CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3c ecologische voortoets stikstof

Raadscommissie 2 december 2025, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Omgevingsplan, Eefseler Esch en Molenberg Groenlo: locatie Eefseler Esch7.808 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

November 2025 rapportnummer: 252298-1

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

Colofon

Titel: Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo In opdracht van: Gemeente Oost Gelre T.a.v. dhr. F. Noordink Varsseveldseweg 2 7131 BJ Lichtenvoorde Uitgevoerd door: Ecochore Natuurtechniek Ruiterweg 8 7152 DE EIBERGEN T 0544-350297 M 06-23412534 E rickboerboom@ecochore.nl I www.ecochore.nl Auteur: Ing. R. Boerboom Collegiale toetsing: S.J.J. Wamelink

Datum: Status: Foto voorzijde:

november 2025 definitief Noordse witsnuitlibel, veenpluis, kamsalamander en hoogveenvegetatie

Correspondentie door Ecochore Natuurtechniek vindt uitsluitend plaats op digitale wijze of op FSC/PEFC gecertificeerd papier. Ecochore Natuurtechniek is lid van het Netwerk Groene Bureaus.

INHOUD INHOUD ................................................................................................................................................................... 2 1. AANLEIDING EN DOEL ......................................................................................................................................... 1 2. BESCHRIJVING PLANGEBIED EN GEPLANDE ACTIVITEITEN ................................................................................. 2

2.1 GEBIEDSBESCHRIJVING.................................................................................................................. 2 GEGEVENS PLANGEBIED ................................................................................................................................ 2 ALGEMENE BESCHRIJVING.............................................................................................................................. 2 2.2 GEPLANDE ACTIVITEITEN ............................................................................................................... 3 3. NATURA 2000 VOORTOETS STIKSTOF ................................................................................................................. 4

3.1 METHODE ................................................................................................................................. 4 3.2 GEBIEDSBESCHRIJVING.................................................................................................................. 5 3.2.1 PLANGEBIED ....................................................................................................................................... 5 3.3 GEVOLGEN INSTANDHOUDINGSDOELEN ............................................................................................ 5 3.4 EFFECTBEOORDELING ................................................................................................................... 7 3.4.1 INLEIDING .......................................................................................................................................... 7 3.4.2 MEETBARE EFFECTEN STIKSTOFDEPOSITIE ................................................................................................ 7 3.4.3 BEOORDELING HERSTELLENDE HOOGVENEN (H7120AH) ........................................................................... 9 3.4.4 BEOORDELING HOOGVEENBOSSEN (H91D0) .........................................................................................

13 3.4.4 MITIGERENDE MAATREGELEN .............................................................................................................. 16 3.3.7 CUMULATIE MET ANDERE PROJECTEN ................................................................................................... 16 4. CONCLUSIE VOORTOETS ................................................................................................................................... 18 GERAADPLEEGDE BRONNEN ................................................................................................................................. 19

Literatuur ............................................................................................................................................... 19 Internetbronnen .................................................................................................................................... 19 BIJLAGEN ............................................................................................................................................................... 20

BIJLAGE 1 INSTANDHOUDINGSDOELEN ........................................................................................................... 21 BIJLAGE 2 – NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 ............................................................................ 22 Natuurwetgeving Natura 2000 .............................................................................................................. 22 Doelen Natura 2000 .............................................................................................................................. 22

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

1. AANLEIDING EN DOEL Er zijn plannen voor woningbouw in het plangebied ‘Eefseler Esch’ aan de Oude Papendijk in Groenlo. Het gaat om circa 243 woningen. Het plangebied ligt op geringe afstand van het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’, waardoor mogelijk sprake is van negatieve effecten door stikstofdepositie vanuit het project. In dit Natura 2000-gebied liggen stikstofgevoelige habitats en komen stikstofgevoelige soorten voor. Om na te gaan of er sprake is van extra depositie vanuit het project, is door NOX Advies een AERIUS-berekening uitgevoerd voor de bouwfase (AERIUS kenmerk RU3FFSToFupB), de gebruiksfase (S14q2X8SJiEn) en een gecombineerde berekening bouw- en gebruiksfase (RTL4uv6zGYoC). Uit deze laatste berekening is gebleken dat er sprake is van een tijdelijke extra stikstofdepositie vanuit het project van maximaal 0,01 mol/ha/jaar in bovenstaand Natura 2000-gebied. De stikstofemissie in de bouwfase (2027) en gebruiksfase (2030) leiden tot een resultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. De bescherming van Natura 2000-gebieden is sinds 1 januari 2024 geborgd middels de Omgevingswet (zie bijlage 2). Om na te gaan of de extra depositie van maximaal 0,01 mol/ha/jaar leidt tot (mogelijke) aantasting van de instandhoudingsdoelen van het genoemde beschermde natuurgebied is een Voortoets op gebied van stikstof noodzakelijk.

De Gemeente Oost Gelre is initiatiefnemer van het woningbouwproject en heeft Ecochore Natuurtechniek gevraagd voor het uitvoeren van de Voortoets middels een Natura 2000 Voortoets stikstof.

Ecochore Natuurtechniek

1

2. BESCHRIJVING PLANGEBIED EN GEPLANDE ACTIVITEITEN In dit hoofdstuk worden het plangebied en de geplande activiteiten beschreven.

2.1 GEBIEDSBESCHRIJVING GEGEVENS PLANGEBIED Locatie: Plaats: Gemeente: Provincie:

Oude Papendijk 4 e.o. Groenlo Oost Gelre Gelderland

ALGEMENE BESCHRIJVING Het plangebied is gelegen in de gemeente Oost Gelre, aan de zuidwestzijde van de woonkern van Groenlo (zie figuur 1). In de huidige situatie is hier sprake van een boerenerf met daaromheen gelegen agrarisch gebied. De directe omgeving bestaat uit de bebouwde kom van Groenlo, agrarische percelen, bomenrijen en infrastructuur.

Korenburgerveen

Figuur 1: Ligging van het plangebied (rood) t.o.v. Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’. Bron: https://service.pdok.nl/rvo/natura2000/wms/v1_0.

Ecochore Natuurtechniek

2

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

2.2 GEPLANDE ACTIVITEITEN Er zijn plannen voor woningbouw in het plangebied ‘Eefseler Esch’ aan de Oude Papendijk in Groenlo. Het gaat om circa 243 woningen. In de huidige situatie is hier een veehouderij gevestigd. De stallen van deze veehouderij worden gesloopt ten behoeve van de geplande ontwikkeling. Het project wordt gerealiseerd in 4 jaar. Dat betekent dat gemiddeld 61 woningen per jaar gerealiseerd zullen worden. Om na te gaan of sprake is van stikstofdepositie vanuit het project zijn drie AERIUS-berekeningen uitgevoerd: A. De sloop- en bouwfase. Voor de maatgevende bouwfase wordt uitgegaan van de bouw van 70 woningen en sloop van de bestaande opstallen. Dit is een optimistisch programma om binnen 12 maanden te voltooien en dit wordt daarom als representatief beschouwd voor alle bouwjaren (rekenjaar 2027). B. De gebruiksfase: Voor de gebruiksfase wordt ervan uitgegaan dat alle 243 woningen in gebruik zijn. (rekenjaar 2030) C. De gecombineerde fase: In de laatste 12 maanden van het project zijn mogelijk al 173 woningen in gebruik als de laatste 70 woningen worden gebouwd. Deze gecombineerde fase is ook onderzocht. (rekenjaar 2029) Bron: Toelichtende memo behorende bij Aerius-berekening Eefseler Esch te Groenlo (NOX Advies, 29 oktober 2025).

Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied (Korenburgerveen) bevindt zich ten zuidoosten van het plangebied, vanaf circa 5,2 kilometer afstand (zie figuur 1). Overige Nederlandse Natura 2000-gebieden, zoals ‘Stelkampsveld’, ‘Wooldse Veen’, ‘Bekendelle’ en ‘Willinks Weust’ liggen op ruime afstand. Er is vanuit het project uitsluitend sprake van extra stikstofdepositie in het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’. In overige Natura 2000-gebieden zijn geen meetbare depositiewaarden berekend. De stikstofemissies tijdens de aanlegfase ontstaan door de inzet van dieselwerktuigen en de aanen afvoer van personeel en materieel. De activiteiten betreffen het slopen van bestaande bebouwing, bouwrijp maken, de bouw van de woningen en de inrichting van de openbare ruimte. Tijdens de realisatiefase is sprake van stikstofemissies door verkeersbewegingen van bewoners.

Ecochore Natuurtechniek

3

3. NATURA 2000 VOORTOETS STIKSTOF In dit hoofdstuk wordt beoordeeld of de geplande activiteiten, bestaande uit het realiseren van woningbouw in het plangebied Eefseler Esch in Groenlo, mogelijk een negatief effect hebben op beschermde natuurwaarden van het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ door stikstofdepositie. Hiervoor zijn AERIUS-berekeningen voor de aanlegfase en de realisatiefase uitgevoerd door NOX Advies. Deze berekeningen worden separaat opgeleverd. Overige mogelijke verstoringsbronnen als optische verstoring, geluid, licht, trillingen, verdroging etc. worden in deze Voortoets niet behandeld.

3.1 METHODE Als significant negatieve effecten door stikstofdepositie niet kunnen worden uitgesloten, moet er getoetst worden of de kans bestaat op aantasting van de natuurlijke kenmerken van deze gebieden. Hierbij moet beoordeeld worden of de stikstofdeposities een risico vormen voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen zoals deze voor elk Natura 2000-gebied zijn bepaald. De Voortoets wordt uitgevoerd conform de eisen zoals gesteld in het online omgevingsloket. De Voortoets bevat de volgende onderdelen: • • • •

Gebiedsbeschrijving Gevolgen instandhoudingsdoelstellingen Mitigerende maatregelen Cumulatie met andere projecten

Gebiedsbeschrijving Beschrijving van de instandhoudingsdoelstellingen van betreffende Natura 2000-gebieden. Gevolgen instandhoudingsdoelstellingen Beschrijving van de instandhoudingsdoelstellingen welke mogelijk een negatief of positief effect ondervinden van de geplande activiteiten. Beschrijving van de specifieke instandhoudingsdoelstellingen waarvoor de geplande activiteiten geen gevolg hebben. Beschrijving van de gevolgen per instandhoudingsdoelstelling. Hierbij wordt gebruik gemaakt van informatie over de stikstofgevoeligheid en huidige kwaliteit van de relevante habitattypen, bekende onderzoeksgegevens, en verspreidingsgegevens van relevante soorten. Mitigerende maatregelen Beschrijving van de concrete maatregelen die genomen kunnen worden om de negatieve gevolgen te verzachten of te voorkomen. Instandhoudings- en Ecologische maatregelen en autonome ontwikkelingen kunnen in de Voortoets worden betrokken bij het bepalen van de staat van instandhouding van de natuurwaarden. De hierboven genoemde maatregelen moeten zijn uitgevoerd ten tijde van het opstellen van de ecologische toets. Er mag dus in de effectbeoordeling géén rekening worden gehouden met nog te treffen beheermaatregelen. Er mag alleen rekening worden gehouden met het positieve effect van de maatregelen voor de instandhoudings-doelstelling als dat positieve effect ook vast staat.

Cumulatie met andere projecten Beschrijving van de relatie van de geplande activiteiten met andere projecten of plannen die ook een negatief effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen.

Ecochore Natuurtechniek

4

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

3.2 GEBIEDSBESCHRIJVING Nederland kent 162 Natura 2000-gebieden. Dit Natura 2000-netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. De bescherming van Natura 2000-gebieden is sinds 1 januari 2024 geborgd middels de Omgevingswet. Voor activiteiten die significante, negatieve effecten hebben op de kwaliteiten van een Natura 2000-gebied is een vergunning nodig. Korenburgerveen In het Korenburgerveen is een natuurlijke overgang van hoogveen via laagveen naar de Schaarsbeek en naar het omringend zandlandschap aanwezig. Deze overgangen zijn - vanwege hun hoge en bijzondere soortenrijkdom - een van de belangrijkste kwaliteiten van het gebied. De eigenlijke hoogveenafzetting is beperkt in diepte, doordat tot vrij hoog in het veenprofiel invloed van grondwater aanwezig is. In de gradiënt naar de Schaarsbeek komt over een grote oppervlakte zegge-broekmoeras voor, waarvan het galigaanmoeras en de veenbossen deel uitmaken. De natuurlijke overgangen tussen de typen zijn mede verantwoordelijk voor een rijke fauna.

Ondanks de turfwinning is het hoogveengedeelte van het Korenburgerveen één van de meest kansrijke hoogveenrestanten in Nederland. In het gebied zijn daarom verschillende maatregelen genomen met het oog op herstel van hoogveenvorming. Het gebied maakt onderdeel uit van het parelsnoer van veengebieden op de Duits-Nederlandse grens (bron: Natura2000.nl).

3.2.1 PLANGEBIED Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied, maar ligt wel op beperkte afstand van het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ (zie figuur 1). Overige Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand. Hier zijn geen meetbare deposities vanuit het project vastgesteld. In bijlage 1 worden de instandhoudingsdoelen voor de habitattypen beschreven waar sprake is van depositie vanuit het project.

3.3 GEVOLGEN INSTANDHOUDINGSDOELEN Uit de uitgevoerde AERIUS-berekeningen is gebleken dat er sprake is van extra stikstofdepositie in één Natura 2000-gebied: ‘Korenburgerveen’. In dit Natura 2000-gebied zijn stikstofgevoelige habitats en soorten aanwezig (zie figuur 2). De extra depositie van maximaal 0,01 mol/ha/jaar is tijdelijk en treedt op tijdens de aanlegfase, wanneer een gecombineerde AERIUS-berekening wordt uitgevoerd voor de aanleg- en gebruiksfase. De stikstofemissie in de bouwfase en gebruiksfase leiden separaat niet tot meetbare deposities. Uit de AERIUS-berekening blijkt dat er sprake is van extra depositie op de volgende habitattypen: • •

H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H91D0 - Hoogveenbossen

In deze paragraaf wordt beoordeeld of de stikstofdepositie veroorzaakt door de geplande activiteiten leidt tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen en ontwikkelopgaven van het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’.

