliteit is de bedragen (jaar 2020

(gegevens 2018) 2018) !): 16.98 ug/m? voor PM;oen 10.04 ug/m? voor PM:s. De achtergrondconcentraties liggen ter plaatse ruim onder de grenswaarden zoals opgenomen in de Wet milieubeheer van 40 ug/m? voor PM:o en 25 ug/m? voor PM2s. Over de loop van jaren is sprake van een daling van de achtergrondconcentraties (zeer) fijnstof. Uit

de

toets

luchtkwaliteitseisen

door

BuroBlauw

(rapport

BL2018.8726.03_V05)

blijkt

dat

de

concentratiebijdragen ter hoogte van alle toetsingslocaties lager zijn dan 1,2 Hg/m? , oftewel 3% van de wettelijke toegestane jaargemiddelde concentratie(40 ug/m3). De wijziging voor de inrichting dragen niet in betekenende mate bij aan de achtergrondconcentratie PM:0.

4.3.3 Zeer fijn stof PM2,s Vanaf 1 januari 2015 dient ook getoetst te worden aan de grenswaarde voor PM2,s (zeer fijnstof) van 25 bg/m’. De achtergrondconcentratie PM2,s ligt in Nederland ruimschoots onder deze grenswaarde. Het RIVM heeft in 2015 een nadere analyse uitgevoerd naar de statistische relatie tussen de jaargemiddelde concentraties PM1o en PM2.s. Uit deze analyse blijkt dat bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5

ug/m?, de kans dat de jaargemiddelde concentratie PM2; dan 1%.

gelijk is aan of hoger i dan 24 ug/m3, kleiner is

De resultaten van deze analyse tonen aan dat wanneer wordt voldaan aan de maatgevende

Bron: Grootschalige Concentratie Kaarten (GCN), RIVM.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

17

Îg_[me{s FarmConsult grenswaarde voor PM:o, ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.s.

(bron: Informl. Uit

de

toets

luchtkwaliteitseisen

door

BuroBlauw

(rapport

BL2018.8726.03_V05)

blijkt

dat

de

concentratiebijdrage ter hoogte van alle toetsingslocaties maximaal 0,3 ug/m? bedraagt. Het voornemen geeft geen overschrijding van de jaargemiddelde concentratie (norm Wm 25 ug/m>.

4.4 Geluid Akoestisch onderzoek

Voor het voornemen is een akoestisch onderzoek opgesteld door Sainmilieuadvies, Dit rapport is geactualiseerd naar de huidige normen en met de aangevraagde activiteiten. Uit dit rapport blijkt dat het bedrijf kan voldoen aan de geldende normering uit het 'Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Oost Gelre' voor. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in de bijlagen.

4.5 Volksgezondheid 4.5.1 Wetgeving en onderzoek Het houden van landbouwhuisdieren en het verwerken van mest kan effect hebben op de volksgezondheid

in de omgeving van de veehouderij. Risico's kunnen er ook zijn voor dieren die in nabijgelegen bedrijven worden

gehouden.

Het

gaat

hierbij

om zoönosen

(infectieziekten

die van

dieren

op

mensen

kunnen

overgaan) en bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, zoals MRSA. Ook vormt de emissie van fijnstof een risicofactor. Fijnstof uit stallen bestaat uit fijne en grovere fracties en bevat allerlei biologische agentia, waaronder endotoxinen. Daarnaast vormt geur een indirect risico voor de volksgezondheid. Ook geluidhinder en externe veiligheid zijn aspecten die effect kunnen hebben op de volksgezondheid. Het zelfde geldt voor de mestverwerkingsinstallatie

