Bijlage 1 transitievisie warmte oost gelre
Tekst van het document
De potentie van deze bron wordt als laag ingeschat omdat er geen drinkwaterwinning in de gemeente aanwezig is.
24
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Hoofdstuk 5 De route naar aardgasvrij Op basis van een data-analyse en diverse sessies met stakeholders is de eerste aanzet gemaakt van de routekaart: een globaal overzicht van verschillende deelgebieden in de gemeente, gekoppeld aan de meest voor de hand liggende techniek. Deze keuzes liggen niet vast en worden in de loop van het proces steeds verder concreet gemaakt en in de tijd uitgezet.
25
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
5.1 Mogelijke warmteoplossingen per gebied Gezamenlijk met verschillende stakeholders is gekeken naar de specifieke bouwkenmerken van de gemeente om hier passende warmtebronnen en technieken aan toe te wijzen. In de routekaartsessies die plaatsvonden in het voorjaar van 2021 kwam een groot aantal relevante stakeholders samen om in gesprek te gaan over mogelijke warmteoplossingen in de gemeente Oost Gelre. Er is gelet op bouwjaar, isolatiestatus, bouwdichtheid, gebruik, bezit en koppelkansen. Met koppelkansen wordt gekeken of andere opgaven lopen waar de warmtetransitie aan gekoppeld kan worden. Dit kunnen technische koppelkansen zijn (vervanging riolering combineren met verzwaren elektriciteitsnet) als ook sociale koppelkansen (woningen verduurzamen in gebieden waar ook een armoedebestrijding project loopt). Aan de hand daarvan is de gemeente verdeeld in zeven categorieën met een gelijksoortige bebouwing en daarmee ook een gelijksoortige aanpak voor verduurzaming. In bijlage 6 staat weergegeven welke buurten behoren tot welke bouwcategorie. In deze paragraaf presenteren en onderbouwen we per categorie welke warmtebronnen en technieken hier het beste passen, in een samenvattend overzicht per gebiedscluster. Deze keuzes liggen niet vast en worden in de loop van het proces steeds verder concreet gemaakt en in de tijd uitgezet.
Een aantal van de vervolgstappen die nodig zijn om tot verdere realisatie te komen, komen ook aan bod. Dit zijn de vervolgstappen die we nu zien. In een later stadium gaan we kijken hoe en wanneer we deze zaken gaan oppakken. In paragraaf 5.2 wordt de visie vergeleken met enkele modellen en wordt de argumentatie achter de techniekkeuze (het ‘waarom’) verder uitgewerkt. Bedrijventerreinen
Techniek
Waarom
Vervolgstappen
(LT) individueel/ maatwerk, in
Nieuwe(re) bedrijventerreinen Laarberg en Lindebrook hebben potentie voor laagtemperatuur (LT) warmte. Ondernemers
▪
Actief communiceren (IKGL)
afstemming met bedrijven
komen vaak met een eigen initiatief. We willen hen voldoende vrijheid hiervoor geven en onderzoeken of zij ondersteuning nodig hebben vanuit de gemeente. Een belangrijk obstakel is op dit moment de beperking in het terugleveren van elektriciteit. Dit vraagt om een oplossing.
▪
Techniek
Waarom
Vervolgstappen
(HT, LT waar kan) individueel/(HT) kleinschalige collectieven
Deze techniekkeuze volgt uit zowel de routekaartsessie als uit de Startanalyse en hangt samen met de lage bouwdichtheid en het (relatief lage) aantal woningen. Bij de overgang op individuele technieken en kleinschalige collectieven is het betrekken van inwoners belangrijk. Een aparte benadering rekening houdend met de identiteit van de kleine kernen is hierbij een aandachtspunt. De bouwkenmerken zijn echter soortgelijk dus er zijn overeenkomsten in de te treffen (isolatie)maatregelen en technische mogelijkheden.
▪
▪
▪
Netcapaciteit vergroten Onderzoek starten naar wensen en kansen ondernemers Informeren en verduurzaming faciliteren
Kleine kernen
▪
▪
▪
Actief communiceren per kern Betrekken van energiecoöperaties, dorpsbelangenorganisaties en Agem energieloket Informeren en verduurzaming faciliteren Collectieve inkoop of one-stop-shop aanbieden
26
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
verduurzamen op natuurlijke momenten.
Oude panden centrum Groenlo en Lichtenvoorde
Techniek
Waarom
Vervolgstappen
Maatwerk)/ LT warmtenet gevoed door TEO voor zorgcentrum Molenberg
De vooroorlogse panden waaronder stadsgezichten zijn lastiger na te isoleren zowel technisch als door regelgeving uit gemeentelijk onderzoek blijkt echter dat verduurzaming d.m.v. maatwerk toch goed mogelijk is.
▪
Herbouw op korte termijn van het zorgcentrum Molenberg biedt kansen voor een LT TEO warmtenet uit Grolse gracht of de Groenlose Slinge.
▪
▪
▪
▪ ▪
Onderzoek starten naar LT warmtenet uit TEO voor Molenberg en omgeving Onderzoek starten naar werkelijke potentie biogas uit mest, akkerbouwrestromen en slib In gesprek met ondernemers utiliteitspanden Hybride warmtepomp voorstellen als tussenoplossing Informeren en verduurzaming faciliteren Bekijken potentie warmte van RWZI Lichtenvoorde
Buitengebied
Techniek
Waarom
Vervolgstappen
(HT, LT waar kan) individueel/ kleinschalig collectieven vanuit boeren (ook i.c.m. zonnestroom opwek projecten)
Vanwege de lage bouwdichtheid ligt een mix van individuele en klein collectieve oplossingen voor de hand. Hier valt veel besparing te halen. Daarom willen we inwoners actief ondersteunen bij
▪
Actief informeren en verduurzaming faciliteren
Gebouwd na 1992
Techniek
Waarom
Vervolgstappen
LT individueel/LT kleinschalige collectieven
1992 is het jaar waarin een eis voor minimale isolatiewaarde van nieuwe panden werd opgenomen in het Bouwbesluit. Daarom is het betrekkelijk makkelijk om over te gaan op laagtemperatuur-technieken. Dit vraagt om goede communicatie richting inwoners, opdat inwoners op natuurlijke momenten isoleren.
▪
Informeren en verduurzaming faciliteren
Seriematige jaren 60/70 bouw en jaren 80 bouw gemengd
Techniek
Waarom
Vervolgstappen
Hybride of LT individueel/ warmtenet gevoed door TEA/TEO
Seriematige jaren 60-70 bouw en woningcorporatiebezit maakt het gemakkelijker om seriematig te isoleren, in te kopen of over te gaan op (klein) collectief. De ligging van riool persleidingen en de Slinge biedt mogelijkheden voor TEA en/of TEO warmtenetten voor Groenlo en de RWZI voor Lichtenvoorde. De jaren ‘80 woningen vallen soms onder deze categorie, soms onder "gebouwd na 1992" omdat zij ook met betrekkelijk weinig maatregelen naar laagtemperatuur kunnen.
▪
▪
▪
▪
Onderzoek starten naar warmtenet uit TEA of TEO Actief communiceren (inzetten op isoleren) Collectieve inkoop of one-stop-shop aanbieden In contact blijven met woningcorporaties ProWonen en De Woonplaats
27
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Samenvatting van gekozen technieken Er zijn kleine verschillen in de gekozen technieken per categorie maar het meest voorkomend in de gemeente Oost Gelre is individuele- of klein-collectieve systemen. Hierbij gaat de voorkeur uit naar laagtemperatuur warmtepompen, wanneer deze op korte termijn gerealiseerd kunnen worden. Indien dit niet het geval is, is de hybride warmtepomp een goede optie omdat de benodigde isolatiewaarde van het gebouw in dat geval lager is - idealiter label B - dan voor laagtemperatuur warmtepompen. Dat betekent dat de isolatieopgave voor de inwoner kleiner is, maar er al wel een flink percentage aan aardgas wordt uitgespaard. De hybride warmtepomp kan op deze manier een goede tussenoplossing vormen voor het geleidelijk verduurzamen van gebouwen of zelfs een eindoplossing vormen wanneer de hybride warmtepomp wordt gecombineerd met groengas. Er is nader onderzoek nodig om de werkelijke potentie van groengas in de gemeente vast te stellen. Klein-collectieve warmtenetten zijn warmtesystemen waarbij meer dan één woning of gebouw wordt verwarmd door een collectieve warmtepomp. Een collectieve warmtepomp aangesloten op enkele diepe (tot 450 meter) bodemlussen kan financieel gunstiger zijn dan wanneer de gebouwen overgaan op individuele (bodemgekoppelde) warmtepompen.
