CConstaterende datOost Gelre
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage 1 ontwerp ruimtelijke onderbouwing

Raadscommissie 8 november 2022, gemeente Oost GelreBij agendapunt: Ontwerpverklaring van geen bedenkingen uitbreiding Gunnewick Mengvoerders BV25.661 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

5.5

Geluid

Wettelijk kader In het kader van de Wet geluidhinder is bij de wijziging van een bestemmingsplan een akoestisch onderzoek vereist naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen vanwege industrielawaai, weg- en railverkeerslawaai. Dit geldt alleen voor (geplande) geluidsgevoelige bestemmingen die binnen de zone van een weg, spoorweg of industrieterrein liggen.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

33

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Naast het wettelijk kader van de Wet geluidhinder moet ook een afweging gemaakt worden of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Gemeente Oost Gelre heeft in regionaal verband geluidsbeleid ontwikkeld, om de stilte als kwaliteit van de Achterhoek te versterken en richting te geven aan het geluidsaspect in bestemmingsplannen, vergunningen en dergelijke. Bij nieuwe activiteiten dient de geluidsbelasting te voldoen aan de streefwaarden. Een goed akoestisch leefklimaat kan soms ten koste gaan van nieuwe (te luidruchtige) activiteiten. Industrielawaai In opdracht van VanWestreenen is door Tauw een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de Gunnewick Mengvoeders BV, gelegen aan de Winterswijkseweg 16 te Vragender. Dit onderzoek is als bijlage toegevoegd. Aanleiding van het onderzoek betreft een gewijzigde bedrijfsopzet. Doel van het onderzoek is het bepalen van de geluidniveaus ten gevolge van de inrichting ter plaatse van omliggende geluidgevoelige objecten (woningen van derden en school). Het onderzoek is gebaseerd op een inventarisatie van de bedrijfsvoering, literatuurgegevens en een eerder door Tauw uitgevoerd akoestisch onderzoek uit 2011. Aan de hand van de verkregen gegevens is een akoestisch rekenmodel vervaardigd waarmee de geluidniveaus zijn berekend.

De geluidniveaus ten gevolge van de inrichting zijn bepaald conform de ‘Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999’. De berekende geluidniveaus zijn getoetst aan de vigerende geluidvoorschriften. Verder wordt voor de toetsing en beoordeling ingegaan op het gemeentelijke geluidbeleid uit 2008 en de ‘Handreiking Industrielawaai en Vergunningverlening’ van 1998. Het inrichtingsgebonden verkeer (indirecte hinder) is beoordeeld conform de circulaire ‘Geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de Wet milieubeheer’ van 29 februari 1996. De berekende geluidniveaus zijn tevens beoordeeld op inpasbaarheid en vergunbaarheid door de gemeente Oost Gelre. Op grond van onderzoek blijkt dat er in de avond en nachtperiode overschrijdingen zijn van het langtijdgemiddelde en maximale geluidniveau. Het betreft een reeds bestaande inrichting gelegen naast het centrum in een gebied waar wonen en werken gecombineerd wordt. Daarnaast is de inrichting gelegen aan de gebiedsontsluitende weg van Vragender. Organisatorische maatregelen zijn mogelijk door het vrachtverkeer gereed product ’s avonds over de Schoolstraat naar de parkeerplaats op het achterterrein te laten rijden en ’s nachts niet meer direct op de Winterswijkseweg te ontsluiten.

Verdere maatregelen aan de bronnen of in het overdrachtsgebied zijn niet mogelijk. Aan de eisen voor de binnenwaarden in de woningen wordt, afgaande op een visuele beoordeling van de opbouw en staat, bij de resulterende geluidniveaus op de gevel voldaan. Voor een verdere motivering ten aanzien van geluid, wordt verwezen naar het onderzoek dat als bijlage is toegevoegd. Wegverkeerslawaai In het kader van de Wet geluidhinder (Wgh) bevinden zich langs wegen geluidszones. In buitenstedelijk gebied geldt voor wegen, bestaande uit vijf of meer rijstroken een zone van 600 m, voor drie of vier rijstroken een zone van 400 m en voor wegen bestaande uit één of twee rijstroken een zone van 250 m, gemeten vanuit de as van de weg. Voor wegen binnen de bebouwde kom geldt een zone van 200 m. Binnen de zone moet in het geval van een nieuwe situatie met een geluidsgevoelige bestemming onderzoek worden verricht naar de optredende geluidsbelasting. Een aantal wegen heeft geen zone, te weten: wegen die gelegen zijn binnen een als woonerf aangeduid gebied; wegen waarvoor een maximum snelheid van 30 km per uur geldt. Nu het in onderhavig geval niet gaat om de realisatie van een geluidsgevoelige bestemming, is geluid in het kade rvan wegverkeerslawaai niet van toepassing.

Railverkeers- en industrieel lawaai

34

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Railverkeers- en industrieel lawaai zijn niet van toepassing op dit plangebied nu beide niet in de directe nabijheid van het plangebied aanwezig zijn.

Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.

5.6

Geur

De NeR is in de Regeling omgevingsrecht opgenomen als BBT document. Maatregelen ter bestrijding van geurhinder moeten worden bepaald in overeenstemming met het BBT-principe (beste beschikbare techniek). In de NeR zijn voor diverse bedrijfstakken bijzondere regelingen opgenomen. Voor de mengvoederindustrie is een bijzondere regeling (BR) opgenomen in de NeR. Het betreft de Bijzondere Regeling A3 “Diervoederindustrie” (BRD). Door het toepassen van de BRD wordt voldaan aan de BBT. De BRD is gebaseerd op een brancheonderzoek en vormt voor de beoordeling van de geurverspreiding voor de inrichting van aanvraagster het toetsingskader. Deze BRD is weliswaar inmiddels opgenomen in het Activiteitenbesluit, maar nog steeds hanteerbaar als uitgangspunt (BBT). In de BRD zijn geurnormen opgenomen: de norm voor een aanvaardbaar hinderniveau in bestaande situaties ter plaatse van geurgevoelige objecten in de bebouwde kom is 1,4 OuE/m3 als 98-percentiel en voor minder geurgevoelige objecten (buitengebied) 2,8 OuE/m3 als 98-percentiel. Voor geurgevoelige objecten geldt dat deze norm 2 procent van de tijd overschreden mag worden (= 98 percentiel). Bij vergunningverlening stelt het bevoegd gezag in een specifieke situatie vast welke objecten beschermd worden tegen geurhinder. Dit betreft woningen en andere locaties waar mensen zich bevinden en waar blootstelling aan geur tot hinder kan leiden.

Hoewel in principe alle geurgevoelige objecten beschermd horen te worden tegen geurhinder, kunnen wel verschillen in het niveau van bescherming worden gehanteerd. Voor een woning in het buitengebied kan bijvoorbeeld een hogere geurbelasting gehanteerd worden dan voor aaneengesloten woonbebouwing (bebouwde kom). Voor het vaststellen van het benodigde beschermingsniveau zijn de volgende criteria van belang: verblijfsduur; omvang van de groep; functie van de omgeving; aanwezigheid van gevoelige groepen; bijzondere bestemmingen. Het opdelen van geurgevoelige objecten met een hoger en een lager beschermingsniveau is in lijn met de Bijzondere Regeling Diervoederindustrie, waarbij een norm is opgenomen voor geurgevoelige objecten en minder geurgevoelige objecten. De geurgevoelige objecten met een hoger beschermingsniveau zijn de omliggende woningen in de aaneengesloten woonbebouwing van Vragender (bebouwde kom). In onderhavige situatie is er sprake van een reeds lang bestaande mengvoederfabriek, waarvoor ook een “omgevingsvergunning Wabo onderdeel milieu” is verleend (2014). Bij de productie van mengvoer komt geur vrij. Voorafgaand aan het persen van de korrels wordt stoom aan het product toegevoegd, waardoor het geperste product heet is. Hierdoor zijn de korrels mengvoer betrekkelijk zacht en wat kleverig.

