CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 3 mer-beoordelingsnotitie 2018

Raadscommissie 20 februari 2024, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Verklaring van geen bedenkingen Oude Borculoseweg 5 te Groenlo22.031 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

;dl' IMEFS / rarmConsult the total feed

business

MER-BEOORDELINGSNOTITIE

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)

(geanonimise rd)

(geanonimiseerd)

INITIATIEFNEMER

o

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)(geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) LOCATIE

BEDRIJF

Oude Borculosewewg 5 7141 JA Groenlo

;g IIMETS / Farmconsuit

MER-BEOORDELINGSNOTITIE

Initiatieflocatie:

Oude Borculoseweg 5 7141

Initiatiefnemer:

JA Groenlo

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)(geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

Adviseur/contact:

FarmConsult Postbus 91 7240

AB

Lochem

farmconsult@forfarmers.eu

Proiectleìder

(geanonimiseerd) (geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)

Opsteller

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)

(geanonimiseerd)

Datum:

oktober 2018

Disclaîmer: FarmConsult aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvioeiend uit het gebruik van resultaten van dit rapport of de toepassing van adviezen.

Ë IIMETS / Farmconsuit

INHOUDSOPGAVE INHOUDSOPGAVE

1

…

van afvalstoffen

OSE

3.5 Verontreiniging en hinder

-10

3.6 Risico's zware ongevallen en/of rampen

-10

PROJECTGEGEVENS 1.1 Locatie … 1.2 Activiteit …

2

M.E.R.-BEOORDELING

…

2.1 Besluit milieueffectrapportage … 2.2 M.e.r-beoordeling … 2.3 Selectiecriteria…

2.4 Procedure (vormvrije) m.e.r.-beoordeling. 3

KENMERKEN

VAN

HET

PROJECT..

3.1 Algemeen en omvang gehele project.

3.2 Cumulatie met andere projecten en/of goedgekeurde ontwikkelingen . 3.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen… 3.4 Productie

3.7 Risico's voor de menselijke gezondheid.. 4

WAARSCHIJNLIJK

4.1 Ammoniak 4.1.1

Emissies

4.1.2 Wet

AANZIENLIJKE

MILIEUEFFECTEN

… …

ammoniak

en veehouderi

4.1.3 Directe ammoniakschade..

4.1.4 Besluit emissiearme huisvesting 4.2 Geur… 4.2.1

Emissies

4.2.2 Afstanden

…

…

4.2.3 Voorgrondbelasting (individuele geurhinder).

4.2.4 Achtergrondbelasting (cumulatieve geurhinder). 4.3 Fijnstof. 4.3.1 Emissies PMio

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

1

fi(„ IIMETS / Farmconsuit 4.3.2 Concentraties

PM10 …

4.3.3 Zeer fijn stof PM2,s … 4.4 Geluid

…

4.5 Volksgezondheid . 4.5.1 Wetgeving en onderzoek 4.5.2

Zoönosen

…

4.5.3 Maatregelen op bedrijfsniveau … 4.5.4 Endotoxinen 4.6 Bodem

…

.

4.7 Water.

4.8 Energie. 4.9 Natuur

.

4.9.1 Natura2000 gebieden 4.9.2 Flora en fauna… 4.9.3 Natuurnetwerk .

4.10 Landschap. 5

CONCLUSIES.

BIJLAGEN

…

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

2

;g„_lp!g{_s FarmConsult

1

PROJECTGEGEVENS

1.1 Locatie

De activiteit vindt plaats op de locatie Oude Borculoseweg 5 te Groenlo, kadastraal bekende gemeente Oost Gelre, sectie F nummer 175

De locatie ligt in het buitengebied van Groenlo. Op deze locatie wordt een bestaande veehouderij

met

mestverwerkingsinstallatie geëxploiteerd. Figuur 1.1: luchtfoto ligging inrichting

De locatie is gelegen in het buitengebied van Groenlo in de gemeente Oost Gelre. Het bedrijf ligt in het buitengebied, maar het industrieterrein van Groenlo ligt slechts op een afstand van zo'n 75 meter vanaf het

M.e.r.-beoordelingsnotitie [ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

Ë IIMETS / Farmconsuit bedrijf. De meest dicht bij gelegen woonbebouwing (De Woerd 8) binnen de bebouwde kom van Groenlo is gelegen op een afstand van zo'n 358 meter vanaf inrichtingsgrens. De meest nabijgelegen agrarische bedrijfswoning (Oude Burculoseweg 7) is gelegen op een afstand van zo'n 25 meter vanaf de inrichtingsgrens. De meest nabijgelegen burgerwoning (Vrakkinkweg 1a) in het buitengebied ligt op een afstand van 260 meter vanaf de inrichtingsgrens. Het meest nabijgelegen zeer kwetsbare gebied in het kader van de Wet ammoniak en veehouderij(Wav) is gelegen op een afstand van zo’n 2.735 meter vanaf het bedrijf. Het meest nabijgelegen Natura 2000 gebied

betreft het gebied Zwilbrockervenn wat is gelegen op een afstand van 4.874 meter van het bedrijf. Het Gelders Natuur Netwerk(GNN) ligt ten zuiden van het bedrijfop een op een afstand van 235 meter vanaf de mesteverwerkingsinstallatie. De locatie ligt niet in, of in de buurt van, een waterwingebied of een stiltegebied. Het bestaande en goedgekeurde grondgebruik van de locatie betreft agrarisch gebruik. De ligging van de locatie t.0.v. specífieke typen gebieden:

« «

de [ocatie ligt niet in de nabijheid van wetlands, oeverformaties en/of riviermondingen; de locatie ligt niet in een kustgebied en maritiem milieu;

. «

de locatie ligt niet in een berg- en bosgebied. De locatie ligt op ca. 4.874 m van het dichtstbijgelegen bosgebied. de locatie ligt niet in of nabij een natuureservaat en/of —park.

.

de |ocatie ligt niet in een landschap en/of plaats van historisch, cultureel of archeologisch belang.

1.2 Activiteit

De voorgenomen activiteit betreft de oprichting, wijziging of uitbreiding van een verwijdering van afval (onderdeel D18.1 van de bijlage Besluit milieueffectrapportage).

installatie

voor

de

De voorgenomen activiteit heeft betrekking op het plaatsen van een hygiënisatie-unit, warmtewisselaar en een luchtwasser als nageschakelde technieken op het bestaande proces(mestverwerkingsinstallatie). Door deze hygienisatie wordt het eindproduct verbeterd en wordt deze exportwaardig. zal hierdoor gemakkelijker verlopen.

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

De afzet van dit product

4

Ë_ IIMETS / Farmconsuit 2

M.E.R.-BEOORDELING

2.1 Besluit milieueffectrapportage De m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit, die genoemd staat in onderdeel D van het Besluit m.e.r., mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. De m.e.r.-beoordeling is alleen aan de orde bij besluiten. Het bevoegd gezag moet

beslissen of bij de voorbereiding van het te nemen besluit een m.e.r.(beoordeling) nodig is. In onderdeel D, kolom 1 van het Besluit m.e.r. staan de activiteiten benoemd waarvoor een m.e.r.beoordelingsplicht geldt; voor mestverwerking is dit D18.1 ‘De oprichting, wi ing of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D18.3, D18.6 of D18.7. Dit geldt voor een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Voor een veehouderij is dit D14 ‘De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren’. In onderdeel D14 kolom 2 staan bij deze activiteit gevallen (drempelwaarden) genoemd. Onder deze drempels moet een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling uitgevoerd worden. D14: De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op meer dan: 1° 40.000 stuks pluimvee (Ravl cat. E‚ F, G en J), 20 2000 stuks mestvarkens (Rav cat. D.3),

3. 750 stuks zeugen (Rav cat. D.1.2, D.1.3 en D.3 voor zover het opfokzeugen betreft), |40 3750 stuks gespeende biggen (biggenopfok) (Rav cat. D.1.1), 5o. 5000 stuks pelsdieren (fokteven) (Rav cat. H.1 t/m H.3), I6°. 1000 stuks voedsters of 6000 vlees- en opfokkonijnen tot dek leeftijd (Rav cat. I.1 en I.2), 17° 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2), /8° 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3), 9° 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2enA3), 100.1200 stuks vleesrunderen (Rav cat. A.4 t/m A.7),

11°. 2000 stuks schapen of geïten (Rav cat. B.1 en C.1 t/m C.3), 12°. 100 stuks paarden of pony's (Rav cat. K.1 en K.3), waarbij het aantal bijbehorende dieren in opfok [jonger dan 3 jaar niet wordt meegeteld. (Rav cat. K.2 en K.4), 13° 1000 stuks struisvogels (Rav cat. L.1 t/m L.3).

