bijlage 1 ontwerp ruimtelijke onderbouwing
Tekst van het document
Omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders ontwerp
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Inhoudsopgave
Kennisgeving
5
Ruimtelijke onderbouwing
7
Hoofdstuk 1
8
Algemene gegevens bestemmingsplan
Hoofdstuk 2 Inleiding 2.1 Aanleiding en doel 2.2 Ligging en begrenzing 2.3 Geldend bestemmingsplan 2.4 Leeswijzer
9 9 9 11 12
Hoofdstuk 3 Planbeschrijving 3.1 Historische ontwikkeling 3.2 Bestaande en nieuwe situatie 3.3 Landschappelijke inpassing 3.4 Stedenbouw en welstand
13 13 17 21 21
Hoofdstuk 4 Beleid 4.1 Internationaal niveau 4.2 Rijksbeleid 4.3 Provinciaal beleid 4.4 Gemeentelijk beleid
22 22 24 27 27
Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten 5.1 Milieu-effectrapportage en Ruimtelijke planvorming 5.2 Archeologie en cultuurhistorie 5.3 Bodem 5.4 Water 5.5 Geluid 5.6 Geur 5.7 Luchtkwaliteit 5.8 Natuurbescherming 5.9 Bedrijven en milieuzonering 5.10 Externe veiligheid 5.11 Verkeer en parkeren
29 29 30 31 32 33 35 36 39 41 42 43
Hoofdstuk 6
Toetsing van het plan aan het beleid
45
Hoofdstuk 7 Economische en maatschappelijk uitvoerbaarheid 7.1 Haalbaarheid 7.2 Exploitatieplan 7.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
47 47 47 47
Bijlagen
48
Bijlage 1
landschappelijk inpassingsplan
49
Bijlage 2
motivering besluit aanmeldingsnotitie mer
51
Bijlage 3
bodemonderzoek
61
(ontwerp)
3
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Bijlage 4
watertoets
194
Bijlage 5
akoestisch onderzoek
204
Bijlage 6
geur onderzoek
307
Bijlage 7
luchtkwaliteit onderzoek
329
Bijlage 8
ontwerp vvgb provincie
363
Bijlage 9
brief molenbiotoop
379
4
Inhoudsopgave (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Kennisgeving Burgemeester en wethouders van Oost Gelre maken bekend dat de omgevingsvergunning "Gunnewick Mengvoeders" met ingang van 25 november 2022 voor een ieder ter inzage ligt (conform artikel 3.10 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Het plan ligt voor een termijn van zes weken ter inzage, dus tot en met 6 januari 2023. De omgevingsvergunning is aangevraagd voor de activiteit 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening' en voorziet in een afwijking van het geldende bestemmingsplan de gebouwen ter plaatse van Winterswijkseweg 16 en 16a te Vragender, in eigendom en gebruik van Gunnewick Mengvoeders B.V., te wijzigen. Het plan kan worden ingezien bij de centrale balie van het gemeentehuis, Varsseveldseweg 2 te Lichtenvoorde. Ook kunt u het plan digitaal raadplegen via www.ruimtelijkeplannen.nl.
Kennisgeving (ontwerp)
5
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
6
Kennisgeving (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Ruimtelijke onderbouwing
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
7
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Hoofdstuk 1
Algemene gegevens bestemmingsplan
Gunnewick Mengvoeders omgevingsvergunning oktober 2022 Inlichtingen: Afdeling Ruimtelijke Ontwikkeling en Beheer Telefoonnummer 0544-393482
8
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Hoofdstuk 2 2.1
Inleiding
Aanleiding en doel
Er is een aanvraag om omgevingsvergunning ingekomen voor de activiteiten 'bouwen', 'handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening', en 'inrichting of mijnbouwwerk oprichten of veranderen (milieu)' voor het perceel Winterswijkseweg 16 en 16a te Vragender. De aanvraag voorziet in aanpassingen aan de gebouwen van het bedrijf Gunnewick Mengvoeders B.V., een mengvoederfabricant. De aanpassingen zien toe op de realisatie van een centrale schoorsteen op het dak van de fabriek, het vergroten van de vergunde perslijn in verband met het aanbrengen van een lift, en het bouwen van een overkapping boven een stortput. Hiermee worden bestaande maatvoeringen ten aanzien van bouwhoogtes overschreden. Daarnaast valt de vergroting ten aanzien van de perslijn en lift buiten het bouwvlak. Derhalve is een verzoek ingediend om middels een omgevingsvergunning het een en ander toch mogelijk te kunnen maken. Het college heeft op 12 december 2017 principemedewerking gegeven om bovenstaande onderdelen middels een omgevingsvergunning Wabo (projectafwijking) mogelijk te maken.
2.2
Ligging en begrenzing
Het perceel Winterswijkseweg 16 en 16a te Vragender is gelegen in de kern van Vragender, binnen de gemeente Oost Gelre. De omgeving van het perceel is te omschrijven als gemengd gebied met bedrijven, particuliere woningen, maatschappelijke bestemmingen (in het bijzonder een kerk en een school), agrarische gronden, en horecagelegenheden. Het perceel ter plaatse wordt geexploiteerd door het bedrijf Gunnewick Mengvoeders. Dit bedrijf produceert vee- en mengvoeder voor de veehouderij. De productie omvat maximaal 90.000 ton veevoeder per jaar. In de fabriek wordt met behulp van diverse installaties en machines het veevoeder vervaardigd. Vervolgens wordt met behulp van een laadstation en vrachtwagens het gereed product (bulk) opgeslagen en afgevoerd. Binnen de inrichting wordt tevens kunstmest, zakgoed, premixen en balen hooi/stro/zaagsel opgeslagen. Binnen de inrichting bevinden zich ook twee sleufsilo’s, een weegbrug, een wasplaats en een bedrijfswoning inclusief kantine en kantoorruimtes. Het bedrijf Gunnewick Mengvoeders welke gevestigd is te Winterswijkseweg 16 en 16a te Vragender, staat kadastraal bekend als gemeente Lichtenvoorde, sectie C, nummers 4597, 4604, 4605, en sectie S, nummers 425, 479, 883.
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
9
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Omgeving plangebied
Perceel Winterswijkseweg 16 en 16a te Vragender
10
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Aanzicht perceel Winterswijkseweg 16 en 16a te Vragender
2.3
Geldend bestemmingsplan
Het perceel Winterswijkseweg 16 en 16a te Vragender is gelegen in het geldende bestemmingsplan 'Kern Vragender 2015', en grotendeels bestemd als 'Bedrijf - 1' met dubbelbestemming 'Waarde – Archeologische verwachtingswaarde 2' en gebiedsaanduiding 'vrjiwaringszone - molenbiotoop'. Voor de aanwezige bedrijfsgebouwen is per gebouw een bouwvlak opgenomen. Tevens is per bouwvlak een maximum bouw- en goothoogte opgenomen. Deze hoogtes verschillen per gebouw. Binnen de bestemming 'Bedrijf - 1' is op het adres Winterswijkseweg 16a een bedrijfswoning aanwezig, aangeduid met de functieaanduiding 'bedrijfswoning'. Aan de straatkant van de bedrijfswoning en het bedrijf (gevestigd op nummer 16) is een deel van de gronden bestemd als 'Tuin'. Een deel van deze tuin is aangeduid met de functieaanduiding 'parkeerterrein'. De noordelijke-, westelijke-, en noord-westelijke zijden van het plangebied zijn bestemd als 'Groen'. Op het plangebied is tevens het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie' van toepassing. Met betrekking tot dit plan ligt het gehele plangebied in de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1'. De aangevraagde bouwactiviteiten zijn in strijd met de bestemmingsregels ter plaatse. Met de plannen worden de maximum bouw- en goothoogten overschreden op verscheidene plekken.