Daarnaast is de ruimtelijke impact voor de bewoner kleiner omdat de lus niet in eigen achtertuin geslagen hoeft te worden en de warmtepomp niet naast het huis hoeft te staan. Klein-collectieve systemen zijn financieel haalbaar vanaf enkele tientallen woningen met een betrekkelijk hoge warmtevraag. Denk aan gebouwen aan de rand van het dorp of lintbebouwing. Voor het buitengebied is de onderlinge afstand tussen gebouwen vaak te groot. Dergelijke kleinschalige collectieven worden niet toegewezen in de TVW maar zullen vanuit de gemeenschap zelf worden georganiseerd en kunnen mogelijk een grotere rol krijgen in wijkuitvoeringsplannen. Het is niet verassend dat de gekozen technieken hoofdzakelijk individuele- of klein-collectieve systemen zijn. Er zijn namelijk weinig bronnen voor grootschalige warmtenetten en de bouwdichtheid is
relatief laag in het merendeel van de gemeente. Toch zijn er kansen geopperd voor warmtenetten gevoed door oppervlaktewater uit de Grolse gracht of Groenlose Slinge en afvalwater uit persleidingen voor Groenlo en de rioolwaterzuiveringsinstallatie bij Lichtenvoorde. Dit komt ook naar voren in de warmtekaart van de Regionale Structuur Warmte, een bijlage van de RES van de Achterhoek. Zorgcentrum Molenberg noemen wij specifiek omdat dit grote centrum wordt herbouwd en nieuwbouw een gunstigere businesscase maakt voor een laagtemperatuur warmtenet. Er moet onderzocht worden of een dergelijk net uitgebreid kan worden naar de naastgelegen utiliteitspanden of omliggende jaren 60-70-80 woningen, hoeveel warmte werkelijk gewonnen kan worden en welk temperatuurniveau het meest gunstig is voor een dergelijk net.
Vervolgstappen: communicatie en onderzoek Uit de beschrijving van de gekozen technieken in de routekaart wordt duidelijk dat er in opvolging van de TVW nog enkele zaken onderzocht moeten worden. Zo zal de werkelijk potentie van groengas in de gemeente vastgesteld moeten worden. Dit is met name van belang omdat de hybride warmtepomp een veel toegewezen techniek is voor Oost Gelre. Daarnaast moet onderzocht worden of warmtenetten gevoed door TEO en TEA technisch en financieel mogelijk zijn voor Groenlo en Lichtenvoorde. Om tot een plan van aanpak te komen voor de ondernemers gevestigd op de bedrijventerreinen en in de centra van Groenlo en Lichtenvoorde, moet de gemeente met hen in gesprek. Ditzelfde geldt voor particuliere woningeigenaren waarbij de inwoners in de kleine kernen en van seriematige jaren 60-70 bouw de prioriteit hebben omdat hier kansen liggen deze versneld te verduurzamen. Zo is de gemeenschapscohesie vaak sterk in de kernen en is er bereidheid. De seriematige jaren 60-70 bouw maakt een collectieve aanpak mogelijk, zeker in samenwerking met de woningcorporatie.
28
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Gebied
Routekaart
PBL Startanalyse
OverMorgen Warmtetransitiemodel
bedrijventerreinen
maatwerk
individuele elektrische warmtepomp
lokaal bronnet (WKO, TEO, TEA)
kleine kernen
hybride warmtepomp, individuele elektrische warmtepomp en (HT) kleinschalige collectieven maatwerk, LT warmtenet gevoed door TEO voor zorgcentrum Molenberg en omringende panden hybride warmtepomp, individuele elektrische warmtepomp en (HT) kleinschalige collectieven individuele elektrische warmtepomp en (LT) kleinschalige collectieven
hybride warmtepomp met groengas
individuele elektrische warmtepomp
oude panden centrum Groenlo en Lichtenvoorde buitengebied
gebouwd na 1992
seriematige jaren 60/70 bouw en jaren 80 bouw gemengd
hybride warmtepomp, individuele elektrische warmtepomp, kleinschalige collectieven en warmtenetten gevoed door TEA of TEO
individuele elektrische warmtepomp
individuele elektrische warmtepomp en warmtenet
hybride warmtepomp met groengas
onvoldoende gegevens
hybride warmtepomp met groengas en individuele warmtepomp
individuele elektrische warmtepomp
hybride warmtepomp met groengas
Daarnaast is een voorwaarde om de verduurzaming van Oost Gelre vaart te geven, dat nieuwe grootverbruikers aan kunnen sluiten en terug kunnen leveren op het elektriciteitsnet. De huidige congestieproblemen met het elektriciteitsnet maakt ondernemers ook minder enthousiast voor de overstap op een all-electric warmtevoorziening.
5.2 Vergelijking routekaart met Startanalyse PBL en Warmtetransitiemodel Overmorgen Om de toegewezen technieken uit de routekaartsessie te toetsen op aannemelijkheid, hebben we de uitkomsten vergeleken met twee modellen: de Startanalyse van PBL en het Warmtetransitiemodel van OverMorgen. Beide modellen baseren het toewijzen van technieken op maatschappelijke kosten en nemen andere overwegingen niet mee. De methode van beide modellen verschilt echter en dit beïnvloedt ook de uitkomsten. In de tabel op de volgende pagina zijn de technieken per bouwcategorie uit de routekaartsessie uitgezet tegen de goedkoopste technieken voor deze buurten volgens de modellen. De gearceerde cellen geven weer waar er verschillen zijn tussen de modellen en de routekaart. In de tabel wordt tevens toegelicht of deze verschillen verklaard kunnen worden met de gehanteerde methode in de modellen.
Bedrijventerreinen individuele elektrische warmtepomp en warmtenet
In de routekaartsessie is vastgesteld dat ondernemers de vrijheid moeten krijgen om zelf de keuze voor een specifieke duurzame warmtetechniek te maken. Waarbij het aannemelijk is dat dit individuele of klein-collectieve oplossingen zullen zijn. Volgens de Startanalyse is de hybride warmtepomp met groengas de strategie met laagste maatschappelijke kosten. Omdat echter het kostenverschil ten opzichte van individuele elektrische warmtepompen kleiner is dan voor andere buurten, vindt het model de strategie individuele elektrische warmtepomp de beste optie. Het Warmtetransitiemodel berekent geen maatschappelijke kosten voor utiliteitsbouw maar geeft in plaats daarvan het advies lokaal bronnet
29
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
voor buurten met veel utiliteitsbouw. Een lokaal bronnet is een warmtenet gevoed door warmtekoudeopslag, op zichzelf of met generatie uit oppervlaktewater of afvalwater. De redenatie is dat utiliteitspanden vaker een koudevraag hebben in vergelijking tot woningen. Dit is gunstig voor de toepassing van warmtekoudeopslag aangezien er balans moet zijn tussen de warmte en koude onttrekking. Daarnaast maakt de grotere energievraag van bedrijfspanden dat er minder panden per WKO-systeem nodig zijn. Volgens de Startanalyse is een (WKO) warmtenet met laagtemperatuurbron echter geen voordelige keuze voor de bedrijventerreinen. De drie adviezen verschillen niet van de routekaart omdat het varianten zijn van de warmtetechnieken geschikt voor utiliteitsbouw en dus vallen onder ‘maatwerk’.