Het bevoegd gezag is wettelijk verplicht om de effecten van (ruimtelijke) ontwikkelingen op de volksgezondheid in de besluitvorming mee te wegen. Het staat het bevoegd gezag in principe vrij op welke wijze deze verplichting ingevuld wordt. Voor sommige criteria zoals ammoniak, geur en fijnstof zijn specifieke wet- en regelgeving, richtlijnen en handelingsmethoden beschikbaar. Voor de gezondheid van mensen is dit

echter niet of veel minder het geval. Het bevoegd gezag moet wel de gevolgen van ontwikkelingen van een veehouderij voor de gezondheid van mensen in de besluitvorming betrekken. Het bevoegd gezag moet zich baseren op beschikbare onderzoeken en ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten'. Onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG)

Het RIVM heeft in 2008 een rapport gepubliceerd met betrekking tot intensieve veehouderij en volksgezondheid. Strekking van het Rapport RIVM 2008: Effecten van intensieve veehouderijbedrijven op de volksgezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen. Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. In 2009 is het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) gestart. In juni 2011 zijn de resultaten bekend gemaakt van dit IVGonderzoek. Hieruit is geen duidelijke afstand tot veehouderijbedrijven gebleken en geen relatie met de omvang van veehouderijen of dierdichtheid te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden. Uit een publicatie van juli 2012 inzake het infectierisico van omwonenden van veehouderijen blijkt

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

18

Îg_[me{s FarmConsult dat nog geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan, met uitzondering van Q-

koorts. Voornoemde afgeronde onderzoeksrapporten beschouwde de rechter niet als ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten', De Gezondheidsraad heeft op 30 november 2012 het advies ‘Gezondheidsrisico's rond veehouderijen’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico's lopen. Op basis hiervan is niet op

wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen.

Onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) In 2014 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)’ van start gegaan. Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk dit aanvullende onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn bekend gemaakt in juli 2016. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij

veehouderijen wonen minder mensen met COPD. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij, in het bijzonder pluimveehouderij. Rapport Emissies van Endotoxinen uit de veehouderij (fase 32) Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het Rapport Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase

3a) bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. In stof worden van micro-organismen afkomstige endotoxinen gevonden. Endotoxinen zijn dode celwand-deeltjes van bacteriën die geen pathogene eigenschappen meer hebben. Wel kunnen endotoxinen na inademing tot gezondheidsklachten leiden. Meer onderzoek is nodig om de invloed van deze eigenschappen bij endotoxinen te bepalen. De Gezondheidsraad beveelt ten aanzien van de endotoxinen-

blootstelling een adviesgrenswaarde van 30 EU/m? aan. Veehouderij en gezondheid Omwonenden (aanvullende studies). Op 16 juni 2017 is het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)’ bekend gemaakt. In dit rapport worden de resultaten uit het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ van

juli 2016 bevestigd. Daarnaast wordt in het rapport ingegaan op de effecten van geitenhouderijen. Uit aanvullende studies volgen sterke aanwijzingen dat fijnstofen componenten ervan mensen gevoeliger maken voor luchtweginfecties. Specifieke ziekteverwekkers afkomstig van dieren kunnen echter niet worden uitgesloten. Ook rondom geitenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Uit

luchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de ucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter

wordt. Ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen lijken toch substantieel bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Op 22 oktober 2018 is het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden TI' bekend gemaakt. De resultaten van dit onderzoek wijzen, net als de voorgaande onderzoeken, op een associatie tussen het wonen in nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. De oorzaken van de relatie tussen het wonen nabij een geïtenbedrijf en een verhoogde kans op het oplopen van een longontsteking zijn

nog niet bekend en worden nader onderzocht. De associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

19

Îg_[me{s FarmConsult en het wonen

in de buurt van een pluimveehouderij

blijkt, in de jaren die binnen deze actualisering zijn

onderzocht, niet meer statistisch significant te zijn. ILVO-onderzoek

Uit onderzoek van het Belgisch Instituut Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) in het voorjaar van 2017 blijkt dat een groot deel van de in het Nederlandse VGO-onderzoek aangehaalde risico's niet relevant zijn, gebrek aan wetenschappelijke basis hebben en niet specifiek zijn voor omwonenden van

veehouderijen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het veerijke West-Vlaanderen. Het Nederlandse VGO-onderzoek kan volgens de Belgische onderzoekers niet claimen of suggereren dat veehouderijen een

negatief gezondheidseffect

hebben

op omwonenden.