Ecochore Natuurtechniek

5

Korenburgerveen

Figuur 2. Aanwezigheid van stikstofgevoelige natuur in Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’, bron: AERIUS Monitor (juni 2025).

Voor Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’ is op basis van gegevens uit de AERIUS Monitor gekeken naar de aanwezigheid van stikstofgevoelige habitats en de huidige depositiewaarden. In figuur 2 is de aanwezigheid en ligging van stikstofgevoelige habitats in het natuurgebied weergegeven. Hoe hoger de stikstofgevoeligheid, hoe kwetsbaarder het gebied is voor stikstofdepositie. De gevoeligheid wordt bepaald door de kritische depositiewaarde (KDW). Voor ieder habitattype is een KDW vastgesteld. Hoe lager deze waarde is, hoe stikstofgevoeliger het betreffende habitattype is. De KDW is namelijk gedefinieerd als ‘de grens waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van een habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie’ (bron: AERIUS Monitor). Als op één hectare (hexagoon) meerdere relevante habitattypen voorkomen, dan wordt de laagste (meest strenge) KDW aangehouden om de stikstofgevoeligheid van die hectare te bepalen.

Ecochore Natuurtechniek

6

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

3.4 EFFECTBEOORDELING 3.4.1 INLEIDING Uit de uitgevoerde AERIUS-berekening is gebleken dat er sprake is van extra stikstofdepositie in het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’. Uit de berekening blijkt dat de emissie leidt tot een depositieresultaat van 0,00 mol N/ha/jaar in de sloop- en bouwfase enerzijds en gebruiksfase anderzijds. Wanneer het project in de afrondende fase zit, zal de stikstofemissie van de bouwfase samenvallen met de gebruiksfase van de reeds gebouwde woningen in het rekenjaar 2029. Deze extra depositie bedraagt maximaal 0,01 mol/ha/jaar (zie paragraaf 2.2). Deze heeft uitsluitend betrekking op de habitattypen H7120 Herstellende hoogvenen en H91D0 Hoogveenbossen. Voor de betreffende beschermde natuurtypen moet beoordeeld worden of de extra depositie vanuit het project leidt tot aantasting van de natuurkwaliteit. Voor tijdelijke depositie geldt geen vrijstelling van vergunningsplicht meer, waardoor ook voor de aanlegfase beoordeeld moet worden of er sprake is van negatieve effecten op beschermde natuurwaarden en daarmee een vergunningplicht. Voor H7120 en H91D0 wordt in dit hoofdstuk beoordeeld of de extra depositie vanuit het project leidt tot aantasting van de natuurkwaliteit.

3.4.2 MEETBARE EFFECTEN STIKSTOFDEPOSITIE De onderzoeksvraag is in hoeverre de berekende depositiewaarden meetbaar effect kunnen hebben op de relevante habitattypen. Hiervoor gelden kritische depositiewaarden (KDW). Deze zijn wetenschappelijk vastgesteld met een nauwkeurigheid van 1 kg N/ha/jaar, ofwel circa 70 mol. Op basis hiervan kan een toename van de depositie vanuit een project met minder dan 1 mol per hectare worden beschouwd als een veilige grenswaarde, waaronder geen significant effect op de natuurkwaliteit optreedt. 1 mol stikstof bedraagt 14 gram per hectare, oftewel 0,00014 gram per m², per jaar. Op basis van wetenschappelijk onderzoek zijn er geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat aangetoond veroorzaakt door depositie kleiner dan 1 kilogram stikstof per hectare per jaar (van Dobben et al. 2012). Deze hoeveelheid staat ongeveer gelijk aan een depositie van 70 mol/N/ha per jaar. Onderzoek geeft dan ook aan dat de KDW met een onzekerheidsmarge van 70 mol N/ha/jaar moeten worden gehanteerd (van Dobben et al. 2012). In de praktijk varieert de stikstofdepositie op habitattypen van nature binnen een jaar en tussen verschillende jaren, waardoor een exacte relatie tussen de hoogte van de depositie en de kwaliteit van een habitat niet is te leggen.

Door meteorologische omstandigheden treden van jaar tot jaar variaties in de depositie op in de orde van grootte van 10% (Velders et al. 2018). Effecten door stikstofdepositie op een habitat worden veroorzaakt door deposities over een langere periode. Gelet op de natuurlijke variatie in depositie kan stikstofdepositie op een bepaalde locatie niet met een grotere nauwkeurigheid dan op honderden molen N/ha/jaar of hele kilogrammen N/ha/jaar vastgesteld worden. Bovendien zijn er in experimentele studies zelden negatieve effecten aangetoond na experimentele deposities van minder dan 5 kg N/ha/jaar (350 mol N/ha/jaar) en in het geheel niet bij stikstofgiften van minder dan 1 kg N/ha/jaar (70 mol N/ha/jaar) (Cunha et al. 2002). In de wetenschappelijke literatuur is het dan ook gebruikelijk om stikstofdepositie uit te drukken in kg/ha/jaar, waarbij de auteurs afronden op 1 kg (Krupa 2003; van Dobben et al. 2012; Cunha et al. 2002; Lilleskov et al. 2019). Uit onderzoek blijkt dat pas bij een toevoeging van 122,5 mol N/ha/jaar (bij een achtergronddepositie van 2.100 – 2.450 mol N/ha/jaar) een effect is aangetoond op jonge heide (Heil and Diemont 1983). In een heidegebied in Nederland, Ecochore Natuurtechniek

7

waar 0, 1.75, 7 en 28 kg N/ha/jaar experimenteel aan plots werd toegevoegd werd als resultaat daarvan een toename in Festuca ovina (schapengras sp.) onderzocht die de struikhei verving. De leeftijd van de heide speelde hierbij een belangrijke rol, waarbij in de jongere plots van 1 jaar oud toevoeging van stikstof in alle concentraties leidde tot een toename in Festuca ovina, met sterkere effecten naarmate de experimenteel toegevoegde hoeveelheid stikstof toenam. Geen effect werd gevonden voor de lage dosis stikstof in oude heide (Heil and Diemont, 1983). De achtergronddepositie voor deze studie is geschat op 30 – 35 kg N/ha/jr2 en hiermee ruim boven de KDW. Experimentele toevoeging van 25 kg N/ha/jaar over een periode van vijf jaar had geen effect op de soortensamenstelling in een grasland in een Nederlands duingebied (Meijendel) (ten Harkel Matthijs and van der Meulen, 1996). Als mogelijke reden hiervoor noemen de auteurs fosfaatlimitatie en begrazing. Ook in andere studies is bekend dat beheermaatregelen zoals begrazing en maaien dominantie van grassen en verdwijnen van kritische soorten kunnen voorkomen ondanks overschrijding van de KDW. In het buitenland is vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd naar effecten van atmosferische stikstofdepositie op habitattypen.