De voorgenomen activiteit ziet toe op het oprichten, wijzigingen of uitbreiden van een installatie voor het verwijderen van afval, anders dan bedoeld onder D18.3, D18.6 of D18.7. De voorgenomen het houden

van

activiteit ziet niet toe op het oprichten, wijzigingen of uitbreiden van een installatie voor dieren.

Ter voorbereiding van de aanvraag om een omgevingsvergunning is onderhavige m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld.

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

5

Ë IIMETS / Farmconsuit 2.2 M.e,r.-beoordeling Bij een m.e.r.-beoordeling moet de volgende informatie verstrekt worden: 1. Een beschrijving van het project, met in het bijzonder: a) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het gehele project en, voor zover relevant, van sloopwerken;

b) een beschrijving van de locatie van het project, met bijzondere aandacht voor de kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn. 2. Een beschrijving van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project. 3. Een beschrijving - voor zover er informatie over deze effecten beschikbaar is - van waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project ten gevolge van: a) de verwachte residuen en emissies en de productie van afvalstoffen, indien van toepassing; b) het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name bodem, land, water en biodiversiteit. 4. Voor zover relevant wordt rekening gehouden met de criteria van bijlage II (Richtlijn 2014/52/EU) bij

het verzamelen van de informatie overeenkomstig de punten 1 tot en met 3. Onderhavige (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsnotitie voorziet in voorgaande informatie, voor zover relevant voor de specifieke activiteit.

2.3 Selectiecriteria De criteria voor de m.e.r.-beoordeling

staan opgenomen

in Bijlage II van

de Europese

m.e.r.-richtlijn

(2014/52/EU). Bij de beslissing of voor het project wel of geen m.e.r. nodig is houdt het bevoegd gezag rekening met deze criteria. 1. Kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen:

a)

de omvang en het ontwerp van het gehele project;

b) ©)

de cumulatie met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; gebruik van natuurlijke hulpbronnen, met name land, bodem, water en biodiversiteit;

d)

de productie van afvalstoffen;

e) f)

verontreiniging en hinder; risico van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, waaronder rampen die worden veroorzaakt door klimaatverandering, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis;

9)

de risico's voor de menselijke gezondheid

(bijvoorbeeld als gevolg van waterverontreiniging

of

luchtvervuiling).

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

6

Ë_ IIMETS / Farmconsuit 2. Locatie van het project De kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn, moet in aanmerking worden genomen, en met name: a) het bestaande en goedgekeurde grondgebruik; b) de relatieve rijkdom aan en beschikbaarheid, kwaliteit en regeneratievermogen van natuurlijke hulpbronnen (met inbegrip van bodem, land, water en biodiversiteit) in het gebied en de ondergrond ervan;

©) _ het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden:

i

_ wetlands, oeverformaties, riviermondingen;

ï. ïi. iv. v.

_ _ _ _

kustgebieden en het maritieme milieu; berg- en bosgebieden; natuurreservaten en —parken; gebieden die in de nationale wetgeving zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; Natura 2000-gebieden die door de lidstaten zijn aangewezen krachtens Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG; _ gebieden waar de milieukwaliteitsnormen, in de wetgeving van de Unie vastgesteld en relevant

vi.

voor het project, al niet worden nagekomen of worden beschouwd als niet-nagekomen; gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; landschappen en plaatsen van historisch, cultureel of archeologisch belang.

Viil.

3. Soort en kenmerken van het potentiële effect De waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het project moeten, in samenhang met de criteria onder punt 1 en 2, in aanmerking worden genomen, met inachtneming van: a) de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden);

b) ©_

de aard van het effect; het grensoverschrijdende karakter van het effect;

d) e) f) 9) h)

de de de de de

intensiteit en complexiteit van het effect; waarschijnlijkheid van het effect; verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; cumulatie van effecten met de effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

2.4 Procedure (vormvrije) m.e.r.-beoordeling De procedure is opgenomen in art. 7.16 tot en met 7.20 Wet milieubeheer, Voor elke aanvraag waarbij een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is moet: « door de initiatiefnemer een (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsnotitie worden opgesteld.

«

het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.

e

(vormvrije) m.e.r.-beoordeling niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden. de initiatiefnemer het m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen.

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft bij een

7

fi__ IIMETS / Farmconsuit 3

KENMERKEN

VAN

HET

PROJECT

3.1 Algemeen en omvang gehele project Vigerende vergunning De inrichting beschikt over een rechtsgeldige omgevingsvergunning voor het oprichten, veranderen en/of in werking hebben van een inrichting ex art. 2.1 lid 1 onder e Wabo (revisie kenmerk 2785 verleend op 17 oktober 2005, verandering kenmerk Wabo 11.0470 en verandering kenmerk OLO 1703339, verleend op 21

december 2015). De vigerende omgevingsvergunning is onherroepelijk en heeft betrekking op het houden van

2154

vleeskalveren

tot

circa

8

maanden(Rav

A4.100)

en

op

het

in

werking

hebben

van

een

mestverwerkingsinstallatie met een capaciteit van 36.000 m3.

Feitelijke situatie De feitelijke situatie voor de kalverhouderij is in overeenstemming met de verleende vergunning van 17 oktober 2005. De feitelijke situatie voor de mestverwerkingsinstallatie is in overeenstemming met de veranderingsvergunning van 21 december 2015. Er is in werkelijkheid al een kachel (Activiteitenbesluitmelding 15 september 2016) en een hygiënisatie-unit aanwezig. Hiervoor is echter nog geen bouwvergunning verleend.

Voorgenomen situatie

Het voornemen

heeft betrekking op het wijzigen van de mestverwerkingsinstallatie

met nageschakelde

technieken in de vorm van het plaatsen van een hygiënisatie-unit, warmtewisselaar en een luchtwasser. Doel van de mestverwerkingsinstallatie is om het mestoverschot in oost Nederland omlaag te brengen door het terugwinnen van mineralen om deze elders in te kunnen inzetten. Het aantal te houden dieren en diercategorie blijft gelijk. Er is geen sprake van het vergroten van installatie. Zie ook het bedrijfsontwikkelingsplan, de situatieschets en de plattegrondtekening in de bijlagen.

3.2 Cumulatie met andere projecten en/of goedgekeurde ontwikkelingen In de omgeving bevinden zich een intensieve en grondgebonden veehouderij, waardoor cumulatie met andere veehouderijen kan optreden. De woning van de dichtstbijgelegen veehouderij ligt op ca. 25 m afstand van de inrichtingsgrens. In de omgeving zijn naast de bestaande veehouderij goedgekeurde, maar nog niet gerealiseerde ontwikkelingen aanwezig. In hoofdstuk 4 wordt bij de verschillende ‘waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten’ afzonderlijk ingegaan op de mogelijk cumulatieve effecten.

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

8

Ë_ IIMETS / Farmconsuit 3.3 Gebruik van natuurlijke hulpbronnen De natuurlijke hulpbronnen op aarde, in het bijzonder fossiele brandstoffen, vormen een basis voor alle menselijke activiteiten, en daarmee ook voor welvaart en welzijn. Om voor toekomstige generaties de beschikbaarheid van natuurlijke hulpbronnen te garanderen, is een duurzaam voorraadbeheer noodzakelijk. Natuurlijke hulpbronnen kunnen ingedeeld worden in: 1. niet-vernieuwbare en vernieuwbare grondstofvoorraden 2. milieuvoorraden (schoon water, schone lucht, ruimte)

3.

biodiversiteit (rijkdom van de natuur waaronder flora, fauna en habitats).