Kleine kernen De techniek toegewezen aan kleine kernen in de routekaartsessie is een combinatie van hybride warmtepompen en kleinschalige hoogtemperatuur collectieven met laagtemperatuur warmtepompen waar dit kan. De Startanalyse geeft eenzelfde uitkomst, met de laagst maatschappelijke kosten voor de strategie hybride warmtepomp met groengas. Het Warmtetransitiemodel komt uit op individuele (laagtemperatuur) warmtepompen. De reden hiervoor is dat het model alleen het hybride scenario toewijst aan panden waarvoor een warmtenet scenario goedkoper is dan individuele warmtepompen (de eerste vergelijking in het model). Omdat de infrastructuurkosten voor een nieuw warmtenet worden ondergebracht in de jaarlijkse warmtekosten voor de bewoner zijn deze dus niet afhankelijk van de bouwdichtheid. De bepalende factor in het model voor de keuze tussen individuele warmtepompen of een warmtenet (en daarna hybride/groengas) zijn de nodige isolatiekosten. Deze liggen voor het (HT) warmtenet scenario lager. Dit betekent dat alleen zeer oude panden het warmtenet scenario krijgen toegeschreven. De gemiddelde bouwperiode in de kleine kernen is echter jaren 60-70. Dit betekent echter niet dat het hybride scenario niet voordeliger is dan zowel individuele warmtepompen als een warmtenet. Maar deze vergelijking wordt niet in het model gemaakt.
Oude panden centrum Groenlo en Lichtenvoorde De oude centra hebben een zeer gemêleerde bebouwing met een grote variatie in bouwjaren en naast woningen veel utiliteitsbouw. Dankzij deze variatie in functie en de specifieke eisen voor monumentale panden luidt het advies “maatwerk”. Dit zal een combinatie zijn van verschillende individuele technieken. Voor zorgcentrum de Molenberg wordt gekeken naar een laagtemperatuur warmtenet gevoed door thermische energie uit oppervlaktewater. Deze nieuwbouw is echter nog niet gerealiseerd en zodoende ook geen onderdeel van de financiële model analyses. Volgens de Startanalyse is de hybride warmtepomp met groengas de strategie met laagste maatschappelijke kosten. Maar omdat het kostenverschil ten opzichte van individuele elektrische warmtepompen kleiner is dan voor andere buurten, vindt het model de strategie individuele elektrische warmtepomp de beste optie. Het Warmtetransitiemodel berekent geen maatschappelijke kosten voor de utiliteitspanden omdat de hoeveelheid openbare data op buurtniveau hiervoor beperkt is. Omdat een groot deel van de zeer oude panden in de centra utiliteitspanden zijn, is het advies van het Warmtetransitiemodel niet representatief.
Buitengebied Vanwege de lage bouwdichtheid luidt het advies uit de routekaartsessie een mix van individuele en klein collectieve oplossingen. De verwachting is dat een groot deel hiervan (voorlopig) hybride zal zijn omdat de meeste panden in het buitengebied oud zijn en een grote isolatieopgave hebben. De Startanalyse bekrachtigt dit. Het Warmtetransitiemodel geeft geen advies voor het buitengebied.
30
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Gebouwd na 1992 1992 is het jaar waarin een eis voor minimale isolatiewaarde van nieuwe panden werd opgenomen in het Bouwbesluit. Daardoor wordt dit jaartal vaak aangehouden als grenswaarde waarbij wordt aangenomen dat woningen gebouwd na 1992 betrekkelijk gemakkelijk over kunnen op laagtemperatuur warmtetechnieken. Met het nemen van 1 of 2 isolatiemaatregelen kan de woning veelal al over op laagtemperatuur warmte. In andere gevallen is het ook noodzakelijk om vloerverwarming of grotere radiatoren te nemen. In werkelijkheid is de grens niet zo hard en geldt ditzelfde voor sommige (late) jaren 80 woningen. Meer dan 50% van de woningen in deze categorie in Oost Gelre hebben al energielabel B. In Flierbeek hebben de meeste woningen al energielabel A (schillabel onbekend). De keuze om deze woningen gereed te maken voor laagtemperatuurtechnieken en schaarsere hoogtemperatuur bronnen uit te sparen is een logische. Wij kunnen niet verklaren waarom volgens de Startanalyse de hybride strategie de beste optie is (het kostenverschil t.o.v. all-electric groot is).
Seriematige jaren 60/70 bouw en jaren 80 bouw gemengd De buurten met veel jaren 60/70 bouw zijn apart genomen omdat zij veelal in grote aantallen gebouwd zijn met overeenkomstige bouwkenmerken. Dit geeft kansen voor collectieve warmtetechnieken maar ook een collectieve aanpak van de transitie zoals collectieve inkoop en één handelingsperspectief voor meerdere straten. Ook is het woningcorporatiebezit veelal uit deze periode. In deze gebieden zien we veel C en D labels die op natuurlijk momenten verduurzaamd kunnen worden. Jaren 80 bouw valt soms onder de zelfde categorie, andere keren onder de noemer ‘gebouwd na 1992’. In de routekaartsessie is voor deze categorie panden vastgesteld individuele laagtemperatuur warmtepompen waar kan, maar waarschijnlijk voorlopig veel hybride warmtepompen. Met een technische levensduur van 15 jaar geeft deze techniek ook de kans om
na deze periode de situatie weer te herzien. Ook warmtenetten gevoed door afvalwater uit de persleidingen bij Groenlo en RWZI bij Lichtenvoorde en oppervlaktewater rondom Groenlo is geopperd. De Startanalyse komt op laagst maatschappelijke kosten voor de hybride warmtepomp. De Warmtetransitietool schrijft echter aan meerdere buurten het advies individuele warmtepomp toe en voor andere buurten liggen volgens het model de maatschappelijke kosten voor een warmtenet of individuele warmtepomp dicht bij elkaar. Overmorgen geeft de reden voor dit verschil zelf al aan in hun rapportage: “De verklaring voor dit verschil in uitkomsten komt door de verschillende benadering van duurzaam gas in beide modellen. De Startanalyse wijst gasnet toe op nationaal niveau op basis van de kosten. Het WTM wijst gasnet toe aan buurten die bouwkundig het meest complex zijn (bijv. vooroorlogse woningen). Met een gemiddeld bouwjaar van 1970 zijn deze buurten niet het meest complex.” Dit is dezelfde reden als voor de categorie ‘kleine kernen’. Gezien de betrekkelijk hoge potentie voor groengas in de gemeente, en de voordelen van hybride warmtepompen als tussenoplossing, blijft deze warmtetechniek een goede optie voor deze bouwcategorie. Volgens de PBL analyse is een 70°C warmtenet gevoed door een laagtemperatuurbron voor Groenlo bijna tweemaal zo duur als de hybride strategie.
De persleidingen die hier lopen maken echter geen onderdeel van de mogelijke restbronnen volgens het model en de kosten zijn dus niet hier op gebaseerd.
5.3 Waar willen we starten? Naast het toewijzen van een techniek, is er op basis van de analyses en de routekaartsessies ook gekeken in welke gebieden in de gemeente mogelijk eerder gestart kan worden met verduurzamen in vergelijking met andere delen van de gemeente. Omdat de technieken veelal individuele systemen zijn, wordt de snelheid van verduurzaming bepaalt door de inwoners zelf. In 2050 moet de hele gemeente, evenals alle andere gemeenten in Nederland, aardgasvrij zijn. De gemeente stelt
31
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
geen eisen aan wanneer delen van de gemeente tussentijds aardgasvrij moeten zijn. Wel wil de gemeente de snelheid van verduurzaming bevorderen door in een startbuurt diepgaander onderzoek te doen naar de mogelijkheden, actief te communiceren met inwoners en woningcorporaties en hun wensen en ideeën vast te stellen. Daarnaast kan de gemeente gerichte acties organiseren zoals collectieve inkoop, leningen aanbieden, wooncoaches aanbieden, een one-stop-shop opzetten of in de startbuurt beginnen met het verduurzamen van het gemeentelijke vastgoed. Om vast te stellen in welke buurt de gemeente het beste kan beginnen met deze verdieping is samen met verschillende stakeholders gekeken naar kansen om de verduurzaming te koppelen aan andere activiteiten. Dit kunnen zowel technische als sociale koppelkansen zijn. Denk hierbij aan werkzaamheden in de straat, een actieve inwonersgroep, plannen van woningcorporatie of de aanwezigheid van een energiecoöperatie. Hier zijn twee buurten uit naar voren gekomen: Lichtenvoorde Hooiland en Groenlo Noord-West. Hooiland komt naar voren als mogelijke startbuurt omdat hier reeds een bewonersinitiatief is. Bewoners hebben een buurtteam geformeerd die onder de naam Buurkracht warmtefoto’s heeft gemaakt in de buurt. Er is dus vanuit (een deel van) de inwoners wil om te verduurzamen. Daarnaast is er een hoog percentage woningcorporatiebezit (39%).