Daarnaast wordt ook het bouwvlak overschreden ter plaatse van de uitbreiding van de perslijn en lift. In een eerder besluit heeft het college van burgemeester en wethouders aangegeven om mee te werken aan voorliggende ontwikkelingen door middel van een procedure om omgevingsvergunning Wabo (projectafwijking).
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
11
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Uitsnede uit geldend bestemmingsplan 'Kern Vragender 2015'
2.4
Leeswijzer
In Hoofdstuk 2 is de aanleiding en doel van dit bestemmingsplan uiteengezet. In Hoofdstuk 3 van de toelichting wordt de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. De historie en cultuurhistorie komt aan bod. Ook wordt inzicht gegeven in de opbouw van het plangebied met de daarbij behorende functies. Vervolgens wordt in Hoofdstuk 4 het beleidskader van het Rijk, de provincie Gelderland en de gemeente Oost Gelre uiteen gezet. Hoofdstuk 5 gaat over de uitvoeringsaspecten die voor dit plangebied relevant zijn. In hoofdstuk 6 is getoetst aan beleidsregels en andere voorwaarden. Tot slot volgt in Hoofdstuk 7 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van overleg en terinzagelegging.
12
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Hoofdstuk 3
Planbeschrijving
In dit hoofdstuk wordt de huidige situatie vanuit ruimtelijk oogpunt en per functie, evenals de ontwikkelingen op basis van het vigerende beleid beschreven. Er wordt flexibiliteit geboden daar waar het kan. Rekening wordt gehouden met de dynamiek in het plangebied en ruimte voor 'reguliere' uitbreidingen en veranderingen.
3.1
Historische ontwikkeling
Op de topografische kaart uit 1885 is voor het eerst de dorpskern Vragender duidelijk te zien. Het adres Winterswijkseweg 16 en 16a te Vragender bestaan dan nog niet, maar het bedrijf van Gunnewick Mengvoeders bestaat dan al in haar eerste vorm: een molen met bakkerij, en een boerderij. Er is daar amper bebouwing te zien. Er is duidelijk een concentratie van bebouwing rondom de ter plaatse aanwezige rooms katholieke kerk te zien. Door de jaren heen zien we de bebouwing van Vragender zich ontwikkelen. Dit is duidelijk te zien in de overgang van de topografische kaarten uit 1885 en 1936 naar die van 1955. De molen uit 1875 is in de loop der jaren vervangen door een nieuwe molen van waaruit mengvoederproductie plaatsvond. Deze productie heeft zich in de '60 en '70 jaren verplaatst naar de huidige fabriek. In de '80 jaren is de fabriek vergroot tot de huidige omvang. Vooral in de uitsnedes uit 2000 en 2021 is duidelijk het bedrijf terug te vinden in de bebouwing.
Uitsnede uit 1885 (Bron: www.topotijdreis.nl)
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
13
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Uitsnede uit 1936 (Bron: www.topotijdreis.nl)
14
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Uitsnede uit 1955 (Bron: www.topotijdreis.nl)
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
15
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Uitsnede uit 1975 (Bron: www.topotijdreis.nl)
Uitsnede uit 2000 (Bron: www.topotijdreis.nl)
16
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Uitsnede uit 2021 (Bron: www.topotijdreis.nl)
3.2
Bestaande en nieuwe situatie
Op het perceel Winterswijkseweg 16 en 16a te Vragender is omstreeks 1875 de familie Gunnewick begonnen met een molenaarsbedrijf. Deze molen is later vervangen door een nieuwe molen van waaruit mengvoederproductie plaatsvondt. Deze productie heeft zich in de '60 en '70 jaren verplaatst naar de huidige fabriek. In de '80 jaren is de fabriek vergroot tot de huidige omvang. Het bedrijf is te omschrijven als een mengvoederbedrijf. De werkzaamheden bestaan uit het ontvangen van grondstoffen, opslaan, malen, mengen, persen en weer opslaan van gereed produkt in silo's en in een loods. Tevens vindt handel van kunstmest plaats, in fourages, materialen en goederen voor de agrarische sector. Daarnaast worden aanverwante werkzaamheden verricht welke gericht zijn op de machines voor mengvoeder zoals reparaties, onderhoud en renovatie. De productie van het bedrijf omvat maximaal 90.000 ton veevoeder per jaar. In de fabriek wordt met behulp van diverse installaties en machines het veevoeder vervaardigd. Vervolgens wordt met behulp van een laadstation en vrachtwagens het gereed product (bulk) opgeslagen en afgevoerd. Binnen de inrichting wordt tevens kunstmest, zakgoed, premixen en balen hooi/stro/zaagsel opgeslagen. Binnen de inrichting bevinden zich ook twee sleufsilo’s, een weegbrug, een wasplaats en een bedrijfswoning inclusief kantine en kantoorruimtes.
Het perceel wordt ontsloten door de Winterswijkseweg en Schoolstraat. Door de jaren heen heeft Gunnewick telkens nieuwe uitbreidingsplannen gehad. Enkele van deze plannen kwamen in 2010 in versnelling, nadat in de zomer van dat jaar een windhoos over Vragender is getrokken. Bij die windhoos is een bestaande loods van het bedrijf ingestort. Omdat de loods opnieuw opgebouwd moet worden, is destijds meteen een doorkijk gemaakt naar de toekomst. Naast het plaatsen van een nieuwe loods wordt daarom ook bestaande bebouwing naast de molen verbouwd en bouwkundig uitgebreid. Vanaf 2017 zijn er opnieuw uitbreidingsplannen bij Gunnewick. Het gaat dan om
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
17
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders 5 aanpassingen, te weten: 1. de installatie van een lift naast de 4e-perslijn met een verhoging naar 25,15 meter over een oppervlakte van 10 m2; 2. het overkappen van de stortput met een maximale hoogte van 12 meter; 3. verhogen van de bestaande hoogbouw naar 25 meter over een oppervlakte van 130 m2 ter plaatse van de drie schoorstenen; 4. vervangen van de gevelbeplating aan de oostzijde van het gebouw; 5. de opslag van duurzaam product in inpandige silo's waarbij uitbreiding plaatsvindt van 45 m² en waarbij de nokhoogte van 10 meter wordt verhoogd naar 22 meter. Door middel van een principebesluit geeft het college in december 2017 aan mee te willen werken aan de ontwikkelingen onder nummers 1 t/m 4. De aanpassingen worden hier verder uiteengezet. Voor een overzicht van de aanpassingen wordt ook verwezen naar onderstaande afbeeldingen.
De aanpassingen op het perceel van Gunnewick Mengvoeders in relatie tot de omgeving
18
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
De aanpassingen op het perceel van Gunnewick Mengvoeders in meer detail en inclusief hoogtes
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
19
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
De aanpassingen ten behoeve van de centrale schoorsteen en de lift, inclusief hoogte (25,15 meter)
De aanpassing ten behoeve van de centrale schoorsteen zichtbaar op een gewijzigd voorgevelaanzicht
Ten eerste wordt de stortput overkapt (bovenstaande afbeeldingen geel omlijnd). Hiermee wordt een overkapping van 12 meter hoog voorzien. Op basis van deze overkapping kunnen de vrachtwagens inpandig worden gelost. Hierdoor worden de emissies van met name stof en geluid aanzienlijk verminderd. Het bestemmingsplan laat ter plaatse een hoogte van maximaal 10 meter toe; 2 meter lager dan wat nodig is voor de voorziene aanpassing.