Om de korrels harder te maken, waardoor ze bijvoorbeeld geschikt zijn voor (intern) transport, moeten ze gekoeld worden. De lucht voor het koelen wordt van buiten aangezogen en over/door de geperste korrels geleid. Op dat moment neemt de koellucht verschillende stoffen op, die een bepaalde geur veroorzaken. Deze koellucht mondt via een leidingensysteem op de buitenlucht uit. Meer dan 90% van de geuremissie komt uit de koeluitlaten van de persen (bron: vm. BRD). De lucht van de 3 perslijnen wordt via 1 centrale schoorsteen op het dak van de fabriek in de buitenlucht afgeblazen. Dit geschiedt op een hoogte van 25 meter (schoorsteenhoogte t.o.v. maaiveld). De berekening van de geurbelasting in de omgeving van de veevoederfabriek is vastgelegd in het door Buro Blauw opgestelde geurrapport (rapportnummer: BL2019.8975.01V1 van 2 januari 2019). Uit dit onderzoeksrapport kan het volgende worden afgeleid:

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

35

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders de capaciteit en samenstelling van het geproduceerde mengvoer (geperst) bedraagt 90.000 ton per jaar; de maximaal berekende concentraties ter plaatse van de omliggende woningen van derden bedraagt voor de gewenste situatie 1,4 OuE/m3 als 98-percentiel. Hierdoor wordt in de gewenste situatie ter plaatse van alle toetsingslocaties voldaan aan de norm van 1,4 (en 2,8) OuE/m3 als 98-percentiel. Door het verhogen van de schoorsteen tot 25 meter hoogte (= BBT- maatregelen) wordt voldaan aan de normstelling en zijn aanvullende maatregelen niet noodzakelijk. Het mengvoederbedrijf van Gunnewick b.v. voldoet aan het aanvaardbare hinderniveau volgens de NER en afspraken met de branche-/diervoederindustrie. Het betreffende geuronderzoek is als bijlage toegevoegd.

Conclusie Het aspect geur vormt geen belemmering voor de aangevraagde ontwikkeling.

5.7

Luchtkwaliteit

Wettelijk kader Nederland heeft de Europese regels ten aanzien van luchtkwaliteit geïmplementeerd in de Wet milieubeheer (Wm). Projecten die 'niet in betekenende mate' (nibm) van invloed zijn op de luchtkwaliteit hoeven niet te worden getoetst aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. De criteria om te kunnen beoordelen of er voor een project sprake is van nibm, zijn vastgelegd in de AMvB-nibm. In de AMvB-nibm is vastgelegd dat na vaststelling van het NSL of een regionaal programma een grens van 3% verslechtering van de luchtkwaliteit (een toename van maximaal 1,2 Rg/m³, NO2 of PM10) als 'niet in betekenende mate' wordt beschouwd. Situatie plangebied Het algemene beleid is gericht op het terugdringen van emissies naar de lucht door het toepassen van beste beschikbare technieken (BBT). Voor de emissies naar de lucht zijn in de Wet luchtkwaliteit / Activiteitenbesluit per emissiestroom normen opgenomen. Als gevolg van de aangevraagde activiteiten kunnen de volgende emissies ontstaan: Verbrandingsemissies (NOx); Stofemissies (PM10/PM2.5). Verbrandingsemissies Binnen het bedrijf ontstaan verbrandingsemissies bij de stoomketel ten behoeve van de stoomproductie. Het betreft hier een (bestaande) oliegestookte stoomketel. Als gevolg van de verbranding van aardgas ontstaat NOx.

Daarnaast zijn binnen het bedrijf enkele kleinschalige aardgasgestookte Cv-ketels aanwezig voor ruimteverwarming. Gelet op het kleine thermische vermogen van deze stookinstallaties zijn de emissies die hierbij ontstaan zijn niet relevant voor de beoordeling van de totale emissies naar de lucht en worden daarom buiten beschouwing gelaten (installaties met een nominaal vermogen < 400 kW vallen niet onder paragraaf 3.2.1 van het Activiteitenbesluit // zie art. 3.7.1.c). Op grond van het BEES-B geldt voor een bestaande stoomketel een emissie-eis van 120 mg/m3. Invoerwaarden voor de stoomketel is 2.000 m3/uur – 17 uur per dag – 120 mg/3 (= 1.273 kg NOx per jaar). Daarnaast komt NOx vrij bij de toepassing van de verreikers en de heftruck alsmede bij de vervoersbewegingen (vrachtwagens 39 per dag & personenwagens 20 per dag). Invoerwaarden voor de mobiele voertuigen (heftruck/verreiker) en vervoersmiddelen: Verkeersbewegingen, 240 kg NOX per jaar Heftruck / verreikers, 85 kg NOX per jaar

36

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Stofemissies (PM10) De emissie van fijn stof (PM10) komt vrij van de volgende emissiebronnen: Perslijnen / centrale schoorsteen (incl. filter) 5 mg PM10 / m3 6 dagen per week / 17 uur = 5.304 u/jr 63.600 m/uur PM10 = 1.687 kg/jr Stoomketel 5 mg PM10 / m3 6 dagen per week / 17 uur 2.000 m3/uur = = 5.304 u/jr PM10 = 212 kg/jr Ventilatie hal grondstoffen 1,25 mg PM10 / m3 continue 27.000 m/uur PM10 = 296 kg/jr Hamermolen 5 mg PM10 / m3 6 dagen per week / 17 uur = 5.304 u/jr 10.000 m/uur PM10 = 265 kg/jr Stortput grondstoffen 5 mg PM10 / m3 6 dagen per week / 17 uur = 5.304 u/jr 10.000 m/uur PM10 = 31 kg/jr Verkeersbewegingen vrachtwagens (zwaar verkeer) = 39 vrachtwagens per dag / 500 m. binnen de inrichting / 1,4 km buiten de inrichting) Personenauto’s (licht verkeer) = 20 stuks per dag / 500 m. binnen de inrichting / 1,4 km buiten de inrichting) PM10 = 6,4 kg/jr Verreikers = 134 uur per jaar PM10 = 3 kg/jr Binnen de inrichting vindt daarnaast op- en overslag en het mengen van stuifgevoelige stoffen plaats, namelijk mengvoerdergrondstoffen. De volgende maatregelen zijn genomen om de emissie van stof te beperken: de op- en overslag, en het mengen van stoffen vindt inpandig plaats; de stortbunker voor het lossen van grondstoffen is voorzien van een doelmatige afzuiging; de schoorsteen op het dak (wordt) voorzien van een nieuwe filterinstallatie.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