In verschillende studies in Zweden (Kellner and Redbo Torstensson, 1995; REDBO‐TORSTENSSON, 1994) en Engeland (Payne et al., 2013) werden pas ecologische effecten gevonden bij relatief hoge stikstofgiften, meestal meer dan 5 Kg N/ha/jaar. Er zijn geen experimenten bekend waarbij effecten werden gevonden bij een stikstofgift van minder dan 1 Kg N/ha/jaar. Hoewel de precieze relatie tussen concentratie van experimenteel toegevoegde stikstof en waarneembare effecten sterk samenhangt met de experimentele opzet en duur en met lokale effecten als bodemsamenstelling en achtergronddepositie, geven de bovenstaande en andere vergelijkbare studies aan dat waarneembare effecten pas verwacht kunnen worden bij toevoeging van tenminste 70 mol N/ha/jaar over meerdere jaren. Hoewel de effecten van stikstofdepositie sterk zullen afhangen van het habitattype, de uitgangssituatie en de duur van de depositie is uit geen van de onderzoeken gebleken dat toenames van een enkele kg stikstof per jaar heeft geleid tot meetbare veranderingen in de kwaliteit van habitattypen. Dit is in lijn met de nauwkeurigheid, waarmee de KDW dienen te worden gehanteerd.

In omringende landen worden in dit kader drempelwaarden voor vergunningverlening gehanteerd van 7,14 mol (Duitsland) en 3% van de KDW (Vlaanderen) in het toetsingskader ten aanzien van stikstofdepositie (3% van de laagste KDW van het meest gevoelige habitattype (400 mol N/ha/jaar) bedraagt 12 mol N/ha/jaar) (Sweco, 2019). De aanwezige habitattypen in Nederland produceren afhankelijk van de productiviteit jaarlijks 2.000 – 6.000 kg droge stof per hectare. Voor deze biomassaproductie is gemiddeld 30 – 90 kg N/ha/jaar nodig, ca. 2.150 – 6.400 mol N/ha/jaar. Dit betreft de totale aanvoer van stikstof, dus ook vanuit bronnen naast atmosferische depositie, zoals via grond- en oppervlaktewater, nalevering uit de bodem, mineralisatie van organisch materiaal en natuurlijke bemesting (via dieren of vee dat ingezet wordt bij natuurlijke begrazing). Een eenmalige depositie van 1 mol N/ha/jaar komt overeen met 0,02 – 0,05% van de jaarlijks benodigde hoeveelheid stikstof voor natuurlijke habitats. Een deel hiervan zal uitspoelen naar het grondwater of uit de bodem verdwijnen door denitrificatie. Ook wanneer deze dosis volledig ter beschikking komt aan de vegetatie, zullen toenames van enkele molen stikstof per hectare niet leiden tot meetbare veranderingen in groeisnelheid van individuele planten, en daarmee tot veranderingen in concurrentiepositie tussen soorten onderling (Kleijberg 2020).

Om daadwerkelijk tot een significant kwaliteitsverlies, verbonden aan een plan/projecteffect te komen, is voor een langere aaneengesloten periode een overschrijding van de KDW nodig. Van een meetbaar kwaliteitsverlies is sprake indien een habitat lokaal een kwaliteitsklasse daalt, bijvoorbeeld van ‘goed’ naar ‘matig’. Deze kwaliteitsklassen zijn gedefinieerd in de Natura 2000Ecochore Natuurtechniek

8

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

profielen aan de hand van de vegetatietypen, abiotische randvoorwaarden, typische soorten en overige kenmerken van goede structuur en functie. Effecten van een blijvende bijdrage in de vorm van kwaliteitsverlies en uiteindelijk oppervlakteverlies op het volledige areaal met een overschrijding van de KDW duurt jaren en speelt zich af in 10 tot 20 jaar (Goderie & Vertegaal, 2020). De tijdsduur waarin dit optreedt is onder meer afhankelijk van de gevoeligheid van het habitattype. Samengevat kan op basis van het voorgaande worden geconcludeerd dat grotere langdurige overschrijding van de KDW aantoonbare negatieve gevolgen kan hebben voor kwaliteit en oppervlakte van habitattypen, maar dat dit niet aantoonbaar is bij kleine stikstofdepositietoenames van enkele molen, laat staan bij enkele tienden of honderdsten van molen N/ha/jaar. Omdat dergelijke effecten niet aantoonbaar zijn, is er ook geen sprake van kwaliteitsverlies op het niveau, waarop dit gedefinieerd is of kan worden. In dit kader zijn ecologische effecten van kleine en tijdelijke toenames voor Natura 2000-gebieden (in het geval van dit project maximaal 0,01 mol/ha/jaar) feitelijk op voorhand uit te sluiten. Desalniettemin wordt uit zorgvuldigheid in deze Voortoets alsnog bekeken of de project gerelateerde depositie een negatief effect kan hebben op relevante habitattypen.

Hierbij is gekeken of er sprake is van gebiedsspecifieke omstandigheden en/of ontwikkelingen waarbij een dergelijke kleine toename aan stikstofdepositie kan leiden tot een verandering in de kwaliteit van een habitat.

3.4.3 BEOORDELING HERSTELLENDE HOOGVENEN (H7120AH) Algemene beschrijving Dit habitattype betreft hoogveenrestanten waar - in ieder geval ten dele - nog een veenpakket aanwezig is en hoogveenherstel gaande is of tenminste naar verwachting mogelijk is. Naar de kleur is de veenbodem (voorzover aanwezig) te beschrijven als zwartveen of witveen. Witveen is lichter gekleurd omdat deze veenbodem in geringere mate is gehumificeerd. Het biedt een betere uitgangssituatie voor het herstel dan zwartveen. Vaak zijn hoogveenrestanten ten dele tot op de zandbodem afgegraven, maar onder bepaalde omstandigheden kan ook dan nog sprake zijn van ‘herstellende hoogvenen’. Het type H7120 heeft betrekking op herstellende hoogvenen op landschapsschaal. Het omvat (een deel van ) de volgende elementen: hoogveenbulten, hoogveenslenken en veenputten met veenmos, zure wateren, heidevegetaties, vergraste veenbodems, struwelen en bossen. Het doel van hoogveenherstel is te komen tot hoogveenkernen die met een goed functionerende acrotelm (bestaande uit veenmosbegroeiingen) een stabiele waterstand kunnen handhaven. Voor zover hiervan sprake is, voldoet het habitattype aan de definitie van het habitattype Actieve hoogvenen (H7110A).