20
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Ten tweede wordt aan de oostzijde van de fabriek een uitbreiding voorzien voor een extra perslijn en een liftinstallatie (bovenstaande afbeeldingen rood omlijnd). De extra perslijn is in een eerder stadium al eens vergund. Het betrof toen een uitbreiding van ongveeer 30 m². Gelet op veiligheidseisen is het wenselijk en noodzakelijk een (inpandige) lift aan te brengen. Om deze lift te kunnen realiseren wordt het bouwplan ten opzichte van de vergunde situatie met ongeveer 10 m² vergroot. Deze uitbreiding valt buiten het bestaande bouwvlak. Daarnaast krijgt de installatie van de lift een hoogte van ongeveer 25,15 meter. Daarmee wordt de ter plaatse aanwezige maximale bouwhoogte van 22 meter overschreden. Tot slot wordt met het plan de bestaande hoogbouw ter plaatse van de aanwezige drie schoorstenen verhoogd naar 25 meter over een oppervlakte van ongeveer 130 m² (bovenstaande afbeeldingen groen omlijnd). De drie schoorstenen worden teruggebracht naar één schoorsteen. Hiermee wordt de afvoer van emissies anders geregeld; er is dan immers sprake van één centraal emissiepunt. De af te voeren lucht wordt via één luchtbehandelingsunit geleid en gereinigd. Als gevolg van de aanpassing zullen de emissies van stof, geur en geluid aanzienlijk afnemen. Het bestemmingsplan laat ter plaatse van de voorziene verhoging van 25 meter een maximale bouwhoogte toe van 22 meter.
Gelet op de strijdigheden met bouwhoogtes en het bouwvlak kan middels een omgevingsvergunning Wabo (projectafwijking) medewerking worden verleend. Medewerking aan de vergunning leidt tot een toekomstbestendiger bedrijf en een voor omwonenden betere stortput en afvoer van emissies. Alvorens de omgevingsvergunning te kunnen verlenen moet worden beoordeeld of de voorgenoemen ontwikkelingen niet een goed woon- en leefklimaat in de weg staan. Er moet met het uitvoeren van de plannen sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. De onderbouwing hiervan gebeurt in de opvolgende hoofdstukken.
3.3
Landschappelijke inpassing
Als voorwaarde bij dergelijke ontwikkelingen geldt dat er een bijdrage wordt geleverd aan de ontwikkeling van het landschap door middel van een erfinrichtingsplan. Bij de aanvraag heeft verzoeker een dergelijk plan aangeleverd. Doordat een deel van de oorspronkelijk aangevraagde activiteiten eerder is aangevraagd en vergund heeft verzoeker al eens een dergelijk plan opgesteld. Dit plan is inmiddels tot uitvoering gebracht, waarmee voldaan is aan het landschappelijk inpassingsplan voor de op dit moment aangevraagde ontwikkelingen. Het erfinrichtingsplan is als bijlage bij deze ruimtelijke onderbouwing bijgevoegd.
3.4
Stedenbouw en welstand
In de huidige situatie is er sprake van hoge silo (22 meter), een laag tussenlid, en een hogere markante silo. Deze situatie is erg bepalend voor de dorpssilhouet van Vragender. Met name door het lagere tussenlid is er stedenbouwkundig op dit moment sprake van twee duidelijke ruimtelijke zelfstandige silo's die verticaal in de omgeving staan. Vanuit diverse zichtlijnen is die openheid (tussen de silo's) en de twee zelfstandige silo's goed waarneembaar en de massa's wordt duidelijk gebroken. De geplande ontwikkeling verandert dit niet aanzienlijk. De uitbreiding van de grootste silo, in zowel hoogte als oppervlakte, is acceptabel te noemen. Ondanks dat dit wederom een stapeling is van bebouwing is de totale impact van de uitbreiding niet drastisch. Met name omdat in het beeld de hal van 22 meter beeld blijft overheersen, de kleine verhoging naar 25 is daarbij te overzien. Temeer deze uitbreiding vanuit de doorgaande straat in Vragender achter de bestaande silo ligt. Daar staat tegenover dat de uitbreiding vanuit diverse zichtlijnen vanaf de es goed zichtbaar zal zijn. Er is dus wel degelijk sprake van een impact voor de omgeving. Deze impact wordt echter als acceptabel beschouwd. Al met al is de ruimtelijke- en stedenbouwkundige impact van de uitbreiding acceptabel te noemen. De uitstraling blijft kenmerkend silhouet behouden, welke relatief gezien weinig uitbreidt.
Om tegemoet te komen in de mate van impact, wordt wel landschappelijke inpassing gevraagd. Hetgeen is als bijlage toegevoegd. Verder wordt verwezen naar onderdeel 4.4.1 van deze onderbouwing.
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
21
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Hoofdstuk 4
Beleid
Voor het gebied geldt een groot aantal juridische kaders en beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de belangrijkste samengevat. Op internationaal niveau zijn diverse regelingen van kracht die de duurzame instandhouding van habitats en soorten tot doel hebben. De meest verplichtende regelingen van de Europese unie zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Op nationaal en provinciaal niveau zijn eveneens een groot aantal juridische kaders en beleidskaders van toepassing op het plangebied.
4.1
Internationaal niveau
4.1.1
Vogelrichtlijn
De "Vogelrichtlijn" (79/409/EG) uit 1979 heeft tot doel: de bescherming en het beheer van alle op het grondgebied van de Europese Unie in het wild levende vogels en hun habitats. De lidstaten zijn verantwoordelijk voor de instandhouding van al deze vogelsoorten en in het bijzonder de trekvogels en zijn verplicht om de verschillende natuurlijke habitats die het leefmilieu van de wilde vogels vormen, in stand te houden. Op grond van deze richtlijn worden gebieden aangewezen als Speciale Beschermingszone. Deze gebieden maken deel uit van het Europese initiatief om een ecologisch netwerk van natuurgebieden duurzaam te beschermen (Natura 2000). Daarnaast stelt de richtlijn nadere regels voor de bescherming, het beheer en de regulering van vogelsoorten. De rechtsgevolgen die voortvloeien uit de Vogelrichtlijn betreffen, naast het aanwijzen van de Speciale Beschermingszones, ook de verplichting om passende maatregelen te nemen om de kwaliteit van de leefgebieden van de vogelsoorten niet te laten verslechteren. Verder mogen er geen storende invloeden optreden in gebieden die negatieve gevolgen hebben voor het voortbestaan van de vogelsoorten, die door de Vogelrichtlijn beschermd worden. Nieuwe plannen of projecten in en in de nabijheid van Speciale Beschermingszones worden volgens de richtlijn getoetst.
Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Vogelrichtlijn. 4.1.2
Habitatrichtlijn
De in 1992 vastgestelde "Habitatrichtlijn" is het voornaamste stuk wetgeving van de Europese Gemeenschap ter bevordering van de biologische verscheidenheid. Deze richtlijn houdt de verplichting in voor deelstaten om de habitats en soorten, die voor de Europese Unie van belang zijn, in stand te houden. Iedere lidstaat moet op zijn grondgebied de gebieden die voor het behoud van de onder de richtlijn vallende habitats en soorten het belangrijkst zijn, identificeren en vervolgens aanwijzen als Speciale Beschermingszones. Het plangebied en de directe omgeving zijn niet aangewezen als Speciale Beschermingszone in het kader van de Habitatrichtlijn.