37

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Luchtkwaliteit De grenswaarden voor de luchtkwaliteit uit ‘Bijlage 2 van de Wm’, betreffende de stoffen zwaveldioxide, stikstofdioxide, zwevende deeltjes (PM10), lood, koolmonoxide en benzeen in de lucht vormen de toetsingscriteria. Tevens is in deze bijlage een richtwaarde gegeven voor het totale gehalte in de PM10 fractie voor arseen, cadmium, nikkel en benzo(a)pyreen. De Regeling Beoordeling Luchtkwaliteit 2007 (RBL2007) bevat grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Deze grenswaarden geven een niveau aan van de kwaliteit van de buitenlucht dat niet mag worden overschreden. In bijlage 2 van de Wm bijlage 2 zijn grenswaarden opgenomen voor luchtverontreiniging door zwaveldioxide, lood, stikstofdioxide, zwevende deeltjes, koolmonoxide en benzeen. Voor deze aanvraag zijn de luchtkwaliteitsgrenswaarden voor de volgende stoffen van belang: Fijn stof Stikstofdioxiden Stikstofoxide NO2 In bijlage 2 Wm zijn de volgende normen voor stikstofoxiden (NO2) opgenomen: 200 µg/Nm3 als uurgemiddelde concentratie, waarbij geldt dat deze maximaal 18 maal per kalenderjaar mag worden overschreden en 40 µg/Nm3 als jaargemiddelde concentratie. De berekening van de NO2 in de omgeving van de mengvoederfabriek is vastgelegd in het door Buro Blauw opgestelde luchtkwaliteitsrapport (rapportnummer: BL2018.9093.01-V01 van 9 juli 2018), welke als bijlage is toegevoegd.

Uit dit onderzoek blijkt dat in de gewenste situatie de emissie van N02 de grenswaarde van 40 ug/m3 niet worden overschreden. Ook de grenswaarde van 200 ug/m3 als uurgemiddelde wordt niet overschreden. Uit de berekening blijkt dat de totale emissie van NOX (inclusief gewenste bedrijfsopzet) 13,7 ug/m3 bedraagt ter plaatse van de maatgevende woning van derden aan de Winterswijkseweg 19 te Vragender. Fijn stof (PM10) In bijlage 2 Wm zijn de volgende normen voor fijn stof (PM10) opgenomen: 24 uurgemiddelde grenswaarde van 50 µg/Nm3, waarbij geldt dat deze maximaal 35 keer per jaar mag worden overschreden en jaargemiddelde grenswaarde van 40 µg/Nm3. De berekening van de PM10 in de omgeving van de mengvoederfabriek is vastgelegd in het door Buro Blauw opgestelde luchtkwaliteitsrapport (rapportnummer: BL2018.9093.01-V01 van 9 juli 2018), welke als bijlage is toegevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de emissie van PM10 in de gewenste bedrijfsopzet 18,3 ug/m3 omvat. Het aantal overschrijdingsdagen bedraagt maximaal 7.

De jaargemiddelde waarde (bijdrage Gunnewick Mengvoeders) bedraagt 13,2 ug/m3 en hierdoor wordt ruimschoots voldaan aan de jaargemiddelde grenswaarde van 25 ug/m3 voor PM2,5. De grenswaarden, zoals genoemd in bijlage 2 van de Wet milieubeheer, worden ter plaatse van de toetsingspunten niet overschreden en hierdoor wordt tevens voldaan aan de eisen van BBT.

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.

38

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

5.8

Natuurbescherming

Wettelijk kader Op 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wet natuurbescherming vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en Faunawet en de Boswet. Bij elk ruimtelijk plan dient, met het oog op de natuurbescherming, rekening te worden gehouden met de Wnb. Hierbij wordt onderscheid gemaakt in gebiedsbescherming en soortenbescherming. Een ruimtelijk plan mag namelijk geen significante gevolgen hebben voor een te beschermen gebied en/of soort. Darnaast dient rekening te worden gehouden met de provinciale omgevingsvisie en -verordening.

Gebiedsbescherming Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) (voormalig EHS) is een samenhangend netwerk van bestaande en nog te ontwikkelen belangrijke natuurgebieden in Nederland en vormt de basis voor het natuurbeleid. Het NNN is als beleidsdoel opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing, ontwikkeling en bescherming van het NNN. De provincie Gelderland streeft naar het veiligstellen van de verscheidenheid (biodiversiteit) en kwaliteit van de Gelderse natuur. Hiertoe zet de provincie in op de realisatie van een compact en hoogwaardig stelsel van onderling verbonden natuurgebieden. Dit wil de provincie bereiken door de bestaande natuur in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) te beschermen en de samenhang te versterken door het uitbreiden van natuurgebieden in het GNN en het aanleggen van verbindingszones in de Groene Ontwikkelingszone (GO). Dit vindt plaats in de Omgevingsverordening Gelderland. De GNN en GO kent formeel geen externe werking. Natura 2000 Natura 2000-gebieden zijn door de Europese Unie (EU) aangewezen op grond van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Binnen deze gebieden mogen geen significant negatieve effecten optreden vanwege nieuwe ontwikkelingen.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

39

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Afbeelding Ligging Natura 2000-gebieden binnen de gemeente en in de omgeving, bron http://natura2000.eea.europa.eu/

Soortenbescherming Onderdeel van de Wnb is soortenbescherming van planten en dieren. Dit betreffen: alle van nature in Nederland in het wild voorkomende vogels die vallen onder de Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1-3.4) dier- en plantensoorten die beschermd zijn op grond van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (Wnb art. 3.5-3.9); nationaal beschermde dier- en plantensoorten genoemd in de bijlage van de wet (Wnb art. 3.10-3.11). Voor een groep beschermde soorten mogen provincies een zogenaamde 'lijst met vrijstellingen' opstellen (Wnb art. 3.11). Voor de soorten op deze lijst geldt een vrijstelling van de verboden genoemd in art. 3.10 eerste lid van de Wnb.

Situatie plangebied Er vinden geen wijzigingen op het perceel plaats. Er vinden geen sloop- en/of bouwwerkzaamheden aan de reeds aanwezige woningen plaats. Het plangebied is gelegen op 9 km van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Het Korenburgerveen'. Er vindt hierdoor geen aantasting plaats van gebieden en soorten

40

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders welke bescherming behoeven.

Stikstof De Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Bij planologische ontwikkelingen moet dan ook worden aangetoond dat het project of plan geen significant schadelijke effecten heeft op de Natura 2000-gebieden. De emissie van stikstofverbindingen vanuit een inrichting kunnen leiden tot een stikstofdepositie op nabij gelegen natuurgebieden. Ook vanuit de inrichting van Gunnewick Mengvoeders b.v. worden stikstofverbindingen geëmitteerd. In dit geval is dat het zogenaamde NOx, dat ontstaat als gevolg van de verbranding van fossiele brandstoffen. In de situatie bij Gunnewick Mengvoeders b.v. zijn er een viertal verschillende bronnen waarbij deze NOx ontstaat: verkeersbewegingen zwaar verkeer, verkeersbewegingen licht verkeer, interne gebruik machines (heftruck + verreikers) en de stoomketel (olie). Voor het uitvoeren van depositieberekeningen is het programma “Aerius” aangewezen. Op basis van deze berekening is via Aerius tevens een melding in het kader van de Wet Natuurbescherming /Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) ingediend bij de provincie Gelderland. Inmiddels heeft de provincie een ontwerpverklaring van geen bedenkingen verleend. Deze is als bijlage toegevoegd.