‘Herstellende hoogvenen’ is dus het enige habitattype waarvan het in principe steeds de bedoeling is dat het ten dele vervangen wordt door een andere habitattype, namelijk ‘Actieve hoogvenen’ (bron: Herstelstrategie H7120: Herstellende hoogvenen). Instandhoudingsdoel Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Achteruitgang in oppervlakte ten gunste van de regeneratie van het habitattype actieve hoogvenen, hoogveenlandschap (H7110A) is toegestaan. Effecten van stikstofdepositie Hoogveen is zeer gevoelig voor de effecten van stikstofdepositie en op Europees niveau is de empirische kritische stikstofdepositiewaarde gesteld op 5-10 kg N ha-1 jaar-1 (Bobbink & Hettelingh 2011). Als gevolg van te hoge stikstofdepositie kan in herstellende hoogvenen vermesting optreden, Ecochore Natuurtechniek

9

wat nadelig zal zijn voor de instandhoudingsdoelstellingen. Verzuring als gevolg van verhoogde stikstofdepositie wordt voor hoogvenen van minder groot belang geacht omdat in de Nederlandse hoogveengebieden vrijwel uitsluitend de zure onderdelen van hoogveenlandschappen aanwezig zijn. Voor het herstel van terreincondities die horen bij lagg-zones en overgangsvenen kan verzuring als gevolg van verhoogde stikstofdepositie wel een probleem vormen. Veenmossen kunnen onder optimale groeicondities veel stikstof vastleggen, waardoor de beschikbaarheid van stikstof voor vaatplanten laag gehouden kan worden (Tomassen et al. 2003b). Dit effect treedt op bij een stikstofdepositie tot maximaal 15-20 kg N ha-1 jaar. Dorland et al. (2012) hebben de relatie tussen soortenrijkdom en stikstofdepositie nader uitgewerkt voor een aantal habitattypen. Dit habitattype behoort tot de EUNIS klasse D1 ‘Raised and Blanket bogs’. Dorland et al. (2012) achten het zeer aannemelijk dat de kwaliteit van het type achteruit gaat in het traject van 500-1000 mol N/ha/jaar, maar er is gebleken dat er nog (veel) te weinig data beschikbaar zijn om een goede dosis-effect relatie op te stellen tussen het soortenaantal en stikstofdepositie in hoogvenen. Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 500 mol/ha/jaar.

Beoordeling H7120ah Bij gecombineerde berekening voor de aanleg- en gebruiksfase is er tijdelijk sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen het Korenburgerveen. De stikstofemissie in de bouwfase (2027) en gebruiksfase (2030) leiden separaat tot een resultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. De extra depositie treedt op in 22 hexagonen met H7120, op een beperkte oppervlakte van maximaal 8,2 hectare (zie tabel 1). In het gehele areaal herstellend hoogveen binnen het Korenburgerveen is sprake van een overschrijding van de KDW (zie figuur 3). Hexagoon

Oppervlakte (ha)

4219788

0,8

4216730

0,7

4236612

0,0

4233554

0,1

4244257

0,6

4241199

0,3

4238141

0,0

4235083

0,1

4248845

0 0,5 1 0,5 0,8 0,3 0,1 0,4 0,5

4245787 4242729 4239671 4236613 4233555 4250374 4247316 4244258

Belasting mol/ha/jaar 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01

Habitattype H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen Ecochore Natuurtechniek

10

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

4238142 4235084 4251904 4248846 4245788

0,8 0,6 0,1 0,4 0,2

0,01 0,01 0,01 0,01 0,01

H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen H7120ah - Herstellende hoogvenen, actief hoogveen

Tabel 1. Stikstofdepositie vanuit het project per hexagoon, bron: AERIUS Calculator (oktober 2025).

Een groot deel van het Korenburgerveen behoort tot dit habitattype. Het bestaat uit zeer uiteenlopende begroeiingen van zowel veenvegetaties als bossen, waarbij het een vereiste is dat zij voorkomen op hoogveenrestanten waar hoogveenherstel gaande is of mogelijk is. Op de vigerende habitattypenkaart is een oppervlakte van ca. 159 ha aangegeven, die overwegend van goede kwaliteit is (85% van het areaal). Het habitattype komt vrijwel aaneengesloten voor in de veenkernen van het Vragender/Corlese Veen en het Meddosche Veen.

Figuur 3. Afstand tot de KDW voor habitattype H7120ah, bron: AERIUS Monitor (november 2025).

Ecochore Natuurtechniek

11

In de vegetatiekartering van 2020 zijn vegetatietypen gekarteerd die tot dit habitattype kunnen behoren met een totale oppervlakte van ca. 149 ha. Deze afname kan niet worden verklaard door de (beoogde) toename van H7110A Actief hoogveen. De afname kan te maken hebben met verschillende karteermethoden, of met de effecten van omvormingsbeheer dat in de afgelopen beheerplanperiode heeft plaatsgevonden. De kwaliteit van het habitattype, afgezet tegen de beoordelingen in het profielendocument, is sterk verminderd. Slechts ca. 20% van het areaal heeft een goede kwaliteitsbeoordeling, tegen 85% in de T0-situatie. Dit komt omdat in de laatste jaren veel bos en struweel is verwijderd uit dit habitattype ten behoeve van hoogveenherstel, of deels is afgestorven door vernatting. Deze bossen geven het habitattype volgens het profielendocument juist een goede kwaliteit. Hiervoor zijn diverse rompgemeenschappen in de plaats gekomen waarvan de kwaliteit vooralsnog als matig wordt beoordeeld. Dit is een tijdelijke en noodzakelijke overgangsfase. De vegetatie is nog aan het herstellen, en de kwaliteit zal naar verwachting, mede onder invloed van het hydrologisch herstel, weer toenemen. Uiteindelijk zullen grote delen van dit habitattype, via deze tussenstap van kwaliteitsverbetering van H7120 zelf, zich ontwikkelen tot actief hoogveen (H7110A).

De kwaliteit op het aspect typische soorten is beoordeeld als goed. Alle twaalf typische soorten die in de regio van het Korenburgerveen voorkomen zijn waargenomen binnen het habitattype Het gaat om de soorten kleine veenbes, lavendelhei, witte snavelbies, hoogveenlevermos, hoogveenveenmos, blauwborst, sprinkhaanzanger, watersnip, wintertaling, levendbarende hagedis, hoogveenglanslibel en venwitsnuitlibel. Door herstelmaatregelen van de afgelopen jaren is de waterhuishouding van het hoogveen sterk verbeterd, waardoor het habitattype voldoet aan de abiotische randvoorwaarden (zuur, nat, zeer voedselarm). In de droge jaren 2018-2020 zakte de GLG nog enigszins weg, maar dit heeft uiteindelijk niet geleid tot kwaliteitsverlies van het hoogveen. De kenmerken van goede structuur en functie worden, mede in het licht van de gewenste doorontwikkeling van H7120 Herstellende hoogvenen naar Actieve hoogvenen als matig tot goed beoordeeld. Pijpenstrootje komt nog op veel plaatsen in het gebied (met name op veendijken) voor maar zelden in grotere oppervlakten. Het aandeel veenmossen (waaronder bultvormende soorten als wrattig veenmos en hoogveenveenmos) is volgens de vegetatiekartering van 2020 toegenomen. De verwijdering van bos uit het herstellende hoogveen geeft, naast hydrologisch herstel ook de ruimte om hoogveenontwikkeling opgang te brengen.

Op dit moment is de kwaliteit van de herstellende hoogvenen in het Korenburgerveen beperkt. Maar als de kwaliteit van de rompgemeenschappen in het herstellend hoogveen de komende jaren verbetert als gevolg van het doorgevoerde systeemherstel, en de afname van de oppervlakte H7120 ten gunste gaat van actief hoogveen H7110, dan draagt dit bij aan he realiseren van één van de kernopgaven voor het gebied: herstel van de natuurlijke hoogveenkern. Daarmee is het perspectief voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstelling voor het habitattype (behoud van oppervlakte (afname ten gunste van actief hoogveen is toegestaan) en verbetering in kwaliteit) niet ongunstig. De waterhuishouding van het veen is sterk verbeterd. Het belangrijkste knelpunt voor H7120 in het Korenburgerveen is stikstofdepositie, die zowel in de actuele als toekomstige situatie hoger is dan de KDW (bron: Natura 2000 Beheerplan Korenburgerveen).