Bijkomend

onderzoek

is dan ook nodig. Zo moet

worden nagegaan of er een effect is van de gecombineerde emissies uit veehouderij, de transportsector en andere industriële sectoren. Op het eerste gezicht lijkt de impact van wonen nabij een stal op de gezondheid beperkt, maar er zijn nog een aantal vraagtekens die beantwoord moeten worden. In haar rapport stelt ILVO dat uit de stallen zowel primair fijnstof als ammoniak ontsnapt. Ammoniak op zich vormt geen bewezen gezondheidsrisico, maar in de buitenlucht, ver weg van de stallen, kan het zich binden aan andere vervuilende stoffen zoals roet. Wat ontstaat, is secundair fijnstof dat voor iedereen, niet enkel voor de

omwonenden van veestallen, schadelijk kan zijn. Om de gevolgen van deze combinatie van fijnstof en ammoniak, evenals het aandeel van de landbouwsector in de uitstoot van fijn stof beter in kaart te brengen, is naar de mening van de ILVO-onderzoekers verder onderzoek nodig. Niet omdat er een mogelijk risico bestaat, maar om uitsluitsel te geven en duidelijkheid te brengen in de discussie die er nu bestaat. In het Nederlandse

volksgezondheidsonderzoek

(VGO)

wordt

het verhoogde

aantal

longontstekingen

in

regio's met intensieve veehouderij gelinkt aan verhoogde concentraties endotoxines. Maar volgens ILVO is het onwaarschijnlijk dat zuivere endotoxines de oorzaak zijn. De gebruikte grenswaarde is gebaseerd op endotoxines gehecht aan fijnstof, terwijl ze in stallen voornamelijk hechten aan grovere stoffracties. En dat grover stof dringt slechts binnen in de bovenste

luchtwegen,

niet in de lagere. Bovendien tonen recente

studies, waaronder VGO, aan dat endotoxines bij omwonenden ook positieve effecten kunnen hebben in de bovenste luchtwegen, zoals een beschermend effect tegen astma en allergieën. Omdat duidelijkheid ontbreekt, is het volgens ILVO momenteel wetenschappelijk onmogelijk om een veiligheidsnorm voor omwonenden te definiëren en te hanteren. Ook hier is verder onderzoek nodig, ook met aandacht voor de mogelijke positieve effecten van endotoxines. ILVO bestudeerde ook het risico op verspreiding van bacteriën, virussen, schimmels en parasieten die aanwezig kunnen zijn bij vee, en de effecten van geneesmiddelengebruik in de stallen in de ontwikkeling van resistentie. Het is echter weinig waarschijnlijk dat deze pathogenen zich verspreiden via de lucht, maar

blootstelling via de ruimere leefomgeving zoals mest en water. Via voeding is het wel mogelijk. Denk aan besmettingen met Salmonella, Campylobacter, E. coli, Hepatitis E, antibioticaresistente bacteriën en azoleresistente schimmels. Het risico beperkt zich hier dus niet tot de omwonenden, maar breidt zich uit tot de algemene volksgezondheid.

Vervolgonderzoeken en vervolgadvies Gezondheidsraad (2018) De Gezondheidsraad geeft aan dat het nog steeds niet duidelijk is of er sprake is van een oorzakelijk verband tussen

longproblemen

en veehouderijen.