Conclusie De Wet natuurbescherming vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.

5.9

Bedrijven en milieuzonering

Kader Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan wij het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Als uitgangspunt voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt veelal de VNG-uitgave "Bedrijven en Milieuzonering" uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar.

De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke indicatieve richtafstand. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het plan mogelijk is (dit is niet altijd de werkelijke gevel, maar de plek waar de gevel van de woning volgens het bestemmingsplan inclusief vergunningvrij bouwen mogelijk is). De in deze uitgave voor bedrijven opgenomen richtafstanden gelden ten opzichte van rustige woongebieden. De richtafstanden zijn voor drukkere gebieden (gemengd gebied) naar beneden bij te stellen. Aanvullend milieuonderzoek kan uitwijzen dat kleinere afstanden dan de richtafstanden

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

41

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders mogelijk zijn. Verder hebben wettelijke afstanden voorrang op de richtafstanden.

Belemmering bedrijven en woon- en leefklimaat Het bedrijf wordt niet verder in de mogelijkheden beperkt dan nu al het geval is. Voor omwonenden verandert het woon- en leefklimaat niet door de ontwikkeling; deze blijft voldoende. Ook is het niet zo dat door de ontwikkeling het potentieel aantal milieugehinderden stijgt. Het is daarom niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening om mee te werken aan het verzoek.

Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de aangevraagde activiteit.

5.10

Externe veiligheid

Wettelijk kader Bij externe veiligheid gaat het onder meer om productie, opslag, transport en gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten leggen beperkingen op aan de omgeving. Door voldoende afstand aan te houden tussen deze activiteiten en 'gevoelige objecten' wordt voldaan aan de wettelijke normen. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van 27 oktober 2004 en de hierin opgenomen Regeling externe veiligheid inrichtingen, geeft aan welke activiteiten/bedrijven risicocontouren kennen, waarmee rekening dient te worden gehouden bij het verlenen van vergunningen in het kader van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Het Bevi heeft tot doel de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld door activiteiten met gevaarlijke stoffen in bedrijven tot het aanvaarde maximum te beperken. Het gaat daarbij om het beperken van de kans op en effect van een ernstig ongeval vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen. Op vergelijkbare wijze zijn de aanvaardbare risico's, verbonden aan transport van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en het transport door buisleidingen, vastgelegd in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en de daarbij behorende regelingen.

Het doel wordt in Bevi, Bevt en Bevb vertaald naar de begrippen plaatsgebonden risico en groepsrisico: Plaatsgebonden risico (PR): Risico op een plaats buiten een inrichting, uitgedrukt als een kans per jaar dat een persoon onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Groepsrisico (GR): Cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen de inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. In Bevi, Bevt en Bevb zijn de risiconormen (plaatsgebonden risicoafstanden) wettelijk vastgelegd. Binnen deze afstanden mogen geen kwetsbare objecten worden opgericht. Beperkt kwetsbare objecten mogen alleen onder zwaarwegende motieven binnen deze risicoafstanden. Er is in Bevi, Bevt en Bevb geen harde norm voor het groepsrisico vastgesteld. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Derhalve is de risicokaart geraadpleegd.

Gemeentelijk externe veiligheidsbeleid De gemeente Oost Gelre heeft in 2008 een beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld. Met de beleidsvisie externe veiligheid geeft de gemeente haar visie op de beheersing van veiligheidsrisico's binnen de gemeente. Het gaat dan om risico's als gevolg van de opslag, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarmee geeft de gemeente Oost Gelre eveneens haar ambitieniveau

42

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders aan. Op basis van deze visie wordt een nadere invulling gegeven aan de beleidsvrijheid op het gebied van externe veiligheid. Zo wordt aangegeven hoe de gemeente omgaat met (de verantwoording van) het groepsrisico en de richtwaarde bij het plaatsgebonden risico bij (beperkt) kwetsbare objecten. Het externe veiligheidsbeleid is samengevat in onderstaand figuur.

Situatie plangebied In de directe nabijheid van het plangebied is geen weg gelegen die is aangemerkt als een transportroute voor gevaarlijke stoffen. In de directe nabijheid van het plangebied zijn verder geen opslagplaatsen voor gevaarlijke stoffen bekend. Op het perceel Winterswijkseweg 16 worden gevaarlijke en/of ontplofbare stoffen opgeslagen. Dit is conform eerder afgegeven vergunning en wijzigt niet met de voorliggende ontwikkeling. Derhalve is verder onderzoek naar externe veiligheid in onderhavig geval niet noodzakelijk.

Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.

5.11

Verkeer en parkeren

Verkeer Het plangebied wordt ontsloten via de Winterswijkseweg. Dit is een doorgaande weg welke het centrum van Vragender ontsluit richting het westen en oosten. Door het uitbreiden van de bebouwing bij Gunnewick Mengvoeders B.V. zal het verkeer niet toenemen. Derhalve vormt dit geen belemmering voor de ontwikkeling.

Parkeren

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

43

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Nota Parkeernormen gemeente Oost Gelre De nota ‘Parkeernormen gemeente Oost Gelre’ is een nadere uitwerking van het parkeerbeleid zoals dat is opgenomen in het integraal verkeersprogramma. In deze nota is een eenduidig toepassingskader vastgelegd van de parkeernormen. Tevens zijn in deze nota de toe te passen parkeernormen van de gemeente Oost Gelre vastgelegd. Het hanteren van parkeernormen is van belang om de vraag naar en aanbod van parkeerplaatsen met elkaar in evenwicht te houden. Bij bouwplannen (nieuwbouw, verbouw, herontwikkeling etc.) kan extra parkeerbehoefte ontstaan. De hoeveelheid en de kwaliteit van de extra te realiseren parkeerplaatsen wordt berekend aan de hand van parkeernormen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet de initiatiefnemer in principe op eigen terrein in de eigen parkeerbehoefte voorzien. Hierdoor wordt een verhoging van de parkeerdruk in de openbare ruimte voorkomen. Nu het in deze vergunning slechts gaat om een uitbreiding van de gebouwen van het bedrijf, kan gesteld worden dat de parkeerbehoefte niet zal toenemen. Derhalve vormt dit geen belemmering.

Conclusie Verkeer en parkeren vormen geen belemmering voor het planvoornemen.

44

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Hoofdstuk 6

T oetsing van het plan aan het beleid

Bestemmingsplan De ontwikkeling is op twee delen in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Het plan is in strijd met artikel 5.2.2 onder a: de bedrijfsgebouwen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Het plan is in strijd met artikel 5.2.2 onder d: de maatvoering van de bestaande bebouwing, waarop geen aanduiding van de maximale goot- en bouwhoogte is aangegeven, mag niet meer bedragen dan de maatvoering zoals deze gold op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan, mits deze op een legale wijze tot stand is gebracht. Voor wat betreft de strijdigheid met artikel 5.2.2 onder d kan binnenplans afgeweken worden, en wel onder artikel 5.4.1 in samenhang met artikel 5.4.2.