22
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
4.1.3
Het verdrag van Valletta (Malta)
Het "Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed", kortweg het Verdrag van Malta, is op 16 januari 1992 te Valletta tot stand gekomen. Uitgangspunt van het verdrag is het archeologisch erfgoed waar mogelijk te behouden. Bij het ontwikkelen van ruimtelijk beleid moet het archeologisch belang, beter nog het cultuurhistorisch belang, vanaf het begin meewegen in de besluitvorming. Het verdrag is geratificeerd door de Eerste en Tweede Kamer. Invoering van het verdrag heeft gevolgen voor het huidige archeologisch bestel. Het moet nog (beter) in de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd worden. Alle overheden hebben zorgplicht voor archeologische waarden gekregen, dus ook de gemeenten. In de ruimtelijke ordening wordt aan veel aspecten aandacht geschonken en worden tal van belangen tegen elkaar afgewogen. Voor veel zaken wordt de afweging gestuurd door wet- en regelgeving. Het verdrag van Malta heeft tot gevolg dat dit ook voor de archeologie het geval is. Door het verdrag heeft (ook) de gemeente de inspanningsverplichting de archeologische waarden te beschermen. De archeologische waarden zijn opgenomen als dubbelbestemming in het geldende bestemmingsplan. Daarnaast geldt het bestemmingsplan 'Parapluplan Archeologie'. Hier zijn regels aan gesteld ter bescherming van mogelijke archeologische waarden. In hoofdstuk 5, paragraaf 5.2 wordt dit nader toegelicht.
4.1.4
Kaderrichtlijn water
De Kaderrichtlijn water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater. De KRW is sinds december 2000 van kracht en maakt het mogelijk om waterverontreiniging van oppervlaktewater en grondwater internationaal aan te pakken. De kaderrichtlijn is geen vrijblijvende richtlijn, ze vormt een Europese verplichting, waar de waterbeheerder (Rijk, waterschappen, provincies en gemeenten) niet omheen kan. De belangrijkste uitgangspunten van de KRW zijn: De vervuiler betaalt De gebruiker betaalt Na 2000 geen achteruitgang van de chemische en ecologische toestand van het water Resultaatsverplichting in 2015 Stroomgebiedsbenadering) Via de Implementatiewet EG-kaderrichtlijn water is de KRW vertaald in de Nederlandse wetgeving. De Kaderrichtlijn water moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in 2015 op orde is. In dat jaar moet het oppervlaktewater voldoen aan normen voor bepaalde chemische stoffen (waaronder de zogeheten prioritaire (gevaarlijke) stoffen). Worden die normen gehaald, dan spreken we van 'een goede chemische toestand'. Daarnaast moet het oppervlaktewater goed zijn voor een gevarieerde planten- en dierenwereld. Is dat het geval, dan heet dat 'een goede ecologische toestand'.
Hieronder valt ook een groot aantal andere chemische stoffen dan de hierboven al genoemde prioritaire (gevaarlijke) stoffen. Voor het grondwater gelden aparte normen voor chemische stoffen. Daarnaast moet de grondwatervoorraad stabiel zijn en mogen bijvoorbeeld natuurgebieden niet verdrogen door een te lage grondwaterstand (goede kwantitatieve toestand).Voor verschillende typen wateren gelden verschillende ecologische doelstellingen. In een plas leven bijvoorbeeld andere planten- en dierensoorten dan in kustwater. Daarom verschillen de ecologische doelen per watertype. De chemische normen zijn bij ieder water ongeveer hetzelfde, met uitzondering van de nutriënten. Daarvoor geldt weer wel een benadering die per watertype kan verschillen. Een watertoets is beschreven in hoofdstuk 5 in paragraaf 5.4. Algemene conclusie De internationale regelgeving en/of de europese regelgeving is niet op deze omgevingsvergunning van toepassing.
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
23
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
4.2
Rijksbeleid
4.2.1
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. Het Rijk wil ervoor zorgen dat in 2040 een veilige en gezonde leefomgeving met een goede milieukwaliteit wordt geboden. Het verstedelijkings- en landschapsbeleid laat het Rijk over aan provincies en gemeenten. De SVIR doet geen specifieke uitspraken die van belang zijn voor het voorliggende plan. 4.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) is de AMvB die het inhoudelijke beleidskader van de rijksoverheid vormt voor bestemmingsplannen. Dat betekent dat het Barro regels geeft over bestemmingen en het gebruik van gronden en zich primair richt tot de gemeente. Daarnaast kan het Barro aan de gemeente opdragen om in de toelichting bij een bestemmingsplan bepaalde zaken uitdrukkelijk te motiveren. Deze algemene regels bewerkstelligen dat nationale ruimtelijke belangen doorwerken tot op lokaal niveau. Op 30 december 2011 is de eerste tranche van het Barro in werking getreden. Deze eerste tranche van het Barro bevat een vertaling van het geldende planologische beleid dat bedoeld was om op lokaal niveau: in bestemmingsplannen, te worden verwerkt. De vastgestelde onderdelen van het Barro Ruimte hebben betrekking op onder meer het kustfundament, de grote rivieren en het Project Mainportontwikkeling Rotterdam (PMR). Op 1 oktober 2012 is de tweede tranche van het Barro in werking getreden. Deze tranche vormt een vertaling van nieuw ruimtelijk beleid van het Rijk, dat eerder is vastgelegd in o.a. de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en de MIRT-agenda's.
Dit deel van het Barro bevat regels voor onder meer het Natuur Netwerk Nederland (de opvolger van de ecologische hoofdstructuur), radarverstoringsgebieden, militaire terreinen, gebieden van uitzonderlijke universele waarde en reserveringsgebieden voor (nieuwe en uitbreiding van bestaande) hoofdwegen en spoorlijnen. De uitgangspunten van het Barro zijn bij het opstellen van deze omgevingsvergunning betrokken. 4.2.3
Besluit ruimtelijke ordening
Ladder voor duurzame verstedelijk ing In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte wordt de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd. Deze ladder is per 1 oktober 2012 vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2). Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening in de vorm van een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij dient de behoefte aan een stedelijke ontwikkeling te worden aangetoond. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. Om gebruikers goed te kunnen ondersteunen bij de toepassing van de nieuwe Ladder heeft het Rijk een nieuwe handreiking opgesteld. De Ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op bestemmingsplannen, uitwerkings- en wijzigingsplannen en omgevingsvergunningen als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 sub c in samenhang met artikel 2.12 lid 1 onder a sub 3 Wabo. Gezien het hier gaat om een De nieuwe handreiking begint met de vraag om wat voor een plan het gaat. Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Verder dient de ladder alleen toegepast te worden als de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.
Dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een aanzienlijk aanvullend ruimtebeslag ten opzichte van de bestaande situatie. Nadat bepaalt is of het een nieuw stedelijke ontwikkeling betreft, dient gekeken te
24
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders worden naar het ruimtelijk verzorgingsgebied. Voor een bedrijventerrein geldt dat gekeken moet worden naar de actieradius. Vindt de ontwikkeling plaats op een gemeente overstijgend bedrijventerrein? Wanneer deze vraag is beantwoord, kan gekeken worden naar de vraag of er behoefte is aan de ontwikkeling. Daarbij wordt gebruik gemaakt van lange termijn prognoses (10 jaar). Aanbod en plancapaciteit spelen hierbij een belangrijke rol. Tot slot wordt met de ladder gekeken naar de exacte plaats van de ontwikkeling: vindt deze plaats in stedelijk gebied of daarbuiten? Simpelweg kan gesteld worden dat de ontwikkeling voldoet aan de ladder wanneer de ontwikkeling gepland is in bestaand stedelijk gebied en voorziet in een behoefte.