Daarvoor is het aantal

kwalitatief goede onderzoeken

zowel in

Nederland als in het buitenland te beperkt. Hoewel niet kan worden vastgesteld wat de luchtwegeffecten rond veehouderijen veroorzaakt, is het volgens de raad wel zinvol maatregelen te treffen en adviseert dan ook verdere reductie van de uitstoot van fijnstof. In de lucht rond veehouderijen zit veel fijnstof en uit onderzoek in stedelijke omgevingen blijkt dat fijnstof waarschijnlijk effecten veroorzaakt op luchtwegen en longen. Reductie van fijnstof bevordert dus de volksgezondheid als geheel. Ook adviseert de raad om de

uitstoot van ammoniak verder te verminderen, omdat ammoniak bijdraagt aan de vorming van fijnstof.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

20

Îg_[me{s FarmConsult 4.5.2 Zoönosen

De verbetering van de diergezondheid op veehouderijen is volop in ontwikkeling. Een aantal besmettelijke

dierziekten is al uitgeroeid of sterk teruggedrongen. Kwaliteitszorgsystemen hebben door controles op het wóórkomen van ziekten en naleving van hygiënevoorschriften hieraan bijgedragen. Zoönosen zijn infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen die kunnen overgaan van dieren naar mensen. De belangrijkste zoönosen die voorkomen in de rundveehouderijsector worden hier toegelicht: Ten aanzien van (melk)rundvee (EHEC) bacterie en BSE. Campylobacterbacterie

Besmetting

en de

E.Coli

zijn de meest

bacterie

relevante zoönosen

de Campylobacterbacterie,

de E.Coli

(EHEC

vindt plaats door direct contact met de dieren,

door het eten van

besmet

en onvoldoende

hygiënische bereiding van vlees of drinken van (ongepasteuriseerde) melk. BSE

Boviene spongiforme encefalopathie (ook wel BSE of gekkekoeienziekte) kan voorkomen bij rundvee. BSE kan alleen overgedragen worden op de mens door eten van besmet vlees. Bij mensen uit een besmetting

zich in de dodelijke ziekte Creuzfelt-Jacob. Ter voorkoming van besmetting van rundveevlees zijn de voorschriften bij de slacht aangescherpt, in veevoer wordt geen diermeel meer gebruikt en hersenen, het ruggenmerg en de grote zenuwen worden buiten de voedselketen gehouden. Antibiotica-resistenti

Mensen kunnen antibiotica-resistente bacteriën overnemen van dieren, via voedsel of contact met dieren. Bacteriën kunnen resistentie ontwikkelen als neveneffect van het gebruik van antibiotica om dierziekten te bestrijden. De resistentie is het hoogst bij dieren die voor de vleesproductie worden gehouden, Het risico voor de volksgezondheid is dat resistente bacteriën kunnen veranderen in meer virulente of aan de mens aangepaste varianten of hun resistentie overdragen aan andere bacteriën. Omdat voor dieren grotendeels

dezelfde antibiotica worden gebruikt als voor mensen vormt resistentie een risico voor de volksgezondheid. Het landelijk beleid is momenteel al gericht op een forse reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij en een zorgvuldig gebruik. Het huisvestingssysteem en het aantal te houden dieren op het bedrijf wijzigt niet ten opzichte van de huidig vergunde situatie. Er zijn op dat vlak derhalve geen grotere gezondheidsrisico's te verwachten. Mestverwerkingsinstallatie

Temand kan op verschillende manieren worden blootgesteld aan ziekteverwekkende micro-organismen. Dit kan door direct contact met de mest, door verwaaiing en verspreiding vía lucht, water of bodem of afspoeling naar grondwater of sloten. Of mensen daar ook daadwerkelijk ziek van worden hangt af van onder andere

het niveau en de duur van de blootstelling. Tevens speelt de algehele gezondheid van de betroffen persoon daarin ook een belangrijke rol. In de mestverwerkingsinstallatie wordt bedrijfseigen mest en mest van derden verwerkt. De bedrijfseigen mest wordt vanuit de mestopslagen onder de stallen naar de installatie gepompt. Het betreft hier een

gesloten systeem waarbij geen emissies van geur, geluid, fijnstof of andere stoffen vrijkomen. De mest van derden zal worden aangevoerd per vrachtwagen.