5.4.1 Afwijking Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 5.2.2, onder d. en toestaan dat de maatvoering van de bestaande bebouwing wordt gewijzigd, met dien verstande dat er sprake dient te zijn van een bouwtechnische noodzaak tot verhoging van het bouwwerk welke dient te zijn aangetoond;

5.4.2 Afwegingskader Een in 5.4 .1 genoemde afwijking kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van: a. b. c. d.

het straat- en bebouwingsbeeld; de milieusituatie; het oorspronkelijk silhouet van het bouwwerk; de gebruiksmogelijkheden van de molen;

Motivering afwegingskader De bouwtechnische noodzaak is in de aanleiding van de ontwikkeling aangegeven. De wijziging van de bestaande bebouwing is noodzakelijk, gelet op de uitbreiding van de productie van het bedrijf. De verhoging van de schoorsteen is benodigd op basis van verscheidene milieuaspecten, zoals beschreven in hoofdstuk 5. De overkapping van de stortput idem. In paragraaf 3.4 is aangegeven dat het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig wordt aangetast. De voorgenomen ontwikkeling is wat betreft dit toetsingskader acceptabel te noemen. In hoofdstuk 5 zijn alle aspecten omtrent de milieusituatie behandeld. Op geen enkel onderdeel bestaan belemmeringen ten aanzien van het onderhavig plan. Het oorspronkelijk silhouet van het bouwwerk wijzigt. Echter, zoals ook ten aanzien van het straat- en bebouwingsbeeld is aangetoond, gebeurt dit niet onevenredig. In paragraaf 3.4 wordt aangegeven dat het oorspronkelijk silhouet op de belangrijkste punten in stand gehouden wordt, te weten het drieluik van de hoge silo (22 meter), het lage tussenlid, en de hogere markante silo. Derhalve wordt aangetoond geacht dat het oorspronkelijk silhouet van het bouwwerk niet onevenredig wordt aangetast. Ten aanzien van de gebruiksmogelijkheden van de molen is advies gevraagd bij molenvereniging De Hollandsche Molen.

In een brief (als bijlage toegevoegd) is aangegeven dat met de voorgenomen wijzigingen van Gunnewick Mengvoeders B.V. de belangen van de molen niet in het geding zijn. De opbouw komt bovenop de bestaande silo. Deze is ook in de huidige situatie al zodanig hoog dat gesteld Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

45

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders kan worden dat de windvang uit deze (oostelijke) richting voor de molen reeds volledig verloren is gegaan. Daarom is er ten opzichte van de huidige situatie geen sprake van een onaanvaardbare verdere achteruitgang. Derhalve kan ook op dit punt verondersteld worden dat de ontwikkeling geen belemmering vormt betreffende het afwegingskader voor de binnenplanse afwijking.

Lijst van verklaring van geen bedenkingen Gezien voor de strijdigheid ten aanzien van het bouwen buiten het bouwvlak niet binnenplans afgeweken kan worden, kan er alleen meegewerkt worden middels artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3° van de Wabo (omgevingsvergunning projectafwijking). Een dergelijke omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat. Artikel 6.5, lid 1 van het Besluit omgevingsrecht (Bor) bepaalt dat bij het afwijken van de regels omtrent ruimtelijke ordening op basis van artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo met toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder a, sub 3° Wabo, er een verklaring van geen bedenkingen nodig is van de gemeenteraad. Conform artikel 6.3, lid 3 Bor kan de gemeenteraad categorieën van gevallen aanwijzen waarin een verklaring van geen bedenkingen niet is vereist. De gemeenteraad van Oost Gelre heeft dat gedaan in het document 'Beleidsregels Wabo'. Voorliggende ontwikkeling past niet binnen de aangewezen categorieën. Derhalve is een verklaring van geen bedenkingen vereist van de raad. Middels een raadsvoorstel wordt de omgevingsvergunning voorgelegd en een verklaring van geen bedenkingen van de raad gevraagd.

Bij terinzagelegging van het ontwerp wordt het besluit inzake deze verklaring van geen bedenkingen eveneens gepubliceerd. Hiermee wordt voldaan aan de wetgeving en het gemeentelijk beleid.

Conclusie Uit bovenstaande blijkt dat de beoogde planontwikkeling voldoet aan het vastgestelde beleid, waardoor de omgevingsvergunning verleend kan worden.

46

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Hoofdstuk 7 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid 7.1

Haalbaarheid

Het project en bijbehorende procedure worden door verzoeker bekostigd. Indien het project aanleiding geeft tot vergoeding van planschade (artikel 6.1 Wro) zullen de kosten worden doorberekend aan verzoeker. Ten behoeve van het project is een anterieure overeenkomst afgesloten met verzoeker inzake planschade.

7.2

Exploitatieplan

De omgevingsvergunning voorziet in het uitvoeren van bouwkundige aanpassingen van het bedrijf ter plaatse. Er is geen sprake van een bouwactiviteit zoals bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening, waardoor voor de betrokken gronden een exploitatieplan als bedoeld in artikel 6.12 Wro dient te worden vastgesteld. Wel is met verzoeker een anterieure overeenkomst afgesloten waarin is opgenomen dat de te maken kosten, waaronder eventuele planschade, voor rekening van verzoeker zijn. Burgemeester en wethouders achten het plan hierdoor economisch uitvoerbaar.

7.3

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.3.1

Inspraak

Voor het plan wordt de uitgebreide procedure doorlopen zoals bepaald in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Dit betekent dat de ontwerp omgevingsvergunning voor een periode van zes weken ter inzage wordt gelegd. Een ieder kan gedurende deze periode een zienswijze indienen.

7.3.2

Artikel 3.1.1.-overleg

Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te worden gevoerd met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Binnen het plan zijn geen nationale en provinciale belangen in het geding. Vooroverleg met de Vrom-inspectie en de provincie Gelderland is dan ook geen verplichting. Daarnaast zijn er geen wateraspecten in het geding waardoor er vooroverleg moet worden gevoerd met het Waterschap Rijn en IJssel. In de ontwerpfase zijn de diensten van provincie en het Waterschap door middel van een kennisgeving op de hoogte gebracht van de ontwerp omgevingsvergunning.

Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)

47

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Bijlagen

48

Bijlagen (ontwerp)

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Bijlage 1 landschappelijk inpassingsplan

Bijlagen (ontwerp)

49

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Bijlage 2 motivering besluit aanmeldingsnotitie mer

Bijlagen (ontwerp)

51

Advies Besluit op aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling Datum: 10 april 2019

Gemeente Oost Gelre

nr. 2018MER0061

ONDERWERP Op 9 juli 2018 hebben wij van Gunnewick Mengvoeders b.v. een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid van de Wet milieubeheer (Wm) ontvangen. De aanmeldingsnotitie betreft het volgende project:  het gebruik van reststromen (afvalstoffen) die vrijkomen bij de productie van humane voeding in het productieproces;  het optimaliseren van de productiecapaciteit tot maximaal 90.000 ton veevoer per jaar;  het realiseren van een gezamenlijke schoorsteen/emissiepunt voor de perslijnen;  het optimaliseren van de bedrijfsvoering/productieproces. Het voorgenomen project wordt gerealiseerd binnen de inrichting Gunnewick Mengvoeders b.v., gelegen aan de Winterwijkseweg 16/16a in Vragender. Om dit project te realiseren is een omgevingsvergunning op grond van de Wet Algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) nodig voor het veranderen of veranderen van de werking van een inrichting en het in werking hebben van de inrichting na deze verandering (artikel 2.1, lid 1 onder e in combinatie met artikel 2.6 van de Wabo, revisievergunning), het bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, lid 1 onder a Wabo) en handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening (artikel 2.1, lid 1, onder c Wabo). BESLUIT Wij besluiten dat geen milieueffectrapport behoeft te worden opgesteld.