Dit geeft kansen om samen met de woningcorporatie acties op te pakken en meer bewoners in één keer te bereiken. Ook geeft de wijk wat betreft energielabels een divers beeld weer. Ook in Noord-West is betrekkelijk veel corporatiebezit (16%). Hier is er een initiatief vanuit woningcorporatie De Woonplaats om woningen te verduurzamen en over te gaan op hybride warmtepompen. Hier ligt mogelijk een kans om particuliere woningeigenaren ook mee te nemen met collectieve inkoop. Daarbij kan het verduurzamen van het bezit van de Woonplaats als voorbeeld dienen naar de omringende
woningeigenaren. In beide wijken zijn er al initiatieven geweest rondom verduurzaming, de eerste participatie stappen zijn hierdoor al enigszins georganiseerd. Naast de gesprekken met relevante stakeholders is aan de hand van een multicriteria analyse tool van OverMorgen een prioritering gegeven aan alle buurten in de gemeente Oost Gelre. Dit is gedaan door weging te geven aan verschillende criteria die van invloed zijn op het wel of niet willen starten in een bepaalde buurt. In bijlage 7 is een beschrijving van deze weging opgenomen. Uit deze multicriteria-analyse komt een prioritering (lijst) van buurten waarin het voor de hand ligt om te beginnen met de warmtetransitie in de gemeente. In deze lijst staat Hooiland op de eerste plaats als startbuurt. Ook Noord-West eindigt hoog wanneer het initiatief van De Woonplaats wordt meegenomen. Beide buurten eindigen hoog omdat zij uniform zijn in structuur en bouwtype, dit houdt in dat er veel woningen zijn met een soortgelijke architectuur en/of gebouwd met soortgelijke materialen. Er staat veel jaren 60/70 bouw waarbij hele straten in één keer zijn gebouwd en een soortgelijke bouw hebben. Dit geeft kansen om het verduurzamen gezamenlijk te organiseren. Zo kan bijvoorbeeld een hele straat in één keer de spouw laten vullen, of kunnen inwoners eenzelfde type warmtepomp kopen.
Omdat de woningen gelijk zijn, zijn de aanpassingen en systemen voor de woningen ook gelijk. Daarnaast hebben beide buurten veel woningcorporatiebezit wat kansen biedt om in één slag, via één kanaal meerdere woningen te bereiken. Daarnaast zijn er speciale financiële regelingen voor particuliere woningeigenaren (met een kleinere beurs) bij gespikkeld bezit. Zij kunnen via de Energiebespaarhypotheek tegen een gunstig tarief een lening krijgen om hun woning te verduurzamen en zo mee te gaan met het corporatiebezit. Ook wanneer zij via andere kanalen niet in aanmerking komen voor een lening. Er is meer te lezen over subsidies en leningen in hoofdstuk 7.
32
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Een uitdaging van deze startbuurten is dat het gemiddelde inkomen van de inwoners van Hooiland en Noord-West lager ligt dan in andere delen van de gemeente. Dit kan een reden zijn voor inwoners om geen isolatie maatregelen te willen treffen. Tegelijkertijd zijn het juist deze buurten waar de gemeente en andere stakeholders veel kunnen leren hoe dergelijke inwoners te ondersteunen, hoe de woningcorporatie een samenwerkingspartner kan zijn voor de gemeente en corporatiebezit mogelijk een voorbeeld kan zijn voor het particuliere bezit. Bovendien is het juist deze doelgroep die de meeste baat heeft bij meer financiële ondersteuning vanuit de gemeente. Zo kunnen inwoners van een startbuurt aanspraak maken op de Energiebespaarhypotheek en kunnen collectieve inkoopacties hen verder op weg helpen. Uit de multicriteria-analyse van Overmorgen komen de buurten Flierbeek en Zuid-West op de 2e en 3e plek. Het zijn deze wijken waar het gemiddeld inkomen hoger ligt. Deze buurten scoren hoog op kosteneffectiviteit. Het grootste deel van de woningen is gebouwd na 2000. Dit betekent dat er weinig aan de woning gedaan hoeft te worden om over te gaan op laagtemperatuurwarmte. Het zijn deze buurten die ook wel “het laaghangend fruit” wordt genoemd. Hier zijn gemakkelijker aardgasvrije woningen te realiseren.
Tegelijkertijd hebben de inwoners echter relatief minder baat bij ondersteuning vanuit de gemeente, over het algemeen minder behoefte aan financiële steun en er valt minder CO2 besparing te behalen doordat de woningen al beter geïsoleerd zijn. Zodoende is zowel op basis van de input van stakeholders als door de uitkomst van de multicriteria analyse gekozen om te starten in de wijken Hooiland (Lichtenvoorde) en Noord-West (Groenlo).
33
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Hoofdstuk 6 Financiering en betaalbaarheid Op dit moment weten we nog niet precies wat de transitie naar aardgasvrij in Nederland gaat kosten. Daarbij is de financiële impact van de transitie voor iedereen verschillend. Er zijn nog veel onduidelijkheden. In de stappen na de TVW wordt dit concreter inzichtelijk gemaakt. In dit hoofdstuk komen de financieringsmogelijkheden aan bod (zoals subsidies) en gaan we op hoofdlijnen in op de kosten van de transitie.
34
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
6.1 Financieringsmogelijkheden De betaalbaarheid van de warmtetransitie is een belangrijk punt van aandacht. In het Klimaatakkoord staat dat ‘de verduurzaming voor iedereen betaalbaar moet zijn, maar ook gefinancierd (moet) kunnen worden. Ook voor degenen die daar nu geen toegang toe hebben’. Woonlastenneutraliteit is daarbij het uitgangspunt. De overheid werkt aan verschillende financieringsconstructies die dit mogelijk maken. Hoe dit er precies uit komt te zien is nog onduidelijk. Een belangrijke rol hierbij ligt bij het Rijk. Het Rijk is bezig om een breed palet aan aantrekkelijke, toegankelijke en verantwoorde financieringsmogelijkheden te realiseren. In de transitie naar nieuwe bronnen worden investeringen gedaan. Die kunnen een besparing in energielasten opleveren en zorgen vaak voor meer comfort. Om de transitie mogelijk te maken zijn er subsidies en financieringsregelingen (duurzaamheidsleningen) beschikbaar. Deze hebben we hiernaast weergegeven. Uit verder onderzoek in de startbuurten moet blijken welke financieringsinstrumenten nodig zijn en hoe deze eventueel gecombineerd worden. Het Agem Energieloket geeft gratis persoonlijk advies over alle financiële mogelijkheden.
6.2 Betaalbaarheid van de warmtetransitie Alhoewel de uiteindelijke kosten nog onduidelijk zijn, weten we wel dat ze gaan verschillen per gebouw en gebied. Dit komt omdat de kosten voor elke techniek en elk type gebouw anders zijn. In het bepalen van de kosten maken we onderscheid tussen maatschappelijke kosten en eindgebruikerskosten. Deze kosten zijn bij voorkeur in balans en zo laag mogelijk. Op de volgende pagina staat beschreven wat deze kosten precies zijn. De combinatie tussen technische mogelijkheden en de kosten bepaalt uiteindelijk welke techniek het meest geschikt is. De kosten van een techniek zijn afhankelijk van veel verschillende factoren, waaronder: ▪ Het type gebouw: de oppervlakte en het aantal buitenmuren van een gebouw zijn van invloed op de investeringskosten en de maandlasten.