De aangevoerde drijfmest wordt opgeslagen in de polyestersilo's. Van uit deze silo's wordt de drijfmest gedoseerd ingevoerd in de denitrificatie. De denitrificatie staat in verbinding met de nitrificatie. Hier vindt

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

21

;g_[m?[5 FarmConsult het biologisch proces plaats. Tijdens dit proces ontstaat er dikke fractie (slib) en effluent, deze beide stoffen worden vervolgens van elkaar gescheiden door de zeefband. De dikke fractie wordt afgevoerd met vrachtwagens. Het effluent wordt op het riool geloosd. Alvorens de dikke fractie (in fase 1) wordt afgevoerd, wordt deze tijdelijk opgeslagen in het gebouw voor de mestscheider en op de vaste mestopslag. Het verplaatsen van de dikke fractie uit de tijdelijke opslag en het laden van de vrachtwagens wordt uitgevoerd met behulp van een shovel.

In fase 2 wordt een nageschakelde techniek gebruikt. De uitgaande dikke fractie verder opgewaardeerd. Met andere woorden: het product wordt gehygiëniseerd zodat het geen ziektekiemen meer bevat. Hierdoor wordt het product ook exportwaardig. Tevens wordt de dikke fractie droger, waardoor het volume aanzienlijk afneemt. Hierdoor zijn er aanzienlijk minder transporten nodig om de dikke fractie af te voeren. Bijkomend voordeel is dat hierdoor ook minder opslagruimte en interne transport bewegingen van de dikke factie vereist zijn. Het is niet meer nodig om dikke fractie in grote hoeveelheid op te slaan in gebouw 8, te verplaatsen met de shovel naar de vaste mestopslag en met de shovel op te laden in de vrachtwagens voor

transport. In fase 2 is dit niet meer nodig. De mest wordt in een afgesloten ruimte getransporteerd en gaat via de droger naar de containers. Alleen tijdens onderhoud van de hygiënisatie-unit, zal er op de manier zoals dit in de beoogde fase 1 wordt aangevraagd, vaste mest met de shovel worden verplaatst naar de vaste mestopslag en opgeladen worden op een vrachtwagen voor transport. Er wordt gerekend met een periode van 2 — 3 weken per jaar wanneer dit zal plaatsvinden. Daarnaast neemt door de afname van 30 vleeskalveren de emissie van ammoniak, geur en fijnstof door de kalverhouderij iets af.

Houtkachel

De hygiënisatie-unit maakt gebruik van warmte afkomstig van een hout gestookte kachel. Voor de emissies vanuit de kachel is door Buro Blauw een verspreidingsberekening gemaakt. Uit deze berekeningen volgt dat de grenswaarde voor jaargemiddelde concentratie PM10 niet wordt overschreden. Tevens dragen de wijzigingen ook niet in betekenende mate biijj aan de achtergrondconcentratie. Daarnaast wordt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 niet overschreden. Een ontoelaatbare toename van gezondheidseffecten voor de omgeving is dan ook niet te verwachten.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

22

Îg_[me{s FarmConsult

4.5.3 Maatregelen op bedrijfsniveau Binnen de inrichting zijn maatregelen getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van vleeskalveren vereist de nodige hygiëne-maatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen.

De volgende maatregelen worden getroffen: . e

Periodieke reiniging en desinfectie van gebouwen en materialen Bezoekersregeling: in principe worden er zo weinig mogelijk bezoekers toegelaten in de stallen en in het ‘schone gedeelte’ van het bedrijf. Derden die noodzakelijke diensten verrichten en controleurs van wie de toegang wettelijk is vastgelegd, vormen een uitzondering.