Nieuwe stedelijke ontwikkeling Onderhavige ontwikkeling betreft het bouwen c.q. uitbreiden van de bestaande bedrijfsgebouwen van een mengvoederbedrijf. In artikel 1.1.1 van het Bro is het begrip 'stedelijke ontwikkeling' nader toegelicht, het gaat hier om 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie volgt dat voor onder andere een bedrijventerrein geldt dat het als stedelijke ontwikkeling kan worden aangemerkt wanneer het plan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte van meer dan 500 m². Gelet op het feit dat het hier gaat om relatief kleine aanpassingen ten aanzien van het terrein en het bruto-vloeroppervlakte, kan gesteld worden dat in voorliggend geval geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Daarmee gaat de ladder voor duurzame verstedelijking in dit geval niet verder op. Afweging Uit bovenstaande onderbouwing kan worden geconcludeerd dat het realiseren van enkele bouwkundige aanpassingen aan het bedrijf van Gunnewick Mengvoeders B.V. niet wordt beschouwd als een stedelijke ontwikkeling, zodat gesteld kan worden dat de ladder voor duuzame verstedelijking niet verder hoeft te worden doorlopen. Het betreft hier al duurzame verstedelijking.
Conclusie De ladder voor duurzame verstedelijking vormt geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
4.2.4
Klimaatadaptatie
Klimaatadaptatie heeft in het landelijke beleid een flinke impuls gekregen. Het Deltaprogramma 2018 bevat voor het eerst een Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie: een gezamenlijk plan van gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk dat de aanpak van wateroverlast, hittestress en droogte versnelt en intensiveert. Daarnaast zijn er in de nabije toekomst diverse ontwikkelingen zoals het stimuleren van de bewustwording in relatie tot klimaatadaptatie, de invoering van de Klimaatwet en de invoering van de Omgevingswet. De Klimaatwet hangt samen met het beleid dat in het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie is verwoord. In het regeerakkoord 2017 “Vertrouwen in de toekomst” staat dat de hoofdlijnen van de afspraken op het terrein van klimaat en energie worden verankerd in een klimaatwet. Lessen die Planbureau voor de Leefomgeving (2016) uit de Britse klimaatwet heeft getrokken, zijn onder andere dat het geen probleem is om zowel mitigatie als adaptatie in deze wet te borgen. Naar verwachting volgt Nederland dat voorbeeld gezien de invoering van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie en de verplichte klimaatstresstest voor gemeenten. Daarnaast werkt het Rijk momenteel aan een Aanpak Klimaatadaptatie Gebouwde Omgeving en wordt nagedacht over regels in het Bouwbesluit voor klimaatadaptief bouwen.
De invoering van de Omgevingswet biedt, naast het al door de gemeente ingezette klimaatbeleid, mogelijkheden om klimaatadaptatie een basis te geven in (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
25
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders en zo te werken aan een leefbare en gezonde stad. Hiervoor kunnen de Omgevingsvisie en het Omgevingsplan als juridische instrumenten worden ingezet. We kunnen zo een afgewogen keuze maken, welke risico's we al dan niet accepteren. De invoering van de Omgevingswet is nu gepland op 1 januari 2023.
Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DRPA) Mede gebaseerd op de adviezen uit het Manifest Klimaatbestendige Stad (2013) is in 2014 de intentieverklaring Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie verschenen. In deze beslissing staat het gezamenlijk doel centraal: in 2050 is het bebouwde gebied in Nederland, inclusief vitale en kwetsbare objecten, zo goed mogelijk “waterrobuust” en “klimaatbestendig” ingericht. Hierbij wordt gewerkt aan maatregelen om de kwetsbaarheid van de stad te verlagen voor drie opgaven: te nat (overstroming en wateroverlast), te droog (wateronderlast) en te warm (hittestress). In het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) staan zeven ambities centraal:
Door te werken aan deze zeven ambities wordt de totstandkoming van een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting versneld en geïntensiveerd.
Conclusie De aandachtspunten ten aanzien van klimaatadaptatie zijn meegenomen in de behandeling van uitvoeringsaspecten in hoofdstuk 5 en worden daar dan ook verder behandeld.
Algemene conclusie Het Rijksbeleid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen die deze omgevingsvergunning mogelijk maakt.
26
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
4.3
Provinciaal beleid
4.3.1
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening
De provincie heeft haar visie op de omgeving vertaald in de 'Omgevingsvisie Gelderland'. Deze is vastgesteld op 9 juli 2014. Op 24 september 2014 is de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Provinciale Staten van de provincie Gelderland hebben op 19 december 2018 een geconsolideerde versie van de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld en deze doorvertaald in de Omgevingsverordening. De provincie streeft onder andere naar het versterken en behouden van de vitaliteit van kleinere kernen en dorpen. Om dit te bereiken dienen stedelijke functies waar mogelijk te worden gebundeld en geconcentreerd. Daarnaast ondersteunt de provincie bij de aanpak van leegstand in dorpen en kernen. In de Omgevingsvisie is de Gelderse Ladder opgenomen. De Gelderse Ladder wordt gebruikt als afwegingskader voor de vestigingsplek van stedelijke ontwikkelingen. Als juridische basis voor de Gelderse Ladder gebruikt de provincie de ladder voor duurzame verstedelijking, genoemd in de vorige paragraaf. De juridische borging van de ladder is geregeld in de Bro en is niet nogmaals opgenomen in de provinciale verordening. Consequenties met betrekking tot de voorliggende ontwikkeling zijn dan ook hetzelfde.
4.4
Gemeentelijk beleid
4.4.1
Landschapsontwikkelingsplan 'Groen licht voor het landschap'
Het Landschapsontwikkelingsplan is een beleidsnota van de gemeente waarin het landschapsbeleid is vastgelegd. Het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) biedt de mogelijkheid de landschappelijke eenheid en kwaliteit in de gemeente te versterken en toch ruimte te bieden aan bestaande bedrijven en nieuwe ontwikkelingen in de toekomst. In het LOP zijn elf landschapsensembles benoemd. Elk landschapsensemble kenmerkt zich door eigen karakteristieke landschapselementen. Het zijn meestal elementen die hier historisch gezien thuis horen, en soms varianten daarop die aansluiten bij het hedendaagse gebruik van het landschap. Die visie in het LOP is in hoofdlijnen: 'Groen licht voor het landschap, maar voor wat hoort wat!' Landschapsensemble 'Vragender Krans' Het plangebied ligt in het landschapsensemble 'Vragender Krans'. Pak de historische karakteristiek van ‘esdorp in het veld en aan het veen’ op en koppel deze aan het eigentijdse gemengd bedrijf van verbrede landbouw en buitenlui op het platteland. Werk aan een groenblauwe dooradering van het cultuurlandschap voor recreanten, maar zeker ook voor ommetjes voor mensen vanuit het dorp. Geef de es een krans met oude en nieuwe kranspaden. Van daaruit kunnen paden en wandelstro ken voor mens, plant en dier door het veld en de beekdalen gaan. Vragender heeft als kern een sterke eigen identiteit en gemeenschap.