Subsidies Subsidies zijn er met name om de ‘onrendabele top’ af te dekken. Een nieuwe maatregel levert vaak besparing of meerwaarde voor het gebouw op. Soms is dit niet genoeg om de maatregel terug te betalen, of is het goed om deze maatregel extra te stimuleren. Er zijn verschillende subsidies: ▪ Subsidies voor particulieren bij het treffen van maatregelen, aansluiten op een warmtenet of aanschaf van installaties (ISDE) ▪ Subsidie Verduurzamen Woningen van de gemeente. Zie ook: Subsidie verduurzamen woningen | Gemeente Oost Gelre ▪ Proeftuinsubsidie aardgasvrije wijken voor gemeenten (PAW) ▪
Duurzaamheidsleningen Duurzaamheidsleningen helpen duurzame maatregelen te treffen, zonder dat iemand veel eigen geld hoeft te gebruiken. Een maatregel kan namelijk een voordelige keus zijn, maar niet direct te financieren. Een duurzaamheidslening moet worden terugbetaald, maar kent in de regel een lage rente. Er zijn verschillende duurzaamheidsleningen, waaronder: ▪ Energiebespaarlening voor particulieren en vve’s van het Nationaal Warmtefonds. Zie ook: Het Nationaal Warmtefonds- Energiebespaarlening ▪ Innovatie- en Energiefonds Gelderland voor Gelderse mkb-bedrijven. Zie ook: Innovatie- en Energiefonds Gelderland | Oost NL ▪ Toekomstbestendig Wonen Lening van de gemeente. Zie ook: Toekomstbestendig Wonen Lening | Gemeente Oost Gelre ▪ Energiebespaarhypotheek voor inwoners met een kleine beurs (beschikbaar vanaf 2021 via het Nationaal Warmtefonds)
35
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
▪
▪
▪
De huidige staat van het gebouw: afhankelijk van de leeftijd van een gebouw en de mate van onderhoud en renovatie (inclusief de mate van isolatie). De techniek: het ene alternatief is duurder dan het andere. Ook de kostenopbouw verschilt: in de ene optie gaat het vooral om kosten in het gebouw (zoals isolatie of installatie), in de andere optie gaat het vooral om kosten buiten het gebouw (zoals voor de infrastructuur). Daarmee komen de investeringen bij verschillende partijen terecht (eigenaren, netbeheerders, inwoners, energieleveranciers). Externe factoren: factoren zoals marktwerking en de prijs van aardgas zijn van invloed op alle soorten kosten. De TVW wordt om de 5 jaar herzien. Gedurende die periode veranderen er ook dingen op de markt waar we rekening mee houden.
▪ In Oost Gelre is te zien dat de relatieve kosten per inwoner waarschijnlijk in verhouding hoog zullen zijn. Dat komt omdat het gemiddelde woningoppervlakte relatief groot is (gemiddeld 153 m2, ten opzichte van een Nederlands gemiddelde van 119 m2), de gemiddelde woningwaarde iets lager (gemiddeld 214.000 euro, ten opzicht van een Nederlands gemiddelde van 248.000 euro) en het gemiddelde inkomen ook iets lager ligt (30.700 euro ten opzichte van een Nederlands gemiddelde van 33.300 euro). In combinatie met het gegeven dat er in Oost Gelre voornamelijk alleen individuele technieken mogelijk zijn, zorgt dat ervoor dat de kosten om de overstap naar aardgasvrij te maken in verhouding waarschijnlijk hoger liggen dan het Nederlandse gemiddelde. De hogere kosten zijn te ondervangen door alleen leefruimten te isoleren, collectief in te kopen, maatregelen te combineren en hybride oplossingen te combineren met bestaande verwarming. Daarnaast is het goed om in het achterhoofd te houden dat het isoleren van een woning resulteert in een gemiddelde waardestijging van de woning van 10%. En dat met het stijgen van de gasprijs, investeringen steeds vaker lonen.
Maatschappelijke kosten Dit zijn de totale financiële kosten in Nederland van alle maatregelen die nodig zijn om in een wijk of dorp van het aardgas af te gaan, ongeacht wie die kosten betaalt. Dit is inclusief de baten van energiebesparing, maar exclusief belastingen, heffingen en subsidies. Het gaat hier onder andere om de aanleg van een warmtenet, de verzwaring van het elektriciteitsnet, verwijderen van het gasnet en onderhoud van infrastructuur. Ook de investeringen van de inwoners zitten hierin. Maatschappelijke kosten worden ook wel nationale kosten genoemd.
Eindgebruikerskosten Eindgebruikerskosten zijn de kosten voor de inwoners en andere gebouweigenaren en kunnen worden onderverdeeld in investeringskosten en jaarlijkse kosten. Deze kosten geven weer welk deel van de kosten op de schouders van de bewoner valt. De investeringskosten zijn de eenmalige kosten voor de transitie naar een duurzame warmtetechniek. De jaarlasten zijn de kosten die de bewoner jaarlijks moet betalen. Voor meer informatie over mogelijke kosten, zie www.verbeterjehuis.nl. In de kosten zit er verschil tussen de investeringskosten en de jaarlijkse kosten. De investeringskosten zijn de kosten die iemand van te voren of bij aanschaf van de nieuwe techniek moet maken. De jaarlijkse kosten zijn de vaste lasten van meestal de bewoner of gebouweigenaar. De jaarlijkse kosten zijn afhankelijk van de leefstijl van de inwoners, de gebruikerskosten en de onderhoudskosten aan het systeem. Vanuit het Rijk is recent een model aangereikt - ontwikkelt door TNO waarmee de eindgebruikerskosten voor een aantal warmtetechnieken doorgerekend kunnen worden. Het model geeft zowel de investeringskosten als de nieuwe jaarlasten voor de bewoner. De kosten
36
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
worden berekend a.d.h.v. een vijftal woningtypen en het referentie energielabel kan worden gekozen. In een later stadium van de warmtetransitie kan met dit model voor specifieke wijken of woningtypen in Oost Gelre een eerste raming van de kosten worden gemaakt. Wat de kosten voor het aardgasvrij maken van een woning of gebouw ook worden, ze verschillen per situatie. Voor een reeds goed geïsoleerd gebouw waar al vloerverwarming aanwezig is kan de overstap op een warmtepomp met de huidige subsidies zonder al te grote investering plaatsvinden. Zeker wanneer dit gebeurt op het moment dat de huidige CV ketel aan vervanging toe is. Voor gebouwen waarin nog veel stappen genomen dienen te worden, lopen de kosten al snel op. Het is daarom goed om de natuurlijke momenten te benutten (verhuizing, vervangen keuken, nieuwe ketel, nieuwe vloer, nieuwe kozijnen) om de kosten zo laag mogelijk te houden. Wat de daadwerkelijke kosten worden en hoe dit gefinancierd gaat worden, wordt in de komende jaren verder uitgewerkt en is afhankelijk van politiek beleid op landelijk niveau.
37
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Hoofdstuk 7 Communicatie en participatie In de gemeente Oost Gelre gaan tot 2050 bijna 13.000 woningen en 2.000 andere van het aardgas af. Om dat te bereiken wordt in onze gemeente samengewerkt aan de lokale warmtetransitie, waarbij de gemeente de regie heeft. De gemeente kan, en wil, dat niet alleen doen. De warmtetransitie is een uitdagende opgave, die we alleen kunnen realiseren door samen te werken met betrokken partijen, zoals inwoners, bedrijven en instellingen en maatschappelijke organisaties.
38
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
7.1 Samenwerking
7.2 Communicatie- en participatiestrategie
De warmtetransitie is een collectieve opgave die vraagt om het bij elkaar brengen van kennis, investeringen en belangen. De samenwerking van veel verschillende stakeholders en een brede communicatie en participatie is daarom belangrijk. Het gaat om een gedeelde verantwoordelijkheid, waarin de gemeente de regie heeft.
Om begrip te creëren en iedereen mee te nemen in deze transitie willen we de betrokkenen op de juiste momenten, op de juiste manier inzetten. We zien een toenemende mate van intensiviteit van participatie gedurende het proces. Wij maken daarbij een onderscheid tussen participatie van inwoners voor de warmtetransitie als geheel en voor het opstellen van de Transitievisie Warmte.