Er is geen sprake van belangrijke nadelige gevolgen, die reden geven voor een nadere milieueffectbeoordeling als bedoeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer.

2018MER0061

pagina 1 van 9

RECHTSBESCHERMING Voorbereidingsbesluit Dit besluit wordt gezien als een voorbereidingsbesluit als bedoeld in artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen dit besluit kan alleen bezwaar worden gemaakt door een belanghebbende, die - los van het besluit omgevingsvergunning Wabo - rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen. Publicatie Het besluit wordt op 2 april 2019 bekendgemaakt via https://www.oostgelre.nl/actueel/bekendmakingen . Tevens wordt het besluit bekendgemaakt in de Staatscourant, het huis-aanhuisblad Elna en Groenlose Gids. Mogelijkheid van inzien De aanmeldingsnotitie, het m.e.r.-beoordelingsbesluit en de bijbehorende stukken kunnen gedurende een termijn van zes weken op verzoek worden ingezien bij de gemeente Oost Gelre. Bij het gemeentehuis van de gemeente Oost Gelre kunt u deze inzien tijdens openingstijden. Om het besluit bij de Omgevingsdienst Achterhoek in te zien kunt u een afspraak maken via het emailadres vergunningen@odachterhoek.nl of er kan gebeld worden met telefoonnummer 0575 750 400. De eerste dag van de ter inzage legging is 3 april 2019 en deze eindigt op 13 juni 2019.

2018MER0061

pagina 2 van 9

1. AANLEIDING Op 9 juli 2018 hebben College van burgemeester en wethouders van Oost Gelre een aanmeldingsnotitie m.e.r.-beoordelingsplicht (verder: aanmeldingsnotitie) als bedoeld in artikel 7.16, eerste lid van de Wet milieubeheer ontvangen. De aanmeldingsnotitie is namens Gunnewick Mengvoeders b.v. ingediend door VanWestreenen. In de aanmeldingsnotitie wordt mededeling gedaan van het voornemen een vergunning aan te vragen ingevolge de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (verder: Wabo) voor het veranderen van een inrichting met de volgende activiteiten:  het gebruik van reststromen (afvalstoffen) die vrijkomen bij de productie van humane voeding in het productieproces;  het optimaliseren van de productiecapaciteit tot maximaal 90.000 ton veevoer per jaar;  het realiseren van een gezamenlijke schoorsteen/emissiepunt voor de perslijnen;  het realiseren van een overkapping;  het optimaliseren van de bedrijfsvoering/productieproces. Gedurende 6 dagen per week (ma. tot en met za) worden veevoeders geproduceerd. De productiecapaciteit bedraagt maximaal 288 ton per dag en 90.000 ton per jaar.

De inrichting is gevestigd aan Winterswijkseweg 16/16a in Vragender, kadastraal bekend: gemeente Lichtenvoorde, sectie C, nummers 4597, 3499,3553, 4599, 4604, 4605, 425, 478 (ged.) en 479 (ged.) Voorafgaande aan het besluit op de aanvraag om een omgevingsvergunning, is het ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wm noodzakelijk te beslissen of in verband met de activiteiten gericht op verwerking van afvalstoffen een milieueffectrapport (verder: MER) nodig wordt geacht. 2. WETTELIJKE GRONDSLAG Ingevolge artikel 7.17, eerste lid, van de Wm moet het bevoegd gezag bij voorgenomen activiteiten genoemd in onderdeel D van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) besluiten of voor het project, gelet op de belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het project mogelijk heeft, een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. onderdeel D, categorie 18.1, is aangegeven dat voor de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7, in gevallen waarin de voorgenomen activiteit betrekking heeft op een installatie met een capaciteit van 50 ton per dag of meer, een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.

Uit jurisprudentie volgt dat ook handelingen gericht op nuttige toepassing binnen het begrip verwijdering als bedoeld in categorie D18.1 van de bijlage van het Besluit m.e.r. behoren te vallen. Het Besluit m.e.r. is van toepassing op besluiten waarop afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en een of meer artikelen van afdeling 13.2 van de wet van toepassing zijn. Met de voorgenomen activiteit wordt de capaciteitsgrens van 50 ton per dag of meer overschreden Voor het uitbreiden van de activiteit is een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo nodig.

2018MER0061

pagina 3 van 9

Wij stellen vast dat het project betrekking heeft op de een capaciteitsuitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval met een capaciteit van 50 ton of meer als bedoeld in categorie 18.1, onderdeel D in de bijlage behorende bij het Besluit m.e.r. op grond waarvan wij moeten beoordelen of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. 3

TOETS

Wij hebben getoetst of voor het project een milieueffectrapport moet worden gemaakt. Deze toets is overeenkomstig artikel 7.17, derde lid, van de Wm uitgevoerd met behulp van de in bijlage III van de Richtlijn 2014/52/EU opgenomen criteria. Deze criteria hebben betrekking op: 1. de kenmerken van het project; 2. de locatie van het project, en 3. de soort en kenmerken van het potentiële effect. De toetsing is hieronder uitgewerkt. Het volgende wordt overwogen. De kenmerken van het project Bij de kenmerken van het project zijn de volgende criteria in ogenschouw genomen: 1. de omvang van het project; 2. cumulatie met andere projecten; 3. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; 4. de productie van afvalstoffen; 5. verontreiniging en hinder; 6. het risico van ongevallen; 7. de risico’s voor de menselijke gezondheid.

3.1.1

Afweging

Omvang van het project Het project betreft het uitbreiden:  het gebruik van reststromen (afvalstoffen) die vrijkomen bij de productie van humane voeding in het veevoeder productieproces;  het optimaliseren van de productiecapaciteit tot maximaal 90.000 ton veevoer per jaar;  het realiseren van een gezamenlijke schoorsteen/emissiepunt voor de perslijnen;  het realiseren van een overkapping;  het optimaliseren van de bedrijfsvoering/productieproces. De toegepaste reststromen bestaan o.a. uit oliën, eiwitten, (graan)schroot, biergist, broodmeel, gluten, soja- en bietenproducten. Voor de productie van veevoeder wordt uitsluitend gebruik gemaakt van plantaardige grondstoffen. Het project betreft in hoofdzaak een optimalisatie van bestaande activiteiten. De omvang van het project is op zichzelf geen reden voor het maken van een milieueffectrapport. Cumulatie met andere projecten Ten aanzien van cumulatie van effecten ten gevolge van de voorgenomen activiteit kan cumulatie optreden ten aanzien geur, emissies naar de lucht (PM10 en NO2) en emissie van geluid. De voorgenomen activiteit heeft geen samenhang met andere activiteiten in de omgeving. Er zijn in de nabijheid van de installatie geen andere projecten in ontwikkeling die tot (een betekenisvolle) cumulatie van milieueffecten zouden kunnen leiden. 2018MER0061