« e

Het dragen van bedrijfskleding en bedrijfsschoeisel dat op het bedrijf wordt verstrekt. Waar nodig zullen dieren preventief ingeënt worden.

e

Het gebruik van antibiotica wordt zoveel mogelijk beperkt en er wordt voldaan aan de PVE-verordening voor antibioticaregistratie en verantwoord antibioticaverbruik.

e .

Goede ongediertebestrijding die wordt verzorgd door een professionele ongediertebestrijder Het bedrijf heeft een bedrijfsgezondheidsplan. Dit is een door de dierenarts opgesteld plan waarin de voorgenomen behandelwijze van de mogelijk optredende dierziekten op het bedrijf van de ondernemer wordt vastgelegd beperken.

e

en

waarin

de

maatregelen

zijn beschreven

om

het gebruik

van

antibioticum

te

Door een optimale klimaatregeling worden emissies in de stal gereduceerd en wordt naar de laatste stand der techniek naar behoefte geventileerd. Hiermee wordt voorkomen dat er teveel of te weinig geventileerd wordt zonder noodzaak. De emissies van ammoniak, geur

en fijnstof zijn een resultante van

het ventilatiedebiet en de concentratie in de lucht. Een lager debiet geeft, zelfs als de concentratie in de

e

lucht toeneemt, lagere emissies. En de situering van de uitstroom van de stallucht is zo gekozen dat de belasting van omliggende woningen is geminimaliseerd. Binnen de inrichting vindt een registratie plaats van de hoeveelheid mest afkomstig van de inrichting en van de aangevoerde mest afkomstig van derden dat wordt verwerkt in de mestverwerkingsinstallatie.

De registratie voldoet aan de eisen van de Meststoffenwetgeving. In het registratiesysteem wordt het volgende vermeld:

-De aanvoer van mest, datum van ontvangst van de vracht, hoeveelheid per vracht, locatie waar de vracht van afkomstig is (registratie door middel van VDM (afvoerbonnen)) ; -De afvoer van gescheiden materiaal en surplus slib/dikke fractie (registratie door middel van VDM (afvoerbonnen)); -De afvoer van effluent op het rioolstelsel (registratie door middel van een meter en monitoring door het waterschap Rijn en IJssel);

-Een kopie van het vervoersbewijs. De mest die de MVI ingaat komt van het eigen bedrijf en een 15 tal collega veehouders in de regio. Met deze bedrijven waarvan de mest wordt aangevoerd is vooraf een overeenkomst gesloten. Hierin wordt onder andere vastgelegd dat er alleen mest geleverd mag worden waarin geen toevoegingen zitten. Bovendien nemen deze veehouders deel (financieel) in de MVI. Zij zijn direct betrokken bij de MVI en hebben er belang bij dat de installatie goed en efficiënt draait. De mest wordt opgehaald door 2 vaste transporteurs (erkende intermediair). Deze transporteurs kennen alle

bedrijven en weten welke mest van welk bedrijf komt. Ze plannen de transporten

zo dat er altijd van

verschillende bedrijven mest in de MVI aanwezig

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

23

Îg_[me{s FarmConsult De transporteur controleert visueel, voordat hij een vracht mest laad, de kelder van het bedrijf. Zijn er bijzondere omstandigheden dan wordt er met de veehouder overlegt en zo nodig wordt er geen mest meegenomen uit deze kelder, Tijdens het laden van de mest wordt er een mestmonster getrokken. Dit gebeurt een aantal keren tijdens het laden van de vracht om zo een homogeen mestmonster te krijgen. De bemonsterings- en verpakkingsapparatuur staat op naam van de intermediair geregistreerd en is voorzien van typegoedkeuring. Conform de eisen van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De gegevens van de leverancier, tijdstip

van laden/Iossen en monsternummer worden allemaal vastgelegd op het vdm (vervoersdocument dierlijke mest). Deze monsters blijven minimaal 14 dagen bewaard bij het laboratorium welke de mest onderzoekt. Hiermee wordt het mogelijk om altijd een extra controle/ onderzoek te laten uitvoeren verwachting is dat er mest is geleverd welke niet voldoet aan de afgesproken kwaliteitseisen.