Eén van de redenen om een intensieve en goede samenwerking tussen alle stakeholders te organiseren, is het belang om de diverse planningen en meekoppelkansen op elkaar af te stemmen. Een voorbeeld van een meekoppelkans is vervanging van het riool combineren met verzwaring van het elektriciteitsnet, zodat de straat maar één keer open hoeft. Op die manier voorkomen we desinvesteringen en onnodige overlast voor omwonenden. Stakeholders in de warmtetransitie zijn onder meer de woningbouwcorporaties ProWonen en De Woonplaats, netbeheerder Liander, het waterschap, dorpsbelangen-organisaties, individuele inwoners, inwonerscollectieven, energiecoöperaties, het bedrijfsleven (inclusief agrariërs), aannemers en installateurs. De traditionele rollen van stakeholders veranderen, afhankelijk van de techniekkeuze voor een gebied en de omvang van de ontwikkeling. Zo is er een verschil tussen de rol van een inwoner bij de keuze voor een collectieve of individuele techniek. Bij de laatste heeft de inwoner meer invloed en is de inwoner zelf aan zet. Ook kunnen inwoners zelf een initiatief of energiecoöperatie opzetten waarmee zij zelf aan de slag gaan om lokaal warmte op te wekken en te leveren. De warmtetransitie heeft de meeste invloed op inwoners en ondernemers: de gebruikers van warmte en warm water. Dit is de groep waar we als gemeente helder en transparant mee willen communiceren.
Richting de wijkuitvoeringsplannen zullen we steeds intensiever de samenwerking opzoeken met deze groepen. In dit hoofdstuk richten we ons dan ook vooral op deze groepen.
In de warmtetransitie is aandacht voor communicatie en participatie zeer belangrijk: om mensen het verhaal te vertellen, maar zeker ook om te stimuleren tot het overgaan naar het nemen van duurzame maatregelen. Inzetten op bewustwording en het stimuleren van inwoners, bedrijven en partners tot gedragsverandering en het nemen van duurzame maatregelen speelt hierbij een belangrijke rol. Deze algemene communicatie start de gemeente vroeg op, om inwoners bewust te maken, mee te nemen in de transitie en vroege deelname en ambassadeurschap te vergroten. We hebben hierbij speciale aandacht voor de kleine kernen of wijken waarin inwoners initiatieven hebben om op het gebied van duurzame energie aan de slag te gaan en de klankbordgroep. Het opstellen van deze Transitievisie Warmte is de eerste beleidsstap in de transitie op gemeentelijk niveau. Gedurende het opstellen van deze TVW heeft de gemeente een digitale enquête uitgestuurd om te polsen hoe inwoners naar de warmtetransitie kijken en waar zij kansen of belemmeringen zien. In de volgende paragraaf delen wij de uitkomsten van deze enquête. De TVW is de basis voor de verdere stappen zoals de wijkuitvoeringsplannen (WUP’s), waarin de gemeente de inwoners hard nodig heeft. De WUP’s vragen om een veel intensievere participatie- en communicatieaanpak.
Daarom werken we gedurende het proces toe naar een steeds bredere en intensievere participatie van inwoners. Hoe concreter de uitvoering van de energietransitie wordt voor de inwoners van Oost Gelre, hoe intensiever wij hen betrekken.
39
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Bij het communiceren en laten participeren van inwoners en ondernemers in de gemeente hanteren we 4 communicatieuitgangspunten. Dit zijn: We communiceren eenduidig We willen eenduidig naar de inwoners communiceren. Onderlinge of tegenstrijdige berichtgeving geeft niet alleen ruis bij inwoners, maar heeft ook een negatief effect op de geloofwaardigheid van de kernboodschap. We communiceren tijdig We communiceren tijdig naar inwoners zodat zij voldoende tijd hebben om te begrijpen wat voor gevolgen een stap voor hen heeft. Als we echt aan de slag gaan in de wijk of buurt nemen we inwoners daarin mee, ze horen het niet pas laat via-via. We werken toe naar co-creatie Naast het informeren van inwoners willen we hen ook betrekken, vooral bij zaken waar zij daadwerkelijk iets over mogen vinden. Hiermee geven we hen invloed op hun eigen toekomst en ontstaan plannen in cocreatie met inwoners. Dit vergroot de betrokkenheid bij het onderwerp. We staan open voor zorgen en kritiek We staan open voor de (tegen)argumenten op inhoudelijk als communicatief vlak. Daar waar de kritiek terecht is, bespreken we intern hoe we daarnaar handelen. Ook begrijpen we de zorgen die de transitie met zich meebrengt en dat er nog veel onduidelijkheid is. Aan de hand van deze uitgangspunten geven we invulling aan de toekomstige communicatie en participatie met betrekking tot de warmtetransitie in Oost Gelre.
De volledige communicatie- en participatiestrategie is te vinden in bijlage 8.
7.3 Uitkomsten van de inwoners enquête In het voorjaar van 2021 heeft de gemeente Oost Gelre een digitale enquête uitgezet om een eerste beeld te krijgen van hoe inwoners aankijken tegen de overstap naar aardgasvrij wonen. Hoe denken zij erover om geen aardgas meer te gebruiken? Wat zien inwoners als kansen? En welke belemmeringen zien zij? In totaal vulden 425 inwoners de enquête in. In deze paragraaf delen we de belangrijkste resultaten van de vragenlijst.
40
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Hoe kijken inwoners tegen de transitie naar aardgasvrij wonen aan? ▪
Bijna de helft van de inwoners van de gemeente Oost Gelre die de vragenlijst heeft ingevuld geeft aan negatief tegen de transitie naar aardgasvrij wonen aan te kijken. Zij hebben zorgen, zien (grote) belemmeringen of uitdagingen in de transitie of zien niet in waarom de transitie naar aardgasvrij nodig is. Een kwart van de inwoners die de vragenlijst heeft ingevuld staat positief ten opzichte van aardgasvrij wonen. Een deel van de inwoners ziet kansen en mogelijkheden voor een transitie naar aardgasvrij in de gemeente of hun eigen woning, of zien de noodzaak van de transitie naar aardgasvrij om klimaatverandering tegen te gaan. Het overige deel van de inwoners (26%) staat neutraal ten opzichte van de transitie naar aardgasvrij wonen.
Zorgen, belemmeringen en weerstand De inwoners die in de vragenlijst hebben aangegeven negatief te staan ten opzichte van de warmtetransitie hebben hiervoor verschillende argumenten. Deze zijn in een aantal thema’s op te delen: ▪ Zorgen over de kosten: de grootste bron van zorgen wordt gevormd door het thema kosten. Inwoners geven aan ondanks mogelijke financiële subsidies de duurzame warmtealternatieven nog te duur te vinden. ▪ Onvoldoende (technische) oplossingen nog beschikbaar: een tweede opmerking die vaak wordt genoemd is het gebrek aan vertrouwen in de duurzame warmtealternatieven. Inwoners geven aan dat de huidige alternatieve technieken nog niet voldoende zijn doorontwikkeld, of hebben de voorkeur om te
▪
▪
wachten op de doorontwikkeling van bijvoorbeeld waterstof of kernenergie. Ook wordt als zorg de netcapaciteit genoemd: kan het net de elektriciteitsvraag in de toekomst wel aan? Zorgen over wooncomfort: inwoners geven aan zorgen te hebben of de woning nog wel voldoende warm te krijgen is op koude (winter)dagen met duurzame alternatieven voor aardgas. Ook het koken op inductie vindt een aantal inwoner een onprettig idee. Tot slot hebben inwoners zorgen over mogelijke geluidsoverlast ten gevolge van een warmtepomp. Onhaalbaar in veel (oudere) woningen: een aantal inwoners verwacht niet dat het haalbaar is om (op korte termijn) oudere woningen van het aardgas los te koppelen. Zij hebben zorgen over de ingrijpende en kostbare isolatie opgave en andere aanpassingen aan de woning die nodig kunnen zijn. Enkele inwoners geven aan dat de focus moet liggen op CO2 besparing in bijvoorbeeld de industrie en transport, minder op de gebouwde omgeving. Onnodig: inwoners geven aan dat de gasinfrastructuur in Nederland uitgebreid en van goede kwaliteit is. Ze ervaren het als zonde om deze gasinfrastructuur niet meer (volledig) te benutten. Ook wordt als argument genoemd dat in Duitsland veel woningen nu juist (van onder andere steenkool en bruinkool) overgaan op aardgas.