Ecochore Natuurtechniek

12

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

Herstellende hoogvenen komen over een aanzienlijke oppervlakte voor in de deelgebieden Korenburgerveen, Vragenderveen, Corlese en Meddose Veen (totaal 158,8 ha). Overal is sprake van een sterke overschrijding van de KDW, ook in de hexagonen waar vanuit het project sprake is van extra depositie. De achtergronddepositie daalt, maar ook in de toekomst (2035) is nog wel sprake van een overschrijding van de KDW. De zeer geringe en tijdelijke toename vanuit het project van maximaal 0,01 mol/ha/jaar zal niet leiden tot waarneembaar effect in de kwaliteit van het habitattype. Dergelijke zeer lage deposities vallen weg tegen de jaarlijkse fluctuaties in de achtergronddepositie. Wanneer de toename tijdelijk is heeft deze geen invloed op de trend in de stikstofbelasting in het gebied, ongeacht welke trend hierbij optreedt. De depositietoename heeft dan per definitie geen gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor zover deze te maken hebben met de trend in stikstofdepositie in de komende jaren. De zeer geringe bijdrage van 0,01 mol/ha/jaar leidt niet tot waarneembare veranderingen in de vegetatiestructuur en samenstelling of abiotische factoren die van invloed zijn op de kwaliteit van het habitattype, zoals het nutriëntenaanbod of de zuurtegraad van de bodem.

De geplande activiteiten vormen geen belemmering voor de realisatie van de instandhoudingdoelstelling voor H7120 binnen het Korenburgerveen. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten.

3.4.4 BEOORDELING HOOGVEENBOSSEN (H91D0) Algemene beschrijving Dit habitattype omvat relatief laag blijvende berkenbossen met dominantie van zachte berk in de boomlaag en een ondergroei die vooral bestaat uit veenmossen. Het zijn natte bossen ofwel zogenoemde berkenbroekbossen op veenbodems. Deze hoogveenbossen komen hier en daar voor in laagveengebieden, in hoogveengebieden, in beekdalen van de hogere zandgronden en in het rivierengebied. Ze vormen buiten het hoogveengebied plaatselijk mozaïeken met elzenbroekbos. Zulke boscomplexen worden dan helemaal bij dit habitattype H91D0 gerekend. Zowel de veenbossen van het ‘laagveenstadium’ (met invloed van kwel) en het ‘hoogveenstadium’ (uitgegroeid boven de invloed van het grondwater) behoren bij dit habitattype. Het onderscheid is soms niet goed te maken, vooral in gebieden op de overgang van hoogveen naar beekdalen. In laagveenlandschappen is het veenbos het eindstadium in de laagveenverlanding. In hoogveengebieden komt het type van nature voor aan de randen, in de zogenoemde lagg-zone, en rondom beekjes of opduikingen van de minerale bodem in het hoogveen. Het habitattype wordt aangetroffen op voedselarme, zure veengronden die permanent onder invloed staan van hoge grondwaterstanden.

In het laagveengebied en rivierengebied gaat het meestal (nog) om gemeenschappen van het ‘laagveenstadium’ en die zijn beschreven als de associatie Zompzegge-Berkenbroek (Caricicurtae-Betuletum pubescentis). Op de hogere zandgronden is het ‘hoogveenstadium’ meer aan de orde en dat is beschreven als associatie Dophei-Berkenbroek (Erico-Betuletum pubescentis). In de praktijk, op gebiedsniveau, is het onderscheid in deze associaties soms lastig te maken, vooral daar waar overgangen optreden van subtypen (Beije & Smits, 2014). Instandhoudingsdoel Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Effecten van stikstofdepositie Effecten die op kunnen treden zijn verzuring en vermesting. Voor het leefgebied van VHR en/of typische diersoorten geldt dat de effecten van stikstofdepositie via de volgende factoren doorwerken: afname kwantiteit voedselplanten en afname prooibeschikbaarheid. Ecochore Natuurtechniek

13

Kritische depositiewaarde (KDW) De KDW voor dit habitattype is vastgesteld op 1786 mol/ha/jaar. Beoordeling H91D0 Bij gecombineerde berekening voor de aanleg- en gebruiksfase is er tijdelijk sprake van maximaal 0,01 mol N/ha/jaar vanuit het project op dit habitattype binnen het Korenburgerveen. De stikstofemissie in de bouwfase (2027) en gebruiksfase (2030) leiden separaat tot een resultaat van 0,00 mol N/ha/jaar. De extra depositie treedt op in 8 hexagonen met H91D0, op een beperkte oppervlakte van maximaal 2 hectare (zie tabel 2). Hexagoon

Oppervlakte (ha)

4239670

0,1

4244257 4241199

0,1 0,6

4238141

0,1

4248845

0,4 0,4 0,0 0,0

4245787 4242729 4250374

Belasting mol/ha/jaar 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01 0,01

Habitattype H91D0 - Hoogveenbossen H91D0 - Hoogveenbossen H91D0 - Hoogveenbossen H91D0 - Hoogveenbossen H91D0 - Hoogveenbossen H91D0 - Hoogveenbossen H91D0 - Hoogveenbossen H91D0 - Hoogveenbossen

Tabel 2. Stikstofdepositie vanuit het project per hexagoon, bron: AERIUS Calculator (oktober 2025).

In een deel van het areaal hoogveenbossen binnen het Korenburgerveen is sprake van een matige overschrijding van de KDW (zie figuur 4). In ruim 62% van het areaal is echter geen sprake van een (naderende) overschrijding. De ontwikkeling van de achtergrond depositie is gunstig. Vanaf 2030 is er geen sprake meer van overbelasting in dit habitattype (bron: AERIUS Monitor).

Ecochore Natuurtechniek

14

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

Figuur 4. Afstand tot de KDW voor habitattype H91D0, bron: AERIUS Monitor (november 2025).

Stikstofdepositie is voor dit habitattype geen knelpunt voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. In 2030 is nergens sprake meer van een overschrijding van de KDW. De eenmalige bijdrage vanuit het project van 0,01 mol/ha/jaar in een beperkte oppervlakte van 2 hectare heeft geen invloed op deze trend. Dergelijke zeer lage deposities vallen weg tegen de jaarlijkse fluctuaties in de achtergronddepositie. Wanneer de toename tijdelijk is heeft deze geen invloed op de trend in de stikstofbelasting in het gebied, ongeacht welke trend hierbij optreedt. De depositietoename heeft dan per definitie geen gevolgen voor het behalen van de instandhoudingsdoelen voor zover deze te maken hebben met de trend in stikstofdepositie in de komende jaren. De zeer geringe bijdrage van 0,01 mol/ha/jaar leidt niet tot waarneembare veranderingen in de vegetatiestructuur en -samenstelling of abiotische factoren die van invloed zijn op de kwaliteit van het habitattype, zoals het nutriëntenaanbod of de zuurtegraad van de bodem. De geplande activiteiten vormen geen belemmering voor de realisatie van de instandhoudingdoelstelling voor H91D0 binnen het Korenburgerveen. Negatieve effecten zijn op voorhand uit te sluiten. Ecochore Natuurtechniek