Dit dient zoveel mogelijk behouden te blijven, ondermeer door bouwen en wonen voor de eigen bevolking mogelijk te maken. Dat houdt in dat er mogelijkheden moeten zijn voor jongeren om in het dorp te blijven wonen (kleinere appartementen, starterswoningen). Het houdt ook in dat er voor ouderen voorzieningen moeten zijn die afgestemd zijn op deze groep. Waar functies van bijvoorbeeld agrarische bebouwing verdwijnen in en om de kern, dienen bij voorkeur (woon)voorzieningen voor deze twee groepen geschapen te worden. Daarnaast is er nog enige behoefte aan uitbreiding van eengezinswoningen. Deze dienen beter ingepast te worden dan de recente nieuwbouw aan de noordzijde van het dorp. Niet alleen ligt deze nieuwbouw erg in het zicht op de vroeger onbebouwde es, er is ook geen sprake van streekeigen bouw of enige inpassing met groen. In de eerdere nieuwbouw is hiervan juist wel sprake, maar deze valt nu deels weg achter de nieuwere huizen. Bij een verdere uitbreiding dient dit goedgemaakt te worden, temeer daar Vragender verder een parel in het landschap is, die de Achterhoekse karakteristieken prachtig in zich verenigt en die ook weet te benutten in economisch-recreatieve ontwikkeling.
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
27
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Kleinschalige inpassing van woningen in of bij de krans van boerderijen om de es zou cultuurhistorisch gezien nog meer de voorkeur hebben, zeker als deze nieuwe functie ook zou worden benut om het landschap verder te versterken met karakteristieke beplanting. Dit wordt in het LOP bedoeld met de Vragender Krans. Er zijn in dit landschap veel mogelijkheden om vrijkomende agrarische bebouwing te benutten voor nieuwe toepassingen, mits ook dit wordt benut om karakteristieke landschapselementen te behouden en toe te voegen. De agrarische bedrijvigheid is hier sterk vervlochten in de dorpscultuur en dient ook mogelijkheden te houden voor uitbreiding. Landschappelijke en milieutechnische inpassing is daarbij - meer dan in de ontginningslandschappen - een aandachtspunt, mede vanwege de recreatieve bedrijvigheid. In het deel van het landschapsensemble dat bestaat uit jonge ontginningen is en blijft landbouw het belangrijkste bodemgebruik. Intensieve veehouderij dicht bij het Vragenderveen zal niet verder kunnen uitbreiden: hier ligt een extensiveringsgebied. Bedrijven van dit type kunnen met steun worden verplaatst in het kader van de Reconstructie. De overige landbouw heeft hier de ruimte op ruime percelen, waar mogelijk zonder belemmeringen. Waar toch belemmeringen gevoeld worden moeten mogelijkheden zijn om via de “voor-wat-hoort-wat-benadering” verbeteringen aan te brengen.
Aansluitend daaraan dient landgoedontwikkeling en uitbreiding van de woonfunctie hier niet gestimuleerd te worden, maar individuele gevallen dienen wel op hun consequenties voor de doelen (positief en negatief) beoordeeld te worden. Kleinschalige recreatieve ontwikkeling (gastenkamers, kamperen bij de boer etc.) kunnen in het algemeen goed ingepast te worden. Bij het Vragenderveen (extensiveringsgebied) dient grootschalige recreatieve ontwikkeling vermeden te worden. De beken ten noorden en zuiden van de es hebben een sterk van het weer afhankelijk regiem met afvoerpieken. In dergelijke situaties is het zinvol om water te bergen, zoals al gebeurt langs de Vragenderbeek, zowel in de vorm van stuwtjes als in de vorm van een overloopbekken. Dergelijke voorzieningen kunnen ook nog worden aangelegd in de Visserijbeek. Beplanting op de laagste gedeelten langs de beek maakt ook dat overstroming van de beek niet meteen tot schade leidt op agrarische percelen.
Te beschermen en op te poetsen parels: het ensemble van afwisseling van dorp, es, beekdalen, veld en veen karakteristieke solitaire bomen de molen en de ruïne van de kapel holle wegen, leemkuilen en grintgroeven plekken om een te verpozen eventueel met picknickbankjes het Vragenderveen en de Schaar typerende erfbeplantingen steilranden en beplantingen Te stimuleren landschapselementen: bestaande karakteristieke beplantingen kranspaden rond de es: zandpad langs esrand eventueel met fruitbomen en/of eikenhakhoutsingel veldpaden: zandpaden door de ontginning langs kavelranden met eiken-berkensingel erlangs veldpaden door en langs de beekdalen kunnen bestaan uit openbare stroken langs kavelgrenzen met daarin hooilandstrook en zwarte els Deze uitgangspunten zijn de basis geweest voor het opgestelde erfinpassingplan voor het plangebied. Het erfinpassingsplan is als bijlage bijgevoegd.
28
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Hoofdstuk 5 5.1
Uitvoeringsaspecten
Milieu-effectrapportage en Ruimtelijke planvorming
Het bestemmingsplan, waarin ruimtelijke belangen worden geborgd, is het resultaat van een integrale ruimtelijke afweging. In deze integrale afweging worden ook alle milieuonderwerpen meegewogen, los van de wettelijke verplichtingen van de milieueffectrapportage. Welke milieuonderwerpen vanuit een duurzame ruimtelijke ordening voor een plangebied van belang zijn, moet per plan in beeld worden gebracht. De essentie en het gewicht van milieuonderwerpen is afhankelijk van het gebied en de opgave en eventuele wettelijke eisen. De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een wettelijk instrument met als doel het aspect milieu een volwaardige plaats in deze integrale afweging te geven. Een bestemmingsplan kan op drie manieren met milieueffectrapportage in aanraking komen: a. Op basis van artikel 7.2a, lid 1 Wm (als wettelijk plan); Er ontstaat een m.e.r.-plicht wanneer er een passende beoordeling op basis van art. 2.8, lid 1 Wet natuurbescherming nodig is. b. Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 3); Er ontstaat een m.e.r.-plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 3 (plannen). c.
Op basis van Besluit milieueffectrapportage (bestemmingsplan in kolom 4); Er ontstaat een m.e.r.-(beoordelings)plicht voor die activiteiten en gevallen uit de onderdelen C en D van de bijlage van dit besluit waar het bestemmingsplan genoemd is in kolom 4 (besluiten). De MER-besluit (Europese Richtlijn 97/11/EG tot wijziging Richtlijn 85/337/EEG) is ook van toepassing op grotere intensieve veehouderijen. In de bijlage van het Besluit milieu-effectrapportage 1994 (gewijzigd in 1999 / 2006 / 2011) is aangegeven in welke gevallen een MER moet worden gemaakt. Het MER-besluit is niet rechtstreeks van toepassing op de beoogde wijzigingen binnen de mengvoederfabriek van Gunnewick Mengvoeders b.v. te Vragender met een maximale jaarlijkse productiecapaciteit van 90.000 ton veevoeder (gereed product). Ingevolge artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer (Wm) worden bij algemene maatregel van bestuur de activiteiten aangewezen ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Ingevolge artikel 7.2, vierde lid, van de Wm worden ter zake van de activiteiten, bedoeld in het eerste lid, onder b, de categorieën van besluiten aangewezen in het kader waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of die activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben.