Niet-vernieuwbare grondstofvoorraden (zoals fossiele brandstoffen) worden niet of nauwelijks bij gevormd en zullen bij voortdurende winning ooit opraken. De vernieuwbare grondstofvoorraden worden door natuurlijke processen aangevuld, en zullen als de winning en aanwas op elkaar afgestemd zijn, tot in lengte

van dagen beschikbaar blijven. Binnen de inrichting wordt houtsnippers verbruikt voor de verwarming van de stallen en de melk. Elektra wordt verbruikt voor met name de verlichting, ventilatie, voerinstallatie en de MVI. Door de toepassing van energiebesparende maatregelen en monitoring van het verbruik wordt zo spaarzaam mogelijk omgegaan met het energieverbruik. Binnen de inrichting wordt verder dieselolie verbruikt. Verder wordt er grond- en/of leidingwater verbruikt, onder andere als drinkwater voor de dieren en voor reinigingsdoeleinden. Door de toepassing van waterbesparende maatregelen en monitoring wordt zo spaarzaam mogelijk omgegaan met het waterverbruik. Voor de mestverwerkingsinstallatie wordt elektriciteit verbruikt om de installatie, zoals bijvoorbeeld pompen e.d. te laten draaien. Tevens worden er houtpellets, gemaakt van snoeihout, verbrand in een houtkachel om de mest te verwarmen tot minimaal 70 graden. Daarnaast wordt de warmte die de kachel levert gebruikt om de kalvermelk op te warmen, In het voornemen worden waar mogelijk emissiereducerende en bodembeschermende maatregelen getroffen om te zorgen dat het project geen nadelige effecten heeft op milieuvoorraden en biodiversiteit.

3.4 Productie van

afvalstoffen

Binnen de inrichting komen afvalstoffen vrij, met name kadavers, restafvalstoffen, verpakkingsmateriaal, papier, plastic, GFT, klein chemisch afval en restanten medicijnen. Deze afvalstoffen worden via verschillende erkende inzamelaars afgevoerd. Daarnaast komt binnen de inrichting bedrijfsafvalwater vrij, hetgeen wordt opgevangen in de mestput. Het betreft hier reinigingswater afkomstig van het reinigen van de stallen. Dit wordt samen met de mest door de verwerkingsinstallatie gevoerd.

Uit het mestverwerkingsproces ontstaat een vaste fractie die als meststof gebruikt wordt. Tevens onstaat er een afvalwaterstroom (effluent) welke, conform de huidige vergunning, op de riolering wordt geloosd. Er wordt geen verontreinigd afgekoppeld en afgevoerd.

(afval)water geloosd

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

op

het oppervlaktewater.

Schoon

hemelwater

wordt

9

fi__ IIMETS / Farmconsuit 3.5 Verontreiniging en hinder In het voornemen is sprake van emissies van met name ammoniak, geur, fijnstof, geluid, endotoxinen en vinden bodembedreigende activiteiten plaats. Hierdoor kan milieuhinder veroorzaakt worden. De emissies worden beperkt door het treffen van maatregelen. In hoofdstuk 4 worden deze aspecten en maatregelen nader uitgewerkt.

3.6 Risico's zware ongevallen en/of rampen Hieronder wordt begrepen risico's van zware ongevallen en/of rampen die relevant zijn voor het project in kwestie, in overeenstemming met wetenschappelijke kennis. De locatie ligt niet in de risicozone van buisleidingen of hoogspanningsleidingen. Calamiteiten

Het bedrijf is zodanig ingericht dat het zo optimaal mogelijk kan functioneren. Toch kunnen binnen de inrichting onvoorziene situaties of calamiteiten ontstaan, zoals stroomstoringen of brand. Binnen de inrichting

zijn

de nodige veiligheidsvoorzieningen getroffen om een calamiteit en een hierdoor optredende bijzondere

milieubelasting, te voorkomen dan wel te beperken. Zo is een alarminstallatie aanwezig die de ondernemer waarschuwt bij calamiteiten.

3.7 Risico's voor de menselijke gezondheid Bij een veehouderij betreft dit met name emissies van ammoniak, geur, fijnstof, geluid en endotoxinen, maar ook zoönosen en water- en bodemvervuiling. De emissies worden onder andere beperkt door de toepassing van emissiereducerende technieken, een hoge gezondheidsstatus van de veestapel en door (hygiëne)maatregelen op het bedrijf, de toepassing van bodembeschermende maatregelen en opvang van verontreinigd (afval)water. In hoofdstuk 4 wordt (de beperking van) deze risico's nader uitgewerkt.

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

10

;g„_f{ì!% FarmConsult 4

_WAARSCHIJNLIJK

AANZIENLIJKE

MILIEUEFFECTEN

Op basis van de kenmerken van het gehele project en de locatie zijn in dit hoofdstuk de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten uitgewerkt. Daar waar wettelijke normen gesteld worden zijn deze betrokken, aangezien het voldoen aan wettelijke normen een indicatie is dat er geen sprake is van belangrijke nadelige effecten op het milieu.

4.1 Ammoniak

4.1.1

Emissies

De ammoniakemissie van het voornemen bedraagt 7.539 kg NH:/jaar voor de veehouderij. Daarnaast neemt

de emissie vanuit de MVI toe met 1.682 kg NH3/jaar De vigerende omgevingsvergunning ziet toe op een ammoniakemissie van 7.539 kg NH:/jaar. Het voornemen leidt tot een toename in ammoniakemissie 4.1.2 Wet ammoniak en veehouderij De locatie ligt niet in een Wav-gebied of een zone van 250 meter daaromheen. Het dichtstbijzijnde Wavgebied dat is aangewezen ligt op ca. 2.735 meter, zie navolgend figuur. De Wet ammoniak en veehouderij

geeft geen beperkingen voor deze locatie. Figuur 4.1 Ligging zeer kwetsbare gebieden (Wav)

4.1.3 Directe ammoniakschade

Het effect van de ammoniakemissie op gevoelige planten in de directe omgeving van stallen wordt beoordeeld aan de hand van het rapport “Stallucht en planten” dat n 1981 is opgesteld door het Instituut

M.e.r.-beoordelingsnotitie locatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

u

Ë IIMETS / Farmconsuit voor Plantenziektekundig Onderzoek (IPO). Dit rapport is bedoeld ter beoordeling van directe ammoniakschade veroorzaakt door ammoniakemissie bij intensieve varkens- en pluimveehouderijen op gevoelige gewasgroepen (kasteelt, fruitteelt, boomteelt). Andere gewasgroepen lopen een verwaarloosbare kans beschadigd te worden. Uit jurisprudentie blijkt dat minimaal een afstand van 50 meter moet worden aangehouden ten opzichte van kasteelt en coniferen. Ten opzichte van minder gevoelige planten en bomen, zoals een fruitboomgaard, is een afstand van 25 meter toereikend.

Van directe ammoniakschade bij gevoelige gewassen is geen sprake aangezien binnen 50/25 meter rondom de locatie geen gevoelige gewasgroepen aanwezig zijn. 4.1.4 Besluit emissiearme huisvesting Het besluit emissiearme huisvesting heeft

tot

doel

de

emissie

van

ammoniak

en

van

fijnstof

uit

dierenverblijven zoveel mogelijk te beperken door de emissie vanuit dierenverblijven aan een maximum te binden (maximale emissiewaarden). Het besluit bevat maximale emissiewaarden voor ammoniak (voor melkvee, vleeskalveren, varkens, kippen

en vieeskalkoenen) en fijnstof (kippen, vleeskalkoenen en vleeseenden). Alleen huisvestingssystemen met een emissiefactor die lager is dan of gelijk is aan de maximale emissiewaarde zijn toegestaan. Bijlage 1 van het besluit geeft drie maximale emissiewaarden voor ammoniak: kolom A, B en C. De maximale waarden worden gefaseerd aangescherpt. Welke maximale emissiewaarde geldt (kolom A, B of C) hangt af van de datum van oprichting (bouw) van het dierenverblijf waar het huisvestingssysteem in zit. Een

huisvestingssysteem is een gedeelte van een dierenverblijf waar dieren van één diercategorie op dezelfde wijze worden gehouden. Een dierenverblijf is een ruimte waar dieren worden gehouden (stal). Op deze indeling geden enkele uitzonderingen. In tabel 4.2 zijn de ammoniakemissiefactoren van de voorgenomen huisvesting in de onderscheidenlijke stallen en de maximale emissiefactoren voor de betreffende diercategorieën aangegeven. Hieruit volgt dat de huisvestingssystemen voldoen aan de maximale emissiewaarden voor ammoniak. De voorgenomen activiteit voldoet aan het Besluit emissiearme huisvesting.