Tot slot zijn er inwoners die aangeven tegen volledig aardgasvrij wonen te zijn, aardgasarm wonen zien zij als beter alternatief.
Kansen, mogelijkheden en noodzaak Een groot deel van de inwoners dat aangeeft positief ten opzichte van de transitie naar aardgasvrij te staan geeft aan dat dit een goede en noodzakelijke ontwikkeling is. Zij noemen klimaatverandering, onafhankelijkheid van de import van gas uit het buitenland (zoals Rusland) en het dichtdraaien van de gaskraan in Groningen als belangrijkste argumenten. Daarnaast zien zij ook kansen en mogelijkheden om hun eigen woning op termijn van het gas af te
41
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
koppelen. Een deel van de inwoners die de enquête heeft ingevuld woont al aardgasvrij en heeft daar goede ervaringen mee. Ook worden veiligheidsredenen genoemd om als positief element aan aardgasvrij wonen, doordat ontploffingsgevaar afneemt. Ook een groot deel van de inwoners die positief staan ten opzichte van de transitie naar aardgasvrij spreken echter wel zorgen uit over de financiële haalbaarheid van de transitie voor alle inwoners.
Wanneer vinden inwoners de overstap van aardgas naar alternatieve warmtebronnen acceptabel?
In de vragenlijst is gevraagd wanneer inwoners de overstap naar aardgasvrij wonen acceptabel vinden. Hierboven zijn naar volgorde de meest genoemde reacties te zien. Meer dan driekwart van de inwoners vindt de transitie naar alternatieve warmtebronnen acceptabel als de woonlasten minimaal gelijk blijven. Dit sluit aan op het feit dan inwoners de zorgen om (te) hoge kosten van de transitie als grootste belemmering ervaren bij het aardgasvrij maken van hun woning. Daarna volgt de betrokkenheid van inwoners in de wamtetransitie als veel gekozen antwoord. De snelheid waarin de transitie plaatsvindt en het tegengaan van klimaatverandering worden vervolgens als meest genoemde antwoorden gegeven.
Wanneer willen inwoners van het aardgas af, en waar in de gemeente zouden we het beste kunnen starten?
15% van de inwoners die de enquête heeft ingevuld geeft aan zo vroeg mogelijk van het aardgas af te willen stappen. Als argumenten noemen zij onder andere: ▪ Hoe sneller de overstap, hoe beter voor het milieu. Maar: het moet wel goed gebeuren ▪ Het beste is om zo snel mogelijk met aardgas te stoppen zodat de mensen in Groningen geen problematiek rondom aardbevingen hoeven te ervaren en wij niet meer voor aardgas afhankelijk zijn van het buitenland ▪ Waarom wachten als de technische mogelijkheden beschikbaar zijn? Op termijn ben je goedkoper uit en intussen lever je een bijdrage aan een beter milieu ▪ Goed voorbeeld doet goed volgen Een groot deel (69%) zou echter het liefst zo laat mogelijk van het aardgas af willen gaan. Wederom is het meest genoemde argument hiervoor dat inwoners de noodzaak van de transitie niet inzien. Daarnaast worden argumenten gericht op het gebrek aan goede alternatieven en de wens om te wachten op nieuwe innovaties genoemd. In de gemeente Oost Gelre gaan uiteindelijk in 2050 alle wijken van het aardgas af. Een aantal wijken, buurten of gebieden zullen als eerste van het gas afgaan, mogelijk al voor 2030. In de enquête werd de vraag gesteld: stelt u zich voor dat u mag kiezen welke gebieden als eerste van
42
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
het aardgas af gaan, waar zou u dan op letten of voor kiezen? Dit levert de volgende reacties op: 1. De meeste inwoners kiezen ervoor om te starten bij nieuwbouwwoningen. Deze woningen zijn vaak al goed geïsoleerd, waardoor de ingreep relatief kleiner is. Ook veel inwoners noemen nog te bouwen woningen, dit is vaak al de standaard: nieuw te bouwen woningen krijgen sinds 1 juli 2018 geen aardgasaansluiting meer. 2. Daar waar de bereidwilligheid van de inwoners het hoogst is en inwoners de benodigde aanpassingen kunnen en willen betalen (financiële draagkracht) wordt daarnaast als meest genoemde reden gegeven. 3. Start daar waar er clusters van het zelfde type woningen (waaronder hetzelfde bouwjaar) zijn, daar kan het efficiënter en goedkoper zijn om de overstap naar aardgasvrij te organiseren. 4. Begin waar de meeste winst te behalen is, dus in wijken met oudere, slecht geïsoleerde woningen. Naast deze antwoorden geven inwoners ook aan niet te willen richten op aardgasvrij, maar op een vermindering van het aardgasgebruik. Start het eerst met investeren in isolatie en energiebesparing is het advies van een aantal inwoners, zo brengen we gezamenlijk de warmtevraag al voor een groot deel omlaag.
Informeren en betrekken van inwoners Tot slot is in de enquête de vraag gesteld hoe inwoners het liefst betrokken willen worden bij ontwikkelingen op het gebied van de warmtetransitie. Driekwart van de inwoners die de vragenlijst hebben ingevuld geeft hierbij aan dat zijn de voorkeur hebben voor een nieuwsbrief of inwonersbrief. Daarna volgt het informeren via gemeentepagina’s in Elna/GG en de website van de gemeente Oost Gelre. Ongeveer een derde van de inwoners heeft aangegeven (ook) behoefte te hebben aan fysieke bijeenkomsten op locatie of digitale bijeenkomsten zoals een webinar om meer te horen en met elkaar in
gesprek te gaan over de transitie naar aardgasvrij wonen. Een kwart van de inwoners geeft tot slot aan betrokken te willen worden via sociale media, zoals Facebook, Instagram en LinkedIn. Op basis van deze gegevens zal de gemeente haar communicatie richting inwoners invulling geven, om daarmee zoveel mogelijk inwoners en ondernemers in de gemeente te betrekken in de warmtetransitie.
7.4 Rol van de gemeente Gemeenten hebben vanuit de rijksoverheid de regie gekregen over de warmtetransitie op lokaal niveau. Dit betekent dat een gemeente zelf invulling en sturing geeft aan het van het aardgas afgaan van de gebouwde omgeving. Een gemeente kan die rol op verschillende manieren invullen, van proactief en sturend tot meer afwachtend en overlatend aan inwoners en andere stakeholders. Als gemeente Oost Gelre kiezen wij voor de rol van de zogenaamde procesregisseur. Om de gestelde ambitie te realiseren is de samenwerking met onze inwoners en partners essentieel. De rol van de gemeente is om het initiatief te nemen en de afstemming tussen de verschillende partijen te verzorgen en het stimuleren van samenwerking door te verbinden, zowel op inhoud als in het proces. Door als gemeente daar waar mogelijk gezamenlijk op te trekken met partners als woningcorporaties, bundelen wij onze krachten en kunnen we onze boodschap beter overdragen aan onze inwoners. Door tijdig te communiceren betrekken en informeren we onze inwoners beter en effectiever, waardoor meer begrip ontstaat voor de transitie. De procesregisseur Allereerst kiest de gemeente Oost Gelre voor een rol als procesregisseur in de warmtetransitie. De rol van procesregisseur houdt in dat de gemeente plannen tot stand wil brengen in co-creatie met een brede groep inwoners en andere stakeholders.
Inwoners en ondernemers dragen bij aan een duurzame toekomst voor de volgende generaties door over te gaan op alternatieve warmtebronnen. Door zelf te handelen (isoleren, besparen en het veranderen van je gedrag) vormen zij het fundament voor deze positieve verandering. Daarom willen we het samen doen. Het tempo van de warmtetransitie is niet leidend, maar vooral een zorgvuldige belangenafweging is prioriteit.