Indien dat het geval is, moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt. De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is het Besluit milieueffectrapportage (hierna: het Besluit MER). Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit MER worden als activiteiten als bedoeld in artikel 7.2, eerste lid, onder b, van de Wm aangewezen de activiteiten die behoren tot een categorie die in onderdeel D van de bijlage is omschreven. Bij categorie 18.1 wordt als activiteit en geval genoemd: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Uit jurisprudentie volgt dat het begrip ‘verwijdering’ alle handelingen omvat die leiden tot hetzij verwijdering van afvalstoffen in de strikte zin van het woord, hetzij tot de nuttige toepassing daarvan. Gunnewick Mengvoeders b.v. te Vragender maakt gebruik van stoffen die (onbedoeld) zijn ontstaan in een ander productieproces, maar een positieve waarde hebben vanwege het feit dat deze stoffen in haar eigen productieproces nuttig worden toegepast. Het betreffen hier reststromen die vrijkomen bij de productie van humane voeding. Deze toepassing valt in dit geval onder het begrip ‘verwijdering’, waarbij de capaciteit meer dan 50 ton per dag bedraagt.
Ingevolge artikel 2, vierde lid, van het Besluit MER worden als categorieën van besluiten als bedoeld in artikel 7.2, vierde lid, van de Wm, aangewezen de categorieën die in kolom 4 van onderdeel D van de bijlage zijn omschreven. In kolom 4 worden besluiten genoemd waarop afdeling 3.4 van de Algemene
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
29
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders wet bestuursrecht (hierna: de Awb) en afdeling 13.2 van de Wm van toepassing zijn. Voor het project is een omgevingsvergunning ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo nodig. Op de voorbereiding van dit besluit zijn ingevolge artikel 3.10, eerste en vierde lid, van de Wabo genoemde afdelingen van toepassing. Resumerend kan worden gesteld dat het project bij Gunnewick Mengvoeders b.v. betrekking heeft op de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval met een capaciteit van 50 ton per dag of meer. Op grond van het Besluit MER gaat het derhalve om een activiteit en geval, waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of een milieueffectrapport moet worden gemaakt. In de situatie bij Gunnewick Mengvoeders b.v. zijn in dit kader bijv. vetten en olien, eiwitten, (graan)schroot, biergist, broodmeel, gluten, soja- en bietenproducten aan te merken als “afvalstof”. Het betreffen hier reststromen die vrijkomen bij de productie van humane voeding. Voor alle grondstoffen die binnen de veevoeder-productie worden toegepast is een GMP+- erkenning aanwezig. Voorafgaande aan deze aanvraag omgevingsvergunning Wabo (milieu) is een aanmeldnotitie voor de MER-beoordeling ingediend.
Op 2 april 2019 heeft de gemeente Oost Gelre gepubliceerd om voor de volgende activiteiten geen milieueffectrapportage hoeft op te stellen: het gebruik van reststromen (afvalstoffen) die vrijkomen bij de productie van humane voeding in het productieproces; het optimaliseren van de productiecapaciteit tot maximaal 90.000 ton veevoer per jaar; het realiseren van een gezamenlijke schoorsteen/emissiepunt voor de perslijnen; het optimaliseren van de bedrijfsvoering/productieproces. Voor voorliggende omgevingsvergunning is alleen het realiseren van de gezamenlijke schoorsteen/emissiepunt voor de perslijnen van belang. De gemeente heeft de motivering van dit besluit voor geen milieueffectrapportage laten uitvoeren door de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA). Deze motivering is als bijlage toegevoegd.
Conclusie Een milieueffectrapportage, zowel -plicht, -beoordeling als -vormvrij, is niet nodig. Voor een verdere motivering wordt verwezen naar het advies van de Omgevingsdienst Achterhoek (ODA) van 10 april 2019.
5.2
Archeologie en cultuurhistorie
De Erfgoedwet bevat de implementatie in de Nederlandse wetgeving van het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed, (ook wel het verdrag van Malta genoemd, naar het eiland en de plaats waar het Verdrag in 1992 door verschillende EU-lidstaten is ondertekend). De Erfgoedwet verplicht gemeneten om bij de vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen gronden, rekening te houden met de in de bodem aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden. IWAK en AMK Archeologische waarden zijn in Nederland veelal onzichtbaar, omdat ze grotendeels verborgen liggen in de bodem, waardoor ze niet eenvoudig te karteren zijn. Voor de onbekende waarden heeft de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed de Indicatieve Kaart van Archeologische Waarden (IWAK) opgesteld. Voor de bekende waarden is de Archeologische Monumentenkaart (AMK) opgesteld. Bij het opstellen en uitvoeren van ruimtelijke plannen wordt rekening gehouden met zowel de bekende als de te verwachten archeologische waarden. De gemeente Oost Gelre heeft een archeologische beleidsadvieskaart. Op deze kaart is aangegeven welke gebieden archeologisch waardevol zijn en welke gebieden de verwachting hebben archeologisch waardevol te zijn. Het beleid dient door te werken in het bestemmingsplan.
Bescherming (behoud/conservering) van gebieden met archeologische (verwachtings)waarden is uitgangspunt bij de zorg voor het archeologische erfgoed in het plangebied. Afhankelijk van de verstoring moeten de gebieden eerst nader worden onderzocht, voordat hier bebouwing of grondbewerking (=verstoring) plaatsvindt. Tijdens het onderzoek gevonden archeologische resten, moeten zo mogelijk onaangetast in de grond bewaard blijven of anders op verantwoorde wijze
30
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders worden opgegraven. De kosten hiervan komen voor degene die de grond wil verstoren. Met behulp van een dubbelbestemming wordt voornoemde bescherming van archeologische waarden dan wel archeologische verwachtingswaarden in het bestemmingsplan geregeld. Situatie plangebied Op 14 april 2020 heeft de gemeenteraad van Oost Gelre nieuw archeologisch beleid vastgesteld met titel 'Archeologische monumentenzorg in de gemeente Oost Gelre, een actualisatie van de archeologische waarden-, verwachtings- en beleidskaart'. Dit nieuwe beleid is vastgesteld in het bestemmingsplan Parapluplan Archeologie. Ingevolge het genoemde bestemmingsplan is het plangebied gelegen ter plaatse van de aangewezen gronden voor 'Waarde - Archeologisch verwachtingsgebied 1'. Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. Bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen waarbij sprake is van het verrichten van bodemingrepen dieper dan 30 cm én een oppervlakte groter dan 250 m² dient de aanvrager een rapport te overleggen op basis van nader onderzoek, waarin de archeologische waarde van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft in voldoende mate is vastgesteld.
Op het perceel vinden geen bodemingrepen plaats van dieper dan 30 cm én met een oppervlakte groter dan 250 m², zodat een archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. Cultuurhistorie Als gevolg van het rijksbeleid ten aanzien van de monumentenzorg, is per 1 januari 2012 een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening van kracht. De wijziging betreft artikel 3.1.6, tweede lid, onderdeel a, als gevolg waarvan alle cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk dienen te worden meegewogen bij het vaststellen van ruimtelijke ingrepen. Dit betekent dat in aanvulling op de archeologische aspecten nu ook de overige cultuurhistorische waarden moeten worden betrokken in het onderzoek. Tot de overige cultuurhistorische waarden worden gerekend: de historisch-geografische waarden (cultuurlandschap, structuren/lijnen en bijzondere punten); de historisch-stedenbouwkundige waarden (stedenbouwkundige opbouw en identiteit); de architectuurhistorische waarden (waardevolle kenmerken van gebouwen). De wijziging op het perceel heeft geen negatieve gevolgen met betrekking tot bovenstaande overige cultuurhistorische waarden. Met behulp van het erfinpassingsplan (waaronder landschappelijke inpassing) zijn historisch-geografische waarden afgewogen. De andere waarden zijn door het bevoegd gezag integraal behandeld.