Tabel 4.2: Emissiefactoren (Rav) en maximale emissiewaarden (Beh) voornemen

[oon C Sal e [aawerde G |6 aam ua | k aa ua | 0 ua | « aam a |t aam 8f

r

enisie

oncrjnng EL lreiehisntgsenen b nsgsenen beehsetgsseen lreiehisntgsenen boeiehuonieggsenen

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

Gerwor Veetarra ii red s itSrd Vestaera t tret Veetarra ii red s itSrd

am (ierpatsen e | Wdenlespor _ Wiepensjer 2 E s E E E x # s s E s “ E s 5

enseraaeehig

enisecosarig

12

Ë_ IIMETS / Farmconsuit 4.2 Geur

4.2.1

Emissies

De vergunde geuremissie uit de stallen bedraagt 76.682 OU:/sec. Omdat er in de stallen niets wijzigt blijft dit gelijk aan de huidig vergunde situatie. Voor de mestverwerkingsinstallatie is een geurrapport bestaande en de nieuwe geursituatie in beeld gebracht.

opgesteld

door

De emissie van de nieuwe bronnen bedraagt ca. 98.400 Moue/jaar. nieuwe bron gezamenlijk bedraagt ca. 199.000 Moue/jaar. De emissie 230.000 Moue/jaar. De berekende geurconcentratie ter hoogte gebiedscategorie A, als gevolg van bestaande en nieuwe bronnen

BuroBlauw.

In dit rapport

is de

De emissie van de bestaande en de in de vigerende situatie bedraagt ca. van geurgevoelige objecten in de gezamenlijk, bedraagt maximaal 0,4

Oue/m?als 98 percentielwaarde. De belasting als gevolg van nieuwe bronnen bedraagt maximaal 0,1 Oue/m? als 98 percentielwaarde. hinderlijke geur.

Daarmee

wordt voldaan

aan het acceptabel

geurhinderniveau

voor een

minder

De berekende geurconcentratie ter hoogte van geurgevoelige objecten in de gebiedscategorie B, als gevolg

van bestaande en nieuwe bronnen gezamenlijk, bedraagt maximaal 3,4 Oue /m? als 98 percentielwaarde. De belasting als gevolg van nieuwe bronnen bedraagt maximaal 0,5 Oue /m3 als 98 percentielwaarde. Daarmee wordt voldaan aan het acceptabel geurhinderniveau voor een minder hinderlijke geur. Voor meer informatie m.b.t. de geuremissie van de mestverwerkingsinstallatie wordt verwezen geurrapport(BL2018.8726.02_V07) in de bijlage. Het voornemen

naar het

leidt ten opzichte van de vergunde situatie tot een afname van de geuremissie.

4.2.2 Afstanden

In de omgeving liggen enkele geurgevoelige objecten (afstand van dichtsbij gelegen emissiepunt): Vrakkinkweg 1a; afstand 268 m (van eerste emissiepunt tot hoek woning)

- _ Den Sliem 100; afstand 135 m(van eerste emissiepunt tot hoek Loods) Aan de wettelijke vaste afstanden van de Wet geurhinder en veehouderij wordt voldaan. Voor industriële bronnen gelden geen vaste afstanden, maar uit het geurrapport blijkt dat op geurgevoelige objecten kan worden voldaan aan het acceptabel geurhinderniveau voor een minder hinderlijke geur. 4,2.3 Voorgrondbelasting (individuele geurhinder) De beoordeling van individuele geurhinder (voorgrondbelasting) van de veehouderij vindt plaats aan de hand van de Wet geurhinder en veehouderij en de gemeentelijke geurverordening. Onderhavige bevoegde gemeente heeft een geurverordening vastgesteld, waardoor de geurnormen uit deze verordening leidend zijn. De geurbelasting vanuit de stallen van de inrichting naar de omgeving wordt getoetst aan de geurverordening. De voorgrondbelasting is berekend met het verspreidingsmodel V-stacks vergunning. zijn de berekeningsresultaten weergegeven.

M.e.r-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

In navolgende tabel

13

fi__Irmers ‚/ FarmConsult Tabel 4.4a: Berekende voorgrondbelasting voornemen (V-stacks vergunning) Naam van het bedrijf: Ottink Oude Borculoseweg 5 Groenlo 2018-09 Indicatieve geurberekening Berekende ruwheid: 0,36 m Meteo

station:

Eindhoven

Brongegevens:

Volgnr | BronID |X-coord.

|Y-coord.

5 1 2 3 4

|EP

Stal3 Stal2 Stall Stal4

|239305 |239300 |239283 |239327

Hoogte |452275 | 5,1 |452 240 77 |452 201 89 |452223 | 83

5

Stal5

|239357

|452235

|

Gem.geb.

EP

EP Uittr.

E-

_|hoogte 32 48 54 5,3

Diam. 0,40 0,40 0,40 0,50

snelh. 400 4,00 4,00 0,40

Aanvraag 3275 10 253 11534 18 156

5,5

0,50

0,40

33 464

86

Geur gevoelige locaties:

Volgnummer

|GGLID

Xcoordinaat

|Ycoordinaat

6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16

Vrakkinkweg 1a Vrakkinkweg 3 Vrakkinkweg 3a Vrakkinkweg 5 Het Blik 47 De Woerd 8 Den Sliem 100 DenSliem 93 werkpl. Den Sliem 83 Kaak Zuidgang 1a DenSliem93 Hal

239 028 238 879 238 830 238 811 238 901 239 493 239 453 239 571 239627 239 554 239 398

452 076 452 027 452 162 452 239 451 904 451827 452 110 452 218 452 504 452 720 452 592

|Geurnorm 140 14,0 14,0 140 5,0 5,0 50 50 5,0 50 50

|Geurbelasting 7,3 41 3,3 25 3,3 42 17,3 12,1 62 41 7,0

Uit de resultaten volgt dat er voor de veehouderij-tak sprake is van een overbelaste situatie (=overschrijding van de geurnorm). Echter het aantal dieren, het stalsysteem en de afstand tot geurgevoelige objecten blijft ongewijzigd. Op basis van Artikel 3.3 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) kan de vergunning verleend

worden.

Naast de veehouderij wordt geur geëmitteerd vanuit industriële bronnen, die verband houden met mest verwerkende activiteiten. BuroBlauw heeft hiervoor een verspreidingsberekeningen uitgevoerd voor geur. De aangevraagde wijzigingen leiden tot een reductie in geuremissies afkomstig van de industriële bronnen. Geur afkomstig van bestaande en nieuwe industriële bronnen voldoen daarbij aan het aanvaardbaar geurhinderniveau uit de provinciale Beleidsregel geur. (zie onderzoek BuroBlauw toetsing geuremissies, hoofdstuk 5.2 Resultaten nieuw en bestaand gezamenlijk) Tevens is door BuroBlauw een berekening uitgevoerd om de cumulatieve geurbelasting in de vigerende en aangevraagde situatie in kaart te brengen. Dit is de gezamenlijke geurbelasting als gevolg van de dierverblijven en industriële bronnen. Uit deze berekening valt op te maken dat de geurbelasting in de aangevraagde situatie afneemt. (zie onderzoek BuroBlauw toetsing geuremissies, hoofdstuk 5.4 cumulatieve geurbelasting vigerend en aanvraag)

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

14

Ë_ IIMETS / Farmconsuit

4.2.4 Achtergrondbelasting (cumulatieve geurhinder) De achtergrondbelasting van geur wordt bepaald door de cumulatie van geuremissies, Dit is de geurbelasting ten gevolge van de verschillende veehouderijen in de omgeving (met dieren waarvoor geuremissiefactoren vastgesteld zijn) bij elkaar opgeteld. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder indien de voorgrondbelasting tenminste de helft bedraagt van de achtergrondbelasting. Toetsingskader De gemeente Oost Gelre heeft een Verordening geurhinder en veehouderij opgesteld. Deze verordening heeft echter geen streefwaarden of geurnormen voor de achtergrondbelasting vastgesteld. Een acceptabel geurhinderniveau voor industriële bronnen is op gemeentelijk niveau niet vast gelegd in een verordening en beleidsregel. Voor de bepaling van het aanvaardbaar geurhinderniveau is daarom gekeken naar de Beleidsregels geur bedrijven (niet-veehouderijen) Gelderland gepubliceerd op 9 maart 2017. Echter deze beleidsregels bevatten ook geen streefwaarden of geurnormen voor de achtergrondbelasting.