pagina 4 van 9

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Gunnewick Mengvoeders b.v. maakt gebruik van reststoffen die zijn ontstaan bij de productie van voedingsmiddelen voor mensen. Deze reststoffen betreffen o.a. oliën, eiwitten, (graan)schroot, biergist, broodmeel, soja- en bietenproducten. Voor het vervoer van deze stoffen wordt gebruik gemaakt van motorvoertuigen die fossiele brandstoffen verbruiken. Voor het productieproces en schoonmaakwerkzaamheden wordt water gebruikt. Het voorgenomen project zal niet leiden tot een zodanig gebruik van natuurlijke hulpbronnen (water, land, bodem en biodiversiteit) dat dit aanleiding vormt voor het verlangen van een milieueffectrapport. Wat betreft dit onderwerp is er geen aanleiding tot het verlangen van een milieueffectrapport. Productie van afvalstoffen Binnen de inrichting komen afvalstoffen vrij zoals papier, pallets, productiemateriaal, oud ijzer en restafval. De aard en hoeveelheid van deze afvalstoffen zijn niet van dien aard dat daarom een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Verontreiniging en hinder De voorgenomen activiteit heeft in potentie gevolgen voor verschillende milieuaspecten. Met het oog op de in dit kader bedoelde verontreiniging en hinder zijn de milieuaspecten waar de voorgenomen activiteit gevolgen voor kan hebben, de aspecten bodem, afvalwater, lucht, geur en geluid.

In de aanmeldingsnotitie, het akoestisch onderzoek, geuronderzoek en luchtkwaliteitsonderzoek zijn de invloed van de bodembelasting, emissies van afvalwater, emissies naar de lucht, de emissie van geur en de geluiduitstraling op de omgeving beschreven en onderzocht. Wij overwegen hierover het volgende. Bodem Het risico op bodemverontreiniging ten gevolge van de voorgenomen activiteiten wordt veroorzaakt door de opslag en gebruik van bodembedreigende stoffen of waaruit bodembedreigende stoffen kunnen uitlogen. Uit de aanmeldnotitie blijkt dat ter plaatse van de beschreven bodembedreigende activiteiten toereikende (vloeistofkerende) voorzieningen en beheermaatregelen worden getroffen. Hiermee wordt een verwaarloosbaar bodemrisico bereikt. De bodembedreigende activiteiten geven geen aanleiding tot het opstellen van een milieueffectrapport. Afvalwater De samenstelling van het te lozen afvalwater komt grotendeels overheen met huishoudelijk afvalwater. Dit afvalwater wordt op de gemeentelijke riolering geloosd. Niet verontreinigd hemelwater wordt op de bodem of oppervlaktewater geloosd. De aard en omvang van de lozing van afvalwater is niet van dien aard dat daarom een milieueffectrapport moet worden opgesteld.

Geluid De geluidbelasting die die inrichting op de omgeving veroorzaakt is beschreven in het rapport “Akoestisch Gunnewick Mengvoeders in Vragender” van 5 maart 2019 dat is opgesteld door Tauw met kenmerk R001-1268670MJO-V01-baw-NL. De geluidbelasting is niet van dien aard dat daarom een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Lucht De gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn vastgelegd in het rapport “Onderzoek luchtkwaliteit Gunnewick Mengvoeders Vragender” Blauw luchthygiëne onderzoek en advies, rapportnummer BL2018.9093.01, 9 juli 2018. De gevolgen voor de luchtkwaliteit zijn niet van dien aard en omvang dat daarom een milieueffectrapport moet worden opgesteld. 2018MER0061

pagina 5 van 9

Geur De geurbelasting naar de omgeving is berekend in het Geuronderzoek Gunnewick Mengvoeders te Vragender dat is uitgevoerd door Blauw luchthygiëne en advies, rapportnummer BL2019.8975.01-V01, 2 januari 2019. De resultaten van het geuronderzoek geven geen aanleiding tot het opstellen van een geuronderzoek. Risico van ongevallen Voor zover het de uitbreiding van de inrichting betreft worden beperkte hoeveelheden gevaarlijke stoffen in verpakking, gasflessen (LPG), diesel in een bovengrondse tank en anorganische kunstmest in zakgoed opgeslagen. Deze activiteiten leiden er niet toe dat het Besluit risico zware ongevallen of het Besluit externe veiligheid op de inrichting van toepassing wordt. De opslag van deze stoffen vindt plaats overeenkomstig de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen”, PGS 7 “Opslag anorganische meststoffen” en PGS 30 “Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tank- en afleverinstallaties”. De risico’s op ongevallen worden daarmee in voldoende mate beperkt.

3.1.2

Conclusie kenmerken van het project

Gelet op vorengaande zijn wij van mening dat er wat betreft ‘kenmerken van het project’ geen belangrijke nadelige gevolgen zijn te verwachten die noodzaken tot het opstellen van een MER. De locatie van het project Bij de plaats van het project wordt het volgende in overweging genomen: 1. het bestaande grondgebruik; 2. de relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; 3. het opnamevermogen van het natuurlijk milieu, waarbij in het bijzonder aandacht voor de volgende relevante typen gebieden: a. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn 79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); b. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3.2.1

Afweging

Het bestaande grondgebruik De inrichting is gelegen binnen de bebouwde kom van Vragender. In de directe omgeving zijn woningen van derden, een autogarage, korenmolen, een school en kerk met bijbehorende gegraafplaats gelegen. De molen “De vier Winden” is aangewezen als rijksmonument met hoge waarde. Rondom deze molen is een zogenaamde molenbiotoop gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 200 gebied Korenburgerveen is op een afstand van circa 1700 meter gelegen. De overige gebiedstypen genoemd in bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling worden ten aanzien van het project waar de aanmeldingsnotitie betrekking op heeft, als niet relevant beschouwd. Het betreft de volgende gebiedstypen: wetlands, kustgebieden, berg- en bosgebieden, reservaten en natuurparken en gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden.

2018MER0061

pagina 6 van 9

Het project zal gerealiseerd worden binnen de grenzen van de bestaande inrichting van Gunnewick. Het voorgenomen project sluit aan bij de bestaande activiteiten, die betrekking hebben op de productie van veevoer. In het geldende bestemmingsplan ‘Vragender herziening Gunnewick Winterwijkseweg 16 van 28 mei 2013 zijn de gronden op het betrokken perceel bestemd tot ‘bedrijf, dubbelbestemming waarde Archeologische verwachtingswaarde 2, specifieke vorm van bedrijf mengvoederbedrijf en vrijwaringszone molenbiotoop.’ met specifieke bestemming ‘recycling’. Het bestemmingsplan staat het gebruik toe. Voor het realiseren van de overkapping van de stortput en het samenvoegen van 3 schoorstenen tot één schoorsteen is een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan noodzakelijk. De bedrijfslocatie en omringende terreinen zijn intensief in gebruik. Binnen de grenzen van de bedrijfslocatie worden gezien de bedrijvigheid geen beschermde soorten flora en fauna verwacht. Negatieve effecten op soorten die beschermd zijn in het kader van de Wet natuurbescherming als gevolg van de beoogde ontwikkeling zijn daarmee evenmin te verwachten. Nader onderzoek in dit verband achten wij niet noodzakelijk. Voor het project is op 6 juli 2018 een melding (Programmatische Aanpak Stikstof) op grond van de Wet natuurbescherming ingediend bij de provincie Gelderland.