Uit de afwegingen zijn geen bezwaren gekomen ten aanzien van overige cultuurhistorische waarden om niet mee te werken aan de voorliggende ontwikkeling.
Conclusie archeologie en cultuurhistorie Het aspect archeologie en cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
5.3
Bodem
Wettelijk kader Ten aanzien van de bodemkwaliteit geldt de Wet bodembescherming (Wbb) en het (bijbehorende) Besluit bodemkwaliteit. Bij een ruimtelijk plan moet de bodemkwaliteit van het betreffende gebied inzichtelijk worden gemaakt. Hierbij is van belang te weten of er bodemverontreiniging is die de functiedoelen kan frustreren, of er daardoor gezondheidsrisico's of ecologische risico's zijn en wat de mogelijkheden zijn om er tijdig iets aan te doen. Hiervoor is wettelijk verplichte informatie over de bodemkwaliteit nodig.
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
31
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders
Op 1 juli 2012 zijn in Oost Gelre de Nota Bodembeheer en Bodemkwaliteitskaart in werking getreden. De Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart zijn bedoeld om de omgang met grond goed te regelen. Op basis van de Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is het in veel gevallen mogelijk om het hergebruik van grond als bodem zonder extra keuringen toe te staan. Grondverzet op basis van Nota Bodembeheer en bodemkwaliteitskaart is mogelijk binnen de volgende gemeenten: Aalten, Bronckhorst, Berkelland, Doetinchem, Montferland, Oost Gelre, Oude IJsselstreek en Winterswijk. De Nota Bodembeheer met bodemkwaliteitskaart vormt de basis van duurzaam bodembeheer binnen de regio Achterhoek. Situatie plangebied In opdracht van Gunnewick Mengvoeders BV heeft Milieutechniek Rouwmaat een nulsituatie bodemonderzoek verricht aan de Winterswijkseweg 16 te Vragender (gemeente Oost Gelre). Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van het vaststellen van de nulsituatie. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek kan het volgende worden geconcludeerd: In geen van de geanalyseerde parameters in grond is de waarde voor nader onderzoek (tussenwaarde) en/of de interventiewaarde overschreden. De aangetroffen licht verhoogde gehalten in de grond vormen geen belemmering voor het toekomstige gebruik. De licht verhoogde gehalten aan minerale olie zijn aangetroffen ter plaatse van bovengrondse tanks.
De grond aldaar valt indicatief in de klasse niet toepasbaar. De hypothese “Deellocatie A kan op basis van het vooronderzoek als een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting worden beschouwd” wordt grotendeels verworpen. De hypothese “Deellocatie B kan op basis van het vooronderzoek als een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting worden beschouwd” wordt verworpen. De hypothese “Deellocatie C kan op basis van het vooronderzoek als een verdachte locatie met een plaatselijke bodembelasting worden beschouwd” wordt verworpen. De hypothese “Deellocatie D kan op basis van het vooronderzoek als niet-verdacht worden beschouwd” wordt grotendeels verworpen. Eventueel vrijkomende grond kan niet zondermeer in het grondverkeer worden opgenomen. Mocht de grond naar elders worden getransporteerd, dient te worden nagegaan in hoeverre de kwaliteit van de af te voeren grond overeenstemt met de verwerkingsmogelijkheden die voor de betreffende stort- c.q. hergebruikslocatie gelden. Deze zijn geformuleerd in het Besluit bodemkwaliteit. Aanbevolen wordt dan ook de eindverwerkingslocatie in overleg met het bevoegd gezag vast te stellen. Mocht grondwater onttrokken worden t.b.v. bemaling, dient bekeken te worden in hoeverre de grondwaterkwaliteit de lozingsnormen overschrijdt. Het uitgevoerde bodemonderzoek is toegevoegd als bijlage.
Conclusie bodem Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.
5.4
Water
Wettelijk kader Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het waterbeleid van Rijk en provincie is gericht op een veilig en goed bewoonbaar land met gezonde, duurzame watersystemen. Het thema watersysteembeheer is gericht op het voorkomen van afwenteling door het hanteren van de drietrapsstrategie 'Vasthouden-Bergen-Afvoeren'. Voor de waterkwaliteit is het uitgangspunt 'stand still - step forward'. Watersysteembenadering en integraal waterbeheer dienen als handvatten voor het benutten van de natuurlijke veerkracht van een watersysteem. Het einddoel is een robuust en klimaatbestendig watersysteem voor de toekomst. Voor het thema Waterketenbeheer streeft
32
Ruimtelijke onderbouwing (ontwerp)
omgevingsvergunning Gunnewick Mengvoeders het waterschap naar een goed functionerende waterketen waarbij er een optimale samenwerking met de gemeenten wordt nagestreefd. De trits 'vasthouden, bergen en afvoeren' houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk in het plangebied wordt vastgehouden in de bodem (infiltratie) en in het oppervlaktewater wordt geborgen. Vervolgens wordt, zo nodig, het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren, wordt het water afgevoerd. Bij 'schoonhouden, scheiden en zuiveren' gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste, wanneer schoonhouden en scheiden niet mogelijk is, komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod. In de stroomgebiedsvisie (Provincie Gelderland in nauwe samenwerking met de waterschappen en de Directie Oost-Nederland van Rijkswaterstaat) staan zowel bestaand beleid als suggesties voor nieuw waterbeleid, waarbij de nadruk ligt op de ruimtelijke aspecten van dit waterbeleid. De stroomgebiedsvisie geeft inzicht in de aard en omvang van de wateropgaven die relevant zijn. Het accent in de wateropgaven voor de Achterhoek en Liemers ligt op het voorkomen van wateroverlast en herstel c.q. bescherming ecologisch waardevolle wateren en natte landnatuur.
Ter voorkoming van huidige en toekomstige wateroverlast is in en langs bestaande waterlopen naar oplossingen gezocht (verbreden, verondiepen, hermeanderen). Het beleid gaat uit van: een goede kwaliteit van het water (grond- en oppervlaktewater); water meer ruimte geven; versterken van de ecologische waarden; creëren van een vitaal watersysteem Specifiek voor het stedelijk gebied is het volgende van belang: De waterketen moet worden geoptimaliseerd (meer afkoppelen en infiltreren). In het GRP wordt hiertoe een aanzet gegeven; Kwaliteit oppervlaktewater en waterbodem: Saneren overstorten en afkoppeling en ontlasting van het riool; Wateroverlast in stedelijk gebied: reguleren van de piekafvoeren door middel van het vasthouden van het water bovenstrooms, actief stuwbeheer, extra retentie en herverdeling van het water. Situatie plangebied Het waterschap Rijn en IJssel heeft een digitale watertoets als hulpmiddel voor het opstellen van de waterparagraaf. De vragen in die toets zijn bedoeld om een beoordeling te kunnen geven van de feitelijke, fysiek-technische situatie maar ook om te kunnen beoordelen of de situatie zich verhoudt tot het waterbeleid van Rijk, provincie en waterschap. De vragen zijn zodanig opgesteld dat als een vraag met ja wordt beantwoord het waterthema relevant is. Uit de watertoets is gekomen dat er geen waterschapsbelangen worden geraakt.
Daarmee kan de normale procedure worden gevolgd. De uitkomst van de digitale watertoets is als bijlage toegevoegd. Conclusie water Het aspect water vormt geen belemmering voor de te verlenen omgevingsvergunning.