De veehouderij activiteit op het bedrijf Ottink blijft ongewijzigd, en daarmee ook de geuremissie vanuit de veehouderij. De mestverwerking wordt voorzien van nageschakelde technieken. In het geuronderzoek van BuroBlauw is de cumulatieve belasting (veehouderij + “industriële bronnen mestverwerking”) uitgewerkt. Door de geurmaatregelen bij de mestverwerking neemt de geuremissie vanuit het bedrijf in totaal af. Door deze afname kan gesteld worden dat vanuit het bedrijf Ottink de bijdrage aan de cumulatieve geuremissie ook zal afnemen. Hiermee wordt in de voorgenomen situatie ten aanzien van de achtergrondbelasting van geur voldaan aan de geurnorming. Verdere toetsing aan de achtergrondbelasting is voor deze situatie dan ook niet nodig.

4.3 Fijnstof 4.3.1 Emissies PM10

De vergunde PM:0.emissie bedraagt 71,08 kgr/jaar. De PM:0.emissie van voornemen bedraagt 1.868 Het voornemen leidt ten opzichte van de vergunde situatie tot een toename van de PM:0-emissie. 4.3.2 Concentraties

kgr/jaar

PM10

Op grond van gevalideerde meetresultaten uit achtergrondconcentratie bepaald. De jaargemiddelde

het Landelijk Meetnet achtergrondconcentraties

(gegevens 2018) 2018) !): 16.98 ug/m? voor PM:oen 10.04 ug/m:? voor PM2s.

Luchtkwaliteit is de bedragen (jaar 2020

De achtergrondconcentraties

liggen ter plaatse ruim onder de grenswaarden zoals opgenomen in de Wet milieubeheer van 40 ug/m? voor PMio en 25 ug/mi voor PM2s. Over de loop van jaren is sprake van een daling van de achtergrondconcentraties (zeer) fijnstof. Uit

de

toets

luchtkwaliteitseisen

door

BuroBlauw

(rapport

BL2018.8726.03_V05)

blijkt

dat

de

concentratiebijdragen ter hoogte van alle toetsingslocaties lager zijn dan 1,2 ug/m?, oftewel 3% van de wettelijke toegestane jaargemiddelde concentratie(40 g/m?). De wijziging voor de inrichting dragen niet in betekenende mate bij aan de achtergrondconcentratie PM:0. Bron: Grootschalige Concentratie Kaarten (GCN), RIVM.

M.e.r-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

15

Ë_ IIMETS / Farmconsuit

4,3.3 Zeer fijn stof PM2,5 Vanaf 1 januari 2015 dient ook getoetst te worden aan de grenswaarde voor PM2,s (zeer fijnstof) van 25

1g/m’. De achtergrondconcentratie PM2, ligt in Nederland ruimschoots onder deze grenswaarde. Het RIVM heeft in 2015 een nadere analyse uitgevoerd naar de statistische relatie tussen de jaargemiddelde concentraties PM;0 en PM:;. Uit deze analyse blijkt dat bij een jaargemiddelde concentratie PM10 van 32,5

ug/m3, de kans dat de jaargemiddelde concentratie PM2

gelijk is aan of hoger i dan 24 ug/m3, kleiner is

dan 1%. De resultaten van deze analyse tonen aan dat wanneer wordt voldaan aan de maatgevende grenswaarde voor PM:o, ook wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie PM2.s. (bron: Infornil). Uit

de

toets

luchtkwaliteitseisen

door

BuroBlauw

(rapport

BL2018.8726.03_V05)

blijkt

dat

de

concentratiebijdrage ter hoogte van alle toetsingslocaties maximaal 0,3 ug/m? bedraagt. Het voornemen geeft geen overschrijding van de jaargemiddelde concentratie (norm Wm 25 ug/m?:

4.4 Geluid Akoestisch onderzoek

Voor het voornemen is een akoestisch onderzoek opgesteld door Sainmilieuadvies, Dit rapport is geactualiseerd naar de huidige normen en met de aangevraagde activiteiten. Uit dit rapport blijkt dat het bedrijf kan voldoen aan de geldende normering uit het 'Gebiedsgericht geluidbeleid gemeente Oost Gelre' voor. Het akoestisch onderzoek is opgenomen in de bijlagen.

4.5 Volksgezondheid 4.5.1 Wetgeving en onderzoek Het houden van landbouwhuisdieren en het verwerken van mest kan effect hebben op de volksgezondheid in de omgeving van de veehouderij. Risico's kunnen er ook zijn voor dieren die in nabijgelegen bedrijven worden gehouden. Het gaat hierbij om zoönosen (infectieziekten die van dieren op mensen kunnen

overgaan) en bacteriën die resistent zijn tegen antibiotica, zoals MRSA. Ook vormt de emissie van fijnstof een risicofactor. Fijnstof uit stallen bestaat uit fijne en grovere fracties en bevat allerlei biologische agentia, waaronder endotoxinen. Daarnaast vormt geur een indirect risico voor de volksgezondheid. Ook geluidhinder en externe veiligheid zijn aspecten die effect kunnen hebben op de volksgezondheid. Het zelfde geldt voor de mestverwerkingsinstallatie Het bevoegd gezag is wettelijk verplicht om de effecten van (ruimtelijke) ontwikkelingen op de volksgezondheid in de besluitvorming mee te wegen. Het staat het bevoegd gezag in principe vrij op welke

wijze deze verplichting ingevuld wordt. Voor sommige criteria zoals ammoniak, geur en fijnstof zijn specifieke wet- en regelgeving, richtlijnen en handelingsmethoden beschikbaar. Voor de gezondheid van mensen is dit echter niet of veel minder het geval. Het bevoegd gezag moet wel de gevolgen van ontwikkelingen van een veehouderij voor de gezondheid van mensen in de besluitvorming betrekken. Het bevoegd gezag moet zich baseren op beschikbare onderzoeken en ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten'. Onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG)

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

16

Ë_ IIMETS / Farmconsuit Het RIVM heeft in 2008 een rapport gepubliceerd met betrekking tot intensieve veehouderij en volksgezondheid. Strekking van het Rapport RIVM 2008: Effecten van intensieve veehouderijbedrijven op de volksgezondheid kunnen op verschillende manieren tot stand komen, Bijvoorbeeld via direct diercontact, via de lucht, via mest en via voedingsmiddelen van dierlijke oorsprong. In 2009 is het onderzoek Intensieve Veehouderij en Gezondheid (IVG) gestart. In juni 2011 zijn de resultaten bekend gemaakt van dit IVGonderzoek. Hieruit is geen duidelijke afstand tot veehouderijbedrijven gebleken en geen relatie met de omvang van veehouderijen of dierdichtheid te benoemen waarbij gezondheidseffecten bij mensen vaker optreden. Uit een publicatie van juli 2012 inzake het infectierisico van omwonenden van veehouderijen blijkt dat nog geen wetenschappelijk onderbouwde uitspraken kunnen worden gedaan, met uitzondering van Q-

koorts. Voornoemde afgeronde onderzoeksrapporten beschouwde de rechter niet als ‘algemeen aanvaarde wetenschappelijke inzichten’. De Gezondheidsraad heeft op 30 november 2012 het advies ‘Gezondheidsrisico's rond veehouderijen’ gepubliceerd. Hierin wordt gesteld dat het niet bekend is tot welke afstand omwonenden van veehouderijen verhoogde gezondheidsrisico's lopen. Op basis hiervan is niet op

wetenschappelijke gronden één landelijke ‘veilige’ minimumafstand vast te stellen tussen veehouderijen en woningen.