De ontvangst van de melding is bevestigd waarbij de benodigde depositieruimte in het Aerius Register is geregistreerd. De relatieve rijkdom aan alsmede de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied De inrichting is gelegen binnen de molenbiotoop van de molen De Vier Winden te Vragender. Op 17 januari 2018 heeft de vereniging De Hollandse Molen advies uitgebracht waarin wordt geconcludeerd dat de voorgenomen wijziging van de inrichting de belangen van de molen niet in het geding zijn. Opnamevermogen van het natuurlijk milieu, waarbij in het bijzonder aandacht gegeven aan voor de in de EEG-richtlijn genoemde gebieden Het inrichtingsterrein is geen onderdeel van Natuurnetwerk Nederland, in Gelderland: Gelders Natuurnetwerk of GNN (voorheen Ecologische hoofdstructuur). Gebieden behorend tot het GNN zijn gelegen op meer dan 500 m ten zuidwesten en noordoosten(gebiedsnummer 27 Baakse Beek en Lievelde) van de inrichting. Aantasting van het GNN als gevolg van de beoogde ontwikkeling is daarmee niet aan de orde. Gezien het vorenstaande verwachten wij geen significante effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden van de genoemde natuurgebieden. Andere gebieden die specifieke aandacht verdienen bevinden zich niet in de invloedssfeer van de inrichting. 3.2.2.

Conclusie locatie van het project De locatie van het project leidt niet tot belangrijk nadelige milieugevolgen om reden waarvan een milieueffectrapport moet worden opgesteld. De soort en kenmerken van het potentiële effect Bij de soort en kenmerken van het potentiële effect moet in aanmerking worden genomen, in samenhang met de onder de punten 1 en 2 uiteengezette criteria en met inachtneming van: a. de orde van grootte en het ruimtelijk bereik van de effecten (bijvoorbeeld geografisch gebied en omvang van de bevolking die getroffen kan worden); b. de aard van het effect; c. het grensoverschrijdend karakter van het effect; d. de intensiteit en complexiteit van het effect; 2018MER0061

pagina 7 van 9

e. f. g. h.

de waarschijnlijkheid van het effect; de verwachte aanvang, de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect; de cumulatie van effecten van andere bestaande en/of goedgekeurde projecten; de mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen.

3.3.1

Afweging

Bereik van het effect Mogelijke nadelige gevolgen voor het milieu ten gevolge van het voorgenomen project treden op ten aanzien van de aspecten lucht, geur en geluid. Het bereik van deze milieuaspecten (geografisch en naar grootte van de bevolking gemeten) is beperkt. De effecten zijn van een gangbare omvang als normaal en worden geregeld in het besluit op de aangevraagde omgevingsvergunning. Er is geen aanleiding het bereik van het effect in het kader van het opstellen van milieueffectrapport nader te onderzoeken. Aard van het effect De aard van de effecten is voldoende beschreven in de aanvraag om omgevingsvergunning en de aanmeldingsnotitie. In een nader onderzoek naar de aard van de effecten in het kader van een milieueffectrapport zien wij geen toegevoegde waarde. Grensoverschrijdend karakter van het effect De inrichting is gelegen op circa 10 km van de Duitse grens. Op deze afstand zullen geen milieueffecten optreden ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting. Grensoverschrijdende effecten als gevolg van de voorgenomen activiteit zijn hiermee niet aan de orde. De intensiteit en complexiteit van het effect De intensiteit en complexiteit van de effecten zijn beperkt en worden voldoende ondervangen door voorschriften op het gebied van onder andere bodembescherming, geluidemissies en geur te verbinden aan de omgevingsvergunning.

Deze aspecten behoeven niet nader te worden onderzocht in het kader van het opstellen van een milieueffectrapport. De 'waarschijnlijkheid' van het effect De beschreven effecten in de aanmeldingsnotitie zullen zeker optreden, echter zijn van dien aard dat geen grote nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. De duur, frequentie en de omkeerbaarheid van het effect De productietijden van de inrichting zijn van maandag tot en met zaterdag van 06:00-22:00 uur. De aan- en afvoerbewegingen van vrachtwagens met grondstoffen en gereed product vinden plaats van maandag tot en met zaterdag tussen 5:00 tot 23:00 uur. De effecten van emissies van geluid en afvalwater, emissies naar de lucht en de bodembelasting vanwege de activiteiten zijn alle omkeerbaar, in die zin dat het effect ophoudt zodra de activiteit ophoudt. Er is dus geen sprake van een bijzondere omstandigheid. Met betrekking tot effecten naar bodem zijn er afdoende beperkende maatregelen en voorzieningen te treffen. Deze en ook de overige effecten zijn de gangbare effecten die aan bod komen in de omgevingsvergunning. Gezien de bestemming van de omgeving en de aard van de effecten zijn er verder ten aanzien van de duur, frequentie en omkeerbaarheid van deze effecten geen nadere opmerkingen te maken.

De cumulatie van effecten met effecten van andere projecten In de omgeving van de inrichting bevinden zich enkele andere bedrijven, waarvan de milieueffecten beperkt zijn. De voorgenomen activiteit leidt niet tot noemenswaardige cumulatie van effecten met andere bestaande en/of goedgekeurde projecten. 2018MER0061

pagina 8 van 9

De mogelijkheid om de effecten doeltreffend te verminderen In de omgevingsvergunning worden voorschriften gesteld die de nadelige gevolgen voor het milieu voorkomen of beperken. Voorts is op enkele van de gevraagde activiteiten zoals het lozen van schoon hemelwater, het op- en overslaan van goederen en (diffuse) emissies naar de lucht het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. In het Activiteitenbesluit zijn voor die activiteiten toereikende voorschriften ter bescherming van het milieu opgenomen. Wij zien geen aanleiding de mogelijkheden om effecten doeltreffend te verminderen in het kader van een milieueffectrapport nader te onderzoeken. 3.3.2 Conclusie kenmerken van het project Van potentiële aanzienlijke effecten is als gevolg van de voorgenomen activiteit geen sprake. In dit kader hoeft geen MER te worden gemaakt. 4

CONCLUSIE

De voorgenomen activiteiten leiden niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die via het opstellen van een milieueffectrapport nader onderzocht moeten worden. De kenmerken van het project, de locatie van het project en de soort en kenmerken van het potentiële effect zijn voldoende inzichtelijk.

2018MER0061

pagina 9 van 9

omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders

Bijlage 3 bodemonderzoek

Bijlagen (ontwerp)

61

Nulsituatie bodemonderzoek Winterswijkseweg 16 te Vragender

Milieutechniek Rouwmaat Groenlo bv Postbus 74 Den Sliem 93 7140 AB Groenlo 7141 JG Groenlo TEL. 0544-474040 FAX. 0544-474049

TITELBLAD

Projectnaam

Winterswijkseweg 16 te Vragender

Projectnummer

MT-19050

Opdrachtgever

Gunnewick Mengvoeders BV

Adres Postcode en plaats

Versienummer

Postbus 28 7130 AA te Lichtenvoorde

1

Status

Definitief

Datum

7 maart 2019

Vestiging

Groenlo

Opsteller

Dhr. J. Nijenhuis

Paraaf

Autorisatie Paraaf

Dhr. A.W. Ursinus

INHOUDSOPGAVE

1.

INLEIDING ........................................................................................................................................................................ 3 1.1

Achtergrond ........................................................................................................................................................... 3

1.2

Kwaliteit ................................................................................................................................................................. 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11968442/1