15

3.4.4 MITIGERENDE MAATREGELEN Indien negatieve effecten door stikstofdepositie vanuit de geplande ruimtelijke ontwikkeling niet zijn uit te sluiten, zijn mitigerende maatregelen noodzakelijk. Dit zijn maatregelen gericht op de bescherming van een specifiek Natura 2000-gebied of een specifieke verzameling van deze gebieden. Een mitigerende maatregel beperkt de invloed van (in dit geval) de stikstofuitstoot vanuit het project op een specifiek Natura 2000-gebied. Deze maatregelen moeten dus een positief effect hebben op het habitattype waarop het project negatieve gevolgen heeft. Indien mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn, kunnen de geplande ruimtelijke ontwikkelingen pas uitgevoerd worden als de mitigerende maatregelen zijn getroffen en positieve gevolgen hebben voor het betreffende habitattype of leefgebied. Mitigerende maatregelen zijn bij het project niet aan de orde, aangezien de geplande activiteiten niet leiden tot negatieve effecten door stikstofdepositie op de instandhoudingsdoelen van de habitats en soorten van nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’. De tijdelijke extra depositie is dermate gering dat er geen meetbare effecten aan de orde zijn. Onder andere door het huidige beheer, in combinatie met reeds uitgevoerde herstelmaatregelen en de (licht) gunstige ontwikkeling van depositiewaarden in het gebied zijn extra maatregelen niet noodzakelijk.

3.3.7 CUMULATIE MET ANDERE PROJECTEN In Nederland is al geruime tijd sprake van een grote overbelasting door stikstofdepositie. De kwaliteit van stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden heeft daar door vermesting en verzuring zwaar onder te leiden. Dat leidt er in Nederland toe dat ook voor relatief kleine depositiebijdragen van projecten significant negatieve effecten doorgaans niet kunnen worden uitgesloten. Er kan sprake zijn van cumulatieve effecten als er tevens andere projecten of plannen plaatsvinden die van invloed zijn op hetzelfde Natura 2000-gebied. Daarnaast kunnen er autonome ontwikkelingen zijn die bijdragen aan een toename (of juist afname) van de totale depositie in Natura 2000-gebieden. Bij de beoordeling of een project mogelijk significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied moeten op grond van de Omgevingswet de effecten van het te toetsen project in combinatie met eventuele andere voorgenomen projecten of plannen beoordeeld worden. Er zijn voor zover bekend geen (vergunde) ontwikkelingen die gelijktijdig tot cumulatieve effecten kunnen leiden. Gezien het ontbreken van meetbare effecten door de stikstofdepositie vanuit het project is er ook geen sprake van eventuele cumulatieve effecten met projecten of handelingen die elders plaatsvinden.

Bovendien is de ontwikkeling van stikstofdepositie in het Korenburgerveen (licht) gunstig (zie figuur 5), al blijft de situatie voor H7120 ook in de toekomst overbelast.

Ecochore Natuurtechniek

16

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

Figuur 5. Ontwikkeling stikstofdepositie in Korenburgerveen, bron: AERIUS Monitor.

De Raad van State heeft een uitspraak gedaan wanneer de cumulatieve effecten van stikstofdepositie moeten worden beoordeeld in een uitspraak van 15 september 2021 (ECLI:NL:RVS:2021:1960). De uitspraak gaat over het vaststellen van een bestemmingsplan. Als een bestemmingsplan – afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten – significante gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, mag dat bestemmingsplan alleen worden vastgesteld als op basis van een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat dat bestemmingsplan de natuurlijke kenmerken van een Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Als uit een onderzoek naar de gevolgen van een bestemmingsplan blijkt dat dat plan geen gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden, dan hoeven hierin de cumulatieve effecten niet te worden beoordeeld. Als uit zo’n onderzoek blijkt dat een bestemmingsplan wel gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden, dan moeten de cumulatieve effecten ook wel worden beoordeeld. Uit de uitgevoerde Voortoets is duidelijk geworden dat het project geen gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelen van het Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’, is een afweging voor cumulatieve effecten niet nodig.

Ecochore Natuurtechniek

17

4. CONCLUSIE VOORTOETS De geplande activiteiten voor het realiseren van 243 woningen in Groenlo leiden tot zeer geringe en tijdelijke stikstofdeposities in de stikstofgevoelig habitattypen H7120 en H91D0 in het nabijgelegen Natura 2000-gebied ‘Korenburgerveen’. Het betreft maximaal 0,01 mol/ha/jaar. Uit de Voortoets is gebleken dat significant negatieve effecten ten gevolge van de zeer geringe deposities zijn uitgesloten voor de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied en gestelde instandhoudingsdoelstellingen voor stikstofgevoelig habitattypen. De depositiebijdrage vanuit het project heeft, als gevolg van de tijdelijke aard en verwaarloosbare omvang, met zekerheid geen invloed op de huidige situatie of de mogelijkheden om een verbetering van de instandhouding te bereiken. Het kunnen behalen van de instandhoudingsdoelstellingen wordt derhalve ook niet bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt door de bijdrage van het project, doordat de zeer geringe deposities vanuit het project niet leiden tot meetbare effecten op de kwaliteit van het leefgebied. Er is een ondergrens aan de beoordeelbaarheid van depositiewaarden.

De experimentele en modelmatige bepalingen van de kritische depositiewaarden (KDW) zijn relatief grof uitgevoerd (bij experimenten zijn bijvoorbeeld ranges van 10 tot 20 kg N/ha/jaar vastgesteld) en afgerond op hele/halve kilo's stikstof, overeenkomend met 70 tot 35 mol stikstof. Alleen op die schaal van eenheden zijn dan in principe uitspraken over de effecten op gevoelige natuurwaarden mogelijk, wat overeenstemt met Duits onderzoek dat laat zien dat bij een depositie lager dan 20 mol geen effect meer waarneembaar lijkt. Van Dobben et al. (2012) geven aan dat de KDW met een onzekerheidsmarge van minimaal 1 kg moeten worden gehanteerd en deze waarden zijn vastgesteld binnen marges van ± 5 kg N/ha/jaar (Cunha et al. 2002). Ecologisch gezien zijn er daarom binnen deze marges geen aantoonbare verschillen in de kwaliteit van een habitat door verschillen in depositie die kleiner zijn dan 1 kilogram per hectare per jaar (circa 70 mol/ha/jaar). Het treffen van mitigerende maatregelen met betrekking tot stikstofdepositie is niet noodzakelijk.