Onderzoek Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO) In 2014 is het onderzoek 'Veehouderij en Gezondheid van Omwonenden (VGO)' van start gegaan. Het RIVM, Wageningen UR, IRAS en NIVEL hebben gezamenlijk dit aanvullende onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn bekend gemaakt in juli 2016. In het VGO is onderzocht of het wonen in de buurt van veehouderijen effect kan hebben op de gezondheid van de omwonenden. Hieruit komen een aantal positieve en een aantal negatieve gezondheidseffecten naar voren. Een eenduidig antwoord is dan ook niet te geven. Aangetoond is dat mensen die rondom veehouderijen wonen minder astma en allergieën hebben. Dicht bij veehouderijen wonen minder mensen met COPD. Daar staat tegenover dat de mensen in deze omgeving die wel COPD hebben, daar vaker en/of ernstigere complicaties van hebben. Verder is er een verband gevonden tussen wonen nabij veehouderijen en een verlaagde longfunctie. Dit wordt waarschijnlijk veroorzaakt door

stoffen die afkomstig zijn van de veehouderij, in het bijzonder pluimveehouderij. Rapport Emissies van Endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) Tegelijk met het VGO-rapport is in juli 2016 het Rapport Emissies van endotoxinen uit de veehouderij (fase 3a) bekend gemaakt. Dit rapport beschrijft het resultaat van metingen aan de emissies van endotoxinen uit de veehouderij. In stof worden van micro-organismen afkomstige endotoxinen gevonden. Endotoxinen zijn dode celwand-deeltjes van bacteriën die geen pathogene eigenschappen meer hebben. Wel kunnen endotoxinen na inademing tot gezondheidsklachten leiden. Meer onderzoek is nodig om de invloed van deze eigenschappen bij endotoxinen te bepalen. De Gezondheidsraad beveelt ten aanzien van de endotoxinen-

blootstelling een adviesgrenswaarde van 30 EU/m? aan. Veehouderij en gezondheid Omwonenden (aanwullende studies). Op 16 juni 2017 is het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)’ bekend gemaakt. In dit rapport worden de resultaten uit het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden’ van juli 2016 bevestigd. Daarnaast wordt in het rapport ingegaan op de effecten van geïtenhouderijen. Uit aanvullende studies volgen sterke aanwijzingen dat fijnstofen componenten ervan mensen gevoeliger maken

voor

luchtweginfecties.

Specifieke

ziekteverwekkers

afkomstig

van

dieren

kunnen

echter

niet worden

uitgesloten. Ook rondom geïtenhouderijen hebben mensen een grotere kans op longontsteking. Eerder zijn hiervoor al aanwijzingen gevonden, die nu nader onderbouwd zijn over een langere periode. Het onderzoek bevestigt ook de eerdere conclusie dat mensen met COPD, die in de buurt van veehouderijen wonen, vaker en ernstiger klachten hebben dan mensen die op grotere afstand van veehouderijen wonen. Uit Iuchtmetingen in de woonomgeving blijkt dat de concentratie endotoxinen in de lucht toeneemt naarmate de afstand tot een veehouderij kleiner wordt of het aantal veehouderijen in een gebied (de dichtheid) groter

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

17

fi__ IIMETS / Farmconsuit wordt. Ook sectoren van de veehouderij die niet bekendstaan om een hoge uitstoot van stoffen lijken toch

substantieel bij te dragen aan de concentratie van endotoxinen in de leefomgeving. Op 22 oktober 2018 is het rapport ‘Veehouderij en Gezondheid Omwonenden II' bekend gemaakt. De resultaten van dit onderzoek wijzen, net als de voorgaande onderzoeken, op een associatie tussen het wonen in nabijheid van een geitenhouderij en een verhoogd risico op longontsteking. De oorzaken van de relatie tussen het wonen nabij een geïtenbedrijf en een verhoogde kans op het oplopen van een longontsteking zijn nog niet bekend en worden nader onderzocht. De associatie tussen een verhoogd risico op longontsteking en het wonen in de buurt van een pluimveehouderij blijkt, in de jaren die binnen deze actualisering zijn

onderzocht, niet meer statistisch significant te zijn. ILVO-onderzoek

Uit onderzoek van het Belgisch Instituut Landbouw-, Visserij- en Voedingsonderzoek (ILVO) in het voorjaar van 2017 blijkt dat een groot deel van de in het Nederlandse VGO-onderzoek aangehaalde risico's niet relevant zijn, gebrek aan wetenschappelijke basis hebben en niet specifiek zijn voor omwonenden van veehouderijen. Dit onderzoek is uitgevoerd in opdracht van het veerijke West-Vlaanderen. Het Nederlandse VGO-onderzoek kan volgens de Belgische onderzoekers niet claimen of suggereren dat veehouderijen een

negatief gezondheidseffect hebben op omwonenden. Bijkomend onderzoek is dan ook nodig. Zo moet worden nagegaan of er een effect is van de gecombineerde emissies uit veehouderij, de transportsector en andere industriële sectoren. Op het eerste gezicht lijkt de impact van wonen nabij een stal op de gezondheid beperkt, maar er zijn nog een aantal vraagtekens die beantwoord moeten worden. In haar rapport stelt ILVO dat uit de stallen zowel primair fijnstof als ammoniak ontsnapt. Ammoniak op zich vormt geen bewezen gezondheidsrisico, maar in de buitenlucht, ver weg van de stallen, kan het zich binden aan andere vervuilende stoffen zoals roet. Wat ontstaat, is secundair fijnstof dat voor iedereen, niet enkel voor de omwonenden van veestallen, schadelijk kan zijn. Om de gevolgen van deze combinatie van fijnstof en ammoniak, evenals het aandeel van de landbouwsector in de uitstoot van fijn stof beter in kaart te brengen, is naar de mening van de ILVO-onderzoekers verder onderzoek nodig. Niet omdat er een mogelijk risico bestaat, maar om uitsluitsel te geven en duidelijkheid te brengen in de discussie die er nu bestaat. In het Nederlandse volksgezondheidsonderzoek (VGO) wordt het verhoogde aantal longontstekingen in regio's met intensieve veehouderij gelinkt aan verhoogde concentraties endotoxines. Maar volgens ILVO is het onwaarschijnlijk dat zuivere endotoxines de oorzaak zijn.

De gebruikte grenswaarde is gebaseerd op endotoxines gehecht aan fijnstof, terwijl ze in stallen voornamelijk hechten aan grovere stoffracties. En dat grover stof dringt slechts binnen in de bovenste luchtwegen, niet in de lagere. Bovendien tonen recente

studies, waaronder VGO, aan dat endotoxines bij omwonenden ook positieve effecten kunnen hebben in de bovenste luchtwegen, zoals een beschermend effect tegen astma en allergieën. Omdat duidelijkheid ontbreekt, is het volgens ILVO momenteel wetenschappelijk onmogelijk om een veiligheidsnorm voor omwonenden te definiëren en te hanteren. Ook hier is verder onderzoek nodig, ook met aandacht voor de mogelijke positieve effecten van endotoxines. ILVO bestudeerde ook het risico op verspreiding van bacteriën, virussen, schimmels en parasieten die aanwezig kunnen zijn bij vee, en de effecten van geneesmiddelengebruik in de stallen in de ontwikkeling van resistentie. Het is echter weinig waarschijnlijk dat deze pathogenen zich verspreiden via de lucht, maar

blootstelling via de ruimere leefomgeving zoals mest en water. Via voeding is het wel mogelijk. Denk aan besmettingen met Salmonella, Campylobacter, E. coli, Hepatitis E, antibioticaresistente bacteriën en azoleresistente schimmels. Het risico beperkt zich hier dus niet tot de omwonenden, maar breidt zich uit tot de algemene volksgezondheid. Vervolgonderzoeken en vervolgadvies Gezondheidsraad (2018)

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

18

Ë_ IIMETS / Farmconsuit De Gezondheidsraad geeft aan dat het nog steeds niet duidelijk is of er sprake is van een oorzakelijk verband tussen longproblemen en veehouderijen. Daarvoor is het aantal kwalitatief goede onderzoeken zowel in Nederland als in het buitenland te beperkt. Hoewel niet kan worden vastgesteld wat de luchtwegeffecten rond veehouderijen veroorzaakt, is het volgens de raad wel zinvol maatregelen te treffen en adviseert dan ook verdere reductie van de uitstoot van fijnstof. In de lucht rond veehouderijen zit veel fijnstof en uit onderzoek in stedelijke omgevingen blijkt dat fijnstof waarschijnlijk effecten veroorzaakt op luchtwegen en longen. Reductie van fijnstof bevordert dus de volksgezondheid als geheel. Ook adviseert de raad om de

uitstoot van ammoniak verder te verminderen, omdat ammoniak bijdraagt aan de vorming van fijnstof.