indien

er de

Tijdens het lossen van de vracht bij de MVI van Ottink controleert de transporteur weer visueel de omstandigheden. Worden er bijzonderheden geconstateerd dan meldt hij dit aan Ottink en kunnen er indien

nodig aanvullende maatregelen genomen worden. 4.5.4 Endotoxinen

Het bestuurlijk Platform Omgevingsrecht (BPO) heeft een Notitie handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid opgesteld (25 november 2016). Deze notitie bevat als hulpmiddel voor bevoegde gezagen een systematiek om de endotoxineblootstelling van omwonenden van veehouderijen te beoordelen en helpt

bevoegde

gezagen

om

vergunningaanvragen

te toetsen

aan

de

adviesgrenswaarde

van

30

EU/m?

endotoxinen.

De volgende uitgangspunten worden in de notitie gehanteerd: e e

Uit voorzorg voorkomen dat door nieuwe aanvragen de endotoxine advieswaarde wordt overschreden en daar waar deze al overschreden wordt voorkomen dat de overschrijding toeneemt; Bedrijfsontwikkeling op alle varkens- en pluimveehouderijen die leiden tot een hogere

(fijnstof)emissie kunnen gevolg hebben overschrijdingen worden vergroot; «

« e

dat

nieuwe

overschrijdingen

ontstaan

of

bestaande

Bedrijfsontwikkeling in een veedicht gebied kunnen als gevolg van cumulatie van de endotoxine uitstoot tot gevolg hebben dat nieuwe overschrijdingen ontstaan of bestaande overschrijdingen worden vergroot; Andere veehouderijsectoren emitteren relatief weinig fijn stof en de bijdrage aan een mogelijke overschrijding van de adviesgrenswaarde door cumulatie is beperkt; Een grote mate van overschrijding van de endotoxine advieswaarde, individueel danwel door cumulatie in een gebied, kan reden zijn om na te denken over een vermindering van fijnstof-

endotoxine emissie van de veehouderij; e

Voorzorg in het belang van de gezondheid van omwonenden is de drijfveer voor deze notitie.

De emissie van fijn stof uit de MVI wordt zoveel mogelijke beperkt door de lucht intern te circuleren over de luchtwasser. De luchtwasser in het proces haalt de laatste delen stof, geur en ammoniak uit de lucht, zodat er (nagenoeg) geen emissies van geur, fijn stof en ammoniak meer overblijven. De uitgaande lucht

van de wasser wordt middels een luchtkanaal terug geleid naar het gebouw en wordt weer hergebruikt in het droogproces.

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

24

Îg_[me{s FarmConsult 4.6 Bodem Verwaarloosbaar en aanvaardbaar bodemrisico

Als binnen een inrichting bodembedreigende bedrijfsmatige activiteiten worden verricht, moet de kans op bodemverontreiniging tot een verwaarloosbaar minimum worden teruggebracht. In het Activiteitenbesluit en de Activiteitenregeling staan algemene voorschriften opgenomen ten aanzien van bodembedreigende activiteiten (ook van toepassing op vergunningplichtige inrichtingen). Deze voorschriften betreffen verplichte

maatregelen en voorzieningen om tot een ‘verwaarloosbaar bodemrisico’ te komen. Per activiteit is aan de hand van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming (NRB 2012) het vereiste voorzieningenniveau bepaald om dit verwaarloosbaar bodemrisico te bereiken. In bestaande situaties waar achteraf geen voorzieningen meer aangebracht kunnen worden kan, na instemming van het bevoegde gezag, volstaan worden met een ‘aanvaardbaar bodemrisico’. Het bevoegd gezag moet daartoe wel met een maatwerkvoorschrift toestemming hebben verleend.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13841216/1