43
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Hoofdstuk 8
Wat kunt u als inwoner doen? Het verduurzamen van de gebouwde omgeving is een langdurig traject en in de komende jaren zullen de plannen van de gemeente evenals van het Rijk nog verder concretiseren. Maar het is van belang dat u als inwoner nu al nadenkt over uw verduurzamingsmogelijkheden om zo geen kansen te laten liggen en energieverspilling tegen te gaan. Dit eerste handelingsperspectief vertelt u wat u nu al kunt doen en waar u terecht kunt voor meer informatie.
44
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
8.1 Handelingsperspectief voor inwoners De gemeente Oost Gelre gaat voor het grootste deel over op individuele oplossingen. Dit betekent dat u als inwoner of ondernemer zelf kunt kiezen wanneer en met welke techniek u over gaat. Natuurlijk krijgt u hierbij informatie en/of ondersteuning van de gemeente, het Agem Energieloket, en financiële steun vanuit het Rijk. We nemen u graag mee in wat u nu al kunt doen en welke stappen u in de komende jaren kunt zetten. We bespreken algemene informatie over isoleren evenals welke kansen en/of uitdagingen er liggen voor specifieke woningen in de gemeente. Dit doen wij aan de hand van referentiewoningen die veel in de gemeente voorkomen (zie bijlage 9). Tot slot vertellen we u wat uw gemeente nu al aan informatie en ondersteuning biedt en delen we relevante websites voor het vinden van meer informatie.
8.2 Verduurzamen in stappen De start: isoleren Isoleren is de eerste stap in het verduurzamen van een woning of gebouw. Isoleren betekent het aanbrengen van materiaal in, of aan uw woning of gebouw waardoor er minder warmte verloren gaat. Dit betekent dat u, na geïsoleerd te hebben, minder warmte nodig heeft om uw woning of gebouw te verwarmen. We willen alle panden in Nederland beter isoleren om onze gezamenlijke warmtevraag terug te dringen. Want duurzame warmte en stroom zijn (nog) schaars en wat niet gebruikt wordt, hoeft ook niet opgewekt te worden. In de gemeente Oost Gelre is isoleren extra belangrijk omdat er naar alle waarschijnlijkheid veel woningen over gaan op hybride warmtepompen, elektrische warmtepompen of mogelijk op duurzaam gas. De eerste twee technieken zijn lage temperatuur technieken. Dit betekent dat isoleren noodzakelijk is om uw woning comfortabel te verwarmen in de winter. De duurzame gassen leveren hoge temperatuur warmte, maar de landelijke potentie is beperkt. Daarnaast zijn er, zoals eerder aangegeven, onzekerheden over de toekomstige beschikbaarheid en marktprijs van duurzame gassen. Het beperken van de vraag is zodoende een vereiste.
Wanneer u uw woning of pand isoleert, dalen uw energiekosten en stijgt het comfort. Ook verlaagt isolatie de piekvraag op koude winterdagen, wat gunstig is voor het elektriciteitsnet en de technische levensduur van uw warmtesysteem. Het isoleren van een gebouw kan op verschillende manieren. Grofweg is isolatie in te delen in vloer-, muur-, dak- en glasisolatie (zie figuur 2 voor een aantal voorbeelden). Over het algemeen geldt, hoe ouder de woning, hoe slechter de isolatiewaarde en hoe hoger de benodigde temperatuur om de woning te kunnen verwarmen in de huidige situatie. Het bouwjaar is ook van invloed op welke isolatiemaatregelen er technisch getroffen kunnen worden. In bijlage 4 is meer te lezen over isolatie in relatie tot de bouwjaren van woningen. Welke stappen kunt u altijd zetten? Bij de te nemen stappen per woning maken we onderscheid tussen noregret of ‘geen-spijt’ maatregelen en andere maatregelen. Deze noregret stappen zijn altijd en voor ieder type woning nuttig, dragen bij aan het wooncomfort en zijn stappen richting een aardgasvrije woning. Daarbij zijn deze stappen te nemen zonder dat men al weet op welk alternatief voor aardgas een woning over gaat. Ook verdienen deze stappen zichzelf terug binnen een klein aantal jaren. In het paarse kader hiernaast hebben wij een zevental van deze no-regret maatregelen opgenomen.
No-regret matregelen Maatregel 1: vul een lege spouw met spouwmuurisolatie Heeft u een spouwmuur en is deze nog niet geïsoleerd? Laat deze dan vullen met spouwmuurisolatie. Spouwmuurisolatie verdient zich snel terug en is makkelijk aan te brengen zonder dat het grote aanpassingen vereist.
45
Concept Transitievisie Warmte gemeente Oost Gelre
Maatregel 2: onderzijde vloer of kruipruimte isoleren Wanneer u toegang heeft tot de onderzijde van uw vloer of een kruipruimte kunt u deze betrekkelijk gemakkelijk isoleren. Er zijn verschillende opties zoals isolatiefolie, -schuim of -chips. Maatregel 3: vervang enkel of dubbel glas met HR++ of HR+++ glas (en isolerende kozijnen) Bij enkel of ouder dubbel glas kunnen de ramen vervangen worden voor HR++ of HR+++ glas. De installatie van HR+++ glas is duurder, maar heeft u een verder een goed geïsoleerde woning en denkt u erover om over te stappen op een warmtepomp dan is dit de investering waard. Voor een overstap op laagtemperatuur warmte wordt HR+++ glas daarom aangeraden. Woont u in een slechter geïsoleerde of moeilijk te isoleren woning, maar wilt u graag uw energierekening omlaag brengen dan is HR++ glas een goede optie. Maatregel 4: combineer elektrische warmtesystemen (en/of conductie kookplaat) met zonne-opwek. Als uw overgaat op een (hybride) warmtepomp of koken met inductie, combineer dit dan met zonnepanelen. Het combineren van duurzame warmtetechnieken met een elektriciteitsvraag met eigen opwek, verkort de terugverdientijd. Maatregel 5: installeer warmteterugwinning (WTW) bij ventilatie Een belangrijke maatregel die samen gaat met isolatie is het aanleggen van goede ventilatie.
Als u bij een grotere aanpak (bijvoorbeeld verbouwing) ventilatie aanlegt, neem dan gelijk balansventilatie of ventilatie met WTW. Deze verdient zich snel terug en bespaart een hoop energie. Maatregel 6: neem een douche met WTW Neemt u een nieuwe douche? Of gaat u de badkamer verbouwen? Installeer dan gelijk een douche met WTW. Een douche met WTW vangt de warmte van het weglopende douchewater op om het water dat gebruikt wordt om te douchen voor te verwarmen. Bij een verbouwing van de badkamer kan deze maatregel goed meegenomen worden.
Maatregel 7: wie het kleine niet eert.. Er zijn meerdere kleine maatregelen die iedereen kan treffen en slechts een zeer kleine of zelfs geen investering vragen. Toch kunnen dit soort maatregelen resulteren in een lagere energierekening. Voorbeelden hiervan zijn het dichten van kieren, het aanbrengen van tochtstrippen en radiatorfolie, het verlagen van de watertemperatuur van de cv-ketel of het plaatsen van radiatorventilatoren.
8.3 Specifieke maatregelen woningtypen Oost Gelre Naast de no-regret maatregelen is het verduurzamen van een woning grotendeels maatwerk en zijn de maatregelen dus woning-, en situatiespecifiek. Voor advies over de precieze isolatiemaatregelen die u kunt treffen kunt u terecht bij het Agem Energieloket of een installateur, zie paragraaf 1.3. Voor een vijftal referentiewoningen uit de gemeente hebben wij de belangrijkste uitdagingen en kansen op het gebied van verduurzaming uiteen gezet deze kunt u vinden in bijlage 9. De referentiewoningen vertegenwoordigen woningtypen die veel voorkomen in de Oost Gelre en zijn: 1. Oude boerderijen en/of vrijstaande woningen in het buitengebied 2. Vooroorlogse panden in de dorpskernen 3. Gelijksoortige jaren ‘60-‘70 woningen in de dorpen 4. Jongere dorpsranden vanaf late jaren ‘80 5. Utiliteitsbouw (mix van nieuw en oud)