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

19

Ë_ IIMETS / Farmconsuit

4.5.2 Zoönosen

De verbetering van de diergezondheid op veehouderijen is volop in ontwikkeling. Een aantal besmettelijke dierziekten is al uitgeroeid of sterk teruggedrongen. Kwaliteitszorgsystemen hebben door controles op het

wóórkomen van ziekten en naleving van hygiënevoorschriften hieraan bijgedragen. Zoönosen zijn infectieziekten veroorzaakt door micro-organismen die kunnen overgaan van dieren naar mensen. De belangrijkste zoönosen die voorkomen in de rundveehouderijsector worden hier toegelicht: Ten aanzien van (melk)rundvee (EHEC) bacterie en BSE. Campylobacterbacterie

Besmetting

en de

E.Coli

zijn de meest

bacterie

relevante zoönosen

de Campylobacterbacterie,

de E.Coli

(EHEC

vindt plaats door direct contact met de dieren,

door het eten van

besmet

en onvoldoende

hygiënische bereiding van vlees of drinken van (ongepasteuriseerde) melk. BSE

Boviene spongiforme encefalopathie (ook wel BSE of gekkekoeienziekte) kan voorkomen bij rundvee. BSE kan alleen overgedragen worden op de mens door eten van besmet vlees. Bij mensen uit een besmetting zich in de dodelijke ziekte Creuzfelt-Jacob. Ter voorkoming van besmetting van rundveevlees zijn de voorschriften bij de slacht aangescherpt, in veevoer wordt geen diermeel meer gebruikt en hersenen, het ruggenmerg en de grote zenuwen worden buiten de voedselketen gehouden. Antibiotica-resistenti

Mensen kunnen antibiotica-resistente bacteriën overnemen van dieren, via voedsel of contact met dieren. Bacteriën kunnen resistentie ontwikkelen als neveneffect van het gebruik van antibiotica om dierziekten te bestrijden. De resistentie is het hoogst bij dieren die voor de vleesproductie worden gehouden, Het risico voor de volksgezondheid is dat resistente bacteriën kunnen veranderen in meer virulente of aan de mens aangepaste varianten of hun resistentie overdragen aan andere bacteriën. Omdat voor dieren grotendeels dezelfde antibiotica worden gebruikt als voor mensen vormt resistentie een risico voor de volksgezondheid. Het landelijk beleid is momenteel al gericht op een forse reductie van het antibioticagebruik in de veehouderij en een zorgvuldig gebruik. Het huisvestingssysteem en het aantal te houden dieren op het bedrijf wijzigt niet ten opzichte van de huidig vergunde situatie. Er zijn op dat vlak derhalve geen grotere gezondheidsrisico's te verwachten. Mestverwerkingsinstallatie Temand kan op verschillende manieren worden blootgesteld aan ziekteverwekkende micro-organismen. Dit kan door direct contact met de mest, door het verwaaïing en verspreiding via lucht, water of bodem of afspoeling naar grondwater of sloten. Of mensen daar ook daadwerkelijk ziek van worden hangt af van onder

andere het niveau en de duur van de blootstelling. Tevens speelt de algehele gezondheid van de betroffen persoon daarin ook een belangrijke rol. In de mestverwerkingsinstallatie wordt bedrijfseigen mest en mest van derden verwerkt. De bedrijfseigen mest wordt vanuit de mestopslagen onder de stallen naar de installatie gepompt. Het betreft hier een gesloten systeem waarbij geen emissies van geur, geluid, fijnstof of andere stoffen vrijkomen. De mest van derden zal worden aangevoerd per vrachtwagen. Het lossen gebeurt door een slang aan te koppelen op een gesloten leidingsysteem. Bij het lossen kan enige geuremissie ontstaan. Deze is echter gering en van korte duur.

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

20

Ë_ IIMETS / Farmconsuit De ruwe mest wordt opgeslagen in een mestsilo (tanks 1, 2 en 9). Hier wordt onder uit de tank het dikke (vezelachtige) materiaal middels een voorscheidingsinstallatie (decanter) eruit gehaald. Deze voorscheidingsmachine is opgesteld in het gebouw tussen de silo's. Deze stap vindt inpandig plaats. Er is geen emissie van geur of stoffen naar buiten. Dikke fractie

De dikke fractie wordt getransporteerd met een vijzel naar de inpandige vaste mestopslag. Hierna wordt deze getransporteerd wordt naar de hygiënisatie-unit. Het hygiëniseren van de mest gebeurt d.m.v. warme lucht. De lucht wordt d.m.v. 3 ventilatoren aangezogen door de warmtewisselaar. Aansluitend wordt de lucht opgewarmd door radiatoren. Vervolgens trekt de lucht door de droogbanden omhoog en wordt via een centraal afzuigkanaal door de buizen van de warmtewisselaar naar de luchtwasser getransporteerd. Tussen de droogbanden en de wisselaar zijn sproeiers geplaatst. Deze zorgen ervoor dat stof, geur en ammoniak neerslaan in het water. Dit water wordt naar een stoffilter getransporteerd. Het water kan door het filter opnieuw gebruikt worden. Het neergeslagen stof wordt weer toegevoegd in de ingaande stroom van de installatie. De luchtwasser aan het eind van het systeem haalt de laatste delen stof, geur en ammoniak uit de lucht, zodat er (nagenoeg) geen emissies van geur, fijnstof en ammoniak meer overblijven. Het spuiwater van de wasser dat bij dit proces overblijft, wordt opgeslagen in de spuiwatersilo. Omdat er tijdens het hygiënisatieproces vrijwel geen emissies naar buiten optreden zijn er op het gebied van gezondheidsaspecten voor de omgeving geen nadelige gevolgen te verwachten. Na de hygiënisatie stap wordt de dikke fractie getransporteerd naar containerbakken.

Doorgaans zullen 3 tot 4 containers aanwezig zijn op het bedrijf om gevuld te worden met de gedroogde dikke fractie. De te vullen containerbakken staan eveneens inpandig opgesteld en zullen rustig gevuld worden zodat zo min mogelijk stof ontstaat. De lucht vanuit de containerruimte wordt eveneens afgezogen via de luchtwasser. Houtkachel

De hygiënisatie-unit maakt gebruik van warmte afkomstig van een hout gestookte kachel. Voor de emissies vanuit de kachel is door Buro Blauw een verspreidingsberekening gemaakt. Uit deze berekeningen volgt dat de grenswaarde voor jaargemiddelde concentratie PM10 niet wordt overschreden. Tevens dragen de wijzigingen ook niet in betekenende mate biij aan de achtergrondconcentratie. Daarnaast wordt de jaargemiddelde grenswaarde voor PM2,5 niet overschreden. Een ontoelaatbare toename van gezondheidseffecten voor de omgeving is dan ook niet te verwachten. Dunne fractie

De dunne drijfmest (< 3% droge stof) wordt verpompt naar een gemengde denitrificatietank waar vanwege

een biochemisch zuurstofverbruik (BZV)stikstof (N) verhouding van 3:1, nitraatstikstof (NO3-N; gevormd is in de Nitrificatietank) omgezet wordt naar stikstofgas (N2). Denitrificatie is omzetting van nitrietstikstof (NO2N) en NO3-N naar het onschuldige N2. Dit betekent dat de omgezette NH4-N (ammoniumstikstof) in de beluchtingstank omgezet wordt via denitrificatie als stikstofgas, dit kan vrij in de lucht worden opgenomen, (het normale stikstofgas waar de lucht op aarde voor 78 volumeprocent uit bestaat) Vanuit de denitrificatietank is onder vrij verval een leiding aangelegd om de nitrificatieruimte te voeden. In de nitrificatieruimte wordt een recirculatiepomp geplaatst met een capaciteit van ong. 35 m3/uur. Onder in

de

nitrificatietank

ligt

een

buizenframe

met

daarop

gemonteerde

beluchtingsschotels.

Door

deze

beluchtingsschotels wordt lucht geblazen die vanwege de membraan-techniek hele kleine luchtbelletjes leveren, waardoor de O2-overdracht optimaal plaatsvindt. Wanneer er te veel schuim ontstaat wordt er automatisch antischuimmiddel toegevoegd. Dit antischuimmiddel bevat geen gevaarlijke stoffen of preparaten die vrijkomen onder normale of voorzienbare omstandigheden ten aanzien van het gebruik. Bij normaal gebruik is er derhalve geen gevaar voor de omgeving. D.m.v. bacteriën en zuurstof wordt de NH4 verwerkt naar NO3. Vanwege de recirculatie komt ong. 35 m3/uur weer in de DR zodat een continu-doorlopend proces wordt gecreëerd.