Ecochore Natuurtechniek

18

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

GERAADPLEEGDE BRONNEN Literatuur

• Jaspers, H., Jansen, S., Quee, J. Sweco, 2019. Stikstofdepositie en •

• • • • • • • • • • •

woningbouwontwikkeling - Verkennend onderzoek naar de bijdrage van woningbouwontwikkeling aan de stikstofdepositie. Wieger Wamelink, Han van Dobben, Friso van der Zee, Arjen van Hinsberg, Roland Bobbink, 2023. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000; Herziening 2023. Wageningen, Wageningen Environmental Research, Rapport 3272. Jansen, A.J.M., G.A. van Duinen, H.B.M. Tomassen & N.A.C. Smits. Herstelstrategie H7120: Herstellende hoogvenen. Beije, H.M. & N.A.C. Smits. Herstelstrategie H91D0: Hoogveenbossen. Provincie Gelderland. Beheerplan Korenburgerveen (61). Beheerplan Natura 2000 gebied. December 2023. Natura 2000-gebied Korenburgerveen. De Staatssecretaris van Economische Zaken, Programmadirectie Natura 2000 | PDN/2013-061 | Besluit 061 Korenburgerveen. Provincie Gelderland, Natuurdoelanalyse Korenburgerveen. Ecologische Autoriteit. 27 februari 2025. Advies over de Natuurdoelanalyse Korenburgerveen, provincie Gelderland. Cunha, A., S. A. Power, M. R. Ashmore, P. R. S. Green, B. J. Haworth & R. Bobbink. 2002. JNCC Report No. 331. Whole ecosystem nitrogen manipulation: an updated review. KWR Watercycle Research Institute: Edu Dorland. Provincie Gelderland: Joke Pingen, Jeroen Kusters, Robbert Wolf. PAS gebiedsanalyse 061 Korenburgerveen 151217 Arcadis, 2024.

Handreiking kleine en tijdelijke stikstofdeposities. Bouwstenen voor Voortoets voor tijdelijke projecten en activiteiten: versie 2024 Rijkswaterstaat. Prof. dr. Ch.W. Backes & mr. drs. L. Boerema, 2021. Een drempelwaarde voor activiteiten die zeer geringe stikstofdeposities veroorzaken als deel van een oplossing van de stikstofcrisis. Memo stikstofonderzoek Eefseler Esch te Groenlo incl bijlagen, 29 oktober 2025, 20250102.

Internetbronnen • •

Natura 2000 gebieden (http://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000). AERIUS Monitor (https://monitor.aerius.nl/monitor/introductie).

Ecochore Natuurtechniek

19

BIJLAGEN Bijlage 1: Instandhoudingsdoelen relevante habitattypen Bijlage 2: Natuurwetgeving en doelen Natura 2000

Ecochore Natuurtechniek

20

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

BIJLAGE 1 INSTANDHOUDINGSDOELEN H7120 Herstellende hoogvenen Doel

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit. Achteruitgang in oppervlakte ten gunste van de regeneratie van het habitattype actieve hoogvenen, hoogveenlandschap (H7110A) is toegestaan.

Toelichting

Het habitattype herstellende hoogvenen is thans voor een deel nog in goede kwaliteit aanwezig. Mede als gevolg van de vele gradiënten in het gebied komen nog veel karakteristiekenplanten- en diersoorten in het gebied voor. De heidevegetaties en bossen op het verdroogde hoogveen worden niet tot de habitattypen vochtige heiden, hogere zandgronden (H4010A), droge heiden (H4030) en hoogveenbossen (H91D0) gerekend, maar maken onderdeel uit van het habitattype herstellende hoogvenen. Het habitattype kan zich door verbetering van de kwaliteit op termijn (ten dele) ontwikkelen naar het habitattype actieve hoogvenen, hoogveenlandschap (H7110A). Indien het laatstgenoemde habitattype zich heeft ontwikkeld in het gebied, zal het aanwijzingsbesluit hierop worden aangepast, omdat deze ontwikkeling expliciet wordt beoogd door de Habitatrichtlijn.

H91D0 Hoogveenbossen Doel

Behoud oppervlakte en verbetering kwaliteit.

Toelichting

Het habitattype hoogveenbossen komt voor op de overgangen van het veen naar de zandgronden. De bossen van het herstellend hoogveen, inclusief die op de veenruggen, worden niet tot het habitattype hoogveenbossen gerekend, maar maken onderdeel uit van het habitattype herstellende hoogvenen (H7120).

Ecochore Natuurtechniek

21

BIJLAGE 2 – NATUURWETGEVING EN DOELEN NATURA 2000 Natuurwetgeving Natura 2000 Deze bijlage geeft achtergrondinformatie over de natuurwetgeving waaraan de voorgenomen ingreep in het plangebied wordt getoetst. Deze bijlage is niet toegespitst op de situatie in het plangebied, maar geeft enkel een beschrijving van de vigerende, en per 1-1-2024 geldende, wetgeving. Indien een plangebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten op Natura 2000, bijvoorbeeld door stikstofdepositie. Natura 2000 is de benaming voor een Europees netwerk van natuurgebieden waarin belangrijke flora en fauna voorkomen, gezien vanuit een Europees perspectief. Met Natura 2000 wil men deze flora en fauna duurzaam beschermen. De staatssecretaris van Economische Zaken heeft voor Nederland ruim 162 Natura 2000-gebieden aangewezen. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit. Binnen een gebied kan spanning optreden tussen economie en ecologie. In een zogenaamd beheerplan leggen Rijk en provincies vast welke activiteiten, op welke wijze mogelijk zijn.

Uitgangspunt is steeds het realiseren van ecologische doelen met respect voor en in een zorgvuldige balans met wat particulieren en ondernemers willen. Het opstellen gebeurt daarom in overleg met alle direct betrokkenen, zoals beheerders, gebruikers, omwonenden, gemeenten, natuurorganisaties en waterschappen. Samen geven ze invulling aan beleven, gebruiken en beschermen. Daar draait het om in de Nederlandse Natura 2000-gebieden (bron: Regiegroep Natura 2000). Het is verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten een project te realiseren dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied (artikel 2.7, lid 2 Wnb. en per 1-1-2024 artikel 5.1, lid 1, sub e Ow, zie H 6.1 Omgevingswet). Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door het bevoegd gezag. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen).

Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag. Doelen Natura 2000 Voor ieder Natura 2000-gebied geldt dat deze een specifiek internationaal belang heeft voor bepaalde soorten en/of habitattypen. Op grond van de staat van instandhouding en het relatief belang van soorten en habitattypen zijn de belangrijkste verbeteropgaven en doelen op landelijk niveau vastgesteld. Deze landelijke doelen vormen de kaders voor de formulering van instandhoudingdoelen op gebiedsniveau. Algemene doelen zijn behoud en indien van toepassing herstel van: Ecochore Natuurtechniek

22

Natura 2000 Voortoets stikstof Eefseler Esch in Groenlo

• •

•

•

De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de ecologische samenhang van Natura 2000 zowel binnen Nederland als binnen de Europese Unie; De bijdrage van het Natura 2000-gebied aan de biologische diversiteit en aan de gunstige staat van instandhouding van natuurlijke habitats en soorten binnen de Europese Unie, die zijn opgenomen in bijlage I of bijlage II van de Habitatrichtlijn. Dit behelst de benodigde bijdrage van het gebied aan het streven naar een op landelijk niveau gunstige staat van instandhouding voor de habitattypen en de soorten waarvoor het gebied is aangewezen De natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied, inclusief de samenhang van de structuur en functies van de habitattypen en van de soorten waarvoor het gebied is aangewezen; De op het gebied van toepassing zijnde ecologische vereisten van de habitattypen en soorten waarvoor het gebied is aangewezen.

Ecochore Natuurtechniek

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16271519/1