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

21

Ë_ IIMETS / Farmconsuit

In

het

proces

wordt

naast

een

CZV-hulpstof

een

doseerinstallatie

gemaakt

voor

het

doseren

van

kalkmelksuspensie, Deze suspensie wordt opgeslagen in een kalkmelkopslagtank (tank 8) en veroorzaakt geen stof dat naar de omgeving kan verwaaien. Kalkmelk dosering is nodig om het proces te kunnen bijsturen om aan de eisen van het waterschap te kunnen voldoen v.w.b. het P-gehalte van max. 50 mg./l. Ervaring leert dat het onder normale omstandigheden niet nodig is kalkmelk toe te voegen. Er zal geen emissie plaats vinden van verontreinigde lucht. De "“geur-producerende tanks” zullen middels een gesloten leidingsysteem afgezogen worden door de Blower. De verontreinigde lucht zal door de biologische zuivering worden gereinigd. De tanknummers 1, 2, 4 en 9 + de voorscheidingsinstallatie met container

moeten worden afgezogen. Afzuiging is gerealiseerd door van genoemde tanks een leiding van 125 mm te koppelen aan een hoofdleiding 200 mm die m.b.v. van een afzuigventilator de af te zuigen lucht in de aanzuigkamer van de compressor perst. Dit betekent dat de afgezogen lucht middels de biologie (nitrificatieruimte) wordt gezuiverd. Een voordeel van dit systeem is dat er geen luchtzuiveringsinstallatie gemaakt hoeft te worden. Pompen en Blower zijn geplaatst in een gebouw tussen de silo's. Dit gebouw is goed geïsoleerd, zodat er geen geluidsoverlast is. Op de bijgevoegde milieutekening staan de verschillende tanks, silo's en besturingsgebouw vermeld. Het waterverbruik zal zich beperken tot het (eventueel) aanmaken van kalkmelk en het spoelen /reinigen van de voorscheidingsmachine en de laadlosplaats. Het verwacht waterverbruik op jaarbasis zal ong. 60 m3/jaar zijn. Voor kalkmelk aanmaak 1 m3/jaar (zie basisontwerp bewerkingsinstallatie voor drijfmest) en voor spoelen van de voorscheidingsmachine 59 m3/jaar. De kalkmelk zal in principe niet gebruikt worden, maar blijft achter de hand om in bepaalde situaties het proces te kunnen bijsturen. Praktijkervaring van de laatste jaren leert dat er eigenlijk geen kalkmelk nodig is. Naast de hiervoor beschreven

riolering zijn e geen andere bedrijfsriolen aanwezig. Alleen nog de hemel-

water afvoer naar de sloten en de afvoer van de IBA bestemt voor de woningen op het erf. Reinigingswater in de stallen wordt afgevoerd naar de drijfmestkelders en komt via de drijfmest in de installatie terecht. Effuent

Het effluent wat over blijft zal opgevangen worden in de Effluenttank (tank 5) en geloosd worden op het riool. De aanwezige riolering, welke nu ook al aanwezig is conform de vigerende vergunning, zal hiervoor gebruikt blijven worden. Het lozingsdebiet komt gemiddeld per uur uit op circa 4 m? met een maximum per uur van 5 m3. Op jaarbasis komt dit neer op circa 30.000 m3 effluent. Veiligheidsmaatregelen ter voorkoming van emissie en verontreinigingen: De houten tanks (de tanks NR en DR) zijn niet afgedekt omdat de emissie uit deze tanks minimaal is. Het product is door de biologische inhoud dusdanig verdund, dat er vrijwel geen emissie plaatsvindt. De houten tanks worden gebruikt als nitrificatie en de-nitrificatietanks. Alle andere tanks zijn van polyester en gesloten. Het lozen van het effluent gebeurt vanuit de tussen opslag op basis van overdruk. natuurlijk verval geloosd worden op het riool.

Er kan zo nooit op

Daarnaast staat de gehele installatie in een grote “lekbak” met een verdiepte put voor de installatie. Tevens is de laad/los plaats aangesloten op deze verdiepte put. Bij calamiteiten (bijvoorbeeld als een slang losschiet tijdens het lossen van de mest) komt de mest in deze put. Vanuit de put wordt de mest opgepompt met de dompelpomp terug in een van de silo's in de installatie. Elke silo heeft zijn eigen afsluiter. Het gehele proces van de mestverwerkingsinstallatie is dermate ingericht dat emissie van geur en stoffen en daarmee gepaard gaande gezondheidsrisico's voor omwonenden zo laag mogelijk wordt gehouden.

M.e.r.-beoordelingsnotitie ocatie Oude Borculoseweg 5 Groenlo

22

Ë_ IIMETS / Farmconsuit

4.5.3 Maatregelen op bedrijfsniveau Binnen de inrichting zijn maatregelen getroffen om de insleep en verspreiding van ziektekiemen te voorkomen en de uitstoot van stoffen te reduceren. Een goed ontwerp van de stal en goede bedrijfsvoering zijn hierbij erg belangrijk. Daarnaast minimaliseert een gezond dierbestand de kans op problemen met volksgezondheid. Het houden van vleeskalveren vereist de nodige hygiëne-maatregelen om insleep en eventuele verspreiding van besmettelijke dierziekten zo veel mogelijk te voorkomen.

De volgende maatregelen worden getroffen: . e

.

Periodieke reiniging en desinfectie van gebouwen en materialen Bezoekersregeling: in principe worden er zo weinig mogelijk bezoekers toegelaten in de stallen en in het ‘schone gedeelte’ van het bedrijf. Derden die noodzakelijke diensten verrichten en controleurs van wie de toegang wettelijk is vastgelegd, vormen een uitzondering. Het dragen van bedrijfskleding en bedrijfsschoeisel dat op het bedrijf wordt verstrekt.

e

Waar nodig zullen dieren preventief ingeënt worden.

e

Het gebruik van antibiotica wordt zoveel mogelijk beperkt en er wordt voldaan aan de PVE-verordening voor antibioticaregistratie en verantwoord antibioticaverbruik. Goede ongediertebestrijding die wordt verzorgd door een professionele ongediertebestrijder Het bedrijf heeft een bedrijfsgezondheidsplan. Dit is een door de dierenarts opgesteld plan waarin de voorgenomen behandelwijze van de mogelijk optredende dierziekten op het bedrijf van de ondernemer wordt vastgelegd en waarin de maatregelen zijn beschreven om het gebruik van antibioticum te beperken. Door een optimale klimaatregeling worden emissies in de stal gereduceerd en wordt naar de laatste stand der techniek naar behoefte geventileerd. Hiermee wordt voorkomen dat er teveel of te weinig geventileerd wordt zonder noodzaak. De emissies van ammoniak, geur en fijnstof zijn een resultante van

e .

e

het ventilatiedebiet en de concentratie in de lucht. Een lager debiet geeft, zelfs als de concentratie in de

e

Iucht toeneemt, lagere emissies. En de situering van de uitstroom van de stallucht is zo gekozen dat de belasting van omliggende woningen is geminimaliseerd. Binnen de inrichting vindt een registratie plaats van de hoeveelheid mest afkomstig van de inrichting en van de aangevoerde mest afkomstig van een nevenvestiging of van derden dat wordt verwerkt in de mestverwerkingsinstallatie. De registratie voldoet aan de eisen van de Meststoffenwetgeving. In het registratiesysteem wordt het volgende vermeld: -De aanvoer van mest, datum van ontvangst van de vracht, hoeveelheid per vracht, locatie waar de

vracht van afkomstig is (registratie door middel van VDM (afvoerbonnen)) ; -De afvoer van gescheiden materiaal en surplus slib/dikke fractie (registratie door middel van VDM (afvoerbonnen)); -De afvoer van effluent op het rioolstelsel (registratie door middel van een meter en monitoring door het waterschap Rijn en IJssel); -Een kopie van het vervoersbewijs.

(geanonimiseerd) en een 15 tal collega De mest die de MVI ingaat komt van de eigen bedrijven van maatschap N veehouders in de regio. Met deze bedrijven waarvan de mest wordt aangevoerd is vooraf een overeenkomst gesloten. Hierin wordt onder andere vastgelegd dat er alleen mest geleverd mag worden waarin geen toevoegingen zitten. Bovendien nemen deze veehouders deel (financieel) in de MVI. Zij zijn direct betrokken bij de MVI en hebben er belang bij dat de installatie goed en efficiënt draait. De mest wordt opgehaald door 2 vaste transporteurs (erkende intermediair). Deze transporteurs kennen alle bedrijven en weten welke mest van welk bedrijf komt. Ze plannen de transporten zo dat er altijd van verschillende bedrijven mest in de MVI aanwezig

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13794653/1